GELOOF en LEVEN vzw



  
HOME

INHOUD

GELOOF EN LEVEN  JAARGANG 116 (2012) nr. 1

     NAAR INHOUDSOVERZICHT         

Voorpagina       I  

Editoriaal     red.  II  

Et Verbum caro factum est : Kerstverkondiging  Martyrologium van de katholieke kerk  1  

Lof zij Hem  H. Efrem  3  

Uren in de kou God wacht op jou     Bezinning   bvv  5  

Dossier: Lijkwade v. Turijn (2)   Naar allerlei gegevens  7  

Foto van Maria Goretti?  FMG & Famiglia Cristiana  16  

Wat moeten wij geloven?   Citaat Kard. Garrone  18  

Wij aanbidden U, Christus   Mindere Broeders  19  

Een dipje   Sister Depri  19  

De wereld heiligen Christelijke zending           Maritain Jacques  21  

Onderscheiding (2)   Nr F. Vanden Eynde s.j.  22  

Lofgebed  Koeiengeloei en hanengekraai  bvv  29  

Lekker snel   M.F.  32  

Smulpapen   Naar Alphonse Daudet  33  

R.I.P. (p. J. Roosen cssr / Gerda De Bruycker)     36  

Boekennieuws (De Wit, / Cantalamessa)     37  

De mantel van sint Maarten (Slot)   Ben Debeer  39  

Ons volgend verhaal          40  

Iconencursus voor beginners     40  

Lachedingen      III  

Inhoudstafel      IV  

       INHOUDSOVERZICHT           NAAR TOP     

 ET VERBUM CARO FACTUM EST   

Kerstverkondiging

  

Dit wandtapijt hing een tijdlang in het Redemptoristenklooster in de Voskenslaan te Gent tot 2010

De Kerk is geen in de lucht hangende “religieuze idee”, zij heeft een begin, schreef Ida Friederike Görres. Overduidelijk wil de Kerk dat ook gezegd hebben wanneer ze in haar Martyrologium op de dag vóór Kerstmis, in wat eenvoudige woorden en al te simpele jaartellingen maar met grote plechtigheid en zekerheid, de historiciteit verkondigt van het mysterie van de menswording en de geboorte van Onze Heer en Heiland, Jezus Christus, die de kerk als zijn gemeenschap en als kern van het Godsrijk heeft gewild. Het Woord is vlees geworden en heeft tussen ons zijn tent opgeslagen.

We hebben hier niet de tekst van het martyrologium genomen zoals I.F.Görres hem weergeeft in haar boek ‘De zichtbare Kerk’, maar zoals het gezongen wordt door de monniken van Lérins tijdens de Kerstwake (Vigilie van Kersmis):

  

* Vele eeuwen na de schepping van de wereld,

 toen God in het begin hemel en aarde heeft geschapen ...

* Nog vele eeuwen na de ongehoorzaamheid van de eerste mens,  toen God hem het heil aankondigde ...

 en na de zuivering van de aarde door de wateren

 van de zondvloed …

* 2000 jaar na de oproep van God tot Abraham

 en diens vertrek in geloof, niet wetend waarheen hij ging,

 op weg naar het land van de Belofte …

* 1500 jaar na de openbaring van de Naam (JHWH) aan Mozes

 in het vuur van de brandende braamstruik …

* Na de verlossing van het volk, ontrukt aan de slavernij van Egypte,

 zijn bevrijding doorheen de wateren van de Rode zee

 en zijn lange zwerftocht in de woestijn

 in de kracht van het Verbond ...

* 1000 jaar na de zalving van Koning David,

 en de belofte van de Messias ...

* 752 jaar  na de stichting van Rome …

* 587 jaar na de val van Jeruzalem en de deportatie van het volk

 naar Babylon

 tot zuivering van de harten door de ballingschap

 en door het woord van de profeten …

* 500 jaar na de terugkeer van de Kleine Rest

 en de heropbouw van de tempel van Jeruzalem …

* 150 jaar na het lijden van de martelaren van Israël

 onder de Griekse overheersing,

 toen de ‘Armen van Jahwe’ vol Verwachting waren,

 in deze dagen die de laatste zijn,

 toen de eeuwen van het geduld van God voldragen waren

 en de volheid van de tijd was aangebroken …

* Toen Octavianus Caesar Augustus keizer was te Rome,

 Herodes, koning van Juda,

 onder het hogepriesterschap van Annas,  

en heel het heelal erbij betrokken werd

 ten tijde van de grote volkstelling …

IS JEZUS CHRISTUS MENS GEWORDEN !

Eeuwige God en  Zoon van de eeuwige Vader,

Hij wilde de wereld heiligen door zijn barmhartige komst.

Ontvangen door de kracht van de heilige Geest

wordt Hij geboren uit de Maagd Maria

te Bethlehem in Judea de stad van David.

Heden is het  de geboorte

van onze Heer, Jezus Christus, volgens het vlees.

Kom, laten wij neerknielen in aanbidding.

Christus is voor ons geboren, alleluja,

Kom, laat ons Hem aanbidden.

  

EINDE VAN DIT ARTIKEL

       INHOUDSOVERZICHT           NAAR TOP     

  


LOF ZIJ HEM

Heilige diaken Efrem de Syriër.

Leerdicht over de Geboorte 3,3-4. Vert. Kees den Biesen

  

De heilige Diaken Efrem bezingt in deze lofzang God, de Vader,

die zijn Zoon schenkt opdat wij het echte leven van kinderen Gods

weer ten volle zouden kunnen leven:

  

Lof zij Hem

die tot ons kwam in zijn Eerstgeborene.

Lof zij de Zwijgende

die sprak door zijn Stem.

Lof zij de Geestelijke

die wilde dat zijn Geborene lichaam werd,

opdat in Hem zijn Macht tastbaar wordt

en door zijn lichaam onze menselijke lichamen zouden leven.

  

  

Lof zij de Verborgene,

wiens Geborene zichtbaar werd.

Lof zij de Allerhoogste,

wiens Zoon neerdaalde en klein werd.

Lof zij de Macht

die een gestalte vormde voor haar Majesteit

en een beeld voor haar Mysterie.

Met het oog en met het verstand zagen wij Hem,

met allebei.

H. Efrem, diaken

   

EINDE VAN DIT ARTIKEL

       INHOUDSOVERZICHT           NAAR TOP     

  



UREN IN DE KOU

God wacht op jou

  

Maria, Maria, ik hou van jou,

ik zit hier al u-ren in de kou


Een smartlap

Die ‘Maria’ was niet Maria, de Moeder Gods, maar de (waarschijnlijk ingebeelde) geliefde van de smartlapzanger waarmee mijn klokradio mij wakker zong deze morgen. Mijn dag was meteen goed, want zo’n Romeogeleuter tovert wel een glimlach om je lippen; ze kunnen er nogal wat van maken die smartlapdichters!  “Ik zit hier al uren in de kou”. Ja, hij had zijn warme jas maar moeten aandoen, denk je dan, maar ja, hij wilde er waarschijnlijk weer zo sportief mogelijk uitzien voor zijn geliefde… Ik dacht meteen aan nog een andere verliefde die wat indruk wou maken op zijn teergeliefde en hun vriendengroepje en die op het terrasje van een restaurant aan de ober van dienst met een breed gebaar bestelde “Voor iedereen nen ambulance.” Iedereen kreeg natuurlijk de slappe lach bij zo’n omgebouwde ‘dame blanche’.

Maar even terug naar die “uren in de kou”. Als je verliefd bent doe je soms rare dingen. En hoeveel verliefden zouden niet ‘weer en wind’ getrotseerd hebben en uren hebben uitgekeken naar de afspraak met hun jongen of meisje. En telkens maar weer op het uurwerk gekeken. Is hij/zij er nog niet? Hij/Zij zal het toch niet vergeten zijn? Hij laat me toch niet zitten zeker?


Iemand wacht op jou !

Je zal er wel niet van opkijken als ik je zeg dat er op dit eigenste moment iemand op zijn uurwerk zit te kijken en zich af te vragen: “Komt ze nog, komt hij nog?” Die iemand, ja, neem me niet kwalijk, dat is God. Die zit op jou te wachten! J  Je kan je misschien wijsmaken dat God zonder jou ook wel verder kan en dat je dus met Hem niet veel rekening hoeft te houden. Maar Hij kan niet verder zonder jou. L Omdat Hij dat zelf zo gewild heeft! Hij heeft jou gemaakt om met Hem in contact te zijn.

Met liefde heeft Hij jou gewild. Je bent zijn kind. En Hij volgt jou met liefdevolle aandacht. En Hij wil er alles aan doen om jou gelukkig te maken. J Maar dat kan Hij maar echt goed, als jij bij Hem komt. Hij laat jou immers helemaal vrij. Je begrijpt dat Hij dan ook al uren, en misschien dagen en zelfs jaren zit te wachten tot Hij de kans krijgt om met jou in contact te komen. Eigenlijk kan jij geen dag verder zonder Hem. En toch maak je geen tijd om eens even stil te worden en met Hem te spreken, of gewoon bij Hem te zijn met je hart, jouw blij of neerslachtig gemoed… L

“Waarom besteedt gij geld aan wat geen brood is,

en uw loon aan iets wat niet verzadigt?” (Jesaja 55,2)


Luister je naar zijn lied?

Hoor Hem dan maar zijn liedje kwelen: “X, X, Ik hou van jou, ik zit hier al jaren in de kou… Ik krijg niet de kans om jou gelukkig te maken, om jou in de werkelijkheid te brengen, om jouw hart te verwarmen met Mijn Aanwezigheid, om jou te leiden, om jouw hart te openen voor mijn woord, voor mijn Geest…

“Luistert aandachtig naar Mij,

en gij zult eten wat goed is,

en uw honger stillen met uitgelezen spijs.

Neigt uw oor en komt naar Mij,

luistert en gij zult leven” (Uit het Oude Testament, Jesaja 55,2b-3)

Laat je Hem vandaag weer in de kou zitten? Ga je jouw leven verder vullen met drukdoen, met vulsel dat niet echt vult en dat niet de werkelijkheid is maar oogverblinding, of maar een stukje van de echte werkelijkheid? L  

Ga tot de Enige die jouw leven echt kan vervullen, gewoon omdat Hij jouw oorsprong en jouw bestemming is.

“Wie oren heeft, hore wat de Geest tot de kerken zegt:

Wie overwint, hem zal Ik geven van het verborgen manna;

en Ik zal hem een wit steentje geven

en daarop gegrift een nieuwe naam,

die niemand kent dan hij die hem ontvangt”. (Apocalyps 2,17 )

“Welaan, wees edelmoedig, kom tot inkeer!

Ik sta voor de deur en Ik klop.

Als iemand mijn stem hoort en de deur opent,

zal Ik bij hem binnenkomen

en maaltijd met hem houden en hij met Mij(. (Apocalyps 3,19b-20) J

Geef je Hem eindelijk antwoord?

   

EINDE VAN DIT ARTIKEL

       INHOUDSOVERZICHT           NAAR TOP     

  


DE LIJKWADE VAN TURIJN (2)

Bijeen gelezen door Ben Van Vossel

  

Na onze eerste aflevering over de Lijkwade van Turijn gaan we nu verder in op de bemerking die we op het einde maakten, namelijk dat het bestaan van de Lijkwade zelf en een deel gegevens die erop voorkomen, niet enkel verwijzen naar de eerste eeuw, maar zelfs in de richting van die ene Gekruisigde, gegeselde en met doornen gekroonde Messias, Jezus van Nazereth. Elk van die onderdelen hebben reeds hun waarde, maar als je ze samen neemt wordt het verhaal van de  Lijkwade helder en zelfs overduidelijk.

  

1 Een moderne Epifanie: de positieve afbeelding

In onze vorige aflevering hebben we reeds aangegeven hoe pas helemaal op het einde van de 19de eeuw (1898) men de positieve afbeelding van de figuur op het Lijkwade ontdekte dankzij … de fotografie. Bij de ontwikkeling van een foto van de lijkwade verscheen een positieve, een gewone afbeelding van een persoon. Met andere woorden: de Lijkwade bevatte een perfect negatief van de persoon die erop staat afgebeeld, maar dat negatieve gaf geen duidelijke weergave, zoals je op het negatief van een foto ook de personen niet kunt onderscheiden.  Toen Secondo Pia deze positieve afbeelding bemerkte op zijn negatieve print, was dat als een soort ‘epifanie’, een verschijning of openbaring van het ware gelaat van Christus, dat zoveel eeuwen verborgen was en enkel op iconen, schilderijen en beeldhouwwerken te zien was volgens de inbeelding en kunde van de kunstenaars. (voor wat de iconen betreft zullen we later nog moeten opmerken dat die wellicht geïnspireerd waren op de negatieve afbeelding op de lijkwade)

We mogen gerust zeggen dat het ondenkbaar is dat iemand, een schilder bijvoorbeeld, in de voorafgaande eeuwen (zeker niet in de Middeleeuwen) erin zou gelukt zijn om zo’n perfecte negatieve afdruk te maken van een dood lichaam met bovendien de positieve weergave van de bloedsporen; deze waren immers direct op het linnen afgedrukt. Positief en negatief was waarschijnlijk niet bekend in de kunst.

2 Wat verhaalt ons de afbeelding?

Emanuela Marinelli, professor in de natuurwetenschappen en de geologie, lid van het Romeinse Centrum voor “Sindonologie” en medewerker aan de officiële site van de katholieke Kerk over de Lijkwade, vestigt de aandacht op o.m. de overeenkomsten met wat Jezus overkomen is. Wij vermelden ze, samen met enige aanvullingen.

2.1 Een voorzet door Professor Marinelli

(1) Geseling

De geseling is te belangrijk om een “voorspel” te zijn op de kruisiging. De man van de lijkwade heeft zo’n 200 kleine verwondingen van de huid, de meeste twee aan twee. Het verwijst naar geselslagen met het Romeinse ‘flagrum’, een zweep met aan de uiteinden een of twee kleine haltervormige loodjes of dierenbeenderen. Bedoeling van dit soort gesel was zo vlug mogelijk de huid open te scheuren. Wellicht is dit niet vanaf de eerste slag het geval, maar toch mogen we aannemen dat, indien er twee beulen de zweepslagen gaven, beide minstens 25 slagen toedienden met telkens 4 kwetsuren.

Eigenlijk was op dat ogenblik de doodstraf nog niet uitgesproken, integendeel, Pilatus wilde (waarschijnlijk) Jezus vrijlaten en daarom een zodanig toegetakelde Messias voorleiden dat iedereen zou vinden dat die al voldoende was gestraft. Blijkbaar heeft hij zich misrekend, maar ondertussen was Jezus toch ernstig verwond.

(2) Een kroon van doornen

Sporen van een doornenkroon (misschien eerder een doornenhelm) komen in ieder geval overeen met het evangelieverhaal waar Jezus ervan beschuldigd werd “meer dan Caesar” te willen zijn en zich “Koning van de Joden” te noemen; die doornenkroon wordt trouwens expliciet vermeld in het evangelie. De afdruk van het gestolde bloed op de Lijkwade is grondig bestudeerd door de Nobelprijswinnaar voor geneeskunde, dokter Pierre Barbet, in begin van de jaren 1930. Zijn conclusies worden nog altijd bevestigd, bijvoorbeeld hoe het bloed zich een weg heeft gezocht uit de verwonde voorhoofdsader; vandaar dat soort verlengde cijfer 3 op het voorhoofd. Boie, die eerder aan een doornenkroon denkt dan aan een doornenhelm, telt een 60-tal zichtbare - en vermoedt nog een 30-tal op de Lijkwade niet zichtbare - wonden op het hoofd. Hij veronderstelt dat de (volgens hem dus) ‘doornenkroon’, enige malen verplaatst is geworden, nl. toen ze Jezus met de rietstok op zijn hoofd sloegen, Hem zijn klederen weer aantrokken en later nog eens op  de Kalvarie, toen ze zijn kleren weer uittrokken en de kroon (als ‘Koning der Joden’: Rex Iudaeorum – Basileus toon Ioudaioon) tot spot weer op zijn hoofd plaatsten (veel andere Sindonisten geloven niet dat Jezus ‘gekroond’ aan het kruis hing; er was geen plaats voor deze doornenhelm). In ieder geval wordt de lijkwade getypeerd door de bewijzen van een doornenkroon, iets wat toch juist kenmerkend was voor de lijdensweg van Jezus.

(3) Mishandeling

Verschillende wonden (meer bepaald neus, knieën), waarvan de sporen op de Lijkwade staan, komen overeen met slagen van de soldaten (“Op dit woord gaf een van de dienaars die naast Hem stond, Jezus een klap in het gezicht en voegde Hem toe: ‘Antwoordt Gij zo de hogepriester?’”) of het vallen op de Lijdensweg (Via Dolorosa) na het uitputtende morele en fysische lijden dat reeds was voorafgegaan aan de terechtstelling (dit laatste wordt evenwel niet expliciet verhaald in de evangelieverslagen).

(4) Kruisdraging

Het was niet de gewoonte bij de Romeinen, dat een tot kruisiging veroordeelde, het hele kruis te dragen kreeg, zoals op onze afbeeldingen van de kruisweg meestal wordt weergegeven. De rechtopstaande balk was reeds opgericht op de plaats van de terechtstelling en het ‘patibulum’, de dwarsbalk van het kruis, die de veroordeelde zelf moest dragen, werd dan ter plekke bovenop of in een uitkeping van de opstaande balk geplaatst. Welnu, ook de man van de lijkwade draagt op zijn schouders tekenen van kneuzingen die te wijten zijn aan het langdurig dragen van een gewicht van dit type (te vergelijken met de vroegere ‘biels’, de balken die onder rails van de spoorwegen lagen.

(5) In het polsgewricht vastgenageld

De ophanging aan het kruis gebeurde door de Romeinse soldaten meestal met nagels in plaats van koorden. Vorm en grootte van de nagels, zoals de Lijkwade laat vermoeden, komen overeen met nagels die in Rome bewaard worden in de basiliek van het ‘Heilig Kruis van Jeruzalem’ waar relieken van het Lijden bewaard worden, overgebracht door de moeder van keizer Constantijn, de heilige Helena van Jeruzalem.

Maar in tegenstelling met de afbeeldingen van de kruisiging zoals meestal in de kunst vóór de 15de en 16de eeuw werd afgebeeld, is op de Lijkwade niet de hand zelf, maar de handwortel, het polsgewricht doorboord door de nagel. Door de mechanische prikkeling van de mediaanzenuw werden de duimen dan als automatisch verborgen in de handpalmen. Dat is de reden waarom de duimen dan ook niet te zien zijn op de Lijkwade. Een bewijs te meer van de kruisiging zoals o.m. gebruikelijk bij de Romeinen in de eerste eeuwen voor en na Chr.. Zou een vervalser daaraan gedacht hebben? Dokter P. Barbet heeft proefondervindelijk bewezen dat de traditionele afbeeldingen van kruisiging met nagels door de handpalm niet mogelijk waren (tenzij men dat gewoon als een bijkomende pijniging zou aanzien en men de veroordeelde gewoon aan het kruis vastbond, wat zeker niet de bedoeling van de kruisiging was). De Lijkwade geeft ook hier een bewijs van authenticiteit en verwijst naar de kruisiging door de Romeinen in de eerste eeuwen.

(6) Doorstoken zijde

Over Jezus’ dood wordt kortweg gezegd dat de soldaten zagen dat Hij reeds gestorven was - vermoedelijk hing Hij reeds doorgezakt aan het kruis, gestikt -, maar om toch volkomen zeker te zijn werd ook zijn zijde nog doorboord en wel langs de rechterzijde; op het slagveld werd de rechterzijde van de tegenstander niet door het schild beschermd en toch kon men daarlangs het hart dodelijk treffen, de Romeinse beroepssoldaat kende dit volkomen, volgens dr. Barbet.

(7) Geen gebroken benen

Dit sluit aan bij wat we zojuist schreven. Om de dood van de gekruisigden te bespoedigen sloegen de Romeinse soldaten de benen van de terechtgestelden stuk; zo konden dezen zich niet meer oprichten op de voetsteun of de nagel waarmee beide voeten aan het kruis waren gespijkerd om even in en uit te ademen; zo stikten ze spoedig. Op de lijkwade ontbreekt deze breuk van de benen. Dat komt overeen met wat Johannes in zijn evangelie nogal plechtig getuigt:

“Aangezien het voorbereidingsdag was en de Joden niet wilden dat de lichamen op sabbat aan het kruis bleven - het was bovendien een grote sabbat - vroegen zij aan Pilatus verlof de benen van de gekruisigden te breken en hen weg te nemen. Daarom kwamen de soldaten en sloegen zowel bij de ene als bij de andere die met Hem was gekruisigd, de benen stuk.  Toen zij echter bij Jezus kwamen en zagen dat Hij reeds dood was, sloegen zij Hem de benen niet stuk, maar een van de soldaten doorstak zijn zijde met een lans; terstond kwam er bloed en water uit. Die het gezien heeft getuigt hiervan; zijn getuigenis is waar en hij weet, dat hij de waarheid zegt, opdat ook gij zoudt geloven. Dit is gebeurd opdat de Schrift zou vervuld worden: ‘Van zijn gebeente zal niets worden verbrijzeld’, terwijl nog een ander Schriftwoord zegt: ‘Zij zullen opzien naar Hem die zij hebben doorstoken’.” (Joh. 19,31-37)

Jezus reeds dood was toen de Romeinse soldaten de veroordeelden kwamen afmaken; zij braken alleen de benen van de twee andere veroordeelden die met Hem gekruisigd waren, niet deze van Jezus. Ook hierin verwijst de Lijkwade naar Jezus.

(8) Post-mortem zijdewonde

De wonde aan de zijde, die we reeds vermeldden onder 4  werd toegediend nà de dood, en er vloeide een zachte massa van bloed en serum uit, zoals de Johannes vermeldt in zijn evangelie.

“… een van de soldaten doorstak zijn zijde met een lans; terstond kwam er bloed en water uit. Die het gezien heeft getuigt hiervan;” (Joh. 19, 34-35a)

Van die nogal overvloedige uitstorting van bloed en serum getuigt ook de Lijkwade (spijtig genoeg gedeeltelijk verborgen door een van de herstelstukken die aangebracht werden op de gaten na de schade door de brand van 1532).

(9) Ongewassen begraven

Het wassen van het lijk is zowat de laatste dienst die men een mens kan bewijzen, het hoort bij het ‘de doden begraven’ als werk van barmhartigheid. In de Islam is het een voorschrift (zodat we zelfs vernamen dat de Amerikaanse soldaten die Bin Laden gedood hadden zijn lijk hebben gewassen volgens de voorschriften van de Islam). Dat gebruik bestond al eeuwenlang vóór de Islam, met name in het Joodse begrafenisceremonieel. Welnu, Johannes schrijft  in zijn evangelie: “Zij namen het lichaam van Jezus en wikkelden het met de welriekende kruiden in zwachtels, zoals bij een joodse begrafenis gebruikelijk is.” (Joh.19,40) In dat geval zou ook Jezus’ lichaam gewassen zijn alvorens begraven te worden. Dit zou dan een ernstig probleem vormen voor wat betreft de authenticiteit, de echtheid van de Lijkwade van Turijn want “het lichaam dat in de lijkwade van Turijn heeft gelegen … is niet gewassen!”  Het zou dus niet het lichaam van Jezus zijn dat in de Lijkwade heeft gelegen. Of toch?

Tot voor kort gaven we dan als aannemelijke uitleg dat de gewelddadige dood, die de man van de lijkwade onderging, werd gevolgd door een haastige begrafenis, zoals in feite ook de Evangeliën preciseren: de naderende sabbat liet op vrijdagavond immers maar weinig activiteit toe en zeker niet dat men zich daarna nog zou verontreinigen aan een lijk. Daarom zouden de vrouwen, de dag na de Sabbat terugkeren om die zorg op zich te nemen en een hoop specerijen en reukwerk meebrengen om eer te bewijzen aan de overleden Meester. Tot hun ontsteltenis moesten ze echter vaststellen dat het graf al geopend en Jezus’ lichaam niet meer in de Lijkwade was.

Gilbert Lavoie geeft in zijn boek “De lijkwade van Turijn ontsluierd” een degelijker uitleg. Zoals we zojuist citeerden schrijft Johannes dat de begrafenis gebeurde volgens het Joodse gebruik. Lavoie citeert dan uit “De Joodse gewoonten bij Dood en Rouw” van Maurice Lamm de volgende tekst:

“Indien de overledene een plotselinge dood is gestorven, door geweld of door een ongeluk, en zijn lichaam en kleren zitten helemaal onder het bloed, dan wordt geen wassing of taharath (zuivering) uitgevoerd. Het lichaam wordt in de kist gelegd zonder de kleren te verwijderen. Er wordt enkel een kleed rondom gewikkeld, over de kleren. Het bloed behoort tot het lichaam en het mag er in de dood niet van gescheiden worden”.

Dit alles wordt dan nog diepgaander beargumenteerd door Lavoie. Het gaat om het oude Joodse geloof dat het bloed drager is van het leven en het bloed dat men niet mag wegwassen is niet het geronnen bloed, maar wat ze “levensbloed” noemen, o.m. bloed dat iemand verliest terwijl men sterft. Normaal wordt het lichaam dus gewassen, maar “als de dood gewelddadig was en er vloeide bloed op het ogenblik van het overlijden, wordt het lichaam niet ritueel gewassen, maar in een kleed geplaatst en begraven.” Zo was het reeds in de 16de eeuw, maar het gebruik is veel ouder want in de “Mishnah” (2de eeuw vóór tot 2de eeuw na Chr.) wordt dit ook reeds bepaald. ‘Versneden bloed’ noemt men in de Mishnah het tevoren reeds vergoten bloed (bv. van geseling, doornenkroning, kruisiging) dat vermengd wordt met het bloed van de zijdewonde wat in ieder geval ‘levensbloed’ was; dat ‘versneden’ (gemengde) bloed mocht niet weggewassen worden als het een bepaalde hoeveelheid was. Bovendien werd men ritueel onrein als men het levensbloed aanraakte, want dat stond gelijk met het hele lijk aan te raken, ook de (volgens de Mozaïsche wet) onreine lichaamsdelen. Zo verstaan, sluiten de sporen van het ongewassen lijk zoals die op de Lijkwade aanwezig zijn perfect aan bij wat “bij een Joodse begrafenis gebruikelijk is” en wat dus ook bij Jezus’ begrafenis gebeurde (Joh. 19,40).

(10) Residu’s van mirre en aloë

Volgens sommige onderzoekers (o.m. Baïma Bollone) bevinden zich residu's van specerijen op de Lijkwade  (balsems die Nicodemus meebracht zoals Johannes verhaalt), anderen ontkennen dit ten stelligste.

(11) Kostbaar linnen

Het lichaam werd in kostbaar lijnwaad gewikkeld, wat niet het geval kon zijn voor iemand die veroordeeld was door de gewone rechtspraak: het belang van de man van de lijkwade is af te leiden van deze kostbare lijkwade, uit één stuk geweven, met de hand gesponnen. Jozef van Arimatea was, zo getuigen de evangeliën, een rijk man die een nieuw graf had laten gereedmaken.

(12) Niet in de grond maar in een graf

Enkel aan de afdruk van de voetzool is er aarde op de Lijkwade; Jezus had immers blootvoets door het stof naar de plaats van de terechtstelling moeten gaan met de dwarsbalk op de schouders. Dat er daarnaast geen sporen van aarde e bespeuren zijn, is in feite een bewijs dat de veroordeelde niet in een collectieve put of in volle aarde werd begraven. Dit komt dan weer overeen met wat het evangelie betreft, nl. dat het omwikkelde lichaam in een stenen graf werd gelegd en niet in een gewone put. Jozef van Arimatea gaf zijn eigen graf, “uit een rots gehouwen”, en daar legde men Jezus in.

(13) Slechts korte tijd in lijkwade

De sporen wijzen erop dat degene die gedood werd, slechts korte tijd in de lijkwade gebleven is, er is geen spoor van ontbinding te bespeuren op de lijkwade. Ook dit correspondeert met het getuigenis van het evangelie, nl. dat het dode lichaam van Jezus maar korte tijd in het graf heeft gelegen, van vrijdagnamiddag tot zondagmorgen.

    

EINDE VAN DIT ARTIKEL

       INHOUDSOVERZICHT           NAAR TOP     

  



FOTO VAN MARIA GORETTI?

  

In het Italiaanse weekendblad “Famiglia Cristiana” publiceerden ze op 5 juli 2011 een foto van … Maria Goretti, het nauwelijks 12-jarige meisje dat door een jonge snaak vermoord werd omdat ze niet wilde toegeven aan zijn seksuele eisen. De Passionist Fortunato Ciomei meende eerder al een foto van de heilige martelares gevonden te hebben, maar had later moeten toegeven dat die foto toch niet Maria Goretti weergaf.  Onlangs echter heeft Ugo de Angelis, architect, historicus en raadgever van de Vaticaanse Congregatie van de Geloofsleer, bekend gemaakt dat hij na 5 jaar speurwerk Maria Goretti geïdentificeerd heeft op een foto, die hij ontdekte in het fotoalbum van een adellijke familie.

Tijdens zijn zoektocht had hij in 2004 met kard. Ratzinger een reis gemaakt naar Ferrier dit Conca, de plaats waar Maria Goretti leefde en vermoord werd. Hij kreeg doorslaggevende hulp van Bisschop Alejandro Cifres, de directeur van het Archief van de Congregatie van het Geloof die hem in contact bracht met het fotoarchief van de nakomelingen van Graaf Mazzoleni, gewezen grootgrondbezitter van Le Ferriere.

In dat fotoarchief ontdekte hij een foto waarop, naast twee vrouwen, een groepje kinderen staat en een meisje dat er wat bovenuit steekt omdat ze op een emmer staat. Het meisje lijkt vanuit haar schort wat eten uit te strooien voor de eenden en het andere pluimvee; de twee jongens naast haar kijken geïnteresseerd toe. Een echt landelijk tafereeltje met wat pluimvee op de voorgrond. Graaf Mazzoleni beschikte in die tijd reeds over een fotoapparaat en fotografeerde graag scènes uit het landbouwleven.

Eens deze foto ontdekt, naast vele andere, zette Ugo de Angelis, de architect-historicus, zijn zoektocht verder en wist bovendien aan de weet te komen op welke plaats de foto genomen was; hij slaagde er ook nog in, aan de hand van het dagboek van de toenmalige plaatselijke arts én onderzoekingsakten van de politie enz., de personen op de foto te identificeren. Zo kwam hij tot de conclusie dat ook Maria Goretti op de foto stond en dat deze opname in de winter van 1902 was genomen, nauwelijks enige maanden vóór haar dood.

Hoewel de foto wat onduidelijk is – fotografie moest nog een hele evolutie doormaken – is het toch weer een mooie herinnering aan dat doodgewone maar moedige meisje dat consequent haar geloof beleefde en slachtoffer werd van het onbeheerste egoïsme van een wat oudere buurjongen. In onze tijd met zijn verleidingen en uitnodigingen langs velerlei kanalen tot het uitleven van alle soort seksuele prikkels, blijft de figuur van dat moedige kind een oproep tot consequente beslissingen en moed in de evenwichtige en radicale keuzen waartoe een leven volgens Gods verlangen ons uitnodigt.

  

“… leef naar de Geest,

dan zult ge de begeerte van de zelfzucht niet volvoeren…

de vrucht van de Geest is liefde, vreugde, vrede,

geduld, vriendelijkheid, goedheid,

trouw, zachtheid, zelfbeheersing.” (Gal. 5,16.22)

  

Heilige Maria Goretti, bid voor ons.

   

EINDE VAN DIT ARTIKEL

       INHOUDSOVERZICHT           NAAR TOP     

  



WAT MOETEN WIJ GELOVEN?

Citaat van Kardinaal G.M. Garrone

  

In zijn boek met bovenstaande titel confronteert Kardinaal Garrone ons met ons gebrek aan durf om zowel naar onszelf als naar anderen toe te getuigen van ons geloof. We zijn zo voorzichtig geworden, zo braaf en tegelijk zo vreesachtig en al te onzeker, dat we gewoon bezig zijn ons geloof verder te verzwakken en het stilaan te laten verdampen… tot er niets meer van overblijft. Geloof moet geformuleerd worden, moet uitgesproken worden, eerst en vooral naar onszelf toe. Het is een heel confronterend boek dat we aan iedereen durven aanbevelen.

  

God bestaat en God bemint ons. Geloven wij dat?

Het leven dat ons wacht aan de andere zijde van het graf,

is meer werkelijk dan het leven dat wij in  deze tijd leiden. Geloven wij dat?

Christus, die onze aardse geschiedenis doorkruist heeft

door zijn geboorte uit de Maagd Maria, twintig eeuwen geleden,

en die aan een kruis gestorven is, Hij is God zelf. Geloven wij dat?

Die Christus, uit de dood opgestaan, bestaat, met ziel en lichaam, nu;

en de hemel, dat is “bij Hem zijn”. Geloven wij dat?


Durven wij deze eenvoudige waarheden recht in de ogen zien?

Durven wij niet doen alsof wij ze geloven, maar uitdrukkelijk verklaren,

op grond van Gods woord, dat dit waar is?

Als de geloofswaarheden tot de staat van halve-zekerheden herleid zijn,

als we ze voor onze eigen ogen uit schaamte omsluierd hebben,

dan kunnen ze ons niet meer doen leven,

en kunnen zij zelf ook geen stand houden.

In plaats van die geloofswaarheden

rijzen als paddenstoelen bijgelovige overblijfsels op;

men heeft alleen nog maar godsdienstig afval,

en dit is een ware gifstof tot ontbinding in de zielen en in de wereld.   

   

EINDE VAN DIT ARTIKEL

       INHOUDSOVERZICHT           NAAR TOP     

  


WIJ AANBIDDEN U, CHRISTUS

Mindere Broeders

  

Franciscus van Assisi zond zijn Minderbroeders eens uit op een langere tocht naar verafgelegen streken.

Van deze tocht wordt het volgende gezegd:

“Kwamen de broeders bij een kerk of een kruis, dan knielden zij neer om te bidden zeiden godvruchtig:

‘Wij aanbidden U, o Christus, en wij zegenen U in al uw kerken, die er op de hele wereld zijn, omdat Gij door uw heilig kruis de wereld hebt verlost’.

Want zij geloofden dat zij bij een woonplaats van de Heer waren gekomen, ook daar waar zij slechts een kruis aantroffen.

     

EINDE VAN DIT ARTIKEL

       INHOUDSOVERZICHT           NAAR TOP     

  

  

EEN DIPJE

Sister Depri

Opgestaan omdat het werk weeral wachtte. Mistig weer.

Ze zag niet direct de zin van dit werk, de zin van deze dag.

Ze zag het niet zitten… “Verspreide nevel en mist!”

Een dipje...

In het Getijdenboek (33ste zondag door het jaar A)

klonk de oratie echter wel als grote ‘zin-aanreiker’ haar tegemoet,

het was de zondag met de parabel van de talenten,

talenten die moesten gebruikt worden

en niet weggeborgen:

Eeuwige en almachtige God

 (wauw, dat is nogal wat anders dan zo’n voorbijgaand dipje:

 God… eeuwig… almachtig…

 onze aandacht wordt direct op het eigenlijke gericht

 in plaats van op de mist en wat voorbijgaande mistroostigheid)

de liefde waarmee Gij ons omringt,

geeft aan de blijde en droeve dagen hun volle zin.

 (dat ik daar niet aan gedacht heb, zeg,

 zijn liefde omringt mij, Hij is bij mij,

 Hij vergezelt mij in het werk of de rusttijd,

 altijd is Hij mij nabij, met heel zijn liefde…

 ja, dat geeft aan de blijde en droeve dagen hun volle zin.

 Daar moet je toch weer de Kerk voor zijn om met zo één korte zin

 het leven van een mens weer op het rechte spoor te zetten,

 het in de juiste belichting te zien,

 vanuit Gods zin-gevend Woord)

Alles wat wij van de morgen tot de avond doen,

nodigt ons uit met veel vertrouwen naar U op te zien.

 (Een dipje hebben is dus niet zo erg,

 misschien is juist de vaststelling van het betrekkelijke

 en voorbijgaande van de aardse werkelijkheid,

 een uitnodiging om – en met groot vertrouwen –

 op te zien naar Hem die IS en die BLIJFT

 en die de Bron is van alle zin.)

Geef ons de kracht U trouw te dienen

 (Dus maar aan de slag gaan zeker,

 smekend om innerlijke kracht,

 het merg waaruit we energie putten)

zodat wij zonder vrees eens mogen getuigen

dat wij alles behartigd hebben

wat Gij ons hebt toevertrouwd.

 (“Uitstekend, goede en trouwe dienaar,

 over weinig waart ge trouw, over veel zal ik u aanstellen.

 Ga binnen in de vreugde (!) van uw Heer.”) (Mt. 25,14-30)   

   

EINDE VAN DIT ARTIKEL

       INHOUDSOVERZICHT           NAAR TOP     

  


DE TAAK OP TOCHT TE GAAN…   

Naast alle evolutie is er in de wereld ook de keuzevrijheid van de mens om de wereld louter wereld te laten zijn ofwel hem op te trekken tot het domein van God. De tweeslachtigheid van de wereld wordt – in een wellicht wat oudere visie – duidelijk omschreven door Jacques Maritain in zijn boek “Naar een nieuwe Christenheid”:  

  

“Volgens het christendom is dit de ware leer over de wereld en het tijdelijke rijk, dat zij tegelijkertijd het rijk zijn van de mens, van God en van de duivel. Deze bepaling laat duidelijk uitkomen de tweeslachtigheid, die tot de essentie van de wereld en haar geschiedenis behoort: het is een terrein, dat deze drie gemeenschappelijk bezitten. De wereld is een afgesloten gebied, dat aan God toebehoort krachtens het scheppingsrecht; door de zonde, aan de duivel, krachtens het veroveringsrecht; omwille van het Lijden, aan Christus, krachtens het overwinningsrecht, dat Hij door Zijn zege op de eerste veroveraar kan doen gelden. De taak van de christen in de wereld is de duivel zijn domein te betwisten, het hem te ontroven; hij moet daar zijn best voor doen, docht zolang de tijd zal duren, zal hij er slechts gedeeltelijk in slagen. De wereld is gered, ja, ze is door verlossing vervuld van hoop; ze gaat op naar het Godsrijk; maar ze is niet heilig, de Kerk is heilig. Ze gaat op naar het Godsrijk, en daarom plegen we verraad jegens de rijk, als we niet met alle krachten eraan willen werken om de eisen van het Evangelie in de wereld in vervulling te doen gaan of, juister gezegd, om die de wereld te laten beïnvloeden; de verwezenlijking van deze eisen, de invloed, die zij kunnen uitoefenen, zal afhankelijk zijn van de omstandigheden, die de aardse geschiedenis in ‘t leven heeft geroepen, maar ze moet toch zo daadwerkelijk mogelijk wezen: quantum potes, tantum aude.

(…) de wereld is geheiligd, voor zover ze niet louter wereld is, maar opgenomen is in het heelal der Menswording; en ze is veroordeeld, voor zover ze zich in zich zelf opsluit, voor zover zij, naar het woord van Claudel, zich terugtrekt binnen haar wezenskenmerk, en alleen de wereld blijft, gescheiden van het heelal der Menswording.”

    

EINDE VAN DIT ARTIKEL

       INHOUDSOVERZICHT           NAAR TOP     

  



  


  


KOEIENGELOEI EN HANENGEKRAAI   

Iets over lofprijzing in het Begijnhof

Koeiengeloei

Hanengekraai hoor je zo niet in het Begijnhof, wel daarentegen koeiengeloei. Er ligt namelijk een ruim grasplein en aangezien er geen begijntjes meer zijn om hun was te laten bleken en de huidige bewoners het niet zien zitten om het gras af te maaien zet een landbouwer daar een paar dikbil-runderen op die de zaak gratis opknappen… totdat het gras op is en dan, ja, dan verhuizen de runderen naar een andere weide. Geen hanen dus, wel een paar kalveren. Die kraaien niet en loeien ook niet, tenzij, tenzij … de ipsamwaterpomp niet meer werkt of wanneer de boer te laat hun provisoire waterreservoir komt vullen. Koeiengeloei, van danige dorst.   (Foto Ben Van Vossel)

En het hanengekraai?  

Het hanengekraai missen we af en toe om ons getijdengebed wat te stofferen. De vroegere monniken, de priesters en tegenwoordig ook heel wat leken lezen in het getijdengebed (het brevier) immers vaak toespelingen op de haan en zijn gekraai. Zo bijvoorbeeld in het morgengebed (lauden) van de derde zondag. De hymne begint met een begroeting van God, de Schepper. Spoedig wordt ook de haan vermeld als “wekker” (een soort primitieve klokradio) die het veilige daglicht aankondigt en ook als verwijzing naar Petrus (de Rots der kerk) die bij het gekraai van de haan met spijt terugdenkt hoe hij Jezus verloochend heeft; dit laatste herinnert ons dan weer aan onze eigen zwakheid en de noodzaak van vergeving en hulp door onze Verlosser.

  

Uit het Getijdengebed

O eeuwige Schepper van het al

die dag en nacht in hun getal,

tijd en getijden in hun kring,

ons geeft in milde wisseling.

  

Hoor de heraut der dageraad

die waakt terwijl de nacht vergaat,

hen die op reis zijn begeleidt,

en nacht van nacht met roepen scheidt.

  

Hij roept, de drager van het licht

verrijst en al het duister zwicht.

Hij roept, de boze geestenschaar,

die ’s nachts ons kwelt, vlucht uit elkaar.

  

Hij roept, de zeeman vat weer moed,

stil wordt de wilde watervloed.

Hij roept, de rots der kerk bevrijdt

zich van zijn schuld doordat hij schreit.

O Jezus, zie hoe zwak wij zijn,

maak Gij ons door uw blik weer rein.

Ziet Gij ons aan, dan wenen wij,

dan valt de schuld en zijn wij vrij.

  

Daarop volgen nog twee strofen: een kort danklied tot Jezus, het Licht van de wereld; Hij is als een lichtende dageraad over ons menselijk bestaan opgegaan door zijn heilzame dood en verrijzenis. En tot slot de doxologie, de lofbetuiging aan de Drieëne God: Vader, Zoon en heilige Geest.

  

O Licht, verlicht ons binnenin,

verdrijf de slaap uit ziel en zin,

ons eerste lied zij U gewijd

en onze trouw en dankbaarheid.

  

U, Koning Christus, onze Heer,

zij met de Vader lof en eer,

en met de Geest die troost en leidt,

van eeuwigheid tot eeuwigheid.

    

EINDE VAN DIT ARTIKEL

       INHOUDSOVERZICHT           NAAR TOP     


LEKKER SNEL RIJDEN, ZEG!

Bron: MF

- 15 km . per uur trager op de autostrade komt neer op een brandstofbesparing van 20%. Beloon jezelf voor goed gedrag: reken even uit hoeveel een dergelijke besparing voor jouw wagen precies is en trakteer jezelf (of een ander) met dat geld op iets leuks.

- Als twee wagens een afstand van 50 kilometer overbruggen en een van de twee rijdt gemiddeld 15 per uur sneller, wint hij amper 4 minuten.

- Soms maken de kleintjes de grootste verschillen. Zo loop je bij een aanrijding aan 55 per uur tweemaal zoveel risico om iemand dodelijk te verwonden dan wanneer je 50 per uur zou gereden hebben.

- Bij jonge chauffeurs is overdreven snelheid de voornaamste reden van ongevallen. Tot wel 40% van alle blikschade bij tieners is te wijten aan een gaspedaal dat te diep ingedrukt wordt.

- Trager optrekken heeft niets dan voordelen. In plaats van absoluut de 0 tot 100 in amper 10 seconden te halen, doe je er beter minstens 15 seconden over. Dat alleen spaart je op die afstand alleen tot wel 37% aan brandstof uit.

- Heb je cruise control? Gebruik die dan zoveel mogelijk, tenminste als dat toegelaten is. Dankzij de cruise control spaar je tot 7% brandstof uit omdat je een constantere, veilige snelheid aanhoudt.

- Maar… soms is té traag ook niet alles. Volgens de organisatie DSA is te traag rijden de 7de  belangrijkste reden waarom tieners hun rijbewijs niet halen, omdat dat een duidelijk teken is dat ze met te weinig zelfvertrouwen achter het stuur kruipen.

    

EINDE VAN DIT ARTIKEL

       INHOUDSOVERZICHT           NAAR TOP     

  



SMULPAPEN

Naar Alphonse Daudet   

Alphonse Daudet, een Franse romancier en boeiende verteller heeft in 1876 een stukje geschreven over een monnik, dom Balaguère, oud-prior van de Barnabieten en nu (in dat stukje) bezoldigd aalmoezenier bij de kasteelheer van Trinquelage.

Deze dom Balguère verdient wel degelijk – naast ongetwijfeld al zijn goede kwaliteiten – de bijnaam ‘smulpaap’.  In dit geval niet enkel omdat hij onmatig veel kon eten en drinken, maar ook omdat dat dwangmatig gericht zijn op feestmaaltijden hem afleidde van en zelfs deed verzaken aan zijn voornaamste taken. Ik geloof niet dat dit smullen en het achteruit stellen van de beroepsverplichtingen eigen was aan de clerus. Om het even wie die zich te buiten gaat aan eten en drinken en daarenboven zijn eigenlijke taken verwaarloost zou je smulpaap kunnen noemen of een tweede ‘dom Balaguère’. Maar wat heeft deze glimmende en rondbuikige ‘eerwaardige’ dan wel uitgespookt?

In zijn ‘Lettres de mon moulin’ verhaalt Daudet het in een kerstverhaal: Les trois messes basses, de Drie stille missen. Velen van jullie zullen zich nog wel herinneren hoe met Kerstmis de priesters uitzonderlijk 3 missen mochten celebreren: de nachtmis (Dominus dixit), de dageraadsmis (Lux fulgebit)  en de dagmis (Puer natus est nobis) en tot voor de liturgische vernieuwing werden die drie missen door de meeste priesters in stilte en onmiddellijk na elkaar gevierd (‘gelezen’, zei men).  

 

Gulzigheid...

Onze eerwaarde (= Dom) Balaguère zou die missen ‘lezen’ in de slotkapel van het kasteel (op de Mont Ventoux) en daarna zou de burchtheer alle aanwezigen vergasten op een heerlijke kerstmaaltijd. Dom Balaguère was het vooral om die maaltijd te doen en nog vóór de missen heeft hij in de sacristie al een stil gesprek met zijn misdienaar Garrigou over truffels, hun ideale bereiding, de kalkoenen, fazanten, en natuurlijk over de wijn en dat dat alles nu al te geuren staat in de keuken met daarnaast de prachtig versierde feestzaal…  Kom, Garrigou, ’t is bijna tijd, laat ons alvast aan de eerste mis beginnen… De duivel had zich die nacht vermomd met het uiterlijk van Garrigou en had de smaakpapillen van de zwakke priester duchtig geactiveerd door de te verwachten spijzen in geuren en kleuren te beschrijven. De Satan gebruikte de gulzigheid van Dom Balaguère om hem tot iets ergers te bekoren…

 

Gulzigheid...

Die duivelse Garrigou gebruikt daarbij bovendien nog een opzwepend instrument, het belletje, dat vroeger wel vaker werd aangewend tijdens de heilige Mis om de mensen attent te maken om recht te staan voor de Consecratie of de Communie. Garrigou begint al direct te rinkelen met dat kleine ding, zodat de aalmoezenier zich meer en meer gaat haasten en de woorden van de liturgie op de duur nog nauwelijks uitspreekt. Zijn gedachten zijn bij de zalmforellen en het gebraad, de fonkelende wijn… Het kerstmysterie gaat totaal aan hem voorbij. Tingeling tingeling… Het belletje maant hem tot spoed aan. Elke bladzijde uit het misboek brengt hem dichter bij het feestmaal.  Tingeling tingeling. Voilà, dat was de eerste mis! Nu vlug de tweede begonnen. Tingeling tingeling. Het gaat vlugger en vlugger. Dom Balaguère moet naar adem snakken om het gerinkel van de valse Garrigou bij te kunnen houden. Die antwoordt korter en korter zodat Balaguère ook korter en korter het Latijn gaat inslikken: domiscum, spirtuo. De derde mis. Nog vlugger, nog korter… Een schandaal! Dat is echt geen mis meer. Enfin! Afgelopen!

 

En tenslotte...

Inderdaad, een schandaal, maar de meeste mensen zijn tevreden dat zij nu ook mee aan tafel mogen. De zonde van de priester druipt af op de gelovigen. Het zal Dom Balaguère een zorg wezen. Hij zit reeds te blinken op zijn kasteelstoel en laat het zich smaken. Hij propt zich vol, het is de ultieme bekroning, het doel waarnaar hij heel de Advent heeft gesmacht… Helaas voor hem, het wordt ook zijn laatste maal. Hij vreet zich dood. Maar daarmee is de zaak nog niet gedaan.

Hij moet dan natuurlijk voor onze Heer verschijnen. Daar krijgt hij te horen: “Slechte christen, scheer je weg van voor mijn aangezicht. Je hebt mij een heilige Mis ontzegd, Ik wil je hier niet meer zien alvorens je 300 kerst-missen hebt opgedragen in aanwezigheid van allen die door jouw schuld gezondigd hebben.”

Tot zover deze lezing!

Het kasteel van Trinquelage bestaat vandaag niet meer, maar bovenop de Mont Ventoux straalt in de Kerstnacht een onwerelds licht… Onze smulpaap draagt er zijn zoveelste H. Mis op.  Als dit niet echt zo is, ’t is toch goed gevonden (Se non è vero, è bene trovato).

  

Alles op Zijn plaats

De katholieke kerk heeft altijd respect gehad voor mensen die het als hun persoonlijke roeping zagen om veel te vasten, maar anderzijds heeft ze ook nooit de vreugde om het goede van de aarde veroordeeld. In de Bijbel en ook in Jezus’ leven heeft eten en drinken zijn plaats. Maar anderzijds is er toch de uitnodiging tot matigheid en tot respect voor wat op de eerste plaats moet komen. "First things, First!"

Laten we bij de feesten zoals Kerstfeest, oudejaar, huwelijksfeest, communiefeest nooit de Gever van het goede uit het oog verliezen. Een echte christen laat zich in alles leiden door Gods Geest: “Stemt uw gedrag niet af op deze wereld. Wordt andere mensen, met een nieuwe visie. Dan zijt ge in staat om uit te maken wat God van u wil, en wat goed is, wat zeer goed is en volmaakt.” (Rom.12,2)

Als je tijdens de vakantie zou passeren langs de Mont Ventoux, zeg een schietgebedje voor alle smulpapen... en wees er zelf geen.

     

EINDE VAN DIT ARTIKEL

       INHOUDSOVERZICHT           NAAR TOP     

  

  


ONS VOLGEND VERHAAL

  

We denken erover om onze speurneuzen (Father John en Rika) wat rust te gunnen en we  laten een vroegere prior uit de Abdij Ter Duinen aan het woord die op zoek is  gegaan naar een van de abten van die abdij, die zelf een tijdlang verdwenen en vergeten maar tegenwoordig weer opgedoken is. Ook deze abt (zalige Idesbald) was een tijdlang spoorloos  maar die prior vindt hem uiteindelijk. We hebben zijn relaas wel moeten hertalen in ietwat moderner Nederlands.:

"Het leven, mirakelen ende wonderlycke vindinge

van het heyligh ende ongeschonden lichaem

van den S. Idesbaldus,

 derden abt van de vermaerde abdye van Duynen,

nu binnen de stadt van Brugghe,

met noch eenige gedenckweerdige historiën”,

beschreven door den Eerw. Heer Nivardus van Hove,

Prior van de selve abdye.

Den Tweeden druck. Tot Brugghe. By Pieter vande Cappelle,

op de plaetse Maelenbergh inden Naeme Jesus. 1686.

  

  EINDE VAN DIT ARTIKEL

  EINDE VAN DIT NUMMER

       INHOUDSOVERZICHT           NAAR TOP