GELOOF en LEVEN vzw



  
HOME

INHOUD

  INHOUDSOVERZICHT      


DE LIJKWADE VAN TURIJN

HET MANDYLION EN ABGAR

We hebben in ons vorig nummer, naar aanleiding van het Mandylion even verwezen naar de legende van koning Abgar van Edessa. Het is zo een van die gevallen uit een verre tijd, waarover weinig documenten bestaan, waar data en personen soms door elkaar gehaald worden en waar historie en symboliek ook door elkaar vloeien. Daarom noteren we hier gewoon wat zaken die ermee in verband kunnen staan. (bvv)

  

1. Wat zegt de legende?

Eusebius van Caesarea (ong. 260-340 na Chr.), de bekende schrijver van een “Kerkgeschiedenis” (rond 320), hield de zogenaamde “brief van Abgar, koning van Edessa aan Jezus”, die hij gevonden had in de archieven van de stad Edessa, voor auhentiek en ook “Het antwoord van de Heiland”; daarom heeft hij beide in zijn Kerkgeschiedenis opgenomen, vertaald uit het Syriac. Beide documenten zijn van het einde van de 2de of het begin van de 3de eeuw.   In zijn brief laat Koning Abgar van Edessa aan Jezus, “de goede Heiland”, weten dat hij vernomen heeft hoe Jezus veel wonderbare genezingen deed maar het nogal moeilijk had in het land van Jeruzalem en daarom nodigt hij Hem uit om hemzelf te komen genezen en in zijn stad te komen wonen; ze is niet heel groot maar toch groot genoeg 'om plaats te bieden aan ons beiden'. Jezus, de Redder, laat de koning per brief weten dat Hij nu niet kan komen want dat Hij zijn zending nog moet voltooien en dan terugkeert naar ‘Hem die Mij gezonden heeft’. Maar Hij zal Abgar een van zijn leerlingen zenden die hem zal genezen en het leven zal geven aan hem en aan allen die met hem zijn.  Deze legendarische brieven stellen ons voor het probleem dat Abgar 5 Ukkama (de Zwarte) regeerde van 9 tot 46 en dat een bekering van heel zijn staatje Osrhoëne op dat moment weinig waarschijnlijk is. De echte bekering tot het christendom is waarschijnlijk pas begonnen onder Abgar de 9de (179-214), toen Jezus reeds lang overleden was; het is waarschijnlijk rond de kerstening van Osrhoëne (met hoofdstad Edessa) dat we beide documenten moeten dateren. Het gaat dus duidelijk om legendarische documenten, maar die wel hun 'Sitz im Leben' hebben, namelijk zich gemakkelijk laten dateren rond het einde van de 2de en het begin van de 3de eeuw, zoals eerder gezegd.

  

2. Het heilig Gelaat

Maar dan hebben we het nu nog niet gehad over de afbeelding van het gelaat van Jezus. Hoe komt dat? De oorzaak is misschien wel dat Eusebius in zijn kerkgeschiedenis geen plaats geeft aan dat andere verhaal dat gepaard ging met bovenstaande legendarische briefwisseling. Eusebius vermeldt alleen de uitnodiging van Abgar aan Jezus en het antwoord van Jezus, dat Hij een van zijn leerlingen zal zenden. Nochtans is er ook het document, “De Leer van Addai”, uit het midden van de 4de eeuw en later aangedikt in de Acta Thaddaei (ong. 550), waarin een leerling een afbeelding van Jezus meenam naar Edessa. Eusebius gaf alleen de twee brieven, die in “De Leer van Addai” juist voor en juist na het stuk over het portret komen. Mogelijks was Eusebius niet zo erg gesteld op afbeeldingen van het Heilige (zoals in het Jodendom, de Islam en ook in kringen van christelijke iconoclasten de regel was)?  Door die zogenaamde overbrenging van de afbeelding van Jezus’ gelaat naar Edessa, zou het op deze manier wel enige relatie hebben met een “niet door mensenhanden gemaakte” afbeelding van Christus. Johannes van Damascus, de ikonen-verdediger, zou later nog een schepje bovenop dit verhaal doen door te beweren dat Ananias (Thaddeüs) er niet in slaagde een behoorlijk portret te maken van Jezus en dat Jezus dan maar zelf zijn gelaat tegen het doek drukte zodat een wonderbare gelijkenis zichtbaar werd op het doek. Edessa was een van die kleine koninkrijken die vrij vroeg de christelijke godsdienst aannamen, zoals we hierboven aangaven. Dat kan die legende van die twee brieven enigszins verklaren. Maar... heeft ook het doek met Jezus’ gelaat enige historische waarde vanuit een historische situering? Daarvoor moeten we nog wat verdere documentatie nagaan   

3. Een historische basis?

Laten we het verhaal inderdaad nog wat spannender maken. Toen de Perzen in 544 Edessa belegerden vonden inwoners in een muur boven de stadpoort een linnen doek met een beeltenis van Christus’ gelaat. Spoedig werd de afbeelding op dit doek ‘Het heilig Beeld van Edessa’ genoemd. Het werd, zoals nog enige andere afbeeldingen uit die tijd, ‘acheiropoieton’ genoemd, ‘niet door (mensen-)handen gemaakt’. Deze in Edessa gevonden beeltenis werd de gebarricadeerde stad rondgedragen, en de Perzen geraakten de stad niet in. Begrijpelijk dus dat de Beeltenis van Edessa enorme faam en verering kreeg. Bovendien ontsnapte ze aan de vernielzucht van de iconoclasten uit Byzantium, omdat Edessa, een Syrisch grensplaatsje, op dat ogenblik geen deel meer uitmaakte van het Byzantijnse keizerrijk (waar toen het iconoclasme hoogtij vierde en zeer veel iconen werden vernield); integendeel, het was zelfs een reden tot nog meer beeldenverering, aangezien Christus zich er nu zelf voor leek uit te spreken door de wondere terugvinding ervan en de daarop volgende redding van de stad.   

4. De Lijkwade van Turijn.

Je zal wel even met de ogen knipperen wanneer we nu ook nog over de Lijk wade van Turijn beginnen. Lijkwade betekent in het Grieks, ‘sindon’ en de wetenschappers (en anderen) die de lijkwade van Turijn bestuderen en bekend maken noemt met ‘sindonisten’. Je mag het die sindonisten  niet kwalijk nemen, dat ze, overal waar sprake is van een ‘afbeelding van Christus’, onmiddellijk de oren spitsen. Zeker als het gaat over een afbeelding op een linnen doek. Volgens hen is de Lijkwade waarin Jezus begraven werd, door de eerste christenen (of een beperkte groep van hen) bewaard gebleven, maar dan in het verborgene, omdat 1° Joodse gelovigen geen afbeeldingen van mensen mochten maken of vereren en 2° omdat bloed (dat ook op de lijkwade wat sporen had achtergelaten) bij aanraking van de Lijkwade je  wettelijk onrein maakte. Het is echter goed denkbaar dat sommigen van die eerste christenen deze voor hen dierbare reliek (aandenken aan Jezus’ offerdood), toch wilden bewaren en ze overbrachten naar een veilige plaats. Het voor hen veilige christelijke koninkrijkje met Edessa als hoofdstad kwam daar spoedig voor in aanmerking. De lijkwade werd zo geplooid dat alleen het hoofd zichtbaar bleef, en op deze manier werd de afbeelding van het heilig gelaat dan ook vereerd. Wanneer de stad later aangevallen werd, werd de kostbare afbeelding verborgen. Tijdens het beleg door de Perzen werd ze plots herontdekt in de stadsmuur, zoals we hierboven aangaven. Dit alles kan wat vergezocht lijken, maar is tenslotte niet onmogelijk.   

5. Van Edessa naar Constantinopel: het mandylion

In 944 kreeg echter het Byzantijnse leger, dat eerder Edessa niet kon innemen, de heilige Beeltenis van Edessa toch in handen. De afbeelding van Jezus’ hoofd op een linnen doek werd hier mandylion genoemd, afgeleid van het Arabische woord mandil, wat 'doek' betekent en misschien enigszins verwijst naar ons woord ‘mantel’.  De inwoners van Edessa werden verplicht om het hun zo dierbaar reliek af te geven aan de Byzantijnen; een keizerlijke eis opdat de stad niet vernield zou worden.    

6. Wat was er nu te zien op dat in Edessa gevonden doek?

Daarvoor moeten we in een Grieks document uit 944 gaan snuisteren, dat bekend is onder de Latijnse benaming: ‘Narratio de imagine edessena’ (‘Verhaal over de Afbeelding van Edessa’). Dit verslag is van de hand van de aartsdiaken van de Hagia Sofia, de grootste basiliek van Constantinopel (Byzantium, nu Istamboel in Turkije). Deze Gregorios was archivaris (referendarius) van  Constantinos de 7de, de medekeizer van het Byzantijnse Rijk; hij maakte dit verslag naar aanleiding van de feestelijke inhaling in Constantinopel van 'het heilig Beeld van Edessa' op 15 augustus 944 na Chr.. Hij schrijft dat de afbeelding op het doek doet denken aan de afdruk van zweet op een linnen doek. Door deze vergelijking krijgen we de indruk dat de afdruk op het doek zeer vaag was.  Ook Constantijn VII onderzocht het doek bij die gelegenheid en stelde vast dat de afbeelding uiterst vaag was, eerder als een vochtige vlek, zonder pigment of aanwending van enige schilderkunst. Een ander document van diezelfde tijd, ‘Chronographia van Magister Symeon’ verhaalt dat Contantinos wel gelaatstrekken zag, maar dat zijn twee schoonbroers, zonen van de andere medekeizer Romanus, slechts met moeite iets konden onderscheiden.    

7. Nog eens de lijkwade van Turijn

Opnieuw spitsen sindonisten natuurlijk de oren. En blijkbaar zitten ze met dit ‘Heilig Beeld van Edessa’ op vruchtbaar terrein. Ook daar gaat het immers over een groot linnen doek, waarop de afdruk nauwelijks te zien is, net zoals op de Lijkwade van Turijn. Als het een vervalsing zou zijn, zou men de afbeelding wel wat duidelijker geschilderd hebben. Het is trouwens maar door de fotografie dat in latere tijden men op de negatieve afdruk in feite een positief en duidelijk beeld verkreeg van de figuur die op de Lijdwade staat afgebeeld. Wellicht kunnen we hier later eens uitgebreider op ingaan. De geschiedenis van de Lijkwade van Turijn, de beginjaren tot in Edessa en haar verdere tocht van Constantinopel, de Kruisvaarders, de Tempeliers met hun verering van het ‘heilig Hoofd’ en de verdere omzwervingen doorheen Europa tot ze tenslotte in Turijn aanlandt kan je lezen in de meeste degelijke boeken over de Lijkwade (o.m. hieronder in Noot).    

Bij een bezoek aan Turijn en de heilige Lijkwade verklaarde Paus Paulus VI ooit: “… het gelaat van Christus, dat daar werd weergegeven, leek ons werkelijker, diepzinniger, menselijker en goddelijker, dan elke andere beeltenis”.   


MEER OVER DE LIJKWADE VAN TURIJN ? KLIK HIER


   INHOUDSOVERZICHT      NAAR TOP