GELOOF en LEVEN vzw



  
HOME

INHOUD

GELOOF en LEVEN

LICHAAM EN HART IN ONZE RELATIE MET GOD

   INHOUDSOVERZICHT     

Ben Van Vossel


LICHAAM en HART IN ONZE RELATIE MET GOD (1)

Ben Van Vossel cssr

“En het Woord is vlees geworden…” In die paar woorden uit het evangelie volgens Johannes, steekt het geheim van het respect voor het lichaam en de materie zoals het in een welbegrepen en beleefd christendom wordt opgevat. En in die andere bijbeltekst: “God sprak... en God zag dat het (al wat Hij gemaakt had)  goed was”. Over de waarde en betekenis van het lichaam, de gevoelens, ja, de materie, hebben we in november van vorig jaar in ‘Oase in de Stad’ een vormingsessie gegeven waarvan we hier een paar gedachten  doorgeven.

§1. ENIGE ALGEMENE ORIENTATIES

1. Onze gelijkenis met God

Het lichaam maakt integraal deel uit van onze bestaanswijze als mens. Het lichaam is onze specifieke wijze om in contact te treden met de wereld buiten ons, om te ontvangen en te geven: receptief en actief, ontvangend en handelend. Enerzijds ontvangen we signalen door onze zintuigen, en door onze zintuigen en ledematen, die instrumenten zijn voor onze gevoelens, onze rede en onze wil, werken we in op de omgeving.

Uit de Bijbel spreekt een groot respect voor de lichamelijke dimensie van de mens. We moeten dat blijven onder ogen zien. Want naarmate we ouder worden en we onze lichamelijke zwakte en beperktheid gaan ervaren (het minder soepel, minder mooi en sterk zijn van ons lichaam, het lichaam dat een minder soepel instrument wordt voor wat we zouden willen doen…) kunnen we ook kleiner gaan denken over het lichaam. We mogen niet in de valkuil ploffen van een groot deel van onze samenleving, dat een mens minder waardevol wordt naarmate zijn lichaam zwakker wordt of ziek wordt, naarmate hij minder nuttig lijkt in de samenleving en zijn geest minder alert wordt door allerlei chemische reacties binnen zijn centraal zenuwstelsel.

Hoe de mens ook evolueert: van zwakheid naar sterkte en weer naar zwak en gebrekkig zijn, dement zijn zelfs, toch blijft het zo dat de mens gemaakt is naar het beeld van God, vooral onder het aspect van zijn bekwaamheid en roeping om te beminnen en bemind te worden. Wèl is het zo dat omwille van allerlei omstandigheden, ziekte, ongeval, ouderdom, die gelijkenis met God minder manifest (minder duidelijk) lijkt te worden. Maar als roeping en finaliteit (gerichtheid) blijft die gelijkenis aanwezig (kon men in de leeggebloede Jezus aan het kruis nog het beeld van Gods Zoon zien?)! En daarom moet elk mens met grote eerbied behandeld worden, ook wanneer hij nog ongeboren en onbewust is, wanneer hij nog jong en onervaren is, wanneer hij moreel verworden is zelfs, of wanneer hij ziek is - lichamelijk of mentaal - of zwak, lijdend of stervend. Dit is een diepchristelijke opvatting omtrent de mens en zijn lichaam. “Wonderbaar ben ik van maaksel”, zingt de psalmist in psalm 139.

2. Waardering en eerbied voor het lichaam van de mens

Nu is er een gezond onderscheid mogelijk in de mens tussen zijn lichaam, zijn psyche en zijn geest. Verschillende domeinen als het ware maar die op elkaar zijn aangewezen. Met Psyche bedoelen we dan het geheugen, maar ook het verstand of de rede, het reflexieve denken van de mens. Met ‘geest’ bedoelen we eerder het domein in de mens waar hij in contact staat met God. Lagere of hogere gevoelens zullen we naargelang onderbrengen bij de psyche of bij de lichamelijke dimensie.

2.1. Verkeerde opvattingen omtrent het lichaam

U weet dat in verscheidene denksystemen het lichaam wel eens al te zeer als minderwaardig werd bekeken en dat de geest (men sprak eerder van de ziel) als het ware opgesloten zat in het lichaam als in een kerker. Ook binnen het christendom heeft die tendens wel eens wat al te veel invloed gekend. Het lichaam was slecht, oorzaak van kwaad, een hinderpaal voor de ziel om tot God te komen…

Anderzijds, bijvoorbeeld in het atheïstisch marxisme-leninisme, is de mens gewoon lichaam, ook de psyche is een bepaalde vorm van materie, bepaalde processen in de hersenen en het centrale zenuwstelsel. Als men over geest spreekt, bedoelt men de rede, het reflexief bewustzijn. De geest immers, als kern waar we in contact zouden kunnen treden met God, bestaat niet, aangezien God ook niet bestaat. God is, volgens het dialectisch en atheïstisch materialisme, een uitvinding van de mens om zijn eigen kleine kanten wat te verdoezelen en om hem anderzijds te stimuleren tot zaken die - in feite - zinloos zijn. ‘Het geloof in God houdt de mens klein, omdat het hem afhoudt van zijn eigen verantwoordelijkheid. Godsdienst is opium voor het volk. In feite bestaat de mens enkel uit zijn lichaam’… Dat is de begrensde en begrenzende visie van het marxisme en andere materialistische filosofieën.

2.2. Het christendom en het lichaam

Wel vrienden, het christendom staat in sterke tegenstelling met dit atheïstisch materialisme, waar de mens gewoon een radertje is in de grote machine van de samenleving. Beperkt tot het lichaam en de chemische reacties in het zenuwstelsel, heeft de mens geen geestelijk beginsel.

Het christendom daarentegen denkt wel groot over het lichaam, maar gaat het niet verafgoden.

Het lichaam maakt integraal deel uit van onszelf als persoon en helpt ons in contact te treden met God, maar het is niet god, het is vergankelijk, sterfelijk. Toch is heel de mens geroepen om te blijven bestaan in Gods liefde.

3. De eerbied voor het lichaam en de incarnatie

3.1. God openbaart zich doorheen materiële dingen en mensen

De geest is wel de kern van ons wezen waar wij bewoond zijn door God. Maar als God met ons in contact treedt en zich aan ons wil openbaren gebeurt dat normaal op heel menselijke wijze, doorheen woorden, daden, gebeurtenissen die we met onze zintuigen kunnen vaststellen. Die woorden en daden worden vaak ook nog bemiddeld, hebben vaak als tussenpersonen bepaalde mensen. God heeft niet zelf de Bijbel geschreven bijvoorbeeld. En God treedt in contact met de mens doorheen materiële zaken die we zien, voelen, ervaren, zoals het Woord van de Schrift en de zichtbare tekenen die de sacramenten zijn, het water van de doop, brood en wijn van de Eucharistie…

3.2. In Jezus openbaart God zich helemaal (De incarnatie)

In onze inleiding verwezen we er reeds naar: in de volheid van de tijd is God zelf tussen ons verblijf komen nemen in een zichtbaar mens, in de persoon van zijn Zoon, mensgeworden in de kracht van de heilige Geest en geboren uit de maagd Maria. Een mens tussen de mensen: Jezus Christus.
God kwam in het lichaam om ons te ontmoeten op ons niveau.
In Christus werd het menselijk lichaam als het ware opgewaardeerd, door en door geheiligd. Vandaar de grote waarde van het doopsel, waar we op speciale wijze op Jezus geënt worden.   (Vervolg
ZIE HIERONDER)


     NAAR INHOUD          NAAR  TOP     



LICHAAM EN HART IN ONZE RELATIE MET GOD (2)

Ben Van Vossel cssr

 § 2.  het lichaam en de materie:
MOGELIJKE TOEGANGSPOORT TOT GOD

Het klinkt bijna onchristelijk om te zeggen dat het lichaam de mogelijkheid in zich heeft om een grote toegangspoort te zijn tot God. Is God  immers niet de totaal Andere?
Maar zoals het materiële, de natuur, mensen en menselijke woorden door God kunnen gebruikt worden om tot ons te komen, om met ons in contact te komen, zo kunnen wij ook ons lichaam en de materie gebruiken om tot God te komen, dat is de andere kant van het christelijke geloofsinzicht.

1. Het lichaam, materie, symbolen

1.1. Het lichaam een taak geven
Wij kunnen soms beter bidden als we ook ons lichaam een taak geven: bv buigen, knielen, zingen, handen opheffen, handen vouwen…  Het kan ons helpen om in contact te komen met God. Door ons lichaam drukken wij verwachting, openheid, concentratie uit. We kunnen biddend lezen in de H. Schrift, diep gebogen bidden, voorover liggend, of juist achterover als in een gebed van rust: in Gods nabijheid en liefdevolle zorg verwijlen  cfr o.m. Stinissen ‘Bidden met het lichaam’ (Uitg. Carmelitana).

1.2. De materiële omgeving afstemmen op God
Wij kunnen ook de materiële omgeving afstemmen op God: bv. in een kapel bidden, aangepaste muziek, of voor het uitgesteld sacrament, of in een zetel op een rustige plaats, in een geschikte gebedsruimte…

We plaatsen in ons gebedshoekje of vlakbij de deur van onze kamer een icoon, die we groeten bij het binnen- of buitengaan van onze kamer, als een groet van liefde en dank naar God toe.

Met deze voorzieningen dwingen wij God niet om met ons in contact te komen, maar wij stellen onze hele persoon af op de ontmoeting met God. Wij mogen dit zien als een werkzaam zijn, een ademen van Gods Geest in ons, een door God zelf aangetrokken worden zodat wij meer beschikbaar, meer toegankelijk worden voor zijn werking.

1.3. Bidden met symbolen
Verder bordurend op wat we zoëven zegden kunnen wij erop letten hoe wij met bepaalde symbolen kunnen bidden, ons gebed als het ware laten voortduren. In feite is het maar in verlangen, maar we voelen ook dit aan als iets zeer menselijks en tegelijk als een ingaan op het fluisteren, het stille werken van Gods Geest in ons.  De functie van de symbolen: een bloem, een kaars, wierook, zijn materiële zaken die iets uitdrukken van onze dank, onze eerbetuiging, onze lofprijzing, onze blijvende toewijding, ons verlangen om er te zijn voor God.

2. De leegte.

2.1. Tijd vrijmaken
De leegte, dat lijkt niets te zijn, afwezigheid, iets negatiefs, iets of iemand die er niet is. Maar het leegmaken van onszelf, leegte scheppen in onszelf kan juist betekenen dat we openheid scheppen voor iets, voor iemand, voor de ontmoeting met God bijvoorbeeld. Midden de drukte van de dag kunnen wij even stoppen met ons werk, even onze aandacht bewust afwenden van de stress, de hevige activiteit. Daar kunnen we dan bewust de aanwezigheid van God, de aandacht voor zijn glorie, de dankbaarheid ons hart laten binnenvloeien. Een korte blik op het kruisbeeld, de icoon op onze werktafel of aan de muur. Een clic-moment.

Zo kunnen we bijvoorbeeld een dag van bezinning vastleggen elke maand of elke zondag, of ons eens een  halve dag of een paar uur vrijmaken van alles en toewijden aan God.

2.2. Ruimte scheppen in ons streven
Ons leegmaken voor Wil van God door de uitschakeling van de eigen wil en nederigheid, lijkt wel wat te staan tegenover de ‘Spiritualiteit van beneden’ van o.m. Anselm Grün.  Het is een bewuste keuze omdat we ervan overtuigd zijn dat Gods wil aanbiddingswaard is, ver boven onze eigen wil staat als doelgerichtheid. Gods wil is immers gericht op zijn glorie, en Gods glorie is de opgerichte mens. Gods wil staat gericht op ons geluk, het geluk van onze hele persoon. Ruimte scheppen in ons leven voor de wil van God, staat dus ook gericht op het openbloeien van onszelf als persoon.

Maar die  gerichtheid op Gods wil kan ook betekenen dat we heel wat afgeven, onze planning, onze goesting… . Sterven aan onszelf. Jezus noemde dat: “jezelf verloochenen door je kruis op te nemen en Mij volgen”. De weg naar het heil loopt over het kruis, inspanning, onthechting, luisteren. Daar kunnen moderne theorieën en psychologische bedenksel niets aan veranderen. Natuurlijk, ga je vernedering en ingaan tegen je menselijke verlangens niet zomaar cultiveren, niet zomaar tot een doel op zichzelf maken: het hoort thuis in dat overwelvende doel: God dienen door je in te passen in zijn verlangen. Binnen dat verlangen verwezenlijk je je eigen geluk en maak je je leven vruchtbaar voor je medemensen, in verbondenheid met Jezus, boven wiens leven geschreven staat: “Ik ben gekomen om uw wil te doen, uw wil te doen, o God, dat is mijn vreugde” (Hebr.10,7). “Niet mijn wil, maar uw wil geschiede”(Mk 22,42). “Heer, wat wilt Gij dat ik doe?”

2.3. vasten, onthechting en versterving
Vasten, onthechting en versterving kunnen ook een functie hebben voor onze relatie met God en de beleving van ons christelijk leven.
Het zijn geen sympatieke begrippen. Wij steken ons vaak weg achter de dooddoener dat we hoogmoedig zouden worden als we gaan vasten en verstervingen doen.

2.3.1. Jezus en de eerste christenen
In het evangelie lezen we in ieder geval over het vasten van Jezus. Laat die 40 dagen nu symbolisch zijn, er zal in ieder geval een basis van realiteit achter steken.

Anderzijds is er toch het verwijt van Jezus naar de Farizeeën? Dit is echter een onjuiste conclusie. Het verwijt van Jezus was dat ze vastten en baden en aalmoezen gaven “om door de mensen gezien te worden”. Ze deden het met een slechte, een onzuivere bedoeling, dat betekent: het was niet gericht om plaats te maken voor God in hun leven, maar om zichzelf in de kijker te plaatsen.

Overigens zien we  in de Handelingen van de Apostelen en in het leven van Paulus hoe versterving en onthechting daar ook echt hun plaats hebben:

“In de gemeente van Antiochie waren er profeten en leraren: Barnabas, Simon die Niger genoemd werd, Lucius uit Cyrene, Manaen, jeugdvriend van viervorst Herodes, en Saulus. Terwijl ze eens voor de Heer de heilige dienst verrichtten en vastten, sprak de heilige Geest: ‘Zonder Mij Barnabas en Saulus af voor het werk, waartoe Ik hen heb geroepen.’  Na vasten en gebed legden ze hun toen de handen op en lieten hen vertrekken (Handelingen13,1 ).”

Jezus had trouwens zelf gezegd.

“Jezus sprak tot hen: ‘De vrienden van de bruidegom kunnen toch niet bedroefd zijn, zolang de bruidegom bij hen is? Er zullen dagen komen, dat de bruidegom van hen is weggenomen; dan zullen zij vasten (Mt.9,15 ).”

(Vervolg over het vasten: Maria in Medjugorje - Dorotheos van Gaza… ZIE HIERONDER)

      

     NAAR INHOUD          NAAR  TOP     

LICHAAM EN HART IN ONZE RELATIE MET GOD (3)

Ben Van Vossel cssr

§ 2.  LICHAAM EN MATERIE: MOGELIJKE TOEGANGSPOORT TOT GOD

De waarde van het vasten als het scheppen van een leegte waarin we God beter kunnen ontmoeten (vervolg)

2.3.2. Uitnodigingen van Maria in de verschijningen van Medjugorje.  
Een van de uitnodigingen van Maria bij haar verschijningen in Medjugorje is dat men zou vasten op water en brood op woensdag en vrijdag.   
Reeds decennia lang nemen velen deze uitnodiging ter harte. Het is niet mijn bedoeling de betekenis van dat vasten hier te bespreken noch daar speciale publiciteit voor te maken. Ik vermeld het hier gewoon omdat in spiritualiteitsbewegingen vasten en ontzegging een betekenis toegeschreven krijgen in de geestelijke groei van de mens, de openheid namelijk voor de werking van de Geest,  en de vruchtbaarheid van het apostolaat.

2.3.3. Dorotheos van Gaza over de ascese  
Dorotheos van Gaza, geboren even na 500 na Christus, waarschijnlijk in Antiochië, is een van de vertegenwoordigers van het Palestijnse monnikendom rond Gaza. In die middens beoefende men het ascetisme soms op bijna gekke manier. Maar tegelijk had men scherp in het oog hoe men er hoogmoedig kon door worden.

Dorotheos geeft een paar voorbeelden, die ons, Westerlingen, misschien wat moeilijk liggen:  
“Als wij dus volmaakt onthecht en bevrijd willen zijn, moeten we leren onze wil af te snijden, en door zo langzaam aan met Gods hulp vooruit te gaan, zullen we tot de onthechting geraken…”

En hij geeft dan als voorbeeld:  
“… men kan in een kort tijdsbestek tien eigen willetjes afsnijden. Laat mij zeggen hoe: Iemand wandelt een beetje rond, en hij ziet iets. Zijn gedachte zegt hem: “Ga daar eens kijken”, maar hij antwoordt: “Neen, ik kijk er niet naar”. Hij snijdt zijn wil af en kijkt niet. Vervolgens komt hij enigen tegen die met elkaar praten (het gaat dus over monniken). Zijn gedachte zegt hem “Doe ook je woordje”. Maar hij snijdt zijn wil af en zegt niets; Een andere gedachte komt in hem op: “Ga aan de kok vragen wat hij aan het klaarmaken is”. Hij gaat niet naar hem toe, maar snijdt zijn wil af.  Hij ziet iets, wat dan ook, en het idee komt bij hem op te vragen wie dat gebracht heeft. Hij snijdt zijn wil echter af en vraagt er niet neer.  
Zo verwerft hij, door telkens zijn wil af te snijden, een gewoonte, en door te beginnen met onbelangrijke dingen snijdt hij ook met gemak de grote af…”

Gaan die ascetische inspanningen en het zich ontzeggen van allerlei zaken ons niet hoogmoedig maken? Nee, schijft Dorotheos:  
“Elke goede daad schrijft de monnik aan God toe, altijd dankt hij Hem en roept Hem aan, uit vrees dat hij deze hulp verliest en dat dan zijn zwakheid en zijn eigen onmacht aan het licht komen. Zo bidt hij door de deemoed en door het gebed wordt hij deemoedig, en door steeds het goede te doen wordt hij steeds meer deemoedig, en hoe deemoediger hij wordt, des te meer wordt hij geholpen en gaat hij vooruit door de deemoed”.

2.4. Stil zijn en luisteren

2.4.1. De stilte als vijand  
Naast het vasten kan ook de stilte ons dichter naar God toe brengen. Er zijn mensen die nie tegen het stilzitten kunnen, altijd iets om handen willen hebben, altijd bezig zijn. Zo kunnen wij het ook moeilijk hebben met de stilte als zodanig.  Altijd moet de radio opstaan, of een CD, of we zoeken gezelschap op om deel te nemen aan het gesprek en om zelf ons woordje te doen.

Natuurlijk kan stilte ook onvruchtbaar zijn en het zoeken van de stilte soms heel egoïstisch, je van mensen niets willen aantrekken, bijvoorbeeld.  Maar vaak kan ze heel rijk zijn, ja, ze heeft een eigen rijkdom:

2.4.2. De stilte als vriend  
* In de stilte hoor je namelijk wat echt belangrijk is. Zo hoor je bijvoorbeeld het geluid of de geluiden van de natuur: de wind, of beter de bladeren die aangeven dat de wind erdoor suist. Het geluid van de regen. Het gezang van de vogels… De geluiden van allerlei dieren ’s avonds of ‘s nachts… Het toont hoe rijk en bewoond de natuur eigenlijk is.  De natuur, uit Gods hand gekomen.

* De stilte opent ons ook voor God. Helpt ons om ons te concentreren. Ze kan een gelegenheid zijn voor Gods Geest om ons iets duidelijk te maken, om ons te richten naar wat echt waarde heeft. En van daaruit leren we onszelf beter kennen en ons juister te oriënteren.

De stilte, of zachte muziek…  
* Het helpt te luisteren. Stilte betekent ook vaak ‘ontvankelijkheid’. Als men steeds maar bezig is, steeds maar in het lawaai zit of zelf lawaai maakt… kan God zich soms niet goed kenbaar maken en zeggen wat Hij jou te zeggen heeft. Nu weet ik wel: als je in de drukte van het verkeer even kunt opkijken naar God, als je in de drukte van het wek even kunt opkijken naar God… des te beter. Maar als we het zelf te lawaaierig houden om ons heen, zullen we het moeilijk hebben ons op God te concentreren.

2.4.3. Onderscheiden  
Maar nogmaals: ik kan me best indenken dat iemand gemakkelijker tot gebed kan komen bij wat zachte muziek, zelfs bij deugddoende lofliederen… maar om je dan verder te bezinnen en bij God te verwijlen zal je bepaalde woorden, bepaalde gedachten of beelden tot in je hart moeten laten zinken, en of dan het lawaai of bepaalde muziek een dienst zijn of eerder iets dat je belet naar de diepte te komen, … dat moet je dan zelf maar ondervinden. (Vervolg HIERONDER)

  

     NAAR INHOUD          NAAR  TOP     

LICHAAM EN HART IN ONZE RELATIE MET GOD (4)

Ben Van Vossel cssr

§ 2. Lichaam en materie: mogelijke toegangspoorten tot God

De waarde van het vasten als het scheppen van een leegte
waarin we God beter kunnen ontmoeten (vervolg 2 en slot)


3. Bidden en ademen… Het Jezusgebed

Ik heb ooit eens een paar conferenties bijgewoond van een medisch psychiatrische verpleegster, die een studie gemaakt had over het Jezusgebed en zijn positieve invloed op de psyche van de mens. Zij achtte het bewezen dat die deugddoende en genezende invloed er inderdaad was. Maar wat is dat ‘Jezusgebed’ eigenlijk?

Met het Jezusgebed - voor hen die het niet zouden kennen - bedoel ik gewoon dat korte gebedje dat zo dierbaar is aan veel Oosterse christenen: “Heer Jezus, Zoon van God, Redder, ontferm U over mij, zondaar” of kort : “Heer Jezus, Zoon van God, ontferm U over mij” of, zoals het in Vlaanderen wel eens gebeden werd als ‘schietgebed’: “Mijn Jezus, barmhartigheid”.

In de Oosterse spiritualiteit, vooral in Rusland, maar ook bij andere Oosterse monniken, was het ruim verspreid en was het een hulpmiddel om tot voortdurend gebed te komen. Men bad het op het ritme van de ademhaling, anderen op het ritme van de hartslag. Men bad het soms duizenden keren per dag, zodat het als het ware letterlijk het gebed van het hart werd. Het leefde voortdurend in de persoon, als onderstroom, als iets dat er voortdurend was en dat bijvoorbeeld als men ’s nachts ontwaakte er ook nog altijd was. “Heer Jezus, Zoon van God, wees mij genadig” of dus, zoals het in  onze Westerse kerk leefde, als het korte schietgebed: “Mijn Jezus, barmhartigheid!”

Het permanente gebed is een genade, maar hier staan we in feite voor een soort techniek, waardoor men inderdaad kan groeien tot een voortdurend gebed. Is daar iets mis mee? Ik meen van niet. Tenslotte is het een gebed dat, ongeveer in die woorden, terug te vinden is in het evangelie, het is geen mantra uit de boeddhistische traditie, het is geen verborgen goden- of geestennaam uit de transcendente meditatie, maar een evangeliewoord “Jezus, Zoon van David, ontferm U over mij”, het gebed van de blinde Bartimeüs. Jezus, Messias, of Redder, ontferm U over mij”.

“Er zaten twee blinden langs de weg, die, horend dat Jezus voorbijging, luidkeels begonnen te roepen: ‘Heer, Zoon van David, heb medelijden met ons!’ De mensen snauwden hun toe te zwijgen. Maar zij riepen nog harder: ‘Heer, Zoon van David, heb medelijden met ons!’ Jezus bleef staan, riep hen bij zich en vroeg: ‘Wat wilt ge dat Ik voor u doe?’ Zij zeiden: ‘Heer, open onze ogen!’ Jezus had medelijden met hen en raakte hun ogen aan. Terstond konden zij zien en sloten zich bij Hem aan. (Mt. 20,30-34, zie ook Mk 10,46-52; Lk 18,35-38)

4. Eerbied en zorg voor het lichaam en de gezondheid.

  

4.1. Zorg voor het lichaam

Normale zorg, aangepast aan deze tijd. Sint Paulus noemt het lichaam een tempel van de heilige Geest.

“Gij weet het, uw lichaam is een tempel van de heilige Geest, die in u woont, die gij van God hebt ontvangen. Gij zijt niet van uzelf.  Gij zijt gekocht en de prijs is betaald. Eert dan God met uw lichaam” (1 Kor. 6,19-20)

We hebben ons lichaam van God ontvangen, het is normaal dat we zorg dragen voor dat lichaam, dankbaar zijn voor het lichaam, voor alles wat ons lichaam betreft. Het is een deel van onszelf en moet ingeschakeld worden in het geheel van onze roeping als mens en als christen.

Aangepast aan deze tijd zullen we ons lichaam geven waar het recht op heeft.

4.2. Ingepast in het geheel van onze hele persoon en onze roeping

Maar inderdaad, lichaamscultuur, lichaamszorg moet zich inpassen in het geheel van onze roeping. Iemand die zijn lichaam verwaarloost, onvoldoende eet of ongezond, iemand die geen ontspanning neemt terwijl men zou kunnen voelen dat men dat toch nodig heeft… schaadt zichzelf, maar bezwaart wellicht ook de uitoefening van zijn opdracht, de beleving van zijn roeping en zending.

Maar nogmaals, het gaat over het geheel van onze roeping. Heeft een pater Damiaan zijn gezondheid niet geschaad door op Molokaï zo dicht bij die melaatsen te leven? Waarschijnlijk wel, maar dat paste zich in in het geheel van zijn roeping. Hier zie je duidelijk dat de belangen van het lichaam soms achteruit geschoven worden ten voordele van de roeping, de geestelijke belangen. Maar algemeen gesproken moet een goede zorg voor het lichaam nagestreefd worden, evenwel zonder het lichaam te verafgoden. Een gehuwde vrouw en om het even welke vrouw in onze samenleving zal voldoende zorg moeten besteden aan haar uiterlijk, als waardering voor zichzelf als mens en als vrouw, maar ook uit achting voor haar medemensen. Voor een man gaat dat evenzeer op, natuurlijk, alleen zal het misschien nog even duren vooraleer alle mannen dat begrepen hebben.

Overdrijven is dan weer niet gezond voor je ontwikkeling en je roeping als mens en als christen.

   EINDE ARTIKEL

      NAAR INHOUD          NAAR  TOP