GELOOF en LEVEN vzw



  
HOME

INHOUD


  TERUG NAAR INHOUDSOVERZICHT      

PAULUSREEKS

Leven en werk

1 Paulus in Jeruzalem -

2 Paulus in Damascus -

3 Paulus in Arabië -

4 Paulus weer in Jeruzalem  -

5 Paulus in Tarsus en Antiochië -

6 Paulus op Cyprus -

7 Paulus. Zijn evangelisatiestrategie  -

8 Een noodzakelijk debat -

9 Tweede Missietocht (1)-

10 Tweede Missietocht (2)

11 Tweede Missietocht (3) -

12 Tweede Missietocht (4) -


1 PAULUS IN JERUZALEM  

naar Th. Van Tichelen, pr.

In het boek van Th. Van Tichelen "St. PAULUS" lezen we op hoe Paulus in Jeruzalem aankomt om bij Gamaliël zich beter te laten inleiden in het joodse geloof. Zijn eerste contact met Jeruzalem is vrij ontgoochelend, een veel rustiger en zelfs vadsige stad in vergelijking met het bedrijvige Tarsus, waar hij vandaan kwam. Maar dát was het eigenlijke Jeruzalem niet. Jeruzalem is in de tempel. Daar woont God, daar bloeit de Wet, daar klopt het hart van zijn volk, daar staat de bakermat van ’t verspreide Jodendom". Van Tichelen beschrijft hoe Paulus op het wijde tempelplein komt, de binnenvoorhof, het wemelende heidenenvoorhof en al die verschillende mensenrassen gadeslaat, de boerenmensen en leurders, redekavelde Alexandrijnen, de dieren aan de Oosterzuilengang, de zuilengang van Salomo; erger dan op een veemarkt wordt daar geloofd en geboden, getierd en gescholden door kooplui en offeraars. En dan laat Van Tichelen even iets doorklinken, een eerste contact met mensen die hij later tot de dood zal vervolgen en bij wie hij zich even later zal aansluiten: volgelingen van Jezus."In die gaanderij is veel volk bijeen. Een karavaan pelgrims wellicht, die van verre kwam uit Galilea? Want op elke bank zit een Galileër, maar zonder mes onder zijn gordel; mannen hurken en liggen om hem op de vloer; terzij zit een groepje Galilese vrouwen, die haar witte sluier op de rug laten hangen. Al die mensen luisteren stil, met gerokken halzen; de mannen op de banken vertellen iets over Pilatus en oer een kruis; en ook over een ledig graf en over verrijzenis. Farizeeën wellicht, echte broeders, want die alleen geloven aan de verrijzenis der doden… Een der mannen spreekt zelfs in het Grieks, met de tongval van Cyprus…".Paulus zal dan Wetstudie volgen bij Gamaliël. Hij zal er veel bij opsteken, maar de gematigdheid van Gamaliël zal hij er niet leren.

De apostelen worden gegeseld, hoewel Gamaliël zijn volksgenoten had opgeroepen om hen te laten betijen. Als hun optreden niet van God is zal de zaak zo wel leegbloeden. Paulus is een ander idee toegedaan en bij de steniging van de diaken Stafanus is hij zelfs de getuige aan wiens voeten de voltrekkers van het vonnis hun mantels neerlegden.

"Paulus zag hoger en wijder dan de laatdunkende Sadduceeën, de koppige Farizeeën en het windhanerig volk. Voor hem had Stefanus (in zijn toespraak) de grond der sekte blootgelegd en het gevaar voor ’t jodendom: Jezus zou de Rechtvaardige zijn, de Christus! … Een gruwel was die prediking voor God en voor Israël."Dan volgt een voorbeeld van hoe hij het aan boord legde om "de mensen van de weg" te vervolgen.

"Aan Gamaliëls voeten kwam hij niet meer zitten; zijn weefgetouw in zijn kosthuis stond stil.

De tempelhoofdman had hij aangesproken, en dienaren van hem meegekregen. Veel Nazareeërs kende hij bij naam of van ziens: dag in, dag uit had hij ze op het tempelplein aangetroffen; veel Nazareeërs waren door hun buren gekend, want voor niemand hadden zij zich verdoken gehouden. Honderden konden op ettelijke dagen gevat worden.

Op de markt en in de belendende straten, waar het vol oudkleerkopers, ketellappers, schrijnwerkers, wevers en volders zat, kwam Saül met zijn mannen, en haalde de Nazareeërs weg van bij hun uitgehangen mantels, tussen hun koperen vaten, achter hun schaafbank, op hun weefgetouw of uit hun verfkuip. Gewillig lieten zij hun handen op de rug binden en gingen mee naar de gevangenis.

In de nauwe steegjes van Ophla, bij de gewone volk van dagloners en bedelaars, moest bij omzeggens huis aan huis binnenvallen. Nijdige buren wezen de verdachten aan. De kinderen stoven schreeuwend uiteen, als hij met zijn wachters de deur opengooide. De man en de vrouw verschrokken, werden lichtelijk bleek en beefden, als Saül hun boos vroeg: "Gelooft ook gij in Jezus van Nazareth, dat Hij de Christus is?" Allen bleven standvastig en antwoordden rustig: "Dat geloven wij!"…Naar zijn mes greep geen enkel man of jongeling, zij hadden er ook geen onder hun gordel; tegenpruttelen of smeken deed geen enkele vrouw. Allen lieten begaan, als hun handen op de rus gebonden werden, en bogen tussen de dienaars de lage deur uit. Schreiende kinderen hingen wel aan moeders rok; de wapenlieden rukten dit gebroed af, stampten het terug het huisje in of kletsten hen de straat over. Gedwee gingen de geboeide ouders mee, alsof zij met Petrus naar de tempel meegingen.Op de eerstvolgende sabbat trad Saül in de synagoog der Ciliciërs en Aziaten het verhoog op: "Zonden van Israël! Er zijn mannen onder ons, die de God onze vaderen leugenachtig maken, door Jezus van Nazareth als de Christus te erkennen. Van Godslastering beticht ik hen allen, en daag hen voor het tribunaal der synagoog..."

De mensen sprongen recht, tierden, huilden… "Gij, Simon! Gij, Parmenas! Gij zijt Nazareeër! Gij, Jason!". Rond zes, zeven Nazareeërs hoopte de menigte tegaar gelijk beienzwermen. Vuisten en armen staken omhoog en wemelden en grepen.De overste der synagoog, van bij zijn zetel, riep om stilte. De dienaar drong door de banken heen, duwde en sloeg de warrelende mensenophopingen uiteen, haalde de Nazareeërs uit hun handen en stootte ze de trap af, nar de kerker der synagoog. Ze stribbelden niet tegen en gingen. Morgen zouden ze op de vloer uitgestrekt worden, naakt, met handen en voeten aan ringen gebonden, en gegeseld dat het bloed over hun rug liep…"Ze zullen dan hun Jezus van Nazareth wel vervloeken! … Ze zullen hun Christus lasteren! …" Zo menen het de lieden als zij na de dienst op de straat staan te spreken en te twisten, te roepen en te schelden, luid en heftig, en in hun handen kletsen. Plots echter valt het gepraat stil, als Saül de synagoog uitkomt en door het volk heen weg stapt. Met ontzag zien zij op naar die jongeman met zijn fonkelende ogen, de grote ijveraar voor de God van Israël.Maar waar zitten thans al de overige Nazareeërs? Als Saül en zijn mannen weer door Ophla trekken, zijn de straatjes leef en doods. Kippen alleen pikken op de grond of liggen te vluggen in de zon. De huisdeuren staan aangeduwd. Binnen is niemand meer; man en vrouw en kinderen zijn weg. Het lijken sterfhuizen waar een muffe, oude geur in hangt. Als een vlucht mussen, waar een knaap met een steen onder gooit, is de sekte uiteengevlogen… In de stad zelf nestelen zij niet meer, dat zou uitlekken van zulke menigte. Over het land verspreid, naar Judea, Samaria, Galilea en wellicht verderop?De spraak echter gaat onder het volk dat de leiders der Nazareeërs gebleven zijn. Johannes is gezien geweest, bij ’t vallen van de avond. Jakobus en Petrus in volle dag. Waar zij schuilen, weer niemand aan te wijzen. Om het even! De taak niet opgeven! Kan hij er geen meer vatten te Jeruzalem, hij zal verder gaan, de wereld door. Jezus hebben de oversten van Jeruzalem gedood; Jezus’ jonge gemeente zal hij doden, hij Saül van Tarsus".Zo trekt Paulus "ziedend van woede" naar Damascus. Maar daar vliegt hij tegen de lamp. Hij botst er tegen Jezus zelf aan die hem vraagt "Waarom vervolgt gij Mij?". Van vervolger wordt hij de grote propagandist van Jezus, de Christus, de gezondene van de Vader.

  NAAR INHOUD           NAAR TOP  

2 PAULUS IN DAMASCUS

Ben Van Vossel cssr

Aan de hand van het boek St. Paulus van Van Tichelen brachten we in vorig nummer een aanschouwelijk tafereel van wat Paulus in Jeruzalem en omstreken uitrichtte in de christengemeente. In Damascus weet de verrezen HEER JEZUS hem uit het zadel te lichten en hem het ware licht mee te delen. "Van dat ogenblik af was Paulus een bekeerd man. Alles wat hij voortaan bedacht, alles wat hij beraamde, alles wat hij deed, had verborgen draden die terugliepen naar dit ogenblik. Hij was vol van God en stond tot zijn dienst bereid." Paulus verliest daar zijn hart aan de HEER en sindsdien wil Hij alleen nog JEZUS kennen, staat hij uitsluitend en volledig in dienst van JEZUS. Niets anders wil hij kennen dan JEZUS, de Gekruisigde. Met een nog grotere ijver waarmee hij de christenen vervolgd had, gaat Hij nu in het hele Romeinse rijk het Blijde Nieuws van JEZUS uitdragen. "Wee mij, als ik het evangelie niet verkondig".

Over dat bepaalde verblijf in Damascus staan enige interessante gegevens in het boek "In de voetstappen van Paulus" van H.V.Morton, een van die pioniers die alle bijbelse gegevens ter plekke zijn gaan natrekken. Morton begint met te zeggen dat Paulus vanuit Jeruzalem waarschijnlijk niet de noordelijke weg heeft genomen doorheen de Jordaanvallei. Die loopt langs de Zuidelijke kust van het meer Gennezaret en vandaar verder langs de bergwegen, die de steden Decapolis en Damascus verbinden. ’s Zomers moet dat een verschrikkelijk hete en moeilijk begaanbare weg zijn die diep beneden het zeepeil ligt. Paulus zal eerder de langere weg genomen hebben die nu nog naar Damascus leidt, nl. door Samaria en Galilea en naar de voet van de Hermonberg. Alle samen toch zo’n 140 km. De toenmalige toestand van de wegen in aanmerking genomen mogen we veronderstellen dat hij daar 10 tot 14 dagen over gedaan heeft. Onderweg zal hij het meer van Gennezaret gezien hebben in de diepte en de synagoog van Kafarnaüm.Vlakbij Damascus heeft hij die alles omvormende ontmoeting met JEZUS. Men leidt hem aan de hand de stad binnen. En men brengt hem naar het huis van een volgeling van JEZUS, Judas, die in de "Rechte straat" woonde (of in de buurt ervan). Naar dat huis zal door een visioen ook een andere volgeling van JEZUS gestuurd worden: Annanias. Hij sprak tot Paulus:

"Saül, broer, de HEER heeft mij gezonden, JEZUS, die u op de weg hierheen verschenen is, opdat gij het zicht terug zoudt krijgen en met de Heilige Geest vervuld zoudt worden".

Paulus voelde de hand van die vreemde in zijn hand. Tranen liepen uit zijn ogen. Hij zag hem staan, Annanias, en naast hem Judas.

"De God onzer vaderen heeft u voorbestemd om zijn wil te kennen; gij hebt de Rechtvaardige mogen zien en Hij heeft tot u gesproken. Ge zult zijn getuige zijn en Hij zal u tonen hoeveel gij omwille van zijn Naam moet lijden."

Lijden, lijden… Paulus zou vroeger opgesprongen zijn tegen al dat negatieve dat mensen kan overkomen. Vooral kon hij het niet hebben dat de Gezalfde van GOD, de Messias, de CHRISTUS zou moeten lijden, een ergernis was het, wanneer de volgelingen van JEZUS van Nazareth hun "Gekruisigde" voorstelden als "de CHRISTUS". Maar sinds JEZUS aan Hem verschenen was, was er iets gebroken in hem, of beter, er was iets in hem geboren. Hij had de Gekruisigde ontmoet als de Levende, die juist omwille van zijn totale gehoorzaamheid verheerlijkt was door GOD. De Levende CHRISTUS had hem nu aangeraakt en Paulus zou zo sterk in de Messias gaan geloven dat Hij niets of niemand meer wilde kennen dan CHRISTUS, en die Gekruisigd. "Ik wil CHRISTUS kennen, ik wil de kracht van zijn opstanding gewaarworden en de gemeenschap met zijn lijden, ik wil steeds meer op Hem lijken in zijn sterven om eens te mogen komen tot de wederopstanding uit de doden. Niet dat ik het al bereikt heb. Ik ben nog niet volmaakt! Maar ik streef er vurig naar het te grijpen, gegrepen als ik ben door CHRISTUS JEZUS" (Brief aan de christenen van Filippi, 3,10-12).Paulus van Tarsus, die we in vorig nummer in Jeruzalem zagen aankomen en als de soldaat van Jahwe’s rechten naar Damascus zagen hollen, is totaal veranderd. Hij heeft zijn leven uit handen gegeven, hij heeft zich overgeleverd in de handen van die JEZUS, die hij vervolgd had en die hij nu zal dienen met de inzet van heel zijn leven. Er zal een tijd komen dat hij de eenvoudige lieden van Galatië zal toeroepen: "Ik leef, nee, ik leef niet meer maar CHRISTUS leeft in mij!" (Gal.2,20).Die Levende CHRISTUS is vandaag nog steeds dezelfde. Die Levende HEER wil ook met jou op weg gaan, Hij wil zich ook aan jou openbaren, in een persoonlijke relatie met jou. Dat hoeft echt niet op een spectaculaire manier te gebeuren zoals bij Paulus. Je kan gewoon in de stilte van je huis (op een moment dat het er wat stil is) naar Hem opkijken, zelfs tussen je werk door even naar het kruis opzien en je realiseren, zoals Paulus het zich realiseerde: "De liefde van CHRISTUS laat ons geen rust, sinds wij hebben ingezien, dat Een is gestorven voor allen. Maar dan zijn allen gestorven! En Hij is voor allen gestorven, opdat zij die leven niet meer voor zichzelf zouden leven, maar voor Hem die ter wille van hen is gestorven en verrezen" (2Kor.5,14-15).

  NAAR INHOUD           NAAR TOP  

PAULUS (3) PAULUS IN ARABIË


"Maar toen Hij die mij vanaf mijn geboorte had uitgekozen en mij riep door zijn genade, besloot zijn Zoon aan mij te openbaren, opdat ik Hem onder de heidenvolken zou verkondigen, toen ben ik aanstonds, zonder een mens te raadplegen, zonder naar Jeruzalem te gaan, naar hen die eerder apostel waren dan ik, vertrokken naar Arabië en vandaar weer teruggekeerd naar Damascus. Pas drie jaar later ging ik naar Jeruzalem om met Kefas kennis te maken" (Brief van Paulus aan de Galaten 1,15-18).

In Damascus is Paulus beginnen prediken: "JEZUS is de Zoon van GOD". We lezen in de Handelingen: "Met steeds groter kracht bezield bracht Saulus de joden die in Damascus woonden in verwarring door te bewijzen: Deze is de Messias" (Hand.9,22). Je kan je best inbeelden hoe Paulus daar in Damascus een voorwerp van nieuwsgierigheid was bij de christenen en bij mensen die zich lieten overtuigen door hem, hij was immers een gewezen christenvervolger, en niet de minste. Anderzijds oogstte hij ook reeds heel wat vijandigheid vanwege de joodse wetgeleerden.

Hij besluit na enige tijd Damascus te verlaten. Richting Arabië. Zonder een mens te raadplegen, zonder naar Jeruzalem te gaan. De ene exegeet ziet hem daar op predikatietocht, anderen zien hem een soort van bezinningsperiode ingaan. Naar het voorbeeld van Johannes de Doper, naar het voorbeeld van JEZUS zelf voor zijn publiek optreden zoekt hij de eenzaamheid op. Een tijd van alleenzijn met GOD, een tijd van gebed en overweging van wat aan nieuwe inzichten in hem is uitgezaaid door openbaring en door contact met de christenen van Damascus. Volgens enige auteurs zou de jonge eremijt zich in de omgeving van Petra opgehouden hebben. "Bidden en werken", het eeuwige ‘ora et labora’ zal er ook zijn parool geweest zijn. Hij was een handig stielman en het tentgoed dat hij weefde vond goede afnemers bij de nomaden die er hun mobiele huizen mee bouwden. Dat tentzeil had de kwaliteit om zowel de regen als de zon buiten te houden. In deze periode wordt CHRISTUS steeds meer een levende persoon voor hem. De schriftteksten die hij zo goed kent openbaren nu veel meer dan ooit tevoren. CHRISTUS, stervend aan het kruis, een onuitstaanbare gedachte voor een farizeeër, wordt de levende realiteit van het mysterie van de verlossing, daardoor werd de mensheid opgetild. In die opperste momenten van het leven van CHRISTUS, in het gebeuren op Golgotha, breekt GODs liefde als een onweerstaanbare zon doorheen de wolken van een zondige mensheid, een mensheid die ontgoocheld zit te kijken naar al het treurige en mensafbrekende in de wereld. GOD blijft van de mens houden. Dat zegt het kruis. En nog dit: "Alles is volbracht". Met CHRISTUS, met zijn leven en sterven en verrijzen is alles gezegd. Onze opdracht is: geloven in GODs liefde, en ons leven daarop (uit-)bouwen. Er zijn geen voorrechten waarop die of die zich kan laten voorstaan. Als fervente farizeeër had hij ondervonden dat hij de bal compleet had misgeslagen. ‘GOD houdt van mij, gratis, volledig onverdiend en onvoorwaardelijk’."ik ben besneden op de achtste dag, van Israëls geslacht, van de stam Benjamin, een geboren en getogen Hebreeër; op het stuk van de thora (= de joodse Wet) een farizeeër, wat ijver aangaat een vervolger van de kerk, in wettische heiligheid volmaakt. Maar wat winst voor mij was ben ik om Christus gaan beschouwen als verlies. Sterker nog, ik beschouw alles als verlies, want mijn Heer Christus Jezus kennen gaat alles te boven. Om Hem heb ik. alles prijsgegeven. Om Christus houd ik alles zelfs voor vuilnis, als het erom gaat Hem te winnen en een te zijn met Hem, niet met mijn eigen gerechtigheid op grond van de wet, maar met de gerechtigheid die verkregen wordt door het geloof in Christus de gerechtigheid die van God komt en steunt op het geloof" (Filipp.3,5-9).

In de eenzaamheid van de woestijn dringt dit alles door tot in het diepste van zijn wezen.

Met de hevigheid van zijn gemoed kiest hij eenduidig voor CHRISTUS; JEZUS kennen gaat alles te boven, hij is gegrepen door CHRISTUS, die JEZUS die zich totaal ontledigd heeft en gehoorzaam is geworden tot het kruis. Paulus voelt zich nu geroepen om in te treden in de zending die CHRISTUS voor hem had bestemd: "CHRISTUS verkondigen onder "heidenen en koningen en onder de zonen van Israël".

Paulus keert terug naar Damascus. Annanias verwelkomt die bekeerling, die wetgeleerde en denker, die vurige natuur en die christen die gegrepen is door CHRISTUS. Paulus is niet te houden en hervat zijn prediking in de joodse synagogen van Damascus. Maar het wordt een optreden van korte duur. Men deelt hem mee dat er besloten is hem te doden. Je denkt dan aan een soort godsdienstige fundamentalisten zoals we die in Algerije aan het werk zien. Christelijke vrienden helpen hem ontsnappen (in een grote fruitmand) over de muren van de stad. Paulus trekt opnieuw naar Jeruzalem. Hij is drie jaar christen en wil zijn prediking toetsen aan wat de apostelen verkondigen.

   NAAR INHOUD           NAAR TOP  

PAULUS (4) OPNIEUW IN JERUZALEM

(Zie Handelingen 9,26-30; 22,17-21; Galatenbrief 1,18-24)

Pas drie jaar later ging ik naar Jeruzalem om met Kefas kennis te maken en ik ben maar veertien dagen bij hem gebleven. Van de andere apostelen heb ik niemand gezien, behalve Jakobus, de broeder des Heren. Wat ik u schrijf is de zuivere waarheid. God is mijn getuige (Gal.1,18-20).

De christenen te Damascus verloren in Paulus niet enkel iemand die het hen wat moeilijk maakte doordat zijn optreden de woede van de andere joden opwekte, maar ook vonden sommige medechristenen dat hij wat al te heethoofdig was. Misschien was het dan ook een opluchting dat hij vertrokken was. Paulus had nu opnieuw naar Tarsus kunnen trekken, zijn ontgoocheling wat gaan verkroppen en op eigen houtje verder gaan evangeliseren volgens zijn eigen opvatting. Hij koos echter de weg naar het Zuiden, naar Jeruzalem. Hij had niet de pretentie gewoon voorbij te gaan aan wat de ooggetuigen van CHRISTUS' leven zich nog herinnerden van DE HEER en zijn woorden; voor de 'levenswarme herinneringen' moest hij naar Jeruzalem. En ook om te weten hoe ze daar bekeerlingen voorbereidden op het doopsel, hoe ze het 'Avondmaal' vierden en soortgelijke zaken. Ook bv. wat JEZUS in besloten samenzijn met de twaalf had doorgegeven. En verder hoe het eraan toeging na de verrijzenis van DE HEER en wat zij ervaarden rondom het Pinksterfeest. Hij wou echt in eenheid zijn met de bron van waaruit het Blijde Nieuws zich had verspreid.

Indien hij de Via Maris genomen heeft, zullen de indrukwekkende rotsen van Caesarea Philippi hem ook wel geïmpressionneerd hebben. Daar had JEZUS tot Simon gezegd : 'Gij zijt Kefas en op deze Kefas (stevige rots) zal ik mijn Kerk bouwen'. Paulus kwam ook voorbij de synagoge van Kafarnaüm waar JEZUS zo vaak kwam. Misschien trok hij verder langs het meer van Gennezaret en de Taborberg, de plaats van de Bergrede, de plaats waar Stefanus gestenigd werd… Wat een herinneringen aan JEZUS en aan zijn eigen weg van vervolger, nu zelf vluchteling.In Jeruzalem was ondertussen het christelijk geloof wel wat verspreid. Paulus echter voelde zich als een uitgestotene. Door de christenen werd hij beleefd maar zeer afstandelijk begroet. Nergens was hij echt welkom. Tot Barnabas ('Zoon van troost'), die zich inleefde in de situatie van die gewezen vervolger, hem de hand reikte en hem bij Petrus en Jacobus bracht. De vriendschap met Barnabas zou zeer vruchtbaar worden voor het evangelisatiewerk. Het was zeer goed dat Paulus Petrus (=Kefas) ontmoette. Zo'n veertien dagen hebben ze met elkaar kunnen praten. Een gewezen visser en een academisch geschoolde, maar beiden gegrepen door een onuitroeibare liefde voor JEZUS. Petrus vertelde zijn roepingsverhaal. En over die maanden dat zij JEZUS vergezelden op zijn tocht door het joodse land. Paulus, van zijn kant, vertelt hoe hij tot geloof is gekomen, hoe hij JEZUS heeft ontmoet op weg naar Damascus en hoe Annanias hem verder op weg heeft geholpen in de kennis van DE HEER. Ik ben, als vervolger van de Jezusmensen niet waard om christen te zijn, maar DE HEER heeft zich over mij ontfermd en wil mij gebruiken om Hem bekend te maken bij de heidenvolken. Petrus komt dan ook naar boven met zijn bekeringsverhaal. "Ik heb JEZUS verloochend, uit schrik, en dat terwijl ik toch 2 à 3 jaar zijn volgeling was geweest en getuige van grootse zaken en ingrijpende woorden. Maar DE HEER had mij niet uit zijn hart gestoten. Na zijn verrijzenis zei Hij tot de vrouwen: 'Gaat en zegt aan de leerlingen en aan Petrus dat ik verrezen ben en hen voorga naar Galilea' "(Marcus 16,7).

In die veertien dagen dat ze samen waren haalt Petrus de herinneringen aan JEZUS op. Hij brengt Paulus in de zaal van het Laatste Avondmaal. Hier heeft DE HEER als een slaaf rond gekropen op zijn knieën om ons de voeten te wassen en daarna hebben we het Paasmaal gevierd en op het einde van het maal heeft Hij brood genomen en daarover de dankzegging gezegd en toen heeft Hij het brood gebroken en het aan ons doorgegeven terwijl Hij zei: Neem en eet, dit is mijn lichaam voor U. Doe dit tot mijn gedachtenis…" Terwijl ze door Jeruzalem lopen verhaalt Petrus de opvallende tekenen die JEZUS deed, maar ook de weg die Hij ging naar Golgotha, gebogen onder de kruisbalk. Het heeft Paulus diep aangegrepen: JEZUS, in ons bestaan getreden, gehoorzaam geworden tot de dood, de dood aan het kruis. Daarom echter heeft GOD Hem hoog verheven… en Hem tot de heerlijke Messias gemaakt!Twee heel verschillende mensen lopen daar samen door Jeruzalem. Maar het zijn twee christenen, helemaal gegrepen door DE HEER JEZUS. Er zullen later meningsverschillen zijn tussen hen. Petrus, de rots, heeft wel eens de bekoring tot het sluiten van compromissen en dan kan Paulus soms scherp uit de hoek komen, waar het gaat om de waarheid, om de universele en alles overstijgende betekenis van JEZUS. Alleen in JEZUS is het heil te vinden, wij kunnen geen aanspraak maken op heil enkel door onze menselijke inspanningen. Sommigen verstaan Paulus dan nog radicaler dan hij het wel bedoelde. Daarom waarschuwt Petrus dat sommigen de woorden van 'onze broer Paulus' verkeerd verstaan.

Alles samen is dit een heilzame ontmoeting geweest. Paulus deelt echt in de christelijke overlevering van de oorspronkelijke christelijke gemeenschap en van de historische CHRISTUS. Het is opvallend dat deze beide grote figuren van het christendom op het einde van hun leven samen in de hoofdstad van het Romeinse rijk de dood zullen vinden.

Het is een klassiek procédé om Petrus en Paulus tegenover elkaar te stellen en Paulus voor te stellen als iemand die aan het christendom een heel andere wending heeft gegeven dan wat er tot dan toe voorhanden was. Paulus is inderdaad het grote instrument geweest om het christendom - ook in theorie - te openen naar de niet-joden, maar men mag het niet zo voorstellen dat heel zijn verkondiging ook een andere inhoud zou hebben dat de apostolische overlevering. De ontmoeting met Kefas (Simon Petrus) waarover we het in dit stukje hadden heeft hem mee opgenomen in die stroom van christelijke overlevering, gegrond op de eerste getuigen. In zijn boek "Paulus" somt dr. Josef Holzner een heel deel themata op die naar voor komen in de verkondiging van Paulus en die hij duidelijk heeft gekregen vanuit contacten met die eerste apostolische verkondiging. Paulus hangt echt niet in het luchtledige.

Tijdens zijn verblijf te Jeruzalem kon Paulus het natuurlijk niet laten om in 'de synagoge der vrijgelatenen' getuigenis af te leggen over JEZUS. Hij doet het op een nogal hoekige manier en het scheelt niet veel of het wordt daar een tweede Stefanusstory. Misschien vragen Petrus en Jacobus dat hij dat soort zaken zou opgeven. Even op adem komend in de tempel zegt Hij aan DE HEER: "Heer, niemand wil naar mij luisteren, ze weten teveel van mij af".

Dan krijgt Hij de opdracht van DE HEER: "Haast je, vertrek uit Jeruzalem. Ik zal je zenden ver hiervandaan, naar de heidenen" (Handelingen 22,17).

Terwijl huurmoordenaars hun plan beramen, helpen christelijke broers hem in het geheim te ontkomen naar Cesarea, zonder dat hij nog andere christelijke gemeenschappen leert kennen (Galaten 1,22). Langs Tyrus en Sidon vaart hij naar Seleucië bij Antiochië. Daarna trekt hij door Syrië en Cilicië en komt dan tenslotte in zijn geboortestad Tarsus. Opnieuw halen de christengemeenschappen opgelucht adem. "De tijd was voor Paulus nog niet rijp, en Paulus nog niet voor de tijd".

  NAAR INHOUD           NAAR TOP  

5 PAULUS IN TARSUS EN IN ANTIOCHIE (5)

door: Ben Van Vossel cssr


"Naar aanleiding van Stefanus was er, zoals gezegd, een vervolging losgebroken. Zij die hierdoor verspreid waren, trokken verder tot Fenicië, Cyprus en Antiochië toe, terwijl zij het woord alleen maar aan de Joden predikten. Maar er waren onder hen mannen uit Cyprus en Cyrene, die na hun komst in Antiochië zich ook tot de Grieken richtten en hun de Heer Jezus verkondigden. De hand des Heren was met hen, zodat een groot aantal het geloof aannam en zich tot de Heer bekeerde. Het gerucht over hun optreden kwam ook de Kerk van Jeruzalem ter ore en men vaardigde Barnabas af naar Antiochië. Toen dezedaar aankwam en Gods genade zag, verheugde hij zich en wekte allen op met hart en ziel de Heer trouw te blijven. Hij was een goed man, vol van heilige Geest en geloof. Veel mensen werden voor de Heer gewonnen. Daarop vertrok hij naar Tarsus om Saulus te gaan zoeken" (Handelingen van de Apostelen, hoofdstuk 11, verzen 19 tot 25)

Hoe lang heeft Saül in Tarsus verbleven na zijn vertrek uit Jeruzalem ? Dat kan drie of vier jaar geweest zijn. God gaat soms eigenaardige wegen met mensen die hij voor een groot werk wil gebruiken. Hij laat ze vaak, met al hun (nog al te menselijke) energie en bezieling, maanden en jaren rijpen in eenzaamheid, in ogenschijnlijke inactiviteit. Er is immers een diepe werkelijkheid die we moeten weten : onze activiteit doet er eigenlijk niet zoveel toe. "Er zijn allerlei soorten werk, maar er is slechts een God, die alles in allen tot stand brengt", schrijft Paulus later aan de Korinthiërs (1KOR.12,6).

Waarschijnlijk zat hij te weven in de oude werkwinkel van zijn vader toen daar plots Barnabas voorhem stond. "Saül, je moet met me meekomen. Er is enorm veel werk aan de winkel. Ik kom van Antiochië; je zal het niet geloven, maar de harten zijn daar zo open voor het Blijde Nieuws dat Jezus ons gebracht heeft, dat ik u echt nodig heb om voor de grote doorbraak te zorgen. Weet je, we verkondigen Jezus niet enkel aan Joden en proselieten (heidenen die zich tot het jodendom bekeerd hadden) maar aan iedereen. En, het is gewoon niet te geloven hoezeer de harten van de ongelovigen zich openen voor Jezus en zijn Vreugdevol Nieuws. Saül, echt, je moet meekomen". Saül ziet in deze uitnodiging van Barnabas de vervulling van de belofte die hij in Jeruzalem in de tempel van Godswege had gekregen. "Ik zal je zenden ver hiervandaan, naar de heidenen" (Handelingen 22,17). Paulus' hart was gereed voor dit werk. Hij had in Tarsus en in de Cilicische vlakte Jezus verkondigd en een aantal Joden gedoopt. Die bekeerlingen zouden het werk daar verder moeten zetten. Hijzelf moest nu de wijde wereld in.

Antiochië was een prachtige stad. Na Rome en het Egyptische Alexandrië, de derde stad van het Romeinse Rijk. Een lange zuilengang doorkruiste de hele stad, van Oost naar West en van Noord naar Zuid: en groot marmeren kruis lag zo over de stad, die vol stond met tempels en godenbeelden en beelden van allerlei bekende of invloedrijke mensen; sportcentra en badinrichtingen en een soort Chinese muur omgaf het geheel. Een wereldstad, met veel rijk volk, een massa gewoon volk en een menigte slaven. De bevolking was er genotziek en de moraal scheerde geen hoge toppen. De Joodse godsdienst werd er over het algemeen gerespecteerd.

Typisch was wel dat in deze stad de leerlingen van Jezus helemaal afgescheiden waren van het Jodendom, los van de synagoog. De eerste christenen, uit Jeruzalem gevlucht na de moord op Stefanus, hadden zich direct gericht tot ongelovigen, waarschijnlijk omdat zijzelf ook niet echt van Joodse komaf waren. In die christelijke gemeenschap waren er 'leiders' ("oudsten" of presbyters; misschien is ons woord 'priester' daarvan afkomstig), 'profeten', die onder invloed van Gods Geest de gemeenschap konden bezielen met hun woord en dan waren er ook 'leraars', die op overtuigende wijze konden onderrichten in de christelijke leer. Terwijl in de namiddag de mensen naar het circus gingen of het theater - je kon op grote afstand de explosies van toejuichingen of schaterlachen horen - kwamen christenen en mensen die door bekeerlingen werden uitgenodigd luisteren naar Paulus in een groot burgerhuis. "Ettelijke hoekige Jodengezichten kijken daar tussen met diepzwarte ogen; doch veruit de meesten zijn rond Griekse wezens, met heldere vranke blikken. Mensen wier ziel voorheen zo leeg bleef bij al het uiterlijk verzet in Antiochië, bij dit pralerig vertoon op straat, die feesten, danspartijen en drinkgelagen; mensen de gedrongen werden naar eerbaarheid en zielenadel, en heimwee hadden naar iets schoons dat niemand hun openbaarde; mensen die in al hun zwakte soms en zedelijke ellende, toch uiteraard aangelegd waren om leerlingen van Jezus te worden. Zulke mensen zijn er veel, overal, ook in de meest lichtzinnige en diepst bedorven steden. Tot die waren Lucius de Cyreneër en de anderen gegaan. Die zitten thans naar Saül te luisteren". Hij spreekt tot hen en zoekt aansluiting met hun ziel, het diepste in hen dat ontgoocheld is over de morele ontwrichting van de samenleving en van hun eigen leven, de onnozelheid van al die godengeschiedenissen die de ronde doen; zij worden aangesproken door de oproep tot een leven van zuiverheid en liefde, door de oprechtheid van de christelijke voorgangers, door het leven van Jezus en wat Hij leerde over de God van liefde en zij mogen de kracht ervaren van Gods Geest wanneer men hen doopt en de handen oplegt. Zij voelen aan dat zij, in de kracht van de Geest, een leven kunnen leiden dat God behaagt.

Lang blijven ze zitten luisteren. Ze voelen zich herboren worden. En ze zingen het uit met de oude psalmliederen van koning David en in nieuwe, rijke hymnen. En als ze naar huis gaan lokt hen niet het lawaai en gejoel. Hun hart is vol met Jezus' naam.

Saül gaf zich totaal aan zijn werk van verkondiging. Barnabas had de waarheid gezegd. De harten waren open. Ongelooflijk hoeveel ongelovigen zich tot hen wendden. In de verkondiging van Paulus kwam ook niets van al die Joodse wetten over die moogt ge eten en dit niet, dit mag je aanraken en dat niet. Christus werd er verkondigd, zonder heel die aanwas van niet ter zake doende regels en wetten. De Griekse mens voelde zich goed bij dit soort verkondiging. Omdat de nieuw bekeerden nogal veel over Christus spraken werden ze hier in Antiochië voor het eerst "christenen" genoemd; misschien was het zelfs een spotnaam.

Op zekere dag komt er een profeet, Agabus bij de christenen van Antiochië en hij voorspelt een hongersnood in Judea. En inderdaad gebeurt dat even later. Barnabas en Saül worden naar Judea gestuurd met het geld, dat ieder volgens vermogen gegeven had. De broeders van Antiochië wilden hun beproefde geloofsgenoten van Judea helpen. Dit kerk was daar trouwens al zwaar beproefd. Jacobus, de broer van Johannes was op bevel van Agrippa onthoofd en Petrus had hij laten gevangen zetten. Deze was echter op wonderbare wijze kunnen ontkomen en was gevlucht naar een andere plaats. Barnabas en Saül bezorgen het verzamelde geld aan de christengemeente van Jeruzalem en dan keren ze terug naar Antiochië. Zij worden vergezeld van de neef van Barnabas, Johannes Marcus, zoon van Maria, een verwante van Barnabas. Terug naar de grote oogst. Jaren zal Paulus hier werken en duizenden heidenen brengen tot het geloof in Jezus. Een zeer vruchtbare periode in zijn leven, maar niet de laatste.

  NAAR INHOUD           NAAR TOP  

6. PAULUS IN CYPRUS

door : Ben Van Vossel cssr

1 Paulus in Jeruzalem - 2 Paulus in Damascus - 3 Paulus in Arabië - 4 Paulus weer in Jeruzalem

5 Paulus in Tarsus en Antiochië - 6 Paulus in Cyprus - 7 Paulus. Zijn evangelisatiestrategie


Antiochië was voor Paulus in feite zijn thuis geworden. Maar in Paulus' hart smeulde een honger, een honger als die van Jezus die het ook belangrijk vond het zaad van Gods woord te zaaien. Paulus wou met het Blijde nieuws van Jezus de wereld rondtrekken. En hij had in Jeruzalem een soort visioen gehad. Het succes te Antiochië was daar een vervulling van. Maar nu daar alles zo goed ging en er veel leraars en profeten waren en mensen die de zaak konden leiden…Op een van hun samenkomsten staat een profeet recht die zegt : "Zo spreekt de heilige Geest: zondert mij Saül en Barnabas af voor het werk waartoe ik hen geroepen heb". 't Is als een bom die ontploft: een gonzende bijenkorf gaat uitzwermen, de wijde wereld in. Een grote vreugde kwam over de gemeenschap gekomen, ze feliciteerden de beide geroepenen en zongen hun lofliederen. En 's anderendaags, nadat ze thuis reeds gebeden hadden kwamen ze weer samen en de ouderen legden de handen op het hoofd van Paulus en Barnabas. Zo werden ze toegerust voor hun zending. Men gaf hun de vredeskus en toen vertrokken beide mannen. Barnabas zou de tocht leiden, althans bij de aanvang.Het gaat dan ook richting Cyprus, het thuisland van Barnabas. Ook daar waren joodse handelaars en hier en daar wat christenen; Barnabas kende de taal en de gewoonten.

Saulus had de zaak wel wat anders bekeken. Cyprus lag wat uit de richting als je vooral de volkrijke steden en de kruispunten van belangrijke handelswegen op het oog had. Het waren juist die steden en die handelskruispunten die meest geschikt waren om het geloof spoedig over het hele Romeinse wereldrijk te verspreiden. Maar kom, op dit moment had Barnabas de leiding en er is niets dat een missietocht zo naar een fiasco kan leiden als onenigheid. Johannes-Marcus, de neef van Barnabas die met hen uit Jeruzalem was meegekomen naar Antiochië zou de tocht ook meemaken "om hen te helpen". Die Marcus had Jezus nog gekend, in het grote huis van zijn moeder waren Petrus en de andere apostelen vaak; hij had weet van Jezus' optreden, de mirakelen en uitspraken en was er vol van. Zo iemand kon zeker zij steentje bijdragen aan het welslagen van de zending.

Geen vliegtuig, geen trein, geen auto, geen snelle Romeinse strijdwagen voorhanden. Te voet gaat het naar Seleukië, waar ze de zee kunnen ruiken. Ze vinden een schip waarmee ze zullen afvaren. Midden op het dek, tussen al de koopwaar zitten zij, met hun etenswaar voor de overtocht. Kooplui en ook wat bedevaarders naar een of ander heidens bedevaartsoord bevinden zich ook op het dek. Met hun drieën gaan onze missionarissen de wereld veroveren voor Christus. Drie kleine zaadjes gezaaid op een wereldwijde akker vol onkruid. Het lijkt een beetje zielig, als een muis die een berg op de vlucht wil jagen.

Het voorgebergte van Cyprus vertoont zich aan hen, met erboven uitstekend de besneeuwde top van de Orontesberg. Langs de kust bevindt zich het witte stadje Salamis met daarachter een groene vlakte. Barnabas leidt hen naar de synagogen van de stad. Maar, eerlijk gezegd, daar loopt men niet warm over zijn getuigenis over Jezus of het ooggetuigenverslag van Marcus. Er wordt althans niet over succes gesproken in de Handelingen van de Apostelen. Tot ze het hele eiland waren doorgetrokken en in Pafos aankwamen. Daar verbleef de proconsul Sergius Paulus, "een weldenkend man". In zijn gezelschap was er een joodse tovenaar, een zekere Barjezus; men noemde hem Elymas, "de geleerde". De proconsul ontbood Barnabas en Saulus - die ook Paulus heette - (zo wordt hier vermeld) en gaf zijn verlangen te kennen om het woord van God te horen. Die tovenaar begaat de onvoorzichtigheid van te trachten de Proconsul van het geloof af te houden. Dàt is zonder Saulus gerekend (die vanaf nu ook Paulus genoemd wordt) : "Vervuld van de Geest keek hij hem strak aan en voegde hem toe: 'Duivelskind, vol listigheden en bedrog, vijand van alle gerechtigheid!… Gij zult blind zijn en een tijdlang de zon niet meer zien'" "Terstond viel er een dikke duisternis over hem en rondtastend zocht hij iemand om hem bij de hand te leiden". Een korte zin die uit een apocrief geschrift gegrepen lijkt. Het ging hier echter over een tegenkracht die heel het evangelisatiewerk daar wou stukmaken. Het gevolg van deze gebeurtenis is trouwens duidelijk: "Op het zien van het gebeurde nam de proconsul het geloof aan, diep getroffen door de leer des Heren". Paulus heeft hier - in de kracht van de Geest - een situatie rechtgezet en een invloedrijk iemand tot de weg van Jezus bekeerd. Vanaf nu wordt Paulus de leider van de missionarisgroep, wat duidelijk blijkt uit het begin van het volgende vers: "Het gezelschap van Paulus voer nu weg uit Pafos en begaf zich naar Perge in Pamfylië". Daar treffen we hem volgende keer aan, in volle actie en met duidelijke opties in de evangelisatiemethode.

  NAAR INHOUD           NAAR TOP  


7 PAULUS' EVANGELISATIE-STRATEGIE (7)

door : Ben Van Vossel cssr


Zending naar de heidenen

In zijn Galatenbrief spreekt Paulus over een zending die hij van Godswege kreeg om Jezus te gaan verkondigen onder de heidenvolken. Dat moet een hele omwenteling geweest zijn voor de eerste christenen die allen joden waren. Zij vonden dat je je eerst tot het jodendom moest bekeren, de hele joodse wet moest onderhouden en dan kon je daar bovenop ook nog kiezen voor Jezus. Paulus gaat tot "heidenen", die niet het joodse geloof hebben. Helemaal nieuw was dat niet. Ook de volgelingen van Stefanus hadden dat gedaan in Antiochië. En wellicht nog anderen, als de legenden rond de apostel Thomas enig waarheidsgehalte hebben. Van Paulus weten we het zeker.

Een missiestrategie?

Ging hij bij die zending naar de "heidenen" planmatig te werk? Th. Van Tichelen is daar vrij sterk van overtuigd. Reeds bij de eerste missiereis, wanneer Paulus Barnabas volgt naar Cyprus, het thuisland van Barnabas noteert Van Tichelen: "Saül echter zou van een ander land gedroomd hebben. Wel zal de Heer hun woord op Cyprus wasdom geven; wel vaarden diepgeladen schepen van Cyprus uit naar Azië en Griekenland en Rome zelfs, met wijn en olie en hout en koper; maar het eiland lag buiten de grote zeewegen van ' Oosten naar ' Westen, van 't Zuiden naar 't Noorden. En wat hij reeds inzag toen hij nog Jood was, had zijn ervaring duidelijker gemaakt: het geloof moest eerst gezaaid worden in volkrijke steden en bij kruispunten van voorname handelsbanen". C.J. den Heyer betwijfelt echter of Paulus wel zo'n uitgekiende missiestrategie had als hij vaststelt hoe vaak Paulus moet afzien van de plannen die hij had. Nazaire Faivre wil ook eerder een strategie ontwaren bij Paulus. En je kan je van een man als Paulus - toch wel een pragmaticus - moeilijk indenken dat hij in zijn bezigzijn en vooral in het grote werk van de evangelisatie van de wereld geen strategie zou gehad hebben. Dit belet natuurlijk niet dat hij zich liet leiden door Gods Geest en dus onvoorziene stappen diende te zetten. Op het ogenblik dat de reizende bijbelgeleerde, H.V. Morton, op de oude weg door het Taurusgebergte staat, in de doorgang die de Cilicische Poorten genoemd wordt, komt bij hem de gedachte op aan de jonge Saulus van Tarsus: "Als kind zal Paulus deze bergen goed gekend hebben, want in de tijd der Romeinen waren de inwoners van Tarsus gewend 's zomers de stad te verlaten en in de schaduw van deze bergen de vakantietijd door te brengen. Al heel vroeg in zijn leven heeft Paulus geweten dat deze Poorten de toegang tot een andere wereld ontsloten; dat dit de pas was, waarop wegen van Bagdad en Antiochië uitkwamen die regelrecht naar Efese voerden en vandaar over de zee naar Rome - het grote wereldhart - leidden" .

Van het bekende naar het onbekende

Wat er ook van zij, we kunnen vaststellen dat Paulus meestal eenzelfde aanpak had als missiemethode. Gewoonlijk volgde hij het spoor van de joodse diaspora. Hiermee bedoelen we de weg die de uitgeweken of verdreven joden gegaan waren. In elk land of stad waar zij zich vestigden, werden ook gebedshuizen opgericht, synagogen. Wat Paulus bovendien kenmerkte was dat hij bij voorkeur plaatsen uitzocht waar hij zijn beroep van tentenmaker kon uitoefenen. Hoewel hij vond dat een geloofsverkondiger van het evangelie mocht leven, wou hijzelf liever onafhankelijk zijn en niet op de christengemeente wegen. "Door deze methode krijgt Paulus' missieleven een zekere regelmatigheid en gelijkvormigheid; zodra hij in een stad komt, gaat hij naar de jodenwijk, zoekt werkgelegenheid, waar hij volgens Oosters gebruik in de familiekring wordt opgenomen, en begint met zijn werk aan het weefgetouw. Op de eerste de beste sabbat gaat hij dan naar de synagoge, stelt zich voor als wetgeleerde en krijgt een ereplaats. Na het voorlezen van de Heilige Schrift komt de "hazzan" (wij zouden zeggen: de koster) bij hem, die hem uit naam van het hoofd der synagoge uitnodigt, een stichtend woord tot de gelovigen te richten." Hij verkondigt dat Jezus en door deze verkondiging sluiten een aantal mensen zich bij hem aan. Maar vaak komt er na enige weken een reactie van sommige joodse mensen en zo keert Paulus zich dan vaak naar de heidenen.

Zaaien en wieden

Nog een kenmerk van zijn missiemethode is dat hij gedurende maanden ter plekke blijft (ongeveer een jaar) en dan pas naar een volgende stad of stadje trekt. Op het einde van zijn zendingstocht keert hij dan langs dezelfde weg terug om de nieuwe christenen te bevestigen. Follow-up noemt men dat tegenwoordig. De Redemptoristenmissionarissen deden voor hun volkmissies in feite hetzelfde. Enige tijd na de missie, die werkelijk een hoogtepunt geweest was, kwamen ze terug, zo'n jaar later. Dezelfde paters predikten dan 's zondags, en het was voor de parochianen een gelegenheid om eens terug te denken aan de bekering die ze meemaakten, de voornemens, de goede gewoonten die ze in hun gezin hadden binnengebracht. Zo zien we Paulus ook bv. tijdens zijn eerste missiereis - alvorens een zevende stadje (Perge) te evangeliseren en daarna terug te keren naar Antiochië in Syrië - terugkeren naar Derbe, Lystra, Ikonium, Antiochië (in Pisidië), Pafos en Salamis om zijn kersverse christenen te bemoedigen en hun geloof te verdiepen. Wij maken hier dan nog abstractie van de brieven die hij ongetwijfeld richtte tot verscheidene van zijn christengemeenten.

Ik verkondig u Christus, gekruisigd en verrezen

En wat verkondigde Paulus? De vraag is natuurlijk slecht gesteld. Hij verkondigde op de eerste plaats niet iets, maar Iemand. In zijn verkondiging stelt hij Jezus in het centrum. Hij zag rondom zich de heidense wereld en kende de joodse wereld van binnenuit. Hij zag hoe enerzijds de heidense wereld was overgeleverd aan de cultus van de demonen en hoe anderzijds de joodse wereld zich verwijderd had van de Openbaring door de Letter van de Wet te vergoddelijken en te aanbidden. Hij voelt in zich de dwingende noodzaak om de mensheid uit haar dwaalweg te helpen en om op weg te gaan met Christus. Hij droomt van een omvorming van de wereld, in de lijn van hetgeen hijzelf tot in de diepste wortels van zijn wezen had mogen meemaken : omvorming van de geestelijke dood naar het goddelijk leven; een geheel vernieuwd wezen in de verheerlijkte Christus, voor altijd de bevrijder uit de dood.

    NAAR INHOUD           NAAR TOP  


PAULUS (8) EEN NOODZAKELIJK DEBAT

door : Ben Van Vossel cssr

14 Maar toen ik zag dat hun gedrag niet strookte met de waarheid van het evangelie, zei ik tegen Kefas waar allen bij waren: `Als jij, een geboren Jood, leeft als een heiden en niet als een Jood, hoe kun je dan de heidenen dwingen om te leven als Joden?' 15 ... 16 Maar daar wij weten dat de mens niet gerechtvaardigd wordt door de werken van de wet, maar alleen door het geloof in Jezus Christus, zijn ook wij in Jezus Christus gaan geloven, om gerechtvaardigd te worden door het geloof in Christus en niet door de werken van de wet, want door de werken van de wet zal geen mens gerechtvaardigd worden. (Galatenbrief 2,14-16)

Er stelde zich in de vroegchristelijke kerkgemeenschap een ernstig probleem, eigenlijk het probleem van de jood-christenen. Een vrome jood mag niet zomaar elk voedsel eten (in het oud-testament lees je een hele hoop voorschriften die betrekking hebben op spijzen die je niet mag eten) en het blijft ook niet gelijk met wie je aan tafel zit en met wie je eet. De Thora (de joodse wet) is op dit vlak zeer strikt. Ook Jezus nam men het al kwalijk dat Hij 'een vriend was van tollenaars en zondaars' (en dat waren dan wellicht nog joden) en men noemde Hem een 'vraatzuchtig mens en een wijndrinker' (in vergelijking met de strenge asceet Johannes de doper die veel vastte en geen wijn dronk). Als jood was je besneden en onderhield je de Thora, de hele Thora.

Petrus

Nu lezen we in De Handelingen van de Apostelen over dat voorval waar Petrus, onderricht door een visioen, toch meegaat met mensen van een niet-joodse honderdman, Cornelius, naar Joppe, waar hij het huis van die heiden binnengaat en zijn gezin doopt. Petrus wordt in Jeruzalem op het matje geroepen. Maar hij verhaalt dat hij een visoen gehad heeft en dat Gods Geest tijdens zijn toespraak reeds over die mensen is gekomen 'dan kon ik toch niet weigeren om die mensen te dopen als God zelf hen reeds had goedgekeurd'. Okay, dat voorval kon dan nog door de beugel.

Voor de rest hield Petrus zich waarschijnlijk strikt aan de joodse wet. Want we zien dat hij, na de steniging van Stefanus, die zich ook nogal vrij opstelde tegenover het jodendom, toch in Jeruzalem blijft met de andere apostelen, terwijl de christenen die wat losser omgingen met de joodse voorschriften naar elders dienden te vertrekken, o.m. naar Antiochië.

Antiochië. We hebben reeds gezien dat het een geval apart was, omdat daar heel wat niet-joodse christenen waren: heidenen die zich tot het christendom bekeerden, zonder eerst de joodse godsdienst aan te nemen. Petrus, die daar eens op bezoek was, had met die mensen ook gewoon gegeten (wat dus niet mocht volgens de joodse voorschriften, want het waren geen joden). Een gedurfde maar echt christelijke manier van doen. Even later kwamen er daar in Antiochië strenggelovige joodse christenen, uit de kring van Jacobus, 'de broeder des Heren' en zij verweten hem zijn onjoods gedrag. 't Werd weer storm op het meer en Petrus werd bang. Hij had even zijn nek uitgestoken, maar nu kroop hij terug in zijn schulp. Gevolg: hij kwam niet meer aan tafel met die heiden-christenen. 't Is zo menselijk, zelfs voor iemand die 'Kefas' werd genoemd, de rots in de branding. Maar zo schep je natuurlijk een breuk in de christelijke gemeenschap.

En hier treedt Paulus op. Hij verhaalt het ons in zijn brief aan de Galaten. Hij zet zijn optreden overigens nogal dik in de verf omdat hij heel zijn leer moet verdedigen bij die eenvoudige mensen uit Galatië. Hij spelt Petrus publiek de les. Als we door ons geloof in Jezus gered worden, dan worden we niet gered door de spijswetten van de Thora. Wij mogen die spijswetten dus niet gaan opleggen aan mensen die niet in de joodse bedding staan. Jezus is de Redder, niet de trouw aan spijswetten. Paulus' overtuiging spreekt duidelijk uit het citaat uit de Galatenbrief bovenaan dit artikel. Hij voegt er nog aan toe: "als de wet ons kon rechtvaardigen, dan was Christus voor niets gestorven" (Gal. 2, 21).

Deze confrontatie was niet het eerste feit van die aard. In de Handelingen van de Apostelen wordt verhaald hoe Paulus, na de eerste missiereis met Barnabas (en gedeeltelijk met Johannes Marcus) weer lange tijd in Antiochië verbleef. Op zeker ogenblik komen er echter jood-christenen die aan de gelovigen zeggen: 'Je moet je volgens de wet van Mozes laten besnijden, anders kan je niet gered worden'. Je kan wel veronderstellen hoe Paulus daarover denkt. Omdat er zo'n felle discussies plaats vinden in de Antiocheense christengemeenschap wordt hij samen met Barnabas naar Jeruzalem gestuurd om die zaak in het reine te brengen bij de apostelen. Je zou het een soort van concilie kunnen noemen. Men komt daar tot het volgende besluit: de christenen uit het heidendom moeten zich niet laten besnijden, maar ze moeten wel wat rekening houden met jood-christenen, voor wie het eten van bepaalde spijzen echt een gruwel is. Zo kwam men tot een akkoord. Dat tweede luik van de overeenkomst is echter waarschijnlijk vrij vlug dode letter gebleven; de heiden-christenen konden dat gewoon niet plaatsen. Als we Paulus horen in zijn Galatenbrief, zien we dat hij dat luik ook reeds achter zich heeft gelaten. Heidenchristenen kiezen voor Jezus, waarom zouden ze zich ook nog al die joodse wetjes moeten gaan aantrekken ? Maar misschien is deze ontwikkeling bij Paulus ook een reden van zijn verwijdering met Barnabas. Zo zal Paulus zijn tweede missietocht met andere mensen aanvatten. Daarover volgende keer meer. Na dit besnijdenis- en spijswettenintermezzo dus weer actie.

  NAAR INHOUD           NAAR TOP  


PAULUS (9) DE TWEEDE MISSIETOCHT (1)

door: Ben Van Vossel

Alvorens er met Paulus opnieuw 'op uit te trekken' blijven we nog even nagenieten van wat er in Antiochië gebeurde nadat ze met het goede bericht uit Jeruzalem gekomen waren dat nl. heiden-christenen zich niet hoefden te bekommeren om allerlei joodse voorschriften.

"Zij riepen de gemeente bijeen en overhandigden de brief. Zij lazen hem en waren blij over de troostvolle inhoud. Judas en Silas, die zelf ook profeten waren, sterkten de broeders met vele bemoedigende woorden. Na enige tijd daar te hebben doorgebracht namen zij in vrede afscheid van de broeders en keerden terug naar die hen gezonden hadden. Paulus en Barnabas bleven in Antiochië en met nog vele anderen gaven zij daar onderricht en verkondigden het woord des Heren" (Handelingen 15,30b-35).

Blijkbaar bleef Antiochië een gunstige plaats om het Woord van God te verkondigen. Paulus en Barnabas en nog vele anderen gaven daar onderricht en verkondigden het woord des Heren. Het was de gunstige tijd en het was een vruchtbare grond voor het goede zaad van het evangelie.

Maar als het te goed gaat, wordt Paulus onrustig: zijn zending is op zoek gaan naar onontgonnen gebied ofwel naar plaatsen waar hij kerken heeft gesticht. Hij is op en top een missionaris, een apostel die kerken moet stichten en ervoor moet zorgen dat die nieuwe christengemeenschappen ook volharden en groeien.

Na enige dagen zei Paulus tot Barnabas: 'Laten we nog eens de broeders gaan bezoeken in alle steden waar we het woord des Heren verkondigd hebben, om te zien hoe het hun gaat' (Hand. 15,36).

Okay, zegt Barnabas, ik zal mijn neef Johannes-Marcus (de latere evangelist Marcus) meenemen. Daar wil Paulus echter niet van weten, want Johannes-Marcus is volgens hem niet uit het goede missionarishout gesneden; hij heeft hen bij hun eerste missiereis in de steek heeft gelaten toen Paulus, na het gebeuren bij de proconsul Sergius-Paulus (in Pafos op Cyprus), zo wat de psychologische leider van de missionarisgroep geworden was.

Het gezelschap van Paulus voer nu weg uit Pafos en begaf zich naar Perge in Pamfylië; daar scheidde Johannes zich van hen af en keerde naar Jeruzalem terug (Hand. 13,13).

Het komt tot een breuk tussen Barnabas en Paulus en ze gaan ieder hun eigen weg. Barnabas, zelf afkomstig van Cyprus, zal samen met Johannes-Marcus daar verder gaan missioneren (Op Cyprus is nog een kerk die de naam van Marcus draagt en in de omgeving van Salamis zou zich volgens een bepaalde traditie zijn graf bevinden). Paulus heeft heel andere plannen. Hij wil de gemeenten bezoeken die ze gesticht hebben tijdens hun eerste missietocht. Als medewerker kiest hij Silas. Die komt uit Jeruzalem, uit de omgeving van Petrus en Jacobus, de broeder des Heren, maar blijkbaar is hij in Antiochië blijven hangen ofwel is hij vrij spoedig weer uit Jeruzalem teruggekeerd en is hij een vertrouweling van Paulus geworden. Met hun beiden trekken ze op evangelisatietocht. Het wordt - zeker volgens de Handelingen van de Apostelen - een tocht die geleid wordt door de heilige Geest.

Een missietocht 'door de Geest geleid'

Een missietocht. Sommige predikanten in de Verenigde Staten en elders kruipen ervoor in een straaljager en op hoogstens een paar uur staan ze te prediken op de plaats waar men hen had uitgenodigd. Dat was in het jaar 49 wel eventjes anders voor Paulus. We kunnen het wellicht wat vergelijken met wat onze broussemissionarissen in Congo of onze rondtrekkende Haïtimissionarissen vroeger ondernamen. Waarschijnlijk hebben Paulus en Silas de heenreis grotendeels te voet afgelegd, of op een ezel of misschien gedeeltelijk op de wagen van een handelaar. De terugreis gebeurde hoofdzakelijk met een zeilschip. De weg die Paulus volgde kunnen we kort schetsen: Vanuit zijn vertrekbasis Antiochië (in Syrië), door de Cilicische passen, met voorbijgaan van Tarsus (waar hij vandaan was) naar Derbe en Lystra. Hier werft Paulus een jongen aan om hem ook te vergezellen: Timoteüs, ons welbekend van de twee brieven die, aan hem gericht, in het Nieuwe Testament zijn opgenomen. Hij was van een heidense vader maar van een Joodse moeder, en volgens de joodse wet was hij dus een jood. Om de gevoelens van de Joodse gemeenten die hij nog zou bezoeken niet te kwetsen, laat Paulus Timoteüs dan ook besnijden.

"Omdat hij een goede naam had bij de broeders van Lystra en Ikonium, wenste Paulus hem als reisgezel. Omwille van de Joden die in die streek woonden, liet hij hem besnijden, want iedereen wist dat zijn vader een Griek was" (Hand. 16,2-3).

Met hun gedrieën trekken zij door Lykaonië (langs Antiochië in Pisidië) en ook doorheen Frygië en Galatië "omdat zij door de heilige Geest ervan weerhouden waren het woord te verkondigen in Asia" (met o.m. de wat rijkere Griekse steden die we kennen uit de Openbaring van Johannes: Pergamon, Tyatira, Lydia, Sardes, Filadelfia, Laodicea, Smyrna). In Mysië gekomen wilde hij nog noordelijker naar Bitynië reizen "maar de Geest van Jezus stond hun dit niet toe". Hij trekt dan naar Troas, aan de kust, waar hij een visioen heeft. Hij zag een Macedoniër die smeekte: "Steek over naar Macedonië en kom ons te hulp". Vanuit het huidige Turkije - waar hij reeds zovele christengemeenten had gesticht - gaat Paulus nu naar Europa oversteken. Een geweldige zegen is vanuit dit visioen voortgekomen voor Europa. Omdat op dit ogenblik in Lukas' verhaal (Handelingen van de apostelen) de wij-vorm nogal eens voorkomt is het mogelijk dat ook hij hier deel uitmaakte van het kleine gezelschap.

Bewogen begin van de evangelisatie van Europa

In een paar etappes maken ze de overtocht naar het eiland Samotrake, een bekend kultuscentrum voor de god van de zeelui , daarna naar Neapolis (nu Kavalla), een bekende haven langs de bekende via Egnatia, en tenslotte landen ze in Filippi. Filippi was een Romeinse kolonie. Het was in 357 voor Christus door de vader van Alexander de grote gesticht (Filippos II). De moordenaars van Julius Cesar, Brutus en Cassius, werden hier door de legers van Octavianus (keizer Augustus) en Marcus Antonius in 42 verslagen. Dit was zowat het begin van het grote Romeinse rijk. Van die tijd af waren daar vooral oudgedienden van de Romeinse legioenen en Italiaanse boeren komen wonen. Het leefklimaat was dus nogal Romeins getint. Paulus ligt niet wakker van wat keizer Augustus aan 't bewerken is, maar hij profiteert wel van de Pax Romana, de eenheid van een immens rijk, waarbinnen hij zich vrij gemakkelijk kan verplaatsen. Hij weet zich daar in Filippi nogal goed aan te passen maar dat belet niet dat zijn (eerste) verblijf er vrij kort wordt en een stormachtig verloop kent. In Filippi ontmoeten ze Lydia, de weduwe van een koopman. Ze was afkomstig uit Tyatira en bevond zich bij een groepje vrouwen aan de rivieroever toen ons missionarissenteam daar aankwam. Zij wordt de eerste Europese christen. Paulus en Silas komen echter in moeilijke papieren omdat Paulus een waarzeggende geest uitdrijft uit een slavin. Haar meesters die hun bron van inkomsten zien vervliegen organiseren een volksopstootje: "Zij verkondigen gebruiken die wij als Romeinen niet mogen aannemen of uitoefenen". Paulus en Silas worden met roeden gegeseld en in de gevangenis geworpen. Een plaatselijke overlevering wijst nog de plaats aan waar ze vastgehouden werden. Tijdens hun nachtelijk lofgebed springen hun boeien los en vliegen de deuren open; de gevangenisbewaker wil zichzelf doden maar nadat hij vaststelt dat zijn gevangenen toch niet ontsnapt zijn neemt hij ze mee naar zijn huis om hun wonden te verzorgen en daar komt hij tot geloof in Jezus; cipiers zijn ook maar mensen. De volgende dag worden Paulus en Silas vrijgelaten, met (door Paulus geëiste) excuses: hij is immers Romeins staatsburger (dat is niet niets in deze Romeinse kolonie) en staat erop dat christenen gerespecteerd worden en niet als misdadigers worden afgeschilderd. Is dat Romeins staatsburgerschap soms mee de reden dat daar in Filippi toch een christelijke gemeenschap ontstond? In de brief aan de christenen van Filippi wijst Paulus later op de bijzondere band die hij met deze gemeente heeft; zij steunen hem doorlopend in zijn missiewerk; hij noemt het zelfs een 'lopende rekening'. "Al in Tessalonica hebt u tot tweemaal toe gestuurd wat ik nodig had" (ook in de tweede brief aan de Korinthiërs schrijft hij : "De broeders die uit Macedonië kwamen, hebben in al mijn behoeften voorzien" (1 Kor. 11, 7-9). (Vervolgt)

  NAAR INHOUD           NAAR TOP  


10. DE TWEEDE MISSIETOCHT (2)

door : Ben Van Vossel cssr

Saloniki

Dank zij de excuses van de magistraten van Filippi - Paulus had zich immers beroepen op zijn Romeins staatsburgerschap, ze hadden hen dus niet zomaar mogen geselen - konden onze christelijke missionarissen met opgeheven hoofd de stad verlaten, al hadden ze daar liever nog een tijdje langer willen evangeliseren. Ze trokken zuidelijk over Amfipolis (gesticht door de Atheners en later veroverd door Filippos van Macedonië) en Appolonia naar Tessalonica, het huidige Saloniki (Thessalonikè was de zus van Alexander de Grote; zij was gehuwd met Alexander's generaal Kassander die de stad had gesticht). Als vrije stad had ze onder de Romeinen een eigen stadsraad. Het was een bloeiende havenstad met uitgebreide dokken, maar ook met proletariërwijken. De grote Joodse gemeenschap kende ook heel wat aanhang bij niet-joden, de zogenaamde 'godvrezenden'. Die waren dus talrijk aanwezig tijdens de verkondiging van Paulus op drie opeenvolgende sabbatdagen. "De Messias, zo zegde hij, moest sterven èn verrijzen. Jezus, die ik u verkondig, is de Messias!" Sommige joodse mensen lieten zich overtuigen, maar een talrijke groep godvrezende heidenen en niet weinig aanzienlijke vrouwen. Blijkbaar is er wel degelijk een open hart nodig om de christelijke verkondiging te kunnen intreden.

Gedwongen vertrek

Er komt echter weer een volksoploop en men wil Paulus en Silas weer voor de volksvergadering slepen. Hij is echter niet aanwezig in het huis van Jason en dus sleurden ze deze en een paar andere christenen mee naar de stedelijke overheid. Hun argumenten slaan nergens op "Al deze mensen handelen in strijd met de decreten van de keizer door te beweren, dat er een andere koning is: Jezus". Jason en de andere aangeklaagde christenen moesten een borgtocht betalen. Zo bedaarden de gemoederen. Voor Paulus is het moment van vertrekken echter weeral aangebroken. Hij sticht christelijke gemeenten, maar vaak heeft hij niet de gelegenheid daar lang te werken. Blijkbaar is de verkondiging toch sterk genoeg geweest, want de meeste van die gemeenschappen ontwikkelden zich verder ook na zijn vertrek. Paulus zal later enige brieven schrijven naar de christenen van Tessalonica; twee ervan staan nog in het Nieuw Testament en de eerste werd waarschijnlijk in het jaar 50 vanuit Korinthe geschreven, waar hij een nieuwe christengemeente had gesticht. Hij schrijft in die brief : "Na de mishandelingen en beledigingen die wij, zoals ge weet, in Filippi hadden moeten verduren, hebben wij met de hulp van onze God de moed gevonden om ondanks heftige tegenstand zijn boodschap bij u openlijk te verkondigen". Hij heeft vertrouwen dat het zaad dat hij gezaaid heeft ook echt vrucht draagt in hun midden. Uitzonderlijk willen we Paulus hier in een langer uittreksel aan het woord laten, een echt mens, een echte apostel.

Gij zijt een voorbeeld geworden

"3 Onophoudelijk gedenken wij voor het aanschijn van God, onze Vader, uw werkdadig geloof, uw onvermoeibare liefde en uw standvastige hoop op onze Heer Jezus Christus. 4 Wij weten, broeders, dat God u liefheeft en dat gij door Hem zijt uitverkoren, 5 want wij hebben u het evangelie verkondigd niet alleen met woorden maar met kracht en heilige Geest en volle overtuiging. Gij weet trouwens zelf wel hoe ons optreden bij u is geweest: het was gericht op uw heil. 6 En gij van uw kant zijt navolgers geworden van ons en van de Heer, toen gij het woord hebt aangenomen onder allerlei beproevingen en toch met vreugde van de heilige Geest. 7 Gij zijt een voorbeeld geworden voor alle gelovigen in Macedonië en in Achaje. 8 Van Tessalonica uit heeft het woord van de Heer weerklonken, en niet enkel in Macedonië en Achaje; allerwegen is uw geloof in God bekend geworden. Wij hoeven niets meer te zeggen. 9 Zij vertellen zelf hoe wij bij u zijn gekomen en hoe wij door u zijn ontvangen: hoe gij u van de afgoden tot God hebt bekeerd, om de levende en waarachtige God te dienen, 10 en uit de hemel zijn Zoon te verwachten, die Hij uit de dood heeft opgewekt, Jezus, die ons redt van de komende toorn".

In Berea : goed... maar kort

Die brief wordt pas later geschreven, al is het zowat het oudste geschrift van het Nieuw Testament. Maar op dit ogenblik moet hij Tessalonica verlaten, in de nacht, met stille trom. : "De broeders deden nog die nacht Paulus en Silas naar Berea vertrekken, waar zij zich na aankomst naar de synagoge van de Joden begaven. Dezen waren gunstiger gestemd dan die in Tessalonica. Ze luisterden met alle bereidwilligheid naar het woord en bestudeerden dag aan dag de Schriften of het inderdaad zo was. Velen van hen kwamen dan ook tot het geloof, evenals talrijke voorname heidense vrouwen en niet weinige mannen" .

In Berea heeft zijn prediking dus weer succes, maar opnieuw duurt het liedje niet lang. Er komen wat fanatieke joden uit Tessalonica de mensen "verontrusten en ophitsen". De mensen die zich bij Paulus hadden aangesloten, "de broeders", doen Paulus onmiddellijk afreizen naar de kust; Silas en Timoteüs bleven echter ter plaatse. Blijkbaar was vooral Paulus een doorn in het oog. Paulus wordt door zijn begeleiders naar Athene gebracht. In die stad van de filosofen zal Paulus, tijdens deze tweede missietocht, een andere manier van verkondigen uitproberen. Over het resultaat berichten we volgende keer. (vervolgt)

  NAAR INHOUD           NAAR TOP  


PAULUS (11)  DE TWEEDE MISSIETOCHT (3)

door : Ben Van Vossel

Het evangelisatievirus

Ik ontmoet wel eens mensen die het evangelisatievirus in zich hebben.  Volwassenen en jonge mensen en zelfs reeds oudere gelovigen, die het erg vinden dat mensen zowat van alles en nog wat aanbidden of er veel tijd voor maken en er hun leven mee vullen; zij zouden die mensen dan willen wijzen op het Goede Nieuws dat Jezus is komen brengen en dat voor alle mensen van alle tijden is.  Als dat evangelisatievirus hun dan ook nog brengt tot daden, dan hebben ze wel iets van een Paulus.  Zo ontmoette ik onlangs iemand op de Alphacursus die het als haar plicht zag om op haar dorp huis aan huis de vastenkalender te gaan aanbieden.  Kijken wij nu eens naar wat Paulus zag en wat hij dan deed.

Paulus, rasechte evangelisator

Hij was door enige christenen naar Athene gebracht en daar wachtte hij nu op Silas en Timoteüs.  Bij het rondkuieren in de stad van het prachtige Akropolis, "werd hij pijnlijk getroffen door de vele afgodsbeelden die hij in de stad zag" (Hand. 17,16).  Als je nog niet helemaal afgestompt bent door het vele teeveekijken en de zorgen voor het leven en voor wat wij soms leven noemen, dan treft je wel eens de leegte van onze samenleving, de leegte van waaruit veel mensen leven.  Je bent dan blij dat je als christen vanuit een diepere zingeving mag leven.  Maar voor Paulus is dat niet genoeg.  Hij wil andere mensen in contact brengen met de diepe waarde van zijn geloof in Jezus; wat die personen er dan mee doen is hun zaak, maar hij acht het zijn plicht hen daarmee te confronteren.  "Hij ging nu disputeren niet alleen in de synagoge met de joden en de godvrezenden, maar ook dagelijks op de markt met de mensen die daar toevallig waren"(Hand. 17,17).  

Zoiets gaat een doorsnee christen niet doen natuurlijk.  Een evangelist wel.  Pater Cuyle zaliger kroop in de straten van Antwerpen op een stoel en begon aan de dokwerkers te spreken over Jezus en hoe zonder Jezus de wereld een echte jungle wordt.  In vroeger tijden gingen de redemptoristen tijdens een volksmissie ook van huis tot huis om de mensen uit te nodigen op de avondsermoenen.  En ze sloegen geen enkel huis over, ook niet de talrijke herbergen.  Iedereen had recht om in contact te komen met het Blijde Nieuws van Gods liefde.  

Captatio benevolentiae

Paulus begint dus in het publiek de Atheners aan te spreken om hen Jezus te verkondigen. Atheners waren op dat moment trouwens mensen die graag disputeerden, filosofeerden.  "Want alle Atheners en de vreemdelingen die in hun stad woonden, verdreven het liefst hun tijd met het vertellen en het aanhoren van de laatste nieuwtjes" (Hand. 17,21).  En die epicuristen en Stoïcijnen willen wel eens weten wat hij in de marge heeft; voor wat uitleg over die Jezus en de verrijzenis hebben ze wel even tijd.  En zo nodigen ze hem uit om op het podium te komen, de areopaag, een soort Londens free podium op de markt.

Dat moeten ze Paulus geen tweede keer vragen.  Zo'n kans krijgt hij misschien nooit meer.  Alleen zit hij met een probleem: hoe spreek je tot volslagen heidenen, of tot mensen die zo vol zitten van allerlei filosofieën ?  Paulus trekt de kaart van de natuurlijke aanleg van de mens tot het geloof en hij vangt aan met een serieuze 'captatio benevolentiae', eerst wat honing aan hun Atheense baard (of droegen de Atheners geen baard ?) smeren om daarna de eigenlijke christelijke boodschap te brengen. "Mannen van Athene, ik zie aan alles hoe diep godsdienstig gij zijt. Want toen ik rondliep en bekeek wat gij zoal vereert, ontdekte ik zelfs een altaar met het opschrift: 'Aan een onbekende god'".   

De eigenlijke verkondiging

"Welnu, wat gij vereert zonder het te kennen, dat kom ik u verkondigen. De God die de wereld gemaakt heeft en alles wat daarin is. Hij die de Heer is van hemel en aarde, woont niet in door handen gemaakte tempels. Ook wordt Hij niet door mensenhanden verzorgd, alsof Hij iemand nodig heeft, want Zelf geeft Hij aan ieder leven en adem, ja alles. Heel het mensengeslacht deed Hij uit een ontstaan, om de gehele oppervlakte van de aarde te bewonen, waarbij Hij de seizoenen vaststelde, en de grenzen van hun woongebied, opdat zij God zouden zoeken, of zij Hem misschien al tastende zouden vinden; Hij is immers niet ver van ieder van ons. Want door Hem hebben wij het leven, het bewegen en het zijn; zoals sommige van uw eigen dichters hebben gezegd: Want wij zijn van zijn geslacht. Als wij dus tot Gods geslacht behoren, moeten we niet menen dat het goddelijke gelijken zou op goud of zilver of steen, op een voortbrengsel van menselijke kunde en vernuft. Zonder acht te slaan op die tijden van onwetendheid laat God thans aan de mensen de boodschap brengen, dat zij zich allen en overal moeten bekeren. Hij heeft immers een dag vastgesteld, waarop Hij de wereld naar rechtvaardigheid gaat oordelen door een man die Hij daartoe heeft bestemd. Aan allen gaf Hij het bewijs daarvan door Hem uit de doden te doen opstaan" (Hand. 17,22-31).  Dat was heel zijn toespraak.

Resultaat, minimaal

Paulus dacht van hier een grote slag te slaan maar het wordt slechts een heel mager beestje.  Lucas vertelt : "... toen zij van de opstanding der doden hoorden, spotten sommigen daarmee, terwijl anderen zeiden: 'Daarover zullen wij u bij gelegenheid nog wel eens horen' " (Hand. 17,32).  Paulus trekt dus met lege handen naar huis.  Hoewel.  Een paar mensen gaan met hem mee en komen tot het geloof: Dionysius de Areopagiet, een vrouw, Damaris en nog enige anderen.  Maar eigenlijk is die inpassing in de Atheense leefwereld geen succes te noemen.  Was het niet de goede methode ?  Niet de juiste strategie ?  Was het zijn dagje niet ?  Was zijn verkondiging inhoudelijk niet sterk genoeg en had het kerygma, de kern van de christelijke verkondiging, beter uit de verf moeten komen ?  Of, zoals iemand suggereert : is Paulus hier teveel als losstaand individu opgetreden, zonder een gelovige gemeenschap rondom zich waaraan mensen kunnen zien welk soort mensen die gelovigen wel zijn ?  Miste hij niet de kracht van een biddende en door haar leven getuigende gemeenschap ?  Of was de Atheense grond op dat ogenblik gewoon niet de goede grond om het zaad van het Woord Gods op te nemen ? Wie zich tot evangeliseren geroepen voelt kan er eens over nadenken.  Paulus acht het in Athene voor bekeken en hij trekt naar Korinthe.  Daar kan hij eindelijk eens goed doorwerken, zoals we volgende keer zullen zien.  (vervolgt)

  NAAR INHOUD           NAAR TOP  


PAULUS (12) DE TWEEDE MISSIETOCHT (4)

door : Ben Van Vossel cssr  

Hierna vertrok Paulus uit Athene en kwam in Korinthe (Handelingen 18,1) waar hij anderhalf jaar zal werken (tussen 49/52 of 50/53 na Christus).   

De stad Korinthe lag op een hoogte (in de schaduw van een stevige citadel met daar bovenop de  beroemde en rijke Afroditetempel). Ze had door haar ligging op de landengte zowel toegang tot de Egeïsche als tot de Adriatische zee. Uiterst voordelig voor overzeese handel. Verwoest in 146 werd de stad door Caesar heropgebouwd en overtrof in schoonheid Athene en herbergde het provinciebestuur van Achaia. In de bovenstad lag de reusachtige Apollotempel uit de 6de eeuw voor Christus.   Paulus kon er niet naast kijken en bovendien zag hij de duizenden ‘gelovigen’ die zich tot de verering van Apollo aangetrokken voelen.  Nu nog staan er zeven zuilen van die tempel overeind.   In Korinthe trof men allerlei mensen aan, van Romeinse aristocraten tot staatloze armen.  Misschien is Paulus nog langs het graf van de filosoof Diogenes gewandeld; deze was zo ontgoocheld over de gedachteloosheid en oppervlakkigheid van de Karinthiërs dat hij op klaarlichte dag met een lamp op straat liep al roepend: ‘Ik zoek een mens’.  Met alle sympathie voor Diogenes stelde Paulus zich echter niet tevreden met diens ‘zelfgenoegzaamheid’ maar trachtte hij een christelijke gemeenschap van broers en zussen op te bouwen die in liefde met elkaar verbonden waren. Bij zijn aankomst in Korinthe ontmoet Paulus het joods-christelijke echtpaar Aquila en zijn vrouw Prisca (of Priscilla).  Vanuit Pontus waren ze naar Rome uitgeweken maar door het edict van Claudius waren ze in 49 uitgewezen.  Ze vertelden Paulus honderduit over de christengemeente in Rome.  Het kwam nog goed uit dat ook zij  tentenwevers waren zodat ze konden samenwerken en veel konden uitwisselen over het reilen en zeilen van de kerk.  Ondertussen kwamen ook Silas en Timoteüs aan met positief nieuws uit Tessalonica waar de christenen toch standhielden.   Paulus schreef dan zijn eerste brief aan die christenen van Tessalonica (rond 52 na Christus, het oudste geschrift van het Nieuwe Testament).

Hij was natuurlijk ook weer begonnen met verkondiging in de synagoge en na de aankomst van zijn twee medemissionarissen ‘wijdde Paulus zich voortaan geheel aan de prediking en legde voor de Joden getuigenis af, dat Jezus de Messias was’: ‘Crispus, de overste van de synagoge, nam met heel zijn huis het geloof in de Heer aan, en ook vele Korinthiërs die naar hem luisterden, geloofden en lieten zich dopen’; maar omdat er toch weer wat tegenstand kwam keerde Paulus zich af van de synagoge en ze kwamen dan verder samen in het huis van Titius Justus, een ‘godvrezende’ (= sympathisant van de Joodse godsdienst) die naast de synagoge woonde.  Dit was misschien wel een op het eerste zicht lepe zet om mensen van de synagoge af te snoepen, maar tenslotte bleek het een averechts effect te hebben; het is immers begrijpelijk dat het succes van de christengemeente de naijver opriep bij mensen die zich sterk met de synagoge (vlak ernaast) verbonden voelden.  Toen er een nieuwe Romeinse proconsul werd benoemd voor Achaia, Junius Anneüs Gallio (broer van de Romeinse filosoof Seneca), daagden zij Paulus voor de rechterstoel. “Zoals deze man mensen overhaalt om God te dienen, dat gaat in tegen de Wet (van Mozes)” (Handelingen 18,13).  Paulus wilde daar iets op zeggen maar Gallio was hem voor.  In dat soort joodse kwesties rond de joodse Wet wilde hij geen rechter zijn en hij stuurde hun daar weg.  Sostenes, de synagogebestuurder, kreeg dan een goed pak slaag van de opgehitste aanklagers, kwestie van zich wat af te reageren. In ieder geval blijft Paulus daar nog geruime tijd tot hij tenslotte inscheept voor Syrië, samen met Aquila en Priscilla.  In de oostelijke haven van Korinthe, Kenchreeën laat hij zijn hoofdhaar afknippen.  Dit was geen louter bezoek aan een kapper; hij moet een belofte aangegaan zijn voor de goede afloop van een moeilijke opdracht; men noemde dat een naziraatsgelofte (om een tijdlang het haar niet af te laten knippen).   In Efese neemt hij afscheid van het bevriende echtpaar en in de synagoge neemt hij contact met de joodse gelovigen maar hij heeft op dat moment niet de tijd daar te blijven, hoewel men er hem om verzocht.  “Als God het wil kom ik nog eens bij u terug” (Hand. 18, 21).  Hij gaat de christenen in Cesarea nog begroeten en reist dan naar Antiochië, de christelijke thuisbasis van waaruit hij vertrokken was.

   NAAR INHOUD           NAAR TOP  


PAULUS (13)  DE DERDE MISSIETOCHT (1)

1 De twaalf leerlingen van Efese.  

door : Ben Van Vossel cssr

Paulus blijft een tijdje te Antiochië, in de levendige christengemeente van waaruit hij zijn missietochten opzette.  Heeft hij zich daar nog echt thuis gevoeld?  Zag hij voor zijn geest niet telkens opnieuw al die gezichten uit de missies die hem dierbaar geworden waren?  Leefde niet in hem die prangende zorg: hoe zouden ze het stellen in Efese?  Hoe zou het afgelopen zijn in … Zouden de broeders nog volharden?  Zouden de pasbekeerden bij enige tegenstand of door de verlokking van hun vroegere leven niet afgevallen zijn?  Het duurt waarschijnlijk niet zolang of zijn missionarisbloed begint weer te stuwen.  En hij doet wat een goede missionaris niet achterwege mag laten: het bevestigen van wat is opgericht.  Een noodzakelijke activiteit, zelfs als hij voorlopig een of enkele verantwoordelijken had aangesteld.  Door persoonlijk contact of door zijn brieven blijft hij de opgerichte gemeenten volgen, bevestigen, bemoedigen, vermanen, kortom: hij wil ze bewaren als een goede herder.  Met de christengemeente van Antiochië, zijn oorspronkelijke vertrekbasis zal hij verder geen contact meer hebben (lente 53); we kunnen dat onrechtstreeks afleiden uit wat hij schrijft in de brief aan de christenen van Filippi: “Gij weet het zelf ook wel, Filippiërs: bij mijn vertrek uit Macedonië in het begin van mijn evangelieprediking heeft geen enkele gemeente met mij een lopende rekening geopend behalve de uwe” (Fil. 4,15).   Zo trekt hij om te beginnen naar Galatië en dan door Frygië om er alle leerlingen te sterken in die gemeenten die hij gesticht had tijdens zijn eerste en tweede missietocht.  In Frygië volgde hij een prachtige straat die langs de Meanderstroom liep; het woord meander is waarschijnlijk daarvan afkomstig.  Hij komt door Kolosse, vandaag helemaal vergeten en arriveert dan in Efese waar nogal wat christenen woonden.

In Efese had hij al gewerkt van 52 tot 55 (2 jarenhalf).  Het was toen de grootste stad van Klein-Azië en een zeer grote havenstad.  Al was Pergamon de hoofdstad van de provincie, in Efese hield zich de Proconsul op.  Een zeer rijke handelsstad en… centrum van de Artemiscultus.  Artemis was ook een vruchtbaarheidsgodin, zowat de voorloopster van Astarte.  Met een tempel die nog heel wat groter was dan de huidige Sint-Pietersbasiliek van Rome. Nu was er in Efese een joods predikant aan het werk geweest, een christen, die Jezus verkondigde maar die enkel het doopsel van Johannes kende.  Aquila en Priscilla (dat jonge christelijke echtpaar dat we reeds hebben ontmoet in het gezelschap van Paulus) leerden hem het christelijk geloof beter kennen.  Apollo trok dan verder naar Korinthe.   

Deze korte uitweiding heeft haar belang om een ontmoeting te begrijpen van Paulus met enkele pasbekeerde christenen daar in Efese.  Hij misziet er iets aan, het komt hem voor dat ze iets missen..  Was het een gebrek aan vreugde, een gebrek aan ijver of durfden ze niet voor hun geloof uitkomen?  In ieder geval hij stelt hun de vraag: “’Hebt gij de heilige Geest ontvangen toen ge het geloof hebt aangenomen? ‘ Zij antwoordden: ‘Wij hebben niet eens gehoord dat er een heilige Geest bestaat.’ Toen zei hij: ‘Hoe zijt ge dan gedoopt? ‘ Ze antwoordden: ‘Met het doopsel van Johannes.’ Paulus hernam: ‘Johannes diende een doopsel toe ten teken van bekering, maar zei aan het volk, dat ze moesten geloven in Wie na hem kwam, dat is Jezus.’ Toen zij dit gehoord hadden, lieten zij zich dopen in de naam van de Heer Jezus. Nadat Paulus hun de handen had opgelegd, kwam de heilige Geest over hen; ze spraken in talen en profeteerden. Bij elkaar waren het een man of twaalf” (Hand. 19, 2-7).   Het is niet onze gewoonte bij deze Pauluskommentaar veel toepassingen te maken.  Maar hier wil ik de wat  moraliserende vraag stellen of Paulus ons als christenen zou kunnen erkennen: aan onze vreugde, onze innerlijke vrede, onze manier van leven, onze ijver in de evangelisatie…?  Moeten wij ook niet de raadgeving involgen die de Brugse bisschap Mgr. E.J. De Smedt aan zijn vormelingen meegaf: “Heel je leven lang moet je deze drie woordjes blijven herhalen: Kom, Heilige Geest”.  Hebben wij niet echt nood aan een nieuwe bezoeking van de Heilige Geest?  We hoeven niet tot Pinksteren te wachten om Hem te vragen: Kom, Heilige Geest.  Vernieuw mij in de genade van mijn heilig Doopsel en Vormsel.

   NAAR INHOUD           NAAR TOP  


PAULUS (14)  DE DERDE MISSIETOCHT (2)

In de school van Tyrannus

door : Ben Van Vossel cssr

Zijn driejarig verblijf te Efese (van 52 tot 55 na Christus) begon Paulus, naar zijn gewoonte, met eerst te prediken in de synagoge.  Hij kreeg nogal wat volgelingen die zijn leer (‘de Weg’) aannamen.  Maar een deel van de personen die naar het gebedshuis kwamen begon het christelijk onderricht te belasteren.  Paulus oordeelt dan dat hij best afzonderlijk kan vergaderen met ‘zijn leerlingen’ (Handelingen 19,9).  Hij huurt daartoe een zaal in de school van een zekere Tyrannus.  Gedurende twee jaar houdt hij daar dagelijks onderrichtingen.  Zowel joden als ‘heidenen’ uit Efese en de wijde omtrek komen erheen.  Een multiculturele kerkgemeenschap. Niet enkel zijn woorden maken indruk.  Handelingen 19 vermeldt dat God buitengewone wonderen deed door Paulus; sommigen bewaarden zelfs als een soort relieken de zweetdoeken en kleren die hij gedragen had; door het aanraken van die relieken werden zieken genezen en demonen (psychische ziekten of kwade beïnvloeding) uitgedreven.  Dit charisma van genezing was wel wat verbonden met de persoon van Paulus zelf, want toen enige rondtrekkende joodse duivelbezweerders ook een boze geest trachtten uit te drijven met  “Ik bezweer u bij de Jezus, de Paulus predikt” kregen ze van de bezetene ten antwoord : “ Jezus ken ik, wie Paulus is weet ik ook; maar gij, wie zijt gij?”  “Toen sprong de man waarin de boze geest huisde, op hen toe, overweldigde hen allen en zijn kracht was zo groot, dat ze naakt en overdekt met wonden uit dat huis moesten wegvluchten. Dit werd bekend aan alle Joden en Grieken die in Efese woonden; heilig ontzag overviel hen allen en de naam van de Heer Jezus werd hoog geprezen”. (Handelingen 19,17)  Met toverij en esoterische praktijken wou Paulus zich echt niet inlaten.  Alleen vanuit het geloof wilde hij kracht ontvangen.  Dit houdt een boodschap in voor hedendaagse christenen, die zowel met Christus als met tal van esoterische zaken op weg willen gaan.  Sommige Christenen van Efese zaten met soortgelijke vlooien geplaagd.  Pasbekeerde christenen hadden vaak nog een zware rugzak vol met al die niet-christelijke rommel: talismannen, tovermiddelen, amuletten, hele verzamelingen van toverformules, handboeken over tovenarij…  Als ze zich bekeerden moesten ze die rugzak uitladen: je kiest voor Christus, of je stelt je hoop op al die prullen die je koestert.  Een deel van hen bracht al die verafgode zaken en boeken bijeen en maken er een publieke brandstapel van. “Men berekende de waarde ervan en kwam tot een bedrag van vijftigduizend zilverstukken. Zo nam het woord des Heren onweerstaanbaar toe in kracht” (Hand. 19,19-20).  Een hedendaags christen wordt ook voortdurend voor de keuze gesteld:  Bouw ik op God of op de horoscoop, op stenen met zogenaamd kosmische straling, op Yomanda, … (vul zelf maar in).  Iemand bracht me haar tarotkaarten om te verbranden; ze wou vrij komen en zich onder de heerschappij van Jezus plaatsen.  Een andere keer kwam een waarzegster vragen dat ik over haar wou bidden, want er was een grote angst over haar gekomen.  Ik vroeg haar: “Geloof je zelf in je waarzeggerij vanuit die kaarten?”  “Natuurlijk niet, zei ze.  Wanneer iemand binnenkomt voor een sessie, dan zie ik al wat die persoon mankeert, en als ik hem dan wat gesproken heb, weet ik hoe ik die kan helpen; daar heb ik die kaarten niet voor nodig”.  “Waarom help je die mensen dan zo niet, zonder dat kaartleggen?” “Dan zou ik het niet kunnen”. Deze vrouw had  nog geen echte keuze gemaakt.  “Want gij moogt geen andere god vereren. Jahwe heet immers de jaloerse, Hij is een jaloerse God”, wist het Oude testament reeds (Exodus 34,14 ).  Wij hoeven dan echt niet alles te gaan stukslaan zoals de Taliban in Afghanistan deden met wereldberoemde Boeddhabeelden of zoals de Israëlieten in Exodus werd opgedragen (‘Gij moet hun altaren afbreken, hun heilige zuilen stukslaan en hun heilige palen omhakken’ Ex.34,13) of zoals ook de missionarissen deden bij het begin van de christianisering van onze gewesten.  Voor onszelf echter moeten wij duidelijke keuzen maken, want anders blijven we gif dragen in ons hart en dat zaaien we (bewust en onbewust) bij anderen uit. Om tot Paulus terug te keren: in de voormiddag werkte hij voor zijn levensonderhoud.  Een rabbijnse vermaning zei immers: “Als de studie van de Thora niet met arbeid gepaard gaat,  leidt ze uiteindelijk tot nalatigheid en mondt ze uit in de zonde” (Abot 2,2).  In de vroege namiddag leidde hij zijn leerlingen op en predikte hij voor allen die in de zaal van Tyrannus kwamen.  Hij ontving daarna heel wat volk uit de hele provincie en hij gebruikte die tijd ook om aan zijn ‘kinderen’ te schrijven: Galaten, Filippenzenen, Korintiërs.  De christelijke zaak gedijde in Efese en Paulus meende dat anderen zijn werk konden overnemen.  Zelf wou hij de christengemeenten van Macedonië en Achaia gaan bezoeken.  Jeruzalem en Rome stonden ook nog op zijn agenda.  Hij zond zijn helpers Timoteüs en Erastus voor naar Griekenland en wou dan zijn verblijf hier in schoonheid besluiten.  Maar het liep heel anders af, of wat had je gedacht? (Volgende keer meer hierover).

   NAAR INHOUD           NAAR TOP  


PAULUS (15)  DE DERDE MISSIETOCHT (3)   

In de clinch met zilveren Artemis

door : Ben Van Vossel cssr

Demetrius en zijn Artemiszaak

Paulus wou dus richting Jeruzalem en had Timoteüs en Erastus al voorop gestuurd naar Macedonië.  Zelf bleef hij nog wat in Efese.  Maar nu ontstaat er grote opschudding rond “de Weg”, de christelijke leer die Paulus verkondigde.  Een zilversmid, Demetrius neemt daarbij het voortouw.  Je kan je natuurlijk wel inbeelden dat, als Paulus in zijn toespraken voortdurend ten strijde trekt tegen tovenarij en afgoderij, dat dit niet in de smaak viel van iemand als Demetrius die van de verkoop van zilveren Artemistempeltjes moest leven.  Hij riep de vaklui bijeen die in soortgelijke bedrijven werkten en deed hun inzien dat Paulus hun welvaart in gevaar bracht, bovendien, zo zei hij, heeft die Paulus in heel Asia (= klein-Azië) veel mensen weten om te praten door te zeggen “Goden die door mensenhanden gemaakt worden zijn geen goden”.  Naast ons persoonlijk probleem wordt zo de “grote godin Artemis van haar grootheid beroofd”.  Er komt een volksopstootje waarvan de strijdkreet in heel de stad weerklinkt:  ‘Groot is de Artemis van de Efesiërs! ‘  Een paar van Paulus’ reisgezellen, Gaius en Aristarchus wordt naar het theater gesleurd.  (Het is opvallend hoeveel medewerkers Paulus rond zich wist te verzamelen tijdens zijn reizen).

Een Oosterse volksvergadering

Paulus wil absoluut ook naar die volksvergadering.  De leerlingen die hij onderrichtte laten hem echter niet gaan en een paar vrienden van ter plaatse sturen hem een waarschuwing.  Ondertussen is het daar in het theater een verwarring van jewelste.  Tot een paar Joden de stadsschrijver, Alexander, kort op de hoogte brengen en hem naar voor duwen om de zaak wat in handen te nemen.  Alexander wil dat wel doen, maar zo gauw hij het woord wil nemen en de menigte bemerkt dat hij een Jood is beginnen ze ze te schreeuwen: “Groot is de Artemis van de Efesiërs”.  Twee uur lang staan ze dat te scanderen.   Als ze wat schor beginnen worden krijgt de stadsschrijver ze toch wat tot bedaren.  “Efesiërs, de hele wereld weet natuurlijk dat de stad Efese de behoedster is van de tempel van de grote Artemis en van haar uit de hemel gevallen beeld? Omdat dit niet te bestrijden valt, moet ge u rustig houden en niets voorbarigs ondernemen. Ge hebt deze mannen hier gebracht, ofschoon ze geen tempelschenners zijn en evenmin onze godin gelasterd hebben. Als Demetrius en zijn vakgenoten dus een aanklacht tegen iemand hebben, okay: er worden rechtzittingen gehouden en er zijn proconsuls; laten beide partijen daar hun aanklacht indienen. Gaat uw eis nog verder, dan zal daarover in de wettige volksvergadering worden beslist. Wij lopen toch al gevaar van oproer beschuldigd te worden wegens die oploop van vandaag, waarvoor geen enkele reden bestond en die wij niet kunnen verantwoorden”. Blijkbaar bekoelde die ingehouden dreiging de gemoederen zodanig dat Alexander na deze woorden de volksvergadering gewoon kon ontbinden (Handelingen 19,35-40).  En daarmee was deze zaak dan weer beklonken. Afscheid van Efese

Paulus roept zijn leerlingen nog eens bijeen en houdt nog een vurige toespraak.  Hij neemt dan afscheid van de christenen van Efese en gaat op reis naar Macedonië.  Daar bemoedigt hij de verspreide christenen en komt dan aan in Griekenland waar hij drie maanden verblijft om dan daarna per boot naar Syrië te vertrekken.  Men verneemt echter dat een paar Joden een aanslag beramen op hem en daarom reist hij terug over Macedonië.   

De vrienden

Opnieuw valt het op dat Paulus een heleboel vrienden heeft die hem vergezellen naar Asia: Erastus en natuurlijk Timoteüs, Sopater uit Berea, zoon van Pyrrus, twee mannen uit Tessalonica, Aristarchus en Secundus, Gajus uit Derbek en ook Tychicus (die nogal eens als brievenbesteller optrad; waarschijnlijk een jongeman die graag reisde) en Trofimus, beiden uit Asia.  Die vrienden reizen vooruit.  Paulus en Lucas zullen eerst nog Pasen (de dagen van de ongedesemde broden) nvieren in Filippi; met een zeilschip komen ze 5 dagen later bij de rest van hun gezelschap in Troas aan.  Daar blijven ze een week.

Een Eucharistieviering om niet te vergeten

Daar doet zich nog een eigenaardig iets voor tijdens een avondlijke Eucharistieviering.  We laten Lucas aan het woord: “Toen we op de eerste dag der week (= zondag, de dag van de verrijzenis van de Heer Jezus) bijeengekomen waren voor het breken van het brood, voerde Paulus, die van plan was de volgende dag te vertrekken, tot diep in de nacht tot hen het woord. Er brandden talrijke lampen in de bovenzaal waar wij vergaderd waren. Een jonge man, Eutychus, zat in het venster en werd tijdens Paulus ‘ langdurige toespraak door een onweerstaanbare slaap bevangen. Overmand door de slaap stortte hij van de derde verdieping naar beneden en werd dood opgenomen. Maar Paulus kwam naar beneden, strekte zich over hem uit, sloeg zijn armen om hem heen en zei: ‘Weest niet ongerust, want er is leven in hem.’  Hij ging weer naar boven, brak het brood, at ervan en na nog geruime tijd het woord gevoerd te hebben ging hij heen. De jongen bracht men levend binnen, waardoor ze niet weinig getroost werden” (Handelingen 20,7-12). In dit stukje valt het op dat de christenen dus reeds samen kwamen op zondag, de eerste dag van de week, de dag van de verrijzenis van de Heer.  Bij het breken van het brood komt ook een - in dit geval vrij lange - woorddienst; het is een feestelijk samenkomen, met talrijke brandende lampen.  En dan zien we Paulus ook optreden als genezer en met het charisme van het geloof dat bergen verzet.  Dit gebeuren zal wel een sterke bemoediging geweest zijn voor die christengemeenschap van Troas.  Ondertussen zijn de gezellen van Paulus weeral scheep  gegaan; veel rust wordt die jonge missionarissen echt niet gegund.

   NAAR INHOUD           NAAR TOP  


PAULUS (16)  DE DERDE MISSIETOCHT  (4)

(4)  Op weg naar Jeruzalem.  Een emotioneel afscheid.

door : Ben Van Vossel cssr

Rome blijft het doel

Rond 58 na Christus schrijft Paulus zijn Romeinenbrief (in Korinthe) en daaruit vernemen we dat hij in Macedonië en Achaia (Griekenland met vooral Korinthe) geld inzamelde voor de noodlijdende christengemeente van Jeruzalem.  Het is een mooi gebaar van hulp aan die christenen, het is ook vooral een teken van eenheid: heidenchristenen helpen joodchristenen. Daar was Paulus veel aan gelegen.  Maar volgens zijn brief aan de Romeinse christenen had hij toen al het inzicht om naar Spanje en Rome te reizen.  Herinner je hoe we  in onze 7de Paulusepisode verwezen hebben naar zijn zendingsstrategie aan de hand van een tekst  van H.V. Morton : “Al heel vroeg in zijn leven heeft Paulus geweten dat deze (Cilicische) Poorten de toegang tot een andere wereld ontsloten; dat dit de pas was, waarop wegen van Bagdad en Antiochië uitkwamen die regelrecht naar Efese voerden en vandaar over de zee naar Rome - het grote wereldhart - leidden” .   

Maar eerst Jeruzalem helpen

Maar eerst dus op weg naar Jeruzalem.  Hij zeilt van Neapolis naar Troas waar hij zijn vrienden oppikt die vooraf vertrokken waren uit Filippi (in Asia).    Waarom Paulus na een verblijf van zeven dagen zo nodig te voet naar Assus wou gaan, terwijl de meeste van zijn vrienden per schip gingen, is niet duidelijk.  In Assus stijgt hij ook in de boot en dan varen ze over de Egeïsche zee met de diepblauwe lucht boven zich.  Een rustig moment voor die jonge missionarissen.  Ze doen even Mytilene aan.   

Vandaar zeilen ze verder naar de grote haven van Lesbos en ’s anderendaags  bevinden ze zich ter hoogte van het mooie eiland Chios (met de grote Kybele-tempel).  Ze varen Efese voorbij om geen tijd te verliezen in Asia; Paulus wou met Pinksteren in Jeruzalem zijn.  De volgende dag gaat het richting Samos (Thuishaven van de wiskundige Pythagoras) en nog een dag later bereiken ze Milete.  In Milete was een grote Joodse gemeente en de Romeinse gouverneur stond sterk op de godsdienstvrijheid; in het openluchttheater was zelfs een deel plaatsen voorbehouden voor de “godvruchtigen” die zich niet mochten verontreinigen.  Blijkbaar waren de diasporajoden toch wel wat ruimdenkender dan in het thuisland.

Vanuit Milete zendt Paulus een bode om de oudsten (presbyters) van de christengemeente van Efese te ontbieden.

Afscheid van de christenen van Efese

Als ze aangekomen zijn houdt Paulus zijn afscheidsrede, want hij is ervan overtuigd dat hij zijn Efesiërs niet meer zal terugzien.  Hij vermaant de verantwoordelijken om zijn voorbeeld na te volgen, om zich niet te hechten aan materiële voordelen maar voor eigen onderhoud en hulp aan noodlijdenden in te staan.  Wat me in Jeruzalem te wachten staat weet ik niet, maar de heilige Geest lijkt erop te wijzen “dat boeien en kwellingen mij wachten.  Maar aan mijn leven hecht ik voor mijzelf niet de minste waarde, als ik mijn loopbaan maar ten einde breng en de taak die ik van de Heer Jezus ontvangen heb om getuigenis af te leggen van het Evangelie van Gods genade.  En nu weet ik, dat gij mijn gelaat niet meer zult zien, gij allen bij wie ik rondgegaan ben om het Koninkrijk te prediken” (Hand. 20,24-25). “Na deze woorden knielden hij met allen neer en bad.  Allen begonnen luid te wenen, vielen Paulus om de hals en kusten hem, vooral bedroefd omdat hij gezegd had, dat ze hem niet meer zouden terugzien. Daarna deden ze hem uitgeleide naar het schip”. (Hand. 20,36-38).   

Paulus wil Jood-christenen helpen

Jeruzalem is het doel.  Paulus is er door geobsedeerd en zal niet echt gelet hebben op de plaatsen waar ze langs kwamen.  In de Handelingen van de apostelen worden deze kort opgesomd: Kos (thuisland van Hippocrates, de vader van de geneeskunde; op Kos was een heiligdom en sanatorium toegewijd aan de ‘genezingsgod’ Asklepios), Rodos (waar ze gewoontegetrouw iets langer zullen gebleven zijn; boven de bocht van Lindos waar ze waarschijnlijk landden bevond zich de Akropolis met de beroemde tempel van Athena Lindia gebouwd boven een ‘heilige’ grot) en tenslotte meren ze aan in  Patara in Lykië.  Nu een vergeten plaats, bezat het toen een Apollotempel die te vergelijken was met deze van Delphi.  Paulus en zijn gezellen verlaten hier het kustschip en stappen op een wat omvangrijker schip dat naar Fenicië voer.  Ze varen Cyprus voorbij en in Tyrus (Syrië in Fenicië) wordt het schip uitgeladen.  Paulus moet vroeger al in Fenicië geweest zijn en er bestaat zelfs een traditie die beweert dat hij op een kleine baai te Noorden van Beiroet aangestuurd zou hebben.   Lees in volgend nummer: Donkere wolken boven Jeruzalem

   NAAR INHOUD           NAAR TOP  


PAULUS (17) DE DERDE MISSIETOCHT (5) 

Donkere wolken boven Jeruzalem

door : Ben Van Vossel cssr

Tyrus

Op de terugreis naar Jeruzalem zoeken Paulus en zijn vrienden in Tyrus de christengemeente op die daar reeds bestond.  Tyrus was een zeer bekende handelsstad, zowat de grootste van Fenicië, vol prachtige gebouwen.  De stad had zelfs het recht een eigen munt te slaan, die bovendien overal aanvaard werd en voor respectabel werd aanzien.  Tyrus had ook een aanzienlijke handelsvloot.  Je zou gaan zeggen dat de huidige Libanezen het van geen vreemden hebben: het reizen en handel drijven.  Volgens sommige bronnen zijn er aanwijzingen dat ze ook in Grenada en zelfs in Engeland en Zuid-Scandinavië aanwezig geweest zijn.  Koning Salomo onderhield al handelsbetrekkingen met Tyrus aangezien hij aan de koning van Tyrus gevraagd had om ‘ceders van de Libanon’.  Een niet te verwaarlozen verwezenlijking is dat de Feniciërs samen met hun handelswaren ook het Alfabet verspreidden dat zij aan de hand van het hebreeuws hadden overgenomen. 

Gewaarschuwd

Terwijl Paulus bij de christenen daar op bezoek is, waren zijn tegenstanders uit Klein-Azië eveneens op weg naar Jeruzalem.  En tijdens de week dat Paulus in Tyrus verbleef waarschuwen de leerlingen - ‘gedreven door de Geest’ - dat hij best niet naar Jeruzalem zou varen.  Paulus echter laat zich niet weerhouden. “Toen onze dagen verstreken waren, reisden wij verder, terwijl allen met vrouwen en kinderen, ons wegbrachten tot buiten de stad. Op het strand knielden wij neer, baden en namen afscheid van elkaar. Toen wij aan boord gegaan waren, keerden zij naar huis terug.  Na Tyrus legden wij het laatste stuk van onze zeereis af en liepen Ptolemais binnen, aan de noordkant van het Karmelgebergte. ‘De wil van de Heer geschiede’Ptomemaïs, zo genoemd naar de Egyptische koning, heette tijdens de Fenicische heerschappij Akko en werd door de arabische veroveraars opnieuw Akka geheten; in de Middeleeuwen kreeg het van de kruisridders de naam Saint-Jean d’Acre, de stichter van de Johannieterorde; de kruisvaarders maakten in de 12de eeuw van die vissershaven een grote haven.  Paulus en zijn reisgezellen gingen eerst de (christen-) broeders begroeten en ze bleven een dag bij hen”  (Hand. 21,5-7).  De volgende dag reizden ze verder naar de prachtige havenstad Cesarea.  Herodes de Grote had aan deze stad -  in het jaar 22 voor Christus gesticht - de naam Cesarea Augusta (‘de verheven keizerlijke’) gegeven, om zo zijn weldoener keizer Augustus te eren.  In Cesarea was Paulus te gast bij een van de 7 diakens, de evangelist Filippus, een sterk verkondiger was van het Goede Nieuws.  Zijn 4 ongehuwde dochters hadden de gave van profetie; de appel was blijkbaar niet ver van de boom gevallen.  Tijdens hun verblijf dat toch wel enige dagen duurde, kwam een profeet uit Judea daar aan, een zekere Agabus.  Hij nam de gordel van Paulus, bond zich daarmee de handen en voeten en zei: “Dit zegt de heilige Geest: Zo zullen de Joden in Jeruzalem de man aan wie dit toebehoort, binden en overleveren in de handen der heidenen”.  Begrijpelijkerwijze trachtten toen de gelovigen daar en zijn eigen metgezellen hem vooralsnog over te halen niet naar Jeruzalem te gaan.  Maar wat haalt dit uit bij iemand met martelaarsaanleg: “Waarom tracht ge met uw tranen mijn hart te vermurwen? Ik ben immers bereid mij te Jeruzalem niet allen te laten boeien, maar er zelfs te sterven voor de naam van de Heer Jezus” (Hand. 21,13).  ‘Dat de wil van de Heer geschiede’, is de enig mogelijke reactie van zijn gezelschap.  En zo maken ze zich dan op om naar Jeruzalem te vertrekken, de meesten met lood in de sandalen.  Een paar leerlingen uit Cesarea trekken mee en brengen Paulus en zijn metgezellen bij Mnason uit Cyprus, een christen van het eerste uur die aan de rand van de stad woonde.Jeruzalem

De ontvangst bij de christenen van Jeruzalem is zeker niet slecht.  Het wordt niet verhaald  in de Handelingen van de apostelen, maar vermoedelijk had Paulus een hele som geld mee voor de noodlijdende christenen van Jeruzalem.  Het is dus begrijpelijk dat Lucas noteert: “De broeders ontvingen ons met vreugde”.  ’s Anderendaags trekt Paulus met zijn metgezellen naar Jacobus bij wie ook alle oudsten (de verantwoordelijken van de christengemeente) samengekomen waren (Hand. 21, 18).  Paulus spreekt hen met sympathie toe en verhaalt over wat God door zijn dienstwerk tot stand heeft gebracht onder de niet-gelovigen.  Het leidersteam verheerlijkt God maar brengt Paulus toch onder ogen dat er gezegd wordt dat nogal veel Joodse mensen christen zijn geworden maar dat dezen toch zeer gehecht zijn aan de Joodse gebruiken en de Wet van Mozes.  “Men is ons komen vertellen dat gij aan alle Joden die onder de heidenen leven afval van Mozes leert door te verklaren, dat ze hun kinderen niet moeten besnijden en niet moeten leven volgens de gebruiken” (21,21).  En men stelt dan aan Paulus voor dat hij zich op rituele wijze zou laten reinigen samen met 4 mannen die onder gelofte stonden en dat hij de kosten zou betalen om die mensen hun hoofd te laten scheren.  “Dan zullen allen inzien, dat er niets waar is van wat ze over u hebben horen vertellen, maar dat gij ook zelf trouw de Wet blijft onderhouden. Wat echter de gelovig geworden heidenen aangaat: hen hebben wij schriftelijk van onze beslissing op de hoogte gebracht, dat zij zich moeten onthouden van spijzen die aan afgoden geofferd zijn, van bloed, van wat verstikt is en van ontucht”.  Paulus gaat akkoord, maar het mag niet baten. ‘Weg met hem’Het is namelijk het grote Herfstfeest van het jaar 58.  Dat was een van de drie grote feesten waarop nogal wat Joden uit de diaspora (verspreid over andere landen) naar Jeruzalem optrokken om zich ook wat te herbronnen door vernieuwing van hun trouw aan de wet en de Joodse eredienst.  Deze mensen waren dus zeer gemotiveerd.  Welnu, na de 7 voorgeschreven dagen (in verband met de naziraatsbelofte)merken enkele joden uit Asia Paulus op in de tempel, ze grijpen hem vast en beginnen luid te schreeuwen: “Israëlieten te hulp! Dit is die man, die overal en voor allen een leer verkondigt die gericht is tegen het volk, tegen de Wet en tegen deze plaats en die nu zelfs heidenen in de tempel heeft gebracht en daardoor deze heilige plaats heeft ontwijd”.  Dat laatste was een vergissing, ze meenden dat Trofimus uit Efese (Turkije) bij die 4 mannen was en dat Paulus deze niet-jood ook in de tempel had gebracht.  Te laat.  Ondertussen was er weer een hele volksoploop ontstaan.  Men sleurde Paulus de tempel uit en men wilde hem doden.  De bevelhebber van het Romeinse cohort, die op de hoogte was gebracht, snelde met soldaten en officieren op de groep af en men hield dan op Paulus af te ranselen.  De bevelvoerder trad naderbij, nam Paulus gevangen en met twee ketenen geboeid liet hij hem naar de kazerne brengen omdat hij toch niets aan de weet kwam met al dat geschreeuw.  We kunnen ons deze situatie vrij goed indenken als terugdenken aan de betogingen vorig jaar  in de Pakistaanse steden en elders.  Paulus moest zelfs gedragen worden door de soldaten omdat het volk zo naderbij drumde al schreeuwend “Weg met hem!”.Lees in volgend nummer: “Een preek die niet goed overkwam”

  NAAR INHOUD           NAAR TOP  


PAULUS (18)

Een preek die niet goed overkwam

(Handelingen 21,37 vv.)

door : Ben Van Vossel cssr

In Jeruzalem werd Paulus, na zijn derde missietocht, herkend door een paar tegenstanders die hem ten onrechte verdachten dat hij heidenen in de tempel had gebracht.  Hij heeft geluk dat een paar soldaten hem naar de kazerne in veiligheid willen brengen.  Maar hij kan weer zijn mond niet houden.  Op het moment dat men hem de kazerne gaat binnendragen wendt Paulus zich tot de bevelhebber en vraagt - in het Grieks - of hij iets mag zeggen.  ’t Is goed, zegt de bevelhebber, ik ben al blij dat je niet die Egyptenaar bent die met zo’n vierduizend sicariërs de woestijn is ingetrokken.  Paulus deelt dan mee dat hij een Jood uit Tarsus in Cilicië is, “burger van een niet onaanzienlijke stad”.  Paulus gaat op de trappen van de kazerne staan en doet teken dat hij iets wil zeggen.  Het wordt stil.  En als ze horen dat hij hebreeuws spreekt luisteren ze nóg aandachtiger.  En hij begint zijn verdediging met te verwijzen naar zijn afkomst, zijn opleiding ‘aan de voeten van de bekende rabbi Gamaliël’ “volgens de strenge opvoeding van de voorvaderlijke Wet. Ik was een ijveraar voor God, zoals gij allen heden zijt, en heb deze Weg (de christelijke godsdienst) vervolgd ten dode toe, mannen en vrouwen in boeien geslagen en in de gevangenis geworpen, zoals trouwens de hogepriester en de hele raad der oudsten van mij kunnen getuigen”.   Hij verteld dat zijn bekeringsgeschiedenis: zijn ontmoeting met de verrezen Heer in het visioen op weg naar Damascus (Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij?), hoe hij bij Annanias terechtkwam en genezen van zijn plotse blindheid die hem zegt dat hij zal moeten getuigen van wat hij gezien heeft en uit Jezus’ mond (de rechtvaardige) gehoord heeft…  Hij verhaalt ook hoe hij zich dan liet dopen en zijn zonden afwassen onder aanroeping van Jezus’ Naam.  Maar dan komt een kritiek punt in zijn verhaal.  Ik was later eens in de tempel van Jeruzalem aan het bidden, zegt hij, en ik had een visioen: ik zag Jezus die mij zei van haastig uit Jeruzalem te vertrekken want daar zou men mijn getuigenis toch niet aannemen.  Maar Heer, zei ik, ze weten dat ik uw volgelingen vervolgd heb en ik was getuige toen Stefanus gestenigd werd, ik nam de klederen van zijn moordenaars in bewaring.  Jezus echter zei mij: Vertrek, want Ik zal u zenden, ver weg, naar de heidenen”.Paulus had zijn preek vroeger moeten beëindigen, want dat die heidenen beter zouden zijn dan zij, de inwoners van de hoofdstad, dat konden ze echt niet hebben.  Ze beginnen luid te roepen en te tieren: “Sla die man dood!  Hij verdient niet langer te leven”.

Terwijl ze hun mantels afwierpen en stof in de lucht gooiden, liet de bevelhebber hem vlug de kazerne binnenbrengen om hem onder te toedienen van geselslagen een verhoor af te nemen en duidelijk te zeggen waarom die massa zo geweldig tekeer ging tegen hem.    Paulus beroept zich dan echter op zijn Romeins staatsburgerschap dat hij door geboorte heeft.  De bevelhebber werd dan bang omdat hij een Romein in de boeien had laten slaan.Hij laat ’s anderendaags het sanhedrin een vergadering houden en Paulus moet erheen om verhoord te worden.  ‘Mannen, broeders, zo begint hij zijn verdediging, met een volkomen zuiver geweten heb ik tot op de dag van vandaag voor God geleefd’.  Het is de farizeeër die hier weer boven komt.  Jullie mogen allemaal een voorbeeld nemen aan mij.  De hogepriester gaf aan de mannen naast Paulus de opdracht hem op de mond te slaan.  Paulus is echter niet op zijn mond gevallen: “God zal ù slaan, witgekalkte muur!  Gij zit daar om recht te spreken volgens de Wet, en ge beveelt - in strijd met de Wet - mij te slaan”.  Als hij echter verneemt dat het de hogepriester is verontschuldigt hij zich.  Maar spoedig daarna ziet hij de kans vrij om de aanwezige Sadduceeën en Farizeeën tegen elkaar op te zetten:  “Mannen broeders, ik ben een Farizeeër en een zoon van Farizeeën. Om de verwachting en de opstanding der doden sta ik terecht”. Sadduceeën, die zowat tot de rijkere stand behoorden, hielden zich aan een strikte toepassing van de Mozaïsche wet en niet aan al die steeds maar talrijker voorschriften en bepalingen van o.m. de Farizeeën. Aangezien in de (joodse) Bijbel (Oud-Testament zonder de pseudo-canonieke boeken) geen uitgesproken geloof in de onsterfelijkheid stond, namen ze die dus ook niet aan evenmin als ze het bestaan van engelen aannamen.  De Farizeeën beriepen zich echter ook op een soort mondelinge traditie en geloofden wèl in de onsterfelijkheid van de ziel en in de opstanding van de doden. 

Die tegenstelling tussen Sadduceeën en Farizeeën treffen we ook bij Jezus aan en daar is het zelfs nog meer op de spits gedreven.  Jezus legt eerst de Farizeeën het zwijgen op (Mt. 22,21), daarna komen de Sadduceeën (Mt.22,23) en als Jezus hen ook op hun plaats gezet heeft, komen de Farizeeën weer op de proppen met een nieuwe vraag (Mt. 22,34-36).

De - voorlopige - slotsom van Paulus’ uitlatingen is dat een paar Farizeeën nogal nadrukkelijk zeggen dat ze niets kwaads vinden in Paulus (Hand. 23,9).  Maar dan begint het tumult pas.  Het wordt een over en weer geschreeuw.  Nu, van heel die woordentwist had de Romeinse bevelhebber geen verstand en omdat hij niet al te gerust was of Paulus daar wel zonder kleerscheuren zou uit geraken, gelastte hij de soldaten naar beneden te komen om onze predikant haastig uit hun midden weg te halen en opnieuw naar de kazerne te brengen (Hand. 23,10).  Een tegenvaller voor Paulus die meende nogal wat steun te krijgen van de daar aanwezige Farizeeërs zodat hij zijn werk zou kunnen voortzetten.  Nu zat hij opnieuw in verzekerde bewaring, hoewel zeker niet in een soort zware gevangenschap met ketens en dergelijke.  We zullen trouwens volgende keer zien dat hij zelfs bezoek krijgt van een van zijn neefjes.Lees in volgend nummer: “19 Beschermd maar opgejaagd”

  NAAR INHOUD           NAAR TOP  


PAULUS (19)

Beschermd maar opgejaagd

(Handelingen 23,11 vv.)

Ben Van Vossel cssr

Paulus zit gevangen.  Niet zozeer omdat hij van iets beschuldigd wordt, maar misschien nog meer om hem te beschermen tegen de volkswoede.  De beschuldiging van de strenge joden ging over het feit dat hij heidenen zou binnengebracht hebben in het binnenste tempelhof, waar alleen joodse mannen mochten komen.  Heidenen mochten enkel op de esplanade komen (waar sommigen van hen trouwens ook offers konden opdragen voor God).  Zoals we in ons artikel nr. 17 vermeld hebben berustte de beschuldiging op verkeerde informatie. 

Paulus zit dus gevangen in Jeruzalem en er wordt door bepaalde Joodse volksgenoten tegen hem een samenzwering beraamd.  We moeten namelijk bedenken dat Paulus volgens sommigen niet alleen wat afwijkende leerstellingen verkondigde, maar dat hij door zijn geleerdheid en zijn scherp verstand een gevaar betekende voor de ‘rechtgelovigheid’; men had tijdens zijn missiereizen trouwens al moeten vaststellen dat zijn verkondiging echt diepgaande invloed had.  In hun ogen vormde hij dus een ernstige bedreiging voor hun godsdienst.  Dat blijkt uit het feit dat een groep van 40 man een dure eed zwoer om niet te eten of te drinken totdat ze Paulus gedood zouden hebben.  In de ‘Handelingen van de Apostelen’ worden vooraf wel gezegd dat Paulus in de gevangenis een verschijning van Jezus had die hem zei: “Hou goede moed; want zoals gij voor mijn zaak getuigd hebt in Jeruzalem, zo zult ge het ook in Rome moeten doen”.  Dat het een heel ernstig komplot is blijkt uit hun afspraak met de hogepriester en de oudsten dat ze de romeinse bevelhebber en het sanhedrin (de hoge raad) moeten verzoeken om Paulus nogmaals naar hen te laten komen om de zaak verder uit te klaren: “Wij zullen dan klaar staan om hem te doden”. Gelukkig voor Paulus hoort de zoon van zijn zus over deze hinderlaag die gespannen wordt (Hand. 23,16) en hij brengt Paulus in de kazerne op de hoogte.   Paulus vraagt de officier (honderman) om zijn neef dringend bij de bevelhebber (de tribuun) te brengen.  Dit gebeurt, en de tribuun luistert welwillend naar de jongen.  De jongen voelt zich gerustgesteld en doet zijn verhaal: “De Joden hebben afgesproken u te vragen morgen Paulus naar het Sanhedrin te brengen, onder voorwendsel hem nauwkeuriger te ondervragen.  Maar geloof hen niet, want meer dan veertig van hen bereiden hem een hinderlaag en hebben zich onder ede verbonden niet te eten of te drinken, totdat zij hem gedood hebben: en nu staan ze klaar in afwachting van uw toezegging”.  Voor Lysias is de maat nu wel vol.  Hij wil verhinderen dat deze Romeinse staatsburger iets overkomt, maar anderzijds wil hij van al die opstootjes af, Jeruzalem geeft hem zo al genoeg te stellen. 

Hij ontbiedt twee centurio’s en draagt hen op om tijdens de nacht met tweehonderd soldaten naar Caesarea te trekken, samen met zeventig ruiters en tweehonderd slingeraars om Paulus veilig bij landvoogd Felix te brengen.In Handelingen 23,26 vg. mogen we dan de brief meelezen die hij schreef aan Felix en waarin hij vooral naar die geplande aanslag verwijst om Paulus naar de landvoogd te zenden.  De centurio’s voeren hun opdracht uit, brengen Paulus ’s nachts naar Antipatris en ’s anderendaags wordt hij door de ruiters naar Caesarea gebracht.  De landvoogd verneemt van Paulus dat hij van Cilicië afkomstig is (Tarsus in het huidige Turkije) en zegt hem dat hij hem zal verhoren zo gauw zijn aanklagers aangekomen zijn.  Ondertussen laat hij hem in het pretorium van Herodes vastzetten.  Vijf dagen later is het zover: de hogeprieser Annanias dient zich aan samen met enkele oudsten en de advocaat Tertullus die de aanklacht zal naar voor brengen.  Ondertussen is Paulus wel aan een zekere dood ontsnapt, dank zij zijn jonge neef en de welwillendheid van de bevelhebber Lysias.            Lees in volgend nummer: “20 Een proces in schuifjes”

  NAAR INHOUD           NAAR TOP  


PAULUS (20)  Een proces in schuifjes

(Handelingen 24-26) 

door : Ben Van Vossel cssr

Wat voorafging: Er werd in Jeruzalem tegen Paulus een complot gesmeed; een neef van hem kan dat voorkomen en Paulus wordt veiligheidshalve door de verantwoordelijke bevelhebber naar Caesarea gezonden, de feitelijke hoofdstad van de provincie Judea waar de Romeinse procurator, Felix,  zetelde.  Een kleine week later komen de aanklagers van Paulus aan.

Paulus werd voorgeroepen voor de rechtszaak. De advocaat smeert met mooie woorden eerst goed wat siroop aan Felix’ baard en begint dan Paulus aan te klagen: “Hij is een pest en iemand die oproer verwekt onder alle joden in de hele wereld; een van de kopstukken van de Naroreeën en die zelfs trachtte de tempel te verontreinigen”.  De rest van de Joden die zijn meegekomen betuigen hun akkoord met deze aanklacht.  Paulus krijgt dan van Felix de gelegenheid om zich te verantwoorden.  Paulus kent ook zijn wereld en spreekt zijn vertrouwen uit in de rechtelijke wijsheid van de landvoogd. “Er is niemand die mij heeft zien redetwisten in de tempel of daar een volksoproer veroorzaken of in een synagoge of in welke stad dan ook. Wèl dien ik de Heer volgens de Weg (die zij een sekte noemen), maar ondertussen blijf ik geloven alles wat in de Thora en de profeten geschreven staat. Dat ik na mijn (wettelijke) reiniging offers opdroeg in de tempel kan niemand mij kwalijk nemen.  Men heeft me ten onrechte beticht van ongeregeldheden en ik geloof toch niet dat het een misdaad is dat ik heb uitgeroepen ‘Om de opstanding uit de doden sta ik heden voor u terecht”. Felix leek op de hoogte van alles wat de Weg betrof maar hij stuurde allen voorlopig wandelen: “Wanneer de bevelhebber Lysias komt, zal ik een beslissing nemen in uw aangelegenheid”. Dat was een klare Romeinse praktijk: geen veroordeling zonder een duidelijke bewijzen.  Ondertussen blijft Paulus wel onder arrest, maar met heel wat vrijheden. Felix had een Joodse vrouw Drusilla en samen met haar komt hij naar Paulus om naar hem te luisteren. Hij was nogal geïnteresseerd in de filosofie achter Paulus denkbeelden.  Paulus echter begint over gerechtigheid, zelfbeheersing en het komende oordeel en dat valt nogal zwaar op de maag bij Felix. Lucas noteert in de Handelingen dat Felix Paulus ook wel kwam spreken in de hoop dat hij hem geld kon aftroggelen. Paulus had immers ook verklapt dat hij geld had ingezameld voor de hongerlijdende christenen van Jeruzalem. Paulus gaat er waarschijnlijk niet al te gretig op in en zo blijft hij daar twee jaar gevangen.  Een laffe streek eigenlijk van Felix die best wist dat Paulus onschuldig was, maar ja, hoger belang? Gelukkig kon Paulus in die twee jaar toch heel wat christenen uit Samaria en Galilea ontvangen en mensen van Caesarea.  Na twee jaar wordt Porcius Festus door keizer Nero tot landvoogd benoemd in plaats van Felix. Wanneer hij van Caesarea naar Jeruzalem reist komen de hogepriester en de volksleiders weer met hun aanklacht tegen Paulus aandraven. Zij vragen dat hij Paulus opnieuw naar Jeruzalem zou laten komen. Festus gaat niet in op hun wens maar nodigt hen uit op een rechtszitting in Caesarea waar zij opnieuw hun aanklacht kunnen indienen. Weer wordt Paulus voorgeleid, weer komen zijn aanklagers rond hem staan en schreeuwen hun niet bewezen beschuldigingen uit. Paulus hield vol dat hij noch tegen de Joodse Wet, noch tegen de tempel, noch tegen de keizer iets misdreven had. De pasbenoemde Felix wil echter de Joden wat paaien en vraagt daarom aan Paulus of hij zich niet in Jeruzalem wil gaan verantwoorden, weliswaar in tegenwoordigheid van Festus zelf. Op dit punt blijft Paulus echter onverzettelijk; als zijn aanklagers zelfs sluipmoordenaars hun werk hadden laten begaan, dan wenst hij in ieder geval niet voor onnozel schaap te spelen: “Ik sta hier voor de rechtbank van de keizer en hier moet over mij geoordeeld worden. Tegen de Joden heb ik niets misdreven, zoals ook gij zelf heel goed weet. Indien ik werkelijk schuldig ben en iets gedaan heb waar de doodstraf op staat, weiger ik niet te sterven, maar als van hun beschuldigingen niets waar is, dan heeft niemand het recht mij bij wijze van gunst aan hen uit te leveren. Ik beroep mij op de keizer”. Ja, daar moet Festus toch even met zijn raad van gedachte wisselen. Het verdict luidt: “Op de keizer hebt ge u beroepen, naar de keizer zult ge gaan.”  Dit kan hier al gelden als een officiële beslissing die uitvoering zal geven aan de wens van Paulus en het zal hem, na de nodige lotgevallen, tot Rome brengen. Hij zal niet eeuwig verkommeren in het paleis van Herodes.

  NAAR INHOUD           NAAR TOP  


PAULUS (21) Nog maar eens een verhoor en verdediging

(Hand. 25-26)

door : Ben Van Vossel cssr

 

“Op de keizer hebt ge u beroepen, naar de keizer zult ge gaan.” Dat was het einde van het proces met de Joodse aanklagers er bij. Paulus bleef dus in afwachting in de gevangenis. Maar het wil wel lukken dat een paar dagen later reeds koning Agrippa II en zijn zus Bernice uit zijn Noordelijk gelegen tetrarchie (bij Cesarea van Filippus, zoon van Herodes, bij de bronnen van de Jordaan) in Cesarea komt om de nieuwe Procurator te feliciteren.

Een Romein die iets wil bijleren over Joodse kwesties

Waarom begint Festus nu tegen die koning over Paulus te spreken? Gewoon als interessante tijdvulling of omdat hij inderdaad verwacht dat Agrippa iets meer van dat soort zaken afweet dan hij, nieuwbakken Romeinse procurator? Dit laatste zou wel eens het geval kunnen zijn, want hij moest de zaak schriftelijk voorleggen aan Rome en dan noteer je best geen dwaze zaken. Als Agrippa zich dan laat ontvallen dat hij Paulus wel eens zelf aan het woord zou willen horen maakt Festus er een grootse zitting van in de audiëntiezaal. Hij laat Paulus voorleiden en legt het geval nog eens officieel uit aan Koning Agrippa. “ Daarom heb ik hem nu voor u doen brengen, in het bijzonder voor u, koning Agrippa, in de hoop na het onderzoek iets te kunnen schrijven. Het heeft, dunkt me, geen zin een gevangene door te zenden zonder tevens de beschuldigingen te vermelden die tegen hem zijn ingebracht” (Hand.25,27). Agrippa geeft Paulus dan de toelating om zich te verdedigen. Paulus steekt zijn hand op, zoals iedere redenaar dat deed bij het begin van zijn betoog.

Ik ben volgeling van Jezus, waarover de bijbel spreekt

En in zijn toespraak waarbij hij eerst Agrippa een pluim geeft om zijn kennis van de Joodse aangelegenheden, verhaalt hij dan hoe hij in het strenge Jodendom is opgevoed in Jeruzalem, ja, dat hij als farizeeër geleefd heeft, ‘de strengste richting van onze godsdienst’. Opnieuw legt hij er de nadruk op dat hij terecht staat omwille van zijn geloof in een eeuwig leven. Maar dan verhaalt hij verder hoe hij meende tegen de Naam van Jezus van Nazareth te moeten optreden en hoe hij de gelovigen heeft gevangen genomen en akkoord ging met hun eventueel doodsvonnis (cfr. Stefanus). “In alle synagogen heb ik ze herhaaldelijk door tuchtiging tot godslastering gedwongen, ja, in grote grenzeloze woede heb ik hen zelfs tot in de steden buiten ons land vervolgd” (Hand. 26,11). En dan brengt hij zijn bekering ter sprake: Hoe Jezus zelf hem tegemoet komt toen hij op weg was naar Damascus om ook daar christenen gevangen te gaan nemen, en hoe hij er letterlijk onderste boven van was. “Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij?  Ik zei: Wie zijt ge, Heer? De Heer antwoordde: Ik ben Jezus, die gij vervolgt.”  Hij deelt dan nog mee hoe hij door Jezus wordt opgeroepen om mensen tot het licht te brengen. Welnu, zegt Paulus, ik ben nooit ongehoorzaam geweest aan dat hemels visioen en heb de mensen opgeroepen om zich te bekeren tot God en daden van bekering te stellen. En dat is de reden waarom ze mij grepen in de tempel en mij trachtten te vermoorden.  Ik vertel nochtans niets anders dan wat Mozes en de profeten hebben verklaard dat gebeuren zou, namelijk dat de Christus (= de Gezalfde)  moest sterven en dat Hij als eerste uit de opstanding der doden het licht zou verkondigen aan het volk en aan de heidenen”.

Getuig, te pas en te onpas

Festus, de procurator kan al die (volgens hem)  Joodse nonsens niet uit elkaar houden en valt Paulus luidop in de rede.

“Ge zijt krankzinnig, Paulus, uw grote geleerdheid brengt uw hoofd op hol.” Paulus antwoordde: “Ik ben niet krankzinnig, hoogedele Festus: nee, ik spreek ware en verstandige taal. De koning (Agrippa) is ongetwijfeld van deze dingen op de hoogte en tot hem spreek ik dan ook zonder terughoudendheid. Dat iets van deze dingen voor hem verborgen is kunnen blijven geloof ik niet; het is immers niet in een uithoek gebeurd. Koning Agrippa gelooft gij aan de profeten? Ik weet dat gij aan hen gelooft.”Agrippa zei tot Paulus: “Bijna zoudt gij mij door uw overtuigende woorden christen maken.” In dat ‘bijna’ ligt natuurlijk de tragiek van velen die flirten met het geloof maar niet de stap zetten tot echt vertrouwvol geloven.. Paulus voelt dat aan en zegt, niet zonder enige humor :  “Ik zou God willen bidden, dat vroeg of laat niet alleen gij, maar allen die mij heden aanhoren, zouden worden als ik ben, afgezien dan van deze boeien.”

Weer niets

Maar eigenlijk blijkt ook dit weer een zinledig gesprek te blijven. De koning staat op met de landvoogd en Bernice en het hele gezelschap. De zitting is achter de rug. Bij het heengaan zeiden ze tot elkander: “Die man doet niets wat dood of gevangenis verdient.” Agrippa zegt nog tot Festus: “Die man had al vrij kunnen zijn, als hij zich niet had beroepen op de keizer.” (Hand. 26,32) Spijtig dat Agrippa niet wat eerder op bezoek was gekomen bij Festus. Paulus zal toch naar Rome gebracht worden en daar zal hij te maken krijgen met keizer Nero, een onberekenbare despoot.(Vervolgt)

  NAAR INHOUD           NAAR TOP  


PAULUS (22) Een bewogen zeereis naar Rome

(Hand. 27)

door : Ben Van Vossel cssr

Paulus moet zich dus gaan verantwoorden bij de keizer, zoals hijzelf het gewild had. Met nog een aantal andere gevangenen komt hij in handen van de centurio van de cohort Augusta, Julius. Lucas verhaalt ons in de Handelingen van de apostelen deze bewogen zeetocht die ze te maken hadden, een hele onderneming in die dagen, met schepen van een beperkte tonnenmaat.  Naast Lucas was Paulus ook vergezeld van Aristarchus, een Macedonier uit Tessalonica, de christengemeente waar Paulus een paar brieven aan schreef.

Slechte vooruitzichten

De reis verliep in het najaar (de vasten voor Jom Kippoer, het verzoeningsfeest, was al voorbij) en ze kregen te maken met felle tegenwind en zelfs storm. Waarom ze zo laat op het jaar nog vertrokken, weten we niet. In zijn boek ‘Auf den Spuren des Paulus’, verwijst Wolfgang E.Pax naar een Joods volksgezegde “Als je de Lulav bindt, bindt dan je boot vast”. De Lulav was de palmtak die bij het Loofhuttenfeest (sukkot), dat op het Verzoeningsfeest volgde, gebruikt werd.Het schip waarmee ze in zee gingen kwam uit Adramyttum en zou de kustplaatsen van Klein-Azië aandoen, Sidon en dergelijke.  In Sidon, het huidige Libanon, blijkt dat de honderdman Julius heel vriendelijk is voor Paulus, een romeins staatsburger, die misschien ook nog aanbevolen was door koning Agrippa. Paulus mag in Sidon zelfs enige vrienden gaan bezoeken om zich te laten verzorgen. We mogen niet vergeten dat hij een gevangenschap achter te rug had, gevangenenkost te verduren had gekregen… en eigenlijk was zijn gezondheid toch niet zo robuust. Toen ze weer uitvoeren bleen ze dicht langs Cyprus, om de wind wat te vermijden, en langs de kust van Cilicië en Pamfylië zetten ze voet aan wal te Myra in Lycië.

Met een graanschip in de storm

Nu maar zoeken naar een schip dat richting Italië uitging.  Julius kan een graanschip uit Alexandrië op de kop tikken dat op weg was naar Italië. Tot zover verliep alles nog vrij naar behoren.

Maar dan beginnen de problemen. Het schip geraakt bijna niet vooruit en ze geraken met moeite ter hoogte van Knidus. Dan maar onder Kreta doorgezeild, langs Salmone, wat ook al niet zonder moeite verliep en zo kwamen ze toch aan bij de stad Lasea, op een punt dat de “Goede rede” heette. Hier waarschuwt Paulus dat verder zeilen grote schade zou toebrengen aan lading en schip en aan de opvarenden. De honderdman had echter meer vertrouwen in de stuurman en de kapitein dan in Paulus ‘ woorden (Hand. 27,11). De meeste opvarenden wilden ook de reis verder zetten, mede omdat overwinteren in die bepaalde haven hen niet erg aanlokkelijk voorkwam. Dat zouden ze liever doen in Fenix, een haven op Kreta. Ze meenden het gelijk aan hun kant te hebben toen er een lichte zuidenwind opstak. De kapitein liet het anker lichten en beval onder de kust van Kreta te varen. Spoedig echter sloeg een stormachtige noordoostenwind op hen neer. Men probeerde nog de boeg op de wind te houden, maar dat mislukte. Het gevolg was dat ze het uiteindelijk opgaven en zich maar lieten meedrijven. Onder de beschutting van het eilandje Klauda (of Kauda), ten zuiden van Kreta, kan men de sloep aan boord hijsen en men sloeg als voorzorgsmaatregel kabeltouwen om de romp van het schip. Uit angst dat men op de Syrte, de Noord-Afrikaanse kust zou geworpen worden zette men zeil bij en zo lieten ze zich meevoeren.

De volle laag... en toch gered

Het was evenwel nog maar het begin van de ellende. De volgende dag was het opnieuw zwaar weer en men begon een deel zaken overboord te zetten; de derde dag kapten ze eigenhandig het tuig. Dagenlang zagen ze noch de zon noch de sterren en de storm duurde maar voort. Men had alle hoop op redding opgegeven en bijna niemand had nog zin in eten. Paulus zegt dan dat ze Kreta niet hadden moeten verlaten maar dat hij de verzekering had gekregen vanwege God dat niemand van hen verloren zou gaan maar alleen het schip. De veertiende nacht waren ze nog steeds op drift in de Adriatische zee maar rond middernacht kreeg de bemanning de indruk dat men land naderde. Maar dan vrezen ze weer op een klip te lopen. Daarom gooit men vanaf de achtersteven vier ankers uit. De bemanning wil zichzelf redden door de sloep uit te zetten maar Paulus zei tegen de honderdman en zijn soldaten dat de bemanning aan boord moet blijven want dat zij anders ook niet zullen gered worden. Paulus gaat dan rustig eten nadat hij een dankgebed tot God gericht heeft. De anderen vatten dan ook moed en nemen wat eten tot zich. Daarna gooiden ze het graan in zee. Toen het wat licht was geworden zagen ze een inham en ze wilden daar het schip aan de grond laten lopen. Ze maakten de ankers los, haalden de touwen van de roeren weg en hesen het voorzeil; de grote mast hadden ze waarschijnlijk reeds overboord gegooid. Het lukt min of meer. de voorsteven bleef onwrikbaar vastzitten maar het achterschip werd weggeslagen door de golven. Daarop wilden de soldaten de gevangenen doden opdat ze niet konden ontsnappen. De centurio verijdelt dat omdat hij Paulus wilde redden. Wie kon zwemmen moest overboord springen, de anderen werden met planken en met behulp van de bemanning aan land gebracht. Alle tweehonderdzesenzeventig opvarenden kwamen veilig en wel aan land. (vervolgt)

  NAAR INHOUD           NAAR TOP  


PAULUS 23. Aankomst in Rome

(Hand. 28)

door : Ben Van Vossel cssr

Gestrand op Melite

Na hun schipbreuk vernemen Paulus, zijn bewakers en medereizigers, dat ze op Melite zijn aangeland. Een vriendelijke bevolking, schrijft Lucas, tot het moment dat Paulus, die wat hout bijeen raapt om het op het vuur te gooien - het was koud en regende - door een adder gebeten werd. “Die man is vast een moordenaar, zeggen ze tot elkaar, dat de Gerechtigheid hem dit laat overkomen, zelfs na zijn redding”. Paulus laat ze zeggen en schud de adder gewoon in het vuur.  De inwoners van Melite zitten te wachten tot Paulus doodvalt... maar er gebeurt niets. Dan slaat hun mening om in de andere richting en ze houden hem voor een god. Paulus is niet te zeer onder de indruk. Wel profiteren ze van een positieve houding van de voornaamste van dat eiland, Publius, die hen uitnodigt en logement aanbiedt op zijn uitgebreid landgoed. Als Paulus dan ook nog diens vader geneest van dysenterie door voor hem te bidden onder handoplegging, kwamen ook de andere zieken naar Paulus en hij genas hen. Paulus en zijn vrienden ondervinden dan ook veel achting en bij hun vertrek worden ze van al het nodige voorzien.Laatste etappes naar Rome

Drie maanden zitten ze zo vast op Melite, tot er een schip uit Alexandrië aanmeert met de godentweeling, Castor en Pollux, kinderen van Zeus en Leda, als schegbeeld. Onderweg blijven ze drie dagen in Syracuse. Daar bewijzen talrijke catacomben en oude kerken dat er reeds vroeg christelijke entiteiten bestonden. Volgens Wolfgang E. Pax is de huidige kathedraal, vroeger een tempel toegewijd aan Pallas Athena, nog de enige in functie zijnde Dorische tempel. Vandaar gaat het langs de kust naar Regium, in de punt van de Italiaanse ‘laars’.’s Anderendaags, dankzij een stevige zuidenwind, zeilden ze naar het Noorden, langs de mooie Italiaanse kusten, tot in de Golf van Napels, langsheen het Paleis van Tiberius op Capri, ook langsheen de steden Pompeï en Herculaneum, die er toen (in het jaar 60 na Chr.) nog ongeschonden bijlagen. Zo’n 19 jaar later zou een uitbarsting van de Vesuvius er anders over beschikken. Ze belandden in Puteoli, eigenlijk de haven van Rome, ten Noorden van het huidige Napels. Daar in Puteoli had je de hete bronnen van een half gedoofde vulkaan en ook de tempel van Serapis. Een drukke havenstad, maar waar het zedelijk leven op laag peil stond, zoals ook de fresco’s van Pompeï nog getuigen. Aardbevingen zorgden er later voor dat de havenstad grotendeels onder water staat. Ondanks alles ontmoetten Paulus en zijn vrienden ook hier medechristenen die hen onmiddellijk uitnodigden en bij wie ze 7 dagen verbleven.

Aan land!

Maar dan gaat het over land richting Rome, langs de Via Appia, de “koningin van de Romeinse wegen”, die opzij als het ware bezaaid was met rijke villa’s en grafmonumenten. Zowel aan het Forum Appii als verder aan de Tres Tabernae (de drie herbergen) kwamen afvaardigingen van de Romeinse christenen Paulus begroeten. Paulus was onder de indruk: hij dankt God en schept nieuwe moed. Als ze dan in Rome aankomen werd Paulus door de Centurio aan de prefect van de keizerlijke pretoriaanse wacht overgedragen. Er stelde zich natuurlijk het probleem dat de bijhorige documenten verloren gegaan waren in de schipbreuk. Paulus werd dus niet in hechtenis genomen, maar kreeg toelating, op eigen kosten een private woning te betrekken. Toch was er een Romeinse wacht die met zijn bewaking belast werd. Waarschijnlijk moest hij zich geregeld ook melden bij het keizerlijke tribunaal op de Palatijnse heuvel.Wat kwam Paulus eigenlijk doen in Rome?

Hij had zich beroepen op de keizer, dus moest hij naar Rome, dat is zeker. Maar eigenlijk was het reeds lang Paulus’ verlangen om naar Rome te gaan. Wanneer hij in Efese was droeg hij dat verlangen al in zijn hart: “Na al deze gebeurtenissen vatte Paulus het plan op om over Macedonië en Achaia naar Jeruzalem te reizen.’ Wanneer ik daar geweest ben ‘ zei hij, ‘ moet ik ook Rome bezoeken.’” Van Rome droomt hij, hij kan dat niet links laten liggen. Rome, de stad der heidenen, ook daar wil hij het licht van het Evangelie brengen, om dan daarna terug te keren naar Jeruzalem. En kijk, nu was hij in Rome, zij het in relatieve vrijheid en met toch altijd de dreiging van een veroordeling door het keizerlijk tribunaal. Wat gaat hij nu in Rome uitrichten, nu hij er was?Hij kwam zeker niet om de tempels te bewonderen, toegewijd aan Kastor en Pollux, op het Forum Romanum, noch het Forum van Augustus en de Jupitertempel op de Capitolinus; het mausoleum van Augustus en diens beroemde Vredesaltaar (Ara Pacis), de schitterende marktplaatsen op de 7 heuvels en verder de villa’s van de Patriciërs. Evenmin kwam hij enkel voor de vele armoedige straten vol woonbarakken als het ware waarin de armen huisden (werklozen ontvingen enige ondersteuning en de ‘spelen’ hielden hen wat kalm). Paulus wist ook voldoende dat in aanvulling van de staatsgodsdienst, er allerlei Oosterse godsdiensten naar Rome waren meegekomen met de terugkerende legioenen en de handelaars. En nu staat Paulus daar. Hij komt Jezus verkondigen: de gekruisigde! Overdonderend succes zou je hem vast niet voorspellen in die drukke, verwende en losbandige stad, centrum van een rijk dat de schatten van de hele wereld naar zich toe sleepte, en wat evenwichtige wetten en een uitgekiende organisatiestructuur als inbreng had voor de veroverde gebieden.. Paulus gaat de uitdaging aan met alleen maar zijn liefde voor Christus en de kerk en met het zwaard van het Woord Gods, dat hij aanwendt in de kracht van de Geest.

  NAAR INHOUD           NAAR TOP  




13 Derde Missietocht (1) Efese -

14 Derde Missietocht (2) -

15 Derde Missietocht (3) Artemis van de Efesiërs -

16 Derde Missietocht (4) Op weg naar Jeruzalem -         Een emotioneel afscheid

17 Donkere wolken boven Jeruzalem 

18 Een preek die niet goed overkwam

19 Beschermd maar opgejaagd 

20 Een proces in schuifjes (H 24vg)

21 Weer verhoor en verdediging

22 Bewogen zeereis naar Rome

23 Aankomst in Rome