GELOOF en LEVEN vzw



  
HOME

INHOUD


  TERUG NAAR INHOUD      


DOSSIER LIJKWADE VAN TURIJN (1)

Bijeengelezen door Ben Van Vossel

Turijn dus

In de Dom van Turijn (Torino in Noord-West Italië) bevindt zich al eeuwen een groot linnen doek van 4,36 op 1,075 m. dat maar af en toe opengeplooid en tentoongesteld wordt. Volgens een eeuwenoude traditie is dit de lijkwade waarin Jezus begraven werd, maar waarin Hij maar korte tijd gelegen heeft. Deze Lijkwade kwam in 1453 in bezit van de hertogen van Savoje & Piëmont. Oorspronkelijk bleef ze in het hertogelijk slot van Chambéry maar wegens Franse dreiging verhuist ze naar Vercelli of Nice en sedert 1578  verblijft ze definitief in Turijn, toen de nieuwe hoofdstad van het Huis van Savoje en Piëmont. Op 18 maart 1983 werd het Vaticaan bij testament er eigenaar van; voorwaarde: de Lijkwade moet in Turijn blijven! De lijkwade is verpakt in rood zijde en wordt bewaard in een zilveren kist die geplaatst is in ‘de Kapel van de Heilige Lijkwade’ in de Kathedraal van St.-Johannes de Doper in Turijn.


Geheimschrift wordt leesbaar

Op dat grote doek staat heel vaag de voor- en achterzijde van een man afgedrukt, heel vaag en in onnatuurlijke afwisseling van donkere en lichtere plekken. In ons vorig nummer hebben we het doek en een detail van het gelaat weergegeven, vaag en wat speciaal. Het is als een geheimschrift, een onduidelijke, bijna onleesbare tekst, een onduidelijke afbeelding.

In 1898 nam de Italiaanse amateurfotograaf, Secunda Pia, de eerste foto's van de Lijkwade. Tijdens de ontwikkeling van de foto, toen hij het negatief op de glasplaat zetten, bemerkte hij tot zijn grote verbazing dat het normaal negatieve beeld, in dit geval een fotografisch positief te zien gaf. Het werd stilaan een wereldschokkend nieuws. Want de wazige en omzeggens onverstaanbare afbeelding gaf haar geheimen prijs, er verscheen een vrij duidelijk beeld van een man op de foto, naast een aantal vlekken, waarvan de oorzaak en de betekenis stilaan duidelijk zou worden. Sinds die eerste onvoorziene openbaring door de fotografie, is ook de wetenschap zich in toenemende mate voor de Lijkwade beginnen interesseren.


Veel vragen

We gaan – gespreid over enkele nummers - iets vertellen over de Lijkwade van Turijn. Een moeilijkheid is dat sommige lezers weinig of niets en anderen juist heel veel hebben gehoord of gelezen over die Lijkwade; daarom geven we niet alles in één nummer en verwijzen we bovendien – we deden het reeds in ons vorig nummer -  naar boeken die uitgebreid berichten over “de Lijkwade”.  We spreken dus uitsluitend over de Lijkwade van Turijn, omdat zij (het langst) kon optornen tegen alle wetenschappelijke en onwetenschappelijke kritiek met betrekking tot haar echtheid.  De Lijkwade zou immers het grote linnen doek zijn waarin Jezus begraven werd. Zoiets beweren, laat staan bewijzen, is natuurlijk geen kleinigheid. Een groot doek van 2000 jaar geleden dat een soort afbeelding van Jezus bevat terwijl Hij daar maar enige uren in heeft gelegen. Ons christelijk geloof leert ons immers dat Hij verrezen is, ook lichamelijk verrezen. Hoe is die Lijkwade met die afbeelding van de dode Jezus zo lang kunnen bewaard worden en hoe heeft die al die eeuwen onaangetast (?) kunnen overleven? En wat is er eigenlijk op te zien? En als er al iets op te zien is, is dat dan wel een afbeelding van Jezus? Is het niet gewoon een schilderij of is er iemand anders in begraven geweest? Maar laten we eerst vertrekken … niet bij het begin maar bij het einde, zodat we eventueel ons artikel al meteen kunnen besluiten.


Vragen over de echtheid

Kritiek op de echtheid van de Lijkwade is er voldoende. Moslims komen aandraven met het bewijs dat de Lijkwade wel van Jezus was, maar … dat Jezus niet dood was en dat Hij vrij spoedig uit de Lijkwade is gekomen en het kostuum van een tuinman heeft aangetrokken; zo ontmoet Maria Magdalena Hem. Moslims geloven wel in dat Jezus een heel speciaal iemand was, maar zeker niet de Zoon van God en ook niet dat Hij verrezen zou zijn, Hij was gewoon niet dood (dit tegen alle wetenschappelijke argumenten dat de man in de Lijkwade zeker dood was).

Maar de gewone argumenten tegen de echtheid zijn o.m. dat de afbeelding geschilderd is, dat ze uit de middeleeuwen afkomstig is en niet uit de tijd van Jezus, dat het niet Jezus is maar de laatste grootmeester van de Tempeliersorde enz. Er zijn echter ook veel argumenten pro. Tot op het moment dat de alle discussie uitsluitende proef op de som werd gedaan waar zo werd naar uitgezien: de koolstofdatering.


Het einde van de Lijkwade

In het jaar 1988 deed men gelijktijdig in 3 laboratoria een wetenschappelijke proef, de zogenaamde koolstofdatering (Carbon 14), op enige stukjes van de Lijkwade van Turijn. Er waren al zeer zware aanwijzingen dat de Lijkwade uit de tijd van Jezus stamde, maar nu deed men dus nog een ultieme test. Nu zou men het echt te weten komen en zou blijken dat de Lijkwade inderdaad uit de 1ste eeuw stamde … of uit een latere tijd.  Algemene consternatie bij de ‘believers’ en gejuich bij de tegenstanders want: de proef was negatief! De Lijkwade stamde niet uit Christus’ tijd, het linnen werd gedateerd tussen 1260 en 1390, in volle Middeleeuwen! Gedaan dus met de Lijkwade want als het linnen maar uit de 13de of 14de eeuw stamt, kan ze natuurlijk niet de Lijkwade zijn waarin Jezus begraven werd.

En toen werd het even stil rond de Lijkwade. De katholieke kerk zelf had ook nooit officieel beweerd dat dit linnen inderdaad Jezus’ doodskleed was, maar ze had de verering wel toegestaan omdat het voor het christenvolk een sterke uitnodiging was om Jezus’ lijden te overwegen.

polymer


Vragen over de koolstofdatering

Maar spoedig en stilaan meer en meer kwam er vanuit verschillende kanten kritiek op het zogenaamde ultieme bewijs tegen de echtheid van de Lijkwade. Je kan hierover berichten lezen in allerlei tijdschriften en op Internet. Sommige kritiek op die kooltofdatering lijkt wat lichtvaardig en werd door wetenschappers niet au sérieux genomen (zoals dat de brand van 1532 de ouderdom van de lijkwade zou gewijzigd hebben of dat een ‘bioplastic- polymer’ die op het kleed groeide de onderzochte stukjes linnen zou besmet hebben), andere lijkt echt wel wetenschappelijk onderbouwd.

- Maar er zijn een aantal wetenschapsmensen die de betrouwbaarheid van de koolstofdatering zelf in vraag stellen. De kritiek gaat verschillende kanten op:

John Jackson, fysicus aan de Universiteit van Colorado, denkt dat de koolstofdatering uit 1988 beïnvloed is door vervuiling van de lijkwade door een verhoogd koolmonoxidegehalte. Deze vervuiling zou de uitkomst met ongeveer 1300 jaar verhoogd kunnen hebben.

Op dat punt lijkt Christopher Ramsey, hoofd van de Oxford Radiocarbon Accelerator Unit, het met hem eens te zijn. “Er zijn talloze andere bewijzen die aangeven dat de lijkwade ouder is dan de koolstofmethode aangeeft. Daarom is verder onderzoek noodzakelijk,” aldus luidt een verklaring op zijn website.

- Tijdens een door de Shroud Science Group gesponsorde conferentie aan de Ohio State University presenteerden 9 wetenscha-ppers van de Los Alamos National Laboratory hun bevindingen van de testen uit 1988. Volgens dit instituut zijn de uitkomsten beïnvloed doordat de testen zijn uitgevoerd op een stukje stof dat waarschijnlijk tijdens de Middeleeuwen is toegevoegd tijdens reparatiewerkzaamheden. Als dat stukje niet kan instaan voor het gehele doek valt natuurlijk die datering in het niets. Misschien had men ook van elkaar verschillende stukjes moeten verdelen over die drie laboratoria.

- Zo zijn er tal van wetenschappelijke redenen om de resultaten van de gebruikte koolstof-datering in twijfel te trekken.

- De voornaamste reden blijft voor mij de vele reeds gekende aanwijzingen dat de Lijkwade wél uit de eerste eeuw stamt. Meer nog: het bestaan van de Lijkwade zelf en een deel gegevens erop wijzen zelfs in de richting van die ene Gekruisigde, gegeselde en met doornen gekroonde Messias: Jezus van Nazareth. Over deze aanwijzingen willen wij het in het volgende nummer hebben.

  NAAR INHOUD      NAAR TOP    



DOSSIER LIJKWADE VAN TURIJN  (2)

Bijeengelezen door Ben Van Vossel


Na onze eerste aflevering over de Lijkwade van Turijn gaan we nu verder in op de bemerking die we op het einde gemaakt hebben, namelijk dat het bestaan van de Lijkwade zelf en een deel gegevens die erop voorkomen, niet enkel verwijzen naar de eerste eeuw, maar zelfs in de richting van die ene Gekruisigde, gegeselde en met doornen gekroonde Messias, Jezus van Nazereth. Elk van die onderdelen hebben reeds hun waarde, maar als je ze samen neemt wordt het verhaal van de  Lijkwade helder en eigenlijk overduidelijk.


1 Als een moderne epifanie: De ontdekking van de (positieve) afbeelding

In onze vorige aflevering hebben we reeds aangegeven hoe maar pas helemaal op het einde van de 19de eeuw (1898) men de positieve afbeelding van de figuur op het Lijkwade ontdekte dankzij … de fotografie. Bij de ontwikkeling van een foto van de lijkwade verscheen een positieve, een gewone afbeelding van een persoon. Met andere woorden: de Lijkwade bevatte een perfect negatief van de persoon die erop staat afgebeeld, maar dat negatieve gaf geen duidelijke weergave, zoals je op het negatief van een foto ook de personen niet kunt onderscheiden.  Toen Secondo Pia die positieve afbeelding bemerkte op zijn negatieve print, was dat als een soort epifanie, een verschijning of openbaring van het ware gelaat van Christus, dat zoveel eeuwen verborgen was en enkel op iconen, schilderijen en beeldhouwwerken te zien was volgens de inbeelding en kunde van de kunstenaars. (voor wat de iconen betreft zullen we later nog opmerken dat die wellicht geïnspireerd waren op de negatieve afbeeldign op de lijkwade)

We mogen gerust zeggen dat het ondenkbaar is dat iemand, een schilder bijvoorbeeld, in de voorafgaande eeuwen (zeker niet in de Middeleeuwen) erin zou gelukt zijn om zo’n perfecte negatieve afdruk te maken van een dood lichaam met bovendien de positieve weergave van de bloedsporen; deze waren immers direct op het linnen afgedrukt. Positief en negatief was waarschijnlijk niet bekend in de kunst.


2 Wat verhaalt ons de afbeelding?


2.1 Een voorzet door Professor Marinelli

Emanuela Marinelli, professor in natuurwetenschappen en geologie, lid van het Romeinse Centrum voor “Sindonologie” en medewerker aan de officiële site van de katholieke Kerk over de Lijkwade, vestigt de aandacht op o.m. de overeenkomsten met wat Jezus overkomen is. Wij vermelden ze, samen met enige aanvullingen.

(1) Geseling

De geseling is te belangrijk om een “voorspel” te zijn op de kruisiging. De man van de lijkwade heeft zo’n 200 kleine verwondingen van de huid, de meeste twee aan twee. Het verwijst naar geselslagen met het Romeinse ‘flagrum’, een zweep met aan de uiteinden een of twee kleine haltervormige loodjes of dierenbeenderen. Bedoeling van dit soort gesel was zo vlug mogelijk de huid open te scheuren. Wellicht is dit niet vanaf de eerste slag het geval, maar toch mogen we aannemen dat, indien er twee beulen de zweepslagen toedienden, beide minstens 25 slagen toedienden met telkens 4 kwetsuren.

Op dat ogenblik was de doodstraf nog niet uitgesproken, integendeel, Pilatus wilde Jezus vrijlaten en daarom wilde hij een zodanig toegetakelde Messias voorleiden dat iedereen zou vinden dat die al voldoende was gestraft. Blijkbaar was dat een misrekening, maar ondertussen was Jezus ernstig verwond.


(2) Een kroon van doornen

Sporen van een doornenkroon – misschien eerder een doornenhelm – komen in ieder geval overeen met het evangelieverhaal dat Jezus ervan beschuldigd werd “meer dan Caesar” te willen zijn en zich “Koning van de Joden” te noemen; die doornenkroon wordt trouwens expliciet vermeld in het evangelie. De afdruk van het gestolde bloed op de Lijkwade is grondig bestudeerd door de nobelprijswinnaar voor geneeskunde, dokter Pierre Barbet, in begin van de jaren 1930. Zijn conclusies worden nog altijd bevestigd, bijvoorbeeld hoe het bloed zich een weg heeft gezocht uit de vewonde voorhoofdsader; vandaar dat soort verlengde cijfer 3 op het voorhoofd. Boie, die eerder aan een doornenkroon denkt dan aan een doornenhelm, telt een 60-tal zichtbare - en vermoedt nog een 30-tal op de Lijkwade niet zichtbare - wonden op het hoofd. Hij veronderstelt dat de (volgens hem dus) ‘doornenkroon’, enige malen verplaatst is geworden, nl. toen ze Jezus’ klederen weer aantrokken, met de rietstok op zijn hoofd sloegen, en later nog eens op kalvarie toen ze zijn kleren weer uittrokken en de kroon (als Koning der Joden: Rex Iudaeorum – Basileus toon Ioudaioon) tot spot weer op zijn hoofd plaatsten (veel andere Sindonisten geloven niet dat Jezus ‘gekroond’ aan het kruis hing; er was geen plaats voor die doornenhelm). In ieder geval wordt de lijkwade getypeerd door de bewijzen van een doornenkroon, iets wat toch wel kenmerkend was voor de lijdensweg van Jezus.


(3) Mishandeling

Verschillende wonden (meer bepaald neus, knieën), waarvan de sporen op de Lijkwade staan, komen overeen met slagen van de soldaten (“Op dit woord gaf een van de dienaars die naast Hem stond, Jezus een klap in het gezicht en voegde Hem toe: 'Antwoordt Gij zo de hogepriester?'”) of het vallen op de Lijdensweg (Via Dolorosa) na het uitputtende morele en fysische lijden dat reeds was voorafgegaan aan de terechtstelling.


(4) Kruisdraging

Het was niet de gewoonte bij de Romeinen, dat een tot kruisiging veroordeelde, het hele kruis te dragen kreeg, zoals op onze afbeeldingen van de kruisweg meestal wordt weergegeven. De rechtopstaande balk was reeds opgericht op de plaats van de terechtstelling en het ‘patibulum’, de dwarsbalk van het kruis, die de veroordeelde zelf moest dragen, werd dan ter plekke bovenop of in een uitkeping van de opstaande balk geplaatst. Welnu, ook de man van de lijkwade draagt op zijn schouders tekenen van kneuzingen die te wijten zijn aan het langdurig dragen van een gewicht van dit type (te vergelijken met de vroegere ‘biels’, de balken die onder rails van de spoorwegen lagen.


(5) In het polsgewricht vastgenageld

De ophanging aan het kruis gebeurde door de Romeinse soldaten meestal met nagels in plaats van koorden. Vorm en grootte van de nagels, zoals de Lijkwade laat vermoeden, komen overeen met nagels die in Rome bewaard worden in de basiliek van het Heilig Kruis van Jeruzalem waar relieken van het Lijden bewaard worden, overgebracht door de moeder van keizer Constantijn, de heilige Helena van Jeruzalem.

Maar in tegenstelling met de afbeeldingen van kruisiging zoals meestal in de kunst afgebeeld, vóór de 15de en 16de eeuw, is op de Lijkwade niet de hand zelf, maar de handwortel, het polsgewricht doorboord door de nagel. Door de mechanische prikkeling van de mediaanzenuw werden de duimen verborgen in de handpalmen. Dat is de reden waarom de duimen dan ook niet te zien op de Lijkwade. Een bewijs te meer van de krusiging zoals o.m. gebruikelijk bij de Romeinen in de eerste eeuwen voor en na Chr.. Zou een vervalser daaraan gedacht hebben? Dokter P. Barbet heeft proefondervindelijk bewezen dat de traditione afbeeldingen van kruisiging met nagels door de handpalm niet mogelijk waren (tenzij men dat gewoon als een bijkomende pijniging zou aanzien en men de veroordeelde gewoon aan het kruis vastbond, wat zeker niet de bedoeling van de kruisiging was). De Lijkwade geeft ook hier een bewijs van authenticiteit en verwijst naar de kruisiging door de Romeinen in de eerste eeuwen.


(6) Doorstoken zijde

Over Jezus’ dood wordt gewoon gezegd dat de soldaten zagen dat Hij reeds gestorven was - vermoedelijk hing Hij reeds doorgezakt aan het kruis, gestikt -, maar om toch volkomen zeker te zijn werd ook zijn zijde nog doorboord en wel langs de rechterzijde, op het slagveld werd die niet door het schild beschermd en toch kon men daarlangs het hart dodelijk treffen; de Romeinse beroepssoldaat kende dit volkomen, volgens dr. Barbet.


(7) Geen gebroken benen

Dit sluit aan bij wat we zojuist schreven. Om de dood van de gekruisigden te bespoedigen sloegen de Romeinse soldaten de benen van de terechtgestelden stuk; zo konden dezen zich niet meer oprichten op de voetsteun om een in en uit te ademen, en ze stikten spoedig. Op de lijkwade ontbreekt deze breuk van de benen. Dat komt overeen met wat Johannes in zijn evangelie nogal plechtig getuigt:

“Aangezien het voorbereidingsdag was en de Joden niet wilden dat de lichamen op sabbat aan het kruis bleven - het was bovendien een grote sabbat - vroegen zij aan Pilatus verlof de benen van de gekruisigden te breken en hen weg te nemen. Daarom kwamen de soldaten en sloegen zowel bij de ene als bij de andere die met Hem was gekruisigd, de benen stuk.  Toen zij echter bij Jezus kwamen en zagen dat Hij reeds dood was, sloegen zij Hem de benen niet stuk, maar een van de soldaten doorstak zijn zijde met een lans; terstond kwam er bloed en water uit. Die het gezien heeft getuigt hiervan; zijn getuigenis is waar en hij weet, dat hij de waarheid zegt, opdat ook gij zoudt geloven. Dit is gebeurd opdat de Schrift zou vervuld worden: Van zijn gebeente zal niets worden verbrijzeld, terwijl nog een ander Schriftwoord zegt: Zij zullen opzien naar Hem die zij hebben doorstoken.” (Joh. 19,31-37)

Jezus reeds dood was toen de Romeinse soldaten de veroordeelden kwamen afmaken; zij braken alleen de benen van de twee andere veroordeelden die met Hem gekruisigd waren, niet deze van Jezus. Ook hierin verwijst de Lijkwade naar Jezus.


(8) Post-mortem zijdewonde

De wonde aan de zijde, die we reeds vermeldden onder 4  werd toegediend nà de dood, en er vloeide een zachte massa van bloed en serum uit, zoals de Johannes vermeldt in zijn evangelie.

“… een van de soldaten doorstak zijn zijde met een lans; terstond kwam er bloed en water uit. Die het gezien heeft getuigt hiervan;” (Joh. 19,34-35a)

Van die nogal overvloedige uitstorting van bloed enserum getuigt ook de Lijkwade (spijtig genoeg gedeeltelijk verborgen door een herstelstuk dat aangebracht werd op de schroeivlekken na de schade door de brand).


(9) Ongewassen begraven

Het wassen van het lijk is zowat de laatste dienst die men een mens kan bewijzen, het hoort bij het ‘de doden begraven’ als werk van barmhartigheid. In de Islam is het een voorschrift (zodat we zelfs konden horen dat de Amerikaanse soldaten die Bin Laden gedood hadden zijn lijk hebben gewassen volgens de voorschriften van de Islam). Dat gebruik bestond al eeuwenlang vóór de Islam, nl. in het Joodse begrafenisceremonieel. Welnu, Johannes schrijft  in zijn evangelie: “Zij namen het lichaam van Jezus en wikkelden het met de welriekende kruiden in zwachtels, zoals bij een joodse begrafenis gebruikelijk is.” (Joh.19,40) In dat geval zou ook Jezus’ lichaam gewassen zijn alvorens begraven te worden. Dit vormt een ernstig probleem voor wat betreft de authenticiteit, de echtheid van de Lijkwade van Turijn want “het lichaam dat in de lijkwade van Turijn heeft gelegen is niet gewassen!”  Het kan dus niet het lichaam van Jezus zijn dat in de Lijkwade heeft gelegen. Of toch?

Tot voor kort gaven we dan als aannemelijke uitleg dat de gewelddadige dood, die de man van de lijkwade onderging, werd gevolgd door een haastige begrafenis, zoals in feite ook de Evangeliën preciseren: de naderende sabbat liet op vrijdagavond immers maar weinig activiteit toe en zeker niet dat men zich daarna nog zou verontreinigen aan een lijk. Daarom zouden de vrouwen, de dag na de Sabbat terugkeren om die zorg op zich te nemen en een hoop specerijen en reukwerk meebrengen om eer te bewijzen aan de overleden Meester. Tot hun ontsteltenis moesten ze echter vaststellen dat het graf al geopend en Jezus’ lichaam niet meer in de Lijkwade was.

Gilbert Lavoie geeft in zijn boek “De lijkwade van Turijn ontsluierd” een degelijker uitleg. Zoals we zojuist citeerden schrijft Johannes dat de begrafenis gebeurde volgens het Joodse gebruik. Lavoie citeert dan uit “De Joodse gewoonten bij Dood en Rouw” vanMaurice Lamm.

“Indien de overledene een plotselinge dood is gestorven, door geweld of door een ongeluk, en zijn lichaam en kleren zitten helemaal onder het bloed, dan wordt geen wassing of taharath (zuivering) uitgevoerd. Het lichaam wordt in de kist gelegd zonder de kleren te verwijderen. Er wordt enkel een kleed rondom gewikkeld, over de kleren. Het bloed behoort tot het lichaam en het mag er in de dood niet van gescheiden worden”.

Dit alles wordt dan ruimer beargumenteerd door Lavoie. Het gaat om het oude Joodse geloof dat het bloed drager is van het leven en het bloed dat men niet mag wegwassen is niet het geronnen bloed, maar wat ze “levensbloed” noemen, o.m. bloed dat iemand verliest terwijl men sterft. Normaal wordt het lichaam dus gewassen, maar “als de dood gewelddadig was en er vloeide bloed op het ogenblik van het overlijden, wordt het lichaam niet ritueel gewassen, maar in een kleed geplaatst en begraven.” Zo was het reeds in de 16de eeuw, maar het gebruik is veel ouder want ook in de Mishnah (2de eeuw vóór tot 2de eeuw na Chr.) wordt dit ook reeds bepaald. ‘Versneden bloed’ noemt men in de Mishnah het tevoren reeds vergoten bloed (bv. van geseling, doornenkroning, kruisiging) dat vermengd wordt met het bloed van de zijdewonde wat in ieder geval ‘levensbloed’ was; dat ‘versneden’ (gemengde) bloed mocht niet weggewassen worden als het een bepaalde hoeveelheid was. Bovendien werd men ritueel onrein als men het levensbloed aanraakte, want dat stond gelijk met het hele lijk aan te raken, ook de (volgens de Mozaïsche wet) onreine lichaamsdelen. Zo verstaan, sluiten de sporen op de lijkwade perfect aan bij wat “bij een Joodse begrafenis gebruikelijk is” (Joh. 19,40).


(10) Residu’s van mirrhe en aloë

Ondanks de haast waarmee op Goede Vrijdag - vlak voor de aanvang van de sabbatmoest alles gebeuren - werden toch mirre en aloë op het lichaam aangebracht: de twee balsems die Nicodemus meebracht zoals althans Johannes verhaalt. Hoewel ik ergens gelezen hebt dat er inderdaad residu’s van aloë en mirre gevonden is op de Lijkwade (Baïma Bollone), laat ik dit punt toch voor rekening van prof. Marinelli, want ik heb verscheidene verslagen gelezen waarin gezegd wordt dat er helemaal geen specerijen werden aangewend.


(11) Kostbaar linnen

Het lichaam werd in kostbaar lijnwaad gewikkeld, wat niet het geval kon zijn voor iemand die veroordeeld was door de gewone rechtspraak: het belang van de man van de lijkwade is af te leiden van deze kostbare lijkwade, uit één stuk geweven, met de hand gesponnen.


(12) Niet in de grond maar in een graf

Geen spoor van aarde op de lijkwade, tenzij van modder aan de voetzool; Jezus had immers blootvoets door het stof naar de plaats van de terechtstelling moeten gaan met de dwarsbalk op de schouders. Dat er daarnaast geen sporen van aarde op de Lijkwade te bespeuren zijn, zou een bewijs vormen voor het feit dat dat de veroordeelde niet in een collectieve put of in volle aarde werd begraven. Dit komt dan weer overeen met wat het evangelie betreft, nl. dat omhulde lichaam in een stenen graf werd gelegd en niet in een gewone put. Jozef van Arimatea gaf zijn eigen graf, “uit een rots gehouwen”, en daar legde men Jezus in.


(13) Slechts korte tijd in lijkwade

De sporen wijzen erop dat degene die gedood werd, slechts korte tijd in de lijkwade gebleven is, er is geen spoor van ontbinding te bespeuren op de lijkwade. Ook dit correspondeert met het getuigenis van het evangelie, nl. dat het dode lichaam van Jezus maar korte tijd in het graf heeft gelegen, van vrijdagnamiddag tot zondagmorgen.

(Lees in volgens nummer: verdere overeenkomsten tussen de Lijkwade en wat Jezus overkwam)


    NAAR INHOUD      NAAR TOP    


DOSSIER LIJKWADE VAN TURIJN  (3)

Bijeengelezen door Ben Van Vossel


In onze eerste aflevering over de Lijkwade van Turijn hebben we ernstige vraagtekens gezet bij de Koolstofproef waaraan men een 3-tal kleine stalen heeft onderworpen. De voornaamste kritiek was dat die stalen afkomstig bleken van een ingezet stuk (om beschadigde gedeelten te herstellen) die niet het originele doek konden vertegenwoordigen en dat de 3 labo’s net van datzelfde stuk een staal gebrukten. In onze tweede aflevering (die we wegens de onderlinge samenhang niet in stukken wilden verdelen) gaven we een reeks overeenkomsen tussen de Turijnse afbeelding en datgene wat Jezus Christus tijdens zijn Lijden is overkomen. Het waren voornamelijk bevindingen van Emanuela Marinelli, professor in fysica en geologie.

Nu willen we daar nog een aantal overeenkomsten aan toevoegen die door allerlei personen en geïnteresseerde groepen naar voor worden geschoven als verwijzend naar Jeshua ha Mashiah, Jezus, de Messias.


2.2. Verdere overeenkomsten tussen de Lijkwade en wat Jezus is overkomen


(1) Bloed ouder dan afbeelding

De bloedsporen op het graflinnen van Turijn blijken ouder van datum dan de afbeelding van het lichaam, want onder de bloedsporen bevindt zich geen afbeelding! Wat is hiervan de betekenis? Dat er niet eerst een afbeelding was en daarna dan de bloedsporen werden aangebracht. Nee, de afbeelding heeft zich pas gevormd ná de terechtstelling en na de begrafenis; de bloedsporen van het gestolde bloed van het ongewassen lichaam bevonden zich toen reeds op de Lijkwade. Daarna pas heeft zich de afbeelding gevormd.


(2) Niet door mensenhand uit de Lijkwade gehaald

Het is een vraag apart hoe de ‘man van de Lijkwade’ uit de Lijkwade is geraakt, zonder de afbeelding te schenden. Op de Lijkwade is een vrij duidelijke afdruk van het lichaam aanwezig, dus niet van een lichaam dat reeds in ontbinding zou zijn. Het betreffende lichaam is dus niet lang in de Lijkwade geweest en het is ook niet van plaats veranderd in de Lijkwade, dat zou immers een zeer verwarde afbeelding als resultaat hebben. Op de lijkwade immers – afgezien van de lichaamsafbeelding – alleen de sporen van het gestolde bloed aanwezig, geen huidresidu’s of andere organische bestanddelen die uit het verstijfde lichaam gescheurd en op het lijnwaad achtergebleven zijn en er zijn ook geen partikels vlasvezel uit de vlasdraden van de lijkwade losgerukt.

Hoe het lichaam dan wél uit de Lijkwade is verdwenen blijft ook voor de wetenschappers een onopgeloste vraag… Het apostolisch getuigenis spreekt over … verrijzenis. Maar kan men ‘verrijzenis’ gaan beperken tot een dood lichaam dat plots weer levend wordt?


(3) Bloedstroom getuigt

Dokter Pierre Barbet (nobelprijs voor geneeskunde) heeft er vele decennia geleden reeds op gewezen dat de bloedstroom op buitenkant van de arm verwijst naar een dood door verstikking. Ik meen dat dr. Barbaix het nog toeschreef aan tetanos, waardoor ook een soort verstikking zich voordoet; de kon hun het vermogen geven de waarheid aan andere mensen duidelijk te makengekruisigde kon zich uit die verstikking helpen door zich af en toe op te richten, steunend op de nagel(s) die door voeten waren gedreven. Zo konden de longen weer uitademen en zich weer opnieuw met lucht vullen. De opgezwollen borst – vrij opvallend op op de afdruk op de lijkwade - was voor dr. Barbaix  een teken dat de gekruisigde de kracht niet meer had zich op te richten om uit te ademen. Door dat afwisselend zich oprichten en zich laten zakken nam de bloedstroom op de armen ook telkens een nieuwe richting aan.

In ieder geval geval zien we op de lijkwade ook die wisselende bloedstroom op de achterkant van de arm en dat zich af en toe oprichten van de Gekruisigde past ook bij de historische vermelding in het evangelie van de kruiswoorden die Jezus kon uitspreken op momenten dat Hij zich vanuit de verstikking kon oprichten.

Midden het onmenselijk lijden dat Hij onderging, zei Jezus o.m. volgende woorden:

- Vader, vergeef hun, want ze weten niet wat ze doen. (Lk. 23,34)

- Voorwaar, Ik zeg u: Vandaag nog zult gij met Mij zijn in het paradijs (Lk. 23,43)

- Vrouw, zie daar uw zoon.  Vervolgens zei Hij tot de leerling: Zie daar uw moeder.

- Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest. (Lk.23,46)

- Eli, Eli, Lama Sabaktani  - Mijn God! Mijn God! Waarom hebt Gij Mij verlaten! (Mt.27,46)

- Ik heb dorst (Joh. 19,28)

- Ki asaaah! – Het is volbracht!

Als Jezus dan de laatste maal door de knieën zakt, stokte zijn adem bijna onmiddellijk en zonk zijn hoofd tot tegen zijn borst. Het grote offer, waarin heel zijn leven werd samengevat, was nu gebracht op het kruis.


(4) Paasfeest in de lente in Jeruzalem

Jezus stierf in de lente in Jeruzalem toen het Paasfeest gevierd werd. Deze vermelding in de evangeliën (waardoor ook vandaag in de christelijke kerkgemeenschappen Pasen in de lente wordt gevierd). Van die ‘lente’ en ‘Jeruzalem’  lijkt ook de Lijkwade weer bepaalde gegevens te bevatten.

Uit de STURP-analyse in 1978 komt naar voren dat er menselijk bloed is gevonden en ook graspollen die uit de 1ste eeuw stammen en uit de regio Israel


(5) Bloed van een Joodse man

In Electronic Telegraph vemeldt men het boek “Het DNA van God?”van een voormalig professor in de microbiologie, dr. leoncio Garza-Valdez. Daarin geeft hij o.m. de resultaten aan van onderzoeken van zijn collega’s aan de Universiteit van Texas en wat blijkt?  De rode vlekken op de lijkwade zijn geen verf, maar integendeeld bloedvlekken. Het bloed is zeer oud, bevat XY-chromosomen (is dus van een mens en van een man); het is van een man met een AB-type, een bloedgroep die typisch is voor Joodse mannen.  Ook deze professor, een aktief katholiek christen getuigde: "Niet veel mensen in de eerste eeuw leden al deze verwondingen, de kruisigingswonden, de doornenkroon, de speerwond in de rechterzijde van de borst, de geselingen,"  Deze gegevens die de lijkwade ons aanreikt, verwijzen opnieuw volledig naar die ene terechtgestelde Joodse man, Jezus van Nazareth, door velen erkend als ‘Yeshua Hamashiah’, Jezus de Messias, de Gezalfde, de Christus.

  NAAR INHOUD      NAAR TOP    


DOSSIER LIJKWADE VAN TURIJN  (4) (GL2012.4)

Bijeengelezen door Ben Van Vossel


2.2. Verdere overeenkomsten tussen de Lijkwade en wat Jezus is overkomen (vervolg)


(6) Joodse man

De voeten waren door één nagel doorboord en tegen de balk gespijkerd. In het Joodse land (het jodendom was een toegelaten godsdienst bij de Romeinen) mocht een dode niet tijdens de nacht aan het kruis blijven; de terechtstelling moest dus kort duren en dit verkreeg men door geen voetbankje onder de voeten tegen de kruisbalk aan te brengen. De Romeinen waren toendertijd zulke lieve mensen dat ze de gekrusiigden zolang mogelijk lieten afzien op het kruis en dus een voetbankje aanbrachten zodat de gekruisigde langer in leven bleef. In het Joodse land moest het er vlugger aan toe gaan wegens het godsdienstig gebruik. De gekruisigden kregen geen voetbankje; om zich uit de verstikking te redden, moesten zich dus maar oprichten op de nagel die door hun voeten was geslagen: een pijnlijke zaak zodat de dood wel wat vlugger kon intreden zoals bij Jezus het geval was. De opgezette borst (= verstikking) en de  wonde van de doorboorde voet wijzen in de richting van een kruisiging zonder voetsteun en dus naar een Joodse man.


(7) Prototype van mandylion en andere afbeeldingen van Christus

In het Oostelijk deel van de christelijke wereld (Byzantijnse rijk…) vinden we een overvloed Lijkwade-Gelijkaardige afbeeldingen (b.v. het gelaat van Christus op doek), het zogenaamde mandylion) . Deze afbeeldingen die sterk op de afbeelding op de Lijkwade gelijken, zijn echter heel wat ouder dan de veertiende eeuwconclusie van de radioactieve koolstof. Ook komen deze tradities bijna uitsluitend voor in Oostelijk Christendom (Byzantium) bij zoverre dat we moeten veronderstellen dat ze naar een prototypye gemaakt zijn dat aan de oorsprong ligt van heel wat van die afbeeldingen. Omdat de Lijkwade geen bewijzen levert dat ze het resultaat is van menselijk vakmanschap, en anderzijds heel wat intrinsieke kenmerken van deze pictogrammen vertoont, is het inderdaad redelijk een hypothese naar voor te schuiven dat de Lijkwade, in feite het prototype is van die afbeeldingen en dus meteen duidelijk ouder moet zijn dan de 14de eeuw zoals de betwistbare koolstofdatering aangaf.


(8) Geldstukken op ogen

Uit de verslagen van Jumper leren we dat er geldstukken op de ogen lagen van de man in de Lijkwade. De Jezuïet, pater Francis Filas, liet de foto’s die Enrie genomen had vergroten en bevond dat de vage tekens die hij op het rechteroog kon onderscheiden, overeenkwamen met de gegevens van een bronzen Romeinse lepton, geslagen in 29 na Christus op last van Pilatus (ter ere van keizer Tiberius). Op het betreffende geldstuk staat echter een lachwekkende (Romeinse) fout in het Griekse randschrift van die munt (CAICAROC in plaats van het Griekse KAICAROC. Je kan het vergelijken in onze taal met ‘ceizer’ en ‘keizer’; en dus zal die munt uit het jaar 29 wel niet lang in omloop geweest zijn.

Indien de bevindingen van pater Filas (later bevestigd door dr. Alan en Mary Whanger, die bovendien een andere Pilatusmunt meenden te onderscheiden op het linkeroog) bevestigd worden zou dit opnieuw een sterke aanwijzing zijn voor de ouderdom van de lijkwade en een zoveelste verwijzing naar de Lijkwade waarin Jezus werd gelegd na de kruisafneming. Ook deze vastellingen hebben echter hun tegenstanders die opmerken dat je uit de te vage vergrotingen van de Enrie-foto’s om het even wat kunt opmaken.


  NAAR INHOUD      NAAR TOP    


DOSSIER LIJKWADE VAN TURIJN  (5)  (GL2013.1)

Bijeengelezen door Ben Van Vossel


Nadat we in vorige afleveringen de afbeelding op de ‘Lijkwade van Turijn’ onder de loupe genomen hebben, willen we nu een paar eigenschappen aangeven van het doek zelf; sommige zaken hebben we reeds eerder aangeraakt.


3 Het doek zelf waarop de afbeelding wordt weergegeven

- Ouderdom en wijze van weven.

De Lijkwade is van een uitstekende kwaliteit vlas gesponnen en geweven, hoewel een beetje verkleurd, is ze zacht en lichtglanzend gebleven. Door met behulp van electronenmicroscopen en vergrotingen tot 20.000 maal kon prof. Morano de bevindingen van archeoloog Maurice Pillet bevestigen dat het lijnwaad van Turijn nauw verwant is met andere weefsels uit de antieke tijd, bv. graflinnen uit piramiden of catacomben.

Dankzij datzelfde vergrotingssisteem kon men zien dat op de lijkwade alleen vlasdraden zijn en toch ook sporen van een andere plantaardige vezel, nl. katoen. Er is echter geen residu van wol! Deze vaststelling verwijst opnieuw  naar de Joodse oorsprong van het gebruikte lijnwaad. Door de Joodse Wet (de Torah) was het verboden van op eenzelfde weefstoel garens van dierlijke oosprong (schapenwol bv.) te vermensgen met garens van plantaardige oorsprong (zoals vlas, katoen). Boie merkt daarbij nog op dat het katoen, dat men hier en daar aantreft op de lijkwade, van de soort Gossicum Herbaceum is dat in de Oudheid in het Midden-Oosten werd verbouwd en verwerkt, maar nergens in Europa.


- Groot doek

Het is wel duidelijk dat niet iedere eenvoudige Joodse familie zich een doek van de grootten en de degelijkheid als de Lijkwade kon aanschaffen. Dat deze lijkwade zo opvallend groot en van uitmuntende kwaliteit is, verwijst weer naar het gegeven uit het evangelie dat ze werd aangekocht door een rijk man,  Jozef van Arimatea, die in het geheim een leerling was van Jezus en toch een vooraanstaand lid van de Hoge Raad (het sanhedrin).  Hij legt Jezus’ lichaam neer in het nieuwe totsgraf dat hij voor zichzelf had laten uithouwen. De evangelist Johannes vermeldt nog een andere traditie waarin Jozef wordt geholpen door Nicodemus, een farizeeër, die ‘behoorde tot de voornaamsten van de Joden’,  Ook deze was volgens Johannes in het geheim een leerling van Jezus. Jezus dit van zichzelf met Oosterse overdrijving zei dat de Mensenzoon geen steen had om zijn hoofd op te leggen werd dus wel rijk begraven; het doet zelfs wat denken aan de koninklijke begrafenis van Asa.


- De pollen

Het is geweten dat het stuifmeel van de planten zich overal neerzetten. Bij het oplossen van sommige misdaden is het naast andere gegevens ook een bruikbaar gegeven.

Een hoogleraar criminologie aan de universiteit van Zürich, dr. Max Frey.  Onder de microscoop ontdekte Frey dat zich tussen de draden van het linnen een hoeveelheid stof bevond. Hij mocht met kleefband enig stalen nemen van dat stof. Na enige behandeling bekwam hij stalen die hij kon vergelijken met stuifmeelproducerende planten die typisch waren voor bepaalde gebieden, Zijn bevindingen geven ons als het ware de route waarlangs de Lijkwade zich bewogen heeft i.e. de opeenvolgende streken waarlangs men haar vervoerd heeft. Het is alsof men een wandel- of looproute moet volgen en aan verschillende stopplaatsen eens tempel moet krijgen ter controle. Het gaat dan niet om overgewaaide pollen, maar over langdurige blootstelling aan stuifmeel. We zullend ze gegevens laten aanwenden bij het beschrijven de geschiedenis van de Lijkwade.

Toch moeten we hier weer opmerken dat ook deze bevindingen door sommigen sterk betwijfeld worden. Blijkbaar is dat voor veel onderdelen van de bewijzen voor de authenticiteit van de Lijkwade het geval. Blijkbaar heeft de syndonologie nog heel wat werk om uit de onzekerheid te geraken..


In een volgende aflevering nemen we even de geschiedenis van de Lijkwade onder ogen zoals sindologen ze gereconstrueerd hebben. Een geschiedenis doorheen 20 eeuwen met verscheidene aanknopingspunten maar ook heel wat onzekerheden.


2KRON.16,14 Hij (koning Asa) werd bijgezet in het graf dat hij zich in de Davidstad had laten uithouwen; men legde hem op een rustbed, dat geheel met welriekende kruiden en specerijen, volgens kunst toebereid, bestrooid was, en men ontstak een buitengewoon groot dodenvuur voor hem.


- Soort afdruk (schilderij? oppervlakkige afdruk?)


- Een ernstig probleem voor de Lijkwade van Turijn is toch dat het Johannesevangelie niet spreekt over een lijkwade maar over zwachtels (‘othonia’ in plaats van ‘syndonè’), zoals je wel eens ziet op afbeeldingen van de Opwekking van Lazarus, nl. een mens helemaal met linnen banden omzwachteld. Johannes, die zichzelf (of zijn verslaggever) een ooggetuige noemt, zou dan wel eens tegen de Lijkwade kunnen getuigen. Hoe zit deze zaak in elkaar?


   NAAR INHOUD      NAAR TOP    



DOSSIER LIJKWADE VAN TURIJN  (6 Slot)


Bijeengelezen door Ben Van Vossel


Terug te Jeruzalem?

Is de Lijkwade in Edessa gebleven gedurende de eerste eeuwen? Het is heel goed mogelijk dat keizerin-moeder Helena ook deze reliek liet overbrengen naar de nieuwe Heilig-Grafkerk te Jeruzalem. Dat zou meteen een uitleg zijn voor een preek van Cyrillus van Jeruzalem (bisschop in 348) over een lijkwade spreekt waarop de afbeelding te zien is van Jezus in het graf. Keizer Constantijn laat alle portretten van de ‘vergoddelijkte’ Romeinse keizers vervangen door de enige echte afbeelding van Jezus Christus: deze van de Lijkwade (op dat moment te Jeruzalem).

Nog in de VIIde eeuw (631) schrijft de bisschop van Zaragoza (Spanje) over een “sinds lang bekende en vereerde Lijkwade van Jezus Christus, die bewaard wordt in de Heilig-Grafkerk te Jeruzalem”.

Een gevaarlijk moment voor de Lijkwade was de verovering van Jeruzalem door de Perzen. Veel christenen werden vermoord en o.m. de H. Grafkerk in brand gestoken. Na de militaire bezetting (628) gaat de verering van de Lijkwade gewoon verder; ze is ontsnapt aan de vernietiging. De Benedictijnenabdij van Iona (Schotland) bezit een manuscript waarin de abt een reisverslag vermeldt van een Frankisch bisschop van de Franken (Arculf) die rond 640 maanden in het H. Land verbleef. Hij verhaalt de toestromende masse pelgrims die aanschuiven voor de kostbare reliek: “Het is een grote lijkwade, waarop het bevel van de Heiland in het graf staat afgedrukt. Ze is ongeveer 8 voet lang” (ong. 2.40 m. = de lengte van de voorkant van de opgevouwen lijkwade).

We hebben nog twee soortelijke getuigenissen: de H. Beda, de eerbiedwaardige, in zijn boek “Over de heilige plaatsen” (zeker vóór 731)  en Johannes van Damascus (ook rond die tijd).


Weer Edessa en dan Konstantinopel?

Als in 750 de fanatieke Abbassieden aan de macht komen heeft men de Lijkwade vermoedelijk opnieuw uit Jeruzalem verwijderd. Het is mogelijk dat de lijkwade dan terug in Edessa is waar Byzantium nog wel de macht had. Opnieuw zien we te Edessa een enorme heropleving van de vering en het kpiëren van het “Heilige Mandylion”, het Heilig Gelaat niet-door-mensenhand-vervaardigd. Het enkel verwijzen nar het gelaat, bewijst dat de lijkwade op dat ogenblik enkel opgevouwen vertoont wordt. In de negende eeuw zijn er nog enkele echo’s die verwijzen naar de “eerbiedwaardige Heilige Lijkwade”.

Begin van de jaren 900 is Edessa, in het grensgebied tussen De Abbasieden en de Byzantijnen echt in gevaar. In 944 nemen de Abbasieden het in maar keizer Romanos I Lekapenos kan de stad weer veroveren en hij brengt de ‘Lijkwade van de Her Jezus’ in triomf naar Konstantinopel. De inwoners van Edessa werden verplicht om het hun zo dierbaar reliek af te geven aan de Byzantijnen, het was een keizerlijke eis opdat de stad niet vernield zou worden. De afbeelding van Jezus’ hoofd op een linnen doek werd hier mandylion genoemd, afgeleid van het Arabische woord mandil dat doek betekent en misschien enigszins verwijst naar ons woord ‘mantel’.  Er is ook twee documenten waarin de afbeelding beschreven wordt als zeer vaag, juist zoals op de Lijkwade van Turijn die inderdaad maar een flauwe afbeelding is. De Lijkwade van Edessa wordt nu ondergebracht in de kapel van Onze-Lieve-Vrouw van Blacherne te Konstantinopel, hoofdstad van het Byzantijnse (christelijke) rijk.

Ook in 1007 vermeldt het keizerlijk archief nog een de aanwezigheid van de Lijkwade in de Blacherne-kapel.

Tussendoor heeft er de spijtige scheuring plaats tussen de Oosterse en Westerse Kerk. (1054).

Rond 1090 bewondert de graf van Vlaanderen, Robecht de Fries de kostbare reliek in Konstantinopel. Hij beslist om keizer Alexios te gaan steunen. Ook uit de jaren 1100 hebben we verscheidene getuigenissen die de Lijkwade zagen in Konstantinopel. Een IJslandse abt beschrijft rond 1150 de weeftechniek van de lijkwade en er zijn nog meerdere getuigenissen uit de 12de eeuw.

In 1204, in plats van het Heilig Land te bevrijden, nemen ‘kruisvaarders’ Konstantinopel in. Een Waals ridder getuigt dat in het klooster Onze-Lieve-Vrouw van Blacherne de Lijkwade bevond, maar na de inname van de stad weet men niet waar ze gebleven is.  Toch komt ze weer boven water: 2 troonpretendenten voor de keizerlijke troon (van Konstantinopel) vragen paus Innocentius hen weer in het bezit te stellen van de Lijkwade die door de Bourgondische ridder Otho de la Roche naar Athene was meegenomen. De ‘Latijnse keizers’ – opnieuw in het bezit van de Lijkwade – bleven ze tentoonstellen in de Lijdensweek en speciaal op Goede Vrijdag…. Tot in 1261 een Byzantijnse keizer opnieuw Konstantinopel verovert en laat vermoedelijk de Lijkwade overbrengen naar het versterkte Smyrna onder de bewaking van de Hospitaalridders of Johannieters.


Van ‘de Charny’ tot het ‘Huis van Savoje’

Smyrna viel nu eens in handen van de Kruisvaarders dan weer in die van de Saracenen. In 1346 was het de beurt van de Kruisvaarders en Geoffroy de Charny ontving (of ontvreemdde) toen de kostbare reliek uit de handen van de Hospitaalridders. Zo kwam de Lijkwade in Lirey maar tenslotte geeft een familielid van de Charny ze over aan het Huis van Savoje & Piëmont. In 1418 is ze te Turijn, maar ze maakt nog uitstappen naar links en rechts tot ze tenslotte toch weer in Turijn terecht komt (1578). Ze raakt betrokken bij branden, moet hersteld worden, maar ze overleeft dat alles. Als Umberto II in 1983 overlijdt, erft het Vaticaan de Lijkwade maar ze moet in Turijn blijven.


Besluit

Hiermee beëindigen wij ons dossier over de Lijkwade van Turijn. Een reliek die heel wat verering heeft gekend als Lijkwade van onze Heer Jezus Christus. Haar echtheid is nooit officieel door de Kerk erkend, de verering wel toegelaten als bron van godsvrucht voor het Lijden van onze Heer. Voor velen is het ook vandaag nog een bron van beschouwing en zelfs een verwijzing naar de Verrijzenis van onze Heer en Heiland, Jezus Christus.


EINDE ARTIKEL


  NAAR INHOUD      NAAR TOP