GELOOF en LEVEN vzw



  
HOME

INHOUD

GELOOF EN LEVEN 1998 nr. 2

  TERUG NAAR INHOUD   

MARIA IN  MEI Gedicht van  Willy Verschaetse  
TEHUIS  VOOR EX-GEVANGENEN I De Mey  

GODS GEEST IS AAN ’T WERK!  Ben Van Vossel CSsR

VOOR EEUWIG LEVEND IN GODS LIEFDE

DE  MARIA-KEFASGEMEENSCHAP NODIGT UIT

VOLKSMISSIES CSsR (2) Paul De Meyer

IN DE VREDE VAN DE HEER

BEZINNINGSDAGEN MIDDELBAAR  1998 Wouter Ghijs,

UIT HET DAGBOEK  VAN EEN MOEDER (1) Greet

DE HEILIGE SCHRIFT (uit: DE KATECHISMUS VAN DE KATHOLIEKE KERK) Ben Van Vossel CSsR

LIBANON: NAAR HET LAND VAN DE GROTE CEDERS Jozef Hanssens cssr  
DE TITANIC : EEN PARABEL Ives De Mey  
GERARDUS (4) TOCH BROEDER-REDEMPTORIST (4) Gabriël Dewilde CSsR
BOEKENNIEUWS  Ben Van Vossel CSsR

BEZINNING IN DE SYNAGOGE VAN NAZARET  BVV

GEZINSDAG  HET GEZIN : REGENBOOG VAN LIEFDE ! Mgr. Schreurs

KLEINE HANS  OF : « HEEFT VERSTERVING NOG ZIN ? »

ROEPT GOD NOG MENSEN VANDAAG ?  Europese Congres door over de roepingen

GEROEPEN OM HEILIG TE ZIJN Aan heel het volk van GOD  in Europa



  TERUG NAAR INHOUD   


MARIA IN  MEI


Gedicht van  Willy Verschaetse

De meimaand

is uw kleed

Maria

regenboogs geweven

door het licht.


De bloemen

zijn uw kroon

uw zingende gedicht

waaronder

kudden jonge schapen

blond in spelend glanzen

op uw schouders dalen.


De lente zingt

voor U de dag

in alle talen

op haar harpen

haar gitaren

hangend aan de bomen.


Zo wiegen steeds

als groene dromen

melodieën

jong en altijd nieuwer

voor uw troon.


Ik breng de meimaand

broos en schoon naar U

en wijd haar tot gebed

o hemelse ikoon.



EINDE VAN DIT ARTIKEL

   TERUG NAAR INHOUD     NAAR TOP VAN DIT NUMMER    


 TEHUIS VOOR EX-GEVANGENEN


Het gevangeniswezen is de laatste maanden nauwelijks uit het nieuws geweest. Stakende cipiers, een ophefmakend wetsvoorstel voor de hervorming van het gevangenissysteem, criminelen die geïnterviewd worden of wekelijks hun dagboek publiceren. Sinds het Dutroux-spektakel, hebben de media met vernieuwde aandacht haar schijnwerpers op justitie, magistratuur en criminaliteit gericht. De journalisten kamperen om zo te zeggen permanent in het justitiepaleis. De beklaagden zijn voorpaginanieuws, tot het doek valt. De veroordeling is uitgesproken, ze is te licht of te zwaar, of verzacht het aangedane leed niet. En dan verdwijnt die veroordeelde gewoonlijk uit het zicht van de maatschappij. In de gevangenis moet hij dan maar ‘in het reine’ zien te komen met zijn verleden. In de gevangenis van Leuven Centraal tracht aalmoezenier Guido Peeters met deze mensen een eind de weg mee te gaan. Wanneer de veroordeelde ‘zijn straf heeft uitgezeten’, gaan de poorten weer open. Daar staat hij dan.


Guido Peeters:  “Vanaf het begin dat ik gevangenisaalmoezenier was, voelde ik al aan dat er hier een nood was. Voor heel wat ex-gevangenen bestaat er geen goede opvang. Zonder hulp is het moeilijk om een nieuw leven op te bouwen.”

“Als redemptorist was ik op dat ogenblik overste van het klooster te Leuven in de Brabançonnestraat nr.97.  Het rijhuis naast het klooster was eigendom van de congregatie. Vroeger, toen ook de talrijke jonge redemptoristen-in-opleiding en hun professoren er woonden diende dat huis als woonst voor de kok of conciërge. Beter dan het lege huis te laten verkommeren of te verhuren aan twijfelachtige huurders, werd het in orde gebracht om er mannen op te vangen die net de gevangenis hadden verlaten. Nu telt het vier studio’s. Ze zijn niet luxueus ingericht, maar bieden toch de nodige privacy en comfort. Ikzelf woon er ook.”


Geloof & Leven: Wat kan jij dan voor hen doen?

G.P.: “Het belangrijkste is niet wat ik doe, maar dat ik er ben. Ik bied hun een plaats en omgeving aan van waaruit ze hun leven in de maatschappij kunnen heropstarten. De ex-gevangene die niet bij familie of vrienden terecht kan, vindt bij mij gratis onderdak voor de eerste zes maanden. Dat geeft hem de kans om zich in orde te stellen met het OCMW, de VDAB, de mutualiteiten. Omdat hij zich dan ook laat inschrijven op een ‘gewoon’ adres, geraakt hij al iets gemakkelijker aan werk. De laatste maanden van hun straf kunnen ze ook vanuit de gevangenis sollicitatiebrieven sturen, maar met ‘Leuven Centraal’ als woonadres, wordt je meestal wel afgewezen. Wie een kamer wil huren, moet meteen al drie maanden waarborg bovenop de eerste huishuur kunnen betalen. Terwijl ze bij mij inwonen, kunnen ze dat geld bijeensparen.”


G&L: Moet je deze mannen ook begeleiden in het leven ‘buiten de muren’?

G.P.: “Uiteraard sta ik 24 uur per dag ter beschikking met raad en daad. Ik toon ze de kortste weg naar de verschillende diensten van de bureaucratie. En alle dagen kunnen ze hun verhaal bij mij kwijt. Wie wil, schuift mee aan tafel. In de gevangenis hebben ze altijd in hun eentje op de cel moeten eten. Soms kookt iemand eens wat lekkers, en nodigt de anderen uit. Op die manier wordt het leven ook echt leven.”

“Maar ik treed niet in de plaats van de maatschappelijke assistenten. Elke gevangene die voorwaardelijk vrijgelaten wordt, krijgt een voogd aangesteld. Die begeleidt hen professioneel. Die taak behoort mij niet toe. Ik houd het bewust kleinschalig, op ‘familiaal niveau’. Ik werk zonder subsidies waardoor dit apostolaat niet gebonden is aan allerlei voorwaarden.”

“Bovendien mag ik hen ook niet teveel onder de vleugels houden. Ze hebben mij al die jaren al gekend als hun aalmoezenier. Nu wordt het tijd dat ze leren op eigen benen te staan. In de gevangenis is het leven gereglementeerd. Hier in huis is er slechts een minimumreglement. Er is geen uur waarop ze binnen moeten zijn. Ze hebben elk een sleutel van het huis en van hun kamer. Jaren lang was de sleutel hun vijand, nu is het een symbool van hun vrijheid: zelf over de huissleutel te beschikken! Ik vraag hen enkel om de orde niet te verstoren. Om problemen te vermijden, is het verboden grote sommen geld op de kamer te bewaren. Ze moeten dus niet komen beweren dat ze bestolen zijn op de kamer. Ze moeten ook niet met drugs of vrouwen afkomen.”

“Als iemand zijn zaken maar op zijn beloop laat, of als er een onverstandig bezig is, durf ik hem wel eens te vermanen, als hij daarvoor open staat.”


G&L: Heb je wel eens tijd voor jezelf?

G.P.: “Overdag sta ik in de gevangenis ter beschikking. Ik doe dat niet als mijn beroep, zoals een ‘9-tot-5-jobje’. Ik laat ‘de mannen’ niet vallen eens ik buiten kom. En ook niet eens dat zij buiten komen. Het is mijn roeping om ter beschikking te staan. Dat is niet meer dan logisch. Natuurlijk heb ik ook mijn private kamer in huis, en moet ik ook voor mezelf zorgen. Maar dat begrijpen ze wel.


EINDE VAN DIT ARTIKEL

   TERUG NAAR INHOUD     NAAR TOP VAN DIT NUMMER    



GODS GEEST IS AAN ’T WERK!


Ben Van Vossel

Het jaar 2000 is het Jubileumjaar van onze Verlossing.

In de voorbereidingstijd op dat jaar zijn we nu volop in het jaar van de Heilige GEEST.  

1997 was het JEZUSjaar,

1999 wordt het jaar van de VADER.  


“IN HET BEGIN

“IN HET BEGIN schiep God de hemel en de aarde. De aarde was woest en leeg; duisternis lag over de diepte, en de Geest van God zweefde over de wateren” (GEN.1,1-2).

GODS GEEST zorgt als het ware voor het gereed maken, het vruchtbaar maken van alles opdat er een wereld, een kosmos kan ontstaan uit de chaos.  

Maar zo zal Hij er ook voor zorgen dat uit het stukgeslagen groepje rond JEZUS, na diens dood en verrijzenis, een nieuw volk zal ontstaan dat de Vader zal aanbidden in Geest en waarheid en dat van JEZUS' Redder- en HEER-zijn zal getuigen over heel de aarde.  Een groots gebeuren in de heilsgeschiedenis.  


En ook in de afzonderlijke mens, in u en mij, komt GODS GEEST aan het werk:

“Evenzo komt de Geest onze zwakheid te hulp. Want wij weten niet eens hoe wij behoren te bidden, maar de Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen. En Hij die de harten doorgrondt, weet waar de Geest op zint, want Hij pleit voor de heiligen naar Gods bedoeling” (Rom.8,26-27).

“Hij heeft de Geest van zijn Zoon in ons hart gezonden, die roept: Abba, Vader!” (Gal.4,4-4,6).

GODS GEEST aan het werk bij de schepping.  Maar ook bij onze herschepping zien we hoe de GEEST van GOD een voorname rol vervult.

Bij de aankondiging van DE HEER (de Boodschap aan Maria) verneemt Maria dat ze een zoon zal ter wereld brengen, JEZUS, Zoon van de Allerhoogste.  

Hoe dat zal geschieden?

 “De HEILIGE GEEST zal over u komen en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom ook zal wat ter wereld wordt gebracht heilig genoemd worden, Zoon van GOD” (Luk.1,35).


De Geest van GOD, de Kracht van de Allerhoogste.  De kracht van GOD is soms zo zacht, zo geheimnisvol.  Als JEZUS duivels uitdrijft, zegt Hij dat Hij het doet “door de vinger Gods”.  Gods liefdevol optreden hoeft geen geweld en geen kracht.  Reeds in het boek Zacharia lezen we:


“Het gebeurt niet door kracht of geweld, maar door mijn geest, zegt Jahwe van de machten” (Zach. 4,6).  

De Geest forceert niet, al kan Hij grootse dingen tot stand brengen.  Ook in de herschepping van de mens.  

Maria heeft het grote mysterie van de Menswording met stilte omgeven.  Jozef komt er ernstig door in verlegenheid.  Maar ook voor hem wordt de sluier van het mysterie opgelicht.  

“Omdat Jozef, haar man, rechtschapen was en haar niet in opspraak wilde brengen, dacht hij er over in stilte van haar te scheiden. Terwijl hij dit overwoog, verscheen hem in een droom een engel van de HEER die tot hem sprak:' Jozef, zoon van David, wees niet bevreesd Maria, uw vrouw, tot u te nemen; het kind in haar schoot is van de HEILIGE GEEST”. Zij zal een zoon ter wereld brengen die gij JEZUS moet noemen, want Hij zal zijn volk redden uit hun zonden.' Dit alles is geschied, opdat vervuld zou worden wat de HEER gesproken heeft door de profeet, die zegt:  Zie, de maagd zal zwanger worden en een zoon ter wereld brengen en men zal Hem de naam Immanuel geven. Dat is de vertaling: God met ons.” (Mt. 1,19-23)


In hun gelovig gezin delen Maria en Jozef nu samen het grote geheim van Gods ingrijpen in de mensengeschiedenis.  Gods Geest zal nog meer doen.  Maria had een teken gekregen dat haar zou helpen het mysterie van de Menswording gelovig te aanvaarden.  Haar nicht, Elisabeth, zou in haar ouderdom nog een kind krijgen.  Maria treedt reeds in dat geloof in en gaat met spoed op weg naar Ain Karin om haar zwangere nicht te helpen.  En dan horen we opnieuw hoe Gods Geest mensen inwijdt in het grote mysterie.  “Zodra Elisabet de groet van Maria hoorde, sprong het kind op in haar schoot; Elisabet werd vervuld met de heilige Geest en riep met luider stemme uit: ' Gij zijt gezegend onder de vrouwen en gezegend is de vrucht van uw schoot.  Waaraan heb ik het te danken, dat de moeder van mijn HEER naar mij toe komt?  Zie, zodra de klank van uw groet mijn oor bereikte, sprong het kind van vreugde op in mijn schoot” (Lk. 1,41-44).


Dertig jaar later treffen we dat kind aan als een jonge, vurige predikant bij de Jordaan.  Diezelfde Johannes.  Als profeet van de innerlijke vernieuwing staat hij in de Jordaan en predikt hij een doopsel van verzoening.  Hij nodigt de mensen uit om hun zonden te belijden en zich te laten dompelen in de zuivere wateren van de Jordaan als teken dat ze hun leven willen richten naar Gods verlangen.  JEZUS komt er ook aan; Hij moet Johannes dwingen ook Hem het doopsel toe te dienen: het Lam Gods dat de zonden van de wereld wegneemt, staat als een boeteling in de Jordaan.  Johannes de Doper getuigde :

“’Deze is het van wie ik zei: Achter mij komt een man die voor mij is, want Hij was eerder dan ik. Ook ik kende Hem niet, maar opdat Hij aan Israël geopenbaard zou worden, daarom kwam ik met water dopen. ' Verder getuigde Johannes: 'Ik heb de Geest als een duif uit de hemel zien neerdalen en Hij bleef op Hem rusten. Ook ik kende Hem niet, maar die mij gezonden had om met water te dopen, Hij had tot mij gesproken: Op wie gij de Geest zult zien neerdalen en blijven rusten, Hij is het die doopt met de heilige Geest. Ik heb het zelf gezien en ik heb getuigd: Deze is de Zoon van God'” (Joh. 1,30-34).


Opnieuw zo’n tekst waar we GOD aantreffen, niet als een verre eenzaat in de hemel, maar als een GOD met een oneindig hart die als het ware een gezin vormt met de Zoon en de HEILIGE GEEST van liefde.  Het Blijde Nieuws van JEZUS is dan ook een veeltonige lofzang op GOD die we leren kennen als VADER, ZOON en troostende, helpende, werkzame, biddende en getuigende heilig(end)e GEEST.


EINDE VAN DIT ARTIKEL

   TERUG NAAR INHOUD     NAAR TOP VAN DIT NUMMER    




VOLKSMISSIES VAN DE REDEMPTORISTEN (2)

Paul De Meyer

Missiepredikant: eerste aanzet

Het lijkt misschien wat ver gezocht, maar de eerste aanzet voor mij om missiepredikant te worden, werd gegeven op een "Missie" zelf.  Zo'n volksmissie op eigen parochie waar je misdienaar was.  Wie moest er immers de kaarsen aansteken?  Wie moest er voor zorgen dat er wierook was?  Wie moest helpen stoelen aansleuren ?  En dan natuurlijk ook vooraan zitten in het kerkkoor, het voorste deel van de kerk, voor die soms duizendkoppige menigte!  Zelfs de sermoenen "Kinderen niet toegelaten" werden voor hen door de vingers gekeken.  Of ze er veel van verstonden was een andere zaak.  Maar de sfeer, de waardigheid waarmee de predikant naar de preekstoel ging, het luid meegezongen "Wij willen GOD in onze woning" of "De rode roos van JEZUS' hartewonde".  En dan de stilte.  En op het einde van het sermoen het trage luiden van de 'zondaarsklok'.


Als de paters de zieken moesten gaan bezoeken om hun 'biecht te horen' en de h. communie te brengen: wie kon hen beter de weg aanwijzen doorheen de straten en de velden?  Natuurlijk kon je dan niet de hele weg over het 'schoon weer klappen'… "Manneke, wa ga-de-gij later worden?".  Zo'n vraag kon je eigenlijk wel verwachten.  Maar toch kwam het antwoord maar aarzelend: "Kleermaker", of "champetter" of "schoolmeester" of "met ne foorwagen heel de wereld rondrijden"…  Daar moest die pater nu  echt om lachen.  "En heb-de-gij er nog nooit aan gedacht om pater te worden?"  Weer aarzelend: "Eigenlijk niet, pater".  "Hewel manneke, ge moet daar eens goed over nadenken".  "Ja, pater".

En de laatste zondag van de missie, vlak na de kruisprocessie die doorheen heel het dorp ging: "Hewel, manneke, heb-de-gij daar nu al eens goed over nagedacht?"  "Ja, pater, diene keer dat ge me dat gevraagd had.  Maar anders toch nog niet."


En als de paters drie-vier weken weg waren, kreeg je een brochuurtje toegestuurd "dat ze in Essen zo'n schoon college hadden en dat je daar zeker gaarne zou zijn.  En kijk eens wat een toren, en voetbalvelden rondom… Jaja, dat zou iets voor jou zijn".

En de onderpastoor kwam er ook eens met vader en moeder over babbelen.  En de mening van de hoofdonderwijzer werd gepolst.  Ja, daar zou wel iets voor te zeggen zijn.  "Maar je moet het natuurlijk zelf weten hé, van ons moet je niet hoor.  Peins er toch nog eens héél goed over na!"


Tweede aanzet: College te Essen

En dat was dan de tweede aanzet: het college van de Paters redemptoristen, in Essen, aan de Nederlandse grens, zo'n 90 km. van huis.  Een internaat voor zo'n 150 "studenten".  Alle leraars waren paters, behalve de turnleraar.

De eerste dagen was het zo wat 'gewoon worden': boeken halen, kaften, het nodige materiaal aanschaffen…  Nog geen sprake van les, nee, eerst drie dagen retraite.  De groten kregen het onderricht in de ontspanningszaal, de 'kleinen' in de studiezaal.  De predikant was altijd een van de beste Redemptoristenpredikanten.  Ook zij die nooit misdienaar geweest waren, kwamen ervan onder de indruk.  En tussendoor vrije tijd, met paternoster en stille gebedsmomenten, of… dromerig aan thuis denken.  Wandelend in de tuin, of een boeiend boek lezen over Pater Constant Lievens of over "het huis van het verloren kind”.  En notabene, in de Goede Week was er nog eens een retraite, met de liturgische diensten.  En dan, na de heel vroege Paaszaterdagdienst, vlug een boterhammeke ingeslikt; en drie kwartier te voet door de brede, zanderige kastanjelanen naar het station, waar onze koffers al met paard en kar waren aangevoerd.


Nu kan je denken: maar wat heeft dat allemaal te maken met die "tweede aanzet" om pater-predikant te worden?  Bij eerste toezien niet zoveel.  Maar van korterbij: alles, of toch bijna alles.  Want zo'n college was geen gewoon college.  Het was een internaat zoals ongeveer alle kloostercongregaties er een hadden.  Men noemde het soms wel eens lachend 'patersfabriekskens'.  Wel stonden de studies voorop en de klassen hadden zeer goede leraars.  En… er moest gewerkt worden in de klas en tijdens de studietijd!

Maar het geestelijk leven had ook zijn rechten.  Elke dag Eucharistieviering en Lofprijzing (kortweg 'lof' genoemd), en op vrijdag de kruisweg, en 's zondags twee missen en zangrepetitie en Vesperdienst en Lof…  Wat konden die zondagen soms saai en vervelend zijn.  Maar dat moest je er maar bijnemen.  Dat was de gang van de internaten toen!  En… achteraf bekeken, vind ik het een prachtige collegetijd!

Het college van Essen had een specialiteit, waarvan ik vermoed dat ze die in heel wat colleges niet hadden of toch niet in die mate.  Elke zondag was er een uur "declamatieles".  Wij hadden het geluk pater Boon te hebben, je weet wel: Jozef Boon die later het heilig Bloedspel leidde in Brugge.  Dat waren topmomenten op een zondag: van "HEER Halewijn", stukken uit Vondels "Lucifer", gedichten G.Gezelle en van Rodenbach; teksten uit "De kleine Johannes" van Frederik van Eeden.  En natuurlijk ook Verschaeve, Streuvels, Timmermans… en "Van een schamel moederke" van Ernest Claes…


En zaterdagnamiddag - als er niet teveel "nota's" waren - werd het laatste lesuur voorgelezen uit een boek.  Spannende boeken, moet ik wel zeggen.  Ik hoor p. Jan van Campenhout nog altijd met smaak voorlezen uit Gerard Walschap (jaja!) en Toon van Biesen uit Vondel en uit "Het geslacht Björndal".  Toon bezat overigens de kunst om Latijnse en zelfs Griekse teksten, nadat we ze uren hadden bestudeerd, voor te dragen op een manier om nooit te vergeten.


Maar topmomenten, waar heel het college naartoe leefde waren wel de toneelopvoeringen.  Daar kwamen altijd veel figuranten aan te pas, vandaar…  Voor de oorlog van 40-44 waren er ook openluchtvoorstellingen bij.  De overdekte gaanderij met haar kantelen op de speelplaats vormde een prachtig podium.  Bussen uit Nederland kwamen daarop af.  Ook in de feestzaal was er een ruim podium voor bv. "En waar de sterre bleef stille staan" van Felix Timmermans, "Het leven, een droom" van Chalderon della Barca of "Barabbas" van Michel de Ghelderode.  Niets echter ging het middeleeuwse spel "Elckerlyck" te boven wanneer het in openlucht werd opgevoerd.  Je mag me geloven: heel wat hoofdrolspelers werden laten héél goede predikanten.

De traditie van het toneel spelen heeft er altijd ingezeten.  Na pater Boon en pater Speeckaert deden andere paters en leken er ook mee verder. Je hebt dat of je hebt dat niet, maar Essen hàd het!


Een flinke stoot tot het vormen van latere predikanten werd gegeven door de opleiding in Essen.  Het klinkt een beetje chauvinistisch misschien.  Ook andere colleges leverden bekwame talenten, en daar zijn heel wat goede predikanten uit gegroeid.

Overigens, wat ze niet voortbrachten aan voordrachtskunst vanuit hun college, werd ruim aangevuld in het studentaat (tijdens de jaren filosofie en theologie) en later nog tijdens het "tweede noviciaat".  Maar dat is voor een volgende keer.


EINDE VAN DIT ARTIKEL

   TERUG NAAR INHOUD     NAAR TOP VAN DIT NUMMER    




BEZINNINGSDAGEN VOOR HET MIDDELBAAR ONDERWIJS 1998

Wouter Ghijs,

Ook volgend jaar (1998) biedt het Bezinningscentrum OASE IN DE STAD Brondagen aan voor klassen uit het Middelbaar.  We zien het als een moderne vorm van Evangelisatie naar jongeren die steeds maar minder echte waarden krijgen aangereikt en steeds maar meer tussen de onzin van de mediabrouwsels en de soms allesbehalve opbouwende sociale relaties hun weg moeten vinden.  

De klasgroepen krijgen een keuzeaanbod voorgeschoteld dat ze op voorhand even kunnen bekijken.  Die thema’s worden dan op een creatieve manier uitgewerkt aan de hand van gesprek, spel, filmfragmenten, muziek, expressie, getuigenis…

Hopelijk schrikken volwassenen niet al te zeer van deze thema’s:

1 Masks and mirrors (Wie ben ik ?  Moet ik mezelf bewijzen?  Vertrouwen, als zuurstof zo belangrijk, Bemind zoals je bent).  

2 Survive your life (Op de trot, Rondjes lopen, Opgelet voor onderkoeling, Tochtgenoten).  

3 Je leven, het leven waard (Eet meer gras, dat bevordert de kuddegeest, Gelukkig… omdat ik me bemind voel, En als mijn wereld in elkaar dreigt te stuiken…, De rots en het zand).  

4 Liefde, relatie… (Onverzadigbare honger, Als liefde je lief is, God is liefde, Zinvolle seksualiteit).

Omzeggens alle leerlingen en begeleidende leerkrachten zijn tevreden met wat geboden wordt en de manier waarop het wordt uitgewerkt.  Zelf vinden we het een uiterst zinvolle manier van begeleiding van jongeren; de drempel is niet te hoog en toch wordt er voldoende degelijke en evangelisch geïnspireerde waarden aangeboden.


EINDE VAN DIT ARTIKEL

   TERUG NAAR INHOUD     NAAR TOP VAN DIT NUMMER    




UIT HET DAGBOEK  VAN EEN MOEDER

Greet

Frans brengt de vier kinderen (11j. - 9j. - 7j. - 7j.) 's morgens met de wagen naar school en rijdt dan verder naar zijn werk.  De kinderen geven me meestal een zoen als afscheid en stappen dan in de auto.  Kristel (7j.) wil instappen, aarzelt en komt dan op haar stappen terug.  Het is de tweede dag na een lange vakantieperiode en ze vleit zich nog eventjes tegen mij aan.  Ze vraagt heel stilletjes of ik het al gewoon ben zo alleen thuis.

Ik ben eigenlijk wel een beetje verrast over deze reactie.  Kan een zevenjarige zich zo inleven in de situatie van een ander?  Ik zeg haar naar waarheid dat ik de eerste dag wel een beetje verloren loop, maar dat ik het ook vlug gewoon word.  Ik vertel haar ook dat ik dan meer kan werken in huis en ook dat het goed is dat ze naar school gaat om te leren lezen, schrijven… en … dat ik haar en de zusjes zeker kom afhalen 's middags.

Ze lacht en stapt gerustgesteld de auto in.


Marian (9j.) is ziek en dus thuis.  Omdat ze antibiotica inneemt moet ze veel yoghurt eten.  Ik geef haar een potje yoghurt en zet me naast haar met een kopje thee.  Een kopje thee vind ik heerlijk 's morgens, zo tussendoor terwijl ik verder werk.  Maar vandaag, met een zieke in huis, ben ik dus gaan zitten.  Marian geniet duidelijk van dit moment.

Plots zegt ze, naar onze tuin kijkend: "Kijk, mama, die dikke duif is Dollie."  Er zitten inderdaad twee duiven in het gras, ik had het niet eens opgemerkt!  (Voor oningewijden vertel ik dit er graag bij: Dollie is de duif van Pluk van de Pettefet, een meesterlijk werkje van A. Schmidt.).  Marian zegt met een ernstig gezicht welke duif Dollie is, want die komt elke dag en zij weet dus op welke plek de wormpjes zitten.

De volgende dag is onze Marian al wat beter.  Ze leest in Pimmeke, een missietijdschrift voor kinderen.  Samen maken we de groenten schoon en terwijl ze me helpt met andijvie te spoelen vraagt ze me: "Mama, wat is dat een mongooltje?"  In het artikel dat ze daarnet aan het lezen was, werd inderdaad iets uiteengezet in verband met kinderen met handicap.


Het geeft me de gelegenheid om haar wereldje te openen.  Ik vertel haar dat er mensen zijn die zijn zoals wij en toch een beetje anders.  Ik zeg haar ook nog: "Je ziet het meestal wel aan hun gezichtje dat ze anders zijn.  Mongooltjes kunnen ook niet zo goed leren, ze leren veel trager en moeten geholpen worden.  Ze zijn meestal wel heel lief en verlangen veel vriendschap."  Ik voel dat het me deugd doet om over die wereld, de wereld van mensen met handicap te spreken.  Omdat ik jarenlang werkte bij gehandicapte kinderen en jongeren is het ook een stukje 'mijn wereld' geworden.  

Ik ben ervan overtuigd dat het goed is dat kinderen weet hebben van wat handicap is en gehandicapte mensen leren kennen, kennen ook in de Bijbelse zin… beminnen …


Ik word vlug uit mijn gedachten weggetrokken, want daar komt al een nieuwe vraag: "Kunnen mongooltjes trouwen en kindjes krijgen?"  Ik vertel haar dat dit moeilijk kan, want als je papa en mama wordt, moet je ook kunnen zorgen voor je kinderen en meestal hebben zij zelf hulp nodig.

Dit antwoord volstaat en ze stelt verder geen vragen meer.



Even later zit ze opnieuw in "Pimmeke" te lezen.  "Mama, moet je dit eens zien!"  Ik lees de vraag luidop: "Wat is je droom in je leven?"  En ik lees de vele antwoorden.  Marian zegt: "Kijk, mama, een kindje schrijft hier dat het minister wil worden.  Stom hé!"

Ik ben eerlijk gezegd blij dat ze zo'n reactie geeft.  Niet omdat ik vind dat ministers stom hoeven te zijn, maar wel omdat ik het jammer vind dat een kind reeds volwassen ambities koestert.

Op de vraag wat zijzelf wil worden krijg ik al vlug het antwoord: kinderverzorgster zoals Kim of kleuterjuffrouw zoals Juf Karlien of 'winkelmadam'.

Ja, wat zal jij worden, kind?  Het is zoals in het liedje "Què sera, sera… Wat zijn moet, dat zal zo zijn… de toekomst blijft geheim…"  Wat je doet is natuurlijk belangrijk, maar WIE je bent, daar komt het op aan.  Mogen meewerken aan Gods droom over dit kind, uniek en geliefd in zijn ogen, is een heerlijke roeping voor ons als ouders.  Heerlijk … maar niet altijd even eenvoudig …


EINDE VAN DIT ARTIKEL

   TERUG NAAR INHOUD     NAAR TOP VAN DIT NUMMER    




DE KATECHISMUS VAN DE KATHOLIEKE KERK
De Heilige Schrift
Ben Van Vossel CSsR


Wat voorafging:

DEEL I: DE GELOOFSBELIJDENIS

Eerste sectie : Ik geloof – Wij geloven

Hoofdstuk I: Het zoeken van de mens

Hoofdstuk II: GOD komt de mens tegemoet

ART.  1 De openbaring van GOD

ART. 2 Het doorgeven van de goddelijke openbaring


ARTIKEL 3  DE HEILIGE SCHRIFT (pp.37-43, nrs. 101-141)


Ik mocht onlangs op een kleine parochie van Temse (Velle) 28 vragen beantwoorden van de 28 jongens en meisjes die zich voorbereidden op hun heilig Vormsel.  Een van de vragen was: hebt u al eens heel de heilige Schrift gelezen?  Toen ik zei dat ik dat al verscheidene keren gedaan had was er een reactie van "Amaai zeg!".  


De Bijbel, uit de grondtekst vertaald (Willibrordvertaling, geheel herziene uitgave 1995), omvat zo'n 1920 bladzijden (inleidingen en tabellen inbegrepen), 800.000 of meer woorden.  Maar de Catechismus zegt het kort en goed: "Door alle woorden van de heilige Schrift heen zegt GOD slechts één Woord: zijn enig Woord waarin Hij zich geheel uitspreekt".  Doorheen al die vele woorden van de heilige Schrift spreekt GOD zijn Woord van liefde, waarvan JEZUS de belichaming is.  




De Kerk vereert het Woord van de Schrift zoals ze het Lichaam van DE HEER vereert in de Eucharistie.  In de heilige Schrift vindt de Kerk dan ook onophoudelijk haar voedsel en kracht; het is immers het Woord van de hemelse Vader die zijn kinderen met liefde tegemoet treedt en met hen spreekt.  De Kerk is niet enkel de verzamelde gemeenschap van gelovigen, het is ook elke christen, elk mens, die in geloof Gods Woord tot zich laat spreken bij het lezen van de Schrift, bij het beluisteren van dat Woord wanneer het wordt voorgelezen in de kerk of het gezin.  Het is goed het Woord van de Schrift te bestuderen op een wetenschappelijke wijze of erover te discussiëren in bijbelgroepen, maar enkel wanneer we het benaderen als het Woord van de levende GOD voor ons, hier en nu, wordt het ook echt heilzaam en mogen we zijn levengevende kracht ervaren.


Wie is de auteur van de heilige Schrift.  David?  Salomo?  Profeten- of priesterscholen? Paulus en wat Evangelisten?  Daar hebben nogal wat mensen hun bijdrage in gehad.  Maar de Catechismus zegt kort en goed dat GOD de auteur is van de heilige Schrift: de geopenbaarde waarheid die erin ligt en die wordt voorgehouden "is er onder ingeving van de HEILIGE GEEST aan toevertrouwd".  GOD heeft mensen en de menselijke taal en de heel eigen manier waarop deze of gene schreef gebruikt om uit te drukken wat Hij wilde.  Toch gaan we het christelijk geloof geen "godsdienst van het boek" noemen.  Het christendom is de godsdienst van het mensgeworden, levende Woord.  


Door de HEILIGE GEEST maakt CHRISTUS, het eeuwige Woord van de levende GOD, onze geest toegankelijk voor het begrijpen van de schriften.  Anders zouden ze immers dode letter blijven.  Zo is het voor ons en zo was het voor de leerlingen van Emmaüs en de andere volgelingen van JEZUS.  Als JEZUS ons verlicht door de HEILIGE GEEST gaan onze harten branden door de ervaring van zijn aanwezigheid (Lc. 24,45).  Met wat een respect en liefde mogen we de heilige Schrift omgeven in ons gezin, op onze kamer, in ons gebedshoekje, maar ze ook echt ter hand nemen als het Woord van Leven.  Een mooie kaft, een goede plaats en … dat heilige Boek ook vaak ter hand nemen!


Als Gods Geest ons alles moet duidelijk maken, is het bestuderen van de heilige Schrift dan overbodig?  Nee, het is goed dat we leren zien of een bepaalde tekst eerder geschiedkundig van aard is, of profetisch of dichterlijk of als een soort godsdienstig verhaal om mensen tot een beter leven op te wekken.  Verder kunnen we nog rekening houden met de tijdsomstandigheden en de cultuur, de manier van spreken en schrijven in de tijd van de afzonderlijke auteurs.  Maar hoe nuttig dit alles ook is, "de heilige Schrift moet worden gelezen en verklaard in het licht van dezelfde Geest, door wie ze geschreven is".  


Het tweede Vaticaans Concilie gaf 3 criteria aan voor een verklaring van de Schrift overeenkomst de GEEST die haar geïnspireerd heeft:

1° Veel aandacht schenken aan de inhoud en de eenheid  van de hele Schrift.  Je moet alles lezen vanuit JEZUS, vanuit zijn verrijzenis.

2° Je moet de Schrift lezen binnen de levende Overlevering van heel de Kerk en

3° letten op de samenhang van de geloofswaarheden onderling en hoe ze thuishoren in  het totale heilsplan van de openbaring.  De Schrift lees je dus niet met de nieuwsgierigheid van iemand die eens op iets totaal nieuws wil stoten, iets dat de Kerk nog nooit gezien heeft, iets dat een totaal ander plan van GOD toont.  Dit soort kleine profeetjes ontmoet je wel eens, maar die komen en gaan met de wind en brengen geen echt nieuw leven aan;  wat onkruid zaaien, wat lawaai maken en graag wat in de belangstelling komen, of zich wat bezig houden met beuzelarijen.  Ik ontmoette eens een "getuige van Jehova", een baas van een grootwarenhuis die me met veel omhaal kwam vertellen dat ze op hun laatste bijbelstudie vernomen hadden dat JEZUS waarschijnlijk ook in India was gaan preken; hij vond dat adembenemend nieuws.  Nou!  Ten eerste heeft dat geen enkele historische grond, en ten tweede brengt dat toch niets bij aan ons geloof.  Het zijn van die weetjewatjes die we kunnen missen.


Heeft de bijbel soms verschillende betekenissen?  De bijbelgeleerden zoeken naar de letterlijke betekenis.  Daarbuiten kan er soms ook nog een geestelijke betekenis zijn.  Deze laatste betekenis of manier van verstaan deelde men nog in 3 soorten in:

1° De allegorische betekenis: vanuit CHRISTUS ontdek je soms een diepere zin achter de gebeurtenissen, bv. de doortocht door de Rode Zee zag men vaak als een teken van de overwinning van CHRISTUS op de machten van zonde en dood.  Dit soort toepassing treffen we aan in de Schrift zelf, bij de oudvaders en kerkvaders en in de liturgie.  Maar als om het even wie zich daar gaat aan begeven, dan kan men zo alles en nog wat achter de gebeurtenissen gaan zoeken.  Sommige oudvaders waren volgens onze smaak reeds wat al te zeer behept met het zoeken van een dieperliggende betekenis.  Best houden wij ons aan wat in de Schrift zelf en in de blijvende liturgische toepassingen naar voor komt.

2° De morele betekenis.  Sommige gebeurtenissen uit de Schrift die een letterlijke betekenis hebben kunnen soms ook ons gedrag in goede zin beïnvloeden.  Dat de Israëlieten door hun ongehoorzaamheid en hun gemor tegen GOD werden gestraft ziet Paulus "als een waarschuwing voor ons" (1 Kor. 10,11).

3° De anagogische betekenis: sommige werkelijkheden of gebeurtenissen kunnen we zien in hun eeuwige betekenis, bv. de kerk als beeld van het hemelse Jeruzalem.  

Maar nogmaals, in al deze betekenissen moeten we ons laten leiden door wat de Kerk erover zegt, "die de goddelijke opdracht en de taak heeft om het woord van GOD te bewaren en te verklaren".  "Ik zou het Evangelie niet geloven, als het gezag van de katholieke Kerk mij er niet toe aanzette", schreef de heilige Augustinus.


EINDE VAN DIT ARTIKEL

   TERUG NAAR INHOUD     NAAR TOP VAN DIT NUMMER    



NAAR HET LAND VAN DE GROTE CEDERS

Jozef Hanssens cssr


Tezamen met pater Walter Corneillie, onze provinciaal, én pater Elie Sader, een Libanese Redemptorist, was ik van 16 tot 21 juli jl. in Libanon.  Doel van de reis: in samenspraak met de plaatselijke verantwoordelijken een toekomstplan voor onze voormalige missie uittekenen.


Van bij onze aankomst op de internationale luchthaven van Beiroet werden we opgevangen en gepiloteerd door “de Vrienden van Sint Alfonsus” – een groep geëngageerde leken -, die ons verblijf in het “land van de ceders” tot een onvergetelijke ervaring zouden maken.  Op minder dan geen tijd loodsten zij ons doorheen de veiligheidspolitie en de douane en waren we op weg naar Jdeidet-el-Metn, een buitenwijk van Beiroet én bakermat van onze inzet in Libanon.


Hier doet sinds 1954 een kleine groep Vlaamse Redemptoristen aan socio-pastoraal werk bij voornamelijk Chaldese en de Maronitische Christenen.  Hun activiteiten zijn echter altijd kleinschalig gebleven, omdat op die post nooit meer dan 3 paters en een tweetal broeders konden ingezet worden.  Op het ogenblik van ons bezoek waren nog alleen pater Timon De Cock en broeder Christiaan Speybrouck aan Jdeidet verbonden.  Ondertussen is de laatstgenoemde broeder, na een inzet van meer dan 35 jaar, omwille van ziekte definitief naar Vlaanderen teruggekeerd.


Maar sinds kort doet zich in deze schijnbaar “uitge-telde” missie een verrassende kente-ring voor.  Toen namelijk de jonge Maronitische priester-monnik, Elie Sader, concreet de vraag stelde om te mogen aansluiten bij onze Congregatie, bleken de roepingen voor de Redemptoristen plots “in de lift” te zitten;  twee jongemannen zullen dit jaar hun noviciaat beëindigen in Canada en 4 andere staat klaar om eraan te beginnen.


Om deze roepingen veilig te stellen en ze in een sfeer van stilte en studie te laten gedijen, na hun noviciaat, heeft ons Generalaat in Rome ons gevraagd voor hen een studiehuis te bouwen in de Beeka-vallei.  Het is een streek waar vele voor de burgeroorlog gevluchte christenen een onderkomen hebben gevonden en waar dus voor onze toekomstige jonge Redemptoristen een enorm apostolaatsveld te wachten ligt.  Ondertussen werd hiervoor een geschikt terrein aangekocht en ontvingen we de desbetreffende plannen en begroting.  Wij kunnen dus van start gaan!


Het spreekt voor zich dat de financiële kant van deze opstart voor onze Vlaamse provincie een zware dobber betekent.  Wij zijn er echter van overtuigd dat onze lezers hun steentje willen bijdragen om deze fantastische onderneming tot een goed einde te brengen.  Het rekeningnummer terzake luidt:


Met nogal wat maanden achterstand publiceren wij hier een foto met onze eerste Irakese redemptorist, pater Bashar, een chaldese priester, die tijdens zijn seminarieopleiding nog kursus kreeg van onze paters Lucien Cop en Vincent Van Vossel aan het Grootseminarie van Bagdad.  Na zijn priesterwijding trad hij in bij de redemptoristen en deed zijn noviciaat in Ierland.  In Bagdad was hij vooral werkzaam bij de jeugd.  De foto toont hem (vooraan rechts) op de dag van zijn eerste professie (24 augustus 1997) voor de kerk van ons klooster in Dundalk.  Hij voltooit op dit ogenblik een verdere theologische vorming aan de K.U.Leuven.  Een andere jonge Irakese postulant zal volgend jaar ook zijn noviciaat aanvangen in Ierland, Dundalk.  Wij zijn de Heer dankbaar dat, op het einde van onze mogelijkheden, Hij in het nabijë Oosten toch roepingen heeft gewekt voor de verkondiging van de “Overvloedige Verlossing” (Copiosa Redemptio), zowel in Libanon als in Irak.  Wij vertrouwen de toekomst van beide missies ook toe aan het gebed van onze lezers.


EINDE VAN DIT ARTIKEL

   TERUG NAAR INHOUD     NAAR TOP VAN DIT NUMMER    



DE TITANIC : EEN PARABEL

Ives De Mey


Titanic, de film.

De duurste film aller tijden is niet de verwachte grootste flop aller tijden geworden. Integendeel. Sommigen zeggen dat het een kaskraker wordt die het verdient vermeld te worden in het Guiness Book of Records.

Titanic, de boot.

De échte Titanic kende in zijn korte bestaan ook alleen maar uitersten: de onzinkbare boot zonk. Het grootste bewegende bouwsel van die tijd werd de grootste zee-

ramp (15/16 april 1912;  1.517 doden).


Titanic, de poen.

Sinds het wrak op 1 september 1985 gevonden is, is het lichtjes leeggeplunderd. Nu scheppen slimme jongens poen met het verkopen van allerlei gadgets.


De Titanic en wij.

Een kort onderzoek op het Internet deed me duizelen van de Titanic-weetjes. Als Geloof en Leven zijn naam eer wil aandoen, kan het toch niet achterblijven. Je raadt het al: hier komt een ‘weetje met een boodschap’!

We zullen hier geen papier verspillen om te vertellen dat het bootje bijna 300 m lang was en meer dan 30 m hoog. En dat er ongeveer 2227 opvarenden waren voor de enige reis.

Maar wel hoe het komt dat 705 mensen de ramp in de nacht van 14 op 15 april overleefden.


Op het moment van de ramp hoorden een drietal schepen in een straal van 100 km de noodsignalen.

Het eerste was de "Sampson" op zo'n 10 km. Ze zagen de witte rookpluimen ten teken van gevaar, maar omdat de bemanning illegale zeehonden had gejaagd en niet gepakt wilde worden, maakte men rechtsomkeer en haastte zich weg van de Titanic.


Het volgende schip was de "Californiër". Dat schip was slechts op 20 km afstand van de Titanic, maar ze waren omringd door ijsschotsen. De kapitein zag de witte rooksignalen, maar omwille van de ongunstige omstandigheden en omdat het donker werd, besloot hij weer te gaan slapen en te wachten tot de morgen. De bemanning probeerde zichzelf ervan te overtuigen dat er niets aan de hand was.


Het laatste schip was de "Karpaat". Dit schip was eigenlijk 90 km verder zuidwaarts van de Titanic aan het wegvaren toen ze de noodsignalen over de radio hoorden. De kapitein van dit schip bad tot God en vroeg Hem wat te doen.

Hij wist dat hij moest helpen en liet het schip rechtsomkeer maken.  Het stoomde dwars door de ijsvelden aan een bangelijke snelheid van 17 ½ knopen terwijl het eigenlijk maar 14 ½ knopen aankon. Dit schip redde de 705 overlevenden van de ramp. Toen de kapitein 's morgens omkeek naar de ijsvelden waar ze door gevaren waren, zei hij dat Gods hand dit schip moet hebben beschermd!


En wat is nu de betekenis van deze "parabel"?

De Titanic gelijkt op de grote kerk die in moeilijkheden is en hulpsignalen uitzendt. JEZUS heeft aan de apostelen de opdracht gegeven het goede nieuws van Gods reddende barmhartige nabijheid overal bekend te maken. Wie komt die taak van de kerk verder zetten?

De "Sampson", het eerste schip, zijn wij en mensen zoals wij wanneer we zo druk bezig zijn met het kijken naar onszelf, naar de zonden in ons leven en onze beperktheid, zodat we niet (wensen te) zien waar anderen in nood zijn.

De "Californiër" stelt dezen van ons voor die zeggen dat ze op dit ogenblik niets kunnen doen. De gunstige omstandigheden zijn er niet en dus wachten we tot de perfecte omstandigheden er zijn alvorens uit te rukken.

De "Karpaat" tenslotte beeldt diegenen van ons uit die tot God bidden om leiding. En dan zonder aarzeling gaan. Los door de ijsschotsen heen.  Met onvermoede kracht. In de kracht van de Heilige Geest.


EINDE VAN DIT ARTIKEL

   TERUG NAAR INHOUD     NAAR TOP VAN DIT NUMMER    



GERARDUS

TOCH BROEDER-REDEMPTORIST (4)

Gabriël Dewilde CSsR

Nu zijn strenge maar geliefde bisschop Albini onverwacht overleden was (30 juni 1744) ging Gerardus weer inwonen bij zijn moeder Benedetta.  Ze was blij dat hij zijn brood kon verdienen als zelfstandig kleermaker.  Maar tijdens zijn naaiwerk dacht hij met weemoed terug aan het bisschoppelijk paleis met zijn stilte om rustig te kunnen bidden en met een dienst van stipte veeleisende gehoorzaamheid; vooral was hij daar heel dicht bij zijn Vriend, JEZUS, in de huiskapel.  Ja, onze jonge kleermaker droomde van het kloosterleven…

Hij was al eens gaan aankloppen bij zijn oom langs moederskant, Pater Bonaventura, Capucijn in het klooster van San Menna, een tiental kilometer van Muro.  Maar die zei klaar en niet mis te verstaan dat er geen sprake kon zijn om pater of broeder Capucijn te worden: “Zo zwak van gezondheid, zo mager; ja, wees toch voorzichtig, je wordt nog kandidaat voor tuberculose in plaats van novice in ons klooster.”  Harde, radicale taal, maar Gerardus zou niet opgeven.

In augustus 1748 – Gerardus was toen 22 geworden – kwamen pater Francesco Garzilli en broeder Onofrio naar Muro om geld in te zamelen voor de bouw van een nieuw klooster in Caposele.  Gerardus zag hier een nieuwe kans; hij ging nadere inlichtingen vragen bij broeder Onofrio.  Deze vertelde hem over Alfonso de Liguori, een advocaat uit Napels die priester werd en in 1732 een nieuwe Congregatie had gesticht, de redemptoristen.  De paters (de priesters van deze congregatie) gingen preken en de broeders zorgden voor de goede gang van zaken in het klooster; nu en dan gingen ze ook mee op missie om te zorgen voor het onderhoud van de paters en om catechese te geven.  “Dat is mijn droom”, dacht Gerardus.  Maar ook broeder Onofrio zag daar geen toekomst in: “Jongeman, onze congregatie is niets voor jou: een streng en sober leven; en daarbij slapen we op stro!”  “Dat is juist wat ik zoek, een streng en sober leven!”.  Maar daar het bleef het bij.


Op Beloken Pasen van het daarop volgend jaar (1749) kwamen enkele paters Liguorini of redemptoristen de grote missie preken in de drie parochies van Muro.  Tijdens de drie weken dat de missie duurde – van 13 april tot begin mei – ging Gerardus te pas en ten onpas de paters opzoeken in het huis waar ze verbleven, om er te helpen waar hij kon, maar vooral om pater Paolo Cafaro te komen spreken over zijn toekomstdromen.  Maar ook deze raadde hem telkens opnieuw aan om definitief van zijn plan af te zien.

Moeder benedetta was intussen eveneens pater Cafaro komen spreken over haar Gerardo.  De pater stelde haar gerust: “Geen sprake van dat hij broeder zou worden in ons klooster.  Maar als ik je een goede raad mag geven: je zal hem thuis moeten opsluiten als het erop aan komt.”

Gevolg: de dag dat de paters plechtig afscheid namen van Muro, moest de arme Gerardus ’s morgens vroeg al vaststellen dat hij opgesloten zat op zijn eigen kamertje.  Geen nood echter.  Van zijn beddelakens maakte hij een soort touw, bond het vast aan het vensterraam en liet zich ongemerkt naar beneden glijden.

De paters waren al een eind weg naar Rionero waar ze de volgende missie zouden preken, toen hij hen hijgend inhaalde.  De paters waren namelijk te paard, zoals voorgeschreven of toegelaten door de eerste Regel, die nog maar pas twee maanden tevoren was goedgekeurd door paus Benedictus de veertiende (25 februari 1749): “De paters zullen op missie gaan … zoveel mogelijk steeds te voet of hoogstens te paard (al più a cavallo)”.

Pater Cafaro slaagde er dit keer niet in hem kwijt te geraken.  Ook in Rionero bleef Gerardus in het huis en de omgeving van de paters.  Tot de pater, tenslotte onder de indruk van zijn standvastig aandringen, zich ernstig de vraag stelde of die vast besliste roeping toch niet van de HEER zelf zou komen.  Hij gaf hem een briefje mee voor de overste van de redemptoristen in Iliceto: “Ik stuur u een nieuwe broeder.  Met zijn zwakke gezondheid en vaak afwezig met zijn gedachten (fuori di sé) zal hij niet veel dienst kunnen bewijzen – kortweg nutteloos – (inutile).”

Onze visionaire pater Jozef Boon besluit: “Te Muro in het huisje van de kleermaker Majella zat Benedetta te wenen voor het verlichte Madonnabeeld, en las – en herlas- het briefje dat haar hartslieve Gerardo, haar enige zoon, op de tafel van zijn kamer had achtergelaten: “Ik ga heen om een heilige te worden.  Zoek me niet meer op.”  Dat eerste briefje was het antwoord van Gerardus op de dringende uitnodiging van zijn grote Vriend, JEZUS.”


EINDE VAN DIT ARTIKEL

   TERUG NAAR INHOUD     NAAR TOP VAN DIT NUMMER    


BEZINNING IN DE SYNAGOGE VAN NAZARET


Als in de Schrift de synagoge van Nazaret ter sprake komt, zie ik in gedachte deze in het Bijbels Openluchtmuseum te Nijmegen.  Een ideale bestemming voor een gezinsuitstap.  Ik ben in die repliek van een joodse synogoge ooit diep getroffen geweest.  Ik zag als het ware JEZUS op dat spreekgestoelte, ik zag de plaats, als een soort tabernakeltje waar de bijbelrollen bewaard werden, ik zag de plaats waar de mannen zaten en hoe de vrouwen achteraan ook hun plaats kregen.  Ik ging zitten en keek op naar het spreekgestoelte, waar JEZUS zou gaan spreken.  “Aller ogen waren gespannen op Hem gevestigd”, schrijft Lukas.


In het evangelie van Markus wordt alles wat eenvoudiger verhaald, zonder veel woorden, eigenlijk wordt niets vermeld van wat JEZUS verkondigde in dat gebedshuis van Nazaret maar wel zien we de reacties van de aanwezigen.  Lees maar even:


“Hij ging vandaar weg om zich naar zijn vaderstad te begeven en zijn leerlingen gingen met Hem mee. Toen het sabbat was, begon Hij te onderrichten in de synagoge. De talrijke toehoorders vroegen verbaasd: 'Waar heeft Hij dat vandaan? En wat is dat voor een wijsheid die Hem geschonken is? En wat zijn dat voor wonderen, die zijn handen verrichten? Is dat niet de timmerman, de zoon van Maria en de broeder van Jakobus en Jozef en Judas en Simon? En wonen zijn zusters niet hier bij ons? ' En zij namen aanstoot aan Hem. Maar JEZUS sprak tot hen: 'Een profeet wordt overal geëerd behalve in zijn eigen stad, bij zijn verwanten en in zijn eigen kring.' Hij kon daar geen enkel wonder doen, behalve dat Hij een klein aantal zieken genas die Hij de handen oplegde. Hij stond verwonderd over hun ongeloof. JEZUS ging rond door de dorpen in de omtrek, waar Hij onderricht gaf” (Mk.6,1-6).


Markus zegt kort en scherp waarover het gaat: nl. dat JEZUS niet in geloof aanvaard wordt.  Wij moeten daar iets uit leren.  Als wij ons hart niet openen voor de HEER kan Hij ook in en door ons weinig verrichten zoals Hij daar in Nazareth geen wonderen kon doen.  “Hij stond verwonderd over hun ongeloof”.  Zo staat de HEER niet begrijpend met zijn hoofd te schudden wanneer wij na een samenkomst met andere christenen, een bezinnings- of gebedsavond of een Eucharistieviering,  gewoon naar huis gaan en ons hart verder voor Hem gesloten houden.  Er gebeurt niets omdat we geen kleine stappen zetten waaraan Hij zou kunnen zien dat Hij welkom is met zijn Woord van Leven.


 EINDE VAN DIT ARTIKEL

   TERUG NAAR INHOUD     NAAR TOP VAN DIT NUMMER    



GEZINSDAG

HET GEZIN : REGENBOOG VAN LIEFDE !

Mgr. Paul Schruers, de bisschop van Hasselt

Op 1 maart 1998 was het de zoveelste gezinsdag die door de Maria-Kefasgemeenschap werd georganiseerd.  Zo’n 110 gezinnen waren er op afgekomen en we waren blij Mgr. Paul Schruers, de bisschop van Hasselt te mogen verwelkomen als spreker.  Hijzelf had als thema gekozen: Het Gezin: een regenboog van liefde.


In de gezongen lauden (het liturgisch morgengebed) kwam JEZUS’ woord naar voor: “Bemint elkaar zoals Ik u heb bemind”.  Mgr. Schruers ging daar onmiddellijk op in.  Als we dat woord van JEZUS tot ons nemen, leggen we het zwaartepunt van ons leven al direct buiten onszelf.  “Bemin!  Bemint elkaar”: dit houdt in dat elk mens die je ontmoet je tot vreugde is.  

“Zoals Ik u heb liefgehad”: Alleen JEZUS kan ons ten volle openen voor de liefde.  Zo zullen man en vrouw elkaar liefhebben vanuit het sacrament van het huwelijk, nl. zoals JEZUS de kerk heeft liefgehad en Zich voor haar helemaal heeft gegeven.


In zijn eigenlijk onderricht gaf de bisschop rijke inzichten, telkens aan de hand van een van de kleuren van de regenboog.

ROOD: geld en arbeid.  Een gezonde relatie tegenover geld en arbeid.  Inschakeling van voldoende ontspanning.  Hoe leren we onszelf en de kinderen te delen in een door de media zo klein geworden wereld?  Hoe beleven we iets van de christelijke soberheid, bv. op vrijdag?

ORANJE:

vriendschap en het samenzijn.  Maken we echt tijd voor dialoog en vriendschap?  Hoe leren we met elkaar spreken in het gezin?  We moeten leren zoeken welke momenten meest geschikt zijn, ook voor een gesprek over diepere dingen.

GEEL: spiritualiteit.  Ook hier gaf de bischop enige treffende tips.  Tussen 0 en 6 jaar gebeurt er veel in het hart van een kind, ook op het vlak van zijn relatie met de levende GOD.  Ook als het later moeilijk wordt om samen over geloof te spreken, mogen we toch wel van elkaar weten dat we met diepere dingen bezig zijn.  Er mag iets van gelovige symboliek, of een gebedenboek of bijbel aanwezig zijn in onze woonkamer.  Mgr. gaf de tip om, in het kader van een soort gezinsliturgie er volgend jaar (1999), iets van een kleine verzoeningsviering te beleven op zaterdagavond; het is dan het jaar van de barmhartigheid.  Nog zoiets voor een huwelijksverjaardag bv. : wat naar de video-opname kijken van die dag, even wat bidden en dan een gezellig maal…  We mogen ook op dat vlak creatief zijn.

GROEN: vreugde, plezier maken, elkaars zorgen en ziekten dragen en er rond samenzijn.  Samen op uitstap gaan of op vakantie.  We moeten geen te serieus gezin zijn dat zich niets wil gunnen.

BLAUW: ons huis!  Ons huis netjes houden, maar dan weer niet zo kraaknet dat men er zich niet thuis mag voelen of men als vreemde zich bijna verlegen voelt van met zijn schoenen aan binnen te komen.  Je mag ook zien dat het een christelijk huis is: een kruisbeeld, een H. Hartbeeld, een ikoon, ergens een Lourdeskaartje...  De muren spreken.  Ook de gemeenschappelijke plaat-sen mogen iets uitstralen van de cul-tuur en van de wederzijdse liefde al moet er ook ruimte zijn voor jongeren die hun weg nog moeten maken.

PAARS: de wijs-heid!  De bijbelse wijsheid, wijsheid van de grootouders én van de kleine kinderen.  Ook aan tafel kan er soms heel wat – ook christelijke- wijsheid gedeeld worden, rond allerlei onderwerpen die naar voor komen.  Ook wat oog hebben voor alles wat er zo rondslingert in huis aan weekbladen enz…, de wijsheid van de wereld.   Laat dat alles niet in tegenspraak zijn met de christelijke wijsheid, de bron van het ware geluk.

INDIGO: communicatie.  Het gezin is wel een oase, maar geen eiland.  Er mag heel wat binnenkomen, ook langs de telefoon.  Oog hebben voor vrienden en kennissen en voor de eenzaamheid die soms sluimert in onze wijk.  Daar moet als antwoord dienstbaarheid op komen.  Bv. tegenover oudere mensen, een babbeltje met een eenzame; een missionaris uitnodigen, iemand met zorgen eens uitnodigen aan tafel…


Al deze kleuren mogen samenkomen, in harmonie, in evenwicht.  Vol vertrouwen ook dat, wat nu niet mogelijk is, misschien later wel stilaan boven water komt bij sommige jonge mensen.  We leven immers in een complexe wereld waarin we veel zaken niet meer zelf in handen hebben, ook niet in het gezin.


EINDE VAN DIT ARTIKEL

   TERUG NAAR INHOUD     NAAR TOP VAN DIT NUMMER    




KLEINE HANS  OF : « HEEFT VERSTERVING NOG ZIN ? »


Als je dit leest is de christelijke Vastentijd al lang achter de rug.  Toch wil ik even de waarde onderlijnen van “zich iets kunnen ontzeggen”.  Het klinkt niet modern.  Eigenwijze pastors lachen er wel eens mee, met als motief dat er veel andere motieven zijn om de Veertigdagentijd op te baseren.  Er zijn echter van die diepgewortelde menselijke gegevenheden waaraan wat modern getheoretiseer niet veel verandert.  Door ons even wat achter onze tekstverwerker te zetten gaan we niet even de wijsheid van eeuwen onder tafel vegen.   Nieuwe inzichten moeten het waardevolle uit het verleden ook weten te waarderen.


In deze tijd (eigenlijk al heel wat jaren) ontmoet je mensen die van Medjugorye terugkeren en die het zich stilaan tot een gewoonte maken om elke woensdag en vrijdag te vasten op water en brood.  Nee toch?  Jawel!  Meer en meer kom je zulke mensen tegen.  Je kan nog even proberen om jezelf wijs te maken dat ze dat doen om zich een psychologische basis te scheppen voor hun ouderwetse ideeën.  Maar zoiets is al te goedkoop.  Hiermee zeg ik niet dat we automatisch akkoord moeten gaan met alles wat die mensen dan vertellen of met alle devoties die ze vanuit Medjugorye importeren en zeker niet met alle theorieën die hun overdevote reisleiders hun onderweg aansmeren.  Maar de diepmenselijke en ook christelijke waarde van “zich eens wat kunnen ontzeggen” is niet aan te vechten en is volop actueel.


Aan al wat menselijk is zit ook een dubbelzinnige kant.  Je kan eenzelfde daad vullen met verkeerde motieven.  Je kan gaan vasten en versterving doen omdat je schrik hebt van GOD, om jezelf belangrijk en een goed christen te voelen, om iets af te dwingen van God…  Maar je kan het ook gewoon doen om jezelf wat los te weken van al te directe bevrediging van je verlangens en om soepeler te kunnen ingaan op uitnodigingen vanwege GOD.  Dat zijn dus heel verschillende motieven.  Deze laatste motieven evenwel zijn nog steeds goed dienstbaar voor Gods Rijk in en rondom ons.


Een klein voorbeeld van een op zich klein feitje dat mogelijks heel vergaande invloed had.  In “Echo der Liefde” van “Kerk in Nood/Oostpriesterhulp vertelt pater Werenfried van Straaten (de “Spekpater”) over een kleine jongen, Hans, uit Paderborn.  Toen pater Werenfried daar in de jaren vijftig als bedelpredikant door Duitsland trok had die kleine jongen , na een korte aarzeling, heel zijn (magere) spaarpot in de “miljoenenhoed” geledigd.  Tientallen jaren later loopt de “Spekpater” die kleine Hans weer tegen het lijf.  Hij ontmoette hem namelijk als pater Franciscaan in Brazilië, als een vader van veel verloren zonen en redder van aan drugs verslaafde jonge mensen. In acht grote hoeven wonen jongens en meisjes gescheiden in groepen van tien tot twaalf bijeen.  Seks, nicotine, alcohol en drugs zijn er ten strengste verboden.  In landbouwbedrijven en fabriekjes die pater Hans oprichtte voorzien die jongeren nu zelf in hun levensonderhoud en zorgen ze voor de lopende kosten van heel dit project.  Tachtig procent van deze jongeren geraakt er weer bovenop.  Een prachtig resultaat.  Naast afgekickte drugverslaafden werken ook andere priesters en twee religieuze congregaties mee aan het project.  Jonge seminaristen doen hun pastoraal jaar in deze “Fazenda da Esperança”.  Ik heb zo’n idee dat o.m. die daad van zelfvergeten liefde van de kleine Hans, de grote inzet van pater Hans heeft voortgebracht.


Ik schrijf dit omdat ik in andere gevallen gezien heb hoe een kleine daad van edelmoedigheid, van “zich iets ontzeggen”, een kleine daad van trouw aan een leven een richting kan geven.  Ook en vooral in het leven van kinderen en jonge mensen kan een kleine daad van radicale edelmoedigheid of om zich iets te ontzeggen hun leven op een spoor zetten dat hun leven nieuwe en blijvende waarde geeft.


EINDE VAN DIT ARTIKEL

   TERUG NAAR INHOUD     NAAR TOP VAN DIT NUMMER    




ROEPT GOD NOG MENSEN VANDAAG ?

“Hij zei tot hen:

Wat staat ge heel de dag werkloos?

Ze antwoordden hem:

Niemand heeft ons gehuurd.

Daarop zei hij tot hen:

Gaat ook gij naar mijn wijngaard. ” (Mt.20,6b-7)



Van 5 tot 10 mei 1997 ging in Rome het Europese Congres door over de roepingen tot het priesterschap en het Godgewijde leven in Europa.  “De hoop is het geheim van het christelijk leven en de absoluut noodzakelijke adem op het gelaat van de zending van de kerk en in het bijzonder van de roepingenpastoraal”, schrijft men in het Slotdocument, “wij moeten die dus weer doen ontluiken bij de priesters, de opvoeders, de christelijke gezinnen, de religieuze families, in de seculiere instituten en tenslotte bij al diegenen die het leven moeten dienen aan de zijde van de komende generaties” .


Kinderen, tieners en jongeren…

“Sterk door deze hoop, richten wij ons tot u, kinderen, tieners en jongeren, vooral omdat gij bij de keuze van uw toekomst het plan onthaalt dat God omtrent u heeft: ge zult maar gelukkig zijn en u tenvolle kunnen realiseren als ge bereid zijt de droom van de Schepper over zijn schepsel te realiseren.  Wat zouden we graag hebben dat dit document een brief zou zijn, geadresseerd aan ieder van u, waar je in zou kunnen aanvoelen, met de hulp van uw opvoeders, de liefdevolle aandacht van uw Moeder de Kerk voor elk van haar kinderen, die heel aparte aandacht die een moeder voor de jongsten van haar kinderen ten toon spreidt.  Een brief waarin ge uw problemen zoudt herkennen, de vragen die in uw jong hart leven en de antwoorden die komen van Hem, die de eeuwig jonge vriend is van uw zielen, de Enige die u de waarheid kan aanbrengen.  Weet, dierbare jongeren, de Kerk volgt bezorgd uw stappen en uw keuzen.  Hoe mooi zou het zijn als deze brief in u een antwoord zou opwekken, voor een voortgezette dialoog met hen die u begeleiden…”


Ouders en opvoeders…

“Rijk door dezelfde hoop, richten wij ons tot u, ouders, die geroepen zijt door God om mee te werken aan zijn wil om leven te geven, en tot u, opvoeders, leerkrachten, catechisten en animatoren, geroepen door God om mee te werken op verschillende manieren aan zijn plan om (jonge mensen) voor te bereiden op het leven.  We zouden jullie willen zeggen hoezeer de Kerk uw roeping waardeert en hoezeer zij erop rekent om de roeping van uw kinderen aan te moedigen door een ware roepingencultuur.

U, ouders, bent ook de eerste natuurlijke opvoeders op het vlak van roeping, terwijl u, de opvoeders, niet enkel de onderrichters zijt die inleiden tot existentiële keuzen: u bent geroepen om het leven bij de jonge existenties die u op de toekomst opent.  Uw trouw aan de oproep van God is een kostbare en onvervangbare bemiddeling opdat uw kinderen en uw leerlingen hun persoonlijke roeping zouden kunnen ontdekken, opdat “zij het leven zouden hebben en het in overvloed zouden hebben” (Jo 10,10)”.


EINDE VAN DIT ARTIKEL

   TERUG NAAR INHOUD     NAAR TOP VAN DIT NUMMER    


OOK JIJ BENT GEROEPEN OM HEILIG TE ZIJN

Aan heel het volk van GOD in Europa

Slotdocument Europese Congres over de roepingen (vervolg)

Tenslotte zouden we de “Samaritanen van de hoop” willen zijn voor deze broers en zussen waarmee wij de vermoeidheid van de weg delen.  Wij zouden aan het geheel van het volk van GOD, pelgrim op deze oude en gezegende grond, in de kerken van Oost en West, dezelfde boodschap van hoop.  Eertijds vertrok de verkondiging van de Blijde Boodschap van hieruit, dankzij de moed van talrijke evangelisators die hun getuigenis betaalden met hun bloed.  Wij willen het geloven dat de Geest van de Vader vandaag nog steeds roept.

Hij zendt over de wegen van de wereld de zonden van deze adelmoedige grond met christelijke wortels die nochtans nood heeft aan een nieuwe evangelisatie en nieuwe evangelisators.  Zo bieden ook wij ons aan de HEER aan, zoals de apostelen van weleer, in het bewustzijn van onze armoede en van de noden van deze (Europese) Kerk: “Meester, wij hebben heel de nacht gezwoegd zonder iets te vangen” (Lk 5,5).  Maar wij willen vooral “op zijn woord” geloven en hopen dat de Heer, vandaag zoals toen, dankzij een wonderbare visvangst, de boten van zijn apostelen kan vullen en elke gelovige kan veranderen in een visser van mensen.”

"Het is voortaan tijd dat deze oproep (universele roeping tot heiligheid) zijn kracht hervindt en tot elke gelovige zou doordringen, opdat ieder in staat zou zijn 'met alle heiligen te begrijpen wat de breedte, de lengte, de hoogte en de diepte is' (Ef.3,18).  Het is voortaan tijd dat deze oproep nieuwe vormen van heiligheid verwekt, want Europa heeft vooral nood aan die bijzondere heiligheid, die het huidige  ogenblik vereist, heel origineel dus en in zekere zin zonder voorafgaande.

Er zijn bekwame personen nodig die bruggen kunnen leggen om steeds meer de kerken en volkeren van Europa te verenigen en om de zielen te verzoenen.  


Er zijn 'vaders' en 'moeders' nodig die open staan voor het leven en voor de gave van het leven;

echtgenoten en echtgenotes die de schoonheid van de menselijke liefde, door GOD gezegend, vieren en ervan getuigen;  

personen die bekwaam zijn tot dialoog en culturele naastenliefde om de chris-telijke boodschap door te geven doorheen de talen van onze maatschappij;

professionelen en eenvoudige personen, bekwaam om in het burgerlijke levensengagement en in de arbeids- en vriendschapsverhoudingen de door-zichtigheid van de waarheid en de intensiteit van de christelijke naastenliefde in te prenten ;

vrouwen die in het christelijke geloof de mogelijkheid herontdekken om voluit hun vrouwelijk genie te beleven;

priesters met een groot hart, zoals dat van de Goede Herder;

permanente diakens die het Woord verkondigen en de vrijheid van de dienst aan de armsten;

godgewijde apostelen, bekwaam om zich met een contemplatief hart onder te dompelen in de wereld en de geschiedenis en mystici die zo vertrouwd zijn met het Godsmysterie dat ze de ervaring van het goddelijke weten te vieren en de aanwe-zigheid van GOD weten aan te duiden in volle actie.

Europa heeft nood aan nieuwe belijders van het geloof en van de schoonheid van het geloven,

getuigen die geloofwaardige gelovigen moeten zijn, moedig tot het martelaarschap,

ongehuwden (omwille van het Rijk Gods) die dit niet enkel zijn voor zichzelf, maar die aan allen deze maagdelijkheid weten aan te wijzen die in het hart van ieder is en die onmiddellijk verwijst naar de Eeuwige, bron van alle liefde.

Onze aarde heeft niet enkel nood aan heiligen, maar aan heilige gemeenschappen, die de Kerk en de wereld zozeer liefhebben dat ze aan de Kerk een vrije, open, dynamische Kerk weten te tonen, een Kerk, die aanwezig is in de hedendaagse geschiedenis van Europa, nabij aan het lijden van de mensen, onthalend tegenover allen, speerpunt van gerechtigheid, vol aandacht voor de armen, zich niet bekommerend om haar numerieke minderheid noch om de beperkte invloed van aan haar acties, niet afgeschrikt door het klimaat van sociale dechristianisatie (die reëel is maar ongetwijfeld niet zo radicaal en algemeen) noch door het gemis (soms enkel in schijn) aan resultaten.


Zo zal de nieuwe heiligheid zijn die in staat zal zijn om Europa te herevangeliseren en het nieuwe Europa op te bouwen!



EINDE VAN DIT ARTIKEL

EINDE VAN DIT NUMMER  1998_2   

   TERUG NAAR INHOUD     NAAR TOP VAN DIT NUMMER