GELOOF en LEVEN vzw



  
HOME

INHOUD


    NAAR INHOUDSOVERZICHT       


GELOOF EN LEVEN  JAARGANG 116 (2012) nr. 3

 

Frater Max Schmalzl  Red.  81  

Gebed om bevrijding door zegening  Zr. Claire Gagné, KCV  86  

Onderscheiding (4)  Naar F. Van de Eynde s.j.  88  

Boeiende Bekeringspreek  Naar Bernardus van Clairvaux  90  

Persoonlijk Pinksteren  Kard. John H. Newman  94  

Wakkere christen (vervolg en slot)   bvv  95  

Het gebed van de pastores   Naar Andrew Murray  99  

Aan een gokverslaafde  bvv  102  

De Boerenkrijg in het Waasland  Luc De Brant  103  

Heer, leer ons bidden   Enige getuigenissen  106  

De kerk in de wereld  Red.  108  

China Bisschoppen vrij  KerkNet/Ucanews/La Croix  109  

Comboni    Naar Kerknet  110  

Dossier: Lijkwade van Turijn (4)   Naar verscheidene bronnen  112  

Trisagion (vervolg en slot)   bvv  116  

Zalige Idesbald van Duinen (2)  Dom Nivardus van Hove  119  


     INHOUDSOVERZICHT        TOP VAN DEZE PAGINA  

FRATER MAX SCHMALZL

Red.

Wat de paters doen door middel van hun prediking,

doe ik door middel van mijn tekening

  

Evangeliseren

In zijn prachtig uitgegeven en rijk geïllustreerd boek over “Oude Gravures” schrijft Jos Van Bedaf dat het merendeel van de gravures die erin weergegeven worden, afkomstig zijn van de hand van de Beierse lekenbroeder-Redemptorist, Frater Max Schmalzl.  Op de eerste bladzijde van zijn boek haalt Bedaf de hierboven geciteerde veelzeggende woorden aan van deze broeder-kunstenaar: “Wat de paters doen met hun predikaties, doe ik met mijn illustraties.” Hoe bezeten hij ook was van tekenen en graveren, zijn eigenlijke doel was verkondiging van de heilsmysteries.

  

Bewierookt in een thesis

In haar thesis aan de Universiteit van Regensburg onder de titel  „Frater Max Schmalzl (1850–1930). “, Katholieke beeldpropaganda in de late 19de eeuw, schrijft M. Schwarzenberger-Wurster het volgende

„Vanaf zijn intrede in het klooster van Gars am Inn in  1871 tot het interbellum, schiep deze veelzijdig begaafde kunstenaar zijn uitgebreid en exclusief godsdienstig gemotiveerd werk, als schilder, illustrator, tekenaar, architect en vormgever van kerkmateriaal. Binnen de van elkaar afwijkende meningen van het Christelijke schilderen in de 19de  Eeuw, vertegenwoordigde Schmalzl de traditioneel-conventionele richting. Hij deed dit met een strenge nauwgezetheid, die zijn werk definitief hoogst individueel deed blijken … In opvallend contrast met zijn werk, dat op dat ogenblik door de volledige katholieke wereld werd gezocht en geacht, leidde Max  Schmalzl in het klooster van Gars am Inn het teruggetrokken leven van een lekenbroeder en plaatste zichzelf  en zijn artistieke capaciteiten volledig in dienst van de kerk. Schmalzl was zo consequent in zijn godsdienstige levensopvatting dat hij vaak in de zin van het middeleeuwse bescheidenheidtype zijn werken niet ondertekende.  De reconstructie van zijn levensomstandigheden kristalliseerde Max Schmalzl tot het vleesgeworden ideaal van de christelijke kunstenaar; een ideaal, dat door de christelijke kunsttheorie van de 19de eeuw vereist werd. In Schmalzl vond de opvatting van de nederige, vrome en arbeidzame schildermonnik, die de Nazarener en Beuroner reeds nastreefden, hun definitief hoogpunt.”

  

Een talent bouwt zich op...

In het reeds aangehaalde boek, schrijft Jos Van Bedaf dat Max geboren werd in Falkenstein, in Beieren, op 7 juli 1850.  In het gezin was hij het tiende kind. Vrij vroeg toonde hij veel aanleg voor tekenen. Maar bij hem thuis werd tekenen nu niet precies beschouwd als ‘werken’ en daarom werd hij eerst bouwvakker. Toch mocht hij spoedig bouwkundig tekenen leren. Bouw en architectuur zullen hem trouwens blijven vergezellen in zijn telkens mooi geconstrueerd artistiek werk. Bij zijn oom, die decorateur was, bekwaamde hij zich in het mengen van verf en het maken van sjablonen voor muurschilderingen; ook dit decoratieve element treffen wij onafscheidelijk aan in zijn liturgische tekeningen.

  

“Broeder” Schmalzl

In 1871 trad hij in bij de Redemptoristen; hij verkoos om geen priester (pater) te worden zoals zijn oudere broer, maar broeder te blijven. De Jezuïetenwet (in datzelfde jaar), waardoor de Jezuïetenorde verboden werd, trof ook de - zogenaamd verwante - congregatie der Redemptoristen. Twintig jaar leidde deze een soort ondergedoken bestaan. Zijn novicemeester, die ongetwijfeld ook reeds zijn tekentalent had ontdekt, bracht hem in contact met een uitgeverij die zich specialiseerde in liturgische boeken. Hij werd daar medewerker maar schilderde ondertussen ook muurschilderingen in kerken, kloosters en kapellen. Aanvankelijk werkte hij naamloos, ondertekende zijn creaties niet, tot zijn uitgeverij Pustet hem aanspoorde om toch te ondertekenen. Zo vinden we dan daarna ergens in een hoekje van de gravures de signatuur F.M.S. (Frater Max Schmalzl) en een enkele keer C.ss.R. (kenletters van de Redemptoristen). Terwijl men in volle Wereldoorlog was tekende hij “Onze Lieve Vrouw, Koningin van de Vrede”; zeker geen oorlogszuchtig man. Zoals de kunstenaars uit de Nazareense en Beuroonse kunstrichting vertoefde hij ook enige keren in Rome (o.m. bij de zaligverklaring van de heilige Redemptoristenbroeder Gerardus Majella in 1883). De laatste 6 jaar van zijn leven was hij ziek maar als het maar enigszins kon ging hij door met zijn verkondiging van het Evangelie doorheen zijn illustraties en schilderwerk.

De gravures, die eertijds onze grote en kleine zondagsmissaals en Getijdenboeken illustreerden, kunnen ons wat oubollig voorkomen vandaag. Zij zijn echter zeer figuratief, getuigen van een grote nauwgezetheid en steken vol christelijke symboliek en verwijzingen naar Bijbelse beelden en teksten.

  

De eerste communie (Laatste Avondmaal)

    De “Eerste communie” is een andere benaming voor het “Laatste Avondmaal”. We hebben deze gravure op de voorkaft van dit nummer afgedrukt, ter illustratie van het werk van broeder Max Schmalzl. We geven hier een korte uitleg van wat er te zien is.

Bovenaan (dit Oudtestamentisch tafereel staat niet op de voorkaft, wél op blz. 84, hiernaast)  staat in het midden de hogepriester Melchisedech (met Abraham geknield) die brood en wijn offerde aan God; links en rechts twee mooi versierde rechthoeken met korenaren en druivenranken (brood en wijn). Melchisedech is gekleed als een priester achter de tafel, die gedekt is als onze altaren. Op eenzelfde wijze vinden we helemaal onderaan het Joodse volk dat het Paaslam nuttigt; links granaatappels als symbool van Gods genaderijkdom en rechts de nog niet ontloken passiebloemen (Witte donderdag, de ‘eerste communie’ was ook het Laatste Avondmaal, op de avond vóór zijn Lijden). In de Hebreeënbrief wordt Jezus vaak als de verwezenlijking gezien van de verheven hogepriester Melchisedech (o.m. in het 5de hoofdstuk) en de heilige Eucharistie als vervulling van het reddende Paasmaal.

    Op de grote afbeelding zien we achter Jezus (in albe en met stola en singel) opnieuw korenaren en druivenranken; links en rechts olijvenbladeren. Petrus, de eerste paus, heeft al gecommuniceerd en is in dankzegging verzonken, de handen gekruist zoals bij het communiceren van de Oosterse christenen; misschien hebben ook de andere apostelen naast Petrus reeds gecommuniceerd; een van de apostelen geeft het schaaltje, de pateen, terug.

Terwijl alle apostelen geconcentreerd en eerbiedig staan afgebeeld, zittend, staand of  knielend, zit Judas (zonder aureool) er wat ongemanierd bij, de benen over elkaar geslagen, met zijn elleboog leunend op het altaar en in zijn linkerhand de hem typerende geldbeugel (met de romeinse XXX = 30 zilverlingen): een koele toeschouwer, geen gelovige deelnemer aan dit grote Geheim. De tafel die inderdaad als een altaar is afgebeeld toont ook de kelk en twee kannetjes (water en wijn). Rechts onder Judas zien we Broeder Max’s kenletters: FMS.

    De teksten bovenaan verwijzen naar het priesterschap van Jezus: Gij zijt priester volgens de orde van Melchisedech (die ook brood en wijn offerde)(psalm 109, 4). Beneden luidt de tekst: “ieder neme een lam per familie en huisgenoten” (Exodus 12,3).

Hiernaast: Sacramentsprocessie; priester draagt Monstrans met H. Sacrament onder een baldakijn. Helemaal beneden rechts: : FMS (Frater Max Schmalzl)

EINDE VAN DIT ARTIKEL

      INHOUDSOVERZICHT        TOP VAN DEZE PAGINA  


  

GEBED OM BEVRIJDING DOOR ZEGENING

Zuster Claire Gagné is een Canadese zuster van Liefde die als missionaris werkzaam is in Haïti. Zij houdt daar veel “genezingsdiensten”, waarbij ze sterk bidt voor genezing en innerlijke bevrijding. Daar is veel nood aan in Haïti en… er zijn weinig artsen. In Haïti, waar de voodoo toch nog altijd een woordje meespreekt. Dat verklaart wellicht gedeeltelijk de nadruk in dit gebed op het bezweren van kwade machten en kwade invloeden. Anderzijds zijn ook onze contreien zich aan het losweken van het christelijk erfgoed en ontmoet men er ook opnieuw beïnvloeding door occulte krachten en allerlei verslavingen die de mens omknellen in een wurggreep. Met dit gebed van zuster Gagné willen wij ons helemaal onder de heerschappij en de heilzame werking stellen van Jezus, de enige Redder die ons door God gegeven is, en onder de invloed van de Heilige Geest, de Helper.

  

Heer Jezus, bedek mij met Uw kostbaar Bloed.

Bedek ook dit huis en allen die er wonen,

er aanwezig zijn of er even langskomen.

Wil ook al mijn vijanden bedekken met Uw Kostbaar Bloed.

In Jezus’ Naam verbied ik iedere onheilbrengende geest

wie of wat dan ook aan te vallen in mijn huis of verblijf.

In de Naam van Jezus en door de Kracht van Zijn Heilige Geest

vernietig ik de uitwerking van ieder woord dat men tegen mij heeft uitgesproken.

  

Ik vernietig en verwerp het effect van ieder gebaar,

elk ritueel dat boosaardig op mij kan inwerken.

In Jezus’ Naam bevrijd ik mij en maak ik me los

van ieder woord, ieder gebaar, elk ritueel

(iedere occulte of metapsychische gedachte)

die angst, onrust, verdrukking, ziekte, vervloeking of wat dan ook kan uitlokken!

In de Naam van Jezus verbreek ik elke negatieve band

die er is tussen mij en al mijn vijanden, tussen mij en al mijn voorouders.

In Jezus’ Naam zet ik al het kwaad,

dat mijn vijanden me hebben aangedaan, om in Zegeningen.

Geest van Heiligheid, Geest van Zegen, stort U uit over mij.

Doordring en overrompel geheel mijn verstand,

geheel mijn verbeelding, geheel mijn geheugen

en geheel mijn brein. Vernietig er alle oorzaken van verwarring.

Geest van Heiligheid, Geest van Zegen,

dring door tot in het diepste van mijn hart.

Genees er elke wonde en verwijder er alle gevoelens die niet van U zijn.

Geest van Zegen, stort U uit over mij en neem geheel mijn lichaam in bezit.

Doordring mijn inwendige organen, mijn zenuwstelsel,

mijn ademhaling, mijn klieren, spieren en beenderen.

Heilige Maagd Maria,

maak mij los van alles wat niet van Jezus is.

Wikkel mij zorgvuldig in uw moederlijke mantel.

Heilige Maagd Maria, ik bid U,

smeek zonder ophouden de Heilige Geest over mij af,

de Geest van Zegen en Heiligheid.

AMEN

 EINDE VAN DIT ARTIKEL

    INHOUDSOVERZICHT        TOP VAN DEZE PAGINA  


ONDERSCHEIDING (4)

Vrij naar Francis Vanden Eynde s.j.

In deze aflevering zetten we nu eindelijk concrete stappen in de onderscheiding der geesten volgens Ignatius van Loyola

  

Tweede ervaring.

Ik moet eerst een goed zicht hebben op wat me overkomt, wat ik innerlijk meemaakt, wat me beweegt. Pas dan ben ik in staat betreffende die toestanden een goede beslissing te nemen.  

- Denk eens terug aan wat we vertelden over de pasbekeerde Ignatius toen hij zijn muilezel liet beslissen of hij een moslim al of niet zou doden omdat die Maria beledigd had.

Dat was een zeer ongeestelijke onderscheiding’, eigenlijk kompleet dwaas, wat ezelachtig eigenlijk, want totaal in tegenspraak met het evangelie. Maar zo’n wat eenvoudige onderscheiding treffen we ook aan in het beginnende christendom:

- Toen de apostelen nog niet erg thuis waren in het geestelijk onderscheidingsvermogen hebben zij het lot getrokken om te weten wie hen moest vervangen bij het sociale dienstwerk. Eigenlijk was dat ook wat aan de simpele kant.  God kan gelukkig iedereen gebruiken voor om het even welke dienst, maar is het dan zeker dat God die bepaalde persoon voor die bepaalde taak bestemde? Het lot kan op de jongste vallen, of op de oudste, de heiligste, de handigste. Eigenlijk zouden wij midden die geestelijke spanningen zover moeten komen dat we vrij duidelijk kunnen zien wat God van ons vraagt. Hoe kunnen we dat dan doen?

Welnu Ignatius van Loyola werd zich bewust van een tweede ervaring en hij heeft dit aan zijn volgelingen (en aan ons) doorgegeven. Die ervaring bestaat in het gezonde onderscheiden dat er steeds een overgang van een ervaring naar een andere ervaring. Ignatius tracht het ons als volgt duidelijk te maken: “Ineens viel het van mij af zoals je iemand zijn mantel afneemt. Ik was in het donker en nu is het voorbij. Ik was er helemaal niet op bedacht en ineens overvalt het mij dan.” Maar wat bedoelt hij nu eigenlijk, want heel duidelijk is dit toch niet.

  

Welke zijn die twee toestanden waar hij het over heeft?

Hij bedoelt dat als wij onze ervaring op het gebied van het innerlijk leven willen verdiepen, wij daar eerst een beter zicht op moeten krijgen.

(a) Er zijn bijvoorbeeld eerst situaties waarin ik mij rustig voel, vol geestelijke vreugde, in eenheid met God, die mij heel nabij schijnt; de geloofswaarheden lijken mij duidelijk; ik heb helemaal geen twijfels of moeilijkheden met mijn vertrouwen in God en er zit vurigheid in mijn geestelijk leven, ik bid gemakkelijk, ik kan mezelf gemakkelijk vergeten om dienst te bewijzen, zieken te bezoeken, ik doe gemakkelijk aan liefdadigheid, ik lees graag in de heilige Schrift of in heiligenlevens ...

(b) Maar er zijn de andere dagen dat me dat allemaal maar bizar lijkt, ik vraag me af of het wel echt is, of geloven wel zinvol is; ik heb geen zin om te bidden, geen zin in geestelijke lectuur, God lijkt mij afwezig, ik voel mij teruggevallen op mezelf, ik ben ontmoedigd over mijzelf, ik heb nergens meer zin in: bidden, andere mensen, het zegt me allemaal niets!

  

Die twee dus goed onderscheiden

Ik ervaar dus twee verschillende gesteldheden: In het geestelijk leven worden ze “desolatio” (troosteloosheid, verlatenheid) en “consolatio” (de vertroosting, troost) genoemd. Het is natuurlijk iets heel anders dan manisch of depressief gedrag.

Van die geestelijke tweespalt in mijn gesteltenis moet ik me bewust worden. Als ik dus plotseling merk dat ik in een geestelijke afkeer geworpen ben, moet ik niet denken dat alles voorbij is, dat ik nu in een ongeestelijke periode ben. Ik moet gewoon weten dat ik op dit ogenblik in verlatenheid ben. En dit vraagt dus om een wat geordend geestelijk leven.

Maar wat moet ik in die toestand van verlatenheid of vertroosting doen? Dit wordt onze derde ervaring. (Vervolgt)

EINDE VAN DIT ARTIKEL

     INHOUDSOVERZICHT        TOP VAN DEZE PAGINA  



BOEIENDE PREEK

Een bekeringspreek van

de heilige Bernardus van Clairvaux

  

Gevraagd door de bisschop

Bernardus van Fontaines, abt Bernardus van Clairvaux, was een geweldig man, met een enorme aantrekkingskracht op allerlei personen: sommigen (eigenlijk zeer velen) volgden hem naar zijn strenge kloosters van de Cisterciënzers, anderen (soms steden, soms vorsten, ook keizer Lotharius en paus Innocentius) kon hij met elkaar verzoenen, hij bracht geweldig veel mensen tot bekering (zelfs de advocaat van tegenpaus Anacletus). We willen onze abonnees en andere lezers laten profiteren van een bepaald optreden van Bernardus toen hij in 1140 (ja, eventjes geleden dus) door de bisschop van Parijs gevraagd werd om zijn priesters en kanunniken eens goed onder handen te nemen; hun geestelijke plichten wogen hen blijkbaar lichter dan hun materiële voordelen.  

  

Een lastige opdracht

Bernardus hapt toe, laat zijn abdij nog maar eens achter en geeft aan die geestelijken een sermoen over “hun bekering”. Natuurlijk waren er toentertijd duizenden geestelijken die wél een deugdzaam en voorbeeldig leven leidden, maar om hén was het Bernardus nu eventjes niet te doen. Hij richtte zich tot de anderen: de gierigaards, de ambitieuzen, de hoogmoedigen en pronkzuchtigen, de overspeligen... “Bekering en nog eens bekering!” Dàt werd het thema van zijn preek, die wel eventjes wat tijd in beslag nam. Het zou een preek worden die aan de ribben bleef plakken. Maar hij pakt dat radicale sermoen zo fijntjes in dat allen met spanning luisteren, terwijl ondertussen de woorden toch diep doordringen in hun hart en hen tot bekering dwingen.

Aangepast aan die riddertijd stelt hij het voor als een spannende strijd tussen de deugden en de ondeugden. Het wordt een meeslepend verhaal.

  

Ik ga me bekeren!

Hij schetst hoe het er in de ziel van zijn zwakke toehoorders aan toe gaat. Voor elke ziel doen zich gevaren voor, dat zal ieder van jullie wel voor zich kunnen erkennen: soms maak je jezelf vrijwillig wat wijs, soms is je wil te zwak en neem je geen echte beslissingen, en je kent ook allen vernederende capitulaties, nederlagen. “Inderdaad, denken de toehoorders, dat kennen we heel goed.” Bernardus gaat verder: kijk nu eens hoe het zich voordoet, hoe we een heel deel illusies koesteren: een berouwvolle zondaar veroordeelt bijvoorbeeld zijn buik tot matigheid, zijn (begerige) ogen tot eenvoud en bescheidenheid in plaats van alles te moeten hebben wat men ziet, en hij veroordeelt zijn hebzuchtige handen tot het geven van aalmoezen. Prachtig, zal je zeggen, maar deze arme zondaar bedriegt zichzelf als hij nu gaat denken de baas te zijn.

  

Maar wat met mijn zwakke wil?

In een tweede scene stel je immers vast dat die buik, die ogen en die hand, die hij tot verstervingen wou dwingen, als volleerde toneelspelers aan de zondaar zeggen: “Wat krijgen we nu? Nieuwe tuchtmaatregelen? Je zal spoedig vaststellen dat er iemand is die daar tegenin zal gaan en je tegenspreken.” “Ha ja, zegt de zondaar, wie zal dàt dan wel zijn?” “Ho, zeggen de zintuigen, die hinderpaal en tegenspraak gaan wij opzetten tegen u; we gaan een lamme opwekken die jijzelf in huis hebt en aan wie jij ons bevolen hebt te gehoorzamen.” Bij dat dreigement wordt de zondaar toch wat bleek en onzeker… En met reden, zegt Bernardus, want die lamme… dat is de wil die overgeleverd is aan de begeerlijkheid. Bernardus volgt dus de redenering van de zinnelijke lusten met hun bedreiging.

  

Klaagzang van mijn begeerten

In een derde scene laat hij die lusten hun klaagzang zingen waarin ze zich beklagen over de poging van hun meester (de rede)  de verstandelijke beslissing van de zondaar tot bekering).

Opstand van de wil tegen de beslissing van de rede

En daarom schetst Bernardus een vierde scene: oorlog, storm op zee! De Wil, zo zegt Bernardus vliegt op als een oude vrouw in razernij. Deze Wil schreeuwt naar de Rede van de zondaar: “Maar zie nu toch eens hoe jij me behandelt! Zie eens hoe medelijdend jij voor mij bent! Een ware schande! Als jij al genezen bent van de wellust en van de nieuwsgierigheid en van de ambitie, wel, ik ben het in ieder geval niet! Deze drievoudige zweer maakt van mij een wonde van de voeten tot het hoofd. Deze drie lusten behoren mij toe hoewel ze me – toegegeven - nooit helemaal bevredigen! Ga jij me nu beroven van die - overigens onvolmaakte - vertroostingen die ze me geven? Ik heb je trouwens in mijn greep, hoor, en dat zal nog lang zo zijn. Ik ben tenslotte jouw wil.”

  

De uitweg

Na zo’n aanval blijft de zondaar ontredderd achter. De rede wil wel een ander leven, maar de wil, verzwakt door de begeerten, wil geen verandering, geen bekering. Bernardus heeft het prachtig maar met overtuiging gespeeld. Je ziet het geestelijke (maar zondige) gehoor van Bernardus daar ook ontdaan zitten. Die tientallen priesters en kanunniken en kloosterlingen. Want ja, ze zouden zich wel willen bekeren, maar Bernardus heeft gelijk, hun wil is ocharme zo zwak, ze zitten echt vast aan hun begeerlijkheid, hun hoogmoed, hun wellust, ze kleven vast aan de aarde…

Inderdaad, zegt Bernardus, er is zoveel dat ons vasthoudt en onze wil is zo zwak… maar, maar… er is een uitweg, een reddingsboei, er is … het Gebed!

Ha ja? En dan begint Bernardus aan die zondige geestelijken te spreken over de verschillende graden van het gebed die de zondaar tot de bevrijding zullen voeren.

Dat wordt dan de psychologische benadering na de storm. De Rede gaat op een zachte manier de Wil (die o zo zwakke wil) voor zich winnen: “Hou nu toch eens op met u beledigd te voelen, ik zou u trouwens niet kunnen beledigen, maar… ik heb een heel mooie tuin ontdekt. Het zou echt fijn zijn als jij en ik daarin zouden verblijven, want het zou toch dwaas zijn je te liggen afmatten op jouw lijdensbed.” En Bernardus spreekt zijn vaste hoop uit dat met de hulp van de Heer, doorheen het gebed, de Wil stilaan gaat verlangen om dat verblijf te zien en tenslotte er te willen verblijven, in die “zeer mooie tuin…”

  

Een preek met resultaat (minstens voor abt Bernardus)

Beste lezer(es), wil je nog weten waar die preek op uitliep? De abt heeft opnieuw een onverhoopt succes. Een twintigtal van die bekeerde geestelijken trekken met Bernardus mee, want zij willen penitentie doen. Hij brengt hen naar Saint-Denis om te overnachten; de volgende dag trekt hij met hen naar Parijs, waar hij tussendoor nog 3 andere geestelijken plukt die in plaats van de parfums van Parijs de parfums van het strenge Cîteaux verkiezen en met dit groepje toekomstige monniken verlaat Bernardus de Berg Sainte-Géneviève en trekt hij naar het helder dal  (claire vallèe), zijn abdij, Clairvaux.

EINDE VAN DIT ARTIKEL

       INHOUDSOVERZICHT        TOP VAN DEZE PAGINA  

  

PERSOONLIJK PINKSTEREN

Kard. John Henry Newman

Heer Jezus,

Overspoel mij met Uw Geest en Uw leven.

Neem bezit van heel mijn wezen

opdat mijn leven slechts een weerspiegeling zij van het Uwe.

  

Straal door mij heen, woon in mij,

dan zullen allen die ik ontmoet

bij mij Uw aanwezigheid voelen,

en als ze mij bekijken, zullen ze enkel U zien,

Heer!

Blijf in mij

dan zal ik zoals U kunnen stralen,

en op mijn beurt een licht zijn voor de anderen,

licht, dat volledig van U zal uitgaan, Heer.

Gij zijt het die doorheen mij de anderen zult verlichten.

  

Zo zal mijn leven een lofzang worden van uw heerlijkheid,

de lofzang die Gij verkiest:

U laten stralen over hen die mij omringen.

  

Door de overduidelijke volheid van de liefde

die mijn hart U toedraagt.

Amen

EINDE VAN DIT ARTIKEL

       INHOUDSOVERZICHT        TOP VAN DEZE PAGINA  


WAKKERE CHRISTEN (2)

 Ben Van Vossel

U herinnert zich uit ons vorig nummer misschien nog de afbeelding van een Romeins soldaat in volle wapenuitrusting. Sint Paulus heeft zich op zo’n tot de strijd voorbereide knaap geïnspireerd in de brief aan de Efesiërs. Christenen zouden ook een soort geestelijke wapenrusting moeten hebben om als christen stand te houden in deze tijd. Wij moeten – zo schrijft Paulus, onze kracht zoeken bij de Heer en zijn almacht. Beneden aan deze bladzijde vind je nog even de tekst van de apostel uit de Efesiërsbrief (Ef. 6,13-20).

Paulus begint met ons uit onze te zetel trekken, of beter, hij giet een glas water over ons hoofd om ons goed wakker te krijgen. Want je moet geen slapende christen zijn, maar een christen die op zijn hoede is. Een wakkere christen!  Dat staat in het woordje “Staat dan!”, “Sta pal” wat het parool was van die Ridder van de Orde van het Heilig Graf van Jeruzalem, waar we het vorige keer over hadden.

  

De gordel der waarheid

Eerst moeten we om ons middel een stevige gordel aantrekken over onze (Romeinse) toga: de gordel van de waarheid. Die voel je altijd, die gordel. Je moet geworteld zijn in de waarheid, daar moet je alles aan toetsen wat op u afkomt. Als in een van de laatste uitzendingen van “Witse” er bijna openlijk publiciteit wordt gemaakt voor “euthanasie” (evenals in een lezersbrief in het "Christelijk opinitieweekblad" Tertio) dan moet deze gordel om je lenden je eraan herinneren dat je in de christelijke waarheid moet staan, en geen (soms goed bedoelde) halfslachtige redenen moet aanvaarden die je doen afwijken van fundamentele waarden van het evangelie.

  

Het harnas der gerechtigheid

“Gerechtigheid” kan in de Bijbel een dubbele betekenis hebben. Je bent maar gerechtig als God je “gerechtig” oordeelt, als God je goedkeurt, tevreden is over je. Anderzijds is er zo’n ideaal van gerechtigheid dat je kan nastreven: bepaalde deugden, een christelijk gedrag of handelwijze. Maar uiteindelijk mag dit ideaal geen eigen leventje gaan leiden, het moet altijd te maken hebben met God: tenslotte is Hij het die ons gerechtig maakt. Sommigen zijn expert in deugdbeoefening maar ze vergeten bijvoorbeeld om gewoon wat vriendelijk te zijn voor anderen.

Het harnas der gerechtigheid kan dan betekenen dat wij ons altijd moeten afvragen wat God van ons denkt, keurt Hij ons  goed (en ons gedrag, de inrichting van onze woning, onze zakelijke bezigheden en beleggingen en plannen…)?  Wij kunnen ons erin oefenen, maar uiteindelijk moeten we weten dat God ons de kracht ertoe geeft en dat Hij de finishing touch zal moeten aanbrengen. Hij moet ons gerechtig (tsaddiq) verklaren, maar ondertussen trachten wij ons erop toe te leggen om als een tsaddiq (gerechtige) te leven, te leven zoals God het graag heeft. Een kleine opmerking hierbij: een tsaddiq is niet noodzakelijk iemand met een gelaat dat nooit glimlacht, een azijnplasser; misschien is het net andersom. Paulus vermeldt de “vreugde” bij de eerste kenmerken van iemand die onder invloed is van Gods Geest.

  

Het schoeisel van de evangelisatie

Naar het schijnt is het gezond om op blote voeten te lopen, liefst op het gras, iets minder op het grintpad. Maar als je ten strijde trekt, zoals de christen die Paulus hier bedoelt dat moet je stevige schoenen aan je voeten hebben. Welnu, wij lopen als christen al te dikwijls zonder schoeisel.  Paulus bedoelt hier: wij moeten getuigen van ons geloof, want daardoor versterkt het. Door over ons geloof te spreken, maar meer nog door te getuigen van wat voor ons het geloof betekent in ons leven, daardoor groeit ons geloof in de diepte. Het is dus belangrijk voor onszelf dat we aan iemand zeggen: Ik zal bidden voor de genezing van je kind. Ik ervaar zelf veel steun door het gebed enz. En bovendien deel ik zo aan mensen iets mee van wat ik zelf belangrijk vind en waar ik de waarde van mag ervaren. Om eventjes in de sfeer van onze soldaat te blijven: evangelisatie is een tweesnijdend zwaard.

  

Het schild van het geloof

In de wereld van vandaag sta je vaak midden een onweer van waarheden die in strijd zijn met het christelijk geloof. Je hoort de in de winkel, je leest die in je krant, ze worden over je uitgegoten in allerlei teeveeprogramma’s en feuilletons.  Een zo kan er twijfel groeien in je hart. Want iedereen zegt het, iedereen denkt het…

Je moet dan teruggrijpen naar je geloof, de grote punten van je christelijk geloof (“Ik geloof vast al wat Gij geopenbaard hebt en door de heilige Kerk mij voorhoudt te geloven”). Het gaat dan niet over het mooie weer, over politieke stellingsnamen enz… Maar die grote punten van het geloof, het geloof van je doopsel, die moet je als een schild gebruiken tegen al wat je zou doen wankelen. “Hanteert daarbij het grote schild van het geloof, waarmee gij alle brandende pijlen van de boze kunt doven”. Dat schild mag je niet uit je handen laten slaan, niet door grimmige of spottende of gewoon vriendelijke tegenstanders of halfslachtige medestanders...

  

De helm van het heil

Met de helm van het heil bedoelt Paulus dat we – als we echt bij Jezus aansluiten – we gered zijn. Dat is de naam van Yeschoua: Redder. Vroeger kwam het meer voor dat mensen zich op sommige momenten van hun leven zo ongerust voelden dat het de vreugde uit hun leen wegnam. “Je bent verdoemd, je bent slecht, je komt in de hel”, en dat soort dingen.

Als je bij Jezus aansluit, als Hem je Heer en Redder noemt, je Herder… dan hoeft er geen angst meer in jou te zijn.  Denk dan terug aan die heuvel buiten Jeruzalem, waar een rover gekruisigd was naast Jezus. “Jezus, denk aan mij wanneer je in je Koninkrijk bent”. “Vandaag nog zul je met Mij zijn in het paradijs”.

Paulus schrijft in zijn grote Romeinenbrief: “Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus?  … Ik ben ervan overtuigd, dat noch de dood noch het leven, noch engelen noch boze geesten, noch wat is noch wat zijn zal, en geen macht in den hoge of in de diepte, noch enig wezen in het heelal ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, die is in Christus Jezus onze Heer.” (Rom.8,35.38-39)

  

Het zwaard van de Geest: het Woord van God

We kunnen om ons te verdedigen wel geleerde wijsheden verkopen, en het is goed dat er geleerde christenen zijn die aan apologie of geloofsverdediging doen. Wij moeten gewoon ons klein levensgetuigenis geven en… soms gewoon een eenvoudig woord uit de Schrift. Dat heeft kracht in zichzelf. Natuurlijk moeten we daarom wat contact houden met het geschreven Woord van God en vertrouwen op de Bijstand van de heilige Geest. . Bovendien mogen wij ons vastklampen aan de beloften van de Heer in de Bijbel…

  

Het gebed

Paulus beëindigt zijn beschrijving van de uitrusting Gods met een vraag om te bidden. Wij kunnen bidden en nachtwaken houden voor onze eigen geestelijke groei, maar ook voor de noden van onze medechristenen en voor de wereld, voor de zieken, de ouders en opvoeders en voor de verantwoordelijken van de Kerk en van onze parochie en voor de missionarissen.

 EINDE VAN DIT ARTIKEL

    INHOUDSOVERZICHT        TOP VAN DEZE PAGINA  


  

HERDERS HOREN TE BIDDEN

  

U bent herder

Er lopen nogal wat herders rond op de wereld rond, alleen weten ze het zelf niet altijd dat ze herder zijn, en ze gedragen zich ook niet altijd als  herders. Ik heb het hier niet over de herders die met een kudde schapen of eventueel andere dieren rondtrekken, maar over christenen die pastorale (= herderlijke) verantwoordelijkheid dragen over een groep van de kerkgemeenschap of erbuiten. Dat zijn met name priesters, en natuurlijk eveneens de diakens, de parochieassistenten en de christelijke leerkrachten, vooral ook zij die de lessen godsdienst, catechese of moraal geven. Maar er zijn nog heel wat andere mensen met de pastorale, herderlijke zorg belast tegenover anderen, vaak jongeren of kinderen. Op de eerste plaats komen daar de ouders, peter en meter, familie, jeugdleiders, zeker ook de catechesegezinnen of personen die een catechesegroepje begeleiden. Ik vermoed zelfs dat alle leden van de Jezusgemeenschap (ook de jonge christenen!) zich bewust moeten zijn van hun verantwoordelijkheid tegenover de andere leden van de Kerk en zelfs tegenover de ruimere mensengemeenschap, samen met de grote Herder die ooit zei: “Ik heb nog andere schapen, die niet uit deze schaapsstal zijn. Ook die moet ik leiden en zij zullen naar mijn stem luisteren en het zal worden: een kudde, een herder.” (Johannesevangelie 10,16)

Nu moet u maar eens op een rustig ogenblik bedenken dat God ook u als herder, als verantwoordelijke heeft gekozen en vraag u dan tegelijkertijd af voor wie gij dan wel verantwoordelijk zijt en in welke omstandigheden. Hier bent u dan wel een poosje mee bezig...

 

Herders die niet bidden

Het zal u wel niet verwonderen dat iemand die door God in vertrouwen wordt genomen en een taak krijgt toegewezen – ieder christen dus –in nauwe relatie moet blijven met zijn Heer, de Opperherder, want, zegt Jezus : “Los van Mij kunt gij niets” (Joh. 15,5). Welnu, over het niet of weinig bidden van de herders (de priesters en ieder van ons dus), valt heel wat te zeggen. Een reeds lang overleden prediker zei daarover nogal sterke woorden, die ons niet moeten ontmoedigen maar ons wel moeten doen nadenken.


1° Een schande voor God

God nodigt ons uit om tot Hem te komen, met Hem te spreken, te vragen wat we nodig hebben en gesterkt te worden bij onze opdrachten. Als leden van de Jezusgemeenschap moeten we Hem ook feliciteren met zijn werk en al het goede dat Hij voor mensen doet en Hem om vergeving te bidden...

Als we dat alles over het hoofd zien, ons er niets van aantrekken, dat is dat toch wel heel onheus en pretentieus tegenover God. We mogen nog zo verstandig zijn en talentvol… Toch maar een nadenken over dat woord van Jezus “Los van Mij kunt gij niets…”.

2° Niet of weinig bidden verzwakt ons geestelijk leven.

Gebed is de polsslag van het geestelijk leven, zei die prediker. Als priesters maar weinig bekeringen kunnen bewerken, als christenen bijna niet (durven) getuigen, als de Kerk haar leden bijna niet tot radicale christenen gevormd krijgt of als de Jezusgemeenschap zich bijna niet meer interesseert om in de wereld mensen tot Jezus te brengen… dan heeft dat niet op de eerste plaats niet te maken met het feit dat we onvoldoende geleerde studies hebben over hoe men het moet aanpakken of dat we niet voldoende sociale inzet en contacten hebben met mensen, maar … met het te weinig cultiveren van het persoonlijk en gemeenschappelijk contact met God. Vanuit dat contact met de Heer immers, vanuit het gebed vloeit het levend water weer door ons geestelijk leven en wordt ons leven en werken vruchtbaar.

3° Niet bidden betekent een geweldige verarming voor de hele kerk.  

Een herder kan de kudde, de mensen die hem zijn toevertrouwd, niet verder brengen dan waar hijzelf zich bevindt. Jezus gebruikt het beeld van schapen die de herder volgen. Hoe gaat een pastor of een vader of moeder de hun toevertrouwde volwassenen of kinderen de kracht en de noodzaak van het gebed bijbrengen als ze zelf niet bidden? Als de herder stilstaat en maar wat in het luchtledige wandelt, zonder geregeld contact met de “grote herder van de schapen”, gaan de schapen ook niet groeien in de relatie met hun Heer, buiten Wie we nochtans geen diep heil te verwachten hebben. Maar als de herders opnieuw gaan bidden, zal er een grote zegening komen over het godsvolk dat hen is toevertrouwd.

4° Zonder gebed droogt het missiewerk op.

Het gaat dan niet enkel over de missionering in vreemde streken maar ook hier in ons eigen ontkerstend Vlaanderen en Europa. Missionering vraagt creatieve inspanningen maar missionering vraagt op de eerste plaats het worstelen in het gebed voor het heil van de mensen tot wie men gezonden wordt, en voor de velen die Gods liefde en Gods verlangen om de mens het heil te schenken nog niet kennen. “Dag en nacht”, lezen we in de brieven van Paulus en op vele andere plaatsen in het nieuw Testament, dag en nacht bidden voor het heil en de geestelijke groei van medemensen… Dat is een taak voor de hele Jezusgemeenschap, maar de herders moeten erin voorgaan.

Toegegeven, het gebeurt tegenwoordig meer dan eens dat de schapen – graag zonder al te veel pretentie of verwijten – de herder uitnodigen om meer ruimte te geven voor aanbidding en door hun voorbeeld een uitnodiging zijn voor de herder om zelf zijn eerste opdracht trouwer te zijn: trouw volharden in de relatie met Hem die hem gezonden heeft en hem de taak heeft toevertrouwd op tocht te gaan en vruchten voort te brengen die blijvend mogen zijn. Het is tenslotte God die al het zwoegen wasdom moet geven.

Maar aangezien wij allen als christenen op een of andere manier ‘herder’ moeten zijn voor anderen, laten wij ons bekeren en vragen om een vernieuwde genade van het gebed.

EINDE VAN DIT ARTIKEL

      INHOUDSOVERZICHT        TOP VAN DEZE PAGINA  


AAN EEN GOKVERSLAAFDE

  

    Het gokken zit sommige mensen echt in het bloed. Meestal niet van bij hun geboorte. Het geluk vinden, het grote lot winnen… Misschien zit vooral dàt ons allemaal wat in het bloed: de geluksdrang.

Maar gokverslaafden menen dat ze bij het kansspel het echte geluk gaan vinden, het verhoopte geluk dat eindelijk een einde zal maken aan hun problemen, echt aan àl hun problemen. De winst zal hen (zo denken ze) in de achting van anderen (hun huisgenoten, hun vrienden en collega’s) doen stijgen en ze zullen (zo menen ze) in een situatie komen die hen boven de alledaagse vervelende en deprimerende werkelijkheid zal verheffen, hen er als het ware uit zal verlossen om hen in een godzalige wereld te brengen…

    Er zijn veel gokverslaafden. Mensen die het gokken niet beheersen. Ik ontmoette er een die door de “eenarmige bandiet” (de eenvoudige flipperkast in de herberg of het gokpaleis) naar eigen formulering “er twee huizen had doorgejaagd”.  Zoals voor drug- en alcoholverslaving (elke dag een portie alcohol die me de werkelijkheid wat rooskleuriger doet zien) en seksverslaving (elke dag een portie porno) is het met de gokverslaving ook zo gesteld dat men niet meer zonder kan, dat de persoonlijkheid er door verandert en dat men een steeds hogere dosis of frequentie nodig heeft om de roes te bereiken. De roes, die gelukstoestand (nou, geluk?) waarin men zijn (al dan niet denkbeeldige) ellende ontsnapt en zich wat lekkerder voelt en zekerder…     

   In het geval van de gokverslaving blijft die roes zich meestal uitstellen omdat men altijd de ‘lozer’ is, de verliezer: men verspeelt alles, zelfs wanneer er af en toe een klein meevallertje is waardoor de verslaafde wordt opgepept om telkens weer te herbeginnen. “Eens zal het toch wel lukken zeker!” Nee meisje, nee jongen. Het lukt niet! Niet! Nooit! U werkt uzelf en uw gezin de dieperik in. Dat is de enige richting en de enige zekerheid van de gokverslaving: ‘perte totale’! Je leest goed: perte totale! Verlies over de hele lijn! Verlies van alles! Een vergokt bezit, een vergokt huis, een vergokt gezin, een vergokt leven! Zonder compassie. Alleen wat meewarig zelfmedelijden op nuchtere momenten. Triestig. Erken het. En zoek gepaste hulp.

EINDE VAN DIT ARTIKEL

    INHOUDSOVERZICHT        TOP VAN DEZE PAGINA  




HEER, LEER ONS BIDDEN

  

Enige getuigenissen

Ik ontmoette bij het lezen van enige boeken het getuigenis van mensen die het gebed als de basis en het steeds noodzakelijke element vonden van hun (vernieuwd) christelijk leven.

  

Een bekeerling die God wil ontmoeten:

“Alleen voor God leven: hoe? Dat zou voortaan Zijn zaak zijn. Ik was me heel goed bewust, dat ik zou moeten voortleven te midden van de anderen, gelijk aan hen, in deze overvolle maatschappij en dat de stormen van het menselijke over mij heen zouden blijven loeien en dat ik telkens weer heen en weer gesmeten zou worden, bijna van de been zou waaien, me bezeren of zelfs wel helemaal omver zou rollen door het geweld van de orkaan.

Maar zelfs dat is niet meer zo belangrijk, want dit alles beukt slechts tegen de buitenkant van de ziel; aan de binnenkant, in de diepste kern, waarvan we allen weten, dat ze aan geen enkel menselijk wezen kan toebehoren, omdat langs haar innigste zijn zich uiteindelijk de grens der mededeelbaarheid aan de andere mens uitstrekt, heerst de rust van Gods onvervreemdbaar eigendom. Er is nog maar één doel: naar God toeleven.

Nog maar één pijn: Hem niet te kunnen bereiken, nù nog niet. En met deze gesteltenis houdt het gebedsleven gelijke tred: niet meer het juichende overweldigd zijn de ene keer, het krampachtig vasthouden aan het lezen uit een gebedenboek de andere maal. Nu is het geworden een eenvoudig stil bij Hem zijn, een bespreken van alle moeilijkheden en vreugde met de beste Vriend die ik heb. Het is uitrusten en zich overgeven. Alle teleurstellingen en depressies lossen zich uiteindelijk in Hem op. De mensen wijken terug voor Zijn overweldigende realiteit….

  

Een kardinaal geeft ons wat tips

Kardinaal Basil Hume o.s.b., aartsbisschop van Westminster en primaat van Engeland en Wales (+ 1999) geeft in zijn boek ‘Pelgrim zijn’ een heel aantal tips die kunnen helpen en bemoedigen bij het gebed. Als je het boek in handen kunt krijgen, moet je zeker dat stukje over het gebed eens lezen. Ik citeer hier juist deze welbekende tip:

“Een (andere) zeer goede manier om te bidden is zinnen te gebruiken uit het evangelie en die alsmaar langzaam te herhalen. Neem bijvoorbeeld: “Heer, ga van mij weg, want ik ben een zondig mens”; “Ja, Heer, ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp”; “Heer, Gij weet alles, Gij weet dat ik U bemin”;   “Heer, naar wie zouden wij gaan? Uw woorden zijn woorden van eeuwig leven”; “Niet zoals ik wil, maar zoals Gij wilt”; “Spreek, Heer, uw dienaar luistert”. Het evangelie geeft genoeg voorbeelden van dit soort gebeden aan.”

EINDE VAN DIT ARTIKEL

     INHOUDSOVERZICHT        TOP VAN DEZE PAGINA  


  

DE KERK IN DE WERELD

bvv

        Het was even schrikken toen onze aartsbisschop over Bart de Wever zei hoe intelligent die wel is maar wat een domme wagen hij wil trekken.  ’s Anderendaags had Mgr. Léonard ingezien dat hij dat beter niet gezegd had, het was niet zo negatief bedoeld en men had hem verkeerd verstaan. In dit geval was het zeker 'schoenmaker, blijf bij je leest'. Praten onze zuiderburen gemakkelijker hun mond voorbij?

Een weekje later las ik een citaat van Laurette Onkelinckx, ook een zuiderlinge, dat de katholieken van België wel iets beter verdienden dan de huidige aartsbisschop.  Zie je, voortdurend iets moeten zeggen en eventueel wat zwetsen (rigoler!). Toch voel ik me als christen- in tegenstelling met deze ministeriële uitspraak - nogal gerust met Mgr. Léonard aan het hoofd van de kerk hier in het land. Tenslotte mogen er wel eens puntjes op de 'i' gezet worden. En dat doet hij. En dat geneert sommigen blijkbaar.

        Dat zegt natuurlijk wel wat over mezelf. Ik heb me bijvoorbeeld niet zo aangesproken gevoeld door dat “manifest” van voor enige tijd. Misschien omdat ik een tot ondertekening aansporende mail kreeg van iemand die eigenlijk meer kritiek dan liefde heeft naar de kerk toe. Vele ondertekenaars zullen het wel goed bedoelen, maar laten wij elkaar toch niets wijsmaken: wat meer vrouwen vooraan in de kerk, wat meer gehuwden onder de celebranten…  Worden de Kerk en het christelijk geloof daarmee echt gered? Is dat het eerste punt op onze evangelisatiekalender?

        Voor mij gaat de zaak, het probleem zeg maar, veel dieper. Het heeft met geloof te maken. Dàt op de eerste plaats. Al de rest moet op een daaropvolgende samenkomst maar besproken worden. Eerst het geloof. En een gelovige visie op de kerk. Wat ze echt is. Niet hoe ze eruit zou moeten zien, en dan wat morrelen aan de structuren, minder celibatairs, meer gehuwden, meer vrouwen... We moeten goed weten wat de kerk echt is.  En daarin komen zowel theologie, mystiek, liturgie ter sprake en natuurlijk ook de zending van Jezus en van die kerkgemeenschap vandaag, richting God, richting mensheid, met eenzelfde gedrevenheid.

EINDE VAN DIT ARTIKEL

    INHOUDSOVERZICHT        TOP VAN DEZE PAGINA  



CHINA: BISSCHOPPEN VRIJ

  

KerkNet/Ucanews/La Croix Dinsdag, 17 april 2012

  

Ondanks het jojo-gedrag van de Chinese overheid in haar relatie tot de katholieke kerk, mogen wij ons toch opnieuw verheugen over de vrijlating van 2 Roomsgetrouwe bisschoppen.

  

Op de vingers getikt

Het gaat met name over Bisschop Pierre Shao Zhumin (49), bisschop coadjutor van Wenzhou in de Oost-Chinese provincie Zhejiang. Hij werd op 19 maart gearresteerd en volgens kerkelijke medewerkers kreeg hij een ‘hersenspoeling’ over de godsdienstpolitiek in China. Hij werd ook gedwongen de niet-erkende bisschop Paul Lei Shiyin te ontmoeten, die door Rome werd geëxcommuniceerd na zijn illegale bisschopswijding in de patriottische Kerk. Volgens ‘UcaNews’ was de aanhouding het gevolg van de onrust na de wijding van een ondergrondse, door Rome erkende nieuwe bisschop in Gansu. Bisschop Zhumin had die wijding, met nog vier andere ondergrondse roomsgetrouwe katholieke bisschoppen, bijgewoond.

  

Teveel succes

De andere bisschop, Mgr. Pierre Jin Lugang, bisschop van Nanyang, werd vier dagen lang aangehouden. Hij werd op 4 april gearresteerd vlak voor de chrismamis, om te verhinderen dat hij zou voorgaan in de paasvieringen. Hij werd pas na de paasvieringen opnieuw vrijgelaten. Wat een kinderachtig gedoe!

  

Toekomst?

Het vermoeden is dat de Chinese overheid nog wel een tijdje jojo zal blijven spelen in haar relatie met de katholieke kerk, wat loslaten en dan weer op de rem gaan staan. Wij kunnen maar bidden dat de Chinese katholieke christenen trouw blijven aan de Heer en zijn Gemeenschap en zich blijven inzetten voor het ware geluk van hun volk. Hopelijk komen er binnen de Chinese overheid meer en meer mensen die oog en oor hebben voor de diepe hunkering van het Chinese volk naar vrijheid en gerechtigheid.

EINDE VAN DIT ARTIKEL

      INHOUDSOVERZICHT        TOP VAN DEZE PAGINA  


COMBONI EN EUROPA

  Op aangeven van Kerknet van 25 februari 2012

  Afrika-missionarissen

Slechts weinigen van ons zullen de “Combonianen” kennen. De naam komt eigenlijk van de heilige Daniele Comboni, (Comboni Daniele 1831-1881) die in 1867 de (Italiaanse) “Congregatie van het Heilig Hart” stichtte en een tijdlang bisschop van Khartoem was.  Van deze Comboni-missionarissen, die vooral Centraal-Afrika missioneerden, hebben er zich nu tijdens hun kapittel te Rome (van 7 tot 17 februari 2012) een 50-tal geëngageerd voor een nieuwe verkondiging en een sterkere aanwezigheid in Europa. In de Afrikaanse ontwikkelingslanden worden missionarissen vaak geconfronteerd met mensonterende armoede, groot sociaal onrecht en met een strijd tegen ziekten en epidemieën die niet te winnen lijkt. Het ontbreekt er ook vaak aan degelijk onderwijs om Afrikaanse jongeren een echte toekomst te geven.

  

Waarom nu richting Europa?

Zijn deze Comboni-missionarissen Afrika moe of zijn ze allen te oud? Zijn ze moedeloos geworden? Toch niet! Vicaris-generaal Alberto Pelucchi gaf de reden op waarom de Combonianen nu plots zo’n omslag maken en hun aandacht ook op het Europese continent gaan richten: “In Europa stellen wij vandaag een armoede vast, die misschien nog groter is dan in Afrika. Europa is arm geworden aan waarden en zingeving en het bezit het onvermogen om zijn materiële rijkdom te delen.” De vicaris-generaal wil dan ook volmondig het project van de paus steunen voor een nieuwe evangelisatie. Maar hij zegt heel duidelijk dat daartoe vele nieuwe initiatieven vereist zijn.

In 2005 geloofde nog  (slechts) 52 procent van de Europeanen in God. In landen als Zweden bedraagt dat aantal nauwelijks nog 23 procent. Vandaar dat de Comboni-missionarissen tot de conclusie komen dat Europa nu zelf missiecontinent is geworden. Blijkbaar is de Europese kerkgemeenschap en zijn de Europese religieuze congregaties niet in staat geweest de ontkerstening van het continent tegen te houden of hun christengemeenschappen te wapenen tegen de massale geloofsafval.

  

Christelijke immigranten

Een opvallend punt bij het opzet van de Comboni-missionarissen is de overtuiging dat de vele migranten in Europa, niet enkel een last zijn en niet enkel toekomstige belastingbetalers die voor onze pensioenen gaan zorgen, ze kunnen ook een drijvende kracht worden achter de nieuwe evangelisatie. Zij kunnen – volgens Mary Bertolini (communicatieverantwoordelijke van de Comboni-missionarissen) er mede voor zorgen dat God ook in het Europese continent niet wordt vergeten.

En tip voor onze kerkgemeenschap?

In ons eigen land vallen vooral de moslimmigranten op, ook in de media. Heeft het discours van het Vlaams Belang daar schuld aan of zijn ze beter georganiseerd, laten ze meer van zich horen? Of houden de geïmmigreerde christenen zich te koest omdat ze ontsnapt zijn uit een moslimomgeving, of omdat ze hier in een atheïstische cultuur terechtgekomen zijn, te arm zijn, en teveel bezig moeten zijn om materieel rond te komen?

Ieder van ons en onze Christelijke gemeenschappen (ook vooral de katholieke!) zouden meer oog moeten hebben voor die christelijke migranten, hen opnemen in ons midden, ze helpen om trouw te zijn aan hun christelijk geloof en hen ervan overtuigen dat zij in onze samenleving wel degelijk hun rol te spelen hebben… ook op het vlak van de evangelisatie.

EINDE VAN DIT ARTIKEL

EINDE VAN DEZE PAGINA

    INHOUDSOVERZICHT        TOP VAN DEZE PAGINA  


















Zaligverklaring  kard. John Henry Newman