GELOOF en LEVEN



  
HOME

INHOUD

GELOOF EN LEVEN Jaargang 108 nr 2 (april - mei - juni  2004)

TERUG NAAR INHOUD  


- Maria wijst de weg   Ben Van Vossel cssr    
-
De Franciscaan van Bourges (3) André Gérardy  Maria-Kefasgemeenschap  
- Het christelijk Ethos: Naastenliefde en Ootmoed naar Gerd Theissen   
- “Hij zag… en geloofde”  1.
Een jonge Jood. Vrij naar Daniël-Ange   bvv  
- Wakker liggen   Anon.      
- God draagt zorg voor u  Petrusbrief     
- De 1
ste missievlucht naar Kongo (18)          Door: Jozef Boon CssR   
- Katech. vd Kath. Kerk (28)   § 2.
Namen voor de Kerk Samenvatting: bvv cssr  
- Familiebriefje uit Bagdad      p. Vincent Van Vossel cssr   
- Terug naar ‘Mijn eiland in de zon’                  P. Francis Boogaerts (79) naar de Antillen  
-
Lichaam en hart in onze relatie met God  (1)  Ben Van Vossel
-
Nota over het Hopland  (P. Jan Cuijle, P. Maurice Kennis) (Slot)   
-
Vroegere Kongomissionarissen. 4. Frans Van Aelst cssr  door p. Hugo Gotink 
- Nieuwjaarsbericht uit Kongo (Dec. 2003)     Hugo Gotink cssr    
- Onze overledenen: Zuster Innocentia (Louise Maria Bracke) - Mw. Suzanne van den Abbeel - Zuster Christine de Caster - Mw. Helena De Vent  - P. Walter Corneillie cssr
-
Bij de allerarmsten (Br. Marc-Maurice Beddeleem Missionaris v. Liefde)
- Ingezonden boeken (VERLINDE, J-M, De verboden ervaring / KÖRNER, Reinhard -, Het Onze Vader. Spiritualiteit vanuit het gebed van Jezus / GRÜN, Anselm -, Vasten voor de Heer met een stil en ontvankelijk hart / VAN DER VLOET, Johan -, Zonder God moeten vele woorden sterven. Grondslagen van christelijke spiritualiteit)  
-
Het drama van Vlierbeek (1) Een brokje Kerkgeschiedenis  L. Vercammen cssr
- Gerardus (26) Gekomen om te dienen.         p. Gabriël Dewilde cssr    


 TERUG NAAR INHOUD  


 MARIA WIJST DE WEG

door: Ben Van Vossel cssr

Het trof me (zie verder in dit nummer) dat o.m. de moeder van onze Pater Cuijle - nochtans een protestantse - ooit zei: ‘Ik begrijp niet wat ze tegen Maria hebben’ (zie verder in ons slotartikel over het ‘Hopland’). Vermoedelijk hebben de protestanten ook wel niets tegen Maria, maar tegen de overdreven Mariaverering, die voor hen soms de indruk liet dat het hier ging om aanbidding, of een verering waardoor de begenadiging door God en de uniciteit van Jezus als Redder en Middelaar als het ware werden verkleind. Het is nochtans niet goed Maria weg te cijferen, ook niet vanuit een misplaatst respect voor overgevoelige tenen van sommigen. We moeten luisteren naar de Schrift en de christelijke Traditie en niet bang zijn voor wat de Geest binnen het gelovige volk gewekt heeft in de loop der eeuwen.

Verwijzend naar Jezus
De meest bekende iconen uit Oost-Europa en Griekenland tonen ons de Moeder Gods terwijl ze met haar hand wijst naar het Kind dat ze op de arm draagt. Het kind wordt aangeduid met de Griekse letters: ‘ho oon - Hij die is’. En daarom wordt de moeder genoemd: ‘Mijtijr Theoe - Moeder Gods’ (MR-ΘÝ). Maria wordt moeder van God genoemd omdat ze moeder werd van Gods mensgeworden Zoon. Daar ligt overigens de bron van alle verering die het gelovig volk aan Maria zal wijden. En ‘verering’ is nog altijd heel iets anders dan ‘aanbidding’. Terugkerend naar die Maria-iconen mogen we zeggen dat Maria door het christenvolk gezien wordt als ‘de verwijzende’,  de ‘Hodigidria’. Zij wijst de weg aan, in feite wijst zij ‘de enige Weg’ aan: Christus.

Jezus vormend
Als we Maria binnen een bepaalde spiritualiteit (Grignion de Montfort) toch de weg noemen, dan bedoelen we daarmee dat zij de kortste, zekerste en veiligste weg is om tot Christus te komen. In die spiritualiteit gelooft men dat Maria nog altijd de functie heeft om Jezus aan de mensheid te schenken, om Jezus in ons te vormen, zoals Hij gestalte aannam in haar schoot onder de werking van de heilige Geest Hierop gaf de engel haar ten antwoord: ‘De heilige Geest zal over u komen en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom ook zal wat ter wereld wordt gebracht heilig genoemd worden, Zoon van God’ (Lk.1,35.

Weggecijferd
Tijdens Jezus’ openbaar leven treedt Maria nauwelijks op. Bij de bruiloft te Kana, een keer als ze wat familieleden vergezelt die zich zorgen maken over Jezus’ mentale gezondheid. Onrechtstreeks komt ze nog ter sprake waar een vrouw haar prijst als moeder van Jezus. Tenslotte wordt ze vermeld onder het kruis van de stervende Jezus. Maria staat dus niet permanent in de belangstelling. En ik geloof dat dit ook niet de roeping is van de christen. Nochtans had ze in haar profetisch loflied haar uitverkiezing mogen bezingen: “Mijn hart prijst hoog de Heer, van vreugde juicht mijn geest om God mijn redder: daar Hij welwillend neerzag op de kleinheid zijner dienstmaagd. En zie, van heden af prijst elk geslacht mij zalig omdat aan mij zijn wonderwerken deed Die machtig is, en heilig is zijn Naam.” (Lk 1,48-49).

Als gelovige zouden wij ons ook kunnen beroepen op onze hoge staat, maar zoals Maria weten wij dat het Gods genade is die op onze kleinheid heeft neergezien. Wij blijven daarom geroepen om Jezus in ons hart te dragen en Hem door te geven aan anderen, en nooit is het onze roeping om onszelf in de aandacht te brengen en op applaus te rekenen. Verloren tussen de grote mensenmassa weten we ons echter geliefd door God en bezingen wij zijn onbegrensde liefde.

Een leerlinge
Vrij vroeg wordt Maria leerlinge van Jezus, ook al is ze zijn moeder. Op het moment dat de twaalfjarige Jezus ‘zoon van de wet’ wordt en in de tempel achterblijft, interpelleert Maria Hem daarover. “Maar Hij antwoordde: ‘Wat hebt ge toch naar Mij gezocht? Wist ge dan niet, dat Ik in het huis van mijn Vader moest zijn?’ Zij begrepen echter niet wat Hij daarmee bedoelde. Hij ging met hen mee naar Nazaret en was aan hen onderdanig. Zijn moeder bewaarde alles wat er gebeurd was in haar hart” (Lk.2,49-51). Maria is niet als een eendje die sterke gebeurtenissen en sterke woorden zomaar over zich heen laat gaan, zonder ze tot in haar hart te laten komen. Dat was reeds gebleken na het bezoek van de herders, waar Lucas noteert: “Maria bewaarde al deze woorden in haar hart en overwoog ze bij zichzelf”. Zelf mogen we ons de vraag stellen in hoever wij de woorden van de Heer in ons hart bewaren en ze bij onszelf overwegen? Nochtans is het de enige manier om Gods woord vrucht te laten dragen en ons te laten opbouwen tot een geestelijk mens.

Omwille van die woorden uit Lucas ben ik geneigd om zelfs het woord van Jezus tot een vrouw die Maria zalig prees eerder als een proficiat te beschouwen aan een goede leerlinge dan als een achteruitstelling. “Terwijl Hij zo aan het spreken was, verhief een vrouw uit de menigte haar stem en riep Hem toe: ‘Gelukkig de schoot die U gedragen heeft en de borsten die U hebben gevoed.’ Maar Hij sprak: ‘Veeleer gelukkig die naar het woord van God luisteren en het onderhouden’” (Lk.11,27-28). Toegegeven dat Jezus de fysische verwantschap hier achteruit stelt ten overstaan van het gelovig ingaan op het Woord van God, maar in het licht van wat Lucas eerder schrijft over Maria’s omgaan met Jezus woord, lijkt me dit niet zonder meer een persoonlijke afkeuring. Herinner tenslotte het mensenwoord waarmee het heil, dat van jou en dat van mij, voorgoed kon openbreken: “Nu zei Maria: ‘Zie de dienstmaagd des Heren; mij geschiede naar uw woord’” (Lk.1,38). Een schitterende leerlinge van Hem die zou bidden: “Vader, … niet mijn wil, maar uw wil geschiede” (Lk.22,42).

Trouw aan Jezus en zijn gemeenschap
Op het beslissende ogenblik staat Maria daar: onder het kruis. Stond ze er echt of plaatst Johannes haar daar als beeld van de Kerk? Hij gebruikt dan in ieder geval haar persoon. Zij staat bij Jezus, als de trouwe gelovige van alle tijden. Zoals de Kerk en de gelovige steeds zullen moeten staan bij hun Heer, in goede en kwade dagen, bij de stervende, de vervolgde, de zieke, de uitgebuite, de gefolterde. Maria staat daar en wordt aan de Kerk (Johannes) gegeven, of wordt zij zoals de Kerk aan de gelovige (Johannes) gegeven? Zij accepteert de Jezusgemeenschap als haar kind, de gelovigen als haar zonen en dochters in Jezus. En daarom treffen wij haar ook biddend aan bij die eerste kerkgemeenschap die uitziet naar de heilige Geest: “Zij allen bleven eensgezind volharden in gebed samen met de vrouwen, met Maria, de moeder van Jezus, en met zijn broeders” (Handelingen.1,14).

Wij mogen zonder complexen opkijken naar Maria en haar hand en hart volgen die wijzen naar Jezus, onze Liefde.


 EINDE ARTIKEL

      NAAR INHOUD       NAAR  TOP VAN DIT NUMMER     


“HIJ ZAG … EN GELOOFDE” (1)
Een jonge Jood

bvv

Het gaat in de titel niet over de (on-)gelovige Thomas die Jezus’ wonden mocht zien en aanraken na diens verrijzenis, het gaat eerder over Johannes die samen met Petrus naar het graf was gelopen. Petrus moet nadenken over het lege graf, en van Johannes zegt men daar: “Hij zag en geloofde”. Er was alleen een leeg graf ten zien, een lege lijkwade, een opgerold zweetdoek… Niet bijster veel dus en toch staat er: “Hij zag … en geloofde”. Ik ga hier ook niet in op de argumenten die verdedigers van de ‘Lijkwade van Turijn’ hieruit halen om de authenticiteit van die reliek mee te ondersteunen. Nee, onze bedoeling is gewoon even te blijven staan bij die ervaring van “plots tot geloof komen”. Je ziet iets, je maakt iets mee, je ervaart iets, je hoort iets… en PLOTS is de hele waas van ongeloof, twijfel, geloofscrisis voorbij, de nevel is opgetrokken, als weggesmolten door de zon, waar je misschien naar uitzag maar die je hier en nu niet verwacht had.  Er is een zachte maar sterke geloofszekerheid in je gekomen, waar je je nog lang, zelfs levenslang kan aan optrekken.

Het is het verhaal van een paar bekende bekeerlingen of van heel gewone mensen, die in twijfel of onzekerheid plots ‘licht’ mochten ervaren. We hebben in Geloof & Leven (jg. 103 (1999) nr 4 p. 152-156) iets verhaald over de bekering van Alphonse Ratisbonne, die om een vriend genoegen te doen de Wonderbare Medaille droeg en toevallig een kerk binnenstapt omdat een vriend niet direct terugkeert; in die kerk heeft hij een verschijning van Maria en van het een moment op het ander is hij van niet al te gelovige Jood plots een katholiek christen geworden.

Onder bovenstaande titel willen we dus een paar getuigenissen brengen van mensen die vanuit twijfel of ongeloof plots licht mochten ontvangen van de Heer, gevraagd of ongevraagd. Eenvoudige getuigenissen, maar zij helpen ons vast te stellen dat God een Levende God is die Zich ook vandaag aan mensen wil openbaren. Het is niet nodig dat we allen iets dergelijks meemaken, wij mogen steunen op het verhaal van betrouwbare getuigen die de apostelen waren en het kerkelijk leergezag, maar ook eenvoudige waarachtige getuigenissen van medegelovigen. “Wij mogen niet zwijgen over wat we zelf hebben meegemaakt”, zeiden de apostelen nadat ze gegeseld waren. En Paulus kreeg te horen: “Daartoe ben Ik u verschenen, om u aan te stellen tot dienaar en tot getuige van het feit, dat ge Mij gezien hebt en dat Ik u nog verschijnen zal. Ik heb u weggenomen uit uw volk en uit de heidenen en tot hen zend ik u om hun de ogen te openen, opdat zij zich van de duisternis keren tot het licht en van de macht van satan tot God en opdat zij door in Mij te geloven vergiffenis krijgen van hun zonden en een erfdeel met de geheiligden” (Handelingen 26,16-18).

1. Een jonge Jood verhaalt

Antwoorden zoeken aan verkeerd adres
Mijn ouders waren joden, maar ze gingen nooit naar de synagoge: niet-pratikerenden dus. Toen ik ongeveer drie jaar was vertrokken we uit Tunis naar Parijs. Als jonge tiener werd ik aangetrokken door al wat mysterieus was, zoals waarzeggerij. Ik leefde met allerlei vragen in mijn hart en was op zoek naar antwoorden. Stilaan geraakte ik geïnteresseerd in de occulte wetenschappen en ik besteedde veel geld aan boeken daarover. Sommige van die boeken en de mensen die daarmee bezig waren leken ernstig maar veel was louter bedrog. Nadat ik heel veel daaromtrent aan de weet gekomen was wilde ik dat ook in praktijk brengen, maar ik mag de Heer dankbaar zijn dat ik daartoe de gelegenheid niet kreeg. Omdat ik al die boeken verborg wisten mijn ouders niet waarmee ik bezig was.

God sprak en het was
Op een dag las ik een strooibriefje, een uitnodiging van Protestantse christenen voor een samenkomst waar iedereen een gratis Evangelie zou krijgen. Ik ging daarheen en ontving inderdaad een evangelieboek. Alleen op mijn kamer, opende ik dat kleine evangelie en mijn ogen vielen op de tekst: “Laat die kinderen tot Mij komen”. Het lijkt misschien belachelijk, maar op dat ogenblik werd ik vervuld van ongelooflijke vreugde, ik meende te zullen sterven en had het gevoel dat het volume van mijn borstkas verdrievoudigd was. Ik had de indruk dat ik straalde, het was alsof ik zweefde. En op datzelfde moment herkende ik mijn Herder, mijn Jezus. Doorheen die woorden, waarin ik mezelf herkende, zei Hij tot mij: “David, jij bent degene die ik wil”.

Een waar getuigenis
Sedert datzelfde moment weet ik dat Jezus Christus de Zoon van God is. Wat ik daar meemaakte was geen illusie. Het is nu negen jaar geleden en geen enkel moment heb ik getwijfeld aan mijn geloof. Ik ben zeker van Jezus, zeker van Maria, en het geloof dat ik toen gekregen heb is een onwankelbaar geloof. Immers, toen mijn ouders vernamen dat ik christen geworden was waren ze buiten zichzelf. Op een nacht schudde vader mij wakker en zei: “Je slaapt christen, maar als ik had geweten dat je ooit christen zou worden zou ik je gewurgd hebben in de wieg”. Jezus heeft mij de kracht gegeven om te volharden. Ook zijn woorden uit de Zaligsprekingen, die ik uit het hoofd geleerd had, waren mij een sterke steun. Ik voelde Jezus werkelijk nabij, vlakbij mij.

In volgend nummer 2. Een theologiestudent:  “… en het water werd volmaakt stil” (Mt 8,26)


 EINDE ARTIKEL

      NAAR INHOUD       NAAR  TOP VAN DIT NUMMER     



Bij de allerarmsten. Een brief van Broeder Marc-Maurice

Broeder Marc Beddeleem van de Missionaries of Charity

schreef een Nieuwjaarsbriefje vanuit Bukarest.

Marc nam vroeger deel aan de Jongerenaktiviteiten van de Maria-Kefasgemeenschap.

“Een pak oude kleren, achtergelaten bij een dakloze, zo dacht ik. Toen we echter dichterbij kwamen zagen we een voet en begrepen dat het een kind was. Catalin ziet er negen jaar uit maar is twaalf jaar oud. Zijn ogen waren gezwollen en hij rilde van de kou. Een veel te grote T-shirt en een vuile oude vest over zijn naakte lichaam, een vuile trainingsbroek en een paar gebroken schoenen; naast hem lag een aansteker. Catalin vindt hier wat warmte op een metalen deksel van de stadsverwarming vlakbij het Noordstation. Toen we een warme thee en broodje gaven lichten zijn ogen op en kwam een zeer mooie brede glimlach op dit leidend gezicht. Hij keek ieder van ons voeren ons hele ambachten gaan. Catalin is een van de velen verloren kinderen in Boekarest. De meeste kinderen verblijven in de groep, Catalin is alleen. Middernacht brengt hij door onder de grond en voelt zich blijkbaar veilig in de aanwezigheid van een groep van alcoholverslaafden mannen. In zijn best mal bezat zijn lijm, zijn verslaving, zijn enige vlucht van de harde werkelijkheid van zijn leven... Ik voelde zoveel pijn. De volgende dag brachten door hem een deken, bevonden hem terug op dezelfde plaats, slapend ineengekrompen als een foetus, zijn geleden dat van de vochtige warmte. Is dit de enige plaats voor hem? Is dit de enige warmte die dit kind ervaart? Enkele meters verder lachend straathond op een zelfde deksel te slapen, de vergelijking is pijnlijk maar het is de harde werkelijkheid van Boekarest. Toen ik het deken over zijn schouder gooide en hem toedekte keek hij mij met tederheid terecht in de ogen. Hij glimlacht de punt.., zijn ogen de winkel zijn als kleine sterren..., er was leven en er was hoop. De pijn op zijn gezicht verdween en voor enkele seconden vergat ik dat deze jongens zoveel te lijden heeft hij zei “Thank you” het enige Engelsen dat hij sprak. Zijn “Thank you” blijft zeker als een echo herhalen in mei en het is pijnlijk. We hebben zo weinig voor hem gedaan en toch. Punt. Het betekende allemaal zoveel voor deze jongen. Die avond, toen we thuiskwamen werkte onze verwarming niet en het was er koud, niemand zei iets, we begrepen alle drie dat het veel beter hebben dan onze vrienden op straat.

(...)

Dit jaar is een jaar van afscheid nemen en opnieuw beginnen, een jaar van ontworteling en planten. Eind januari verliet ik Manchester voor Kolkata (Calcutta), dit ja 3,5 jaar. Sinds 3 weken ben ik in Bucharest (Roemenië), we plannen om hier een tabernakel (huis) te openen. A.u.b., bid voor deze intentie. Met Kerstmis ben ik thuis bij mijn familie. Op 20 januari vertrek ik terug naar Manchester en op 19 maart 2004, feestdag van St. Jozef zal ik mijn eeuwige geloften doen. Er is een blijvend en diep verlangen in mij om in vrijheid mijn gehele leven aan God en zijn armsten toe te wijden. Deze roep van de Heer volgen was niet gemakkelijk … en is nog altijd niet gemakkelijk. Er zijn moeilijkheden, verleidingen, pijnlijke ervaringen, maar diep in mij is er diepe vrede, een blijvende overtuiging, een stille roep om trouw te blijven. Het is bij Gods genade dat ik deze roep beantwoordde en het is bij dezelfde genade dat ik het elke dag opnieuw beantwoord.

Doe maar wat Hij je zeggen zal (Bruiloft te Kana Joh. 2,4)

Achttien jaar geleden werd ik uitnodigend getroffen door deze woorden en ze bleven zich herhalen in de leegheid van mijn zoeken. Tot op vandaag herhalen deze woorden zich in mij. Ze zijn een voortdurende aanwezigheid van Maria, mijn moeder en de moeder van de armen. Deze woorden zijn een zachte uitnodiging om nar Jezus te luisteren en Zijn roep te blijven beantwoorden, elk moment opnieuw. De knechten op het bruiloftsfeest waren nederig genoeg om naar Maria te luisteren…, en wat water zou gebleven zijn, werd wijn. Ik besef dat mijn leven en geloof dat waterig was, wijn is geworden. Diep in mij ben ik vervuld van vreugde, liefde, vrede. Ik ben dankbaar en gelukkig (...)


 EINDE ARTIKEL

EINDE VAN DIT NUMMER  2004_2    

     NAAR INHOUD       NAAR  TOP VAN DIT NUMMER