GELOOF en LEVEN vzw



  
HOME

INHOUD

 GELOOF EN LEVEN  

TERUG NAAR INHOUD  

GELOOF EN LEVEN Jg 112 (2007) nr 4

 

STILTE  Willy Verschaetse cssr  
DE DROOM VAN MARIA  Libanese kerstvertelling

KERSTMIS 1942 IN DACHAU  

DE WERELD DRAAIT, HET KRUIS STAAT RECHTOP  

DE “BROERS” VAN JEZUS (3)

ADVENTSKRANSEN MAKEN: een uitnodiging!

OUDEJAARSAVOND 2007: een uitnodiging!

BIJBELSE POËZIE OVER MARIA IN DE SYRIAC-TRADITIE

MEEGEDEELD VANWEGE DE MARIA-KEFASGEMEENSCHAP

VAN JOODSE ATHEÏST TOT VERVOLGDE CHRISTEN - WÜRMBRAND

IRENEÜS VAN LYON, EEN STRIJDVAARDIGE VREDESDUIF Vergaard door Ben Van Vossel

BOEKENPLANK (1)

DE EERSTE MISSIEVLUCHT NAAR KONGO (31)

HEILIGENVERERING : VERKEERD OF PRIJZENSWAARD? Dom Marmion

PRETENTIE BIJ DE VERKONDIGING  Abt Theodorus

GEBEDSBRIEF ARAB VISION

IN DE VREDE VAN DE HEER

BOEKENPLANK (2)

OVER ‘SPREKEN EN LUISTEREN’ (voor toekomstige schrijvers) George Gernaert

“MYSTERY IN GHENT” (3)  Father John and the Just Judges Ben Van Vossel

   TERUG NAAR INHOUD


STILTE

Willy Verschaetse cssr

uit: ‘viermaal weven winden anders in de bomen’


Ik ruik je - stilte -als je door de avond gaat

of reeds te slapen ligt in ’t gras

of in de kruinen van de bomen staat.

Ik voel je handen in mijn handen - avondlijk. -

Ik hoor je taal

in ’t sprekenvan de ondergaande zon

en zie jouw sierlijk kleedbrokaat

uit draden vrede en verlangen.

Je bent mijn inspiratie

mijn veilig vogelnest

mijn balsem, lippen op mijn wonde.

Je bent telkens anders - stilte -van de Kempen

van het hoogland

in de duinen aan de winterzee.

Maar in je diepste schoot

ligt geen ander

stilte ben je

onveranderd

steeds dezelfde echo

van dé Stilte:

God.


  NAAR TOP           TERUG NAAR INHOUD


DE DROOM VAN MARIA  
Libanese kerstvertelling


Jozef, ik had een droom deze nacht.  Ik begrijp hem niet helemaal,

maar ik denk dat hij ging over een verjaardagsviering voor onze Zoon.

Tenminste, ik denk dat het toch dàt was waar het over ging.

De mensen hadden er zich al minstens 4 weken op voorbereid.

Zij hadden hun woning versierd en kostbare kleren gekocht.

Zij hadden verscheidene keren gewinkeld om uitgelezen en kostelijke geschenken te kopen.

Maar, ’t is eigenlijk wonder, deze geschenken leken mij echt niet aangepast voor onze Zoon. Zij hadden ze wel mooi ingepakt en versierd met mooie linten. Zij hadden ze op een hoop onder een soort boom gelegd.

Ja, Jozef, een boom midden hun woning. En ook deze boom hadden ze versierd. De takken hingen vol veelkleurige bollen, slingers en alle soorten blinkende versiering...

O, ’t was echt heel mooi! Iedereen lachte en was gelukkig. Zij waren heel verrukt door deze versieringen en door de geschenken, die zij met elkaar uitwisselden.

Maar, Jozef, … er was niets bij voor onze Zoon. Ik denk zelfs dat ze Hem niet schenen te kennen. Zij hebben zijn Naam trouwens geen enkele keer uitgesproken. Is dat niet wonder? Heel deze drukte om de verjaardag te vieren van iemand die men niet kent?

Ik had het vreemde gevoelen dat indien onze Zoon zou deel genomen hebben aan dit feest, zij Hem als een indringer zouden beschouwd hebben.

Alles was zo mooi, Jozef,  echt, maar toch had ik zin om te wenen. Ik was bedroefd voor Jezus. Zelf niet uitgenodigd zijn op Zijn eigen verjaardag!

Ik ben blij dat het maar een droom was.  Hoe triest zou het geweest zijn, Jozef, indien het werkelijkheid was geweest.

  EINDE VAN DIT ARTIKEL

   NAAR TOP           TERUG NAAR INHOUD



KERSTMIS 1942 IN DACHAU

In het concentratiekamp van Dachau hebben tijdens de 2de wereldoorlog 2720 katholieke geestelijken  uit 134 bisdommen en 24 nationaliteiten opgesloten gezeten. 1034 van hen zijn er gedood.

Pater Johann Maria Lenz schreef daar een boek over “Christus in Dachau oder Christus der Sieger” (Christus de overwinnaar).


“Opnieuw brak de Heilige Nacht aan – Kerstmis 1942! Met vreedzame hoop zien we de toekomst tegemoet. Weldra zou de vrijheid kunnen komen. In ieder geval waren we de zekere hongerdood ontglipt.

’s Avonds, na het appèl begonnen de feestelijke Christusmetten. Aangrijpend, ja diep ontroerend, zoals jubelkoren uit de diepten van een graf steeg het priestergezang prijzend op naar God. Eerst de Metten en daaropvolgend het feestelijke misoffer. Het waren Tabor-uren in het dodenkamp van Dachau.

En op het einde weerklonk als slotlied ons stemmingsvol “Stille Nacht! Heilige nacht!”. Allen zongen mee, daar allen het kenden: het kerstlied van de hele wereld. Maar nooit tevoren hadden wij het met groter ontroering gezongen, het lied van de reddende Christus.  

“Heil de Redder is daar!” (Christ, der Retter, ist da!). Deze woorden waren aan ons letterlijk waarheid geworden. En als we van de Metten in de kamer terugkwamen, zagen wij, wat wij in het Concentratiekamp voor onmogelijk gehouden hadden: levensmiddelen van de dierbare verwanten tussen kaarsen en dennenversiering. Een waarlijk kerstnachtelijke heerlijkheid in het kamp Dachau.

‘Christus, de redder, is daar!’ – Maar velen waren dood. Zij vierden reeds de eeuwige Kerstnacht in het huis van de hemelse Vader. God had hun offer aanvaard. Zij waren voorsprekers voor onze redding geworden. Nog maar enige weken of maanden geleden hadden zij met ons gebeden, gewerkt, honger geleden. – “Wij zijn in de vreemde – zij keerden naar huis!”.

Kerstnacht 1942! Het klinkt als een feestelijke afsluiting van een grote Passietijd. Het lijdensjaar was in kerstvrede, in kerstgeluk geëindigd. Feestelijk werden de doden op de Silvesteravond aangeroepen. Luid werd voor hen gebeden. Maar groter dan het lijden was onze dankbaarheid jegens God.”

  NAAR TOP           TERUG NAAR INHOUD


DE WERELD DRAAIT – HET KRUIS BLIJFT OVEREIND

In hetzelfde boek als hierboven staat een kort maar sterk getuigenis van een jonge religieuze wier geloof en levenskeuze belachelijk gemaakt werd door een SS-er.


“Er zullen geen tien jaar verlopen", zei een SS-overste in de Wachau (1938)  tot een jonge religieuze, " en men zal op de altaren, waarop jullie tot hiertoe Christus aanbeden hebt, Adolf Hitler vereren.”

Moedig antwoordde de zuster: “Als Hitler zich voor zijn volk ook laat kruisigen en dan op de derde dag uit de doden opstaat, zal ik mijn kloosterkleed omwisselen met het uniform van de Duitse MeisjesBond (BDM). Eerder niet!”

(Aangehaald in: N.R. Dr. Felix Hurdes in “Vater Unser”, s. 59,
gecit. in J.M. Lenz, Christus in Dachau . 155).



 EINDE VAN DIT ARTIKEL

   NAAR TOP           TERUG NAAR INHOUD


BIJBELSE POËZIE IN DE SYRIAC-TRADITIE

  

In de christelijke traditie was de bijbel steeds een goed startpunt voor de predikatie en het onderricht. Een sterke vertegenwoordiger hiervan is trouwens de heilige bisschop Ireneüs, die we onlangs als onderwerp namen in de cursus ‘Iconen schilderen voor beginners’. In de Syriac-traditie ging dat – heel typisch - vaak gepaard met poëzie, waarbij vooral de heilige diaken Efrem (373 na Chr.), Narsai (500 na Chr.) en Jacob van Serough (521 na Chr.)  zich onderscheidden. Ter illustratie citeer ik – met betrekking tot Maria’s maagdelijk moederschap - volgende anonieme verzen (de meeste van deze preekgedichten zijn trouwens anoniem).

  

Omtrent de boodschap aan Maria (een dialoog tussen de engel en Maria)

In deze poëzie wordt de verwondering en de angst van Maria uitgedrukt tegenover het mysterie van de Maagdelijke ontvangenis.

De engel richtte zich tot de Maagd en sprak,

vrede zij u, o moeder van mijn Heer,

gezegend zijt gij, kind,

en gezegend is de Vrucht die in u is.

  

En Maria zei, wie bent u, heer?

en wat brengt gij hier tot uiting?

Wat gij hier zegt staat ver van mij

en wat het betekent begrijp ik niet.

  

Engel

De Vader heeft mij geopenbaard, wat ik nu aan u openbaar,

dit mysterie dat besproken werd tussen Hem en zijn Zoon

toen hij me zond om te zeggen

dat Hij vanuit u wil uitstralen over de werelden.

  

Maria

Ik ben bang, u te onthalen

want toen Eva, mijn moeder, de slang onthaalde

die tot haar sprak als vriend,

werd zij weggerukt van de heerlijkheid van haar Schepper.

  

Deze ontmoeting met u en uw aanwezigheid hier

zijn zeer mooi indien de natuurlijke orde van de zaken

mij niet zouden verontrusten om twijfels te hebben omtrent uw komst

zoals: hoe er een vrucht kan zijn in de schoot van een maagd.

  

Engel

Ik werd door de Vader gezonden om u deze boodschap te brengen,

dat zijn liefde Hem zozeer dwong

dat zijn Zoon zou verblijven in uw schoot,

en op u zal de heilige Geest rusten.

  

Maria

In dat geval, o Engel, zal ik niet opnieuw antwoorden;

en als de heilige Geest tot mij zal komen,

dan ben ik zijn dienstmeisje en hij heeft het gezag;

laat het aan mij gebeuren volgens uw woord.

  

  

De dialoog tussen Jozef en Maria

Ook treffend is het preekgedicht over de ontmoeting tussen Jozef en Maria. Maria heeft aan Jozef meegedeeld dat ze zwanger is en hoe dat gekomen is, een uitleg die hem heel onwaarschijnlijk overkomt. Het doet een beetje denken aan het proto-evangelie van Jakobus (ook wel genoemd ‘De geboorte van Maria’), een van de apocriefe evangelieën, die – gelukkig - niet door de Kerk in de canon werden opgenomen.

Op de meeste Oosterse iconen van de geboorte van Jezus zit Jozef ook te dubben en wordt hij zelfs door de Satan, in de gedaante van een oude herder, bekoord om het mysterie van Jezus’ maagdelijke geboorte in twijfel te trekken. Het is geïnspireerd op die paar zeer sobere woorden uit het evangelie: “Omdat Jozef, haar man, rechtschapen was en haar niet in opspraak wilde brengen, dacht hij er over in stilte van haar te scheiden.  Terwijl hij dit overwoog, verscheen hem in een droom een engel van de Heer die tot hem sprak: ‘Jozef, zoon van David, wees niet bevreesd Maria, uw vrouw, tot u te nemen; het kind in haar schoot is van de heilige Geest’” (Mt.1,19-20).

  

Jozef:

Ik sta verbijsterd bij wat je zegt:

hoe kan ik jouw woorden aanhoren?

Maagden zijn gewoon niet zwanger

totdat ze gemeenschap hebben of huwen.

  

(In een lange dialoog laat Jozef zich stilaan overtuigen)

  

Jozef:

Er zijn twee mogelijkheden, en beide verontrusten mij:

als wat je zegt waar is, is het voor mij beangstigend,

maar als het ontrouw is, is het een bron van leed.

Hoezeer zou ik wensen aan de twee te ontkomen!

Maria:

Nu zal ik mijn woorden helder maken

en mij richten tot mijn Zoon, verborgen in mijn schoot;

Hij zal jou openbaren dat ik geen andere kinderen zal hebben

en dat dit me niet zal beroven van jouw gezelschap.

  

(slotvers)

Jozef sliep, en de engel kwam,

en openbaarde hem hoe het mysterie had plaats gevonden.

Jozef stond vroeg op en knielde vol bewondering

in gebed voor Maria, die niet gelogen had.

  

    EINDE VAN DIT ARTIKEL

   NAAR TOP           TERUG NAAR INHOUD


VAN JOODSE ATHEÏST TOT VERVOLGDE CHRISTEN


Kerk-in-Nood/Oostpriesterhulp heeft na de nederlaag van Nazi-Duitsland  niet enkel de uit het Oostblok verdreven Duitsers geholpen in hun materiële en morele nood maar heeft zich ook ingezet voor de materiële en geestelijke nood van mensen in de ontwikkelingslanden en voor christenen die vervolgd werden. Ook en vooral voor de door de Communisten vervolgde christenen in de Oostbloklanden die toen onder de terreur leefden van de Sovjets en met de Sovjets verbonden regimes. Pater Werenfried Van Straeten stond met zijn organisatie de vervolgde christenen steeds zo nabij mogelijk.

  

Uit de diepten roep ik, Heer

Het is normaal dat we als Rooms-katholieke christenen vooral op de hoogte zijn van het lijden van mensen uit onze eigen kerkgemeenschap. Er zijn ook bij andere christelijke genootschappen heel wat slachtoffers gevallen van de communistische staatsterreur. Een van de meest bekenden is de Richard Wurmbrand, een predikant uit de Lutherse kerkgemeenschap in Roemenië. Wat we hier verhalen komt uit een oud boekje van hem “De ondergrondse kerk”. Van Joodse afkomst was hij opgegroeid zonder enige godsdienst. Vroeg wees geworden werd hij een verbitterde jongen en toen hij 14 was, was hij een overtuigde, verbitterde atheïst die de godsdienst schadelijk vond voor de menselijke geest. Het is een wondere werking van de Voorzienigheid dat zo’n jongen zich toch aangetrokken voelde tot kerkgebouwen. Hij hunkerde ernaar dat in het centrum van het heelal toch zoiets als een liefhebbend hart zou zijn waarin hij dan ook nog zou mogen rusten. Hij leed er eigenlijk onder dat “dit” niet bestond. Hij knielde in een katholieke kerk en hoorde de mensen Weesgegroeten bidden, hij bad ze achterna, hij keek op naar het beeld van Maria… maar er gebeurde niets. Het bedroefde hem. Op zekere dag bad hij: God, ik weet wel dat U niet bestaat. Maar als U nu toch zou bestaan, wat ik betwist, dan is het niet mijn plicht om in U te geloven, maar dan is het Uw plicht U aan mij te openbaren”.

  

Bekering en zending

In een van de toenmalige 12.000 dorpen van Roemenië was er een arme, oude en zieke timmerman die aan God om de genade vroeg een Jood te ontmoeten in zijn dorp om die op de weg naar Christus te leiden. Richard Wurmbrand voelde zich gedreven naar dat dorp, hoewel hij daar niets te zoeken had. Met een ongelooflijke genegenheid werd hij door die oude timmerman opgevangen, die hem spoedig een bijbel gaf. Later getuigde die ouderling dat hij samen met zijn vrouw urenlang had gebeden voor de bekering van zijn Joodse gast. Wurmbrand kon nauwelijks in die bijbel lezen, hij kon slechts zitten schreien als hij zijn eigen slechte leven vergeleek met het leven van Jezus, zijn eigen onreinheid vergeleek met Jezus’ reinheid, zijn eigen haat vergeleek van Jezus’ liefde. Jezus raakte zijn hart. Wurmbrand bekeerde zich en kort daarna bekeerde zich ook zijn vrouw. Zij bracht ook anderen tot Christus en die anderen leidden ook weer anderen tot de Heer. En zo ontstond in de Roemenië een nieuwe soort Lutherse gemeenschap.

  

Naziterreur en communistische dictatuur

De Nazitijd kwam eraan. Extreem Orthodoxe christenen vervolgden protestanten en joden. Arrestaties, brutale behandeling, rechtszaken. Maar eigenlijk was het een voorbereiding op de latere folteringen onder de Communistische dictatuur. Op 23 augustus 1944 trok een miljoen Russische soldaten Roemenië binnen. De nachtmerrie begon. Op een bevolking van 18 miljoen telde de communistische partij slechts tienduizend leden, toch kregen de communisten de macht in handen. En Amerika en Engeland steunden de machthebbers die tegen de Nazi’s hadden gevochten.

Nogal wat priesters en bisschoppen van allerlei kerken wilden hun gemeenschappen redden en op het congres van alle christelijke kerken in het parlementsgebouw werd Jozef Stalin door de vierduizend priesters en predikanten tot erevoorzitter van het congres gekozen. Krankzinnig! Orthodoxe en protestantse kerkelijke leiders wedijverden in het zwichten voor het communisme. Noem me geen ‘Monseigneur’ meer maar ‘kameraad bisschop’. Bisschop Rapp van de lutherse Kerk in Roemenië ging in het seminarie onderrichten dat God drie openbaringen had gegeven: één door Mozes, één door Jezus, en een derde door Stalin, waarbij de laatste telkens hoger was dan de vorige.

  

Evangeliseren tijdens de dictatuur

Samen met anderen begon Wurmbrand een ondergrondse kerk die verder aan evangelisatiewerk zou doen, wat streng verboden was. Als dekmantel was hijzelf predikant van de Noorse Lutherse Zending en tegelijk vertegenwoordiger van de Wereldraad van kerken in Roemenië (waarvan hij niet vermoedde dat die ooit met de communisten zou samenwerken).

Hij en zijn medestanders werkten dan aanvankelijk vooral onder dat 1 miljoen Russische soldaten waarvan een groot deel atheïstisch opgevoed waren. De Roemeense christenen lieten hun kinderen naar de soldaten gaan; dezen gaven hen chocola of snoep, en de kinderen gaven Bijbels en Evangelies. Zelf trachtte hij te evangeliseren op treinen of waar dan ook. Hij was enorm vindingrijk in het scheppen van kansen om over Jezus te getuigen. Hij heeft er ook wondere ontmoetingen. “Eens vroeg ik aan een Baptist: ‘Hoe komt het dat u geen vreugde kent?’ Hij antwoordde: ‘Hoe zou ik blij kunnen zijn als ik voor de dominee van mijn kerk verborgen moet houden dat ik een ernstig christen ben, dat ik een biddend leven leid, dat ik zielen tracht te winnen? De dominee van mijn kerk is een verklikker van de geheime Politie. Bij ons wordt de één door de ander bespioneerd en het zijn de herders, die de kudde verraden. Heel diep in ons hart is er de vreugde van het heil, maar die uitwendige blijdschap die u bezit, die kunnen wij niet meer hebben” (blz. 22).

De ondergrondse kerk werkte ook  onder de Roemenen zelf. Maar ze moesten uiterst voorzichtig zijn. Daarom zetten ze soms op de voorpagina van de boekjes die ze uitgaven een afbeelding van Karl Marx, de grondlegger van het communisme en als titel ‘Godsdienst is opium voor het volk’. De eerste bladzijden gaven dan citaten uit Marx, Lenin of Stalin, maar daarna werden die tegengesproken en ging het over Jezus en wat Hij leerde. Wurmbrand en zijn medestanders kwamen bijeen in particuliere huizen en bespraken hoe ze aan straatprediking konden doen. Ze hielden dat zingen en getuigen tijdens de straatevangelisatie wel kort, zodat ze al weg waren wanneer de politie ter plaatse kwam.

  

Christenen in communistische gevangenissen

Op 29 februari 1948 werd  Wurmbrand tenslotte opgepakt door de geheime politie, op een zondag, op weg naar de kerk. In de gevangenis zitten in Roemenië betekende in die tijd ook gemarteld worden. Die martelingen zijn verschrikkelijk geweest. In een ander boek “Christus in communistische gevangenissen” heeft hij daarover meer verteld. De vindingrijkheid van de communistische beulen was ongelooflijk. De ouderen onder ons hebben nog iets gehoord over Breendonk, wat de Nazi-beulen daar de mensen hebben aangedaan. Dat en nog wat bovenop deden de communisten de christenen aan. “Ik heb communisten bezig gezien met het folteren van christenen, terwijl het gezicht van de folteraars straalde van uitbundige vreugde. Onder het martelen van de christenen riepen ze uit: ‘Wij zijn de duivel’” Heel wat leden van de ondergrondse kerk werden ontdekt en gevangen gezet. “Ook wij hadden onze ‘Judassen’, die rapporteerden aan de geheime politie. Door ze te slaan, door ze bedwelmende middelen toe te dienen, door dreiging en chantage probeerden de communisten predikanten en gemeenteleden te vinden, die bereid waren over hun broeders te rapporteren”.  Ondanks het gruwelijke dat hij gezien en zelf doorgemaakt heeft in de communistische gevangenissen getuigt Wurmbrand dat de ondergrondse kerk de kerk is, die teruggekeerd is tot haar eerste liefde: “Voordat ik de gevangenis binnenkwam, had ik Christus hartelijk lief. Nu, nadat ik de ‘bruid van Christus’ gezien heb, zijn geestelijk lichaam, daar in de gevangenis, nu zou ik willen zeggen, dat ik de ondergrondse kerk evenzeer liefheb als ik Christus Zelf liefheb. Ik heb de schoonheid gezien der ondergrondse kerk, haar geest van opoffering”.

Ook zijn vrouw kwam in de gevangenis terecht en zo in een van de werkkampen voor vrouwen. De christenvrouwen waren er nog slechter aan toe dan de mannen. Hun zoon van negen jaar moest gaan zwerven. Twee jaar later mocht hij zijn moeder eens bezoeken. “Ze was vuil, mager, haar handen waren vereelt en ze droeg haveloze gevangeniskleren. Hij herkende haar nauwelijks. Haar eerste woorden waren: ‘Mihai, geloof in Jezus!’” Razend van woede werd ze weggetrokken door de bewakers, maar voor de jongen, wiens geloof in crisis was, betekende dit zijn definitieve bekering tot een radicaal christelijk leven hoewel hij dan ook veel heeft moeten verduren...   

Liefde...

14 jaar zat Wurmbrand gevangen. Hij kwam tenslotte vrij ter gelegenheid van een algemene amnestie, o.m. wegens de publieke opinie in Amerika. Hij mocht op een klein parochietje van 35 leden dominee spelen, maar mocht geen enkele (!) bekering verrichten. Hij ging dan maar weer ondergronds werken. Dankzij Joods-Christelijke organisaties die een hoge losprijs betaalden mocht hij in 1965 Roemenië verlaten. Hij ging daarmee akkoord omdat hij op die manier wereldwijd kon getuigen van wat het communisme in Roemenië de christenen aandeed. “Ik haat het communistisch stelsel, maar ik heb de mensen lief”. Hij getuigt hoe de liefde van Christus in zijn hart was uitgestort van bij zijn bekering. Hij heeft dat ook bij anderen gezien, mensen die gefolterd waren en toch voor hun vijanden baden omdat hun hart vol was van liefde voor de levende Heer Jezus.

  

Onze vervolgde broeders en zusters niet alleen laten

Het getuigenis van Richard Wurmbrand is dat christenen tot op onze dagen worden vervolgd en gefolterd, maar dat de Westerse wereld het vaak teveel op een koopje wil gooien met de regimes. We zien vaak wel terreur op straat bij sommige regimes, maar wat er in de gevangenissen gebeurt – ook de Chinese gevangenissen – dat kan niet in de kranten komen. En naast de fysieke en maatschappelijk vervolging is er vaak ook nog die andere: die sistemen vervalsen het denken van de mensen, ze vergiftigen de kinderen en de jeugd. Ze plaatsen hun eigen mensen op belangrijke plaatsen in de kerken om de christenen te leiden en de kerken te verderven. Hoe moet een christenmartelaar zich gevoelen als hij na jaren opsluiting thuiskomt en met verachting wordt onthaald door zijn kinderen , die intussen tot militante atheïsten zijn opgevoed? Zijn boeken zijn daarom een oproep tot liefde voor die vijandige regimes. Maar deze liefde mag niet ophouden met het geven van voedsel wanneer die regimes zelf in nood komen, maar ook door hen de Blijde Boodschap van Christus te brengen. En bovendien mag de liefde voor de vijand, de vervolger, nooit betekenen dat wij de vervolgden vergeten. Als christelijke organisaties voedsel sturen aan vijandige of verdrukkende regimes omdat hun bevolking in nood is, dan moet er ook gezocht worden (en geëist!) dat op de eerste plaats de verdrukten, de gevangen christenen kunnen geholpen worden, vrijgekocht worden, gevoed worden…

  

Liefde... èn waarheid

Een diep inzicht van deze man die zoveel heeft doorstaan is enerzijds zijn verlangen om nog dieper verbonden te zijn met Jezus, de Mensgeworden Liefde, en anderzijds de ‘andere’ gevangenen te bevrijden: de communisten, de verdrukkers, de folteraars: “Christus heeft de communisten lief en begeert hen van het communisme te verlossen, gelijk Hij alle zondaars liefheeft en begeert hen te verlossen van de zonde. Sommige Westers kerkelijke leiders stellen in de plaats van deze enige juiste houding een andere: toegeeflijkheid jegens het communisme. Zo begunstigen ze de zonde, zij helpen het communisme naar de overwinning en verhinderen daardoor het behoud (de redding) zowel van de communisten als van hun slachtoffers”.

Daarom voelde hij zich geroepen om niet alleen heel braafjes Christus te prediken maar ook om het communisme publiek en nadrukkelijk te veroordelen, zoals ook Johannes de Doper niet alleen zei: “Bekeert u, want het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen”, maar ook zei: “Herodes, u deugt niet!”. Misschien moet dit niet enkel gezegd worden tot de communisten, maar tot allen die in naam van welke ideologie dan ook mensen stukmaken, christenen vervolgen of broodroven, het geweten van kinderen en volwassenen misvormen en hun geest misleiden… En niet de slachtoffers vergeten die onder die misleiding bezwijken.

Wat doen wij voor de kindsoldaten in het gebied van de grote meren? Wat doen wij voor de vervolgde christenen in Darfour? Wat doen wij voor de uitgeweken Irakese christenen in Jordanië en Syrië? Wat doen wij voor de jonge mensen van bij ons die door allerlei media, organisaties en zelfs politici een mensonwaardige moraal en wereldvisie krijgen ingepompt? Wat doen wij op “onze eigen kleine plaats”?

    EINDE VAN DIT ARTIKEL

   NAAR TOP           TERUG NAAR INHOUD


  HEILIGENVERERING : VERKEERD OF PRIJZENSWAARD?

  

Dom Columba Marmion, een bekende geestelijke bezieler, wiens geestelijke conferenties werden gebundeld in enkele volumes, werd in 1858 geboren te Dublin (vader was Ier, zijn moeder Française). Hij  werd priestergewijd te Rome maar in 1886 vroeg hij om benedictijn te worden in de Abdij van Maredsous in Wallonië. In 1899 zond men hem van daaruit als prior en theologieprofessor naar de abdij Keizersberg te Leuven waar hij tien jaar bleef tot hij in 1909 tot abt gekozen werd in zijn abdij van Maredsous. Daar overleed hij in 1923.  Hij werd unaniem erkend als meester en leraar van het geestelijk leven. Mgr. Szepticky, patriarch en aartsbisschop van Lwiw (Lemberg) in Oekraïne (die zo blij was met de Belgische Redemptoristen om hun hulp aan de verdrukte Geünieerde kerk van Oekraïne) kreeg van paus Benedictus XV de goede raad : "Dat moet je lezen : het is de zuivere leer van de Kerk". Uit een verzamelwerk met bezinningen voor elke dag van het jaar citeren we een bezinning rond de heiligenverering. Waarom vereren we eigenlijk de heiligen ? Is Allerheiligen alleen maar een accapareren van het heidense feest van 'alle' goden?

De Heiligen zijn de verheerlijkte leden van het mystieke lichaam van Jezus ; Christus is reeds "gevormd in hen "; zij hebben "hun volheid bereikt ". Door hen te loven, verheerlijkt men Christus in hen. "Loof Mij, zei de Redder tot de heilige Mechtildis, want ik ben de kroon van alle heiligen." En de moniale zag heel de schoonheid van de uitverkorenen zich voeden aan het bloed van Christus en schitteren van de deugden die Hij in praktijk had gebracht.  Gevolg gevend aan de goddelijke oproep loofde ze met al haar krachten de allerheiligste en aanbiddingwaardige Drie-eenheid "omdat Deze voor de heiligen hun diadeem en hun wonderbare waardigheid wou zijn."

Het is inderdaad aan de Drie-eenheid dat de Kerk nog altijd haar lof offert wanneer ze de heiligen viert. Iedere heilige is een zichtbaar worden (een manifestatie) van Christus en draagt in zich de trekken van het ‘goddelijk model’, maar op een speciale en onderscheiden manier. Het is een vrucht van de genade van Christus, en het is tot de glorie van deze genade dat de Kerk er behagen in vindt haar triomferende kinderen te verheffen : In laudem gloriae gratiae suae (tot lof van de heerlijkheid van zijn (= Gods) genade).

Zo is de vorm van de kerkelijke vroomheid ten aanzien van de heiligen : de voldoening (welbehagen, complaisance). Zij is fier over deze legioenen uitverkorenen, die de vruchten zijn van haar vereniging met Christus en die reeds deel hebben aan het Rijk van haar Bruidegom in de schittering van de hemelen.

Zij viert Christus in hen, hernieuwt de herinnering van de vreugde die hun zielen overspoelt wanneer zij ingetreden zijn in de hemelen, zij bezingt de deugden en verdiensten van haar apostelen, van haar martelaren, haar pausen, haar belijders, haar maagden, en stelt  aan hun broeders hier beneden hun voorbeeld voor om na te volgen en als motief tot lofprijzing. Zij beveelt zich ook aan hun voorspraak aan. Schendt ze daarmee de oneindige macht van Jezus ? Hoegenaamd niet ! Christus stelt er behagen in, niet om zijn actie te verminderen, maar om haar uit te breiden, om de heiligen te aanhoren die de prinsen zijn van het hemels hof en om ons langsheen hen de genaden te geven die wij afsmeken. (uit : Le Christ, Vie de l’âme, pp. 394-395).

De gelukzaligen in de hemel zijn de verheerlijkte leden van het Lichaam van Christus : zij zijn aan de voltooiing van hun eenheid met God gekomen. Onze verering tot hen moet een van de meest volmaakte vormen aannemen, deze van het welbehagen en de dankzegging. Dit zal erin bestaan hen te feliciteren met hun heerlijkheid, ons met hen te verheugen, en met hen God te danken voor de plaats die Hij hen toekent in het Rijk van zijn Zoon.  (uit : Le Christ, Vie de l’âme, pp. 444)

  

 EINDE VAN DIT ARTIKEL

   NAAR TOP           TERUG NAAR INHOUD


PRETENTIE BIJ DE VERKONDIGING  

Abt Theodorus


Een monnik kwam van zeer ver abt Theodorus bezoeken

en smeekte hem gedurende drie dagen om hem een of ander onderricht te geven.

Maar hij kreeg geen woord te horen.

Daar hij niet meer kon hopen iets van hem te leren keerde hij bedroefd terug.

Toen hij vertrokken was , vroeg de leerling van de heilige ouderling:

“Vader, waarom heeft u hem niets gezegd?”

“Ik heb me daarvoor behoed, mijn zoon, antwoordde hij,

want hij doet handel in woorden, en zoekt onderrichtingen

om ze daarna aan anderen door te zeggen

en er ijdele glorie uit te halen.”


(De levens van de heilige Vaders der woestijnen van het Oosten. In het vlaamsch overgebracht door eenen Pater Trappist. DL 2. Gent 1859, p. 232)



 EINDE VAN DIT ARTIKEL

   NAAR TOP           TERUG NAAR INHOUD


OVER SPREKEN EN LUISTEREN

VOOR TOEKOMSTIGE SCHRIJVERS

George Gernaert


Toen me eens werd gevraagd iets te schrijven over een onderwerp, waarover ik meende veel te vertellen te hebben, bekroop mij - zittend achter de “tekstverwerker” - opeens het gevoel, dat alles daarover al eens eerder door anderen moet zijn gezegd en beschreven. Ik meende, dat er ongetwijfeld veel mensen zijn, die er veel beter over kunnen spreken en schrijven dan ik. Neem alleen al datgene wat er op internet te vinden is, dacht ik. Wat zou ik daar nog aan kunnen toevoegen? Als ik het zou proberen zou ik vast en zeker de waarheid geweld aan doen. Eigenlijk vond ik het laf om kennis van internet over te nemen; het leek me pronken met andermans veren. Maar is dat ook zo? Natuurlijk niet ! Zeker wanneer je correcte informatie wil overbrengen is er niets mis mee je goed te laten informeren; sterker nog: dan is dat medium tegenwoordig zelfs onmisbaar.

Ik vond echter, dat dit te weinig toegevoegde waarde had. Maar waarom ?

Al nadenkend realiseerde ik me, dat ik eigenlijk alleen iets van mezelf wilde overbrengen.

Ik wilde melden wat ik zelf van het onderwerp vond; hoe ik zelf de feiten waarneem en interpreteer; welke waarde ze voor mij hebben; welke ervaring ze bij mij teweeg brengen. Kortom; welke betekenis het onderwerp voor mijn leven heeft. En dat wilde ik dan breed uitmeten tegenover anderen. Mogelijk om anderen er iets van te laten leren; maar wellicht meer om er mezelf mee te bewijzen.

Ik werd me er echter - gelijk een koude douche - vervolgens weer ontnuchterend van bewust, dat weinig mensen aan mijn boodschap, echt een boodschap zouden hebben. Het ontmoedigde me. De beproeving werd me te zwaar. Ik gaf het op en ging mijn e-mail checken.

Later die dag, biddend, ergens halverwege het vierde tientje van de Rozenkrans, liet God mijn gedachten opeens afdwalen naar mijn hiervoor vermelde beleving. Hij deed me plots beseffen hoe welkom ik bij Hem was met mijn gebed. Vooral mijn gebed, maar evenzeer mijn gedachten, gevoelens en verlangens. Hij deed me tegelijk beseffen, dat ik best met mijn verhaal ook bij mijn naasten mag komen. Daar is Hij immers ook aanwezig. En als men mijn verhaal niet herkent, Hij begrijpt het wèl. Toch liet God me ook subtiel merken, dat Hij maar weinig woorden nodig heeft; maar des te meer gevoelens van liefde. Ik besefte, dat ik mijn naaste dus ook niet hoef lastig te vallen met breedvoerige uiteenzettingen. Voor God zijn ze niet nodig en de luisteraar wordt er wellicht alleen maar mee op de proef gesteld. Belangrijker is  te luisteren, bv. naar Gods influisteringen, die vaak door spontane opmerkingen van onze naaste tot ons komen.

Het spreekwoord: 'spreken is zilver maar luisteren is goud' behoudt dus zijn waarde..

Of nog anders gezegd: Wie te lang van draad is, is meestal te kort van zicht.

Beste lezer, schrijver 'in spe', ik hoop, dat dit artikeltje niet te lang is geworden en je niet ontmoedigt om je inspiratie en diepe overtuiging wereldkundig te maken.


  EINDE VAN DIT ARTIKEL

EINDE VAN DIT NUMMER 2007_4

   NAAR TOP           TERUG NAAR INHOUD