GELOOF en LEVEN



  
HOME

INHOUD


  NAAR INHOUDSOVERZICHT      

DE ICOON VAN
ONZE LIEVE VROUW VAN BIJSTAND

 Ben Van Vossel cssr

 § 1 “GESCHIEDENIS” VAN DE ICOON

1. Ontvreemd

2. Vereerd te Rome

3. In de vergetelheid

4. Teruggevonden!

5. Aan de Redemptoristen toevertrouwd

6. Restauratie

7. Copiosa redemptio: Overvloedige Verlossing

§. 2. SPIRITUELE BETEKENIS

1. Wat is een icoon?

2. De Hodegidria-icoon

3. De Maagd van de Passie

4. Een meditatie bij de icoon: het Lijden meelijden

5. Het sandaaltje (Contemplatie en devotie)

5.1. De angst

5.2. En gij zijn hiel

5.3. Mens in onze menselijkheid

5.4. ‘Sandaaltjes’

6. De Moeder Gods

7. De verwijzende naar Jezus

8. Maria wijst de weg naar het Heil

9. Bekeken vanuit de menselijke nood

  

        Enige Maria-liederen

O Moeder van Bijstand, uw godd’lijke Zoon

wendt angstig zijn oogjes naar ’t lijdensvertoon

uw hand grijpt zijn handje, maar droevig en goed

beziet gij het mensdom dat weent aan uw voet.

Onz’ Moeder zijt Gij, uw kind’ren zijn wij,

ach wees onz’ bescherming, sta ons altijd bij.

 

 

Ik neem u, als Maria als mijn moeder

omdat U in uw ned'righeid

en door uw zuiv're maagd'lijkheid

God hebt ontvangen.

 

Maria, moeder van de Verlosser.

Maria, koningin van 't heelal.

2 Ik neem u, Maria, als mijn moeder

gezegend is de moeder van mijn Heer.

Gezegend is de vrucht van uw schoot,

heilige Maagd.

  

3 Ik neem u, Maria, als mijn moeder

want aan de voet van het kruis

nam Johannes de apostel u bij zich in huis,

Moeder van de mensen.

  

4 Ik neem u, Maria, als mijn moeder

want door het lijden van uw Zoon

werd ook uw hart met een zwaard doorboord,

hart vol genade. ZNL 475

  

Gij draagt Hem Die draagt al wat bestaat;

als uw kind maakt God zich openbaar.

MARIA ONZE MOEDER.

MARIA HEIL'GE MAAGD. AMEN.

Moeder van de mensen, Huis van God,

Gij baart Hem Die is de Levensbron.

  

Moeder van de Herder en het Lam;

hoed de kudde, leid ons bij de hand.

(T: GOCAM, M: Volkslied uit Dalmatië,  ZNL 431

Nedl: Maria-Kefasgemeenschap, ã Cahiers du renouveau



 De icoon van Onze Lieve Vrouw van Altijddurende Bijstand, toont ons Maria die haar kind draagt. Opzij van de figuren staan twee engelen afgebeeld die de instrumenten dragen van het Lijden van Jezus: het kruis met doornenkroon, de lans, de spons op een rietstok.  Deze afbeelding is geschilderd op een stuk hout van 54 op 41,5 cm.

Ik geef eerst een relatief kort historisch overzicht, daarna gaan we in op wat een icoon is en dan laten we de boodschap van deze icoon tot ons spreken.

§ 1 “GESCHIEDENIS” VAN DE ICOON[1]

1. Ontvreemd

Die geschiedenis lijkt mij – althans in zijn eerste stadia – eerder een legende dan een historisch gegeven. Een handelaar van het eiland Kreta had daar deze icoon, die de faam had heel wat mirakels te bewerken,  gestolen uit een kerk en ze verborgen in zijn bagage op het schip, waarmee hij naar het Westen voer. Tijdens de oversteek kwam het schip in een geweldige storm terecht waar ook de matrozen machteloos tegenover stonden. Als gelovige mensen richtte men zich tot God en Onze Lieve Vrouw. De storm luwde. Een jaar later bevond de man zich in Rome, nog steeds met het schilderij. Hij zweeg erover en bewaarde ze bij zijn bezittingen. Toen hij zwaar ziek werd vond hij een onderkomen bij een vriend. Toen hij stervend was, kreeg hij wroeging over zijn diefstal en vroeg aan die Romeinse vriend, aan wie hij de hele geschiedenis vertelde, om de icoon naar een kerk van zijn keuze te brengen. Na zijn dood wou de vriend dat verzoek uitvoeren, maar de vrouw van de erfgenaam ging daar tegenin; zij wou de afbeelding bewaren en … zo bleef de icoon op de slaapkamer.  In een tekst van het einde van de 15de eeuw lezen we als besluit dat Maria na de dood van de erfgenaam aan zijn 6 jaar oud dochtertje verscheen en haar vroeg: “Maak aan je mama en je grootvader duidelijk dat ze mijn beeld laten vereren in de kerk tussen de basiliek Maria de Meerdere en Sint Jan van Lateranen die aan de heilige apostel Mattheüs is toegewijd”. De moeder maakte nog wel heel wat problemen maar uiteindelijk voldeed ze aan het verzoek. Die oude tekst vervolgt: “Zo kwam het dat deze afbeelding van de glorierijke Maagd Maria werd tentoongesteld in de zogenaamde kerk van de apostel Mattheüs, op 17 maart (een andere bron spreekt van 27 maart)1499”.

2. Vereerd te Rome

Zo begon dan de tweede etappe van de icoon. Gedurende drie eeuwen wordt de beeltenis van de Madonna zowel in reisverslagen als in beschrijvingen van de eeuwige stad beschreven als “beroemd door al haar mirakelen”. De beeltenis verwekt in heel de stad Rome een verering van Onze Lieve Vrouw van Altijddurende Bijstand. Hoewel de kerk van Sint Mattheüs niet erg groot was kwam er zeer veel volk heen. Vanaf 1739 werden kerk en klooster toevertrouwd aan Ierse Augustijnen die uit hun land verdreven waren door onrechtvaardige wetten. Ze waren hier in Rome een opleidingshuis gestart voor hun provincie waar jonge mannen zich konden voorbereiden op het priesterschap.

In 1798 echter trokken de troepen van Napoleon Bonaparte de Pauselijke Staten en Rome binnen en er werd beslist dat 30 kerken met de grond gelijk gemaakt moesten worden onder voorwendsel van vernieuwde stadsaanleg. Ook de Sint Mattheüskerk bevond zich daaronder. Enige Augustijnenmonniken kunnen nog een tweetal jaar te plekke blijven maar daarna vertrekken ook zij. Sommige paters trokken opnieuw naar Ierland, anderen naar nieuwe stichtingen in de Verenigde Staten; de overigen trokken naar het nabijgelegen klooster van Sint Eusebius. Dezen namen ook de icoon van Onze Lieve vrouw van Altijddurende Bijstand met zich mee.

3. In de vergetelheid

In feite begint hier een derde etappe van de reis van de icoon. De etappe van de vergetelheid. Om te beginnen horen we er 20 jaar niets meer over. In 1819 worden de Ierse Augustijnen belast met de zorg voor de kerk Santa Maria in Posterula, dat zich bevindt op de oevers van de Tiber (niet ver van de actuele brug Umberto I); ze nemen de Maria-icoon van de Sint Mattheüskerk met zich mee. Maar omdat daar reeds een beroemde beeltenis van de Madonna was, werd de schilderij van Onze Lieve Vrouw van Altijddurende Bijstand in een kleine bidplaats ondergebracht. Vergeten, zou je kunnen zeggen, maar niet door een van de kloosterlingen die als jonge broeder nog geleefd had in de communiteit van Sint-Mattheüs.  De man had nu reeds een zekere leeftijd, maar hij had de Madonna tijdens de laatste omzwervingen niet uit het oog verloren. Nu was hij stilaan blind aan het worden. Een kleine Romeinse jongen, Michel Marchi kwam tussen 1838 en 1851 vaak de mis dienen in de Santa Maria in Posterula. Toen de oude broeder zijn einde voelde naderen zei hij aan de kleine: “Michel, onthou dit goed: de Madonna, daarboven in de kapel, is deze van de Heilige Matteuskerk. Heb je dat goed verstaan? Oh, wat een wonderen heeft zij er verricht!”

De oude broeder Augustijn stierf in 1853; Hij was 86 jaar en de verwezenlijking van zijn droom en zijn gebed om de Maagd van Altijddurende Bijstand opnieuw vereerd te zien had niet plaats gevonden.

Toen de jonge acoliet, de erfgenaam van de geheimen van de broeder, zou later Redemptorist worden. Hij getuigt het volgende: “Met betrekking tot deze eerbiedwaardige beeltenis van de Maagd van Sint-Mattheüskerk, ook genoemd “van altijddurende Bijstand”, kan ik zeggen dat ik vanaf mijn kinderjaren tot het moment dat ik in de Congregatie (van de Redemptoristen) ben ingetreden, ik ze altijd gezien heb op het altaar van de bidplaats van het klooster van de paters Augustijnen van de Provincie van Ierland, in de heilige Mariakerk te Posterula (…) zonder verering, zonder versiering, omzeggend verwaarloosd, zonder verlichting en meestal bedekt met stof; ik heb er vaak de mis gediend en ik bekeek ze met grote aandacht”.

4. De icoon opnieuw gevonden!

4.1. In januari 1855 kochten de Redemptoristen te Rome de residentie “Villa Caserta” om er het centrale huis van hun missionaire congregatie van te maken. Op dat moment waren ze reeds verspreid in West-Europa en in Noord-Amerika. Hun klooster, op de hoogten van de Esquilinusberg, kwam op de plaats van de ruïnes van de oude Sint Mattheüskerk. Zonder er zich van bewust te zijn hadden ze het terrein verworven dat de Maagd gekozen had voor haar heiligdom, tussen Maria de Meerdere en Sint Jan van Lateranen.

4 maanden later begon men een kerk te bouwen ter ere van de Allerheiligste Verlosser, naar wie de Congregatie genoemd was, en van Sint Alfonsus, de stichter van de Congregatie. Op 24 december 1855 begin een groep jongeren hun noviciaat. Een ervan was Michel Marchi.

Natuurlijk ware de Redemptoristen wat geïnteresseerd aan alles wat hun nieuw eigendom aanbelangde. Zo waren ze zeer geïnteresseerd in een preek van een Jezuïetenpater in de Gésukerk. Dat was in februari van het jaar 1865. Hij had het in dat sermoen over een Maria-icoon, die gekend was onder de titel ‘Maagd van de Sint-Mattheüskerk’ of meer bepaald ‘Maagd van Altijddurende Bijstand’. Hij stelde de vraag aan de toehoorders “Waar bevindt zich deze beroemde afbeelding? De Maagd had nochtans het verlangen uitgedrukt dat haar beeld zou vereerd worden in de Mattheüskerk op de via Merulana, tussen de basiliek Maria de Meerdere en deze van Sint Jan van Lateranen. Als iemand het weet, dat hij het late weten”.

4.2. Bij een andere gelegenheid kwam de kroniekschrijver van het Huis Sint-Alfonsus, “terwijl hij aan het lezen was in schrijvers die de Romeinse Oudheden beschreven, terecht bij een paar aanwijzingen betreffende de Sint-Mattheüskerk. Men zegde er dat in die kerk, gesitueerd in de tuin van het klooster, zich een oude icoon bevond van de Moeder Gods, zeer vereerd en beroemd door de mirakelen die ze bewerkte”. “Toen hij dit vertelde aan de confraters van de communiteit, en toen men zich begon af te vragen waar vragen waar deze miraculeuze icoon zich wel kon bevinden, herinnerde zich Pater Marchi wat hij had gehoord van de augustijnenbroeder Orsetti en hij deelde mee dat hij zeer goed wist waar ze zich bevond”.

   NAAR INHOUDSOVERZICHT      

5. Aan de Redemptoristen toevertrouwd

Daarmee was de nieuwsgierigheid van de redemptoristen natuurlijk voorgoed gewekt. Ze wilden meer weten over die icoon en verlangden ze in hun kerk te hebben. Pater Nicolas Mauron, de toenmalige generale overste legde aan paus Pius IX een memorandum voor met de vraag of de icoon van de Madonna van Altijddurende Bijstand in de nieuwe kerk op de Via Merulana zou mogen geplaatst worden, nl.  tussen Maria-de-Meerdere en Sint-Jan-van-Lateranen, vlakbij de plaats waar zich vroeger de Sint-Mattheüskerk bevond. Op 11 december 1865 gaf paus Pius IX de toelating.

Op de keerzijde van het memorandum had de paus geschreven:

“11 december 1865; De Kardinaal-Prefect van de Propaganda zal de Overste van de communiteit van Santa Maria in Posterula contacteren en hem meedelen dat het onze wil is dat de icoon van de heilige Maagd, waarover dit memorandum het heeft zou terugkeren tussen Sint Jan en Sinte Maria de Meerdere; met de verplichting voor de redemptoristen om een andere schilderij van gelijke waarde als uitwisseling te bezorgen”.

Er is een sterke mondelinge traditie dat bij deze gelegenheid paus Pius IX aan de Generale Overste van de Redemptoristen zou gezegd hebben: “Doe haar kennen aan de hele wereld”. De Redemptoristen hebben dat dan ook gedaan.

Om de geschiedenis te besluiten: In januari 1866 begaven twee paters (pater Michel Marchi en Ernest Bresciani) zich naar Santa Maria in Posterula om uit de handen van de Augustijnen de icoon van Altijddurende Bijstand te ontvangen. Zeer vlug gaf men er zich rekenschap van dat de schilderij moest gereinigd en gerestaureerd worden. Dit gebeurde door de Poolse schilder Leopold Nowotny. Op 26 april 1866 werd de icoon dan in de Sint Alfonsuskerk  aan de Via Merulana publiek uitgesteld voor de verering door de gelovigen.

Hier eindigde dan de periode van het rondreizen van de icoon in de Augustijnse kloosters te Rome en van de tijd dat ze door het Romeinse volk vergeten was. Een volgende etappe kon nu beginnen: deze van de verspreiding van de icoon over de hele wereld. Dit werd niet weinig aangemoedigd door de ceremonie van de kroning van de icoon van Onze Lieve Vrouw van Altijddurende Bijstand op 13 juni 1867, het jaar nadat ze in de Redemptoristenkerk te Rome was aangekomen. Doordat de deken van het Vaticaans kapittel deze kroning verrichtte kreeg dit gebeuren een sterke religieuze en historische betekenis voor de stad Rome en het was een schitterende acte van erkenning ten overstaan van deze mariale icoon die aan de vergetelheid was ontrukt.

Een van de grote impulsen in de verspreiding van deze afbeelding was het feit dat de Redemptoristen er het mariale en missionaire beeld van maakten van hun Congregatie. Dat bracht met zich dat deze beeltenis te zien was over de hele wereld in veel huizen, kloosters en parochiekerken, vooral als herinnering aan missies gepreekt door Redemptoristen. Zelfs in de keuken van Convent Ten Hove in het Groot Begijnhof heeft gedurende 21 jaar een reproductie van die icoon gehangen.

Er kwam ook een Godvruchtige vereniging (1871) tot stand en een Aartsbroederschap (1876), even later nog een Eeuwigdurende smeekbede (1878 Santiago de Chili) en een Eeuwigdurende noveen (1928 Saint-Louis VS).

6. Restauratie

In oktober 1990 werd de icoon van boven het altaar weggehaald om enige foto’s te maken omdat er van over de hele wereld vraag naar was. Men stelde dan vast dat het hout en de verf zwaar beschadigd waren, wegens slechte omstandigheden, de temperatuurverschillen en eerdere onhandige bijschilderingen (retouches).  Het generaal bestuur van de Redemptoristen besliste dan om de technische diensten van de Vaticaanse musea te consulteren om de volledige reiniging en restauratie aan te vatten van de icoon, die door de scheuren en houtwormen het gevaar liep op onherstelbare ontwaarding.

Men bestudeerde eerst grondig de icoon met radiografische middelen (o.m. ook de koolstof 14 analyse) en zo ontdekte men onder meer dat de icoon gemaakt werd tussen 1325 en 1480. Maar bij het bestuderen van de verf, met name de pigmentatie moest men deze dateren na de 17de eeuw. Zo komt het dat men op de icoon zowel oosterse als ook westerse elementen aantreft, speciaal in de aangezichten.

De kronen werden weggenomen van het hoofd van de madonna en van het Kind Jezus. Men wou de icoon zonder toevoegsels. Iedere tijd heeft blijkbaar zijn gevoeligheden.

7. Copiosa redemptio: Overvloedige Verlossing

De Congregatie van de Redemptoristen heeft, naast haar zendingswoord uit Lk.4,18-19 (vgl Jes. 61,1-2) waarin Jezus zich gezonden weet naar de armen om aan hen het blijde nieuws te brengen, nog een kort psalmvers als devies, nl. “Bij Hem is overvloedige Verlossing” “Copiosa apud Eum Redemptio”. De icoon die zij toevertrouwd kreeg sluit daar goed bij aan en is als het ware een kostbare hulp bij het werk van de verlossing waaraan de congregatie mag meewerken.

De icoon wordt zo voor ons tot een sterke boodschap. Verscheidene elementen in deze afbeelding spreken ons over God die tussen ons aanwezig is, over de kruisweg, de beminnelijke voorspraak van Maria, en ook over de glorie en het licht, speciaal dan door de gouden achtergrond.

De grootste figuur van de icoon is Maria, maar, zoals we reeds zegden is het brandpunt eigenlijk het samengaan van de haar hand en de handen van het Kind. Het gaat dan in feite over de wijze waarop zij ons Jezus toont, Gods Zoon, de Gezalfde, die zijn leven geeft voor ons allen.

Het Kind verschijnt hier als het slachtoffer dat zich aanbiedt, zoals in de opdracht van de tempel. Daar werd Hij nog vrijgekocht als het ware door het offer van twee tortelduiven, maar hier is zijn uur gekomen, hier is het echt zijn beurt en Hij doet het voor ons: “De Mensenzoon is niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen.'” (Mt 20,28).

   NAAR INHOUDSOVERZICHT      

§. 2. DE ICOON EN ZIJN SPIRITUELE BETEKENIS

1. Wat is een icoon?

 “Icoon”, van het Griekse “eikon” betekent gewoon beeld, afbeelding. Zo wordt Christus de icoon van de onzichtbare God genoemd in een paar Paulusbrieven (Kol 1,15 en Hebr. 1,3). Gedoopten worden door hun eenheid met Christus ook icoon van God en tempel van de Heilige Geest (Rom. 8,14). Maar het woord wordt gewoonlijk gebruikt als afbeelding van Christus of van Maria of van een of andere heilige. Het schilderen gebeurde volgens vaste normen op technisch en theologisch vlak. Meer dan een afbeelding wil ze wat ze afbeeld ook tegenwoordig brengen en wordt dan ook beschouwd als een soort ontmoetingsplaats tussen het mysterie van God en de realiteit van menselijke wezens. De icoon is als het ware niet bedoeld om een altaar te versieren, zij is zelf altaar, aanwezigheid van het goddelijke.

Daarom wordt ze ook zo maar niet eventjes tussen de soep en de patatten geschilderd. Zij is de vrucht van gebed. De iconenschilders maakten haar in een klimaat van boete en gebed. Tijdens het werk baden ze en dachten ze aan hen die ooit voor die icoon zouden bidden. Meestal waren het monniken die de iconen schilderden. Zij deelden zo hun eigen overwegingen en geloof mee aan andere gelovigen.

Het resultaat daarvan is dat de icoon ook een plaats van meditatie is, om dieper door te dringen in de goddelijke en genadevolle aanwezigheid. Ontstaan vanuit contemplatie willen de iconen ons ook brengen tot meditatie en tot voorbereiding op het liturgisch gebed.[2]

2. De Hodegidria-icoon

De Mariale iconen hebben eigenlijk als archetype, als hun eerste voorbeeld, de icoon die genoemd wordt “Hodegidria” wat betekent: Gids, Begeleidster, wegwijzer. Het origineel werd van Jeruzalem naar Constantinopel gebracht in de 5de eeuw.

Rond het jaar 800 na X. had de monnik Epiphanus ze als volgt beschreven: “Gebruind gelaat… Blonde haren… Fijne en duidelijke neus (prononcé) neus… Grote diepe ogen die u aankijken .. Kleine mond, gewend aan de stilte… De figuur is ovaal… Lange en dunne vingers…”

Eeuwenlang werd de hogridria-icoon vereerd in de hoofdstad van het Oost-Romeinse Rijk, Constantinopel aan de Bosporus. De hoofdstad maakte heel wat troebelen door. Keer op keer werd de icoon gered van vernieling en ze werd zelf zo wat beschouwd als de redster van de stad. Maar uiteindelijk, in 1453 kwam er een eind aan de grote bedevaart. Mohammed II viel Constantinopel binnen. Zijn krijgers zetten alles in vuur en vlam en een van hen hakte met zijn kromzwaard de icoon in vier stukken.

Natuurlijk betekende dit niet het einde van de Hodegridria-icoon omdat die reeds ontelbare malen gekopieerd was en het was de gewoonte om zo getrouw mogelijke kopieën te maken. Naast de Hodigedria hadden  je nog andere mariale iconen zoals de biddende of voorsprekende Maria, met de handen zijwaarts uitgestrekt als een priester in de Eucharistie, we noemen die afbeeldingen Maria als een Orante, een biddende figuur. Vaak zijn die Biddende Maria-iconen afgebeeld met voor de borst van Maria Christus in een cirkel; we noemen die icoon dan de “Maagd van het Teken”, met verwijzing naar de profetie aan koning Achaz die om geen teken wou vragen maar er toch een kreeg: “Daarom geeft de Heer zelf u een teken: Zie de jonge vrouw is zwanger, en zal een zoon ter wereld brengen, en gij zult hem de naam Immanuel geven.” (JES.7,14).

Er zijn iconen waar eerder de tederheid uit spreekt : Met het kind tegen de wang van de heilige Maagd. De meest bekende van deze “Maagden van de tederheid” is ongetwijfeld de zogenaamde Maria-icoon van Vladimir, die in Rusland komt in de 11de eeuw. Men noemt haar het “paladium van Rusland”.

3. De Maagd van de Passie

Vanaf de 14de eeuw doen dan de “Smartelijke maagden” hun intrede, de “Strasnaïas”. Zij worden gewoonlijk aangeduid met de naam van “Maagden van de Passie”. In de linkerkant van deze iconen staat een engel afgebeeld: Gabriël. In een linnen draagt hij vol eerbied het kruis waaraan Jezus zal sterven, de toekomstige Gekruisigde. He kruis zal inderdaad de houding van Jezus en deze van zijn moeder bepalen.

De engel Gabriël staat vermeld in het Nieuw Testament bij de vreugdevolle Aankondiging van de Menswording van Gods Zoon aan Maria. Het was als het ware de grote uitnodiging van de hemel gericht tot de aarde. Het antwoord van Maria was: Fiat, Mij geschiede volgens uw woord.

Op de Lijdensicoon gaat het over de lijdensaankondiging. Gabriël staat hier op de drempel van de droeve mysteries afgebeeld met het kruis van de Heer, vol eerbied, als het ware met het gebed van de Kerk later: “Wij aanbidden U, Christus, en wij loven U, omdat Gij door uw heilig Kruis de wereld verlost hebt”.

Op de iconen van de Passie, de lijdensiconen, is het niet op de eerste plaats de statigheid van de Hodegridria. De figuren hier bewegen. Het hoofd van de Madonna neigt zich naar de kant van haar Zoon. Het Kind Jezus is hier ook niet meer de leraar die onderricht, zoals normaal op de Hodegedria en ook op de Icoon van het teken. Het is eerder Jezus’ menselijkheid die wordt uitgedrukt, dat ook hij onderworpen is aan het lijden. En het lijden als Jezus helemaal omvatten.

En op deze iconen verschijnt dan  tegenover de engel Gabriël de engel Michaël, die andere voorwerpen van de passie draag: de lans, de nagels, de spons. In Rusland heeft men deze iconen dan ook soms de naam gegeven van “Onze Lieve vrouw van het voorvoelen van de Passie” of nog: “Onze Lieve Vrouw van de verlossende Menswording”. In het Oosten heeft deze icoon, wanneer op Christus’ gelaat de angst staat afgebeeld de naam gekregen van “verschrikkelijk visioen”. Het kind trekt zich terug van de Lijdensvoorwerpen. Het zal ook de eerste menselijke beweging zijn in de hof van Olijven. Doodsangst en vragen dat het lijden aan Hem zou voorbijgaan…Maria had de profetie gekregen vanwege de oude Simeon: “Een zwaard zal ook uw ziel doorboren”.

   NAAR INHOUDSOVERZICHT       

4. Een meditatie bij de icoon: het Lijden van Christus en het medelijden van Maria

Een van onze paters maakte er vroeger een meditatie bij:

“Doorheen de glimlach, de moederlijke goedheid, de blijdschap die recht van het paradijs kwam en zich uitdrukte in haar Magnificat, vertoont zich hier een soort timide straal van droefheid. De kunstenaar heeft hier het drama van het Lijden van Christus en van het Medelijden van Onze Lieve Vrouw doen herleven.  He Kind Jezus rust op  de arm van zijn Moeder. Christus is plots aangegrepen door het visioen van zijn toekomstige smarten. Twee engelen verschijnen Hem die de Lijdensvoorwerpen dragen. Jezus kijkt vol ontzetting toe. Zijn jong lichaam neigt zich naar zijn Moeder toe, en zijn kleine vingers grijpen in angst de hand van zijn moeder. Maria voelt het visioen aan. Zij had de gewoonte te lezen in de ogen van haar Zoon; zij wist dat het lijden haar (of hun) niet zou gespaard blijven. Dat maakte haar moederliefde nog warmer, zorgzamer, sterker.  Met heel haar moederlijke warmte grijpt ze op haar beurt de kleine handjes van haar zoon; neigt haar hoofd naar Hem toe, terwijl een wolk van droefheid over haar gelaat glijdt. Op het moment dat zij de handen van haar kind voelde beven, ging de stroom van lijden ook door haar heen. Zij drukt Hem tegen haar aan, buigt zich naar Hem toe en de smart van de Zoon legt een sluiter van droefheid in de blik van de Moeder.

Zij weet het : alles is voor Hem. Hij lijdt voor ons: wij danken het heil aan Hem. Het lijden van de zoon   en haar eigen smart zijn onafscheidelijk. Zij houdt de linkerhand van Christus vast, opdat zich niet het strenge recht van zijn rechtvaardigheid zou uitoefenen, maar opdat hij de barmhartigheid zou laten handelen en Hij zou kunnen zegenen met zijn rechterhand.

De icoon is een uitbeelding van het Lijdensdrama dat zich voorbereidt, dat naderbij komt, dat zich steeds vollediger gaat verwezenlijken. In de ogen en het hart van de moeder weerkaatsen het lijden van de zoon.” (Jozef Boon en M.J. André)

5. Het sandaaltje (Contemplatie en devotie)

Naast het lijdensvisioen en de omstrengeling van de 4 handen is er nog een derde aandachtscentrum beneden: het sandaaltje dat van het voetje glijdt…

Er worden allerlei betekenissen aan toegeschreven: gewoon de angst, een verwijzing naar Genesis 3, de menselijkheid van Christus, tot zelfs een louter devotionele uitleg.

5.1. De angst

Op de Passie-iconen staat er soms in het Grieks, soms in het Latijn een uitleg bij onder de afbeelding van de engel Gabriël: “Jezus schrikt bij het zicht van de lijdensinstrumenten”.  Terwijl Hij geborgen was in de  armen van zijn moeder heeft het Kind, bij het aanschouwen van de lijdensvoorwerpen een bruuske beweging gemaakt van angst en heeft daarbij het ene voetje tegen het andere gestoten; het rechtersandaaltje is losgeraakt. Toch overheerst de zekerheid die het Kind vindt in de nauwe nabijheid van zijn moeder.

We herkennen hierin kleine gebeurtenissen in het leven van kinderen die plots angst krijgen van iets dat ze horen, of meemaken of zelfs dromen en die dan om moeder roepen of bij moeder hun toevlucht zoeken en vanuit die veilige schuilplaats zelfs naar het voorwerp van hun schrik durven te kijken.

5.2. En gij zijn hiel

In het Oosten geeft men soms deze uitleg (vanuit het beeld van de zondeval in het boek Genesis waar God zich tot de slang richt met o.m. deze woorden: “Vijandschap sticht ik tussen u en de vrouw, tussen uw kroost en het hare. Het zal uw kop bedreigen, en gij zijn hiel!” (Gen.3,15) De duivel tracht de hiel van het kind te bijten maar hij slaagt er slechts in het sandaaltje los te maken.

5.3. Mens in onze menselijkheid

Een traditioneler uitleg van het losrakende sandaaltje is de icoontraditie om de onderkant van de voet te tonen als teken van de menselijkheid, de menselijke conditie. Hier staan we voor sterke theologische consequenties, nl. het ernstig nemen van Jezus’ menselijkheid. Paulus en Johannes doen daar zeer radicaal over. De eerste Johannesbrief verwoordt het zo: “1 Vrienden, vertrouwt niet elke geest. Onderzoekt de geesten, of ze wel van God komen, want onder hen die tot de wereld zijn uitgegaan zijn veel valse profeten. 2 Hieraan onderkent gij de Geest van God: iedere geest die belijdt dat Jezus Christus werkelijk mens is geworden, is van God; 3 maar iedere geest, die Jezus neerhaalt, is niet van God, en dat is de eigenlijke `antichrist'. Men heeft u gezegd dat hij komen zou, maar hij is reeds in de wereld, nu al” (1 Joh. 4,1-3). Dit sluit aan bij het sterke woord uit het Johannesevangelie 1,14 : “En het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond”.

Paulus in de ons welbekende tekst uit Filippenzen 2,6 formuleert het zo: “6 Hij die bestond in goddelijke majesteit heeft zich niet willen vastklampen aan de gelijkheid met God: 7 Hij heeft zich van zichzelf ontdaan en het bestaan van een slaaf aangenomen. Hij is aan de mensen gelijk geworden. En als mens verschenen 8 heeft Hij zich vernederd, Hij werd gehoorzaam tot de dood, tot de dood aan een kruis” (Fil. 2,6-8).  Jezus is echt mens geworden. Niet zo half god en half mens, zo iemand die niet kon lijden, die wat boven de aarde zweefde, die zijn lepel niet moest gebruiken om te eten, die de olijven zomaar naar de mond kwamen, de kleine Jezus die uit slijk mussen maakte en ze dan deed rondvliegen, “’t at pap uit een panneke en ’t maakt’ hem niet vuil”. Wees maak gerust dat Maria met haar kleine rakker en opgroeiende puber haar wastobbe goed nodig zal gehad hebben… Jezus is echt mens geworden, is moe geworden, heeft angst gehad, heeft bloed gezweet in zijn doodsstrijd.

En waarom vrienden? Jezus zegt het zelf: “10 De dief komt alleen maar om te stelen, te slachten en te vernietigen; Ik ben gekomen, opdat zij leven zouden bezitten en wel in overvloed. 11 Ik ben de goede herder. De goede herder geeft zijn leven voor zijn schapen… 15b Ik geef mijn leven voor de schapen.” (Joh. 10,10-11.15b)

Als Jezus voor ons gekomen is, als Hij voor ons lijden en dood heeft willen ondergaan,waarom zouden we dat dan gaan wegmoffelen? Is het voor ons geen reden tot lofprijzing dat God de wereld zozeer heeft liefgehad dat Hij zijn enige Zoon heeft gegeven, niet om de wereld te oordelen maar om te redden? (Joh. 3,16-17).  En is het voor ons geen reden tot grote dankbaarheid en wederliefde ten overstaan van de Vader en van de Heer Jezus Christus “die mij heeft liefgehad en zichzelf heeft overgeleverd voor mij”, zoals sint Paulus schrijft in Gal.2,20.

5.4. ‘Sandaaltjes’

Deze icoon heeft wellicht op de eerste plaats een devotionele kant. We staan natuurlijk voor het grote Lijdensmysterie van de Heer. Maar het dramatische toevlucht zoeken van Jezus bij Maria is vooral een model van ónze toevlucht tot Maria. De boodschap van deze icoon is dan voor onze godsvrucht tot Maria de volgende: “Wees niet al te ongerust over al deze sandalen, al deze menselijke zekerheden die u uiteindelijk in de steek zullen laten, alleen Jezus is jullie zekerheid…”

  NAAR INHOUDSOVERZICHT           NAAR THUISPAGINA  

6. De Moeder Gods[3]

Maria staat hier afgebeeld tegen een gouden achtergrond. Daar wordt heel wat mee bedoeld, een koninklijke eer als het ware. Maar ze staat er niet alleen: zij is de Moeder van God, zoals de Griekse hoofdletters aangeven boven haar hoofd: Mètèr Théou :Moeder Gods.  Jezus is de Zoon van God, Hij is God. Omdat Maria zijn Moeder is noemt de Kerk haar: Moeder Gods. Heel haar grootheid, heel haar macht heeft ze vanwege Christus, haar zoon. Haar fundamentele waardigheid is gelegen in haar goddelijke moederschap. We mogen Maria dan ook nooit los zien van Jezus, de Christus. Naast de figuur van Jezus staan de beginletters van “Jezus Christus” en in de nimbus of aureool staan ook de traditionele Griekse letters die betekenen: ho Oon, de Zijnde, Hij die is, in feite een verwijzing naar zijn goddelijkheid, opdat we ons niet zouden vergissen in dat angstige kind.


7. De verwijzende naar Jezus

Alles in haar leidt dan ook naar Christus. Haar plaats bevindt zich tussen Christus en ons: niet als een scherm dat ons zou beletten om Christus te zien, maar juist andersom, als een wonderbaar verbindingsteken. Op de meeste Maria-iconen staat Maria afgebeeld met haar arm opgeheven naar Christus: aanbiddend, voorsprekend of gewoon verwijzend: Dit is uw Redder, Luister naar Hem, Doe maar wat Hij u zeggen zal. Maria: de verwijzende, de Hodigidria, de wegwijzer als het ware.

Het is zo helemaal harmonisch dat Maria verwijst naar Jezus en dat, als je naar Maria toekomt je uitkomt bij Jezus. Ons “Wees gegroet Maria” loopt verder uit op : “Gezegend is de vrucht van uw lichaam: Jezus”. Zoals Paus Johannes Paulus II het zegt in zijn brief over de rozenkrans: in het centrum van het weesgegroet staat de naam van Jezus.

“Heer Jezus Christus,

U heeft ons uw moeder Maria, die we vereren in dit verheven beeld,

als moeder gegeven, steeds bereid om ons ter hulp te komen:

Geef, wij bidden U, dat als we met volharding haar moederlijke hulp afsmeken

wij de vrucht van uw Verlossing mogen ondervinden”. (Paul Hitz)[4]

Jezus is de Verlosser. Van op het kruis. De majesteit van de Moeder Gods krijgt dan zeer menselijke trekken: Maria wordt de moeder van smarten. Jezus op het kruis. Maria onder het kruis. Zij vormen één geheel. Zoals ze hier op de icoon, met hun handen in elkaar, een eenheid vormen. Hetzelfde kruis vertoont zich voor hun ogen. Gruwelijk voor de Zoon, maar ook voor de Moeder. Haar hart is bij haar zoon, zij houdt zijn handen omvat. Maar op de icoon gaan haar ogen onze kant uit. Het is zoals in het Marialied “Salve Regina” : “Welaan dan onze Middelares, sla uw barmhartige ogen op ons”. “Advocata nostra: betekent: onze advocaat, onze voorspreekster.

De icoon toont Maria echter met een blik in de verte. Het is alsof ze het immense zichtbaar en onzichtbaar lijden van de hele mensheid wil omvatten. Een blik doorheen tijd en ruimte. Het zijn dan ook treurige ogen.

8. Maria wijst de weg naar het Heil

Al is deze icoon eerder onder te brengen bij de Passie-iconen, toch ligt in de hand van Maria nog steeds het kenmerk van de Hodigidria: ‘Zij die de weg wijst’. Maria wijst ons de weg naar Hem die de bron van alle leven is en die van Zichzelf zei: “Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven”.

Maar op deze “icoon van het lijden” wijst zij ons naar Jezus als Verlosser, die de harde noot zal kraken, die lijden en dood op zich zal nemen om ons vrij te maken, om ons het heil te brengen. Vroeg of laat zullen we alle mooie theorieën opzij moeten leggen, en ons laten confronteren met wat het de Heer heeft gekost om ons vrij te maken, om ons naar het heil te voeren.

In een devotieboekje van Maria Valtorta las ik eens hoe de twee leerlingen van Emmaüs een heel gesprek voeren onderweg en hoe de ene tot de andere zegt: “Heb je het niet gehoord? Markus heeft gezegd dat in Getsemane, waar Jezus aan een rotssteen gebeden heeft, alles vol bloed is. En Johannes die met Markus gesproken heeft, heeft hem gezegd : ‘Laat niemand deze plaats betreden, want het is bloed dat de Godmens gezweet heeft’ Als Hij vóór de marteling bloed gezweet heeft, dan moet Hij er verschrikkelijke angst voor gehad hebben”.  

Ik denk dat dit een juiste voorstelling van zaken is. En het is goed dat we af en toe Jezus lijden overwegen opdat we zouden weten wat Petrus schrijft: “18 Gij weet dat gij niet met vergankelijke dingen, zoals goud en zilver, zijt verlost uit het zinloze bestaan dat gij van uw vaderen had geërfd. 19 Gij zijt verlost door het kostbaar bloed van Christus, het lam zonder vlek of gebrek” (1 Petr. 1,18-19).

Deze icoon toont werkelijk iets, toont Iemand. Hodigidria betekent letterlijk de ‘weg-wijzende’: Maria wijst ons naar Jezus, die voor ons de poorten naar het geluk heeft opengestoten door zelf de diepte van het lijden, de gehoorzaamheid tot op het kruis is doorgegaan. En daarom roepen wij in het kruis van de Heer Jezus Christus: in Hem is ons heil, ons leven en verrijzenis, door wie wij verlost en bevrijd zijn.

   NAAR INHOUDSOVERZICHT      

9. Een ander gezichtspunt: vanuit de menselijke nood

Ik heb zitten denken dat we de icoon ook eens vanuit de omgekeerde richting zouden moeten bekijken. Vertrekkend namelijk van het wereldwijde en alle perioden omvattende menselijk lijden dat door Maria gezien wordt, met haar ogen vol mededogen. Op de bruiloft van Kana was veel vreugde, zoals het op een bruiloftsfeest past, maar Maria zag dat ook het gebrek aan vreugde en vrede, zij zag de nood van die mensen: er was geen wijn meer. En ze bracht die nood over aan Jezus. Zo omvat ze de handen van haar kind en Jezus, die kijkt naar het kruis. Daar werd Hij het Lam Gods dat de zonde en het lijden van de mensheid wegdraagt. Dit is een bepaald gezichtspunt op de icoon die later zou genoemd worden: Onze Lieve Vrouw van Altijddurende Bijstand.  Maria ziet het enorme lijden van de mensheid, ze gaat er mee tot Jezus en deze laadt het op zijn schouders, een verlossend lijden. “Lam Gods dat de zonde van de wereld wegdraagt”, en, zoals Petrus het formuleert in het spoor van Jesaja: “In zijn eigen lichaam heeft Hij onze zonden op het kruishout gedragen, opdat wij aan de zonden zouden afsterven en gaan leven voor gerechtigheid. Door zijn striemen zijt gij genezen. Want gij waart verdwaald als schapen, maar nu zijt ge bekeerd tot de herder en behoeder van uw zielen” (1 Pt. 2,24-25) of zoals in de brief aanTitus staat (Tit.2,11-14) :  

11 Want de genade van God, bron van heil voor alle mensen, is op aarde verschenen. 12 Zij leert ons goddeloosheid en wereldse begeerten te verzaken en bezonnen, rechtvaardig en vroom te leven in deze tijd, 13 terwijl wij uitzien naar de zalige vervulling van onze hoop, de openbaring van de heerlijkheid van onze grote God en Heiland Christus Jezus. 14 Hij heeft zichzelf voor ons gegeven om ons van alle ongerechtigheid te verlossen en ons te maken tot zijn eigen volk, gereinigd van zonde, vol ijver voor alle goeds.

 

Maria, leid ons naar Jezus, de Heiland,
de gezegende Vrucht van uw schoot.

EINDE VAN DIT ARTIKEL

  NAAR INHOUDSOVERZICHT      NAAR TOP