GELOOF en LEVEN



  
HOME

INHOUD


   INHOUD VAN DE SITE        


GELOOF EN LEVEN  JAARGANG 114 (2010) nr. 1

  Voorpagina Icoon Damiaan      

 Editoriaal   red.     

 Goud, wierook en mirre    Ben Van Vossel    

 Sint Damiaan navolgen   Kard. Danneels t.g.v. heiligverklaring

 Gebed voor het priesterjaar   (2010)   Paus Benedictus XVI   

 Een olijfboom met twee takken Messiaanse Joden (2)   P. Daniël Maes, Ster van David  

 De essentie van het christendom Rev. Rowan Williams in Tertio  

 Gehandicapte monniken    Comm. Notre-Dame d’Espérance   

Wat met kerkelijk erfgoed?     Kan. Ludo Collin op Kerknet    

 Jezus’ heerschappij aanvaarden bvv     
 Diamanten priesterjubileum  p. Van Landeghem door:G. Dewilde cssr    

 P. Van Landeghem en de sport Naar Br. Cyriel    

 Wat bedoel je eigenlijk? (Geseculariseerde godsdienstige terminologie) 

 Aanslag op vorige paus (Jo-Pls II)    Kerknet 29 aug. 2009   

 Mag God er nog zijn? Geloof en evolutie (naar art. v. A. Dulles)

 Rome en Pius X-fraterniteit      Naar Kerknet     

 Cursussen Iconen schilderen ‘Fraterniteit van Maria’   

 Jubileren in Irak (p. Luc. Cop) Vincent Van Vossel   

 Byzantium         bvv     

 Boekennieuws zie bij boekbesprekingen (Ratzinger / Iny Driessen / O. Boie) bvv   

 Onze overledenen (P. A. Nottebaert / Guido De Mulder) bvv   

 De mantel van Sint-Maarten (3) Ben Debeer    

 Lachedingen        

 Inhoudstafel         

      INHOUD VAN DE SITE              NAAR TOP VAN DIT NUMMER  

    

GOUD, WIEROOK en MIRRE

Samenst.: Ben Van Vossel

  

Wijzen uit het Oosten

Als je het verhaal van “Driekoningen” in het Mattheüsevangelie onbevangen leest kan je daar toch een paar vragen bij stellen. Om te beginnen wordt daar niet gezegd dat het “koningen” waren, er staat enkel:

“Toen dan Jezus te Bethlehem in Juda geboren was ten tijde van koning Herodes, kwamen er te Jeruzalem Wijzen uit het oosten” (Mt. 2,1).

Begrijpelijk dat Wilfried Rossel in zijn catechesen vooral een symbolische samenstelling zag in dit verhaal van deze ‘Wijze mensen op weg’ en er illustraties bij plaatste van het zachte, vredelievende  Bethlehem, en anderzijds het ommuurde en strakke, zelfs levensbedreigende Jeruzalem met de machthebbers; Jeruzalem met zijn wetende ‘geleerden’, die inderdaad wel alles weten wat in de (heilige) boeken staat maar die niet in beweging komen, en dan maar in een vastgeroest status-quo blijven terwijl de ‘Wijzen’ op zoek gaan en de verre tocht ondernemen… Misschien zien we die twee keuzehoudingen ook wel eens in en/of rondom ons…

Geen ‘koningen’ dus, maar ‘wijzen’, waarbij het natuurlijk niet uitgesloten is dat ze ook verantwoordelijkheid droegen voor een of andere groep. Deze echte ‘wijzen’ hebben in de hoofdstad, Jeruzalem, een ontmoeting met koning Herodes en de Bijbelgeleerden en ze gaan dan verder op zoek naar ‘de pasgeboren koning der Joden’ waarvan zij de ster in het Oosten hadden gezien… Mattheüs schrijft:

“En zie, de ster die zij in het oosten gezien hadden, ging voor hen uit totdat zij boven de plaats waar het Kind zich bevond stil bleef staan. Op het zien van de ster werden zij vervuld van overgrote vreugde (begrijpelijk wanneer je na een lange inspanning je doel bereikt). Zij gingen het huis binnen, zagen er het Kind met zijn moeder Maria en op hun knieën neervallend betuigden zij het hun hulde. Zij haalden hun schatten te voorschijn en boden het geschenken aan: goud, wierook en mirre” (Mt. 2,9-11).  

Vanwaar die ‘koningen’?

Ja, waarom spreekt men dan toch van koningen? In het Oude Testament is op een paar plaatsen ook sprake van mensen uit het Oosten, koningen zelfs, die op kamelen en dromedarissen naar Jeruzalem  trekken, met goud en wierook beladen…

Waarschijnlijk zijn vanuit zulke teksten de wijzen tot koningen gepromoveerd in de christelijke verhalen rond Epifanie. In de volksverhalen zijn ze in ieder geval koningen geworden, wellicht verwijzend naar de tekst in Jesaja 60,3-6:

“Volkeren komen naar uw licht, koningen naar de glans van uw dageraad

Een vloed van kamelen zal u overdekken, dromedarissen van Midjan en Efa; alle bewoners komen uit Seba, met goud en wierook beladen."

Ook in een van de psalmen zag men een verwijzing naar koningen die eer kwamen brengen aan ‘de zoon van de koning’:

Vorsten van Tarsis, van verre kusten, zenden geschenken,

Arabische heersers en Etiopen betalen hem cijns.

Hem huldigen alle vorsten der aarde en alle volkeren dienen hem. (Psalm 72,10-11).  

‘Drie’ koningen en hun geschenken

Verder ‘broderend’ op zulke teksten, hebben oude kerstverhalen (echter niet in het Evangelie) het over koningen die per kameel reizen en … het zijn er welgeteld drie. Dit aantal leidde men dan weer af uit de drie geschenken: goud, wierook en mirre. Goud lijkt in ieder geval een koninklijk geschenk te zijn. Wierook, ‘iemand bewieroken’ zal wel bedoeld zijn om eer te brengen aan die pasgeboren koning der Joden. En mirre, ja, wat is dat eigenlijk? Je kan een vrij uitgebreide uitleg hierover vinden op de internetsite van Wikipedia bijvoorbeeld met illustraties en al. Het Arabische woord “myr” betekent ‘bitter’. Mirre (of myrrthe) wordt gewonnen uit enkele soorten hars waaruit men olie destilleert (er bestaat ook zoete mirre, die dan jahwee heet). In de vorm van olie gaf mirre een warme, kruidige, zoetige en enigermate rokerige geur af en werd door vrouwen o.m. als reukwerk aangewend.

Deze drie geschenken: goud, wierook en mirre gelden dus als heel kostbaar, als waardige geschenken voor een Koningskind (waar de Wijzen naar op zoek zijn). Zo passen ze ook in de opvatting over Jezus in het Mattheüsevangelie. Je zou – met enige overdrijving - kunnen zeggen dat in het Mattheüsevangelie Jezus verschijnt als de Koning, bij Marcus als de Dienstknecht, bij Lucas als de Mensenzoon en bij Johannes als de Zoon van God. Deze verschillende visies op Jezus leefden bij de christelijke gemeenschappen van de eerste eeuw; in de ene christelijke gemeenschap eerder deze visie, in een andere gemeenschap eerder die andere. Samen vormen ze een mooi zicht op Jezus: de Heer, de (trouwe en lijdende) Dienaar van God, de ideale Mens, de Zoon.

  

Profetische voorafbeelding of symboliek?

Laat goud, wierook en mirre dan al kostbare geschenken zijn voor de “pasgeboren Koning der Joden”, christenen hebben in de loop der eeuwen in deze geschenken ook een eigen symbolische betekenis gezien, zelfs een profetische voorafbeelding omtrent de betekenis van wat Jezus is en wat Hem te wachten stond.

De betekenis of uitleg die men eraan geeft is niet steeds eenduidig en eigenlijk legt men er eerder in wat men zelf reeds in Jezus ziet.

- Volgens Katholiek Nederland was goud voorbehouden voor koningen. Als dus de wijzen Jezus goud geven zeggen ze daarmee: U bent koning. De wierook symboliseert dat Jezus een goddelijk kind is en goddelijke eer waardig is. De mirre daarentegen werd onder meer gebruikt om doden te balsemen; hij wijst hier dan vooruit naar Jezus’ dood en staat dan symbool voor Jezus menselijkheid. Een profetische betekenis.

Anderen zeggen daarentegen dat mirre een geurige olie was waarmee koningen en profeten werden gezalfd en dan zou het hier opnieuw gaan om Jezus’ koningschap.

- Nog anderen schrijven aan de geschenken een enigszins andere symboliek toe: goud zou Jezus’ aardse koningschap symboliseren; wierook symboliseert de goddelijkheid van Jezus en mirre staat voor zijn status van Gezalfde/Messias (de zalving vond plaats met nardusmirre.)

- Enigen merken op dat in plaats van goud het eigenlijk gaat om balsem; goud en balsem hebben in het araabs eenzelfde schrijfwijze (dbh); in dat geval zijn het alledrie plantaardige producten maar in die tijd allemaal heel kostbaar. De samenstellers van de Statenvertaling zeggen overigens ook gewoon dat goud, wierook en mirre de kostbaarste geschenken waren die destijds in Arabië  (‘het Oosten’) te vinden waren. Kortom: kostbare, zelfs koninklijke geschenken voor de pasgeboren Koning.

De ‘koningen’ en hun namen

Isidorusweb dat heel wat katholieke informatie geeft, heeft een notitie over de namen van de “3 koningen”. De  mondelinge overlevering gaf hen als namen: Caspar, Melchior en Balthasar.

Melchior is een zestigjarige, blanke, Europese grijsaard met een baard; hij schonk het goud.

Caspar is volgens de overlevering een twintigjarige, dus jonge Aziatische jongeman die wierook schonk.

Balthasar is een veertigjarige, bebaarde, zwarte man uit Ethiopië die mirre schonk.

Elke koning vertegenwoordigt daarmee een werelddeel en ze staan tegelijkertijd symbool voor de drie leeftijden van de mens.

Volgens bepaalde overleveringen (legenden?) zouden de koningen gedoopt zijn door de apostel Thomas en zouden ze later, zoals hij, als bisschop in India verblijven. De vermeende relikwieën van de overleden drie koningen berustten in de Dom in Keulen, dat daarmee een belangrijke bedevaartsplaats werd.

      

EINDE VAN DIT ARTIKEL

      INHOUD VAN DE SITE              NAAR TOP VAN DIT NUMMER  

  


HOE SINT DAMIAAN NAVOLGEN?

Kard. Godfried Danneels

(Damiaanviering 18 okt. 2009 Koekelberg)

  

Door ‘ja’ te zeggen op vragen die je nooit had verwacht,

door erbij te blijven en niet weg te lopen,

te geloven en te werken,

nooit te zeggen: ‘Er is toch niets meer aan te doen’

en door niet te zwijgen over waar je het allemaal haalt,

God niet dood te zwijgen…

Dàt is Damiaan navolgen.

En daarom werd hij heilig verklaard.

En ook om tot hem te bidden om dat te kunnen.

Want hij is niet alleen een held om naar op te zien,

maar ook een heilige tot wie we kunnen bidden.

    

        

EINDE VAN DIT ARTIKEL

      INHOUD VAN DE SITE              NAAR TOP VAN DIT NUMMER  

  


GEBED VOOR HET PRIESTERJAAR

Paus Benedictus XVI

Heer Jezus Christus,

Gij hebt de Kerk een levend beeld van U willen schenken

en hebt daarom in de heilige Johannes Maria Vianney

Uw pastorale zorg concreet gestalte laten aannemen.

Help ons,

dit priesterjaar aan zijn zijde door te brengen

en het met de hulp van zijn voorbeeld

vruchtbaar te beleven.

Moge de heilige Pastoor van Ars ons leren,

lang in vreugde en aanbidding voor het Allerheiligste te verwijlen;

te erkennen hoe eenvoudig het woord is dat ons richting geeft

en ons ervan bewust te worden op welke wijze Gij het dagelijks tot ons richt;

hoe teder de liefde is waarmee Gij de berouwvolle zondaar opneemt;

hoe troostvol het is zich toe te vertrouwen

aan de allerzaligste Maagd Maria.

Laat de christelijke gezinnen, o Heer,

op de voorspraak van de heilige Pastoor van Ars

altijd meer “kleine Kerken” worden,

waarin alle roepingen en charisma’s die de Heilige Geest schenkt,

aangenomen, gewaardeerd en beleefd worden.

Amen.

    

       

EINDE VAN DIT ARTIKEL

      INHOUD VAN DE SITE              NAAR TOP VAN DIT NUMMER  

  

  

OLIJFBOOM MET TWEE TAKKEN (vervolg)

P. Daniël Maes o. praem., Gemeenschap Ster van David

in: Hoor Israël, Nieuwsbrief Gemeenschap Ster van David

(Juni 2009, jg. 15 nr. 58 blz. 4-10.

  

Hoewel de eerste christenen allen Joden waren, hebben de heiden-christenen later de Joden-christenen als het ware laten vallen. Maar ook vandaag zijn er Joden (de zogenaamde Messiaanse Joden) die Jezus aanvaarden als Messias en Zoon van God. Worden die twee takken ooit nog eens één? En wat moet er voorafgaand gebeuren? In een vorig nummer antwoordde pater Daniël op enige vragen: Is het Joodse volk dan zoiets speciaals? Is het beter dan andere volkeren? Heeft het zijn ‘uitverkoren volk-’ status niet verspeeld door Jezus, de Messias, te verwerpen? Hebben wij als christenen iets goed te maken t.a.v. het Joodse volk? Hier volgen nog enige andere vragen:

  

Vr. Zijn wij, christenen, dan niet het ware Israël geworden in de plaats van het joodse volk?

  

Dit is een zeer kwalijke gedachte, die door het Tweede Vaticaans Concilie in “Nostra aetate” uiteindelijk werd afgezworen maar die blijkbaar bij vele christenen nog sluimert. Dit is de zogenaamde “vervangingstheologie”. Omwille van de verwerping van Jezus door Israël zou God zijn uitverkiezing hebben teruggetrokken en aan de christenen gegeven, die dan de erfgenamen zouden zijn van alles wat oorspronkelijk aan het joodse volk gegeven was. Dit is een verwerping van de openbaring, die leert dat God zijn beloften nooit heeft teruggetrokken. Een belangrijke leider van de messiaanse beweging in Amerika, Dan Juster, spreekt daarom van een “toevoegingstheologie” in plaats van een “vervangingstheologie”. God heeft het joodse volk uitgekozen en alle volken worden langs het joodse volk toegevoegd. En elk heeft zijn eigenheid. De apostel Paulus zal met klem verkondigen dat we gered worden door het geloof, niet door het onderhouden van de joodse wet of de besnijdenis, die aan het joodse volk gegeven is. Hij verwerpt echter de besnijdenis voor het joodse volk niet. Wanneer hij de bekwame leerling Timotheus als helper in het apostelambt kiest, zorgt hij er voor dat hij eerst besneden wordt omdat diens moeder joodse is en zijn vader een heiden. Paulus zal zorgen dat zijn helper, zoals hij zelf, trouw blijft aan de joodse wet. Dit vraagt hij echter niet aan hen die als heiden tot het geloof in Jezus komen. Joden en niet-Joden hebben elk hun eigen weg in het ene geloof in Jezus.

  

Vr. Zijn er niet altijd Joden geweest die in Jezus geloofden en waren ze niet altijd welkom in de kerk?

Velen redeneren zo. Dat zij zich laten dopen, dan treden zij binnen in de kerk en is alles opgelost. En hetzelfde wordt dan voorgesteld aan allen die “de kerk verlaten hebben”. “Kom terug naar mama en het is weer in orde!”. Hiermee wordt echter voor de Joden de kern van het probleem ontkend. Joden waren tot heden wel welkom in de kerk … maar niet als Jood. Zij moesten hun Jood-zijn afzweren, de rijkdom van hun joodse feesten laten vallen en de joodse gebruiken achterwege laten. Zij moesten hun identiteit opgeven. Achteraf gezien is het onbegrijpelijk hoe wij zo iets hebben durven eisen. En dit is precies het tegenovergestelde van wat de Joden in de eerste kerkvergadering in Jeruzalem aan de gelovigen uit de volken aanboden: kom binnen en je mag je eigenheid bewaren. Zo bestond de oorspronkelijke eenheid van de Kerk uit de verscheidenheid van “de kerk uit de Joden” en “de kerk uit de volken”. In Romeinen 11 beschrijft Paulus zijn visioen van het hertstel van deze eenheid aan de hand van de ene olijfboom met de twee takken. Het logo van de olijfboom in de hof van Olijven moge hiervan een beeld zijn. Het wijst op het visioen dat zich in het licht van de eindtijd aan het realiseren is en waarvoor gebeden wordt in de beweging ‘Op weg naar het Tweede Concilie van Jeruzalem’. Over heel de wereld zijn er zich nu groepen van messiasbelijdende Joden aan het vormen die de rijkdom van het joodse geloof in het licht van het geloof in Jezus aan het beleven en uitbouwen zijn. Dit gebeurt ook bij de “marranen” in Latijns Amerika, de Joden die verplicht katholiek gedoopt werden in Spanje en Portugal en uiteindelijk uitgeweken zijn. Ooit zal er, onder leiding van de heilige Geest een uitdrukkelijke aanvaarding nodig zijn vanwege de christenen om hen welkom te heten als “kerk uit de Joden”. Dan zullen de twee takken op de ene olijfboom elkaar ook wederzijds verrijken. De “kerk uit de Joden” zal de authentieke evangelische waarden die bewaard werden door “de kerk van de volken” aanvaarden, verklaren, verdiepen en ook zuiveren. En “de kerk uit de volken” zal verrijkt worden door de aanvaarding en erkenning van de authentieke “kerk uit de Joden”. Een diepe eenheid met een rijkdom aan verscheidenheid.

  

Vr. Is dit allemaal niet te mooi om waar te zijn?

  

A Ja en neen. Op menselijk, maatschappelijk en politiek vlak lijkt het onmogelijk om tot zulk een eenheid te komen. Als christenen moeten we echter de geschiedenis blijven bekijken in zijn werkelijke diepte. De geboorte van Jezus in Bethlehem had 2000 jaar geleden maatschappelijk geen enkele betekenis voor keizer Augustus en zijn machtig Romeinse Rijk. Inmiddels zijn het Romeinse Rijk en alle aardse rijken ingestort en de naam van Augustus kennen we omdat hij toevallig in het kerstverhaal vermeld staat. Alleen het geloof in Jezus, de gestorven en verrezen Heer is gebleven. Zo moeten we ook nu onze geschiedenis trachten te doorzien. Door de merkwaardige groei van messiasbelijdende Joden over heel de wereld en door een groeiend inzicht bij de christenen wordt de weg geëffend naar een herstel van de oorspronkelijke eenheid van de Kerk van Jezus Christus zoals Paulus deze nog aantrof in Antiochië. Daarom moeten wij, christenen, ons samen met de Joden voegen bij deze beweging ‘Op weg naar het Tweede Concilie van Jeruzalem’. We moeten de Joden steunen die een “kerk uit de Joden” willen worden en ons eigen geloof blijven zuiveren om zo het ene Lichaam van Christus te worden. Uiteraard zal er nog veel wederzijds wantrouwen en misverstand moeten opgeruimd worden. Maar dat is ook volop aan het gebeuren.

  

Vr. Wat moeten we daarvoor doen en wat mogen we verhopen?

  

A. Als christenen dienen we ons bewust te zijn van de joodse oorsprong van ons geloof en goed beseffen wat het betekent dat Jezus, Maria, de apostelen, de eerste Kerk Joods is en blijft. We dienen de uitverkiezing van het joodse volk te erkennen als blijvend en onvoltooid. Dat wil zeggen dat hun uitverkiezing, hoe dan ook, een rol zal spelen bij de wederkomst des Heren. En hoe kunnen wij bidden: ‘Uw Rijk kome’, wanneer er geen begin gemaakt wordt met het herstel van de oorspronkelijke eenheid van het Lichaam van Christus? We moeten ons denken en leven zuiveren van ieder verzet tegen de blijvende uitverkiezing van Israël. Dit is de meest wezenlijke bijdrage aan de oecumene van alle gelovigen in Jezus. Het zijn de messiasbelijdende Joden die het verschil kunnen maken. En hetzelfde geldt zelfs voor de wereldvrede. Wanneer de messiasbelijdende Joden, die steeds groter en invloedrijker worden in Israël, hun eigen volk kunnen brengen tot trouw aan zijn diepste roeping, nl. de erkenning van Jesjoea als zijn Messias, dan zal dit ook de grootste bijdrage worden aan de wereldvrede. Al vraagt dit mogelijk nog een lange weg van zuivering, de vrede en het geluk van gans het menselijk geslacht ligt in deze eenheid in verscheidenheid van het Lichaam van Christus. En de verwezenlijking hiervan begint ook weer langs individuele mensen, die zich laten raken door deze visie en er hun leven voor willen geven.

Laten we als individu en als gemeenschap bidden om vergeving, verzoening en eenheid. Daardoor zullen we ons leven ook laten zuiveren van al wat deze eenheid belemmert. En laten we dit verlangen naar eenheid in verscheidenheid ook bij anderen wekken, van de hoogste kerkleiders tot de gewone christengelovigen. Zo zal onder leiding van de heilige Geest eens een nieuwe eenheid in het Lichaam van Christus gevormd worden om de definitieve doorbraak van het Rijk Gods af te smeken.

    

EINDE VAN DIT ARTIKEL

      INHOUD VAN DE SITE              NAAR TOP VAN DIT NUMMER  

  


ESSENTIE VAN HET CHRISTENDOM

M.Rev. Rowan Williams

in Tertio

In een interview met Tertio stelde Rowan Williams, Aartsbisschop van Canterbury en hoofd van de Anglicaanse kerk

dat het typische van het christendom in vergelijking met de andere monotheïstische godsdiensten (Islam en Judaïsme) de Drievuldigheidsleer is. Deze zegt niet enkel iets over God maar ook over de mens.

  

“Door Jezus Christus en de heilige Geest

hebben we de mogelijkheid deel te hebben aan het goddelijke leven.

Dat geeft de mens een oneindige horizon van liefde en vrijheid.

De essentie van het christelijk geloof is de uitnodiging

om te staan waar Jezus staat,

tot God te bidden als ‘Onze Vader’.

En dit in het vertrouwen dat het leven van Jezus,

dat het goddelijke leven zelf is,

in zekere mate aan ons wordt doorgegeven.”

In tegenstelling tot de Islam en het Judaïsme ziet het christendom

“de eenheid van God als goddelijk leven en goddelijke substantie.

Andere tradities – zoals het Jodendom en de islam –

stellen dat God één is als persoon.

Maar voor ons is er altijd relatie mee gemoeid:

het gaat niet om de eenheid van een individu,

maar om de eenheid van een continuïteit

en een communio.”

      

EINDE VAN DIT ARTIKEL

      INHOUD VAN DE SITE              NAAR TOP VAN DIT NUMMER  



  

GEHANDICAPTE MONNIKEN

Naar een folder van de Prieuré Notre-Dame d’ Espérance.

  

Stichting

Het zal waarschijnlijk al bestaan hebben bij vrouwelijke religieuzen, maar wij waren echt getroffen toen iemand ons verhaalde van zijn contact met communiteiten (in het meervoud!) van gehandicapte religieuzen, monniken. Deze federatie van abdijen en priorijen werd opgericht door Henri-Marie Guilluy. Geboren te Ruitz (Pas-de-Calais) op 5 december 1911 trad hij in 1932 in bij de Benedictijnen van Saint-Paul de Wisques. Gemobiliseerd werd hij toch priester gewijd te Dieue (Meuse) in 1939. Na zijn gevangenschap in Duitsland keert hij terug in zijn abdij van Wisques. Van 1963 tot 1966 verblijft hij in de Priorij van Martinique. En dan, op 1 oktober  1966 sticht hij een aparte soort communiteit te Croixrault.

  

De onderliggende inspiratie

Henri-Marie schreef: “Christus heeft de wereld gered door het offer van zijn leven, geofferd uit liefde. De leden van het mystieke lichaam, de Kerk, moeten met heel hun leven intreden in dit Paasmysterie. Zij zijn erin geëngageerd door hun doopsel; zij moeten dit engagement ratificeren door een zo bewust mogelijke en aangehouden vereniging met Christus, een vrijwillige offerande van alles wat zij zijn en doen. Dat geldt voor ieder christen. Maar het schijnt dat in dit Lichaam van Christus er geprivilegiëerde leden zijn, die Jezus Christus dichter bij Zich heeft geplaatst. Zij delen van meer nabij in zijn Lijden en wijden zich door godsvrucht aan een leven van eenheid met God. Het lijkt erop dat men tot deze laatste tijden niet voldoende de band begrepen heeft tussen het lijden en het contemplatieve leven. Niet dat men de noodzaak niet zou begrepen hebben van deze eenheid voor allen en meer specifiek voor de monniken. Maar zij wier lot de chronische ziekte is of de zwakte werden beschouwd als niet aangepast voor een roeping tot het contemplatieve leven. De congregatie van Onze Lieve Vrouw van Hoop (Notre-Dame d’ Espérance), werd in het spoor van vrouwelijke congregaties opgericht om mensen met zwakke of slechte gezondheid toe te laten om maximaal, in de mate van hun edelmoedigheid, te profiteren hun paas-leven van christenen. Mochten talrijke zieken en gehandicapten begrijpen dat dit leven hun niet wordt geweigerd en dat hun precaire toestand, verre van een hinderpaal te zijn, een hulp voor hun geestelijk leven kan zijn: “de kracht van God komt ten volle tot uiting in de zwakheid van de mens” (naar 2 Kor. 12,9).”


Hoe het begon

Drie jaar tevoren had Pater Guilluy zijn intuïtie meegedeeld aan zijn abt. In de Benedictijnse priorij van Martinique ontmoet hij een eenvoudiger vorm van monastiek leven en ziet daarin mogelijkheden voor personen die niet heel de zwaarte van het monnikenleven aankunnen door hun fysische of psychische handicap. Monseigneur Leuliet, bisschop van Amiens, stelt het huis van Croixrault ter beschikking (met heel wat grond en bossen en velden) voor dit experiment. Deze eigendom wordt op 1 oktober 1966 dan de “Priorij Onze-Lieve Vrouw van Hoop”. Het doel van de stichter was eenvoudig het Benedictijnse monastiek leven dat hijzelf 30 jaar had beleefd mogelijk te maken voor de zieken, zwakken, de kleinen. Heel wat personen die een monastiek leven willen leiden maar dit niet kunnen bewerkstelligen door een gezondheidshandicap.  (In 2013 vernemen we dat zich hier toch een aantal problemen stellen, hopelijk komen er goede oplossingen. nvdr)

De ‘Priorij van Onze Lieve Vrouw van Hoop’ moest dus  zieke, gehandicapte mannen of personen met zwakke gezondheid toelaten om volledige monniken te worden volgens de regel van Benedictus, in de mate dat dit voor hen mogelijk is. Alleen uitgesloten zijn mentale zieken die niet genezen zijn door een aangepaste behandeling en bedlegerigen.

Heel spoedig blijkt dat deze nieuwe stichting in de Kerk aan een nood beantwoordt waaraan totnogtoe geen enkele andere instelling  ten volle kon beantwoorden zonder zich van haar eigen observantie te verwijderen. Spoedig werden er dan ook cellen voor de monniken, een refter, een kapel ingericht, en ateliers  waarin gewerkt wordt met email, iconen (collages), beelden uit hergebruikte steen.

In het spoor van Charles de Foucauld wilde de stichter dat de communiteiten klein zouden zijn, met een familiale sfeer, zodat zieke en gehandicapte personen zich op een goede wijze zouden kunnen ontplooien en de opdrachten niet te zwaar zouden worden.  

Wonderbare uitbreiding

Het wonder gebeurt: vanaf 1969 vertrekt een kleine groep naar Echougnac. In 1974 wordt Sauvagnac opgericht. Het jaar daarop Bouchoud (Camargue). In 1978 La Grainetière en Brobourt, Herchies ( 1985 in Wallonië), Chérence (1986) en ook Refet in Catalonië (ondertussen opgeheven) en tenslotte Neufchelles in 1989 voor een wat theologische vorming, in 1990 tenslotte Montaut en Charleville.  Het instituut werd erkend door de Franse staat en door de Kerk; aanvankelijk als “vrome vereniging, daarna als Diocesane congregatie door de bisschop van Amiens (1984) en als Geassociëerde van de Benedictijnerorde (29 september 1990). In 1991 werd het noviciaat van Brocourt overgebracht naar Martigny (Seine Maritime).

2 vrouwelijke priorijen kwamen ook tot stand : Cinqueux (Oise) en Bourron (Dordogne).

Het is werkelijk opvallend hoe Gods Geest steeds weer mensen inspireert tot initiatieven, die vastliggende (en soms wel eens vastgeroeste) regels overstijgen, om op een aangepaste wijze mensen in staat te stellen zich totaal aan God toe te wijden. We zien dat o.m. in de oprichting van zogenaamde ‘seculiere instituten’ voor ongehuwde personen die zich midden in de wereld en in hun eigen beroep toch als godgewijde aan de Heer konden toewijden. Later werden de ‘verenigingen van christengelovigen’ mogelijk gemaakt, private en publieke, waarvan priesters, religieuzen en leken  konden deel uitmaken. Gods Geest blijft aan het werk en ook vandaag leidt Hij met aangepaste middelen, vormen en instellingen Jezus’ Kerk doorheen de moderne tijd.

          

EINDE VAN DIT ARTIKEL

      INHOUD VAN DE SITE              NAAR TOP VAN DIT NUMMER  

  



  

HOE JEZUS’ KONINKRIJK BINNENTREDEN?

Schaduwkanten naar de zon keren

Ben Van Vossel

We noemen ons wel christen, maar tegelijkertijd weten en ervaren we dat er nog heel wat in ons is, in ons doen en spreken en denken, dat zich nog niet helemaal in het licht bevindt van Gods verlangen. Er kan jaloersheid zijn in ons leven, kwaad denken en spreken over anderen, we kunnen aan zoveel materiële dingen vastzitten dat ons hart niet onverdeeld aan God behoort en aan zijn droom beantwoordt…

Ik werd me daar dieper van bewust toen we een icoon van de Pantokrator aan het schilderen waren. Aan de deelnemers had ik gezegd dat als die icoon in hun huis zijn plaats zou krijgen, dit dan ook uitdrukking moest zijn dat ze Christus ook koning, Heer zouden laten zijn in hun eigen leven en zo mogelijk in heel hun gezin, rekening houdend met de andere gezinsleden. De Heer Heer laten zijn in mijn leven…

Dat zou betekenen dat we in alles Gods verlangen zouden doen, dat we op elk moment zouden leven als vrije kinderen van God, in het spoor van Jezus, de Zoon van God. Maar, zoals we hierboven reeds aangaven zijn er in ons toch wel heel wat duistere kanten, waar wij zelf koning spelen, waar wij zelf alles bepalen; we geven niet gemakkelijk de sleutel van ons leven in handen van iemand anders… Nochtans is dit de beslissing die we nemen als we Jezus tot Heer nemen. En eigenlijk is dat de normale consequentie van ons doopsel…   

Duistere kanten

We kennen onszelf misschien reeds een beetje. Wij hebben misschien weet van ons egoïsme, onze zelfgerichtheid en zelfgenoegzaamheid, ons zoeken naar een gemakkelijk leventje of onze inspanningen om toch maar goedkoop succes te oogsten of om ons te verrijken op de kap van anderen… Onze tee-vee-verslaving…

Wanneer we nu opnieuw en bewust willen kiezen om Jezus toch Heer te laten zijn in ons leven, schrikken ons de consequenties wel wat af. Wat ga ik allemaal moeten veranderen in mijn leven? Gaat mijn leven dan niet een heel stuk triestiger worden? Ga ik wel aankunnen al wat de Heer me dan gaat vragen? Ga ik dan niet moeten afzien en met lijden te maken krijgen?

Dit zijn allemaal bekoringen die de kwade in ons hart legt om ons af te houden van een radicale keuze voor Jezus. Wij moeten echt niet bang zijn om onze donkere kanten naar de zon te keren, naar de Heer te keren. Zijn enige bedoeling is ons geluk, ons doen groeien in het geluk.

Hoe ga ik dat aan boord leggen? Hoe kan ik maken dat mijn keuze voor de Heer niet beperkt blijft tot wat mooie woorden en dat er in feite niets verandert in mijn leven?

  

Een mogelijke wegwijzer

Er bestaat een eenvoudige methode die door geestelijke leiders in de kerk altijd sterk naar voor werd geschoven maar waar wij vaak aan voorbij gaan of die we achterwege hebben gelaten. Misschien zal je het ook geen sympathiek woord vinden. Ik bedoel: het gewetensonderzoek.

Een grote misvatting wil ik wel onmiddellijk opruimen: het gaat er niet om maar te blijven speuren naar wat er verkeerd is in ons leven of wat er ooit verkeerd geweest is. De bedoeling is Jezus in ons leven zijn woord van leven te laten spreken zodat we openkomen voor het echte geluk. Zijn steeds actuele, bevrijdende en helende liefde wil ons genezen telkens we iets opmerken van onze concrete gebrokenheid. Wat kan het gewetensonderzoek – dan wel zijn? Liefst elke dag, best op het eind van de dag, in de trant van wat een oud gedicht ons ooit leerde: “’t Is goed in ’t eigen hart te kijken, nog even voor het slapengaan…”

In zijn boek “Alone with the Alone” geeft de Amerikaanse Jezuïet, George A. Maloney een methode van zo’n gewetensonderzoek:

We stellen ons in alle eerlijkheid tegenover de Heer, die voor ons gekomen is en uit liefde voor ons alles heeft willen ondergaan.

1) Dank God en prijs Hem voor alles wat je deze dag kreeg.

2) Vraag de Geest van Jezus je te verlichten opdat je jezelf zou kunnen zien zoals God jou ziet, in overeenstemming met het levende woord van God.

3) In tegenwoordigheid van God overzie je deze dag: de positieve elementen waar je meewerkte (met Gods genade) en bekijk ook waar je faalde in gedachte, woord en daad; bemerk eveneens hoe je niet inging op de zachte uitnodigingen van Gods genade.

4) Roep opdat de helende kracht van Jezus Christus over u zou komen en elke gebrokenheid zou genezen, en dat Hij alles zou vergeven wat tegen Gods wil inging, speciaal op het vlak van de liefde voor de anderen (stel je voor hoe Jezus zijn helende handen over je uitstrekt met betrekking tot het een of ander op dit gebied, tot deze of gene relatie en hoe hij dit tot heelheid brengt).

5) Kijk dan nog even naar de volgende dag met een eenvoudig gebed om Gods aanwezigheid en liefdekracht af te smeken om die dag zo volkomen mogelijk te leven in overeenstemming met zijn liefde en genade.

De trouwe gewoonte van zo’n gewetensonderzoek zal ons doen groeien in de heerschappij van Jezus over ons leven en voert ons gegarandeerd tot grotere vrijheid en een leven in de zon van Gods helende liefde.

        

EINDE VAN DIT ARTIKEL

      INHOUD VAN DE SITE              NAAR TOP VAN DIT NUMMER  

  

  

  

PLOEGENCRITERIA PATER VAN LANDEGHEM  

Vrij naar broeder Cyriel cssr

Een aspect van de pastorale zorg van p. Van Landeghem heeft zich – vooral in een bepaalde periode – gericht naar de wielrenners. Tijdens de vakanties als leraar had hij veel contact met het wielermilieu. Daardoor raakte hij goed bekend met het leven, de problemen, de onrechtvaardigheden binnen de wielrennerij waarvan de gewone wielrenner het slachtoffer was.

In en buiten de wielrennerij wensen mensen vooral enkele vedetten. Evenwel, zonder de rest van het peloton, betekent die vedette toch niets. Die andere renners moeten dus ook een rechtvaardige vergoeding krijgen; ook zij hebben hun persoonlijke en familiale verplichtingen en noden. Zo lanceerde p. Jérôme Van Landeghem in augustus 1963 het eerste “Ploegencriterium Pater Van Landeghem” in Beveren-Waas volgens een heel eigen methode. Ook de geringste renner werd rechtmatig beloond volgens een nieuw modelformulier als contract (goedgekeurd door de B.W.B.).  Het feit dat er in kleine ploegen werd gereden plaatste zowel de individuele als de gezamenlijke prestatie in het licht. Ook de organiserende wielerverenigingen kregen de steun van de pater tegenover weinig gewetensvolle managers en sportbestuurders. Heel het opzet van de criteriumvernieuwing moest aan de wielrenners zelf ten goede komen.  Het werd een succes.  

Samen met anderen had p. Van Landeghem zich ook ingezet om het ‘rennerssyndicaat’ er door te krijgen. In 1963 kon dit tot stand komen; een hele stap vooruit om uitbuiting van renners stilaan uit de wereld te helpen. Telkens en telkens riep hij renners op zich ver te houden van doping en daagde hij de syndicaten uit om ook de renners te zien als ‘arbeiders’ uit wie men het uiterste wil persen ten koste van hun gezondheid. Ondertussen is dit – schijnbaar onuitroeibaar - probleem onderkend en ernstig genomen door bevoegde instanties.  

Naast zijn inzet voor leerlingen van het Middelbaar onderwijs en zijn hulp op verscheidene parochies (tot op heden) leek ons dit sociaal aspect van het apostolaat van onze diamanten priester-jubilaris zeker het vermelden waard.

      

EINDE VAN DIT ARTIKEL

      INHOUD VAN DE SITE              NAAR TOP VAN DIT NUMMER  

  

  

GESECULARISEERDE GODSDIENSTIGE TERMINOLOGIE

Ben Van Vossel

Wanneer men de relatie met God en geloof wat kwijt raakt, wanneer dat geen levende relatie meer is of wanneer andere zaken de eerste plaats krijgen in ons denken en doen, begint men  woorden en termen uit hun godsdienstige context te halen en toe te passen op gebieden die in de oorspronkelijke godsdienstige bedoeling slechts deelgebieden waren. Meestal mag je dan spreken van een uitgebeende terminologie en een uitgebeend christelijk geloof. We trachten dit wat duidelijker te formuleren.  

Bevrijdingstheologie

Op 6 augustus 1984 gaf het Vaticaan een Instructie uit ‘over enkele aspecten van de theologie van de bevrijding’. Voorzitter van de Congregatie voor de Geloofsleer was toen kardinaal Joseph Ratzinger, de huidige paus. De bevrijdingstheologie had nochtans haar adelbrieven. Terwijl nog tot halfweg de twintigste eeuw heel wat Latijns-Amerikaanse kerkleiders aan de kant van de vaak a-sociale rijken en machthebbers stonden, veranderde dit sterk onder invloed van de CELAM-conferenties van Latijns-Amerikaanse bisschoppen in Medellin (1968) en Puebla (1979). De Kerk koos steeds nadrukkelijker de kant van de zwakken.

Een theoloog uit Peru, Gustavo Gutierrez , publiceerde in 1971 zijn ‘Theologie van de bevrijding’. Het was een zware alarmklok waarin hij gebruik maakte van de maatschappelijke analyse van het marxisme. Bijbelse begrippen als Messias, uitverkoren volk, beloofde land werden uitgehold tot louter politieke en economische toepassingen. Het geloof kreeg een wel sterk gepolitiseerde toepassing. Hoe goed ook bedoeld wellicht, het werd in feite een uitholling van het geloof en de Bijbelse boodschap.  Het is bijvoorbeeld ook de tijd dat je in een kerk het Mariabeeld kon aantreffen met een kogelgordel voor een mitrailleur om de schouders geworpen.

Bevrijding die ons in de Bijbel wordt aangezegd handelt over de bevrijding van de hele mens. In het verleden werd het vaak beperkt gezien als innerlijke, geestelijke bevrijding van zonde en egoïsme. Hoewel binnen de kerkgemeenschap de zorg voor lichamelijk en psychisch zieken en sociaal achteruitgestelden  ook steeds wel aandacht kreeg, is hier in het Westen en daarna in Latijns-Amerika toch een ernstige bezinning en verandering van ingesteldheid nodig geweest om in te zien dat bevrijding de hele mens moet omvatten. De reactie van heel wat bevrijdingstheologen en de praktische uitwerking in de basisgemeenschappen was echter een overreactie en ging de Bijbelse boodschap in tegenovergestelde zin uitleggen. Dit werd door het kerkelijk gezag veroordeeld.

  

Verlossing, heil, welzijn, geluk uitgehold

Toch werkt die eenzijdigheid en uitholling van de echt christelijke en Bijbelse boodschap nog steeds door. Begrippen als bijvoorbeeld ‘verlossing’ gaat men op een nieuwe wijze invullen. Ze leegmaken van de traditionele christelijke invulling en ze vullen met wat hedendaagse sociale, psychiatrische en mediatieke visies. Psychisch welzijn, sociaaal-economische voorzieningen maken inderdaad deel uit van de ‘verlossing’, de ‘bevrijding’ van de hele mens. Wanneer we naar Jezus’ optreden kijken valt ons onmiddellijk op hoe vaak Hij zich ontfermt over menselijke nood en achteruitstelling van allerlei soort. Niemand zal vandaag ontkennen dat Jezus zeer veel mensen heeft genezen, veel meer dan uit die enkele genezingsverhalen uit onze evangelies op te maken is. Dat Hij ook psychisch gekwelde mensen heeft geholpen – om de ‘demonen’ daar nu even toe te beperken – zal ook wel niet aan twijfel onderhevig zijn. Over het opwekken van doden, het vermenigvuldigen van de broden ten bate van de hongerige menigte die Hem volgde, het stillen van de storm … willen we het hier niet hebben; daarover laten we de exegeten hun zegje doen.

Maar… als we ‘verlossing’, ‘redding’, ‘genezing’ en andere soortgelijke Bijbelse termen gaan beperken tot het louter verhelpen van materiële en psychische noden komen we opnieuw terecht in het materialistisch gedachtegoed van het marxisme dat zich niet enkel keerde tegen een vaak eenzijdig spiritualisme van de 19de en twintigeeuwse Oosterse en ook Westerse kerk, maar tegen de basis zelf van de geopenbaarde godsdienst.

  

Aspecten van de ene persoon

We moeten in deze tijd de uitersten heel scherp leren opmerken: enerzijds een spiritualistische godsdienst die alleen maar gericht is op het redden van ons ‘zieltje’, zonder de vele menselijke noden te zien en echt aan te pakken, en anderzijds een geseculariseerd bezigzijn met materiële en psychische menselijke nood (invoelend én verhelpend waar mogelijk), maar ondertussen voorbijgaan aan de diepere dimensie van de mens, zijn relatie met God, zijn nood aan geestelijke (ik bedoel hier niet ‘psychische’) redding en genezing. Verlossing die zich beperkt tot het aanpakken van het fysisch en psychisch lijden is een belangrijke zaak - en christelijke verlossing wil daar niet aan voorbijgaan - maar christelijke verlossing bedoelt ook iets diepers. Dit aspect mee inbrengen is geen kunstmatige opdeling van de menselijke persoon en zijn noden, maar juist een beschouwen van de mens in zijn totaliteit: lichaam, psyche en geest, waarbij we ‘geest’ zien als dat raakpunt van de menselijke persoon met God (vroeger sprak de kerk wel eerder over lichaam en ziel, de aardse dimensie van de mens en zijn geestelijke dimensie, zijn openheid op het ‘bovennatuurlijke’). Die geestelijke dimensie over het hoofd zien of te weinig aan bod laten komen komt neer op de amputatie van een belangrijk aspect van ons op weg zijn als kinderen van God in deze aardse werkelijkheid. Dit is een van de pijnpunten en de armoede van de secularisatievloed.

      

EINDE VAN DIT ARTIKEL

      INHOUD VAN DE SITE              NAAR TOP VAN DIT NUMMER  

  


  

LAATTIJDIG NIEUWS OVER AANSLAG OP VORIGE PAUS  (JP II)  

Naar Kerknet

U zal zich wel herinneren hoe kort na de aanslag op paus Johannes-Paulus II  in 1981 er gespeculeerd werd dat de Turkse dader Ali Agca zou gehandeld hebben in opdracht van de Bulgaarse of Russische inlichtingendiensten. Het Kremlin ontkende echter vanaf het begin elke betrokkenheid bij deze 'mislukte' sluipmoord.

De Poolse zakenkrant ‘Warsaw Business Journal’ deelt nu echter mee dat er nieuwe bewijzen gevonden zijn voor de betrokkenheid van het Kremlin in de moordaanslag op paus Joannes Paulus II. In het Poolse Instituut voor de Nationale Herinnering (IPN) zijn inderdaad documenten teruggevonden die de communistische betrokkenheid overtuigend aantonen. De documenten, grotendeels afkomstig van de Italiaanse inlichtingendienst, bevatten onder meer getuigenissen van drie medestanders van Agca.

Omdat Johannes-Paulus II een Pool was en zeker gedurende zijn ponificaat heel wat invloed heeft gehad binnen Polen, is het niet verwonderlijk dat Polen nu zowat 80.000 zloty (ca. 20.000 euro) heeft vrij gemaakt voor de vertaling van alle documenten met betrekking tot Ali Agca.

De hoop bestaat dat binnenkort eindelijk duidelijk zal worden wie opdracht gaf voor de mislukte moordpoging op de Poolse paus.

      

EINDE VAN DIT ARTIKEL

      INHOUD VAN DE SITE              NAAR TOP VAN DIT NUMMER  

  

MAG GOD ER NOG ZIJN?

Samenstelling: Ben Van Vossel

Op 12 april 1961 maakte de Russische kosmonaut Jeri Gagarin, piloot bij de Russische luchtmacht, als eerste mens een ruimtereis. Als exponent van de toenmalig officieel atheïstische Sovjet-Unie verklaarde hij bij zijn terugkeer op aarde: “Kameraden, het heelal is donker, er is geen god”. Voor en na hem zijn nog heel wat personen eraan toe gekomen om te verklaren dat er geen God is.

  

God krijgt geen plaats meer

Dergelijke uitspraken kunnen we vandaag natuurlijk ook horen van personen uit gewezen Christelijke landen. Ik heb het dan niet over zogenaamde praatprogramma’s waar wat flauwe plezantes de draak trachten te steken met godsdienst, zoals enige tijd terug met de figuur van Jezus Christus die ze voorstelden als een soort reïncarnatie van Julius Caesar. Je moet maar op het idee komen!  Er zijn echter aanvallen vanuit een meer ernstige hoek.  Zo lezen we in een julinummer van Knack hoe de Amerikaanse wetenschapper en filosoof Victor Stenger verklaart dat de wetenschap zich ook kan uitspreken over bovennatuurlijke verschijnselen: je hebt met name God niet nodig om de zin van het leven en van het heelal te verklaren. Stenger noemt zich dan ook een moderne atheïst die het geloof gewoon bijgeloof noemt. Volgens hem is voor alles een natuurwetenschappelijke verklaring.  Het is niet omdat ergens een (volgens hem denkbeeldig) mirakel gebeurt dat het niet wetenschappelijk te verklaren is. Daarvoor is gewoon vereist dat mirakel herhaalde keren onder dezelfde omstandigheden en nauwkeurig te observeren. Stenger vraagt hier natuurlijk wel wat veel van God. Geloven is immers van een andere orde. Hoewel de katholieke kerk, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Islam, de evolutietheorie grotendeels aanvaardt, vindt Stenger toch dat dit niet echt zo is. De katholieke kerk staat immers op het standpunt dat de menselijke ziel (niet de psyche of het reflexief bewustzijn maar de dimensie waar de mens persoonlijk contact kan hebben met God) direct geschapen is door God. Stenger vindt dat men dan niet consequent de evolutietheorie aanvaardt maar gelooft in een ‘intelligent design’, een hocus pocus tussenkomst van een hoger wezen. Als gewezen katholiek doet Stenger wel erg antikatholiek als hij beweert dat Katholieken veel meer moeite hebben met lijden en dood dan atheïsten en dat de rust, die je in meditatie en gebed kunt ervaren, gewoon dat “ego-plekje” in de hersenen is dat wat minder actief wordt. Niets bovennatuurlijk dus. Ziezo!  

Andere stemmen: God toch werkzaam in de evolutie?

In een verslag van een groot congres over de biologische evolutieleer aan de Gregoriana-universiteit in Rome kreeg vooral de befaamde Oxfordse bioloog Simon Conway Morris steun van o.m. Amerikaanse biologen (Lynn Margulis en Stuart Kauffman) en een filosoof (Robert Ulanowicz); al deze geleerden komen vanuit hun studies tot het besluit dat er in de organische materie niet gewoon de brutale ‘survival of the fittest’ steekt, maar wel degelijk een tendens tot 'zelforganisatie'. Met de stelling omtrent deze zogenaamde ‘emergentie’ staan ze wel diametraal tegenover de gefixeerde natuur zoals Darwin hem zag. Deze niet-conventionele neo-darwinisten zetten met andere woorden de deur op een kier voor levensbeschouwelijke interpretaties. Maar ook dan gaat men God niet enkel zien als een ‘gatenvuller’ maar als overal werkzaam in de evolutie in een overvloed van ‘wonderen’.   


De stem van het leergezag

Deze ‘opening’ in de darwinistische theorieën vindt in ieder geval aansluiting bij wat paus Johannes-Paulus II tijdens een algemene audiëntie zei: “De evolutie van menselijke wezens, waarvan de wetenschap de fasen tracht vast te stellen en het mechanisme te onderscheiden, heeft een 'inwendig doe'l dat bewondering werkt. Dit doel, dat wezens in een richting leidt waarvoor ze niet verantwoordelijk zijn, verplicht ons een Intelligentie te veronderstellen die er de uitvinder, de schepper van is”. Ik weet niet of de paus op dat ogenblik nogal onder de indruk was van voorstanders van een “Intelligent Design”. In ieder geval stelt hij dat de menselijke evolutie toeschrijven aan zuiver toeval, een verzaken zou zijn aan het menselijk verstand. Een sterke uitspraak.  A. Dulles haalt ook nog de uitspraak aan van de huidige paus, paus Benedictus XVI, in zijn inaugurale rede (24 april 2005): “Wij zijn geen toevallige en betekenisloze producten van evolutie. Ieder van ons is het resultaat van een gedachte van God. Ieder van ons is gewild, ieder van ons is geliefd, ieder van ons is noodzakelijk.” Van de kant van een intelligent mens zoals Joseph Ratzinger is dit niet zomaar een spirituele bedenking ter bemoediging van lichtgelovige mensen, maar een uitspraak die gebaseerd is op een sterke gefundeerde overtuiging. Wel moeten we toegeven dat hiermee meer gezegd wordt dan vele wetenschappers naar voor brengen.  Toch sluiten sommige wetenschappers zich er bij aan: Er moet in het heelal een stuwing zijn naar hogere en meer complexe vormen,  beweert de Engelse wiskundige en fysicus John Polkinghorne. In dezelfde lijn poneert Prof. John F. Haught van de Georgetown University (New York) dat het Materialistisch darwinisme niet in staat is om te verklaren waarom het heelal het bracht tot subjectiviteit, gevoelens en strevingen.

Voor de atheïstische wetenschapper is in de verklaring van het menselijk leven en van het heelal waarin wij ons bevinden, religie “nu volledig vervangen door de wetenschap”, terwijl paus Benedictus XVI daartegenover opriep tot een herontdekking van de rede in de volledige betekenis en omvang van het woord opdat men zo een soort van tegenwicht  zou bieden aan de moderne neiging tot beperking van de rede tot het empirisch verifieerbare.  Volgens kardinaal A. Dulles zullen toekomstige wetenschappelijke discussies vermoedelijk religie en theologie verrijken, aangezien God zichzelf openbaart door middel van zowel het boek van de natuur als de geschiedenis van de verlossing. Wetenschap oefent echter een slechte dienst uit indien zij beweert de enig geldige kennisvorm te zijn en de esthetische, inter-persoonlijke, wijsgerige en religieuze vorm van kennis te vervangen... Daarentegen kan de dialoog tussen de evolutionaire wetenschap en de theologie, zoals voorgesteld door Joannes-Paulus II, de vervreemding overstijgen en leiden tot een werkelijke vooruitgang van zowel wetenschap als religie.

      

EINDE VAN DIT ARTIKEL

      INHOUD VAN DE SITE              NAAR TOP VAN DIT NUMMER  

  

BYZANTIUM

  

Als je iconen schildert of je houdt van Oosterse Liturgie, dan hoor je wel eens spreken van een Byzantijnse icoon en de Byzantijnse liturgie. Byzantium. Als je ons dan vraagt: “maar wat is Byzantium eigenlijk?”, of “waar ligt Byzantium?”, ja, dan moet ik er bijna een tekening bij maken. Byzantium is nu immers de stad Istanboel en tussenin heeft het nog een hele tijd Constantinopel geheten.   


Christus, keizer van Byzantium

Istanboel? Ligt Byzantium dan in Turkije? Vandaag, ja. Constaninopel (stad van Constantijn) was eens de hoofdstad van de keizer van het grote Romeinse Rijk. En, raar maar waar, op de muren van dat ‘nieuwe Rome’ stond deze zin geschreven: “Christus, keizer van Byzantium”. Was er dan geen keizer in Constantinopel (Byzantium)? Jazeker, maar als je bij de keizer op bezoek kwam, merkte je dat er naast de troon van de keizer een lege troon stond, waarvoor je met eerbied moest buigen. Niet de troon voor de keizerin of de keizerin-moeder, maar de troon van Christus! Men zou je zelfs meedelen: Christus is de enige waarachtige heerser van het Rijk, het grote Romeinse rijk, en van de stad Constantinopel in het bijzonder. Ongelooflijk eigenlijk als je bedenkt dat bij het begin van onze tijdrekening Christus als een misdadiger aan een kruis werd gespijkerd, uitgerekend door Romeinse soldaten, en dat Jezus’ volgelingen tijdens de eerste eeuwen binnen het Romeinse rijk werden vervolgd en voor de wilde dieren werden geworpen… Maar in 313 bepaalde keizer Constantijn door het Edict van Milaan dat de christenen niet meer mochten vervolgd worden. En een paar jaar later zou het christendom zelfs tot staatsgodsdienst worden, de bevoorrechte godsdienst in dat grote Romeinse Rijk. Ongelooflijk, maar waar!   


Van Byzantium tot Constantinopel

Constantijn was in 306 zijn vader opgevolgd als keizer van het West-Romeinse Rijk. Wel moest hij de macht gewapenderhand verwerven tegen een aantal andere generaals in; zijn belangrijkste rivaal versloeg hij vlakbij Rome bij de Melvische brug (312). Gedurende meer dan een decennium regeerde hij in het Westen van het uitgestrekte Romeinse Rijk tot hij, in conflict met de Oostelijke keizer Licinius, deze ook versloeg in een zeeslag in de Bosporus (324). Constantijn was toen alleenheerser van het ontzaglijke Romeinse Rijk. In het Westen had het Rijk als hoofdstad Rome, maar Constantijn zocht nu nog een plaats voor een hoofdstad in het Oostelijk deel van zijn Rijk (keizer Diocletiaan die uit eigen initiatief een legerofficier had gekozen om het Westelijk deel te besturen, had zelf geen enkele plaats tot vaste hoofdstad gemaakt in het Oosten). Constantijn kon nu kiezen tussen Split, of het oude Troje, of Chalcedon… maar het werd Byzantium. Het moest natuurlijk een nieuwe naam krijgen. Misschien wou Constantijn het ‘Nova Roma’ (Nieuw Rome) heten, maar het volk noemde het vrij vlug naar de keizer zelf, Constantinopel. Dat werd dus de officiële naam bij de plechtige uitroeping tot hoofdstad in 330. Constantijn overleed in 337, maar nog gedurende meer dan 11 eeuwen zou dat de naam van de stad blijven: Constantinopel, de stad van Constantijn. En toch is de naam Byzantium blijven voortbestaan voor de bouwstijl en allerlei andere kunststijlen.

      

EINDE VAN DIT ARTIKEL

EINDE VAN DIT NUMMER 2010_1

      INHOUD VAN DE SITE              NAAR TOP VAN DIT NUMMER