GELOOF en LEVEN



  
HOME

INHOUD

 TERUG NAAR INHOUDSOVERZICHT         


ENIGE OUD-TESTAMENTISCHE CHRISTOLOGISCHE TYPOLOGIEÊN (4)

Samenstelling: Ben Van Vossel

4 NOACH, DE RECHTSCHAPENE

 In Genesis 6 lezen we dat God spijt kreeg “dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en Hij was er zeer verdrietig om. 7 En Jahwe zei: `Ik ga de mens, die Ik geschapen heb, van de aardbodem wegvagen, zowel de mens als het vee en de kruipende dieren en de vogels in de lucht, want het spijt Mij dat Ik ze gemaakt heb.’ 8 Alleen Noach vond genade in de ogen van Jahwe. 9 Dit is de geschiedenis van Noach. Noach was een rechtschapen man; hij bleef te midden van zijn tijdgenoten een onberispelijk leven leiden en hij richtte zijn schreden naar God” (Gen.6,6-9). Dit artikel geeft maar weinig echte typologie maar eerder een bezinning rond de figuur van Noach (de Noë uit onze 'Gewijde Geschiedenis' van vroeger).

Bijbelverhaal?

Je zou kunnen zeggen dat het verhaal van Noach geen origineel Bijbels verhaal is. Verhalen over overstromingen, tsunami’s en zelfs over ‘zondvloeden’, die als straf voor menselijke tekortkomingen door God of door de goden over de mens losgelaten worden, tref je in verschillende versies aan bij de oude volkeren in het Tweestromengebied. Zo in het Gilgamesh-epos, dat tot ons gekomen is in verschillende versies, o.a. een versie uit de bibliotheek van Assjoerbanipal van Ninive (7de eeuw voor Christus). Op de 11de van de 12 schrijftafeltjes vertelt een van de voorvaderen van Gilgamesj, Oet-napisjtim (een soort Babylonische Noach), hem het verhaal van de zondvloed en geeft hem een legendarisch kruid dat onsterfelijkheid zou verlenen; een slang ontrooft hem echter dat kruid en hij ziet in dat de onsterfelijkheid niet voor de mens is weggelegd. Toch mag je zeggen dat het verhaal van Noach en de zondvloed een Bijbels verhaal is, omdat het zich zo echt in de Bijbel heeft ingepast. De thematiek van het verhaal van de zondvloed is overigens niet onder één noemer te brengen.    

Een verhaal over zonde en haar kwalijke gevolgen

Op de voorgrond van het Noach-verhaal staat natuurlijk het zondige leven van een groot aantal mensen; de zondvloed wordt dan als straf voor hun zondig leven geduid. Dit was een diepe overtuiging bij de latere Joodse mensen: zonde brengt onheil, zonde voert naar de ondergang van de individuele mens en van de mensheid. Zonde gaat in tegen het goede plan dat God met zijn schepping en met de mens in het bijzonder heeft. Zonde brengt daar wanorde in en is een opstand tegen God.  

We staan met dit verhaal duidelijk in een reeks verhalen over zonde en straf. Eerst de zondeval van Adam en Eva met de verdrijving uit het Paradijs, dan de broedermoord en het zwerversleven van Kaïn, en nu dit verhaal over de slechtheid van de mens met daarop volgend de zondvloed. Het was blijkbaar een vaststelling van de latere Joodse mensen dat de zonde bijna ingeboren lijkt in de mens. Nog later zal Paulus in zijn Romeinenbrief niet veel enthousiaster doen over de mensheid die zich van God afkeert. Niet te verwonderen dat we zijn gaan spreken over de erf-zonde. Maar is ónze ervaring zoveel anders dan die van de mensen uit die tijd? Uit die primitieve tijd? En wij werden nochtans eeuwenlang beïnvloed door de christelijke boodschap! Toch zijn er de eeuwen door spijtige dingen gebeurd, in het groot en in het klein… Spijtige dingen. Zonde! God wordt in het verhaal van de zondvloed ook heel menselijk voorgesteld; Hij speelt als het ware mee in dat schouwtoneel. Hij vindt het ook allemaal zo spijtig. Hij bedoelde het zo goed met zijn schepping, Hij had de mens zo groot gemaakt dat Hij Hem met een vrije wil geschapen had… Maar daar lag nu juist de oorsprong van het probleem. Doordat Hij de mens zo groot maakte, met een vrije wil, had Hij hem de mogelijkheid geschonken om ‘ja’ maar ook … om ‘nee’ te zeggen tegen God, om m.a.w. in te gaan tegen Gods bedoeling met zijn eigen leven en met zijn daden…    

Een verhaal over hoop en vrede

- Maar zoals in die vorige zonde- en bestraffingsverhalen, is er ook in dit verhaal van de zondvloed een klein hoopvol lichtje. Niet heel de mensheid gaat ten onder. Een man en zijn gezin worden gered.

- Die man, Noach wordt ‘rechtvaardig’ genoemd, een mens die beantwoordt aan Gods droom over de mens. En door die man wordt ook de schepping gered. En uiteindelijk komt er licht. Zelfs een regenboog met de belofte dat God de mens nooit helemaal laat vallen. - De duif met haar takje dat ze de tweede keer aanbrengt is ook symbool van vrede geworden, vrede in dit geval tussen God en de mens.  

In deze enkele aandachtspunten uit het Noachverhaal kunnen we ook het gelaat van Jezus herkennen (zie verder).

Verwijzingen naar Jezus?

Waar liggen nu de typologische toepassingen naar Jezus toe? Er zijn weinig strikt Nieuwtestamentische verwijzingen, wel heel wat andere vergelijkingspunten, sommige vanuit de liturgie, of de kerkvaders of overwegingen vanuit de Bijbel.

Afstammeling

Als Lucas de stamboom van Jezus geeft, langsheen de stamboom van Jozef, stellen we vast dat daar wel allerlei zondige mensen in voorkomen, maar ook Noach wordt er vermeld, Noach, de rechtvaardige, in die lijn is het niet moeilijk om Jezus te situeren. “Deze Jezus nu was bij zij optreden ongeveer dertig jaar. Hij was, ‘in de opvatting der mensen’, de zoon van Jozef, de zoon van Eli, de zoon van Mattat, de zoon van Levi, de zoon van Melchi, de zoon van Jannai, de zoon van Jozef, Lk.3,25 de zoon van Mattatias (…) Sem, de zoon van Noach, de zoon van Lamech, 37 de zoon van Metuselach, de zoon van Henoch, de zoon van Jered, de zoon van Mahalalel, de zoon van Kenan, 38 de zoon van Enos, de zoon van Set, de zoon van Adam, de zoon van God” (Lk.3,23-25.37-38).   

Heraut van gerechtigheid

In  2 Petrus 2,5 krijgen we dan een omschrijving van Noach: “Evenmin heeft Hij (God) de wereld van de voortijd gespaard; Hij heeft alleen Noach, de heraut der gerechtigheid, met zeven anderen behoed, toen Hij de zondvloed bracht over die wereld van goddelozen”.  Heraut of verkondiger van de gerechtigheid lijkt hier dan te betekenen dat hij, in zijn persoon en zijn manier van leven een levende uitbeelding was van hoe je eigenlijk zou moeten leven als je aan Gods droom wilt voldoen.  Dat wordt kort gezegd in deze andere tekst uit het boek Genesis: “Alleen Noach vond genade in de ogen van Jahwe. 9 Dit is de geschiedenis van Noach. Noach was een rechtschapen man; hij bleef te midden van zijn tijdgenoten een onberispelijk leven leiden en hij richtte zijn schreden naar God” (Genesis 6,8-9). ‘Heraut van de gerechtigheid’.  Hierbij sluit het thema aan van “leven volgens Gods verlangen”. Dan wordt duidelijk hoe Noach als een soort voorafbeelding van Jezus is op dat vlak. “Noach was een rechtschapen man; hij bleef te midden van zijn tijdgenoten een onberispelijk leven leiden en hij richtte zijn schreden naar God” (Gen. 6 ,9). Ten overstaan van de Joodse leiders die hij in tegenwoordigheid van de overspelige vrouw overtuigt van hun schuld (Joh. 8,7-9) durft Jezus zeggen: “Wie van u kan aantonen dat Ik zonde gedaan heb? Als Ik waarheid spreek, waarom gelooft gij Mij dan niet? ” (Joh. 8,46).  

De volgzaamheid

- Een opvallende gelijkenis (ik durf hier niet spreken van typologie) tussen Noach en Jezus is de “gehoorzaamheid”, de volgzaamheid, het ingaan op God verlangen wat ons ook doet denken aan het geloof van Abraham. Over de reactie van Noach op de wat absurd lijkende opdracht die hij te doen krijgt, lezen we “Noach deed dit; alles wat God hem geboden had, voerde hij uit” (Gen. 6,22) en ook in een volgend vers uit Genesis: “En Noach deed alles wat Jahwe hem geboden had” (Gen. 7,5). Hoe sterk vinden we die volgzaamheid niet terug bij Jezus in zeer veel Bijbelteksten en hoe Hij die volgzaamheid ook aan zijn leerlingen leert (bv. in het Onze Vader: ‘Uw wil geschiede op aarde als in de Hemel’):  Over de bedoeling van al wat Hij doet zegt Hij: “Ik kan niets uit Mijzelf: Ik oordeel naar wat Ik hoor en mijn oordeel is rechtvaardig, omdat Ik niet mijn eigen wil zoek, maar de wil van Hem die Mij zond” (Joh. 5,30). Wat was trouwens zijn eigenlijke levensdoel: “Ik ben immers uit de hemel neergedaald, niet om mijn eigen wil te doen, maar de wil van Hem die Mij gezonden heeft” (Joh. 6,38) En dit allesomvattende woord: “Mijn spijs is, de wil te doen van Hem die Mij gezonden heeft en zijn werk te volbrengen” (Joh. 4,34).    

Het noeste verlossingswerk

Ik las nog een mooie toepassing van de arbeid van Noach aan de ark en het verlossingswerk van Jezus. “Stuk na stuk, nagel na nagel, plank na plank kwam de ark stilaan tot stand. Op dezelfde manier wordt het verloste volk van God in Jezus samengebracht, man na man, vrouw na vrouw, gelovige na gelovige, berouwvolle zondaar na berouwvolle zondaar.  Zoals Noach Gods ark bouwde, zo bouwt Jezus een verlost huisgezin voor God. Deze vergelijking is niet zo ver gezocht omdat in de Hebreeënbrief hetzelfde gezegd wordt van Mozes: “Hij (Jezus) is groter eer waardig gekeurd dan Mozes, voor zover namelijk de bouwer meer waard is dan het huis dat hij bouwt. Ieder huis wordt door iemand gebouwd en de bouwheer van alles is God. Mozes was inderdaad getrouw in heel Gods huis, maar als dienaar, om te getuigen van de woorden die God zou spreken. Christus echter is getrouw als zoon, aangesteld over het huis van God. En dat huis zijn wijzelf, als wij tenminste ons vertrouwen en de hoop, die onze trots is, ongeschokt bewaren tot het einde” (Hebr.3,3-6).  In de patristiek (de studie van de oudere Kerkvaders) wordt de ark van Noach, waardoor mensen gered werden van de watervloed, soms vergeleken met het hout van het kruis, waardoor wij gered werden.

Bespotting

Wij weten niet hoe de menigte gereageerd heeft op het schijnbaar zinloos werken van Noach aan een grote ark hoog op droge grond. In het Oude testament wordt het niet met zoveel woorden gezegd. De Koran (Qur’an) heeft het verhaal kleurrijker uitgeschilderd met een zeer menselijk detail : “38 En hij was de ark aan het bouwen en steeds wanneer de leiders van zijn volk hem voorbijgingen, bespotten zij hem. Hij zeide: “Als gij ons bespot, zullen wij u (later) bespotten zoals gij (ons) nu doet, 39 Dan zult gij weten wie het is, over wie een vernederende straf komt en op wie een blijvende straf zal rusten” (Soera 11,38-38).  Was het inderdaad geen absurd iets, een grote boot bouwen op het droge, terwijl er helemaal geen dreiging van water was in de wijde omtrekt? Het is natuurlijk geen echt Bijbelse typologie maar een interessante toepassing van de bespotting die Jezus overkwam. Toen Hij aan het kruis hing en zwoegend zijn reddingswerk  (zoals Noach zwoegde aan de constructie van de ark), krijgt ook Hij met de spot van het volk te maken: “In dezelfde geest zeiden de hogepriesters met de schriftgeleerden en oudsten spottend: Anderen heeft Hij gered, maar zichzelf kan Hij niet redden. Hij is toch de koning van Israel. Laat Hem nu van het kruis afkomen, dan zullen we in Hem geloven. Hij stelt vertrouwen in God; laat Die Hem nu bevrijden, als Hij behagen in Hem heeft. Hij heeft immers gezegd: Ik ben de Zoon van God!’ Zelfs de rovers, die samen met Hem gekruisigd waren, voegden Hem soortgelijke beschimpingen toe” (MT.27,41-44).    

Gelovig vertrouwen

In de Hebreeënbrief wordt als voorbeeld van gelovigen ook Noach vermeld: “Door het geloof heeft Noach, na door God te zijn gewaarschuwd voor wat nog niet te zien was, met grote zorg de ark gebouwd, om zijn huisgezin te redden. Door zijn geloof heeft hij de wereld veroordeeld en zelf de gerechtigheid van het geloof verworven” (Hebr.11,7).  Die grote zorg voor het huisgezin van God drukt Jezus sterk uit in de gelijkenis van de Goede Herder: “Ik ben gekomen, opdat zij leven zouden bezitten en wel in overvloed. Ik ben de goede herder. De goede herder geeft zijn leven voor zijn schapen.” (Joh. 10,10-11). In Jezus vinden we dat gelovig vertrouwen op de Vader het sterkst uitgedrukt in zijn lijden en sterven, vooral in dat laatste woord: “Toen riep Jezus met luider stem: ‘Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest’ ” (Lk. 23,46). ‘Ondanks alles, ondanks de vaststelling dat heel mijn levensproject op niets lijkt uit te lopen, ondanks de verwerping door mijn eigen volk … vertrouw Ik mij helemaal toe aan U’.   

De ark als het graf – de nieuwe aarde als de opstanding Een gelijkenis, zonder daarom thuis te horen de “typologie” is het lange tijd opgesloten zijn van Noach en zijn familie in de ark en hun wedergeboorte op een opgefriste, gezuiverde aarde en anderzijds Jezus opgesloten zijn in het graf en zijn opstanding ten leven waarin Hij allen betrekt die bij Hem aansluiten. Dit is geen typologie zoals de figuur van Jona die 3 dagen opgesloten zat in de buik van het zeemonster, waarop Jezus zelf zinspeelt in Mt. 12,39: “Zoals namelijk Jona drie dagen en drie nachten verbleef in de buik van het zeemonster, zo zal de Mensenzoon drie dagen en drie nachten verblijven in de schoot van de aarde”. “Doelend op Hem toch zegt David: De Heer had ik voor ogen, altijd door, Hij is aan mijn rechterhand, opdat ik niet zou wankelen; daarom is er blijdschap in mijn hart en jubelt mijn mond van vreugde; ja, ook mijn lichaam zal rust vinden in hoop,  omdat Gij mijn ziel niet over zult laten aan het dodenrijk en uw heilige geen bederf zult laten zien. Wegen ten leven hebt Gij mij doen kennen, Gij zult mij met vreugde vervullen voor uw aanschijn” (Handelingen 2,25-28).   

Opgeheven uit de vloed

Zoals de ark de vloed te boven kwam, zo wordt Jezus de redder die toekomst geeft aan het volk van God : “Veertig dagen lang hield de vloed over de aarde aan. Het water steeg en tilde de ark op, tot hoog boven de aarde. Het water nam toe en kwam hoog boven de aarde te staan, en de ark dreef op het water” (Genesis 7,17-18).  Wellicht zagen de eerste christenen hierin een parallel : “… eerst zullen de doden die in Christus zijn verrijzen; daarna zullen wij die nog in leven zijn tegelijk met hen in een oogwenk op de wolken in de lucht worden weggevoerd, de Heer tegemoet. En zo zullen wij voor altijd samen zijn met de Heer” (1Tess.4,16c-17 )   

Met Hem gestorven en verrezen in het doopsel, geroepen tot een nieuw leven

In de christelijke traditie wordt het water van de zondvloed wel eens vergeleken met het water van de doop, waar het kwaad wordt vernietigd en we nieuw leven krijgen. De dubbele werkzaamheid van het water komt daarin naar voor: zijn vernielende (cfr. tsunami en vloedgolven, verdrinking, scheepsramp) én levenbrengende (dorstlessend, vruchtbaarheid van de regen en bevloeiing) kracht. Ook hier kunnen we dan een parallel zien met de ark van Noach en het kruis van Christus.

“In de doop zijt gij met Hem (Jezus) begraven, maar ook met Hem verrezen, door uw geloof in de kracht van God die Hem uit de dood deed opstaan. Ook u die dood waart ten gevolge van uw zonden en uw morele onbehouwenheid heeft God weer levend gemaakt met Hem. Hij heeft ons al onze zonden vergeven.  Hij heeft de oorkonde met haar bezwarende bepalingen, die tegen ons getuigde, verscheurd. Hij heeft haar vernietigd en aan het kruis genageld.  Hij heeft de heerschappijen en de machten ontwapend en publiek ten toon gesteld. Hij heeft over hen getriomfeerd door het kruis” (Kol.2,12-15).  In de Paasbrief van Petrus wordt alles wat samengebracht: Christus’ lijden en dood die de zonde doodde om ons tot God te brengen. Zijn opstanding… en de uitnodiging om als gedoopten nu ook een nieuw leven te leiden. “Ook Christus heeft eens voor al geleden voor de zonden, de rechtvaardige voor de onrechtvaardigen, om u tot God te brengen. Gedood naar het vlees, werd Hij ten leven gewekt naar de Geest. Zo ging Hij heen en predikte voor de geesten in de kerker, die eertijds, in de dagen dat Noach de ark bouwde, weerspannig waren geweest, terwijl God in zijn lankmoedigheid geduld oefende. In de ark bleven slechts enkelen, niet meer dan acht personen, behouden te midden van het water. Dit was een voorafbeelding van het doopwater, waardoor gij nu gered wordt. De doop beoogt niet de verwijdering van lichamelijke onreinheid, maar de verbintenis met God van een goed geweten, krachtens de opstanding van Jezus Christus, die ten hemel gevaren zetelt aan Gods rechterhand, nadat engelen en machten en krachten aan Hem onderworpen zijn” (1Petr.3,18-22).   

Blijvend teken van Gods reddende genade

Toen het water was weggetrokken stond daar de regenboog als een teken van het verbond tussen God en de mens dat de mens niet zal weggeveegd worden van voor het aangezicht van God (Gen. 9,14-15). Het doet denken aan de verzen uit Jesaja: “Zal een vrouw haar zuigeling vergeten, een liefhebbende moeder het kind van haar schoot? En zelfs als die het zouden vergeten, Ik vergeet u nooit! Zie, in mijn handpalmen heb Ik u geschreven, en uw muren staan Mij voortdurend voor ogen” (Jes.49,15-16). Zoals die regenboog garant is voor het behoud van de mensheid tot het uiteindelijk oordeel, zo heeft Jezus ook een teken gesteld van een nieuw en eeuwig verbond, in de nacht dat Hij werd overgeleverd, op het moment dat Hijzelf de duisternis van zijn lijden en dood zou ingaan, heeft Hij brood genomen, het dankgebed gezegd, het brood gebroken terwijl Hij zei: “Dit is mijn lichaam voor u. Doe dit tot mijn gedachtenis”. En evenzo heeft Hij de beker genomen na de maaltijd en gezegd: “Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed. Doet dit, elke keer dat gij hem drinkt, tot mijn gedachtenis” (1 Kor. 11,23).   

Het behoud van de schepping

We staan waarschijnlijk al in de allegorie in plaats van in de typologie wanneer we een aantal punten van gelijkenis gaan maken (of vaststellen) tussen Jezus en de figuur van Noach, zoals:

Terwijl Jezus bezig is mannen en vrouwen tot Zich te trekken, blijft ondertussen het oordeel uit. Evenzo was er geen teken van de grote vloed die zou komen terwijl Noach de laatste hand aan het werk legde om zijn huisgezin te redden. Het Noachverhaal laat ook zien hoe zijn werk er niet enkel op gericht was om menselijk leven te redden maar ook een massa vogels, dieren, reptielen… Ook in het nieuwe testament is er sprake van dat de schepping zal delen in de redding en verheerlijking van de kinderen van God: “Ook de schepping verlangt vurig naar de openbaring van Gods kinderen. Want zij is onderworpen aan een zinloos bestaan, niet omdat zij het zelf wil, maar door de wil van Hem die haar daaraan onderworpen heeft. Maar zij is niet zonder hoop, want ook de schepping zal verlost worden uit de slavernij der vergankelijkheid en delen in de glorierijke vrijheid van de kinderen Gods” (Rom. 8,19-21). ”   

Het oordeel van de zondvloed en Christus’ wederkomst “Temidden van zijn tijdgenoten leidde Noach een onberispelijk leven”… Die paar woorden zeggen veel over die figuur van Noach, gesitueerd in een samenleving waar we men zich van God en zijn gebod weinig of niet aantrok. In de tweede Petrusbrief wordt die parallel duidelijk gelegd tussen die ongelovige tijdgenoten van Noach en de mensen die niet geloven in de terugkomst van Christus als teken van het definitief oordeel dat God over het mensenleven uitspreekt: “Gij moet vooral weten dat er in de laatste dagen spotters zullen komen, mensen die leven volgens hun eigen begeerten, en die honend vragen: `Waar blijft nu de wederkomst die Hij heeft toegezegd? Onze vaderen zijn al gestorven, maar alles blijft zoals het van het begin der schepping geweest is.’ Zij gaan met opzet voorbij aan het feit dat er lang geleden een hemel en een aarde bestonden, door Gods woord gevormd uit water en door middel van water,  en dat die toenmalige wereld vergaan is, verzwolgen door het water. Maar de hemel en de aarde van nu zijn door hetzelfde woord opgespaard voor het vuur en bewaard voor de dag van het oordeel en de ondergang der goddelozen” (2 Petr. 3,3-7).    

Een verwittigd man… Jezus was ook een profeet, iemand die vanwege God belangrijke zaken te vertellen kreeg. Hij deed dat ook wel eens in apocalyptische beelden, met de overtuigingskracht van een donderpredikant. Zo maakt Hij zelf die vergelijking met de tijd van Noach en Lot: “En zoals het was in de dagen van Noach, zo zal het ook zijn in de dagen van de Mensenzoon. Zij aten en dronken, huwden en werden ten huwelijk gegeven tot op de dag waarop Noach de ark binnenging en de zondvloed kwam, die allen verdelgde. (…) zo zal het ook zijn op de dag waarop de Mensenzoon zich openbaart” (Lk.17,26-27.30 vgl. Mt. 24,37-39). Een dringende oproep tot bekering om de barmhartigheid en het heil vanwege God niet te mislopen.   

Vredevorst

Maar het Noachverhaal is inderdaad niet louter bedreigend. Een klein gelijkenispunt gaat dan over de ‘symbolen’ van de regenboog en de duif met de olijftak, symbolen van vrede en nieuw verbond tussen God en de mensen. ‘Vrede’ het is de hartenwens van de mensheid, van de gewone mensen die keer op keer door de heb- of heerszucht van sommigen dooreen worden geschud en bedreigd in hun leven, hun hebben en houden, hun gezinnen… Hoe blij waren de Joodse mensen wanneer ze een koning hadden die hen uiteindelijk vrede kon brengen. In de Kerstnachtmis wordt in de liturgie nog altijd het beeld opgeroepen van het kind dat een vredevorst zal zijn: “Want alle dreunend stampende laarzen en met bloed doordrenkte mantels worden verbrand en verteerd door het vuur. Want een kind wordt ons geboren, een zoon wordt ons gegeven. De heerschappij rust op zijn schouders; men noemt hem: Wonder van beleid, Sterke God, Vader voor eeuwig, Vredevorst” (Jesaja 9,4-5)   

  TERUG NAAR INHOUDSOVERZICHT           TERUG NAAR THUISPAGINA