GELOOF en LEVEN vzw



  
HOME

INHOUD

   NAAR INHOUD    

DE VIER “BROERS” VAN JEZUS

(1)

naar Paul-Laurent Carle, o.p.

Simpele uitspraken moeten getoetst worden

Het lijkt wel eigenaardig dat er in onze tijd nog verstandige mensen zijn die zich willen bezighouden met een vraag als wie die broers van Jezus, waarover het Nieuwe Testament ons spreekt, nu eigenlijk wel zijn. Geseculariseerde christenen en theologen, die ook wel wat exegese hebben bekeken, maken zich daar hoegenaamd geen problemen omtrent, temeer omdat zij reeds lang een kruis hebben gemaakt over de maagdelijkheid van Maria, voor, tijdens en na de geboorte zoals de kerk dat nochtans nadrukkelijk leert, en dit gedurende zoveel eeuwen. Dat soort kwesties is hun te min.

De pater dominicaan Carle heeft zich daar toch aan gewaagd. “Gewaagd”, inderdaad, want in het boekje ‘Jésus’ dat in de herfst van 1994 verscheen poneerde Jacques Duquesne nog dat Jezus gewone broers en zusters had. Minstens 400.000 exemplaren werden van dat boekje verkocht. Jezus was, aldus Duquesne, niet het enige kind van Maria. Aangezien deze uitspraak inging tegen 2000 jaar onderricht vanwege de Kerk, vond pater Carle het zinvol om dan nogmaals een diepgaand onderzoek te doen van de geschiedenis, en een nauwgezette studie van het getuigenis van de evangelies en van de traditie (vooral ook deze uit Palestina met Hegesippos in de 2de eeuw). Glashelder bleek uit zijn onderzoek dat Jezus goed en wel het enig kind is van Maria en dat de ‘broers en zusters’ waarover het evangelie spreekt daadwerkelijk volle neven (en nichten) zijn langs Sint Jozef, de ‘vader’ van Jezus.  Pater Carle heeft bij zijn studie niets aan het toeval overgelaten, heeft alles uitgepuurd. Hij ontmaskert de apocriefe geschriften als vaak ontluisterende beschouwingen, soms niet meer dan fabeltjes die rond Jezus gebrouwd werden.  Zijn studie geldt dan hoofdzakelijk de 4 ‘broers’ die het Nieuw Testament vermeldt: Jakobus, Jozes (of José of Jozef), Simon en Judas.   

De betekenis van het woord ‘broer’ in het Aramees Het is niet onbelangrijk om eerst eens na te gaan wat het woord ‘broer’ in de taal van Jezus betekende. Ook al is het evangelie in het Grieks geschreven (volgens sommigen was er evenwel aanvankelijk een Aramees Mattheüsevangelie), toch steekt het vol Arameïsmen, Aramese zegswijzen. Het Aramees was de taal van Jezus en van zijn Galilese volgelingen. Welnu, in het hebreeuws en aramees heeft men geen woord om ‘neef’ en ‘nicht’ uit te drukken. Men zegt dan: ‘de zoon van de broer van de moeder’, of: ‘de zoon van de zus van de moeder of vader’. Het woord broer wordt er niet enkel gebruikt voor de echte zussen of broers, maar voor heel wat andere verwantschapsvormen: ooms, tantes, neven. In het evangelie wordt het woord broers en zussen wel gebruikt in onze betekenis, maar ook in de betekenis van ruimere verwantschap (bv. neven en nichten) en zelfs in de heel ruime betekenis van ‘mensen die bij Jezus horen’ (christenen).   

Deze 'broers en zussen' horen samen

Het is opvallend dat de broers soms alle vier worden opgesomd als een reeks, telkens verbonden met ‘en’ zoals in dit citaat uit Marcus: “Is dat niet de timmerman, de zoon van Maria en de broer van Jakobus en Jozef en Judas en Simon? En wonen zijn zusters niet hier bij ons?” (Mc. 6,3). Ze worden dus allemaal in één adem, als een samenhorende reeks opgesomd. Over de zusters kunnen we eigenlijk niet veel zeggen omdat ze niet met name genoemd worden; we veronderstellen dus dat ze in dezelfde relatie tot Jezus staan als deze 4 broers want die ‘en’ (in het Grieks ‘kai’) in verband met zijn zusters houdt in dat zij deel uitmaken van diezelfde reeks. Hun moeder is niet de moeder van Jezus

De 4 broers worden wel ‘broers van Jezus’ genoemd, maar hun moeder is niet Maria, de moeder van Jezus, maar ‘de andere Maria’. Mattheüs spreekt over deze ‘andere Maria’ bij de begrafenis van Jezus:  "Nadat hij (Jozef van Arimatea) een grote steen voor de ingang van het graf gerold had, ging hij heen. Maria Magdalena en ‘de andere Maria’ waren erbij en zaten tegenover het graf." (Mt.27,60-61)   

En rond Jezus’ Opstanding: "Na de sabbat, bij het aanbreken van de eerste dag der week, kwamen Maria Magdalena en ‘de andere Maria’ naar het graf kijken" (Mt. 28,1). Wie die ‘andere Maria’ is wordt ons duidelijk als we volgende teksten beschouwen die over de kruisiging van Jezus handelen: Mc.15,40 "Er stonden ook vrouwen op een afstand toe te kijken; onder hen bevonden zich Maria Magdalena, Maria de moeder van Jakobus de jongere en van Joses en  Salome"(zij staat ook bij die twee Maria’s).  Ook in Mattheüs 27,56 staan enige vrouwen van verre toe te zien die opnieuw worden opgesomd: “Onder hen bevonden zich Maria Magdalena, Maria de moeder van Jakobus en Jozef en (dus naast die twee Maria’s) de moeder der zonen van Zebedeus” (hier wordt duidelijk wie Salome uit vorige tekst is, namelijk de moeder van de apostelen Jakobus en Johannes, beiden zonen van Zebedeüs, de ‘zonen van de donder’ zoals Jezus die wat opvliegende jongemannen noemde).  Het wordt ons dus stilaan duidelijk wie die ‘andere Maria’ (naast Maria uit Magdala) is; zij krijgt als een soort eretitel de naam van haar twee oudste zonen naast zich, Jakobus en Joses (of Jozef), maar eigenlijk zijn er ook nog Judas en Simon. We komen zelfs aan de weet wie haar man is. In het Johannesevangelie wordt zij namelijk genoemd (in het Grieks) ‘Maria hè tou Kloopa’, Maria, de vrouw van Klopas : “Terwijl de soldaten hiermee bezig waren, stonden bij Jezus ‘ kruis zijn moeder, de zuster van zijn moeder, Maria (de vrouw) van Klopas en Maria Magdalena” (Joh. 19,24c-25). Tussendoor leren we uit deze tekst dat de vrouw van Klopas (dus onze ‘andere Maria, de moeder van Jakobus en Joses) de zus is (of wordt genoemd) van Maria, de moeder van Jezus. De ‘andere Maria’ wordt dus aangeduid als ‘de moeder van Jakobus’ of ook als ‘Maria, de moeder van Jakobus en Jozef (Joses)’ of ‘Maria (de vrouw) van Klopas'. Maar als de ‘andere Maria ’in deze tekst van Johannes aangeduid wordt als zus van Maria, Jezus’ moeder, dan toch deze bemerking: in dat Galilese milieu kwam het niet voor dat men binnen hetzelfde huisgezin eenzelfde voornaam ging gebruiken voor een tweede kind, zelfs niet als het halfzusters waren. We gaan we dat woord ‘zus’ dus anders moeten verstaan; hier naar alle waarschijnlijkheid in de betekenis van ‘schoonzus’. De ‘andere Maria’, de moeder van Jakobus en Jozes en vrouw van Klopas was vermoedelijk de zus (of verwante) van Jozef, de man van Maria, Jezus’ moeder. En in die zin zijn die vier ‘broers’ en de niet bij naam vermelde ‘zussen’ ook de volle neven en nichten van Jezus. In hun taal werden dat allemaal Jezus' ‘zussen en broers’ genoemd, wat ze in onze betekenis duidelijk niet waren. De ‘andere Maria’, de moeder van Jakobus en Joses en Judas en Simon (en van nog een paar dochters) was de schoonzus van Maria, Jezus’ moeder en dus de tante van Jezus. (Lees in volgend nummer: Hun vader is niet de vader van Jezus)

 NAAR INHOUD    NAAR TOP

DE “BROERS” VAN JEZUS (2)   

In vorig nummer zagen we reeds hoe pater Calme duidelijk bewijst dat de zogenaamde broers van Jezus geen kinderen waren van Maria, de moeder van Jezus. Nu gaan we nog even verder met zijn betoog waaruit blijkt dat ze helemaal geen broers waren van Hem.

  

Hun vader is niet de ‘vader’ van Jezus

In onze zoektocht zou het dus betekenen dat de vader van de 4 gebroers Klopas zou zijn. Op geen enkele plaats wordt Maria, Jezus’ moeder, de vrouw van Klopas (of van Alpheüs) genoemd, wel de vrouw van (sint) Jozef, de timmerman, de ‘vader’ van Jezus. Die ‘andere Maria’, een van Jezus’ tantes langs Jozefs kant, wordt wèl de vrouw van Klopas geheten; Klopas moet m.a.w. van de generatie van Sint Jozef geweest zijn.   Maar wordt ergens duidelijk de link gelegd tussen Klopas zelf en de 4 broers? Daarvoor moeten we even onderduiken in het Aramese taalgebruik.

Jakobus de mindere (de jongere of de kleine), zoon van de ‘andere Maria’ en van Klopas, bevindt zich tussen de apostelen, maar wordt daar 4 keer vermeld als ‘zoon van Alpheüs’. Volgens pater Carle zijn Halphaios en Klopas Griekse omzettingen van een en dezelfde Hebreeuwse of Aramese voornaam met een dubbele geschreven vormvariante : Halphai en Kolphai. Sommigen menen daarom dat Alfeüs en Klopas twee vormen zijn van dezelfde voornaam (Kolphai). Doorgedreven recente studies van Semitische talen toonden trouwens aan dat de beginletter ‘h’ (‘hêt’) van Halphai en de beginletter ‘k’ (‘kap’) van Kolphai vaak hetzelfde worden uitgesproken zowel in het Aramees als in het Hebreeuws. Alfeüs en Klopas zijn dan in feite eenzelfde persoon. En dan kunnen we begrijpen hoe het komt dat Jakobus in de opsomming van de apostelen vermeld wordt als zoon van Alfeüs. Overigens was Alfeüs een vrij veel voorkomende naam want ook Levi (Mattheüs) is zoon van een Alfeüs. Mt.10,2-3 Dit zijn de namen van de twaalf apostelen: als eerste, Simon die Petrus wordt genoemd, met zijn broer Andreas; Jakobus, de zoon van Zebedeus, met zijn broer Johannes;  Filippus en Bartolomeus, Tomas en Matteus de tollenaar, Jakobus, de zoon van Alfeus … Mk.3,16-18 Hij wees dus deze twaalf aan; aan Simon gaf Hij de naam Petrus; 17 verder Jakobus de zoon van Zebedeus en Johannes de broer van Jakobus, aan wie Hij de naam Boanerges gaf, wat betekent: zonen van de donder; 18 vervolgens Andreas, Filippus, Bartolomeus, Matteus, Tomas, Jakobus de zoon van Alfeus … (vgl. Lucas 6,14-15 en Handelingen 1,13)   

De houding van de ‘broers’ tegenover hun neef Jezus vóór Pinksteren

Als neven van Jezus hebben de gebroers het blijkbaar lastig gehad om zomaar direct te geloven dat Jezus (met wie ze daar in Nazaret geravot hadden, kattekwaad hadden uitgestoken en gevochten) zomaar plots de Messias zou zijn.  

Als Jezus er dan ook op uittrekt, en de zorg voor zijn moeder mogelijk op hun rug terecht komt als neven, (Jozef, Jezus’ ‘vader’, was waarschijnlijk al overleden aangezien Jezus die aanvankelijk de ‘zoon van de timmerman’ wordt genoemd, in Markus 6,3 ‘de timmerman, de zoon van Maria’ wordt geheten), als Jezus bovendien de rabbi begint uit te hangen, volgelingen rond zich verzamelt, een overspannen kliek die het soms zo druk heeft dat men zelfs vergeet te eten, ja, dan is de maat vol natuurlijk en komen de neven opzetten omdat ze menen dat Hij niet goed meer bij zijn verstand is. De familie mag geen slechte naam krijgen en hij (Jezus) moet zelf maar voor zijn moeder zorgen… Enigszins te begrijpen.  Later evenwel, na Pasen draaien ze bij en treffen wij de meesten van hen aan bij de jonge kerkgemeenschap.

Bovendien moeten we hier onderscheid maken tussen 3 van de “broers” en Jakobus de Mindere, over wie wij het hier nu eerst gaan hebben.   

Jakobus  

We zagen reeds dat de vier broers (uit Mattheüs en Markus) echt samen horen. Zelfs de ‘zussen’ worden samen met de broers vermeld (telkens met het ‘en’ ‘en’ (kai … kai in het Grieks) gewoon op één lijn, bij elkaar horend). Jakobus en Joses (Jozef) worden wel eens samen als kinderen van ‘de andere Maria’ vernoemd, de echtgenote van Klopas. Zoals gezegd, als eretitel bij de naam van hun moeder. - Jakobus, de eerstgenoemde, is dus waarschijnlijk de oudste van de vier zonen van Klopas. Hij wordt ‘de kleine’ genoemd in het evangelie, ‘ho mikros', waarschijnlijk een bijnaam omdat hij wellicht vrij klein van gestalte was. Wij zeggen meestal ‘de mindere’ om hem te onderscheiden van Jakobus ‘de meerdere’, de zoon van Zebedeüs; deze laatste wordt de eerste martelaar van de apostelen, kort voor het Paasfeest van 44, onder Herodes Agrippa I.  Jakobus ‘de kleine’, de oudste van de 4 gebroers, wordt als eerste vermeld bij het derde groepje apostelen (die in drie groepen worden opgesomd) en  Carle besluit hieruit dat Jakobus dus niet zomaar een bijlopertje was. De verrezen Heer verschijnt later ook aan hem persoonlijk (1 Kor. 15,7). Hij wordt de eerste bisschop van Jeruzalem na het vertrek van Petrus (Hand. 12,17) en speelt een voorname rol bij het op één lijn krijgen van de Jood-christenen na de baanbrekende toespraak van Petrus en het getuigenis van Barnabas en Paulus rond de vraag of heiden-christenen heel de Joodse wet moeten onderhouden (Hand.15,13). Samen met Petrus en Johannes is hij volgens Paulus een van de kolommen van de kerk (Gal. 1,19). Later ontvangt hij van Paulus (die hem in Gal. 1,19 ook ‘broer van de Heer’ noemt) de bijdrage van de heiden-christenen voor hun Joodse medechristenen die in nood zijn; op dat ogenblik lijken echter de andere apostelen verdwenen te zijn uit Jeruzalem. Jakobus zal niet kunnen beletten dat Paulus gevangen genomen wordt. Vermoedelijk schrijft hij in de zomer van 56 de ‘Brief van Jakobus’, een heel Palestijns aandoend geschrift, nauw verwant met de ‘Bergrede’ en in de lijn van de sociaalvoelende profeet Amos en ook met parabelen in de trant van deze van zijn neef Jezus (bv. over de ‘spiegel’ in 1, 22-25). Hij zal wel gebruik gemaakt hebben van een goede Grieks-beheersende secretaris. In de aanhef van de brief zegt hij eenvoudig: Jakobus, dienaar van God en van de Heer Jezus, aan de 12 stammen van de ‘Diaspora’ (de Joodse christenen waren inderdaad ‘verspreid’ over het hele Romeinse rijk). Meer hoefde hij niet te zeggen, men wist dat hij de ‘broeder’, een verwant van Jezus was. Volgens Flavius Josephus werd hij door de mensen van Jeruzalem gestenigd tijdens een vacuüm tussen de plotse dood van de procurator Porcius Festus en voor het aantreden van zijn opvolger Albinus.  De christen, Hegesippos, verhaalt dat ook wel maar last ook heel wat legendarische details in over Jakobus. Een vraag die nog voor de hand ligt: was onze neef-apostel ook zo kritisch tegenover Jezus als zijn 3 broers? Volgens pater M.-J. Lagrange waarschijnlijk wel vóór zijn aanstelling tot apostel. Maar de aanstelling van de apostelen zal waarschijnlijk vrij vlug na het begin van Jezus’ openbaar leven gebeurd zijn en dan kan je  moeilijk veronderstellen dat hij van dan af Jezus niet van harte zou volgen.   

Pater Calme besluit zijn betoog door samenvattend te zeggen dat de zogenaamde broers van Jezus geen kinderen waren van Jozef noch van Maria, maar zonen van 'de andere Maria', de vrouw van Klopas. Op een of andere wijze waren ze wel verwant met Jezus als zijn neven, waarschijnlijk langs Jozef.

(Over de andere 'broers' berichten we nog even in volgend nummer)

 NAAR INHOUD    NAAR TOP

DE “BROERS” VAN JEZUS (3)

Nadat we vorige keren pater Calme o.p. hebben laten uiteenzetten dat de 4 broers niet de kinderen zijn van Jozef en niet de kinderen van Maria, hebben we dat daarna geconcretiseerd aan de figuur van de meest opvallende ‘broer’, Jacobus. Vandaag kijken we nog even naar de 3 andere broers-neven van Jezus: Joses (Jozef), Judas en Simon.   

De tweede ‘broer’, Joses of Jozef  

(in het Frans vertaalt men wel eens ‘José’ en ‘Joseph’) wordt maar één keer vermeld in de broederlijst van Mattheüs en Markus. Het zou best kunnen dat hij vroeg overleden is, want nergens anders in de Kerk van ‘na Pasen’ komt hij nog voor en Hegesippos in de volgende eeuw zou het zeker vermeld hebben als dit wel het geval zou zijn geweest. Of zou hij totaal vervreemd zijn van de groep die zich (minstens na Pinksteren) tot Jezus bekende? We weten het eigenlijk niet. Zelfs Hegesippos verhaalt ons verder niets over hem.   

De derde broer-neef, Judas (of Juda)

Deze derde zogenaamde 'broer'  is nog moeilijker na te trekken aangezien er al twee apostelen waren die ook zo heetten: Judas, de apostel (zoon van Jakobus) en Judas (zoon van Simon Iskarioth zoals  hij 3 keer wordt genoemd door Johannes. Deze Judas Iskarioth is de enige Judeeër van de 12 apostelen, geen Galileeër, zoals de 11 anderen; hij wordt de verrader van Jezus.  

Judas, de derde ‘broer’ is schrijver van de korte brief die ook opgenomen is in het Nieuw Testament; de laatste van de zogenaamde ‘katholieke brieven’. Hij noemt zichzelf “Judas, dienstknecht van Jezus Christus en broeder van Jakobus” en hij schrijft aan “de geroepenen, die leven in de liefde van God de Vader en onder de bescherming van Jezus Christus” (1,3). Hij onderscheidt zichzelf van de apostelen van Jezus door de woorden: “…vrienden, herinnert u wat door de apostelen van onze Heer Jezus Christus voorspeld is” (1,17 ). De brief bevat maar 25 verzen en is een korte waarschuwing tegen ‘zogenaamde’ christenen die zich beroepen op Gods genade maar ondertussen een losbandig leven leiden. De brief zou dateren uit de jaren 68-69 en vertoont een typisch Joods-christelijke problematiek. Hij eindigt met een mooie geloofsbelijdenis : “Aan Hem die bij machte is u voor struikelen te behoeden en onberispelijk en vreugdevol voor zijn heerlijkheid te doen verschijnen, aan de enige God, die ons redt door Jezus Christus onze Heer, zij heerlijkheid, majesteit, kracht en macht, voor alle eeuwigheid en nu en in alle eeuwigheid! Amen” (Judas.1,24-25 ).   Eerlijkheidshalve moeten we hierbij aanstippen dat volgens moderne Bijbelgeleerden de brief hier en daar verwijst naar het einde van de eerste eeuw of het begin van de tweede eeuw na Christus. Het tijdperk van de apostelen lijkt echt voorbij. Dat zou dan met zich meebrengen dat “Judas” hier een pseudoniem is, “een naam die in combinatie met die van Jakobus aan het geschrift het nodige gezag moet verlenen”.  In feite doet deze bemerking niet veel af van de quasi zekerheid dat men Judas zag als de broer van Jakobus en een (late) volgeling van Jezus.

En Simon, de vierde broer?

Die moeten we natuurlijk onderscheiden van Simon-Petrus uit Betsaïda en van Simon, de IJveraar.  Simon, de 4de van de gebroers krijgt wel wat aandacht vanwege Hegesippos, een tijdgenoot van Sint Justinus en een bedachtzame getuige van de Joods-Christelijke kerk uit de 1ste eeuw; Hegesippos was een tot het christendom bekeerde Jood die rond 180 na Chr., na zijn verblijf in Rome de Joods-Christelijke kerk in Palestina vervoegt.  Hij beschrijft hoe Simon, 8 jaar na de tragische steniging van zijn oudste broer, diens bisschopsambt voor heel wat jaren overneemt. In tegenstelling tot zijn oudste broer, Jakobus de Kleine, wordt Simon nooit apostel genoemd. Hij zou op vergevorderde leeftijd gekruisigd worden in 107. Mogelijks was hij de jongste van de broers.

Besluit

Hoger hebben wij erop gewezen dat de broers-neven  wel wat afstandelijk stonden tegenover Jezus (uitgenomen Jakobus) maar in de Handelingen van de apostelen worden zij samen met Jezus’ moeder vermeld als aanwezig in het cenakel (Hand. 1,14), samen met de apostelen. Hun moeder, de schoonzus van Maria langs Jozef, was trouwens reeds eerder nauw betrokken bij Jezus, aangezien wij haar aantreffen bij de kruisiging en bij het lege graf. Uit de notities van Hegesippus en Eusebius blijkt dat haar zonen, de zogenaamde “broers van Jezus” hoog in aanzien stonden in het milieu van de Joods-christenen in Jeruzalem. Uit de uiteenzetting van pater Carle, gebaseerd op de nieuwtestamentische teksten en andere bronnen, blijkt echter overduidelijk dat zij niet de broers waren van Jezus, maar enkel zijn neven langs Jozef.

 NAAR INHOUD    NAAR TOP