GELOOF en LEVEN vzw



  
HOME

INHOUD

GELOOF EN LEVEN

    NAAR INHOUD       

VERHALEN …
… en toen vertelde Hij hen …

- De ridder met het kruikje  Boete en vergeving (Middeleeuws)
- Als de aarde bloedt … Ralph Bettens
- De Dialoog  (Ralph Bettens)  
- Opa. (Omtrent Euthanasie) bvv

- Een knipoog van God Bettens

- Een donkere schaduw over de wereld (drugs) bvv



ALS DE AARDE BLOEDT

SCHREIT GOD

Kortverhaal door Ben Van Vossel

Ó Geloof & Leven 2000


Eenmaal per week stond hij het zichzelf toe.  De ene keer een pak frites.  De andere keer een hamburger.  Dinsdags na de cursus neurofysiologie.  Hij wou dan even terug in het leven van gewone mens komen.  Weg uit de zenuwstrengen en -knopen, de kilometerlange zenuwbanen die onze body doorkruisen en voor zoveel impulsen die op zulke ondenkbare snelheid reageren.  Frites met een kwak mayonaise en zo’n rode worst.  Kan het nog platvloerser?  Maar vandaag was het een hamburger.  

Het rode dak van de hamburgertent deed hem het speeksel in de mond komen.  Ooit maakten ze hier publiciteit met een indiaan op de affiche die absoluut een ‘giant’, zo’n dubbele hamburger, trachtte naar binnen te wurmen.  “De Amerikanen staan er paf van”.  De laatste tijd was er echter vanuit een bepaalde hoek nogal tegenwind gekomen, jonge mensen die er blijkbaar iets meer van wisten en nogal uithaalden naar de manier waarop dieren behandeld of mishandeld werden alvorens verwerkt te worden in hamburgers.  Dit soort acties leek uit Engeland aangewaaid.  Evenwel, na de les van professor van Uyttevoore, wou Geo naast gewone smekkende tieners zitten met uitzicht op ergens een of andere bejaarde die zich ook dat moderne ongezonde voedsel trachtte eigen te maken.  Hij wou de kikvorsen vergeten die ze hadden ontleed, en al die nog vrij simpele verbindingen en draden, althans als je ze vergeleek met ingewikkelde zenuwstrengen van warmbloedige en wat meer ontwikkelde zoogdieren.  


Op zoek naar het geluk

De hamburger smaakte hem.  Hij zat naast enige kwetterende tienermeisjes.  Ze hadden het over een zwartharige uit hun klas.  Toevallig ook een Joris.  Ze maakten die gast langs alle kanten belachelijk.  Het kwam hem echter voor dat ze er alledrie smoorverliefd op waren.  Ze kenden het merk aftershave, de doorsnee-kleur van zijn zakdoeken...  Bakvissen, dacht Geo.  En hij vond het tegelijk gelukkig en wat bedroevend, dat sinds hij zelfs aan het unief gekomen was, bakvissen nog steeds even oppervlakkig waren.  Maar waren ze dat wel echt?  Was hijzelf zonder meer oppervlakkig toen hij op allerlei manieren het geluk had gezocht en zijn ongeluk was ingedonderd?  Zijn alle mensen niet op zoek naar het geluk, HET geluk, terwijl ze het op alle manieren en vaak uit eigen domheid en egoïsme grandioos mislopen?  Het geluk.  Hij voelde zich gelukkig.  Er was een soort gelukswolk over zijn leven gekomen, sinds zijn leven, zijn geloofsleven, een vernieuwingskuur had ondergaan.  

Het was hem eerder overkomen dan dat hij het zelf had gezocht.  Gewoon door een jong koppel (protestanten, dacht hij) die hij op de Gentse feesten had ontmoet en die hem zomaar hadden gevraagd op hij niet even naar hen wilde luisteren.  Och, waarom niet?  En ze waren beginnen spreken over hun geloof.  Ze geloofden in niets meer, en zeker niet in God.  Maar dan was zij erg ziek geworden.  En hij opstandig en razend kwaad op God, waarin hij zogenaamd niet meer geloofde.  Maar zij was beginnen lezen in de Bijbel, op momenten dat de pijn wat minder was.  En er waren woorden die haar naar het hart gingen.  En ze was Jezus’ naam beginnen noemen, met vertrouwen, met zekerheid.  En er was vrede in haar hart gekomen.  Hij kon dat toen niet begrijpen.  Maar zij was genezen en haar vertrouwen was naar hem overgeslagen in de vorm van dankbaarheid naar God toe.  Ze hadden hun leven aan Jezus toevertrouwd, ze hadden Hem gevraagd om de Heer van hun leven te worden.  En diep geluk was in hun leven gekomen…  


Gij zult mijn getuigen zijn

Geo was ondersteboven geweest van het getuigenis van dat jonge echtpaar.  Hij was na enkele dagen ook in de bijbel beginnen lezen, het evangelie…  

Om een verhaal kort te maken:  ook hij had zijn leven aan Jezus gegeven.  En ook in zijn leven was een ongekende bron van vreugde gekomen.  Met ups en downs, hoor, maar toch mocht hij getuigen dat hij een gelukkig mens was.  Alleen kon hij over dat geluk en de bron ervan, moeilijk spreken met anderen.  Hij vond de juiste woorden niet en meestal durfde hij het ook niet goed aan.  Allee, hoe zou het zijn om aan die paar bakvissen hier te zeggen: ‘Zou ik jullie eens iets mogen zeggen?’  Vermoedelijk zouden ze hem met een dom gelaat aankijken en dan zou hij hen moeten gaan spreken over zijn zoektocht naar geluk en hoe hij het tenslotte gevonden had door in dat oude bijbelboek te lezen…  Hij zag niet in dat hen dat sterk zou interesseren.  Overigens, de hamburger was op en zeer veel tijd had hij hier niet meer te verliezen.  


De hold-up

Hij stond op.  Plots hoorde hij een opvallend lawaai.  Geroep.  Geo keek in de richting van de ingang.  Twee mannen in zwartlederen jak en jeansbroek met een nylonkous over hun hoofd stonden te zwaaien met een soort snelvuurgeweren, in volmaakte commandostijl.  “Liggen, allemaal liggen”, riepen ze met kwade stem, “de portefeuilles op de tafel”.  Ongelovig stond Geo nog naar die twee gekken te kijken.  Een kelner draaide hun de rug toe, waarschijnlijk om iets te ondernemen, te telefoneren of zo.  Een paar schoten gingen af.  De man zeeg neer.  Je hoorde hem tegen de grond slaan.  “Liggen, iedereen liggen.  Onmiddellijk!   Portefeuilles op tafel”.  “Liggen, onmiddellijk”.  Weer klonk een schot.  Een gruwelijke schreeuw.  Nog een schot.  Toen werd het stil.  Nog even was er gerucht van stoelen en tafeltjes die opzij werden geschoven.  Je hoorde mensen onderdrukt snikken.  “Blijven liggen.  Niet bewegen”.  Twee mannen, blijkbaar ook gangsters die al in de hamburgertent moeten aanwezig geweest zijn, gingen van tafel tot tafel om de geldbeugels en portefeuilles op te halen.  Geo, die ook plat op de grond lag had uitzicht op de kassa.  Daar stond ook een gangster die blijkbaar de inhoud van de kassa had opgeëist.  Er werd geen weerstand geboden.  “Blijven liggen allemaal.  Wie opstaat wordt neergeschoten!”.  Die gangster liep weg met een sporttas waar hij de inhoud van de kassa had ingekieperd.  Heel de overval kon maar enkele minuten - hooguit - geduurd hebben.  Geo hoorde buiten een tweetal zware motoren met veel lawaai wegrazen.  Het was achter de rug.  


De weg van de hominisatie

Maar het duurde nog even alvorens de mensen weer overeind durfden komen.   Hoewel ook half verdoofd, belde Geo met zijn gsm de rijkswacht op.  Waarschijnlijk had iemand anders dat ook al gedaan, althans, ze wisten er reeds van en waren al onderweg.  Geo zette zich opnieuw op de plaats waar hij gegeten had.  “Twee doden”, hoorde hij iemand zeggen.  Het was een drukte van jewelste rondom hem.  De tienermeisjes waren hysterisch aan het wenen en tegelijkertijd hun ervaringen aan het uitschreeuwen tegen elkaar.  Zelf trachtte hij heel dit gebeuren te verwerken.  Doden voor wat geld!  Over soortgelijke zaken had hij natuurlijk al vaker in de krant gelezen en erover gehoord op de teevee.  Nu wist hij dat dit zich ook echt voordeed.  De idee alleen vond hij al onmenselijk, laat staan zoiets ook werkelijk te ondernemen.  Een mens doden voor wat geld!  “Heer, hoe is zoiets mogelijk?”  Hij had zich de gewoonte aangekweekt om over serieuze zaken ook met God te praten.  “Heer, waarom doen mensen zoiets?”  Misschien was het nog niet eens zo gek daar met God over te praten.  Was Gods Zoon zelf niet verraden voor wat geld, dertig zilverlingen, de prijs die men toen betaalde voor een slaaf?  Maar een mens doden omwille van wat geld!  Was dat gewoon om dat geld te hebben?  Om in hun verslaving te voorzien?  Of omdat ze in ernstige nood waren?  Geo voelde op dat ogenblik hoe compleet onmogelijk het zou zijn zoiets te ondernemen, als je God echt toebehoorde.  Hij voelde, midden deze afgrijselijke chaos van moord en hold-up, in zijn hart een soort vrede en zekerheid, omdat zijn wezen altijd in opstand zou komen tegen die onmenselijke realiteit, omdat hij - met God - heel dit gebeuren diep betreurde en nooit in staat zou zijn omwille van wat  

materieel voordeel mensen te gaan uitschakelen.  “Raak het hart van die gangsters, Heer; zegen de slachtoffers en hun gezinnen”.  De rijkswacht was daar en ieder mocht zijn verhaal komen doen.  De gangsters waren ontkomen.  Een ‘gevoel van onveiligheid’?  Een door politici uitgedachte term om de werkelijkheid niet te moeten zien en hun verantwoordelijkheid te kunnen ontlopen.  Gevoel van onveiligheid ?  Och, morgen zou het hier weer vol personen zitten met een hamburger op het bord.  Wel zal er een andere kelner zijn.  En minstens één klant zal niet meer opdagen.  Hun  moeder, hun vrouw, hun kinderen zullen de slachtoffers niet zo vlug vergeten.  God ook niet.  In eeuwigheid niet.

(NVDR. Als aanvulling bij dit kortverhaal kan je misschien ook eens

de brief lezen van br. Marc-Maurice m.c. ‘De goede moordenaar’)


TERUG NAAR INHOUDSOVERZICHT       NAAR TOP     

DE DIALOOG

Kortverhaal door Ben Van Vossel

G&L 2000 nr 4

Geo was wat gaan bijverdienen als jobstudent.  Hotel ‘CARDOLIA’, aan de rand van de stad, lag zo’n 500 meter van het strand.  ’t Was er hard werken.  En, toegegeven, ook goed verdienen.  ’s Avonds was hij dan zo moe dat hij tot niet veel meer in staat was.  In het nachtleven had hij het eigenlijk niet zo gezien.  Een pintje om de hoek en voor de rest wat bijlezen van de lectuur die een jaar opgespaard was.  In het hotel zelf had hij nog niet zoveel contacten.  Vriendelijk, dat wel, maar echt tijd voor een praatje was er niet.  Hij had de indruk dat dit trouwens niet zou geduld worden door de vaak aanwezige zaakgelastigde.  Geo’s hoofdjob was eigenlijk de vaat, het proper houden van de keuken (althans voor het grotere werk) en ook het af- en aanvoeren van kamerlinnen.  Gelukkig moest hij zelf niet de bedden opmaken, iets waar hij het nooit ver in geschopt had.  De dagen goed gevuld dus met werken en ’s avonds trachten wat op adem te komen om dan niet al te laat het bed in te duiken.  Positief was de gezonde zeelucht waar hij langs de klikramen volop van profiteerde de hele nacht door.  Maar echte contacten die wat om het lijf hadden waren er de eerste dagen niet bij.

Na een week ongeveer had hij toch een interessant gesprek met Nathalie, een van de schoonmaaksters die daar in vaste dienst was.  In de Aldi was hij haar toevallig tegengekomen.  Zij was zelf een gesprek begonnen.  Zo wat vragen hoe hij het vond in ‘t Cardolia.  Och, hij had er nogal positief over gedaan.  Toen hij dan zelf vroeg hoe lang ze daar al werkte en daarna of ze dat werk graag deed was ze, na enige aarzeling, vrijuit beginnen praten.  Al tien jaar was ze daar in dienst.  Ze woonde trouwens in de gemeente ernaast.  Een job zoals een andere, vond ze.  Na een tijd was er wel een soort verbondenheid gegroeid, althans tussen de schoonmaaksters en ook wel wat met het keukenpersoneel.  Maar ook voor hen was er niet al te veel tijd om wat te praten.   ‘Och, je hebt zelf ook wel reeds ervaren dat er altijd een drukte heerst van jewelste.  Dat is niet enkel in het seizoen zo, ook door het jaar, we werken dan meestal zonder stagiairs of interims’.  

Ja, Geo was het ook reeds opgevallen dat er maar juist genoeg personeel was om heel de dag druk bezig te zijn.  Maar ja, dat zal overal wel zo zijn in deze sector, en in alle sectoren.  Nathalie merkte nog op:

-Weet je, het vervelende hier is dat de rusttijden niet op hetzelfde moment vallen voor iedereen, daardoor is sociaal contact tot een minimum herleid.  Maar luister, ik klaag niet, alles samen doe ik dat werk graag en ik verdien goed mijn boterham.  Heb je al contact gehad met de baas?’  

- Bedoel je de plaatsvervangende baas?

- Inderdaad.  Wat vind je van hem?

- Nogal bazig en bemoeiziek en eigenlijk weinig vriendelijk.  Neem me niet kwalijk, hoor.

- Voor mij hoef je je niet in te houden.  Mijn vriendje is hij hoegenaamd niet.

- Hij is toch correct met het loon?

- Als hij over heel de lijn zo correct was, hadden we niet te klagen.

- … ?

- Hij zit nogal achter het vrouwvolk aan.

- Tiens, ik dacht dat hij gehuwd was.

- Ja, maar daar maakt meneer geen probleem van.  Hij heeft daar zelfs een fooitje voor over.

- Je bent blijkbaar goed op de hoogte.

- Och, Myria vertelt me dat, mijn vriendin.  Ze heeft een kleine promotie gekregen door het meneer naar zijn zin te maken.  Maar of ze zo zeker kan zijn van zijn blijvende aandacht, dat betwijfel ik.

- Ha ja.  En ga jij dan je kans grijpen?

- Verbeeld je, daar ben ik nou toch te preuts voor.

- Juist maar te preuts ?

- Om eerlijk te zijn, iets in mezelf zegt me dat dit niet goed is, dat de wereld op die manier verkeerd draait.

- Voel je je dan zo bezorgd om de wereld ?

- Ook om mezelf.  Ik heb teveel respect voor mezelf om me voor een tijdelijke promotie te laten gebruiken door zo’n profiteur die zelf zijn vrouw bedriegt.

- Ik waardeer dat je er zo over denkt.  Maar, hm, neem me niet kwalijk, kon je je vriendin dan niet helpen om uit zijn klauwen te blijven?

- Ik heb het er met haar over gehad.  ’t Was wel moeilijk om er over te beginnen.  Maar toen ik haar mijn gedacht gezegd had, zei ze dat ze er vrijwillig voor koos.  Toen stond ik daar natuurlijk met mijn mond vol tanden.

- Stom dat mensen voor wat geld of wat promotie zich zo laten vernederen.

- Och, zo gaat het er in veel werkplaatsen aan toe.

- Dan draait het in de wereld inderdaad wel wat verkeerd, zoals je daarjuist zei.

Ondertussen waren ze bij de kassa aangeland en  werd het gesprek onderbroken..

Nathalie had blijkbaar toch nog verder geboomd over hun conversatie, want net buiten het warenhuis zei ze tot Geo :

- ‘Weet je, als je niet wat gezonde principes hebt en daar je leven op bouwt, dan ben je als een onbemande sloep of een stuurloos schip: geen richting, geen echt zinvol doel; vroeg of laat slaan ze ergens tegenaan en zinken.  Ik heb genoeg naar de zee zitten kijken om me dat te kunnen indenken.  En ik heb genoeg  van de wereld gezien om te weten dat er zo enorm veel stuurloze levens zijn’.

Geo mompelde nog zoiets van ‘Ik geloof dat je dat heel juist gezien hebt’ en nam toen afscheid.  Diep in zijn hart leefde er een grote dankbaarheid om dit gesprek, dankbaarheid omdat hij van huis uit een aantal gezonde principes had meegekregen en nog grotere dankbaarheid omdat hij vanuit zijn geloof en de persoonlijke relatie met God de kracht ontving om volgens die principes te leven en zijn leven waarde en zin te geven.


TERUG NAAR INHOUDSOVERZICHT       NAAR TOP     



OPA  

Omtrent Euthanasie

Kortverhaal van Ben Van Vossel G&L 2001

Geo was thuis van het unief en ging eens langs bij zijn opa, dat was grootvader langs moeders kant.  Opa ging tachtig jaar worden, maar hij lag zwaar ziek, eigenlijk terminaal ziek.  Geo wist, dat opa zelf goed besefte dat hij niet veel tijd meer te leven had.  Anderzijds was opa steeds iemand geweest die van het leven hield, die, ook midden de zware gezondheidsproblemen van de laatste jaren, toch steeds goede moed en zelfs een goed humeur had weten te bewaren.

Geo ging langs het kleine weggetje opzij van het huis en klopte aan aan de achterdeur.  Die manier van doen vond hij zo gezellig ouderwets, dat gaf nog zo’n sfeer van echte buurtschap; zo iets dat in de stad gewoon onmogelijk was en zelfs niet in het centrum voor een doorsnee gemeente…  Hij hoorde het geschuifel van grootmoe.  Haar gelaat klaarde op toen ze hem bemerkte door het glazen bovendeel van de deur.  Ze opende.  “Maar Joske, wat een plezier van jou nog eens te zien”.  “Grootmoe, ‘k ben ook blij dat het er nog eens van gekomen is.  Hoe is het met jou ?”  “Met mij, goed, jongen, maar met hèm…!”  Ze kwam met haar mond dichter naar zijn oor en fluisterde: “Ik denk dat het naar zijn einde gaat”.  Geo sprak ook zeer zacht: “Grootmoe, dat weten we eigenlijk nooit, hee.  Wat zegt de dokter ervan?”  “Joske, ’t is juist de dokter die me gezegd heeft dat het serieus was, héél serieus, zei hij.  Maar kom, ga opa maar een goedendag zeggen, hij heeft niet graag dat men zo wat aan ’t fluisteren is, achter zijn rug.  Dat versta je wel, hee?”  Ze leidde Geo de keuken door en dan de donkere woonkamer in, waar opa’s bed sinds enige tijd ondergebracht was.  “Vader, zie eens wie d’ er hier is”.  Opa wendde het hoofd naar haar en Geo.  Een vermoeide glimlach kwam op zijn gelaat.  “Joske, jongen, wat een plezier dat jij er bent.  Je gaat je studie toch niet teveel schaden, hee!”  “Maar nee, opa, studeren, daar mag je niet in overdrijven, of er gaan niets meer je hoofd in.  Matigheid!  Dat was toch altijd jouw devies, is het niet”  “Ja, jongen, en toch heb ik een soort ziekte die je ook kunt hebben als je erg onmatig bent”.  “Opa, leverziekten kunnen veel oorzaken hebben.  En er zijn heel wat soorten.”  “’t Is een tumor, jongen, en er is niets aan te doen”.  Geo wist niet wat zeggen.  Hij was op een stoel vlakbij het bed gaan zitten, en hij legde nu zijn hand op die van opa.  Het was een aandoenlijk ogenblik.  In de ogen van opa blonk een traan en Geo’s ogen gingen ook glazig staan.  Hij trachtte zich te vermannen.  Hij kneep eens met zijn ogen zodat hij weer klaar zag.  Opa zag erg geel.  Zijn gelaat en ook de zijkant ervan en zijn hals, zijn handen en wat er van zijn armen te zien was.  En mager.  “Weet je, Joske, ik heb veel afgezien de laatste maanden.  Maar weet je wat me het meeste pijn doen en onrust geeft.  Al dat gezever over euthanasie dat ik tot voor enige weken nog op de teevee heb gehoord.  Ik heb dat echt naar mezelf toe overdacht.  Je kan nu je levenstestament vragen.  Vragen om uit het leven geholpen te worden.  Zo noemen ze dat.  Het gaat dan natuurlijk over mensen die veel afzien.  Ik heb veel afgezien.  Veel pijn gehad.  Ik ben blij, dat onze dokter mij nu goed helpt voor de ergste pijn te milderen.  Maar er is een psychische pijn bijgekomen.  Wat doe ik moeder aan en de kinderen door de zaak hier maar te laten aanslepen.  Als die nieuwe regering nu heeft beslist dat je gewoon maar aan je dokter moet vragen om een spuitje…  Maar ik denk niet dat onze dokter dat zou doen.  Die zou niet verstaan dat ik, juist ik, om zo iets zou vragen.  Wat zou jij doen, moest je al dokter zijn?”


Terwijl hij opa bezig hoorde, voelde Geo in zijn hart een vreselijke woede opkomen tegen die wettenmakers die oorzaak waren van zo’n onrust in een mens, die altijd zo van het leven gehouden had en ook nu er echt aan vasthield, ondanks alle pijn en last.  Euthanasie.  Het was in de lessen van ethiek en recht wel eens naar voor gekomen, maar de meeste van zijn medestudenten maakten zich daar weinig problemen rond.  Hij hoopte dat ze dat wel zouden doen als ze eens met de feiten zouden geconfronteerd worden.  Met enkele vrienden had hij het er wel enkele keren over gehad, vooral juist naar aanleiding van die nieuwe wetsvoorstellen.  Het zou wel een tussenoplossing worden waarin euthanasie op aanvraag wel zou kunnen, mits (zogezegd) onuitstaanbare pijnen, het uitdrukkelijk verzoek van de patiënt en het akkoord van nog een tweede of zelfs een derde arts; maar ja, je weet vrij vlug wie er wat gemakkelijker is op dat vlak.  Even later was uit een enquête gebleken dat er al heel wat euthanasie werd gepleegd, zelfs zonder dat de patiënt er om vroeg.  Vraag was alleen of het dan ging over pijnstillers geven waardoor het leven wel serieus werd ingekort, of gewoon zo’n dosis geven of een dodelijke injectie waarmee je gewild direct een einde stelde aan een mensenleven.  Volgens sommigen lagen die begrippen van actief en direct of passief en indirect allemaal vrij dicht tegen elkaar.  Volgens Geo kwam die begripsnivellering en normvervaging juist hierdoor dat het menselijk leven ten eerste minder naar waarde geschat werd en verder dat men het menselijk leven ging afwegen naar de mate van schoonheid, gezondheid, productiviteit enz…, met andere woorden, dat men het ene menselijke leven serieus waardevoller of minder waardevol ging achten dan een ander.  Dat alles had Geo zich als in een flits zitten overdenken terwijl hij naar opa luisterde.  Midden die overdenkingen viel de vraag: “Wat zou jij doen, moest je al dokter zijn?”  


Geo voelde dat hij niet nu kon gaan stotteren of  wat rond de pot draaien.  Hier vroeg een mens, heel bewust en gericht om een antwoord, iemand die zich in een situatie gedrongen voelde, als met de rug tegen de muur en een mes op zijn keel.  “Opa, ik ga je daar eerlijk op antwoorden.  Vooreerst dit.  Je weet ook welk samenraapsel die regering is en wat daar aan christelijke

overtuiging in aanwezig is.  Waarschijnlijk zijn dat uitzonderingen.  En sommigen van hen hebben jarenlang op de loer gelegen om eens wat ethische problemen op hun manier te benaderen en ze politiek te beslechten.  En daarom moet je toch bedenken, dat zo’n regering mag beslissen wat ze wil inzake abortus, euthanasie, drugs, noem maar op…  maar daar gaan wij ons geweten niet door laten vormen of onze innerlijke overtuiging door laten veranderen.  Een uitspraak van een paar ongelovigen over serieuze ethische onderwerpen raakt mijn koude kleren.  Dat wil niet zeggen dat ik tijdens zo’n maatschappelijk debat, niet zou meedenken en mijn overtuiging niet zou confronteren met deze van die nieuwlichters.  Maar fundamenteel laat ik me daardoor niet leiden.  Dat wou ik je toch eerst zeggen, dat jij, die zo moedig bent geweest, nu niet plots ongerust moet worden door wat de een of andere toevallige minister of parlementariër komt verkondigen.  Jouw overtuiging is evenveel en zelfs veel meer waard dan die van de eerste de beste politieker.  

En als je me nu vraagt wat ik zou doen, als ik binnen enkele jaren dokter zal zijn?  Ik zou de mensen nabij zijn.  En ik ga hen trachten te helpen in hun pijn.  Voor zover ik dat kan vanuit mijn beroep, zal ik hen ook bemoedigen; ik zal hen trachten mensen te sturen van het witgele kruis en zo, die hen nabij zijn, die hen echt helpen en goed verzorgen; misschien zoek ik ook mensen langs de locale ziekenzorg die hen gaan bezoeken.  Ik zal me bekwamen in pijnbestrijding en verwijzen naar aangepaste pijnklinieken, die trouwens ook op psychisch vlak mensen die terminaal ziek zijn, of door de pijn en de omstandigheden wat depressief zijn een heel stuk kunnen helpen.  Tenslotte zijn er nog de palliatieve afdelingen in heel wat klinieken…  Maar ik ga me als dokter niet lenen om een leven zomaar af te breken omdat het in de ogen van mensen minderwaardig zou zijn, niet meer de moeite waard.  Nee, daar bedank ik voor.  Sommigen zullen deze houding onmenselijk vinden, maar ik heb zo mijn eigen opvatting gevormd over wat menselijk en onmenselijk is”.   “Joske, jongen”, opa had zijn hand vrij gemaakt en legde het nu op die van Geo, “ik ben blij dat je me dit gezegd hebt.  Ik voel het net zo aan.  Wij hebben niet het recht, onszelf of anderen zomaar het leven te benemen.  Ons Heer heeft het ons gegeven, en Hij heeft aan de dokters in deze tijd het verstand en de medicatie geven om ons voldoende te helpen in onze pijn, maar ze moeten niet in de plaats van ons Heer willen gaan staan.  Daarvoor wegen ze niet zwaar genoeg”.  Moeder, geef Georges eens een flinke tas koffie, met melk en suiker”.


TERUG NAAR INHOUDSOVERZICHT       NAAR TOP