|
|
|
PREKEN 2006 (preken uit 2010 - preken 2009 - preken 2008 - preken 2007 - preken 2005) ACTIVITEITEN - GRIEKSE KERK BAGDAD - BEZINNINGEN - BIJBEL - BOEKEN - CHRISTEN in de WERELD - CHRISTELIJKE VORMING - DIAPRESENTATIES - EVANGELIE-LEZING - GEBED - GEBEDSGROEP - GETUIGENISSEN - GEZIN INHOUD - JEZUS (Isa al Masih) - JONGEREN - KERK en GELOOF - Figuren uit de KERKGESCHIEDENIS - KINDEREN - KUNST - LITURGIE - MEDIA -- MARIA - MARIA-KEFAS - MORAAL - NADENKERTJES - NIEUW - NUMMERS - PARAY L.M. - PINKSTERSPIRITUALITEIT - PREKEN - ROEPING - SOCIALE INZET - SPIRITUALITEIT - THUISPAGINA - UITZICHT - VERHALEN - WETENSCHAP - ZENDING - - Jaar C Feest van de Moeder Gods
(1/01/2007) Maria, de kortste weg naar Jezus Jaar
C FEEST VAN DE MOEDER GODS Getallen 6,22-27 / Gal. 4,4-7 / Luc. 2,16-21 Men
zegt wel eens: In de beperking toont zich de meester. Iemand die in een paar
woorden iets duidelijk kan maken, die weet waar hij over spreekt, die draait er
niet omheen. Ik moet zeggen dat de Kerk het meestal ook kort en duidelijk kan
zeggen, vooral in de liturgie. Maar nu, met het kerstgebeuren heeft ze toch naar
adem moeten snakken. ’t Wat teveel om het in één zin uit te spreken. Met
kerstmis had ze er een kerstwake, maar dan vooral de nachtmis, de dageraadsmis
en de dagmis voor nodig om zo toch het een en het ander te zeggen over het
Kerstgebeuren, over het mysterie van Jezus’ menswording en geboorte. Misschien
paste ze zich ook wat aan ons aan, opdat we toch enigszins zouden bevatten
waarover het gaat. De
Menswording, 9 maand eerder in de schoot van Maria, dat was allemaal nog vrij
verborgen gebleven. Juist Elisabeth
en de kleine Johannes die van vreugde bewoog in de schoot van zijn moeder,
hadden het aangevoeld: Gezegend zijt gij onder de vrouwen en gezegend is de
vrucht van uw schoot. Waar heb ik het verdiend dat de moeder van mijn Heer naar
mij toekomt? Maar
met de geboorte is de epifanie, het verschijnen van de Heer, echt zichtbaar
geworden voor mensenogen. Daar ligt een babytje in de kribbe. -
In de nachtmis kregen we te horen hoe Maria en Jozef naar Bethlehem trokken en
dat daar, in een schapenstal het Kind geboren wordt enr aan de herders wordt
bericht dat er een redder geboren is, Christus, de Heer.
-
In de dageraadsmis zagen we de herder dan naar de stal trekken en om het Kind te
zien dat Redder en Messias en Heer wordt genoemd. -
In de dagmis zegde Johannes het onomwonden dat het Woord, dat van alle tijden
bij God was nu vlees is geworden, mens van vlees en bloed en tussen ons is komen
wonen. Zoveel woorden en og veel meer had de Kerk nodig om dat mysterie een
beetje naar ons hart te brengen, dat onbegrijpelijke dat een mens zich zelfs
niet kon ingebeeld hebben: Gods Zoon die mens wordt, die ons bestaan komt delen
om ons op te helpen, om Gods droom over ons werkelijkheid te doen worden: een
wereld die zich wil openstellen voor het echte geluk, een leven volgens Gods
verlangen. De
Kerk zal trouwens nog andere zondagen nodig hebben om duidelijk te maken hoe
Gods Zoon in ons midden is gekomen en dat Hij redder is: de wijzen die Hem komen
huldigen, het Woord van de Vader bij zijn doopsel in de Jordaan, hoe Hij zijn
heerlijkheid toont bij de bruiloft te Kana… En
ook vandaag wil de kerk ons het mysterie van de Menswording en geboorte verder
laten beschouwen. En ze betrekt er vandaag met nog meer nadruk Maria bij op dit
Feest van de Moeder Gods.
Maria
is er van heel dichtbij bij betrokken, meer nabij kon niet. Hij is de vrucht van
haar schoot. Haar Ja-woord aan God heeft dit mogelijk gemaakt. Wij mogen aan de
heilige Geest vragen ons vandaag het mysterie dat Maria is, aan ons te
openbaren. Zij heeft ons Jezus mogen geven, onze Heer, onze Redder, de Messias.
Dat was de opdracht die God van haar vroeg, en daar heeft ze JA op gezegd. Zij
is Moeder geworden van Gods Zoon die in haar schoot mens van vlees en bloed is
geworden en die uit haar geboren is. Wij
mogen vandaag Maria verheerlijken omdat zij Moeder Gods is. De Heilige Schrift
geeft ons daarvan het voorbeeld in de Begroeting van de engel en de woorden van
Elisabeth en het loflied van Maria zelf… Wij moeten niet menen dat we daardoor
God tekort doen of dat we van Jezus worden afgeleid.
Integendeel:
vrees niet om Maria bij u in huis te nemen, de vrucht van haar schoot is van de
heilige Geest, is Gods Zoon. Jozef nam Maria bij zich in huis. En de door Jezus
beminde leerling doet het ook, na Jezus woord op het kruis: Ziedaar uw moeder.
Vanaf dat ogenblik nam hij haar bijzich in huis. Wij
mogen dat vandaag ook doen: Maria binnenlaten in ons gezin, haar binnenlaten in
ons geestelijk leven. Want zij draagt Jezus, zij is de zekerste en kortste weg
naar Jezus. Zij helpt ons om Jezus in ons gezin, in ons leven binnen te laten,
zij helpt ons om het rijk van God in ons te beschermen en te verdedigen.
Maria trekt in haar eenvoud en haar absolute ‘Ja’ de heilige Geest
tot zich. Zij wil ook ons helpen om helemaal open te komen voor de werking van
de heilige Geest. En de vrucht van de Geest is dat wij op Jezus gaan gelijken,
toegewijd aan God, onze Vader, toegewijd aan de mensen, van nu af aan Jezus’
broers en zussen. (Ben Van Vossel) Jaar
C Heilige Familie Sir. 3,2-6.12-14 / Psalm 128 / Kol. 3,12-21 / Lucas 2,41-52 We
mogen vandaag met een zekere tederheid toekijken naar het geluk van het gezin
van Nazareth, Jezus, Maria, Jozef. Menselijk geluk. Liefde vol tederheid en
wederzijdse zorg. Tevens begeleiding van de Jezus doorheen de kinderjaren en de
jeugd. Een
familietafereeltje, heel even zonder al te veel dreiging. Het was daar in
Palestina niet helemaal zoals in Irak op dit ogenblik, of zoals in de
Palestijnse gebieden op dit ogenblik. Maar het land lag ook onder het juk van
een bezettende overheid, de Romeinen… Daar in Galilea voelde je er misschien
wel wat minder van; toch waren die soldaten alomtegenwoordig. Is
ons geluk zoveel mee verzekerd. Zijn de kinderen en jonge mensen zoveel meer
beschermd? Er is het verkeer, drukker dan ooit, gelukkig heeft men wat
snelheidsbeperking ingevoerd en vraagt men om nog veiliger fietspaden. Er zijn
ook de drugs die een permanente bedreiging vormen voor kinderen en jongeren. Er
is de misleiding door vrienden, door de media enkel op sensatie uit en op het
loswoelen van allerlei driften die de mens niet echt opbouwen, en er is de
voortdurende bedreiging ook door de consumptiemaatschappij…
En het deugddoende, de evangelische geïnspireerde waarden krijgen zo
weinig kans. Tenzij eens bij een in
het oog springende Aktie, zoals onlangs in Leuven met dat glazen huis… Toch
willen wij vandaag naar dat gezin van Nazaret kijken. Jezus heeft moeten
gehoorzamen aan zijn ouders; hij had hun leiding nodig om als jonge mens een
stevige ruggengraat te krijgen; hij kreeg op een gezonde manier de wijze lessen
uit de bijbel te horen; hij zag het voorbeeld van zijn mama en zijn papa; hij
zag hun wederzijdse zorg en voelde zich geborgen in hun liefde… En tegelijk
kreeg hij de kans om stilaan te groeien naar volwassenheid. Als jonge mens. De
lezingen uit het eerste en het nieuwe Testament kunnen ook ons blijven
inspireren om op een goede wijze met elkaar om te gaan. Ouders met elkaar,
ouders met hun kinderen. En opgroeiende kinderen met hun ouders en onderling.
Want als kinderen wat ouder worden moeten ook zij beginnen zien hoe ze mee
verantwoordelijk zijn voor een goede sfeer binnen dat gezin. Zonder wederzijdse
dienstbaarheid, zonder gedeelde inzet blijft een samenleving op de duur niet
goed functioneren. Gods
woord leert ons iets vandaag. Even belangrijk is dat we Jezus zelf ontmoeten in
deze Eucharistie. Vanuit Hem ontvangen wij de kracht om te groeien in liefde en
aandacht voor de mensen tegenover wie we op de eerste plaats verantwoordelijk
zijn. Wij mogen het Hem expliciet vragen. Wij doet dat te weinig. En wij mogen
het ook vragen aan Maria, en aan Jozef. Zij hebben het beleefd. Wij mogen ons
gezin toevertrouwen aan de heilige Familie. In vroeger tijden was het een veel
gebruikt schietgebed: Jezus – Maria- Jozef. Vrienden,
ik wens jullie een gezegend jaareinde, heb aandacht voor elkaar. Ik wens jullie
ook een vreugdevolle Nieuwjaarsdag en Gods zegen in het nieuwe jaar dat maandag
een aanvang neemt. We leggen het met vertrouwen in Gods hand naar het voorbeeld
van Maria en Jozef. (Ben Van Vossel)
Lucas 2, 1-14 Het
kerstverhaal. Een kerstverhaal. Het
is het Christusgebeuren dat openbreekt. Het gebeuren van God die zijn heil
definitief laat openbreken bij Maar deze nacht knielen wij voor een klein kind. Geboren uit een vrouw die speciaal door Gods Geest was aangeraakt, Maria. Zij heeft geloofd dat tot vervulling zou gaan wat haar vanwege de Heer was aangezegd. Met het geloof van Maria, met haar vertrouwen, met haar liefde willen ook wij knielen voor de kribbe, waarin Gods Zoon ligt, weerloos. Maar in Hem aanbidden wij Hem die de last van de wereld, het duister waarin de mensheid leefde, op zich heeft genomen zodat ieder mens die naar Hem luistert en Hem wil volgen ook echt in het licht kan leven en volgens Gods verlangen. De weerloosheid van dat kleine kind richt onze aandacht op de weerloosheid van zoveel ongeborenen die niet worden geteld, doodgeborenen, gedumpt op een komposthoop, kinderen die misbruikt worden voor laag egoïsme van volwassenen, kinderen in ontwikkelingslanden die reeds het HIV-virus hebben en waarvoor geen goedkopere medicatie wordt geleverd door westerse farmaceutische bedrijven, kinderen in oorlogen, gedwongen kindsoldaten, kinderen in onze welvaartsstaat die overspoeld worden met speelgoed en electronica maar te weinig evenwichtige liefde ontvangen, kinderen die door de zakenwereld al worden misleid en door een aantal media een hoop onwaarden krijgen ingespoten. We moeten in de mate van onze persoonlijke mogelijkheden en liefst samen met anderen een beschermende muur, of beschermende handen vormen rond dat meest kwetsbare in onze samenleving. Het kleine kind: het heeft nog zo’n nood aan echte, evenwichtige liefde, aan geborgenheid, aan stilte, aan begeleiding, aan goede raad, aan rustige berisping die niet vanuit gekwetste gevoelens komt… In het gezin zal een kind maar op de goede manier begeleid worden als het echtpaar ook een echt paar vormt, als man en vrouw elkaar liefhebben en (ver-)dragen, en in de opvoeding van het kind aan hetzelfde zeel trekken. Een kind heeft juiste en duidelijke begeleiding nodig… Dat geldt ook voor het kind in een eenoudergezin. Het is die weerloosheid van het Kind in de kribbe die ons even ertoe bracht stil te staan bij de noodzaak van groot respect en degelijke begeleiding van het kleine kind. Maar deze nacht knielen wij bij dit ene Kind dat voor ons de weg naar het enige grote heil zal openzetten. Geest van God, open onze ogen voor wat Jezus voor ons betekent. Open ons hart om Hem te onthalen als de Heer van ons leven. Maak onze wil bereid om Hem binnen te laten en te volgen op de weg naar het echte leven, de weg van een wereld naar Gods droom. (Ben Van Vossel)
Jaar
C
Zondag 4 Advent Lucas 1, 39-45 Het is een kostbaar stukje evangelie dat de Kerk ons vandaag op tafel legt. Om het in ons hart te bewaren en ervan te leven. Een stukje evangelie met zo ontzettend veel aspecten. Ik wil er één van naar voor schuiven. Ik heb deze week wat zitten lezen in een biografie van de heilige Grignion de Montfort, en dat zal er wel niet vreemd aanzijn dat ik nu juist dit bepaalde aspect even belicht. Vol van het heilig geheim dat haar is geopenbaard en waarvan zij de draagster is ‘in haar geest en haar lichaam’, zoals de heilige Bernardus[1] zegt, gaat Maria op weg naar Elisabeth. Twee redenen liggen voor de hand: de hulp die zij aan haar oudere verwante wil bieden nu deze in haar ouderdom ook zwanger is, en anderzijds het verlangen om te kunnen delen rond het grote geheim dat zij draagt. De Kerk stelt Maria in het licht, zo vlak voor Kerstmis. Rond haar vallen de stralen van de goddelijke openbaring samen, die stilaan vanuit het Oude Verbond hebben opgelicht. Er staat iets te gebeuren, en heel de energie van het op handen zijnde lijkt zich samen te ballen in Maria. Haar schoot staat gezwollen van het genadevolle geheim dat zich aan de mensheid gaat voltrekken. In haar heeft God zich naar de aarde toegewend en daar voldoende openheid gevonden om zijn eeuwig raadsbesluit te voltrekken. Hij zal door haar ons bestaan binnentreden om ons van binnenuit op te trekken naar zijn hart. Hij wil ons van binnenuit weer in staat stellen, zo gezuiverd te worden en zo veredeld te worden dat we weer kunnen wandelen met God, als in het paradijs. En Maria is de poort waarlangs God onze aardse werkelijkheid binnentreedt, Hij is de poort waarlangs Hij naar de mensen komt. Maria krijgt die grote rol toebedeeld, de Redder aan ons te schenken, de Zoon van de levende God die door zijn aanwezigheid en zijn totale God-gewendheid, de zon van Gods genade over ons zal trekken. En wat zien we nu in dit stukje evangelie. Waar Maria komt – de Jezusdraagster – daar voelt zelfs een ongeboren kind – het allerpuurste op aaarde - aan dat hier iets groots aanwezig komt. De Heer, zijn Heer is hier aanwezig. En Elisabeth, vervuld van de heilige Geest – Hij openbaart het mysterie van Maria, het mysterie dat zij is en dat zij draagt – Elisabeth werd vervuld met de heilige Geest en riep ‘met luide stem’ opdat ook wij het zouden horen: “Gij zijt gezegend onder de vrouwen en gezegend is de vrucht van uw schoot’. Dat gebed mogen we vandaag ook de hele dag in de mond nemen, trouw aan het evangelie. Zoals we het ook bidden in de tekst van het Weesgegroet. We moeten op dat vlak echt trouw en gehoorzaam intreden in het evangelie. ‘Gij zijt de gezegende onder de vrouwen en gezegend is de vrucht van uw lichaam’ en de Kerk voegt er de naam ‘Jezus’ aan toe. De vrucht van haar schoot is Jezus, de Zoon van de Levende God. En met Elisabeth moeten ook wij kunnen uitroepen: ‘Waaraan heb ik het te danken dat de moeder van mijn Heer naar mij toe komt’. Elisabeth heeft niet uit eigen nadenken kunnen bedenken. Het mysterie van Maria wordt haar geopenbaard door de heilige Geest. De Kerk heeft dat mysterie doorheen de eeuwen verder beleefd in haar groot respect voor Maria, de moeder van de Heer, de Moeder Gods (omdat zij, overschaduwd door de heilige Geest, Gods Zoon heeft gebaard, zoals de katholieke en Orthodoxe kerken altijd hebben geloofd en verkondigd). Samengevat wil ik zeggen dat wij ook moeten bidden om de heilige Geest, dat Hij ons het mysterie van Maria zou willen openbaren, dat wij haar zouden kunnen aanvaarden als zij door wie de Redder tot ons is gekomen en komt. Het is in onze tijd van belang dat christenen meer vervuld worden van Gods Geest om Maria zo te aanvaarden omdat zij in Gods plan de kortste, volmaaktste en gemakkelijkste weg is om tot Jezus Christus, onze Heer en Heiland te komen. Het hoofd buigen voor dat mysterie is nog altijd de beste wijze om Gods genade niet vergeefs te ontvangen. Heilige Geest openbaar ons het mysterie van Maria en vervul ons van vreugde om de vrucht van haar schoot, Jezus, onze Heiland. (Ben Van Vossel)
Jaar
C
Zondag 3 Advent Je zou verwachten dat het er in de eucharistievieringen van de Advent vrij treurig aan toe zou gaan. De Advent was immers begonnen met visioenen rond het einde van de wereld, beschreven in nogal rampzalige verschijnselen, de ondergang van het bestaande. Maar vandaag worden wij opgeroepen om blij te zijn, ons te verheugen, want “De Heer uw God, blijft bij u; Hij is bij u als een reddende held”. En er wordt zelfs gesproken over de vreugde van God zelf: “Hij verheugt zich uitermate om u, door zijn liefde maakt Hij u nieuw; Hij jubelt om u van vreugde”. Woorden uit het boek Sefanja (3,14-18a) en de tussenzang uit het boek Jesaja roept ons op tot vreugde en dankbaarheid. We horen het liever dat men ons oproept tot blij zijn, tot lachen en dansen, dan dat men over het einde van de wereld begint te spreken. Maar natuurlijk leeft in ons ook wel de idee, dat, als je naar de wereld kijkt, als je de kranten leest en de dagelijkse nieuwsberichten hoort, er eerder reden is tot een treurzang en zelfs tot angst, dan tot vreugde. Maar dat ziet de kerk anders. Het einde komt. En iets dat op zijn einde loopt, daar is altijd de treurige noot van het afscheid nemen, maar als gelovigen weten wij dat er ook iets oneindig vreugdevols in de plaats treedt. En dan begrijpen we dat zelfs die beelden over de ondergang van de wereld in feite niet zo treurig en beangstigend zijn als ze op het eerste zicht wel lijken. “Jubel van vreugde en wees blij met heel je hart. De Heer blijft bij u: nu hoeft gij geen onheil meer te vrezen”. Dat is de toekomst die Sefanja zijn volk voorspiegelt. En een christen is iemand die enerzijds volop in het heden leeft en zich volop inzet voor zijn taak in deze wereld, maar die tegelijk leeft hij vanuit de hoop op iets oneindig beters. Een wakker christen leeft hier op aarde steeds met die dubbele aandacht. Het is trouwens zo dat het uitzicht dat we hebben op de toekomst ons aanzet om op de beste wijze ons in te zetten hier op aarde. Karl Marx mag dan vanuit zijn materialistisch zich op de realiteit godsdienst dan opium voor het volk noemen, voor Johannes de Doper die aan de mensen het Blijde Nieuws kwam melden dat het Rijk van Gods voor de deur stond, was dat geen reden om de mensen tot een zalig nietsdoen aan te zetten. Integendeel: voor de mensen die zich door hem laten dopen in de Jordaan heeft hij heel concrete opgaven: Tollenaars: vraag niet mee dan is vastgesteld. Militairen: ga de mensen niet plunderen, niet afpersen, wees tevreden met jullie soldij. En tot iedereen zegt hij: als je enige overvloed hebt, dubbele kleding of zo, deel met wie niets heeft. Ook voor wat voedsel betreft! Een sterke uitnodiging in deze Adventstijd en de actie van Welzijnszorg. Vrienden. Laten wij uitzien naar Christus. Hij wil ons leven verder binnentreden als de Heer die ons vrijmaakt en ons toerust om de weg te kunnen gaan naar het echte geluk, het volle leven dat openbloeit op de eeuwigheid van Gods liefde. Dat wij ons dagelijks stellen onder de heerschappij van Christus en ons door Hem laten leiden en ons door zijn Woord laten inspireren zal ons helpen om op een positieve wijze in te werken op de wereld, de kleine wereld van onze omgeving en ook de wijde wereld. Door onze toewijding aan Christus kan zijn verlossende invloed zich verder verspreiden en invloed krijgen in de wereld. Laten wij ons vandaag verheugen om zijn nabijheid en ons vanuit zijn nabijheid ons inzetten voor onze eigen heiliging en onze dagelijkse taak in de wereld. (Ben Van Vossel)
Jaar
C
Zondag 2 Advent Baruch 5,1-9 / Ps. 126 / Filipp. 1,4-6.8-11 / Luc. 3,1-6
Advent blijft ieder jaar een genadevolle uitnodiging om ons meer bewust te worden van de richting van ons leven. Op de eerste plaats bewust worden van het doel waarheen we op weg zijn en de richting die naar dat doel leidt. In de eerste lezing klinkt dat allemaal nogal triomferend en heel verleidelijk. “Jeruzalem, leg uw kleed van rouw en ellende af en bekleed u voor altijd met Gods heerlijke schoonheid. Hij leidt zijn jubelend volk in zijn heerlijk licht; Hij zal zijn volk omgeven met zijn barmhartigheid èn met zijn gerechtigheid”. Met die paar zinnen uit het boek Baruch – een van de Oudtestamentische profeten, wil de Kerk ons een heerlijke toekomst voorspiegelen in Gods heerlijk licht, en het zal dankzij zijn barmhartige liefde zijn dat wij zullen zijn zoals we zouden moeten zijn. Dat wordt er bedoeld met de gerechtigheid waarmee wij omgeven worden: dat we zouden zijn zoals God ons gedroomd heeft. Dat was ook de bedoeling van Johannes de Doper. Hij vroeg de mensen dat ze zich zouden laten onderdompelen in de Jordaan als teken van hun innerlijk verlangen naar bekering en om zo God redding te zien. Want vrienden, dat is nu eigenlijk die samenwerking tussen God en de mensen. Het is het mysterie van onze vrije wil. Wij kunnen onszelf niet redden, wij kunnen onszelf niet zo maken dat God ons zou kunnen goedvinden. Maar, geen nood. God wil dat zelf doen. Hij heeft dat zelf gedaan doorheen het godgewijde leven van Jezus, zijn Zoon. En toch moet daar nog iets bijkomen: onze toestemming. Wij moeten ons stellen onder die herscheppende invloed van Jezus. Wij moeten erin toestemmen van bevrijd te worden, genezen te worden, gered te worden… Dit zijn niet enkel woorden. Dat gedoopt worden in de Jordaan betekende echt iets voor die mensen die zich door Johannes lieten dopen. Zij bekenden hun schuld en vroegen dat God hen genadig zou zijn. Sommigen onder ons hebben nog de volkmissies meegemaakt. Predikanten die op de parochie kwamen en de mensen de grote christelijke waarheden voorlegden en uitnodigden tot de biecht. Keer terug tt God en vernieuw uw leven. En voor de mensen die op die uitnodiging ingingen betekende dat een hele vernieuwing. God vergaf onze zonden. En wij, wij zouden hem getrouwer volgen in het leven van elke dag. In de Advent krijgen wij vooral te horen dat wij ons moeten bekeren, de weg van de Heer recht maken, aanvullen wat er tekort is, wegdoen wat er te veel is en dit alles “door de kracht van Gods woord, door de barmhartigheid van God”. Vragen wij ons vandaag af hoe ons leven verloopt. Heeft het nog de juiste richting? Wat is er teveel aanwezig, wat is er te weinig? Mag God nog altijd het hoge woord voeren? Heeft de aandacht voor de medemens nog voldoende plaats? Ben ik getuige van Gods liefde voor de mens? Welzijnszorg is een goede gelegenheid. Onze deelname aan een biechtviering kan een andere kans zijn. En gaan we af en toe eens wat praten met God en luisteren naar zijn verlangen? Bidden wij om een nieuwe gebedsgeest en om vernieuwde aandacht voor de mensen om ons heen en de mensen in nood. (Ben Van Vossel)
Jaar
C
Zondag 1 Advent Jer. 33,14-16 / Ps. 25, 4c-5b, 8-9, 10 en 14 / 1 Tes. 3,13-4,2 / Lc. 21,25-28.34-36,
In de tussenzang zingt de kerk vandaag “Tot U in de hoge richt ik mijn geest, tot U, Heer mijn God”. En dan met Psalm 25: “Wijs mij uw wegen, Heer, leer mij uw paden kennen”. Het is het eenvoudig gebed dat elk christen mag bidden op deze eerste Adventszondag, die een op het eerste gezicht schrikwekkend evangelie voorschotelt over allerlei verschijnselen die angst en radeloosheid met zich meebrengen: “De mensen zullen het besterven van schik, in spanning om wat de wereld gaat overkomen…”. Och, of het nu rustig is in de wereld ofwel heel stormachtig… het kwaad in de mensenharten bestaat, en het goede is er ook. En in alle omstandigheden wordt de gelovige mens uitgenodigd om met zijn hart bij de Heer te zijn: permanent. Daarom zegt het evangelie kernachtig: “Zorg er voor dat uw geest niet afgestompt raakt door een roes van dronkenschap en de zorgen van het leven”. Maar natuurlijk is dat gemakkelijk gezegd. De ros van de dronkenschap, tot daar toe, maar de zorgen van het leven? Zeg dat maar eens aan die duizenden mensen die bij VW-Vorst en de toeleveringsbedrijven mogelijks hun job verliezen, met alle gevolgen voor henzelf en hun gezin… Niet afgestompt raken door dronkenschap, door allerlei verslaving aan allerlei genotmiddelen en oppervlakkigheid, maar ook niet verdrinken in de zorgen van het leven. Hoe lastig ook om te begrijpen, toch blijft het een uitnodiging. Niet dat we ons nergens moeten van aantrekken, niet dat we dwaasweg moeten leven en alles maar slikken… Nee, maar de uitnodiging van deze eerste Adventszondag is gewoon om even in te treden in dat korte gebed: “Tot U in de hoge richt ik mijn geest, tot U Heer mijn God”. Het is de uitnodiging om onze geest, onze zorgen, onze plannen ook even te laten rusten aan het hart van de Heer. Even dat alles aan Hem toevertrouwen. En even verder te bidden: “Wijs mij uw wegen, Heer, leer mij uw paden kennen”. We moeten onze verantwoordelijkheid opnemen in de samenleving, onze verantwoordelijkheid voor ons eigen leven en voor ons gezin; wij mogen allerlei akties ondernemen voor meer gerechtigheid, werkzekerheid, een betere wereld. Maar wij moeten ook even komen rusten bij de Heer. En Hem vragen dat Hij ons zou kenbaar maken waar Hij vindt dat het echte geluk te vinden is, welke wegen naar het geluk voeren en welke niet… Gelovig leven betekent nog altijd dat we er op vertrouwen dat God ons naar het geluk wil voeren… En daarom willen wij ons hart, ons denken, onze Aktie, ons gezinsleven, ons beroepsleven ook confronteren, laten beïnvloeden door wat God wil. Dat betekent dus niet dat wij onze verantwoordelijkheid afschuiven op God, maar dat we ons zo verantwoordelijk willen stellen dat we ons bezigzeijn in de wereld toch ook willen toetsen aan wat Hij zegt die de Weg, de Waarheid en het Leven is. Dat
is trouwens ook de betekenis van onze aanwezigheid in deze Eucharistie. Wij
willen luisteren naar Gods woord, wij willen Christus ontmoeten in de deelname
aan de heilige maaltijd en zo, op die manier toegerust ons in de wereld begeven
van onze dagelijkse plicht en verantwoordelijkheid, in het gezin, op het werk en
in ons persoonlijk en maatschappelijk leven. Wees waakzaam opdat ge stand moogt
houden voor het aangezicht van Christus. Niet als vreesachtig mens, maar als een
mens die zijn verantwoordelijkheid ernstig opneemt en daarom met de Heer op weg
gaat door het leven. (ben van vossel)
Jaar B
Zondag 34 (Christus Koning) Dan.7,13-14
/ Ps. 93 1-2.5 / Apoc. 1,5-8 / Joh. 18,33b-37 Het feest van Christus Koning waarmee het liturgisch jaar besloten wordt kan je allerhande betekenissen en functies toeschrijven. Ik zou vandaag willen stilstaan bij dit ene aspect: onze roeping om te leven in het Rijk van Christus. We hebben onze nationaliteit meestal niet gekozen, we behoren tot deze of die natie; we werden ook binnen een bepaald volk geboren, binnen een bepaalde familie. Je leeft dus binnen een bepaald koninkrijk, binnen een bepaalde republiek of staat… Maar als we spreken over het Rijk van God, of over het koningschap van Christus. Dan klopt die vergelijking niet meer. Als gelovige weet je dat God de oorsprong en de bestemming is van alles en van onszelf in het bijzonder. Alles behoort tot zijn rijk, zou je dus kunnen zeggen. En Jezus kunnen we koning noemen omdat alle heil, alle goede toekomst voor de mens aan Hem te danken is, dat Hij de weg naar het geluk heeft open gezet en dat Hij dat geluk aan ieder mens ook verwezenlijk… Maar dan voel je plots aan dat dit niet allemaal klopt. Want Jezus mag wel de oorsprong zijn van mijn geluk, van mijn eeuwig geluk. Maar als ik Hem niet aanvaard, als ik Hem geen koning laat zijn van mijn leven, als ik Hem niet volg, Hem niet erken als koning… dan is Hij geen koning in mijn leven. Als ik mijn eigen wil doe in alles en mij niet richt naar wat Jezus leerde, als ik mijn eigen plannen heb en niet eens luister naar wat eventueel Gods plan zou kunnen zijn… Dat situeert zich mijn leven, dan situeert zich mijn hart niet in het Rijk van God. Als christenen willen we natuurlijk wel dat Jezus Koning zou zijn, dat Gods rijk zou doorbreken in de wereld… Maar we zijn niet altijd consequent. Heb ik Jezus aanvaard in mijn leven? Is Gods rijk al doorgebroken, is zijn rijk al gekomen in mijn leven? Eigenlijk moeten we dan ons leven concreet gaan bekijken om daar in waarheid op te kunnen antwoorden. “Alwie uit de waarheid is luistert naar mijn stem”, zegt Jezus in het evangelie van vandaag. Dat is in feite de kern van de zaak. Luisteren naar Jezus stem. Dat is iets heel anders dan zijn stem horen, zijn woorden lezen of horen voorlezen; het evangelie uit het hoofd kennen… Dat is allemaal al erg mooi, maar luisteren betekent in dit geval ook: gehoorzamen, zijn woorden involgen, er gehoor aan geven. En in hoever gebeurt dat? Ik moet dan al de gewoonte hebben om met de Heer op weg te gaan. Dan zal ik gemakkelijker met Hem overleggen. Waar ligt uw verlangen? Wat vind U van deze zaak? Gaat U akkoord met dit of dat plan? Wat vind U van mijn houding thuis, op het werk? Jezus Koning laten zijn, naar Hem luisteren, kan heel ons leven overhoop halen, maar in de goede zin van het woord: het kan orde scheppen in heel ons leven. Daarmee bedoel ik dit: ons leven gat maar tot harmonie komen wanneer ik Jezus in het centrum plaats laat nemen en niet ikzelf, en niet een ander, of mijn werk of mijn hobbie of dit of dat. Jezus in het centrum! En Hem dan vragen wat de plaats van alles is. En hoeveel energie ik in alles moet steken. Dus eigenlijk geef ik het bestuur van mijn leven in handen van Jezus. Het klinkt misschien wat ongewoon voor sommigen of voor velen. Maar eigenlijk is dit de enige manier op Christus Koning te vieren. Het is mooi om grote en goede gedachten te hebben met betrekking tot de samenleving, met betrekking tot het internationale reilen en zeilen van de wereld, maar die oude spreuk van de Bond zonder Naam blijft nog altijd geldig: Verander de wereld: begin met jezelf. Nemen wij vandaag de beslissing om te gaan zoeken hoe wij Jezus meer tot Koning, tot Heer van ons leven kunnen laten worden. Begin er nu mee. Vraag Hem nu wat Hij zou willen dat je doet, nu, en straks. Jezus, wees Heer van mijn leven. Sticht uw rijk in mijn hart, in mijn wil, in mijn gedachten, in mijn spreken. Jezus, wees mijn Heer! (Ben Van Vossel) Zondag
33 door het Jaar B Vrienden,
de
Kerk wil ons op het einde van het liturgisch jaar eens
aan het einde doen denken. Het
einde van alle dingen. Niet
dat zij weet hoe dat allemaal gaat verlopen. Helemaal
niet. Maar
soms is het goed van eens naar het einde, de
aankomst, het beoogde resultaat te kijken, om
beter de waarde van ons huidige bezig zijn, de
inzet van het huidige moment in te schatten. Overigens
kun je je afvragen of
het zogenaamde “einde der tijden” wel
het enige is dat belang heeft. Ook
ons eigen einde, ik bedoel onze eigen eindigheid, de
beperkte tijd dat we hier op aarde rondlopen, geeft
toch een soort van stimulans om
het huidige leven voldoende ernstig te nemen; het
kan ons stimuleren om ons wat te herpakken, of,
zoals men vroeger wel eens zei: ons
leven te bezien vanuit het licht van de eeuwigheid. Als
men vroeger zei: denk aan uw uitersten: dood,
hel, vagevuur, hemel, dan
gebeurde dat nogal eens met een soort bangmakerij. Maar
eigenlijk is het gewoon een oproep om
je leven niet te vergooien. Neem
het ernstig op, maak
er iets van dat de moeite waard is! Dat
is ook de bedoeling van het evangelie. Ik
weet het, dat klinkt wel wat moraliserend. Vraag
is of dat niet mag. Vanuit
een feitelijk einde, gaan
we ons feitelijk heden bekijken en evalueren; gaan
we besluiten trekken voor ons leven nu.
Dat
heeft dan niet enkel gevolgen voor mij persoonlijk, maar
ook voor de manier waarop
ik met medemensen omga, de
manier waarop ik mijn beperkte verantwoordelijkheid neem tegenover
de maatschappij, de wereld en
hoe ik met God op weg ga, of niet. Als
ik dan het evangelie van vandaag lees, kan
ik daar niet direct iets mee doen. Ik
weet niet eens waarover het gaat. Ik
heb de indruk dat het verschillende niveaus door elkaar haalt. Je
zou denken dat het over het einde van de wereld gaat. Maar
dan lees je weer dat het toen levende mensen het
nog gaan meemaken… Wat
wel uit het evangelie spreekt is het feit dat Jezus, de
Mensenzoon, iets
te maken heeft met het uiteindelijk woord dat
over iemands leven wordt uitgesproken. Het
gaat over zijn komen in heerlijkheid, niet
meer in de kleinheid en broosheid van een kind, of
van de lijdende en gekruisigde. En
hij zal zijn engelen uitzenden om
zijn uitverkorenen te verzamelen… Het
uiteindelijk woord over ons leven heeft
iets te maken met Jezus. Dat
zegt het evangelie van vandaag. Jezus
aanvaarden in je leven. Dat
is gaan leven met God voor ogen. Dat
is Gods verlangen trachten te doen in
je leven, je werken, je spreken, je plannen…
Jezus
aanvaarde in je leven dat
is gaan leven met respect en
positieve toegewendheid naar je medemensen, naar
het voorbeeld van Jezus, naar het voorbeeld van God. Doen
wij dat? Dan
zullen we Jezus stem vernemen als het er op aankomt. Dan
zullen wij bij Hem verzameld worden. Misschien
zullen we geen uitblinkers zijn. Maar
laten wij toch proberen Hem zo goed mogelijk te volgen. In
het leven van elke dag. In ons werkmidden. In
ons leven van jonge mens, of volwassene of senior…
We
hoeven dan niet teveel vragen te stellen zoals: Wat
gebeurt er dan met mensen en volkeren die
Jezus nooit op de goede manier hebben
leren kennen en liefhebben? God
ziet het hart van mensen. God
is vindingrijker en barmhartiger dan wij. En
zo is het goed. Laten
wijzelf van dag tot dag op weg gaan. Niet
de oppervlakkige weg van velen in
onze westerse consumptiesamenleving die
deze uitnodiging nog niet zo duidelijk hoorden. Wij
mochten zijn woord wèl duidelijk horen vandaag; laten
wij dan ons vertrouwen stellen op Hem, die
de weg naar het ware leven is. De
tussenzang met psalm 16 zei het met overtuiging: Steeds
houd ik mijn ogen gericht op de Heer, ik
val niet, want Hij staat naast mij. Daarom
ben ik vrolijk en blij van geest, daarom
kan ik rustig gaan slapen. Gij
zult mij de weg van het leven wijzen om
heel mijn vreugde te vinden bij U, bestendig
geluk aan uw zijde. Gods
woord toonde ons de weg. Laat zijn vrede wonen in uw hart. (ben
van vossel)
Zondag
32 door het Jaar B In
het evangelie van vandaag zien we naar Jezus in zijn houding tegenover een
kleine mens. Een weduwe. Dat was toen al een weinig ideale situatie. Alleen.
Zonder verdediging. En hier staat er ook nog bij dat het een ‘arme’ was. Het
is bijna een synoniem. Want in het Oude Testament lezen we nogal eens hoe
weduwen en wezen vaak slachtoffer werden van machtigen, uitbuiters, mensen die
begerig waren naar het bezit van die weerlozen… In zekere in wordt zij tot
hoofdfiguur in dit evangelie (en trouwens ook in de eerste lezing uit het boek
der koningen). Toch is het weer niet helemaal zo: Jezus blijft de hoofdpersoon.
We luisteren naar zijn woord. Laten we dat doen met grote eerbied en met open
hart, bereid om op dat woord ons leven ook af te stemmen. In
de langere lezing horen we eerst Jezus te keer gaan tegen de houding van
schriftgeleerden die zich wat meer achten dan de gewone mens en zo ook willen
behandeld worden. Ondertussen slokken ze de huizen van de weduwen op terwijl ze
anderzijds – voor de schijn – lange gebeden verrichten. Vrienden, eigenlijk
zijn wijzelf al door Gods woord van vorige zondag voorbereid om met Jezus over
die manier van doen te kunnen oordelen. Wij werden vorige zondag uitgenodigd om
van God te houden met heel ons hart, onze zien, ons verstand en al onze krachten
en van onze medemens te houden als van onszelf. Laten
we dan maar bij Jezus gaan zitten en goed toekijken en luisteren. Hij zit in de
tempel tegenover de offerkist. Kleine koperstukjes, maar dan ook handenvol zware
geldstukken van rijken. Een arme weduwe geeft twee kleine penningen, twee
piepkleine eurocentjes… Hoe durft zo zoiets nog geven! Maar
luister nu eens naar Jezus, die zoals God uit het Oude Testament ook de harten
doorziet: “Voorwaar, Ik zeg u: die arme weduwe heeft het meest geofferd van
alles; die anderen wierpen er iets in van hun overvloed maar zij offerde van
haar armoe al wat ze bezat, alles waar ze van leven moest”. Een
eerste les die we hieruit kunnen halen – en dat is een telkens weerkerende les
uit Gods woord: dat we moeten opletten met ons oordeel. God ziet het hart. En
Gods denken is wel eens anders dan het logische en vaak wat al te menselijke en
te materialistische oordeel van mensen. Er is een andere les. Wij zijn heel
functioneel ingesteld, rationeel. Wat is het nuttigst? Hoe krijgen we dit of dat
voor mekaar? Bouw je een kathedraal van Koekelberg met wat centjes van de arme
weduwe, of moet je rijke sponsors en grote legaten weten te strikken? In dit
evangelie worden de standsverschillen en de verschillen in financiële
draagkracht wat geminimaliseerd. Het evangelie speelt verder op het woord van
vorige week: God beminnen met heel je hart! Het gaat om het hart. En die arme
weduwe geeft van harte iets waar ze zich veel voor moet ontzeggen. In
onze relatie met God en zijn rijk, bijvoorbeeld het missiewerk hier ten lande of
in de vreemde, is het vooral het hart dat telt en ook wel dat we die liefdevolle
gave wat afstemmen op hetgeen we van God gekregen hebben aan geld en goed. Zoals
in elk geschenk – ook met Sinterklaas en Nieuwjaar of ter gelegenheid van een
huwelijk of jubilee – komt het vooral aan op de genegenheid, je geeft met je
hart. Tegenover God en zijn rijk mag ook hetgeen we geven in verhouding zijn met
wat we hebben. Volgens godsvrucht en vermogen, zei men vroeger. Misschien mag
dat vandaag ook nog meeklinken. Maar laat onze godsvrucht dan maar heel groot
zijn, het hart is het belangrijkste. (Ben Van Vossel) Zondag
31 door het Jaar B EN
JE NAASTE ALS UZELF! Er
zijn zo van die evangelieperikopen, waar je niet onderuit kunt, die je niet kunt
omzeilen. Zo van: dat kennen we al, dat heb ik nog gehoord, ja, ja, dat is
fundamenteel!... Maar voor de rest
ons leven onveranderd laten. Dat kan dus niet. Het allereerste gebod.
Allerbelangrijkst omdat het het allereerst moet gedaan worden. Het eerste is:
Hoor, Israël, de Heer onze God is de enige Heer. Gij zult de Heer uw God
beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel, geheel uw verstand en geheel uw
kracht… Het
eerste is – en Jezus, als Joodse mens, citeert het oude Testament: Hoor Israël…
In dit aanvangwoord ligt in feite reeds een heel stuk van dat eerste
gebod uitgedrukt. Hoor toe, luister… Waarom zou ik luisteren? Waarom zou ik
toehoren? Waarom zou ik stil worden? Waarom zou ik mijn oren sluiten voor al de
rest, voor de roerselen in mijzelf en voor de aanspraken van buiten mij en naar
het lawaai van de wereld? Juist! Omdat hier iemand aan het woord komt voor wie
alles moet stilvallen, naar wie allereerst moet opgekeken en geluisterd worden.
Hoor Israël, hoor volk van God, luister allen die enig besef hebt van de Grond
van je bestaan, van het grote Mysterie aan de oorsprong van je leven en aan jouw
uiteindelijke bestemming, God, de persoonlijke God die jou in het leven heeft
geroepen, die jou begeleidt en eens zal onthalen als jouw levensdraad ten einde
loopt, God die met ons allen op weg is tot de grote voltooiing. Hoor toe.
Luister. Word stil en luister naar dit eerste, dit allergrootste Meester-woord
dat heel je leven, dat heel jullie leven moet bepalen. Hoor,
Israël, de Heer onze God is de enige Heer. Ge zult de Heer uw God beminnen met
geheel uw hart, geheel uw ziel, geheel uw verstand en geheel uw kracht… God,
Hij is de enige Heer. Het gaat hier niet over meneer. Het gaat hier over Heer in
de betekenis van Iemand die heel je leven mag bepalen. Naar Wie je heel je leven
wil richten. Van Wie je ook totaal afhangt. En zo is er maar één. Zo mag er in
uw beleving maar één zijn! Dit
betekent eigenlijk dé grote schoonmaak in ons leven. Telkens en telkens
opnieuw. Onze God is de enige Heer. Maar
dan staat er onmiddellijk bij. Gij zult, gij moet de Heer, uw God, beminnen. Er
staat in de schrift wel iets over ‘dienen in vrees en beven’, over de vreze
des Heren’ en zo. Maar dat betekent ‘ontzag hebben voor God’. Zoals een
kind van zijn vader houdt. Dat gebeurt ook met groot respect, eerbied, ontzag.
Maar niet zo dat het een verre God blijft. In dit allereerste gebod komt Hij je
eigenlijk zeer nabij. Je moet van Hem houden. Je kan zeggen: liefhebben,
beminnen, houden van iemand, dat gebeurt toch niet op bevel… Nee, maar als je
je bewust bent van de enorme liefde van de Ander, dat je alles, maar dan ook
alles aan Hem te danken hebt, aan dat Mysterie van de persoonlijke, liefhebbende
God, dat voel je aan dat je niet anders kan dat je in de armen werpen van God,
die dé liefde is. Hou
van Hem, met heel je hart, je ziel, je verstand, al je krachten. Maar vooraf zal
wel het diepe besef nodig zijn dat Hij liefde is, dat Hij altijd al om jou en om
mij en alle mensen bezorgd was en ons gedragen heeft door heel zon en regen,
vreugde en beproevingen, grote en kleine… Hou van Hem… En
waarom voegt Jezus daar nu onverhoeds dat tweede gebod bij. Bijna terloops? Het
tweede is: Gij zult uw naaste beminnen als uzelf. De schrift geleerde had alleen
maar naar het allereerste gebod gevraagd. Als je van God houdt, zo zal Johannes
later schrijven in zijn eerste brief, dan moet je ook van Gods kinderen houden.
Het gaat niet anders. God is liefde. Wij moeten bidden dat wij van God kunnen
houden, met heel ons wezen, dat we inzien waarom dat zo is, waarom dat zo moet
zijn en niet anders kan. En we moeten vandaag ook vragen dat we zouden kunnen
intreden in de liefde die God heeft voor alle mensen. We moeten om vernieuwing
vragen van onze liefde voor onze meest nabije naasten, en ook voor deze die ons
minder goed liggen, de mensen die we nu nog als wat bedreigend ervaren, en voor
de gekwetsten, de armen in onze steden en over de wereld, en de eenzamen,
bejaarden en zieken, gehandicapten, gekwetsten, uitgebuiten… Het zou wel eens
kunnen zijn dat die allemaal heel erg nauw aan Gods hart gekoesterd worden. Het
zou niet wijs zijn van hen opzij te laten liggen die God aan zijn hart drukt.
(Ben Van Vossel)
Zondag
30 door het Jaar B Mc.
10,46-52 Blind…
Leven in het duister... Het gelaat van je geliefden niet zien, van de mensen die
je ontmoet. Natuurlijk, een mens tracht zich te behelpen. De handicap zoveel
mogelijk op te vullen op vele manieren… Toch blijft het verlangen om echt te
zien. De kleuren. De zon en de maan. De bomen. De mensen… En daarom roept de
zoon van Timeüs luidkeels: “Jezus, Zoon van David – dat is zowat hetzelfde
als Messias – ontferm U over mij. Over mij!” Ja,
hij was blind. En Jezus zal hem genezen. Maar doorheen dit gebeuren van Jezus
als wonderdoener, als genezer, wil het evangelie ons iets meer vertellen. Meer
dan een genezingsverhaal van een lichamelijke ziekte. Er
zijn veel soorten blindheid. Je kan ook blind zijn voor de liefde van iemand. Je
kan lbind zijn voor de mensen om je heen, de nood van mensen, hun eenzaamheid…
Je kan in een donkere tunnel zitten, psychisch zwaar beproefd worden, of
sociaal. Geen uitweg meer zien. Je kan ook in een geestelijk duister leven.
Wanneer je je geloof in God zo ongeveer kwijt bent. Wanneer je meent dat alles
met de dood gedaan is. Wanneer je meent dat er enkel maar de zichtbare wereld
is, een wereld zonder God, een wereld met alleen maar mensen, zondige mensen,
mensen die onder de maat blijven, mensen die niet beantwoorden aan wat ze diep
in hun hart toch als uitnodiging ervaren… En
dan herinner je je Jezus. Of je hoort van Jezus. Of je ontmoet mensen voor wie
Hij echt de Levende is, mensen die getuigen van de kracht en de zegeningen die
ze van Hem ontvangen, vanuit het geloof in Hem… En
dan kan je je getrokken voelen, innerlijk om ook op Hem te roepen, om te knielen
en te smeken: “Jezus, redder, ontferm U over mij”.
Misschien hoor je in je geest de mensen ook zeggen: maar zwijg toch, wat
roep je op iemand die reeds lang dood is, hoe zou Hij je kunnen helpen. Maar
iets in je hart zegt je om verder te roepen of stil te fluisteren: “Jezus,
redder, ontferm U over mij”. Dit moet je volhouden. Daar moet je mee doorgaan.
Roepen op Jezus, hard of heel stil: “Jezus, redder, ontferm U over mij”. En
dan komt er dat moment waarop Hij jou zegt: “Ga, je geloof heeft je
genezen”. Je zal kunnen zien. Er zal licht gekomen zijn, nieuw licht, nieuwe
vrede, nieuwe vreugde. Getemperd of helder. En van jou en van mij wordt dan
verwacht dat we dan niet dwaasweg onze weg vervolgen, maar ons bij Jezus
aansluiten. Opdat we nooit meer alleen zouden zijn op onze weg door het leven.
(Ben Van Vossel) Zondag
29 door het Jaar B Jesaja 53,10-11 / Psalm 33,4-5.18-19.20 en 22 / Hebr. 4, 14-16 / Marc. 10, 35-45 of 42-45 De kerkgemeenschap viert Missiezondag. Missie, zending, het gezonden zijn om over heel de wereld het Blijde Nieuws te brengen in woord en daad is de eerste opdracht van de Kerk, daarvoor is ze er eigenlijk. Anderzijds zijn de lezingen van deze 29ste zondag door het jaar nogal sterk gericht op lijden, offer, leven in totale dienstbaarheid… Jezus zegt in het evangelie dat hij zal moeten gedoopt worden, en Hij bedoeld, gedoopt worden in zijn eigen bloed. En aan twee jonge apostelen zegt Hij dat het voor hen ook de weg zal worden om in zijn heerlijkheid te komen. Het lijden wordt hen voorgespiegeld als een toegangsdeur. In feite brengt het radicaal volgen van Jezus, een leven volgens zijn woord en zijn voorbeeld, ook heel wat vervolging met zich mee. Mensen nemen het niet dat iemand al het aardse en het aardse bezig zijn wat relativeert, het onbeperkt opgaan in werk en materiële welvaart… En dat men zich niet enkel laat leiden door wat ‘de mensen’ goed en verkeerd vinden, maar daar bovenop ook nog wil rekening houden met wat men aanvoelt als Gods verlangen. Je krijgt dan weerstand, vroeg of laat, van links of van rechts. Dat is het kruis van ieder christen die echt christen tracht te zijn. We zijn dus gewaarschuwd en we moeten dan zo verstandig zijn, niet om ons stil te houden of ons helemaal af te stemmen op de wereld, maar om een sterke relatie op te bouwen met Christus die ons op die weg is voorgegaan. Wij moeten vaak met Hem spreken, Hem vaak ontmoeten in de Eucharistie, zijn woord bewaren in ons hart en het vaak overwegen zoals Maria. Een radicaal christelijk leven is ook een getuigend leven. Jezus zei ooit: Gij zijt het licht van de wereld. Een stad die boven op een berg ligt, kan niet verborgen blijven. En men steekt ook geen kaars aan om ze onder een omgekeerde blikken doos te steken, maar men zet ze op een kandelaar opdat ze licht zou geven aan de huisgenoten. Een kaars op een kandelaar om ons huis te verlichten, we kennen het nog nauwelijks, tenzij wanneer de elektriciteit eens uitvalt bij een algemene stroompanne. Maar wat Jezus bedoelt, verstaan we heel goed. Wij moeten van ons geloof getuigen. Ik weet het. Het klinkt niet modern. Maar Jezus wil dat alle mensen minstens een horen dat God van hen houdt. En dat Hij in Jezus de weg naar het echte en blijvende geluk heeft aangewezen. Of men dat wil aannemen, is niet onze zaak. Maar wij moeten het wel zeggen. En tonen door ons eigen leven. Wij kunnen dat wat doen tegenover de mensen die wij ontmoeten. En af en toe mogen wij eens getuigen voor wat meer mensen. Maar het zijn de missionarissen die, voor een bepaalde periode of levenslang naar elders trekken of hier in onze streken rondtrekken om overal dat blijde Nieuws te verkondigen. Wij moeten vandaag de Heer bidden dat Hij mensen blijft zenden om die taak te vervullen. Dat Hij hen zou zegenen met kracht, met wijsheid en met liefde. Er zijn vandaag in de ontwikkelingslanden nog veel missionarissen nodig, uitheemse en inheemse. Zij hebben nood aan onze sympathie en ook aan onze geldelijke steun. Daarom is er vandaag ook een omhaling voor het missioneringswerk. Wij mogen gerust weten dat vandaag er niet enkel ontwikkelingshelpers zijn die prachtig werk verrichten, maar dat er ook jonge mensen zijn die zich voor korte of langere tijd voorbereid hebben en zich inzetten voor het verkondigingswerk hier bij ons, in de Oostbloklanden, in ontwikkelingslanden. Laten wij ook voor hen aandacht hebben en ook hen steunen wanneer wij met en hun werk in contact komen. Zij doen prachtig werk, laten wij een deel van hun zorgen op ons nemen opdat zij, van die materiële zorgen bevrijd, zich voluit kunnen geven aan hun verkondigingstaak. (Ben Van Vossel)
Zondag
28 door het Jaar B Wijsh. 7,7-11 / Hebr. 4,12-13 / Mc. 10,17-30 of 17-27 Ik woonde deze week een uitvaartdienst bij (een bepaalde spitstheologie spreekt tegenwoordig van 'invaart' in plaats van 'uitvaart'; voor mij niet gelaten). Zo’n uit- of invaartdienst dompelt je soms wel onder in allerlei beschouwingen rond de zin, de betekenis van het leven en van veel zaken waar wij, mensen, ons in het leven druk over maken. Wellicht moeten wij ons over een en ander druk maken, tenslotte zijn we hier toch om “iets” te doen. Maar toch, zo’n dienst legt je leven toch wat onder de röntgenstralen, onder de scan van Gods woord. En dan ga je een deel dingen wat relativeren. Althans voor de duur van die dienst. En ook nog wel een beetje daarna. Tijdens de koffietafel, bijvoorbeeld. Ik heb hard gewerkt, hoor je dan zeggen. Ik ben dan in brugpensioen gegaan om toch nog een beetje te kunnen profiteren van het leven. Och, waarom niet. Ja, hoor je dan ook zeggen, de overledene heeft niet lang kunnen profiteren van zijn pensioen… Men moet dat dan spijtig vinden. Maar is het dat ook? Is het leven mislukt als je niet zo lang hebt kunnen genieten van een soort opgebouwde welvaart? Wanneer is je leven mislukt? Wanneer is je leven waardevol? Wat is echt waardevol in het leven. In het Woord van god van deze zondag worden we toch ook wat wegwijs gemaakt in deze problematiek. We worden op weg gezet om de juiste keuzen te maken, om te onderscheiden wat echt waardevol is en wat er desnoods bij mag komen, maar wat niet echt zo noodzakelijk voor een zogenaamd gelukt bestaan. In de eerste lezing horen wij iemand verkondigen dat voor hem of voor haar materiële welstand toch niet mag gesteld worden boven de echte wijsheid, wijsheid die ook inziet dat je in je leven echt rekening moet houden met God en zijn verlangen. Dat geeft de diepe vreugde in het bestaan. Maar wijsheid, weten wat belangrijk is, is wellicht niet het hoogst belangrijke. Jezus daagt iemand uit om naast een goed leven ook nog eens te overwegen dat God aanvaarden als Heer van je leven, ook meebrengt dat men een radicaal vertrouwen schenkt aan God. Gewoon doen wat God vraagt, gewoon gaan waar God je hebben wil. Als een kind God helemaal vertrouwen. Dit gaat in tegen onze ingesteldheid om alle mogelijke zekerheid in te bouwen in ons leven. Zorgen voor voldoende geld, zorgen voor voldoende vrienden, ervoor zorgen dat de kinderen geen zorgen zullen hebben, zorgen voor een schone oude dag, sommigen zorgen zelfs voor hun eigen grafzerk enz… Och, het is allemaal zo begrijpelijk, zo menselijk. Maar Jezus vraagt dat er daardoorheen toch een rode draad zou lopen van vertrouwen op God. Je werkt, je draagt zorg, je tracht in heelwat te voorzien… maar kijk ook vooral op naar God en weet dat je in zijn liefde geborgen bent. Weet dat Hij uiteindelijk voor jou zal zorgen, wanneer jijzelf alles uit handen zult geven. En in dat woord van Jezus ligt ook de uitnodiging reeds in besloten: tracht nu ook al een en ander uit handen te geven. Durf nu al op God te vertrouwen. Durf nu al wat uit te delen, mee te delen met je broers en zussen, de armen van deze wereld. Je hoeft jezelf geen tekort te doen. Maar kijk eens op naar God die in Jezus zijn hele hart gegeven heeft; Kijk eens op naar Jezus die zichzelf niet geteld heeft. En probeer eens wat op Hem te gelijken. Probeer wat op weg te gaan in het delen en in het vertrouwen op God. Wedden dat nieuwe vreugde en vrede geboren worden in je hart! Tekenen van Gods Rijk dat wat meer plaats kreeg. (bvv) 8 okt. 2006 Trouw
in het huwelijk We zijn zo vertrouwd geraakt met echtscheidingen, niet enkel met de echtscheidingen bij filmsterren en politiekers, maar ook in de gewone samenleving. Het gebeurt in onze eigen omgeving, in onze families, bij onze vrienden, zelfs bij mensen die wij als goede christenen beschouwden. Zo begint zich stilaan in onze eigen geest de gedachte of het aanvoelen te ontwikkelen: och, misschien is het allemaal zo erg niet, of: ja, als het echt niet meer gaat tussen twee mensen, is het misschien het best voor henzelf en hun kinderen dat ze maar uiteen gaan… In het evangelie is de situatie en ook de vraag die aan Jezus gesteld wordt wel een beetje anders: Staat het een man vrij zijn vrouw te verstoten? Dat kan je natuurlijk erg egoïstisch verstaan Als en man zijn vrouw beu is, mag hij haar dan verstoten? Op die manier gesteld, zou het antwoord van Jezus wel wat anders geweest zijn en een oproep om te veranderen van ingesteldheid. Maar, hoe de vraag ook bedoeld mag zijn: Jezus geeft het fundament aan van de huwelijkstrouw: God heeft deze twee gemaakt. Als ze zich met elkaar verbinden in het huwelijk, worden zij één, en deze verbintenis gebeurt onder Gods oog en wat God zo verbonden heeft mag een mens niet scheiden. Zou God ondertussen van gedacht veranderd zijn? Gaat hij vandaag de dag wat meer rekening houden met moeilijker omstandigheden, met het psychologisch klimaat van onze samenleving waarin bijna de helft van de huwelijken op een scheiding uitloopt? Trouwens, gebeurt het niet vaker dat mensen eerst gaan samenwonen en pas daarna trouwen of zelfs helemaal niet trouwen? Zou God zelf nog goed weten wat de juiste houding daartegenover is? We moeten het evangelie natuurlijk als geheel beschouwen. Dit stukje evangelie staat niet los van de rest. In de rest van het evangelie lezen wij bijvoorbeeld over het niet oordelen en veroordelen van mensen en dat het oordeel bij God ligt. Dat maakt de zaak voor ons al wat gemakkelijker. God gaat zijn weg met concrete personen… Maar alle beschouwingen die we hierbij ook maken, stelt het evangelie van vandaag toch niet buiten werking. Jezus geeft hier wel degelijk de bedoeling van God met het huwelijk. En een fundamenteel gegeven in die huwelijksrelatie is de trouw. Mensen die zo nauw, tot in hun lichaam, met elkaar verbonden worden, die mogen elkaar niet zomaar in de steek laten. Zeker niet omwille van futiliteiten. Ook niet omdat men een beetje uitgekeken geraakt op de ander. Op dat ogenblik wordt duidelijk wat men de laatste jaren zo sterk reeds benadrukt heeft, dat huwen een werkwoord is. Dat je aan je huwelijk moet werken. Dat je creatief moet zijn om je relatie te verzorgen, op te frissen, te beschermen, te voeden… In die zin is dit evangelie zo belangrijk. Het zegt niet, zoals velen in deze tijd zeggen: Gaat het niet goed meer met elkaar, zoek dan een andere relatie. Het evangelie neemt het huwelijk au sérieux. Weest elkaar trouw. Hoe je die trouw gaat toepassen is dan onze opdracht. Je gaat eraan werken. Je gaat met elkaar praten. Je gaat niet ieder je eigen weg. Je geeft elkaar wat ruimte, maar je gaat niet van elkaar weggroeien. Je laat je relatie niet in het gedrang brengen door een oppervlakkige nieuwe liefde, maar je herpakt je onmiddellijk. Je zoekt het positieve in elkaar, ook al ken je elkaar misschien al heel lang. Je bidt voor elkaar. Je bidt voor je huwelijk. Je vraagt God – die zich samen met jullie voor deze relatie heeft borg gesteld – opdat Hij jullie zou helpen. Je bidt om vernieuwd te worden in je engagement van echtgenoot of echtgenote, van vader of moeder… Misschien is het stukje evangelie dat op het einde nog aangeplakt wordt een bijkomende motivatie om de huwelijkstrouw ernstig op te nemen. Het gaat over Jezus’ liefde voor de kinderen. Misschien dat de oprechte bezorgdheid voor de kinderen sommige vaders of moeder ook kan helpen op bepaalde momenten om elkaar toch trouw te zijn, uit zorg voor hun kinderen. Maar fundamenteel blijft het de roeping om met Gods hulp op een eerlijke en gemeende manier te bouwen aan die band, waarmee God jullie aan elkaar heeft gebonden. In afgeleide betekenis kan de oproep tot trouw ook gelden voor ieder van ons, gehuwd of ongehuwd, die zich vanuit een roeping hebben ingezet om God te dienen in een of andere roeping of dienst aan mensen. (bvv) 1 okt. 2006 Aandacht
voor In het evangelie van vandaag staan een aantal uitspraken van Jezus bij elkaar, zeer zwaarwegende uitspraken, maar die niet echt over hetzelfde gaan. Als de apostel Johannes aan Jezus zegt “Meester, er was iemand in uw naam duivels aan het uitdrijven, iemand die ons niet volgt, en wij hebben hem dat natuurlijk trachten te beletten, omdat hij geen volgeling van ons was…” Eerlijk gezegd, Johannes heeft het hier toch wat hoog in zijn bol. “Iemand die ons niet volgt, zegt Hij”. “Ons”? Johannes stelt het hier bijna zo voor dat men niet zomaar Jezus volgt, maar hun hele groep. Hij haalt zich toch wat in zijn hoofd. En Hij vind dus dat iemand die niet tot hun groep behoort, ook niet in Jezus’ Naam heil mag brengen aan mensen. Belet het die mens toch niet, zegt Jezus, iemand die een wonder doet in mijn naam, zal niet gemakkelijk kwaad gaan spreken over Mij. En Jezus stelt zich dan een beetje op het nivo van Johannes: Wie niet tegen ons is, is voor ons. Afgezien van dat stukje pretentie van Johannes, is er die oproep tot verdraagzaamheid. Zie naar de goede bedoelingen van de mensen; misschien menen ze het nog zo slecht niet. Dit is nog geen uitnodiging om alles maar goed te vinden, maar toch om niet te scherp en onverdraagzaam te zijn in onze beoordeling van anderen. In een tweede stukje heeft Jezus het over zijn eenvoudige volgelingen. Als iemand hen helpt omdat ze volgeling van Jezus zijn, zullen zij ervoor beloond worden. Maar als iemand een eenvoudig gelovige ergernis geeft, aanleiding tot zonde geeft, zo iemand zal zwaar gestraft worden. Jezus spreekt hier als een profeet zeer sterke taal. Tenslotte heeft Jezus het nog over het radicaal kiezen om in Gods verlangen te staan. Je moet niet schipperen. Iets wat u aanleiding tot zonde geeft, tot opstand tegen God, tot ingaan tegen Gods verlangen, maak dan een radicale keuze, want God kan zijn rijk maar stichten in uw hart, als je Hem ook koning laat zijn in al je doen en laten. Je kiest voor God of je laat Gods verlangen opzij liggen; dat is in feite niet intreden in het Rijk waar God Koning is. Een van die terreinen waarop wij de keuze moeten maken is de naastenliefde: (2de lezing, uit de brief van Jocobus 5,1-6) vooral de aandacht, de werkdadige aandacht voor de geringsten, de armen, de mensen die zich niet kunnen verdedigen, de mensen uit de ontwikkelingslanden… Wat hebben wij daar mee te maken? Wij hebben het toch zelf druk genoeg om onze eigen zaken te behartigen! Het levensonderhoud en een beetje luxe voor ons zelf en ons gezin, dat vraagt al genoeg energie… Bovendien, hoe weet je of je geld wel echt bij die mensen terecht komt die het echt nodig hebben? Deze opwerpingen zijn van alle tijden, zolang er beroep werd gedaan op mensen die iets bezaten… We moeten met wijsheid tewerk gaan in het helpen van armen, maar ook vanuit onze roeping om op God te gelijken, die voor ons alles heeft gegeven, alles heeft gedaan. Wij moeten onszelf en ons gezin niet tekort doen. Wij moeten niet dwaas-ga-weg aan allerlei organisaties geven. Maar schatten verzamelen, van alles en nog wat profiteren zonder ook te delen met anderen die het meer nodig hebben dan wij… dat gedrag wordt door Gods woord veroordeeld. Laten wij ons in deze Eucharistie aanspreken door het voorbeeld van Jezus, die zich helemaal gegeven heeft voor ons geluk. En laten wij ons tussendoor aanspreken door zijn uitnodiging tot verdraagzaamheid en tot waardering voor het goede van mensen, zelfs als ze niet tot onze groep behoren. (bvv) 24 sept. 2006 Vervolging van de Gerechtige Jaar B Zondag 25 (24/09/2006) Wijsheid 2,12.17-20 / Psalm54 3-4, 5, 6 en 8 / Jak. 3,16-4,3 / Marc. 9,30-37 Mensen worden vervolgd, mensen worden bedreigd, mishandeld en gedood tot in deze tijd en zelfs in onze landen. We zien het natuurlijk in alle vreselijkheid gebeuren in landen zoals Irak. We kunnen ons afvragen “omwille van welke motieven” dit gebeurt ,wat men daar eigenlijk door wil bereiken? In het evangelie wijst Jezus op één bepaalde geestesgesteldheid die tot erge dingen kan leiden, en die bij zijn vrienden tot een heftige woordenwisseling had geleid. Zij hadden het gehad over de vraag wie van hen de grootste, de belangrijkste was… In de tweede lezing, uit de brief van Jacobus wordt ook de na-ijver en de eerzucht vernoemd. Dat heeft volgens Jacobus niets te maken met de wijsheid van omhoog, die rein is, vredelievend, vriendelijk, altijd voor rede vatbaar, onpartijdig en oprecht… Gerechtigheid is een vrucht van de vrede en slechts wie de vrede nastreven vinden Gods welbehagen, be antwoorden aan Gods verlangen. Helemaal daarmee in tegenspraak, zo zegt Jacobus, zijn de hartstochten die ons niet met rust laten en die ons dingen doet begeren die we niet kunnen krijgen, en dan gaan we vechten en strijden… In de eerste lezing, uit het Boek Wijsheid, klinkt het nog anders. Daar zien we hoe men een vroom mens gaat belagen, gewoon omdat zijn deugdzaam leven, zijn trouw aan Gods verlangen, een aanklacht is tegen onze lauwheid. Hij verwijt ons onze tuchteloosheid, dat we ons niet houden aan wat God wil. We zullen hem eens het vuur aan de schenen leggen, hem tot een schandelijke dood veroordelen, en we zullen dan eens zien of God hem wel te hulp komt. Hij zegt immers dat hij bijzondere bescherming geniet… Als christenen zien we deze woorden uit het oude Wijsheidsboek, gerealiseerd in het leven van Jezus. Maar we kunnen ons afvragen of er ook op onze dagen geen mensen bedreigd worden, gewoon omdat ze deugdzaam leven. Omdat ze niet willen meedoen met wat een slecht gezelschap soms eist, of waartoe vrienden, zogenaamde vrienden, hen toe aanzetten of uitdagen… Durf jij dat niet? Ben jij nog groen achter je oren? Je bent toch geen seut zeker, geen kwezel? Loop jij nog naar de kerk? Geloof jij nog in God? Allee zeg! En als je dan toch je eigen weg gaat, de weg waarvan je aanvoelt dat het de goede weg is, de weg die God verlangt, durft men je ook belachelijk maken, je uitstoten en zelfs je bedreigen… Niet plezierig. Maar je bevindt je dan wel in goed gezelschap, ik bedoel, dit alles is ook Jezus overkomen. Hij had het zelfs voorzien. Hij voorspelde zijn verwerping en overlevering en zijn gewelddadige dood aan zijn vrienden, toen hij bezig was hen afzonderlijk te onderrichten. Wij weten ook dat, als we consequent christen zijn, we naast een diepe vrede, ook met moeilijkheden kunnen te maken krijgen. Helemaal zoals Jezus. Het pijnlijke van de zaak, in het geval van Jezus, is dat zijn vrienden blijkbaar niet erg diep zijn ingegaan op zijn woorden. Want even later, terwijl ze op weg zijn naar zijn huis in Kafarnaüm, zijn ze aan het twisten wie van het de voornaamste is, de man die zeker niet kan gemist worden. Ze zijn hun verkiezingspropaganda aan het voeren, niet de propaganda voor hun groep, maar ieder voor zijn eigen rekening. Vrienden, het is voor ons van belang dat we vaak naar Jezus opkijken; wij moeten beter luisteren naar zijn woorden dan de leerlingen op dat ogenblik. En door op te kijkken naar Jezus gaan we ook stilaan de ondeugden die tot agressief gedragen leiden en tot onenigheid, vermijden. Door hen contact met Jezus’ woord, door de ontmoeting met Hem in het gebed en in deze Eucharistie, gaan de heilige geest ons meer en meer vormen naar Jezus gezindheid. Vragen we dat nadrukkelijk in deze viering, voor onszelf en voor elkaar. (ben van vossel)
17 sept. 2006 De
les van lijden en dood Jesaja50,5-9a / Psalm 116 / Jakobus 2, 14-18 / Marcus 8, 27-35) 24ste zondag door het jaar. Vorige donderdag 14 september hebben we het feest van de Kruisverheffing gevierd. Jezus, de Gekruisigde, die door zijn trouw aan Gods zending tot in de dood, verheven is en daar de mensheid heeft opgediept als het ware uit het verwijderd zijn van God, uit de onmacht om in Gods gratie te staan. Door zijn gehoorzaamheid tot de dood, heeft Hij ons bekwaam gemaakt om in Gods gratie te staan, om te kunnen beantwoorden aan Gods verlangen. Vorige vrijdag dan, vierden we Maria als de Moeder van smarten. Zij heeft de pijn en het lijden, zij heeft de verwerping van haar zoon, Jezus, meegemaakt, mee gedragen. Zij heeft met Hem geleden en naar het wat geheimzinnig woord van Paulus, aangevuld wat ontbrak aan het lijden van de Christus. Lijden, pijn, ziekte… het is deel van ons menszijn. We proberen het zoveel mogelijk uit te schakelen. We zien trouwens in het evangelie hoe Jezus, als begiftigd met speciale gaven van genezing, zeer veel mensen geneest, van dorp tot dorp. Het maakte deel uit van zijn zending om heil te brengen aan de mensen. Naast zijn zending om mensen tot het licht te voeren door zijn prediking, door mensen God te doen kennen als een goede Vader, als een barmhartige God, als een God die iedereen uitnodigt tot het heil… Maar Jezus heeft niet alle mensen genezen die er toen in Palestina en Libanon waren… Het waren eigenlijk maar tekenen van wat God eigenlijk aan de mens wil doen: Hem het geluk schenken naar lichaam en ziel en geest, de hele mens roepen tot het volle heil. Maar het lijden staat in ons leven. En de pijn. Goed, wij proberen het zoveel mogelijk uit te schakelen, te verzachten. En dat is goed. Maar er zijn zoveel soorten lijden en pijn. Ook innerlijk. Er is de angst, er zijn de zorgen, de tegenslagen, de handicaps die op mensen wegen, de psychische beproevingen, de beproevingen in je kinderen of vrienden, in je gezin… Onvervulde wensen en dromen, niet gewaardeerd worden op je werk, afdanking, financiële strop… Niemand van ons zal normaal het lijden zoeken. We ontvluchten het, we trachten het uit te schakelen. Sommigen schakelen zelfs de mens uit om het lijden uit te schakelen… Ergens doet Jezus een opvallende uitspraak, waar Hij zijn lijden voorspelt. Hij zegt: “Als de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft Hij alleen”. Dit is een grondhouding die wij moeten proberen te doorgronden. Zelfs terwijl wij het lijden trachten te bestrijden, de pijn te verminderen, proberen uit moeilijkheden te komen en tegenslagen te boven te komen… Het lijden dat ons overkwam, de ziekte, de pijn… heeft ons ervan bewust gemaakt dat we breekbare mensen zijn, eigenlijk heel kleine wezens, zo kwetsbaar, zo gemakkelijk uit hun evenwicht, zo beperkt ook. Er is zo weinig nodig om ons zelfs definitief te doen verdwijnen. Elke dag gebeuren er verkeersongevallen met dodelijke afloop, elke dag zijn er mensen die overlijden op een leeftijd die ons doet zeggen: ‘en nog zo jong’. Het lijden, de beperktheid van ons bestaan, maakt ons ervan bewust dat we niet voor ons eigen leven kunnen instaan. We kunnen de houding aannemen van een agnosticus en zeggen: och, met de dood is alles gedaan. Of we kunnen als gelovige reageren: al die begrensdheid doet me ervan bewust zijn dat ik uiteindelijk enkel op God kan rekenen, ik wil me elke dag opnieuw toevertrouwen aan God. Mijn begrensdheid die ik vooral in lijden en pijn en in het sterven moet ervaren brengt mij ertoe om mij bewust in de armen van God te werpen. “Vader, in uw handen beveel ik mijn geest, aan U vertrouw ik mij toe”. Dàt is de christelijke houding, de houding van elk gelovig mens en die vormen de grote meerderheid van de mensheid. Enkel in ons rijke Westen zijn de geesten wat verduisterd, zodat men het bewustzijn is kwijt geraakt dat men geroepen is tot God, de Grond van ons bestaan en van wie Johannes zegt: God is Liefde. Door onze overgave aan God ook midden de zwakheid van lijden en pijn en ziekte en sterven wordt ons leven een vruchtbaar leven, een gezegend leven. Wij gaan dan ook op de goede dagen weten dat ook al dat goede eens een einde kent, en enkel de liefde zal standhouden voor het aangezicht van God, die liefde is. Zo wordt het lijden en de dood, de toegang tot nieuw leven, tot eeuwig leven, tot leven in en vanuit God. Jezus heeft overwonnen doorheen het kruis. Zijn leven is vruchtbaar geworden voor allen. Bij zijn kruis stond zijn Moeder en de leerling die Hij liefhad. Bij het kruis hoeven we niet op de vlucht te slaan. Bij het kruis leren we Gods liefde tot het uiterste kennen en de verzekering van Gods trouw ook over de dood heen. (ben van vossel) 10 sept. 2006 Hij laat doven horen en stommen spreken
- Je hebt de mensen van het Oude Verbond. Een van de boeken van het Oude Testament die bij Joodse mensen van toen zeer geliefd was, was het boek Jesaja. Daarin werd vaak gezegd dat God zijn volk zou komen verlossen, dat de Messias zou komen, de gezondene van God. Hij zou alles nieuw maken. De aarde die dor was geworden, de samenleving die op niet veel trok, de verdrukking van het volk van God… Zo’n blij nieuws was welgekomen. Want een heel aantal mensen had de moed verloren. Het ging de verkeerde kant uit met de wereld en de samenleving. Daarom klonk het woord van Jesaja zo troostvol en hoopvol: Zeg tot allen die de moed verloren hebben: Vat moed en vreest niet. Uw God komt het kwaad bestraffen en Hij komt zijn volk redden. De blinden zullen weer zien, de doven horen, de lamme springt op, de stomme kan weer spreken. En ook de natuur zal herleven… - En later had je dan die Joodse mensen die Jezus aan het werk zagen, en die Hem hoorden spreken, die getuige waren van de genezingen die Hij verrichtte. Eigenlijk hadden die Joodse mensen daar ook moeten aan terugdenken. Aan die beloften van het Oude Testament, uit dat oude boek Jesaja. Soms trof het hun ook echt, zoals we op het einde van dit evangelie hoorden: “Buiten zichzelf van verbazing riepen zij uit: ‘Hij heeft alles wel gedaan, Hij laat doven horen en stommen spreken’” Je krijgt zelfs de indruk dat aanvankelijk velen zozeer getroffen waren dat ze Jezus ook achterna liepen, in Hem gingen geloven. Maar toch was bij velen dat geloof niet bestand tegen de beproevingen die Jezus zou moeten ondergaan: zijn lijden en zijn kruisdood werden een struikelblok voor hun geloof. Toen lieten ze Hem vallen. De Messias van God kon zoiets toch niet overkomen, zeker! Ze hadden het boek Jesaja niet tot het einde gelezen, waar sprake is over de “Lijdende Dienaar van God”. - En na Jezus’ dood en verrijzenis wordt over Hem gesproken door de apostelen. De eerste christenen die hen hoorden verkondigen hoe Jezus doofstommen had genezen, die legden ook het verband met het Oude Testament. Dat was immers hun bijbel, die kenden ze door en door; die hoorden ze voorlezen en verkondigen elke sabbat in hun synagogen… Welnu, als de Joodse mensen dan hoorden hoe Jezus te werk was gegaan, wat Hij bewerkt had… dan voelden ze in hun hart aan dat die oude beloften in vervulling waren gegaan, door Jezus. En ze namen Hem aan als de Messias, als de Redder die door God was gezonden… - En nu horen wij dat voorlezen, een 4de groep toehoorders. Die doofstomme die door mensen bij Jezus wordt gebracht met de vraag dat Hij hem de hand zou opleggen. Jezus raakt zijn oren en zijn tong aan hen genas Hem. Wat kan dat voor ons betekenen dit verhaal, dit gebeuren? Krijgen wij nog tekenen, mirakelen, wonderbare genezingen, speciale gebeurtenissen die ons kunnen helpen om in Jezus te gaan geloven? Ik weet wel, er is Lourdes waar veel mensen met nieuwe moed van terugkeren, en af en toe is er spraak over een onverklaarbare genezing. Maar ik denk dat we eens naar ons eigen leven moeten kijken. Eens moeten opletten hoe God daar soms ook zijn woordje komt meespreken, hoe Hij zich soms laat kennen, hoe Hij ons soms onverwacht nieuwe moed inspreekt, hoe ons hart soms een woord mag vernemen dat ons nieuw licht geeft, nieuwe kracht, en hoe wij soms zelf al eens een woord mogen spreken dat anderen echt opbouwt, een woord waarvan we zelf weten: dat heb ik in feite zelf gekregen… We moeten leren zien hoe God zich ook vandaag nog toont als de Levende, als degene die mensen redt en uitzicht geeft. Wij moeten die woorden en tekenen waarin God zich laat kennen, leren onthouden, ze in ons hart bewaren zoals Maria dat deed, ze overwegen zodat ze ons in moeilijke omstandigheden steun geven, en moed, en hoop… Vrienden, vragen wij aan Gods heilige Geest dat Hij ons zou helpen om Gods wonderbaar en ook wel heel nederig bezigzijn in de wereld en in ons leven op te merken en te ervaren als het optreden van de God die ons geluk wil, ons geluk bewerkt en die ons uitnodigt om het geluk ook en vooral te zoeken bij Hem die mensen nieuw maakt en in het dorstige land van onze samenleving nieuwe waterbronnen doet ontspringen. (ben van vossel) 3 sept. 2006 Gods wet in jouw hart beleven Deut.
4, 1-2. 6-8 / Ps.15, 2-3a, 3c-4ab, 4c-5 Van Godswege geeft Mozes aan het volk de voorschriften die hen zullen leiden naar heelheid, naar een leven en samenleven dat een openbloeien betekent van hun bestaan als God toegewijd volk. Andere volken zullen naar die voorschriften bewonderen opkijken en naar de bijna zichtbare manier waarop God zijn volk zegent. Als mensen trachten te leven volgens Gods verlangen, zo zegt dan de tussenzang, zullen ze mogen rusten aan het hart van God, zullen ze weten dat ze niet alleen staan in het leven; hun leven zal echt richting hebben. Zo klinkt het in de eerste lezing van vandaag uit Deuteronomium 4. In het evangelie horen we echter hoe de wet van God, de wegwijzers naar het leven en het heil, door mensen verduisterd werden; er werden zeer veel andere zaken aan toegevoegd, allerlei hygiënische voorschriften, veel menselijke gedragsregels werden alle binnengehaald in een zogezegde ‘wet van God’. Het werd voor gewone mensen bijna onmogelijk om nog bij God op een goed blaadje te komen. In feite werd voor de gewone mens de weg naar God bijna afgesloten door al die menselijke voorschriftjes, die zij onmogelijk konden nakomen. “Waarom gedragen uw leerlingen zich niet volgens de overlevering van de voorvaderen, maar eten zij met onreine handen?”. Jezus wijst die aanklagers van de gewone mens op iets veel diepers, dan eten met ongewassen handen. Hij wijst naar het hart van de mens. Wat leeft er in uw hart? Wrok, ontucht, diefstal, de ander dood wensen, godslastering, lichtzinnigheid, hoogmoed, losbandigheid… Dat is van een heel andere dimensie dan dat voorschriftje dat je eerst de toppen van je vingers eens in wat water moest dompelen alvorens aan tafel te gaan. Het hart. Het innerlijk van de mens. Hou je van God? Hou je van je medemens? Kies je voor egoïsme, voor ongebreideld genot, of wil je je leven op een goede manier uitbouwen? Uiteindelijk komt het erop aan dat we naar Jezus opkijken. Hoe heeft Hij geleefd? Je leest dat af uit het evangelie. Dat is ook jouw roeping als je christen wil zijn, als je jet leven op de meest mooie manier wil uitbouwen. En dan moet je nog vragen om de heilige Geest. Opdat je het zou aankunnen Jezus te volgen, naar zijn voorbeeld jouw leven gestalte te geven, in jouw situatie, met jouw talenten, midden jouw omgeving… Kom dan tot de tafel van de Heer. Om er zijn richtinggevend en bemoedigend woord te horen, en Hem te ontmoeten in het heilig teken van het Eucharistische Brood. Je bent te gast in zijn tent, zijn woning. En laat zijn vrede dan je hart binnenstromen, zijn kracht ook en bezieling. En ga dan op weg. Hij vergezelt je. Blijf naar Hem opkijken en je zal niet wankelen in eeuwigheid. (ben van vossel)
27 augustus 2006 Heer, naar wie zouden wij gaan? Jozua 24,1-2a. 15-17.18b / Ps. 34,2-3, 16-17, 18-19, 20-21, 22-23 / Ef. 5,21-32 / Joh. 6,60-69 Vrienden van Jezus, verbintenissen zijn zo gewoon tussen mensen, tussen mensen die trouwen bijvoorbeeld. Je zegt aan iemand: “Ik zal er nooit aan denken om jou te verlaten. Ik wil met je meegaan en je trouw blijven. Jij bent alles voor mij”. Maar met eenzelfde overtuiging, zij het wellicht na enige strijd en een periode van pijn aan een van beide kanten of wederzijds, klinkt het een aantal jaren later: “Het spijt me. Het gaat niet meer tussen ons beiden. Ik hou niet meer van je. Ik heb iemand anders en die is nu alles voor mij”. Die eerste verbintenis, waren dat dan goedkope woorden? Werden die te lichtvaardig uitgesproken? Was men nog te jong toen men die huwelijksverbintenis sloot? Kende men de ander nog niet goed? Wist men niet dat er nog mooiere en lievere mensen rondliepen op de aardbol? Het is een vaststelling dat in onze streken zeer veel verbintenissen stukgaan. En toch beloofde men trouw te zijn in goede en kwade dagen. Och we zijn er al zo gewoon aan geworden, dat we er alleen nog van opkijken als het in onze eigen omgeving gebeurt, of wanneer we er zelf mee te maken krijgen… Jozua, de opvolger van Mozes die het volk van God door de woestijn geleid had vanuit het slavenhuis Egypte, roept de stammen samen in Sichem en stelt hen de vraag. Als je God niet wilt dienen, kies dan nu wie je wèl wilt dienen. Ik en mijn familie, wij dienen de Heer”. En het volk zegt: “Maar wij denken er niet aan de Heer te verlaten voor andere goden. Hij heeft ons uit het land van de slavernij geleid en ons beschermd. Ook wij willen de Heer dienen, Hij is onze God”. Maar ze zij nog niet goed en wel in het beloofde land of in bossen en op allerlei heuvels beginnen ze te offeren aan afgoden waar de Kanaänieten aan offerden”. Vandaag worden wij uitgenodigd om ons geloof in God de vernieuwen. Niet door gewoon te zeggen: Ik geloof in God, de almachtige Vader … en in Jezus Christus zijn enige Zoon, onze Heer…” Zeggen “Ik geloof” betekent dat we ons leven willen bouwen op God, dat Hij de basis van ons leven, van ons denken en ons spreken wordt. Dat is vlug gezegd. Maar het is goed daar toch wel eens ernstig over na te denken. Wat ik wil doen, en als ik iets zeg, als ik allerlei keuzes en plannen maak in het leven… leg ik dat dan voor aan God? Betrek ik daar Jezus bij, aan wie ik beloofd heb dat ik Hem wil volgen. Aan wie ik gezegd heb: Gij zijt de weg, de waarheid, het leven”? Laat ik mijn leven door Hem leiden? In het evangelie van vandaag, terwijl een heel aantal mensen Jezus in de steek laten, vraagt Hij aan zijn vrienden: “Willen ook jullie soms weggaan”? Simon Petrus antwoordt dan : “Heer, naar wie zouden wij gaan? Uw woorden zijn woorden van eeuwig leen en wij geloven en weten dat Gij de Heilige van God zijn, de uitverkorene, de Gezondene”. Nu weet gij ook, vrienden, dat diezelfde Petrus ooit zal zweren dat Hij Jezus niet kent, maar Hij zal even later berouwvol terugkeren na Jezus’ verrijzenis en door Hem tot leider van de kerk aangesteld worden. Kijk, vandaag mogen wij ons geloof in Jezus hernieuwen. Ook als ook wij misschien van Hem zijn weggelopen, ook als wij afgoden hebben aanbeden, in de vorm van televisie of het uitgaansleven of overdreven eten en drinken of door oppervlakkig te leven en egoïstisch of door te weinig God te betrekken bij ons leven… Wij worden uitgenodigd om opnieuw te zeggen: “Ik wil de Heer dienen. Hij is de kracht van mijn leven, mijn oorsprong en mijn toekomst. Hij heeft me zo vaak gered, zo vaak ondersteund. Ik denk er niet aan Hem in de steek te laten. Heer, naar wie zou ik gaan. Gij hebt woorden van eeuwig leven. Ik weet dat Gij de door God gezonden Redder zijn, die mij opheft uit een leven zonder zin en die mij helpt mijn leven niet te bouwen op drijfzand, maar op de rots van uw woord, van uw liefde en uw trouw”. (bvv)
20 augustus 2006 Jezus: voedsel van eeuwig leven Spreuken 9,1-6 / Ps. 34,2-3,10-11,12-13, 14-15 / Ef. 5,15-20 / Joh. 6,51-58 Jezus wordt door Johannes vandaag voorgesteld als de belichaming van de Wijsheid. De Wijsheid was in het Oude Testament vaak gezien als een persoon die de mensen uitnodigt om te komen eten van haar tafel om op die manier het echte leven te vinden. Jezus is dat in werkelijkheid. Hij is de wijsheid, de weg naar het echte leven. Het is voor ons de zoveelste uitnodiging om – zoals de Efesiërsbrief ons vandaag oproept – niet te leven als dwazen maar als verstandige mensen. Die verstandigheid moet ons helpen inzien wat de Heer wil. Het kunnen voor ons allemaal wat vreemde woorden en begrippen zijn, maar wat God wil is gericht op ons uiteindelijk geluk, op het openbloeien van al het mooie dat in ons en in de mensengemeenschap is gezaaid. Daarvoor moeten we wel nuchter blijven: ons niet laten bedwelmen want dat leidt tot losbandigheid; we komen dan los van God, los van de weg naar het echte geluk en geraken op dwaalwegen van hoogmoed, zelfgenoegzaamheid, dwaasheid in feite. Niet te verwonderen dat Jezus, in wie God zichzelf, zijn liefde en zijn waarheid openbaart, ons uitnodigt om tot Hem te komen. Bij Mij vind je het echte leven. Als je Mij jouw leven binnenlaat, echte binnenlaat zoals het voedsel in jou komt, dan zal je het echte leven vinden, en zal je leven zelfs helemaal openbloeien, ook over de dood heen. Beste vriend, zeg aan Jezus dat Hij jouw leven mag binnenkomen. Zeg Hem, heel bewust : “Heer Jezus, leid Gij mijn leven. Wees Gij mijn Gids; ik wil me door Jou laten leiden”. Het is goed Hem dat elke dag opnieuw te zeggen. De christenen hebben nog iets anders begrepen uit de woorden van Jezus. Iets dat Hem heel dicht bij ons brengt. Als Hij zegt in het Johannes-evangelie: “Ik ben het Levende Brood” en “Mijn vlees is echt voedsel en mijn bloed echte drank”, dan verwijst dat ook naar zijn woorden op het Laatste avondmaal en de instelling van de Eucharistie. Hier in deze viering willen wij ons opnieuw naar Jezus toekeren, ons sterk bij Hem aansluiten. Maar in het teken van brood en wijn waarover Hij opnieuw heeft gezegd: “Dit is mijn Lichaam, Dit is mijn Bloed”, in dat tastbaar teken mogen wij ook tot de tafel waar Jezus op een sterke manier met ons in contact komen: Dit is mijn Lichaam, dit is mijn Bloed. Laten wij dan vandaag, bewuster dan anders, te kommunie gaan, met een dankbaar, maar ook met een gelovig en verlangend hart. Moge Hij ons leven opnieuw binnentreden als de Bron van het echte leven. Hij is de Wijsheid die ons doet zien wat God wil. Hij helpt ons door de kracht van de heilige Geest om volgens Gods verlangen te leven. Heer Jezus, ik geloof in U. Ik dank U dat U mij voert op de weg van de waarheid. Ik dank U dat U mijn voedsel wil zijn, de kracht om de weg naar het echte leven te gaan. Wees mijn Gids. Wees mijn kracht. Amen. (bvv) 13 augustus 2006 Met Christus bloeit je leven open Ex. 16,2-4.12-15 / Ps. 78,3 en 4bc, 23-24, 25 en 54 / Ef. 4,17.20-24 / Joh. 6,24-35 In de lezing uit het Oude Testament zien we morrende mensen die aan God zeggen: Hoe zit dat nu eigenlijk. We zijn op het woord van Mozes de woestijn ingetrokken om U te gaan vereren, en kijk nu eens, we zijn hier aan het verhongeren. God zal zorgen dat ze daar toch niet van honger omkomen. In het evangelie lokt Jezus in feite zelf een confrontatie uit. Hij wil de mensen de overstap doen maken van het brood dat we voor ons lichaam nodig hebben, naar het geloof in Hem, het levende Brood, het groot geschenk van God dat ons van de aarde naar de hemel draagt. De uitnodiging staat er bij: we moeten Jezus ons leven binnenlaten, opdat ons leven helemaal zou openbloeien. Ooit zijn we tot geloof gekomen. Misschien zijn we als volwassene ooit tot een volwassen geloof gekomen. Het blijft immers een uitdaging om op een persoonlijke wijze ervoor te kiezen om met God op weg te gaan, om Jezus op een persoonlijke wijze je leven binnen te laten. Het is een blijvende uitdaging om te komen tot een persoonlijke relatie met Christus, om Hem tot koning van je leven te maken, aan wie je al je grote en ook kleine beslissingen voorlegt. Jezus, het levende Brood, het Brood uit de hemel. Het gaat niet enkel over het Eucharistische Brood dat we mogen ontvangen in elke Eucharistieviering. Het gaat ook over de aanvaarding van Christus in ons leven en om de praktische toepassing bij elke keuze die we maken om Jezus het voornaamste woord te laten. Eigenlijk blijven wij als christenen vaak baby’s. Zelfs als we veel over het geloof kennen, over de bijbel en over de christelijke dogma’s. Een volwassen geloof veronderstelt een persoonlijke relatie tot christus. Dan begint in feite ons echte geloof, als bewust christen. Dan pas gaan we ook de echte vreugde van het geloof kennen, de echte sterkte, de echte kracht en bemoediging en zullen we met kracht kunnen getuigen. Als we met Jezus door het leven gaan. Als we met Hem spreken, als we met Hem overleggen, als we Hem er voorturend bij halen en hem laten beslissen… Maar de meesten van ons komen niet tot dat geloof, omdat we alles zelf willen beslissen, omdat we liever onze egoïstische verlangens involgen, omdat we terugschrikken voor wat Christus ons wel zou kunnen vragen… Eigenlijk zijn wij verwende kinderen: we zijn zo gewend aan snoepjes; het echte krachtige voedsel staat ons niet aan… En we geraken misvormd, we groeien niet uit tot de volwassen gestalte van wat een christen zou moeten zijn. Vrienden, laten we dan vandaag toch nog maar eens de uitnodiging van Christus tot ons hart klinken: “Ik ben het Brood van het leven: wie tot Mij komt zal geen honger meer hebben, en wie in Mij gelooft zal nooit meer dorst krijgen.” (ben van vossel) (Zondag 18 door het Jaar B) (Ex. 16,2-4.12-15 / Psalm 78, 3 en 4c, 23-24, 25 en 54 / Ef. 17.20-24 / Joh. 6,24-35) Gedaanteverandering
van de Heer God in jouw leven Dan. 7,9-10.13-14 / Psalm 97, 1-2, 5-6, 9 /2 Pt., 1-16-19 / Mc. 9,2-10
We kunnen de gedaanteverandering van de Heer zien als een bemoediging van Jezus vanwege de Vader, een bemoediging en versterking van het geloof van de apostelen die nog de beproeving van het lijden van Christus zouden moeten doorstaan… En we kunnen het thema van dit feest ook aanwenden voor onszelf, als een bezinning op wat God ons reeds deed ervaren, de troost, de tekenen van zijn aanwezigheid en werkzaamheid, de inspiratie, en alles wat Hij ons reeds gaf aan steun, aan genezing en bevrijding… en anderzijds het lijden, het kruis, de beproevingen, grote en kleine, afstraling van het kruis dat Jezus te dragen had, het lijden dat Hij doorstaan moest, de verwerping, het onbegrip, de vernedering, de intense pijn… de verlatenheid… Voor de apostelen, ook van deze drie uitverkorenen, moeten we eerlijkheidshalve toegeven dat hun deze sterke ervaring van Jezus heerlijkheid niet in staat is gebleken om hen te beschermen tegen alles wat hen zou overkomen met Jezus. Ze verstonden het niet dat Hij zomaar gevangen werd genomen zonder dat Hij optrad, zij verstonden het niet dat Hij zonder meer verworpen werd door het volk, het uitverkoren volk. Zij sloegen op de vlucht en lieten Hem in de steek. Iemand die dan op zijn stappen terugkeerde, Petrus, verloochent Hem. Ondertussen had Judas Hem uitgeleverd aan zijn opposanten… En al de mooie woorden die ze van Jezus gehoord hadden, en de tekenen die ze gezien hadden, de vele genezingen die Hij verricht had en die ze van dichtbij hadden meegemaakt… Met dat ene gebeuren in de hof van Olijven werd dat van tafel geveegd… Hadden ze misschien maar een stuk van het gebeuren meegemaakt? Hadden ze maar een deel van de woorden van Jezus gehoord? Niets gehoord van de lijdensvoorspellingen en de voorafbeeldingen in de Schriften? Waren ze niet te oppervlakkig geweest in het beleven van Jezus’ aanwezigheid? Eerlijk, zelfs na Jezus verrijzenis blijven ze nog dicht tegen elkaar gepakt in het cenakel zitten. Pas na de komst van de heilige Geest, die hen van binnenuit zou verlichten en versterken, werden ze tot onverschrokken getuigen van Jezus’ dood én verrijzenis, over heel de toen bekende wereld. Hoe hebben wij Jezus ervaren in ons leven? O, meestal kunnen wij er niet zo’n mooie verhalen uit opdissen als in het Nieuw Testament. We moeten al terugkeren naar onze kinderjaren om iets sterks te herinneren. En voor ieder van ons ligt dat wel anders. Misschien een kinderlijke vreugde rond onze eerste communie, of ons heilig Vormsel. Misschien bepaalde vertroostingen in het gebed, een gebedsverhoring die indruk heeft gemaakt. Of een sterk getuigenis van een volwassene? De ervaring van de genade van de liefde in je leven of van de geboorte van je eerste kind. Of misschien een heiligenleven dat je getroffen heeft, of het getuigenis van een missionaris? Maar het kan ook bepaalde lectuur zijn, of een teeveeuitzending, een film, een ontmoeting… waarin we iets sterks mochten ervaren, de aanwezigheid van Christus, of van God als de levende, die ook persoonlijk met mensen begaan is en in hun leven ingrijpt… God doet zich ervaren in het leven van mensen. Als we ons dan alleen maar blij voelen en wat ontroerd zijn, zonder dat we die ervaring ook een bijzondere plaats geven in ons leven, een herinnering waar we kunnen op terugvallen, waar we naar kunnen teruggrijpen en die voor ons reden wordt tot bekering, tot sterker geloof in de levende God, een herinnering die ons ook blijvend doet getuigen van Gods persoonlijke liefde in het leven van een mens… dan, vrienden, speelt die ervaring niet de rol die ze zou moeten spelen. Het is een genade voor de rest van ons leven. Niet om maar even ontroerd te zijn. Ze moet direct iets bewerken, zodanig dat ze ons kan voorthelpen op momenten dat alles wat moeilijker gaat, momenten waarop we wat twijfelen door tegenslagen, ervaring van verlatenheid of door de praat van mensen of media. We moeten zulke sterke ervaringen – die niet altijd wereldschokkend zijn maar ons wel persoonlijk raken – volkomen vruchtbaar laten zijn in ons leven. God erom danken. Er in alle eenvoud van getuigen en ze in ons hart koesteren als kostbare momenten waarop God ons zijn gelaat, zijn liefde heeft geopenbaard. Denken wij vandaag eens terug aan zulke momenten, zoek ernaar, en laat ze op een vernieuwde wijze hun heel eigen rol gaan spelen in je leven. (ben van vossel)
Brood voor velen Jaar
B Zondag 17 (30/07/2006) 2
Kon. 4,42-44 / Ps. 145, 10-11. 15-16. 17-18 / Ef. 4,1-6 / Joh. 6,1-15
Daar
gaat Jezus niet op in. En wij moeten ook dieper luisteren naar wat het evangelie
ons wil zeggen en wat Jezus ons hier duidelijk wil maken. Er
zijn een aantal kleine tekenen, waarvan sommige zich goed inpassen in het
Oosterse kader waarin Jezus leefde en waarin dit evangelie zich situeert. Er
is een blijkbaar onoplosbare situatie die Jezus zelf duidelijk laat aanvoelen
Hoe moeten wij brood kopen om deze mensen te laten eten? Hij
vraagt dat aan Filippus, die wel heel praktisch aangelegd was maar niet steeds
de meest snuggere van de 12. Hij zet er onmiddellijk een benaderende prijs bij. Dan
is er Andreas met een jongen die 5 gerstebroden wil inbrengen. Dat is mooi,
geven van het beetje dat je maar hebt. Maar Andreas is zich bewust dat dit in
feite niets betekent voor die grote nood. Jezus
laat dan de mensen gaan zitten alsof er een grote picknick gaat gehouden worden
en in zekere zin wordt het dat ook. Opvallend
is dat kleine teken van de gelovige mens: Jezus neemt de broden van die jongen
en spreekt het dankgebed. Allen
eten tot ze verzadigd waren en er is nog heel wat over. Wij
gaan ons nu niet laten vangen aan dit opvallende spektakel, maar doordringen
naar wat het Blijde Nieuws ons wil leren. De
mensen drukken dat trouwens vrij juist uit: Dit is stellig de profeet die in de
wereld moet komen. Dat is Jezus
zeker. Maar Hij is meer dan een profeet. Die honderd man van de profeet Elisa
zijn niet te vergelijken met het cijfer dat Johannes hierbij zet: vijfduizend.
Hier is God op overtreffende wijze aan het werk. Hier toont God zijn Messias die
aan alle mensen voedsel van eeuwig leven wil geven, die voor alle mensen voedsel
van eeuwig leven wil zijn. Wat
betekent dit voor ons? Wij zoeken naar geluk. Wij werken voor ons geluk en als
we wat mens zijn, en wat op God willen gelijken, trachten we ook nog iets te
doen voor onze medemensen. Wij willen iets inbrengen opdat mensen ook zouden
kunnen geloven dat God hen niet in de steek laat. Maar
het heil dat God wil geven houdt niet op bij ons dagelijks brood en wat
menselijke nabijheid. Het heeft ook te maken met zin en uitzicht geven aan ons
leven. Betekenis en waarde die het aardse en de korte tijd van ons leven
overstijgen. Jezus wil voor ons een bron van leven en heil zijn: daartoe was Hij
gekomen. En
dan begrijpen wij de uitnodiging die we uitspreken bij elke Eucharistieviering,
een woord dat hier vooraan in onze kerk geafficheerd is: Wij zijn met ons hart
bij de Heer. Want Jezus geeft de diepe zin en betekenis aan ons leven. Bij Hem
wordt ons leven opgetrokken, gezuiverd en voltooid waar het onvoldragen en
gekwetst en zondig is. In deze Eucharistie mogen wij Jezus ontmoeten en ons door
Hem laten optillen. Maar, vrienden, de uitnodiging van de Eucharistie is een
uitnodiging tot voortdurend contact met Hem die van Godswege Bron van heil en
leven is. En
daaruit voortvloeiend worden wij uitgenodigd om zodanig met Hem in contact te
zijn dat ons leven, ook in zijn uitingen van daadwerkelijke naastenliefde en
aandacht voor medemensen, een bron van heil wordt voor anderen, een bewijs van
Gods menslievendheid ook in deze tijd. in onze omgeving en wereldwijd, opdat
ieder mens kan aanzitten aan de lange tafel van heil op alle gebied. (Ben Van
Vossel) Ook
jij bent herder ! Jer. 23,1-6 / Ps. 23,1-3a.3b-4.5,6 / Ef. 2,13-18 / Marc. 6,30-34 Jezus
toont zich vandaag de goede Herder voor zijn apostelen en voor de mensen die op
zoek zijn naar Hem, naar zin en wat inhoud voor hun leven, naar genezing,
bevrijding en geluk. Hij voelde medelijden met hen, want zij waren als schapen
zonder herder; en Hij begon uitvoerig te onderrichten. Je
kan natuurlijk de vraag stellen of het nu precies onderricht is dat mensen
vooral nodig hebben. Terwijl raketten van de Hezbollah neerkomen op Israëlische
dorpen en terwijl Israël hele stukken van Libanon en de Gazastrook plat
bombardeert, terwijl Irak kreunt onder moorddadig geweld en ook Afghanistan maar
niet onder het geweld uitkomt, terwijl democratische krachten in Kongo bang
uitzien naar het democratisch verloop van de komende verkiezingen. Och en op
zoveel plaatsen waar mensen gebukt gaan onder geweld, honger, uitbuiting… Maar
natuurlijk is het wel van belang dat mensen een helder inzicht krijgen in de
situatie, dat ze voldoende uitzicht ook krijgen: hoe ze in om het even welke
omstandigheden zoveel mogelijk als mens kunnen leven, en hoe ze mogen weten dat
God het geluk van de mens op het oog heeft, en hoe Hij solidair is met ieder
mens in nood. Het is altijd goed om dat te weten. Men zal minder vlug geneigd
zijn om de moed op te geven, om te berusten in de gegeven opstandigheden en
steeds te trachten iets te doen aan ongelukkige levensvoorwaarden, zo gauw de
omstandigheden het mogelijk maken. Jezus
wil zijn apostelen wat sparen omdat ze het wat al te druk hebben gehad. En Hij
toont zich bereid om ondanks zijn eigen vermoeidheid toch mensen te helpen die
in nood zijn, die nood hebben aan inzicht en uitzicht. Maar
vrienden, in de eerste lezing wordt er gesproken over herders die in feite geen
goede herders zijn, die leven op het vet van de schapen en zich van het geluk
van de kudde weinig aantrekken. Wij moeten ons vandaag durven afvragen in
hoeverre wijzelf goede herders zijn voor de mensen die God aan ons toevertrouwt,
elke dag opnieuw. Ouders moeten zich durven afvragen in hoeverre zij hun
kinderen ter harte nemen, niet enkel hun lichaam, maar ook hun opvoeding door de
weg te tonen en ook al eens eisen te durven stellen en ze anderzijds in
toenemende mate te helpen groeien naar vrijheid en zelfstandigheid; maar ieder
mens draagt verantwoordelijkheid voor de mensen die men ontmoet op het werk, op
straat, op tram en trein, in de ontspanningsgelegenheden… Men is
verantwoordelijkheid voor die kleine glimlach of dat gebaar van erkenning of
vriendelijkheid waardoor iemand de ervaring heeft van ik wordt gezien als
menselijk persoon. En onze herderlijke verantwoordelijkheid speelt ook op het
vlak van het christelijk voorbeeld, die uitnodiging vergezelt ons op elk moment.
Die kun je nooit naast je leerleggen : vakantie, nu ben ik enkele weken geen
christen. Dat gaat niet. Ik ga er maar een paar dagen op los leven. En soms
zullen we ook getuigenis moeten afleggen, met de eenvoudige woorden die we
kunnen vinden, van de hoop die in ons leeft. We hoeven dan echt niet de
catechismus van buiten te kennen. Gewoon maar zeggen wat voor ons echt waarde
heeft. Gewoon maar getuigenis wat het geloof voor ons betekent… Sedert ons
doopsel en vooral sedert ons heilig vormsel worden wij geroepen om herder te
zijn voor elkaar. Voor mensen die God vlakbij ons heeft gesteld, onze
huisgenoten en vrienden, maar ook voor misdeelden, voor slachtoffers van oorlog
en geweld. Als christenen mogen we God gerust wat werk uit zijn handen nemen.
Hij verwacht dat trouwens van ons. Laten wij ons in deze Eucharistie gerust
afvragen: welke mensen heeft God aan mij toevertrouwd? Draag ik zorg voor hen en
geef ik ook voldoende door van het licht waaruit ik mag leven? Draag ik mee zorg
voor de wereldwijde nood van mensen en van de kerk? Jezus
voelde medelijden met de mensen die Hij zag, want ze waren als schapen zonder
herder. Laat dat geen mensen zijn die God eigenlijk aan jou heeft toevertrouwd.
(Ben Van Vossel) God zendt ook jou om te getuigen ! (16/07/2006) God
kan zomaar mensen, doodgewone mensen, roepen om een zending te vervullen, om
mensen op te roepen tot ommekeer, tot bekering. God kan mensen, gewone mensen
roepen niet alleen om zich zelf te bekeren, maar om ook aan anderen te zeggen
dat ze zich niet op de echte weg naar het geluk bevinden, maar dat ze meer
volgens Gods verlangen moeten leven. Die
zending naar anderen is een mooie opdracht, maar niet altijd even prettig. Je
geeft dan al enigszins de indruk dat je beter zou zijn dan die anderen, maar
bovendien kunnen die mensen altijd zeggen: waar bemoei jij je mee, heb ik je
soms iets gevraagd? Bemoei je met je eigen zaken! In het Oude Testament kreeg de
profeet Amos het ook al te horen: “Ziener, maak dat je wegkomt; ga elders uw
boodschap verkondigen maar hier hoor je niet thuis”. Amos heeft daar maar één
antwoord op: Ik ben geen officiële profeet, alleen maar een boer en tuinder.
Maar de Heer heeft me van achter mijn beesten weggeroepen en gezegd: “Trek als
profeet naar mijn volk Israël”. Vrienden, wij zijn Amos niet. En u voelt zich
maar gewone gelovigen, geen officiële mandatarissen van de Kerk. En toch, en
toch… Sedert ons doopsel en ons vormsel zijn wij allen officieel aangesteld om
ambassadeurs te zijn van God, gezanten van God, getuigen van het Goede Nieuws
dat Christus is komen brengen. Niemand in de kerk moet zeggen: Ik moet niet
getuigen. Ik ben geen profeet. Ik mag mij gerust wegsteken en mijn mond houden.
Ik moet geen mensen zeggen wat goed en verkeerd is. Dat moeten de paus en de
bisschoppen maar doen en de priesters… Nee, niemand kan zeggen: Ik ben maar
een boer of tuinder, ik ben maar een doodgewoon iemand. Ieder van ons is sedert
zijn doopsel geroepen en bij de hand genomen door de Heer, én toegerust met de
nodige gaven om als het erop aankomt – en dat gebeurt wellicht elke dag –
door ons voorbeeld en soms door een eenvoudig woord te getuigen van ons geloof
in een liefhebbende God. Om
duidelijk te maken dat je niet moet beschikken over een heel arsenaal talenten
en benodigdheden zendt Jezus in het evangelie zijn apostelen uit om te gaan
preken: ze moesten zelfs geen dubbele kleding en sandalen meenemen, maar daar
waar ze kwamen moesten ze ook content zijn met een minimum. Waar men niet naar u
luistert, trek het u niet aan, vertel het Blijde Nieuws dan aan iemand anders.
En wat moesten ze doen? Mensen oproepen om zich te bekeren, kwade geesten
uitdrijven en zieken zalven met olie. Kortom: heil brengen aan de mensen tot wie
ze gezonden werden: ze de waarheid verkondigen dat God van hen houdt, hen
verlossen van alles wat op hen woog, geestelijke, psychische en lichamelijke
gebondenheid., kortom, het kwaad in al zijn vormen. Om
het met de Efesiërsbrief te zeggen: 'God heeft ons uitgekozen om heilig en
vlekkeloos te zijn voor zijn aangezicht. In liefde heeft Hij ons voorbestemd
zijn kinderen te worden, door Jezus Christus.' Dat is het echte blijde nieuws
dat door Jezus aan ieder verwezenlijkt wordt die bij Hem aansluit, ieder die op
Hem zijn leven bouwt. In
veel christenen leeft het oprechte verlangen dat ook anderen zouden delen in hun
geloof en zo zouden delen in het geluk dat God voor zijn kinderen bedoelt.
Maar… wij durven het niet aan om over God te spreken, over de vreugde en de
vrede die we vinden in het geloof. Laat ons in deze eucharistie dan maar eens in
de stilte van ons haart, maar met aandrang, aan God bidden voor onszelf en voor
onze medegelovigen, dat we de echte vreugde in ons hart zouden hebben en dat de
heilige Geest die we bij on doopsel en ons vormsel ontvingen, ons opnieuw en
sterker zou maken tot getuigen van Gods liefde.
(Ben Van Vossel).
God wijst ook vandaag de weg (9/07/2006) Ez.2,2-5
/ Ps. 123 / 2 Kor. 12,7-10 / Mk. 6,
1-6 God Als
je het aandurft om ook maar één moment stil te zijn, in te keren in jezelf,
rustig naar de wereld te kijken, naar de samenleving, van even buiten de kring
te luisteren naar wat ‘de mensen zeggen’, hoe de politiek binnen en
buitenlands zich ontwikkelt… En als je dan luistert, niet naar je eigen
begeren en je eigen kleine gedachtje… dan hoor je sommige stemmen die je
helpen doorheen een hele hoop blabla aan te voelen wat echte werkelijkheid is,
waar het op aankomt in het leven. Er zijn stemmen in je hart, er is het
aanvoelen – vaak van veel mensen – waaruit je iets kunt aflezen omtrent het
gedacht van God. Wat God ervan vindt. Soms
is dat overduidelijk. Zoals met de moord op die twee Luikse kinderen. Daar
hebben de mensen massaal hun gedacht over gezegd: hoe onbegrijpelijk en
afgrijselijk ze dat vonden, hoe afkeurenswaard. En dat was ongetwijfeld ook het
gedacht van God. Hij die mensen geroepen heeft tot liefde, zal niet goedkeuren
dat men onschuldige kinderen misbruikt en vermoord. Maar
het ligt wel wat ingewikkelder als we bedenken dat we hier misschien voor een
moordenaar staan die niet helemaal toerekeningsvatbaar was, die geïnterneerd
was, maar die men – waarschijnlijk door een beroepsfout of een slecht
functioneren van bepaalde instellingen – op onverantwoorde manier heeft
vrijgelaten. Uit dat pijnlijke voorval leren we dan ook iets met betrekking tot
onze eigen verantwoordelijkheid, daar waar we met mensen te doen hebben, maar
ook bij het doen van ons beroep of ons werk. Als christen weten wij ons ook
gesteld tegenover God. Uiteindelijk
leven we met Hem voor ogen. Ons werk moet waarde hebben in zijn ogen. Wij moeten
ons werk zo doen, dat God tevreden is over wat we doen. Och,
we moeten niet menen dat God nooit tevreden is. “Hij weet waaruit wij gemaakt
zijn”. Maar Hij verwacht toch dat we ook onze aardse bezigheden zo goed
mogelijk doen. Dat aardse werk valt niet buiten Gods belangstelling, valt niet
buiten onze roeping als christen. God
spreekt in deze tijd, juist zoals vroeger door de profeten en door Jezus, zijn
Zoon. Zelfs als we gewoon maar zien waar slechtheid en egoïsme toe leiden,
zowel in de gezinnen als in de samenleving en de internationale gemeenschap…
dan spreekt ook het kwaad duidelijke taal. Het
vernielt de liefde, het vernielt gezinnen, het brengt miserie, armoede en honger
mee, uitbuiting en lijden voor ontelbaren. Er klinken dus niet alleen positieve
stemmen door die verwijzen naar Gods verlangen. Ook het spijtige en negatieve
roept ons op om die weg van het kwaad niet te gaan, maar de weg van het licht te
kiezen. (benvanvossel) Tot leven en heil geroepen Wijsh. 1,13-15; 2,23-24 / Psalm 30,2 en 4.5-6.11 en 12a en 13b / 2 Kor. 8,7.9.13-15 / Marcus 5,21-43 (of 21-24.35b-43)
En
in het evangelie staat Jezus daar bij het dode dochtertje van Jaïrus. 12 jaar
is toch geen leeftijd om te sterven. Jezus staat bij dat dode kind, nadat hij
zich al ontfermd heeft over een zieke vrouw. En Jezus neemt de hand van het kind
en zegt: Talita koemi, meisje, sta op. Jezus verkondigde in woord en daad wat
God bedoelde met de mens. Gij zijt niet geroepen tot ondergang in zonde en
ziekte en dood. Gij zijt geroepen tot heiligheid, tot heil en leven! Zegt
zo’n boodschap ons iets terwijl we onderweg zijn naar onze vakantiebestemming?
Of nadat we een serieuze tegenslag
incasseerden? Of terwijl we een hoop smerigheid vaststellen in de wereld en
beseffen dat de dood als een schijnbaar eindpunt de loop van ieders leven
blokkeert? Wij
moeten naar Jezus opzien, vrienden, naar Hem toegaan, met Hem op weg gaan, in
een persoonlijke en doorleefde manier. Naar wie zouden wij anders gaan? Toch
niet naar een hoop esoterische zoethoudertjes die ons het gevoel geven van
geborgenheid, maar in feite lege lucht zijn? En ook niet onderduiken in
oppervlakkige genoegens waarvan we ook weten hoe breekbaar ze zijn, zo breekbaar
als ons aardse bestaan? We willen ons vastklampen aan het enige anker dat ons
gegeven is en dat doorheen het reilen en zeilen van de wereld, doorheen de
onmacht en ontoereikendheid die ons eigen is ons brengt in het heil, in de
toekomst die God voor ons gedroomd heeft. En de lieflijke schaduw en de
deugddoende vrede doen ons nu reeds vermoeden wat het betekent dat we in Jezus
ons heil, ons leven en onze verrijzenis hebben. Ja, de vrede komt nu reeds ons
hart inpalmen, als we ons maar echt aan Hem vastklampen. (Ben Van Vossel) In de storm (25/06/2006) De
storm die Jezus stilt staat voor alle machten die de mens en zijn geluk, zijn
echte en blijvend geluk bestrijden en in gevaar brengen. En over alledaagse
zorgen heen en zelfs over alle lichamelijke bedreigingen heen gaat het dan ook
over de vrede in het hart en over het uiteindelijk geluk van de mens. Er
zijn allerlei soorten stormen zie zo ons menselijk bestaan kunnen bedreigen. Als
een geliefde persoon sterft, of zoals we het meegemaakt hebben vermoord wordt,
of ontvoerd zoals in het geval van de verdwenen meisjes uit Luik… Je kan uit
je lood geslagen zijn door allerlei tegenslagen op het vlak van gezondheid, of
van huiselijke eenheid, of van mislukking in de opvoeding van je kinderen… Je
kan verslaafd geraken, je kan in zonde verdwaald geraken… Je kan je geloof
kwijtraken of in een geloofscrisis terechtkomen… Vanuit
je verlorenheid mag je roepen op God. Vanuit je onmacht mag je de Heer wakker
maken en zeggen: “Maar Heer, raakt het U niet dat wij vergaan?” Vrienden,
belangrijker dan in dat geval na te gaan of er inderdaad onmiddellijk iets
verandert aan de situatie, belangrijker dan na te gaan of er niet een soort
mirakel gebeurt, belangrijker dan dat soort zaken is het echt op te kijken naar
de Heer, ons te focussen op Hem, met Hem praten, Hem niet uit het oog verliezen,
zijn Naam met vertrouwen blijven noemen… en de vrede te aanvaarden die Hij in
je hart wil leggen. Telkens en telkens opnieuw, telkens wanneer de onrust het
hoofd opsteekt opnieuw de Naam van de heer noemen, opnieuw je tot Hem wenden en
Hem zeggend at je op Hem vertrouwt, dat je zeker bent van zijn liefde en zorg…
En
al zie je niet of niet direct iets veranderen in de situatie… er zal iets
veranderen in u. De vrede van de Heer zal je hart binnenstromen… Moeten
we dan zelf niets anders ondernemen. Toch wel. Met heel onze inzet moeten wij
trachten een onheilssituatie om te vormen tot heil, we moeten trachten
zorgwekkende situaties en negatieve zaken aan te pakken en naar oplossingen te
zoeken. Maar onze inzet, ons drukke
bezig zijn om iets aan de situatie te veranderen zou moeten gebeuren vanuit de
zekerheid dat wijzelf gedragen worden door de Heer. En dit laatste betekent niet
dat wij een verzekering hebben tegen alle ziekten, tegen alle ongevallen of
tegen elk gevaar vanuit de natuur of vanwege mensen… Er is een soort
geborgenheid die blijft zelfs wanneer allerlei uiterlijke omstandigheden het
tegendeel laten vermoeden. Ons geloof is geen amulet die ons voor alle gevaren
behoedt. Het geloof situeert zich op een dieper vlak en de geborgenheid die het
schenkt vanuit Gods liefde overstijgt de beperkingen van onze aardse bestaan. Wij
mogen met veel vertrouwen bidden voor de ontvoerde kinderen, zelfs al is ons
vermoeden dat het niet goed is met hen. Wij blijven hen toevertrouwen aan Gods
liefde en wij bidden voor de ontvoerder(s) of moordenaars. Het ergste dat ons
kan overkomen is dat we ons geloof kwijtraken, dat we menen dat Gods liefde
ophoudt bij de dood van onszelf of van die kinderen.
God houdt van hen. Waarom redt Hij hen dan niet?
Hij heeft de wereld aan ons toevertrouwt. Hij heeft die kinderen
toevertrouwt aan ouders en familie en vrienden, aan de samenleving… Als die
samenleving verpest wordt door onverantwoordelijkheid van de samenleving, van
mensen en media die die samenleving beïnvloeden… Dan moeten wij niet met de
vinger naar God wijzen. En dan weegt op ieder van ons een dwingende
verantwoordelijkheid om zelf iets te ondernemen om deze samenleving meer
menswaardig te maken, door zelf beter mens te worden zodat wij in oprechtheid
iets kunnen uitstralen en anderen kunnen uitnodigen. We hebben allen een
verpletterende verantwoordelijkheid om ‘heilig’ te zijn zoals God heilig is.
Ouders, opvoeders, politiekers, media maar ook jonge mensen hebben allen op hun
terrein een verpletterende verantwoordelijkheid om onze wereld meer en meer te
maken tot een veilige thuis voor allen, een wereld waarover God tevreden kan
zijn. Wij
van onze kant weten dat wijzelf in contact moeten blijven met Hem die het geheim
heeft om de wereld op een goede manier te beïnvloeden. Als Hij ons dus vraagt
om op weg te gaan middenin de mensenzee, blijven wij ons dan naar Hem toewenden
en vragen dat Hij ons nabij zou zijn opdat we in zijn vrede bewaard blijven, in
het licht zouden wandelen zodat we ook licht kunnen brengen in de wereld om ons
heen. (ben van vossel cssr) Luisteren en handelen (18/06/2006) Ez.
17,22-24 / Psalm 92,2-3.13-14.15-16 / 2 Kor. 5,6-10 / Mc. 4,26-34
De
evangelielezing en de lezing uit de profeet Ezechiël geven ons de indruk dat we
ons eigenlijk niet al te zeer hoeven in te spannen om het heil te vinden, om het
Rijk van God binnen te treden. Je moet eigenlik God maar laten betijen en dan
komt het wel in orde, Hem niet teveel voor de voeten te lopen door eigen plannen
en activiteit … Je vraagt je dan af waarom een Pater Constant Lievens in India
of een pater Damiaan op Hawaï zich eigenlijk zoveel hebben ingespannen. Maar
natuurlijk staan er in het evangelie ook andere woorden van Jezus, waarin Hij
bijvoorbeeld zegt dat we ons tot het uiterste moeten inspannen om het Rijk van
God binnen te treden. Als we er wat
dieper op ingaan zien we dat er eigenlijk geen tegenspraak is tussen die twee
aansporingen: enerzijds God zijn werk laten doen en anderzijds onszelf volop
inspannen. Ik
meen dat de korte tweede lezing van vandaag ons een belangrijke sleutel aanreikt
om die schijnbare tegenspraak te doorbreken. Paulus vertrekt van de zekerheid
van het geloof. Hij bouwt zijn leven op God, de rest komt dan wel in orde. En
daarom, zegt hij, is mijn enige betrachting, of ik nu thuis ben of in de
vreemde, Hem te behagen. “Mijn enige betrachting is het, of ik nu in het land
ben of in het buitenland, de Heer te behagen”. Te leven volgens Gods
verlangen. Leven volgens Gods verlangen, betekent dat je God laat beslissen wat
je moet doen of laten. Dàt is Gods rijk, dat is het koninkrijk van God: waar
Hij het voor het zeggen heeft. Zo kan ons hele leven worden tot het Rijk van
God. Gods verlangen doen, Hèm willen behagen, doen wat Hij graag zou hebben. Het
gaat dus op de eerste plaats dat we dan luisteren naar wat God zegt, wat Hij
verlangt. Luisteren, horen komt dan vóór het handelen. Wat wil God van mij
vandaag? Wat vindt God over mijn plannen, wat vindt Hij over de manier waarop ik
mijn leven inricht, mijn gezinsleven, mijn beroepsleven? Wat vindt Hij over man
relaties met mensen, over de manier waarop ik met mensen omga, met hen spreek?
Wat vindt Hij over de manier waarop ik omga met geld en geldbeleggingen, met
auto en computer, met al die moderne verwezenlijkingen die binnen ons bereik
komen… Wat vindt Hij daarvan? Maar
na het luisteren komt dan het handelen. God gaat niet in mijn plaats naar mijn
werk, Hij neemt niet mijn taak over in het gezin; Hij gaat niet in mijn plaats
een goedendag zeggen bij een eenzame, bejaarde of zieke buur, Hij heeft geen
geld in zijn geldbeugel of op zijn bankrekening om een bepaald project te
steunen… Hij gaat mijn taak niet overnemen binnen de parochie, voor
ziekenzorg, Hij bemoedigt niet in mijn plaats de priesters of leken die zich
inzetten voor de kerk in mijn omgeving, de Kerk in Vlaanderen of op de
vreemde… God
doet zijn werk. En Hij doet het goed. Maar onze betrachting moet het zijn Hem te
behagen. Nogmaals, we moeten niet onze eigen plannen willen doordrukken en we
moeten anderzijds niet passief de zaken maar laten draaien en te menen: God zal
er wel voor zorgen. We moeten luisteren, ons afvragen wat God verlangt, en dan
aan het werk gaan. Vol vertrouwen dat binnen Gods verlangen alles zo goed
mogelijk zal verlopen. Met die innerlijke vrede mogen wij op weg gaan in het
gebed en in de actie. Aanbidding en strijd, het was ooit een slagwoord in Taizé.
Kerken en werken, zei men in de Middeleeuwen, ora et labora, bidden en werken.
Laten we zo op weg gaan: luisteren naar God en dan ons laten zenden daar waar we
leven. (bvv) FEEST
VAN DE HEILIGE DRIEËENHEID (Eerste
zondag na Pinksteren) (11/06/2006) Deut.4,32-34.39-40
/ Ps.33,4-5.6.9.18-19.22.22 / Rom.8,14-17 / Mt. 28,16-20 De
zending, de wereldwijde zending die Jezus aan zijn leerlingen meegeeft, om alle
volkeren tot zijn leerlingen te maken, bij Hem in de leer te komen en Hem te
volgen, die zending loopt uit op het doopsel in de naam van de Vader en de Zoon
en de heilige Geest en de opdracht om te onderhouden wat Jezus opgedragen heeft. Gedoopt
worden, ondergedompeld worden in de Vader, de Zoon en de heilige Geest is iets
dat velen van ons is overkomen toen we nog onbewust waren, nog niet vrij konden
beslissen. Wij hebben die doopbeloften telkens wel vernieuwd met Pasen. Maar wat
het inhoudt ondergedompeld zijn, toegewijd zijn aan de Vader en de Zoon en de heilige
Geest is niet altijd direct begrijpbaar en beleefbaar. D Wat Paulus ons schrijft
in de Romeinenbrief maakt een en ander een beetje duidelijker. We zijn kinderen
van God. We zijn dat wanneer wij ons laten leiden door de Geest van God, de
heilige Geest die Hij in ons hart heeft uitgestort door de verdiensten van
Jezus. En die Geest van God bidt in ons met de woorden waarmee Jezus tot de
Vader bad: “Abba – Vader”. Samen
met Christus, zo schrijft Paulus, zijn wij kinderen van God en dus ook
erfgenamen: erfgenamen van God. Wij delen in zijn lijden, in de verdiensten van
zijn lijden en wij zullen ook delen in de genade van zijn verrijzenis. Onze
eenheid met Christus, maakt dat wij erfgenamen zijn van God. Wij
kunnen geleerde zaken lezen over het mysterie van de Drievuldigheid, van de Drieëne
God, maar voor ons komt het erop aan
ons te doordringen van dat Bijbelse gegeven en van de christelijke leer dat er
maar één God is. Maar wij willen ons ook laten doordringen van het mysterie
dat de drieëne God ook drie personen is: Vader, Zoon en heilige Geest. En met
ieder van hen kunnen wij een relatie aangaan. Wij mogen bidden tot de vader, Hem
danken voor zijn liefde, voor het vertrouwen dat Hij ons schenkt, de
geborgenheid, de zekerheid van zijn trouw en barmhartigheid. Maar wij mogen
evenzeer bidden tot Jezus, onze Heiland, de Zoon van God die zich voor ons
gegeven heeft tot het uiterste, die ons over de Vader gesproken heeft en ons
voorgeleefd heeft hoe wij als kind van God kunnen leven. En tenslotte mogen wij
ook tot een persoonlijke relatie komen met de Heilige Geest, die niet gewoon een
kracht is maar een persoon, die ons wil leiden, die in ons bidt, die wij kunnen
bedroeven als we onze eigen wegen gaan en niet de weg naar het geluk, niet de
weg volgens Gods verlangen. En toch geloven wij maar in één God: Vader, Zoon
en heilige Geest, mysterie van liefde. Wij hoeven ons verstand daar niet op te
breken, maar als gelovige mensen gewoon op weg gaan met dat mysterie over zijn
wezen dat God ons heeft willen openbaren. Onze God is geen eenzame God, maar is
gemeenzaamheid: Vader, Zoon en heilige Geest. En als Gods kinderen mogen wij ons
geborgen weten in dat mysterie van liefde. Aan Hem mogen wij ons toevertrouwen
telkens wij ons het kruisteken maken in de Naam van de Vader en de Zoon en de
heilige Geest. (bvvossel) Jaar
B
ZONDAG 10 door het Jaar (11/06/2006) Aan
de mensen had men in vroeger tijden een goede manier geleerd om te onderscheiden
of ze iets moesten doen of niet, of iets goed was of iets slechts. Men moest
namelijk uitgaan van de nu wat simpel klinkende vraag: “Ben je van God of ben
je van de duivel”. Dualistisch denken, kan je zeggen, maar toch getuigend van
een verlangen om in de waarheid te staan en om te onderscheiden of men zich aan
iets of iemand kan toevertrouwen… Sta je aan de kant van God, of heb je iets
anders voor? Maar
natuurlijk zitten wij, mensen, wel zo ingewikkeld in elkaar dat die vraag niet
altijd zo eenlijnig te beantwoorden is. De motieven van mensen liggen wel eens
ingewikkelder. En men kan het goed voorhebben maar er toch een verkeerde of
dubbelzinnige houding of gedraging op nahouden. Is Ben Laden van God of van de
duivel? Zijn leven staat in het teken van ‘God is groot’, ‘Allah akbar’.
Maar zijn daden geven vooral blijk van ‘Dood aan de Westerlingen’ en ‘over
lijken, ook van onschuldigen, als het maar nadeel berokkent aan de
Amerikanen’. Dan wordt het wat moeilijk om te onderscheiden: Ben je van God of
ben je van de duivel? Maar hoe zit het met Bush en Amerika, en hoe zit het met
onze Westerse beschavingen? En hoe zit het met de christenen, met de kerk, met
de invulling en de motieven die ons eigen leven bezielen en leiden? Jezus vraagt
dat we ons verstand ook wat gebruiken om daarbij te onderscheiden. “Ik ga toch
de duivel niet de duivel aandoen als ik aan de kant van de duivel sta? Wees toch
eens wijs.” (En wat dat uitroeien betreft van het kwaad, daar stelt Jezus
ergens dat het inderdaad soms heel moeilijk is om vanuit menselijke beperktheid
te oordelen: Laat het groeien en Gods oordeel zal wel uitmaken of het binnen
zijn verlangen viel of er helemaal buiten.) Maar
dan zien we in een tweede perikoop waar het Jezus om te doen is, en wat wij
moeten doen als we echt tot zijn kring, tot zijn familie willen behoren. We
zouden met deze korte zin deze week echt eens op stap moeten gaan: “Mijn broer
en mijn zus en mijn moeder zijn zij die de wil van God volbrengen”. Voilà, zo
simpel is dat. Natuurlijk kunnen we dan weer beginnen vragen: Ja, maar wat wil
God nu juist? Moet ik dit of moet ik dàt? Maar
dat zijn maar tweede en derde vragen. De eerste vraag is: wil ik deze week echt
de wil van de Vader doen? Ja of nee? Daar moeten wij op antwoorden. “Ja” op
antwoorden. Je wil immers tot Jezus verwanten behoren, je wil immers verbonden
zijn met de Wijnstok, verbonden met Hem die voor jou gestorven is opdat jij het
echte leven zou kunnen binnentreden. Wil je deze week echt de wil van God doen?
Zeg dat dan aan God. Misschien met de woorden van Charles de Foucauld: “Vader,
ik geef me geheel aan U. ‘k Leg heel mijn leven in uw hand. Laat uw wil aan
mij geschieden. Dat is alles wat ik verlang”. Kijk dan naar Jezus, hoe Hij
doorheen alles en in alle omstandigheden, ook wanneer het moeilijk was, ook als
ze Hem op de vingers zaten te kijken om Hem ergens van te kunnen beschuldigen,
ook wanneer Hij door zijn trouw aan God zijn leven riskeerde… hoe Hij in alles
en in alle omstandigheden het verlangen van de Vader deed.
Vraag Hem om de heilige Geest. Wij hebben nog maar pas Pinksteren
gevierd. Hij is de Helper die Jezus ons beloofd heeft en die reeds in het Oude
Testament was beloofd. Hij zal ons helpen om vanuit Jezus’ gezindheid te
groeien in het doen van de wil van God. Priester Poppe had een heel eenvoudige
definitie van heiligheid: “Heiligheid is op elk moment de wil doen van de
Vader”. Zo eenvoudig is het, maar zo moeilijk om dat in praktijk te brengen.
Bid dan om de heilige Geest: Kom, heilige Geest, toon mij de wil van de Vader en
help mij om Hem te beleven en met Maria te zeggen: mij geschiede naar uw woord.
(ben van vossel) Jaar
B
PAASZONDAG 7 Het is de laatste Paaszondag en hoewel de Kerk weet dat het essentiële, het echt wezenlijke en belangrijke voor de Kerk nog moet gehbeuren, nl. de komst van de Heilige Geest, opdat de Kerk voldoende innerlijke kracht zou hebben en de stuwkracht om het Blijde Nieuws van Gods liefde te brengen naar de hele wereld… ondanks dat de Kerk dat weet, laat ze in de lezingen van vandaag zien wat er haar te doen staat en waar ze aan moet vasthouden. Door de lezing uit de Handelingen laat ze ons zien dat de Kerk in het verlengde wil staan van de gemeenschap rond Jezus en dat ze zich wat moet organiseren. Ze hebben dus een twaalfde apostel gekozen. Later zal dat niet meer zo belangrijk blijken, maar het is goed dat we weten: de kerk heeft ook wat organisatie nodig, ze bestaat uit mensen en ze situeert zich immers in de wereld. In de psalm, de tussenzang worden we echter uitgenodigd ook naar de hemel te blijven opkijken, want dààr horen wij thuis, vandaar komt alle zegen, dààr troont onze Redder en voorganger, Christus. Maar ondertussen moeten we hier verder. En zowel in de tweede lezing als in het evangelie krijgen we een kostbaar inzicht. In de eerste brief van Johannes worden ons vandaag enige belangrijke zaken aangereikt: Ten eerste : de liefde, de broederliefde, de naastenliefde. Dit wordt het ultieme bewijs dat wij met God verbonden leven. Dus niet ons gevecht voor God (die heeft ons echt niet nodig om zijn rechten te vrijwaren; het is niet de mier die de olifant gaat redden), maar onze inzet voor de medemens, dat is het bewijs dat God in ons verblijft en dat Hij ons deel heeft gegeven aan zijn Geest. En daarom dat tweede verbijsterend inzicht: want… God is liefde! En daarbij dan dat andere inzicht;: Jezus is de Zoon van God, als je dat begrepen hebt, dat Jezus de Gezondene was van de Vader, dan heb je Gods liefdeplan reeds goed begrepen. Want in Jezus heeft God getoond dat Hij liefde is en dat wordt dan voor ons de grote inspiratie- en krachtbron om zelf ook in de liefde te blijven. En tenslotte is er het evangelie. Het gebed van Jezus voor ons, het gebed van Jezus voor zijn gemeenschap. Dat is de grote en blijvende energiebron van waaruit wij mogen leven. We staan er niet alleen voor. Hij blijft onze voorspreker bij de Vader. Hij heeft zich volledig aan God toegewijd opdat wij aan God toegewijd zouden kunnen leven. Maar toch worden wij de wereld ingestuurd! Dat was Jezus’ zending en het is de zending van de Jezusgemeenschap, de zending van ieder van ons. In de wereld, middenin die wereld die zoveel facetten heeft, boeiende, kleurrijke en ook afstotende kentekenen. Er leven woorden van haat en woorden van tedere en oprecht liefde, er is reactie tegen geweld en racisme, en tegelijk is er veel geweld en discriminatie… Middenin die wereld worden wij gezonden om – in alle nederigheid en bewust van eigen zwakheid – het evangelie van Gods liefde te beleven en – waar het kan – ook te verkondigen, met woorden die harten kunnen raken en die geworteld zijn in een oprecht beleefd leven van broederlijkheid en promotie van de mens, speciaal van de arme en verdrukte. Het is een boeiende opdracht en een boodschap die ons zelf een hart onder riem steekt: Jezus spreekt voor ons ten beste en … maar dat is voor volgende zondag: Hij zendt de heilige Geest om ons van binnenuit te inspireren, te sterken, te leven vanuit de persoonlijke en gemeenschappelijke verbondenheid met onze God en Vader en onze Heer en Redder, Jezus Christus. Bidden wij deze week telkens en telkens opnieuw: Kom, heilige Geest! (bvv) Jaar
B
Hemelvaartsdag Ik
heb de weg gebaand. Nu is het jullie beurt. Het zou hun niet lukken om als Jezus’ volgelingen te leven, om het evangelie in praktijk te brengen. En bovendien zou het hun niet lukken om het Blijde Nieuws over te brengen naar anderen. Op zo’n manier dat mensen tot bekering zouden komen. Jezus had de krijtlijnen getrokken voor een leven dat God welgevallig is, dat zou openbloeien volgens heel de rijkdom die erin gelegd was. Hij had de weg aangewezen: een weg van vertrouwen op God, een weg van edelmoedigheid en broederlijkheid. Door zijn levensoffer had Hij ook mogelijk gemaakt dat Gods Geest op een nieuwe wijze over mensenharten kon komen en hen inpalmen voor God en voor zijn Rijk, zijn verlangen. Daarom kan Hij nu aan zijn volgelingen een nieuwe Helper beloven, “de Geest der Waarheid om voor altijd bij u te blijven”, zegt Hij. Want anders zou het hun echt niet lukken. Daarvoor is die weg een te veeleisende weg voor onszelf en voor de anderen. De mensen zijn bijvoorbeeld van nature niet geneigd tot broederlijkheid. Zij vinden het wel fijn, als het bestaat. Zij vinden het wel fijn wanneer er liefde is tussen mensen… Maar in het menselijk hart blijft ook altijd die neiging om voor zichzelf het beste te grijpen, om eigen voordeel te zoeken, om uit te sluiten wie er onze welvaart in de weg staat… Zij houden het niet altijd vol om liefdevol en trouw te zijn op elk moment. Het evangelie heeft voor veel mensen wel zijn bekoorlijke kanten, maar om die weg zelf te gaan over heel de lijn… dat vinden ze vaak wel teveel gevraagd. En dan ga je mensen niet overtuigen met verstandsargumenten. Het is het hart zelf van de mens dat moet veranderen. En dat kunnen wij niet. Dat kan enkel Gods genade. Dat kan enkel Gods Geest bewerken. Dat is de krachtcentrale van waaruit wijzelf in staat worden gesteld om als christen te leven, het is ook de krachtcentrale van waaruit we de inspiratie en de kracht en de liefde krijgen om anderen tot het licht te brengen, tot bekering. Opdat ook zij God gaan zien als een God van liefde en trouw, opdat ook wij Jezus gaan erkennen als de enige redder van de mens en opdat ook wij ontvankelijk worden voor Gods Geest om zo Jezus’ spoor te kunnen volgen doorheen het leven. Morgen begin de Pinksternoveen. Laten wij deze 9 dagen vaak bidden: “Kom, heilige Geest. Kom over ons. Kom over de Kerk. Kom over de wereld. Vernieuw het gelaat van de aarde, opdat ze Gods welbehagen mag hebben doordat ze Jezus’ gelaat weerspiegelt. Bewerk het, heilige Geest. Kom heilige Geest". (bvv) Jaar
B
Paaszondag 6 Jezus
staat als het ware op vertrekken, of, laat ons zeggen Hij
zal toch voor een tijd niet meer lijfelijk te zien en te horen zijn. Maar
wat Hij begonnen is en wat Hij tot stand heeft gebracht, dat
moet nu door zijn mensen beleefd worden en verder gezet. Het
nieuwe zaad is gezaaid, nu moet het vrucht dragen in
de mensen en in de wereld… Het
nieuwe zaad, de vruchten, de nieuwe geest, de
nieuwe aarde, de nieuwe mens… Het
is bijna lachwekkend van zo’n opdracht te
zien toevertrouwen aan wat eenvoudige mensen uit
Galilea voornamelijk, in dat onooglijk kleine land… Van
daaruit moet de aarde vernieuwd worden. Maar
met deze opdracht krijgen ze ook de innerlijke kracht mee die
hen moet leiden en bezielen. Blijf
in mijn liefde, zegt Jezus. Jullie
zullen in mijn liefde blijven jullie
zullen voluit op Mij kunnen rekenen als
je mijn geboden, mijn richtsnoer onderhoudt. En
wat is dat richtsnoer? “Dit
is mijn gebod, dat
gij elkaar liefhebt zoals Ik u heb liefgehad!” Simpel
toch? Ja,
als geschreven of gesproken woord is het heel eenvoudig, zo
eenvoudig als te zeggen: “Ik hou van je”. Maar
om dat waar te maken met je leven, in
goede en kwade dagen, dagen dat je je goed voelt, dagen
dat alles zwaar valt, dagen van verveling, dagen
van verleiding. Dagen
waarop alles zo troosteloos is, wanneer
er tegenslagen komen of meningsverschillen, of
je wilt eens iets anders, of alles begint te wegen of
wanneer er nogal scherpe en kwetsende woorden vielen… Gij
zijt mijn vrienden als ge doet wat Ik u opdraag. Dit
is mijn gebod dat gij elkaar liefhebt… Een
opdracht voor heel je leven en
waar je voortdurend aan moet werken. Ik
vermoed, vrienden, dat we zullen moeten vragen om
wat Jezus beloofde: kracht uit de hoge, de heilige Geest. Pas
dan zullen we deze eenvoudige maar bovenmenselijke opdracht tot
een enigszins goed einde kunnen brengen, van
dag tot dag, met vallen en opstaan… Dat
gij elkaar liefhebt zoals Ik u heb liefgehad. Stilaan
moet de wereld tot Gods wereld worden door
Jezus woord in praktijk te brengen in
de kracht van de heilige Geest. “Ik
heb u uitgekozen en u de taak gegeven op
tocht te gaan en vruchten voort te brengen die
blijvend mogen zijn”. Je
ziet in de lente de bomen stilaan groen worden, de
vogels laten hun mooiste melodieën horen, de
bloemen en groenten tooien de rest van de natuur… Onze
aarde is nu vaak een woestijn van geweld, van
onwetendheid, dreigende woorden en ontrouw. Ze
moet worden tot een gezegende plaats waar
het goed om wonen is. Jezus
heeft die mogelijkheid geschapen door zijn heilswerk. Nu
zend Hij ons om dat werk verder zichtbaar te maken. De
Vader zal ons alles geven wat wij in Jezus’ naam vragen. En
waar hebben wij meer nood aan dan aan de inspiratie, de
volharding, de zachtheid, de liefde, de
innerlijke kracht van de heilige Geest. Bidden
wij dat Pinksteren nieuwe
bezieling mag brengen om
met vele anderen te bouwen aan een nieuwe wereld. (ben
van vossel cssr) Jaar
B
Paaszondag 5 Een christen is iemand die zijn leven op Christus bouwt. Hij weet dat hij door Jezus is gered. Door Jezus kan leven nu openbloeien en aangenaam zijn aan God. Een christen vindt zijn zekerheid in zijn geloof in Christus. Hij weet dat dankzij Christus zijn leven in Gods hand is geborgen; dat heel zijn leven op elk ogenblik waardvol is in Gods ogen dankzij
de toewijding aan Christus. Dit is allemaal wat ingewikkeld uitgedrukt. Jezus zegt het met een eenvoudig beeld. “Ik ben de wijnstok”, zegt Hij, “gij zijt de ranken”. Het is een beeld waardoor Hij de eenheid van zijn mensen met zichzelf duidelijk maakt. Er is echte eenheid tussen Hem en ons, als wij ons leven op Hem bouwen, ons leven aan Hem toewijden. Zijn
leven en heiligheid vloeien over in ons… Wat
betekent die eenheid, die gemeenschap met Christus? Op elk ogenblik mogen wij Hem in ons aanwezig weten. “Blijf in Mij, dan blijf Ik in u”. Op elk ogenblik mogen wij ook beroep doen op zijn kracht om te weerstaan aan het kwaad en om het goede te doen. “Wie in Mij blijft terwil Ik blijf in hem, die draagt veel vrucht, want
los van Mij kunt gij niets”. Op elk ogenblik weten wij ons – omwille van Christus - aanvaard
door de Vader. En wij mogen ook beroep doen op het grote geschenk dat wij van de Vader mogen ontvangen: de
heilige Geest, het goddelijk leven in ons. Wij mogen ons daar gelukkig en blij om voelen. Die eenheid met Christus is inderdaad de diepe bron van vreugde en vrede, aanwezig in ons hart. Maar steeds moeten wij ons er ook van bewust blijven dat al het goede, het echte goede dat wij mogen doen, vanuit de invloed van Jezus voortkomt: de rank kan geen vrucht dragen als
ze niet verbonden blijft met de wijnstok. Verbonden blijven met Christus: met Hem spreken, zijn woorden lezen en overwegen, Hem ontmoeten in de Eucharistie, Hem dienen in de geringste van zijn broeders… Ons leven kan geen vrucht dragen vanuit onszelf, geen echte geestelijke vrucht als
wij niet met Jezus verbonden blijven. Deze waarschuwing zet Jezus zelf er bij, opdat ons leven niet zonder vrucht zou zijn als een verdorde rank. Als iemand niet in Mij blijft wordt hij weggeworpen als rank en verdort… Ons leven heeft geen echte positieve invloed meer als wij als christen niet echt met Jezus verbonden blijven: als wij op andere zekerheden gaan bouwen, als wij voortdurend handelen tegen wat Hij ons leerde… Wij maken onszelf los van Hem en dan gaat er geen kracht meer uit van ons christelijk leven. B lijf
verbonden met de Heer! Jezus nodigt er ons toe uit en zet er ook een beloning bij, een belofte: “Als gij in Mij blijft en mijn woorden in u blijven vraag dan wat gij wilt en gij zult het krijgen”. Dit slaat op de eerste plaats op de geestelijke gaven, op de vruchten van heiligheid, naastenliefde en op de kracht van uw christelijk levensgetuigenis. Hierdoor wordt mijn Vader verheerlijkt dat
gij rijke vruchten draagt; zo zult gij mijn leerlingen zijn. Jezus is de wijnstok, wij zijn de ranken. Ons leven wordt vruchtbaar voor God en de mensen als wij met Hem verbonden blijven. Dat is de oproep van deze zondag! Laten wij het ter harte nemen en onze relatie met Jezus vernieuwen. (ben
van vossel cssr)
Jaar
B
Paaszondag 4 Deze
4de Paaszondag noemt men ook wel eens de
zondag van de Goede Herder. De
Kerk stelt deze zondag dan ook in
het teken van roepingen tot
priesterschap en missionarisleven. Priesters
en missionarissen moesten als goede herders zorg
dragen voor de kudde van de Heer. Wij
mogen ook vandaag bidden voor de priesters en
aan God vragen dat Hij mensen blijft roepen tot
die verantwoordelijke taak. Misschien
bidden we wat te weinig om priesters, misschien
bidden we wat te weinig voor onze priesters. Vaak
vergeten we ook het volgende: door
ons doopsel delen wij allen eveneens in
het priesterschap, het herderschap van Jezus. Allen
zijn wij sinds ons doopsel geroepen om
zorg te dragen voor onze medemensen, ook
voor hun geestelijk heil. Wij
moeten voor de noden van Kerk en wereld. Daarom
doen we de voorbeden in de zondagseucharistie. En
in ons persoonlijk gebed en ons gezinsgebed mogen
wij de noden van mensen en van de kerk naar
God toebrengen en vragen: wij
bidden U, verhoor ons, Heer. Vrienden,
wij zijn allen herders voor elkaar! Wij
zijn verantwoordelijk voor elkaar. Wij
moeten het geestelijk heil van onze medemensen tot
ons hart laten komen. Daarom
zullen wij getuigen moeten zijn, met
ons woord en door onze manier van leven. Wij
zijn herders voor elkaar. Het
is onze opdracht sedert wij christen zijn, sedert
wij tot Christus gezelschap behoren. Hoe
kunnen wij echter concreet herder zijn? -
Man en vrouw moeten herder zijn voor elkaar in het huwelijk. Elkaar gelukkig
maken en elkaar –
voor zover het mogelijk is – ook
helpen om volgens Gods verlangen te leven, elkaar
te helpen om christen te zijn. -
Ouders moeten herders zijn voor hun kinderen. Ze
zorgen voor hun materieel welzijn, voor
hun gezonde psychologische begeleiding, met
voldoende warmte en geborgenheid; maar
zij mogen ook hun eigen geloof doorgeven, er
van getuigen door erover te spreken en
hun kind in te leiden in de rijkdom van het geloof, maar
vooral door het zelf voor te leven. -
Wij allen vergeten vaak hoe belangrijk het is om
door ons leven te getuigen van ons geloof. Wij
helpen elkaar te geloven en trouw te zijn aan de Heer, door
zelf trouw te zijn aan deze wekelijkse samenkomsten: zo
steunen wij elkaar in het gelovig zijn. -
Een kenmerk van Jezus’ herderschap is dat
Hij niet op de vlucht ging als zijn kudde werd aangevallen: Hij
verdedigde zijn kudde, Hij
zette er zich voor in met heel zijn leven. En
Jezus bad ook voor zijn leerlingen. Ouders
moeten dat ook doen voor elkaar en
voor hun kinderen. En wij allen moeten bidden voor elkaar, voor
de mensen die ons zijn toevertrouwd, voor
onze collega’s, voor de mensen die we ontmoeten… Heer,
zegen hen, breng hen tot het echte heil. (bvv cssr)
Jaar
B Zondag
2 Pasen 23/04/2006 Hand.3,13-15.17-19 / 1 Joh.2,1-5a / Lk.24,35-48 Jezus die gekruisigd is en begraven zou verrezen zijn? Niet te geloven. Kan niet waar zijn! Deze reacties van ongeloof of twijfel zijn niet pas begonnen wanneer vijanden van het christendom daar hun twijfels over uitspraken. Nee, deze twijfels en dat ongeloof waren er bij de eerste christenen, en ze staan zelfs opgetekend in het Nieuwe Testament. Denk aan de reactie van Thomas. “Als ik de wonden in zijn handen niet zie. Als ik mijn hand niet in zijn doorstoken zijde kan leggen, zal ik zeker niet geloven”. Maar dan klinkt tegelijk ook het eenstemmig getuigenis door de mond van Petrus: de Vorst van het leven hebt gij gedood. God heeft Hem evenwel uit de doden doen opstaan; daarvan zijn wij getuigen! En Jezus zelf gaat de onthutste, twijfelende, niet begrijpende leerlingen helpen om in te zien dat wat er gebeurd is: de verwerping van Jezus door het volk, zijn lijden en sterven en ook zijn verrijzenis op de derde dag, dat dit alles reeds in de schrift lag besloten… Hij maakte hun geest toegankelijk voor het begrijpen van de schriften… Hier kunnen we reeds aanvoelen hoe belangrijk de komst van de heilige geest zal zijn voor de leerlingen en voor allen die in hun spoor in Jezus en in zijn verrijzenis zullen geloven. Hij zal Jezus’ woorden in herinnering roepen, maar ook inzicht geven in de heilige Schrift. Voor de Joodse mensen was het onbegrijpelijk, was het een niet te verteren zaak dat God zijn Messias in de steek zou laten en zou toelaten dat die zou worden gedood. Voor de heidense mensen was het een schande, een dwaasheid dat Gods Zoon zou gedood worden. De leerlingen gaan, dankzij het nieuwe licht dat ze krijgen om de schrift te verstaan, inzien dat het Gods plan was om door Jezus totale gegevenheid de mensheid weer op weg naar God te zetten, de mensheid weer op het spoor naar God te zetten, ze weer bekwaam te maken om aan Gods verlangen te voldoen. Jezus totale toewijding aan Gods verlangen, zal de mensheid vrijmaken van alle verwerping van God, van elk ‘nee’ aan God, van alle belediging van Gods liefde. “Te beginnen met Jeruzalem moet gij van dit alles getuigen.” Getuigen van Gods liefde door alles heen, ook doorheen onze verwerping van Hem, doorheen onze zonde. tegenover onze onliefde staat Gods barmhartigheid. Jezus heeft door zijn groot “Ja” alles weer recht getrokken. Als wij willen, kunnen wij weer aan God behagen, kunnen wij weer de weg gaan waarover Hij tevreden kan zijn. In Jezus hebben wij weer toegang tot Gods hart… Vertel het aan de mensen. Jezus maakt alles weer goed. (bvv) Zondag
2 Pasen 23/04/2006 Hand. 4,32-35 / 1 Joh. 5,1-6 / Joh. 20,19-31 In de eerste lezing, genomen uit de Handelingen van de apostelen, wordt ons door de eerste christenen direct gezegd wat de christenen moet typeren. Het gaat daar over de eenheid tussen de christenen en de daadwerkelijke broederliefde, de aandacht voor de minstbedeelden. En anderzijds wordt ons gezegd: "Met kracht en klem legden de apostelen getuigenis af van de verrijzenis van de Heer Jezus" In een lezing uit de eerste Johannesbrief wordt ongeveer hetzelfde gezegd: ieder die gelooft dat Jezus de verlosser is, is een kind van God. En daar wordt dan ook aan toegevoegd: willen wij God liefhebben en zijn geboden onderhouden dan moeten wij ook Gods kinderen liefhebben. Dat is onze maatstaf! Geloven dat Jezus de verlosser is, geloven dat Jezus verrezen is. Het gaat om het geloof dat in Jezus, in zjn leven, zijn lijden en sterven en verrijzen, God ons verlost heeft van alles wat ons belette om Gods welbehagen te hebben. In Jezus zijn wij met God verzoend. Jezus is de brug naar de Vader, de enige! Het is dan ook niet bijkomstig al of niet ge geloven in de verrijzenis van Jezus. Daarom is het belangrijk dat de apostel Thomas, om echt aan de basis te staan van het christelijk getuigenis, ook de ervaring meemaakt van de verrijzenis van de Heer Jezus. Hij spreekt dan trouwens een ongemeen sterk getuigenis uit over Jezus: “Mijn Heer en mijn God”. In de tijd waarin het Johannesevangelie werd voltooid, kon deze geloofsbelijdenis inderdaad reeds uitgesproken worden. Jezus is verrezen. Daarvan zijn wij allen getuigen zal Petrus preken op Pinksterdag. In Jezus hebben wij toegang tot de Vader. Jezus heeft al onze zondigheid en onze kleinheid op zich genomen. In Hem ontvangen wij de heilige Geest die ons zal leiden op de weg van Gods verlangen… En aanvullend bij dit sterke geloof in Jezus, de Gezondene van de Vader, de Heiland van de wereld, is er de beleving van de naastenliefde. Jezus had dit als een soort van testament aan zijn leerlingen meegegeven: “34 Een nieuw gebod geef Ik u: gij moet elkaar liefhebben, zoals Ik u heb liefgehad, zo moet ook gij elkaar liefhebben. 35 Hieruit zullen allen kunnen opmaken, dat gij mijn leerlingen zijt: als gij de liefde onder elkaar bewaart.” (Joh.13,34-35) En het is dan ook treffend dat die broederliefde en naastenliefde die eerste christengemeenschap typeert. Voor ons blijven dit echter twee permanente opdrachten. Geloven dat zonder Jezus de mensheid geen toekomst zou hebben. Hij is de Heiland van de hele wereld. En het is onze opdracht dit te blijven verkondigen: de Heer is verrezen. Hij is waarlijk verrezen. God heeft over het leven van Jezus het Ja van de verrijzenis uitgesproken. Dit is mijn welbeminde Zoon: luister naar Hem. En de broederliefde, de eenheid tussen christenen, in onze eigen kerk, tussen kerkelijke groeperingen, verdraagzaamheid in onze parochie, tussen spiritualiteitgroepen… Een opdracht met grote verantwoordelijkheid, want er is niets dat mensen zozeer afstoot van de kerkgemeenschap, als de onenigheid in de kerk of tussen christenen. Waar kom ik daaraan te kort? Waar is mijn eigen groep kortzichtig, onverdraagzaam, niet tot samenwerking geneigd? Wat zou de wil van de Vader zijn? In welke richting zou de geest van Jezus ons willen leiden? Ga ik mee die stappen zetten die de Heer graag zou hebben? Laat ik zelf Hem maar het antwoord geven, hier en nu. (bvv)
WITTE
DONDERDAG
Op
zondag, de Dag van de verrijzenis van onze Heer Jezus Christus, komen wij iedere
week samen omdat Jezus het ons gevraagd heeft op deze avond van Witte donderdag.
Hij heeft toen tijdens het Laatste avondmaal met zijn vrienden, voor het eerst
het brood gebroken en het doorgegeven met deze woorden: “Neemt en eet, dit is
mijn lichaam, doe dit om Mij te gedenken”. En op het einde van de maaltijd ook
de beker der zegening: “Dit is mijn bloed dat voor U en alle mensen wordt
vergoten tot vergeving van de zonden. Blijf dit doen om Mij te gedenken”.
Jezus wil bij ons blijven als brood van eeuwig leven, als bloed van het
nieuwe altijddurende verbond tussen God en ons.
En
vrienden, op zo’n avond is het toch wel goed dat wij voor Jezus knielen om
ons leven helemaal voor Hem open te leggen en te zeggen: “Jezus, ik geef U
alle macht over mijn leven; ik vraag U dat Gij mijn leven in handen wilt nemen.
Ik erken dat ik zonder U niet kan beantwoorden aan het verlangen van de Vader.
Jezus, red mij, heilig mij door uw Geest. Gij alleen hebt het geheim van de
echte vrede des harten en van de echte en overvloedige vreugde”. Het is een
uitnodiging om van harte christen te worden, deze avond, mensen die hun leven
aan Jezus hebben toevertrouwd, helemaal. Als
we ons leven aan Hem hebben toevertrouwd, willen wij Hem ook navolgen. Door de
kracht van de heilige Geest willen wij het kwaad vermijden en Gods verlangen
doen, wij willen Jezus ook volgen in wat Hij zijn nieuw gebod noemt: “Gij moet
elkaar liefhebben zoals Ik u heb liefgehad!” Dat
is natuurlijk niet te doen, maar laat er ons toch maar aan beginnen. Jezus de
kans geven om door ons onze medemens lief te hebben, er zorg voor te dragen, te
helpen in nood, de nodige attentie geven… Geen mens uitsluiten, mensen nieuwe
kansen geven, kunnen vergeven… En
tussendoor natuurlijk ook weten dat wijzelf ook door God bemind worden. Dat zal
trouwens de energie geven, de innerlijke zielskracht om ook van onze medemensen
te houden. Laten
we dan vanuit de ontmoeting met Jezus, vanuit onze onvoorwaardelijke toewijding
aan Hem, ook zijn broeders en zusters liefhebben. Een heerlijke opdracht op deze
vooravond van Jezus’ levensoffer. (bvv) Vermoedelijk
in navolging van de Joodse gemeenschap van Qumran en van Johannes de doper,
heeft Jezus een dag eerder dan de officiële kringen van Jeruzalem het Paasmaal
gevierd. Het maal was in gereedheid gebracht door de leerlingen zelf. En wanneer
ze dan aan tafel gingen heeft de jongste, misschien Johannes, gevraagd.
“Meester, waarom is deze avond zo anders dan de andere. Waarom de bittere
kruiden? Waarom het ongedesemd brood? Waarom het Paaslam?” … En Jezus heeft
dan zoals elke familievader het verhaal verteld van Abraham de zwervende Arameeër,
de redding door God uit de verdrukking in Egypte, de uittocht, de doortocht door
de rietzee … Maar
het was een speciaal Paasmaal. Dat men in die stoffige streek de voeten waste
voor een feest, was normaal. Maar dat Jezus zelf, de meester dit zou doen, dat
slavenwerk. De apostelen, Petrus in het bijzonder, hebben het er moeilijk mee.
Maar Jezus wou hun – en ons een duidelijk onderricht geven, een aanschouwelijk
onderricht. De nederige dienst aan elkaar moet jullie kenmerken. “Jullie
noemen mij terecht Meester en Leraar, maar Ik heb jullie een voorbeeld willen
geven opdat je zou doen zoals Ik jullie heb gedaan…” En
tijdens die maaltijd gebeurt er nog dit dat Jezus een stukje brood nam en die
wondere woorden uitsprak: “Neem en eet, dit is mijn Lichaam dat voor jullie
wordt overgeleverd. Doe dit tot gedachtenis aan Mij”. En op het einde neemt
Hij een van de voorgeschreven bekers wijn en geeft ook die door aan zijn
vrienden met de woorden: “Dit is de beker van het altijddurende verbond in
mijn bloed dat voor jullie en voor allen vergoten wordt tot vergeving van de
zonden. Blijf dit doen om Mij te gedenken”… Jezus
wil bij ons blijven als brood van eeuwig leven, als bloed van het nieuwe
altijddurende verbond tussen God en ons. Vrienden,
wij moeten niet wegblijven van dat wekelijks samenkomen in de Eucharistie, omdat
we ons daar dieper en dieper doordringen van dat ongelooflijke nieuws dat wij
door God bemind worden. Dit samenkomen is dan ook een dankbaar gedenken van
alles wat Jezus voor ons heeft volbracht. En
vrienden, op deze avond waarop Jezus zijn lijden ingaat is het toch wel goed dat
wij voor Hem knielen om ons leven
helemaal voor Hem open te leggen en te zeggen: “Jezus, ik geef U alle macht
over mijn leven; ik vraag U dat Gij mijn leven in handen wilt nemen. Ik erken
dat ik zonder U niet kan beantwoorden aan het verlangen van de Vader. Jezus, red
mij, heilig mij door uw Geest. Gij alleen hebt het geheim van de echte vrede des
harten en van de echte en overvloedige vreugde”. Het is een uitnodiging om van
harte christen te worden, deze avond, mensen die hun leven aan Jezus hebben
toevertrouwd, helemaal. Als
we ons leven aan Hem hebben toevertrouwd, willen wij Hem ook navolgen in wat Hij
zijn nieuw gebod noemt: “Gij moet elkaar liefhebben zoals Ik u heb
liefgehad!” Jezus de kans
geven om door ons onze medemens lief te hebben, er zorg voor te dragen, te
helpen in nood, de nodige attentie geven… Geen mens uitsluiten, mensen nieuwe
kansen geven, kunnen vergeven… De
wetenschap dat wijzelf ook door God bemind worden zal ons trouwens de energie
geven, de innerlijke zielskracht om ook van onze medemensen te houden. Een heerlijke opdracht op deze vooravond van Jezus’ levensoffer. (bvv)
JAAR
B ZONDAG 4 VEERTIGDAGENTIJD Wanneer je je voor iets hebt ingespannen, samengewerkt hebt om een vereniging op te richten, of kinderen hebt grootgebracht dan is de tijd rijp om het positieve resultaat van je inspanningen te zien en er als het ware van te genieten met een tevreden hart. Maar als juist dan de zaak failliet gaat, men je uit het bestuur van die vereniging zet, of als de kinderen zich dan van jou verwijderen, ondankbaar zijn en met jou zelfs niets meer willen te maken hebben… Dan stuikt als het ware je wereld in elkaar. In Jezus’ leven maken we vandaag in het evangelie iets dergelijks mee. Zijn werk begint vrucht te dragen, zelfs niet alleen bij zijn Joodse geloofsgenoten, maar er zijn zelfs heidenen die met Hem in contact willen treden: “We zouden Jezus graag spreken, zeggen ze… Maar op dat eigenste moment weet Jezus dat dit voor Hem het einde betekent. Hij drukt het uit in het beeld van de graankorrel die eerst moet sterven wil hij vrucht dragen. “Als de graankorrel niet in de aarde valt blijft hij alleen; maar als hij sterft brengt hij veel vrucht voort”. Jezus kent de wereld. Hij voorvoelt dat de vruchtbaarheid van zijn leven, dat de voltooiing van zijn levenstaak, noodgedwongen zal lopen langs verwerping, langs lijden en dood. Maar Hij gaat niet op de vlucht. Dat zegt Hij zeer duidelijk. “Nu is mijn ziel ontroerd. Wat moet ik zeggen? Vader, red mij uit dit uur? Maar daarom juist ben Ik tot dit uur gekomen. Vader, verheerlijk uw Naam.” Maar dit is zijn zekerheid: “Wanneer Ik van de aarde zal zijn omhooggeheven – Hij bedoelt zijn kruisdood die tegelijk zijn overwinning op zonde en dood zal zijn - Wanneer Ik van de aarde zal zijn omhooggeheven, zal ik allen tot Mij trekken”. Doorheen zijn levensoffer wordt Hij redder. Doorheen zijn levensoffer aan het kruis kan Hij heil brengen over alle mensen die zich voor Hem openstellen… Wanneer Ik van de aarde zal zijn omhooggeheven, zal ik allen tot Mij trekken. Vrienden, onze aanwezigheid in de zondagseucharistie is vaak een gewoonte, een goede gewoonte weliswaar, maar soms een soort van sleur. Wij willen dat vandaag eens opnieuw bekijken. Het echte heil is over ons gekomen doorheen Jezus’ levensoffer. Door Jezus kunnen wij putten aan de echte bron van vreugde en geluk. Wij willen nu aan Jezus onze dankbaarheid uitdrukken, desnoods met zeer eenvoudige woorden. Maar wij willen ook vragen dat Hij ons zou helpen opdat wij sterker met Hem verbonden zouden kunnen zijn. Dat Hij ons naar zich zou toetrekken. Wij willen Hem vragen dat Hij zijn hand op ons zou leggen opdat wij Hem helemaal zouden toebehoren. Want Hij is de Bron van heil. Bij het begin van onze bezinning verwees ik naar situaties van inzet en toewijding waaraan toch geen positief resultaat verbonden was. Wij maken dat soort zaken mee, in het klein en soms ook in het groot. Je inspannen voor iets, maar het resultaat slaat echt tegen. Als christenen zijn wij niet vrij van mislukkingen en ontgoochelingen. Wij mogen opkijken naar Jezus. Wij mogen onze eigen mislukkingen en ontgoochelingen naast deze van Jezus leggen. Wij mogen vanuit Hem nieuwe moed ontvangen, om niet totaal ontmoedigd te geraken, om onze weg verder te zetten, zelfs als ook daarna er nog ontgoochelingen volgen. Ons blijven inzetten voor het goede. In de zekerheid dat de Heer met ons meegaat, ook doorheen de donkere dagen, doorheen negativisme, kritiek en afwijzing. “Wil iemand Mij dienen, dan moet hij Mij volgen; waar Ik ben, daar zal ook mijn dienaar zijn”. Evenzeer zal het waar zijn dat waar gij zijt, ook de Heer wil zijn met zijn bemoediging, met zijn kracht en met innerlijke vreugde en vrede. Vanuit de stilte van het gebed zal die zekerheid meer en meer ons hart gaan innemen. (bvv)
JAAR
B ZONDAG 4 VEERTIGDAGENTIJD Je ziet het vooral aan het leven van vele anderen, van de massa, zeg maar, en je merkt het aan de media dat de wereld hier in het Westen wat aan het rondtollen is. Men is het juiste noorden kwijt. Dat geld misschien ook van heel wat christenen die ondertussen afgehaakt hebben en … soms merken we het ook aan onszelf. Ons leven mist diepgang. Ons leven mist die doorleefde relatie met God. Gelukkig is er toch ook nog heel wat goeds in diezelfde wereld en hopelijk ook in onszelf. De Geest van God blijft aan het werk. Maar als we het gebrek aan diepe vreugde, aan respect voor de kleine mens en het bedreigde leven vaststellen en het gebrek aan engagement voor het goede en voor wat enige moeite kost… dan mogen we wel eens de band leggen tussen leven zonder God en datgene waar het toe leidt… Die relatie legden ze in ieder geval in het Oude Testament. We hebben een paar rare uitwassen gezien de voorbije dagen. Tieners die een gehandicapte afrossen en er gsm-opnames van maken, voor de kick, vermoorde babytjes, mogelijke slachtoffers van een neonazibende, de telkens weer oplaaiende discussie rond euthanasie met enkele onmenselijke uitwassen… In het Oude Testament zei men, zie je waartoe het leidt als je God in de hoek zet, als je gaat leven zonder God in je persoonlijk leven en in de samenleving! En we moeten echt niet verwijzen naar de ziekelijke uitwassen van een godsdienst die aangewend wordt door fanatici die hun woede uitleven op de kap van onschuldigen. Gelukkig is er het goede nieuws waarover Paulus spreekt in de Efesiërsbrief: God, die rijk is aan ontferming, heeft ons wegens zijn grote liefde met Christus ten leven gewekt… God heeft de mens niet in de steek gelaten, hoewel de mens zich van Hem had afgewend. En de tegenwoordige afwending van God is voor God toch geen hinderpaal om de mens weer ter hulp te komen. Ook vandaag wil Hij de mens samen met Christus doen opstaan… Maar het zal dan duidelijk niet ons eigen werk zijn, al moeten wij ons door Hem laten grijpen en oprichten. Het zal Gods werk zijn. Ieder mens wordt vroeg of laat door God aangesproken, diep in zijn hart, om op dit of dat punt een keuze te maken, bijvoorbeeld om respect op te brengen voor zijn medemens, om de of die dienst te bewijzen, om in te gaan op een – misschien ongeweten – uitnodiging vanwege God diep in zijn hart… Dat moment betekent dan een fundamentele keuze om gehoor te geven aan Gods verlangen. Voor hen die expliciet God hebben leren kennen zoals Hij zich in Jezus heeft doen kennen, van hen wordt geloof gevraagd. Geloof betekent dat we ons leven bouwen op de keuze voor God in Jezus. Geloof betekent op weg gaan met de Heer, je leven stellen onder de heerschappij van Jezus Christus. En dat is een allesdoordringende keuze die men maakt en die men voortdurend te maken heeft. Gelukkig kan men groeien in die keuze, in dat levensvernieuwd engagement, wanneer men zich telkens weer aan God toevertrouwd in het gebed, wanneer men zich telkens weer verlaat op de leiding van de heilige Geest, die Jezus ons geschonken heeft… Wij mogen naar Jezus opkijken om genezen te worden van onze zwakheden en zonden, we mogen naar Hem opkijken om weer in het licht te kunnen wandelen, om de duisternis achter ons te laten en aan haar verlokking te kunnen weerstaan. Die keuze mogen wij vandaag maken. Door de leugen van de zonde en de onwaarden heenkijken, de waarheid doen om naar het licht te gaan waartoe God ons roept. Het licht dat kracht krijgt in onszelf, zal ook doorwerken in de wereld van vandaag. Dit is geen pretentieuze overtuiging, want, nogmaals: het is niet onze prestatie, wij zijn Gods werk, geroepen om in ons leven de goede daden te verrichten waartoe Hij ons de kracht geeft. (bvv) JAAR
B ZONDAG 3 VEERTIGDAGENTIJD Vrienden vandaag krijgen wij een stukje te horen uit de tien woorden die richting gegeven hebben aan het menselijk handelen. Richtingwijzers vanwege God in het menselijk hart gelegd; de tien geboden, zoals wij ze noemen. Natuurlijk moeten we zelfs die belangrijke tien woorden verstaan in de taal van onze tijd. Zo bijvoorbeeld: gij zult geen godenbeelden maken, geen afbeelding van enig wezen boven in de hemel, beneden op de aarde of in de wateren onder de aarde; ze geen goddelijke eer betuigen. Vandaar de strenge toepassing in Jodendom en Islam. Ook in het christendom was er een tijdlang onenigheid: mag je nu afbeeldingen maken of niet. In sommige perioden werden alle iconen en beelden vernield die nochtans alleen maar bedoeld waren om gelovigen uit te nodigen tot meer contact met God of zijn heiligen. Voor sommige mensen was dat inderdaad soms moeilijk uiteen te houden. Een afbeelding, en diegene die daar afgebeeld wordt. Als we een kruisbeeld vereren, of een afbeelding van Christus, weten wij dat die afbeeldingen aards zijn en vergankelijk, maar bij het vereren van die afbeeldingen willen wij in feite Christus zelf vereren, de Zoon van de levende God. En zo ook met de afbeeldingen van heiligen. Wij vereren die beelden, maar als we een kaarsje branden voor een van die heiligenbeelden, weten wij dat dat beeld niets gaat ondernemen voor ons, het is maar wat plaaster en als het omvalt is het kapot; maar wij vereren daarin die heilige, de heilige Jozef bv. wiens feest wij vandaag vieren, die gelovige mens die ons is voorgegaan en van wie wij geloven dat hij of zij voor ons ten beste kan spreken bij God, zoals een goede vriend ook een goed woordje zou doen voor ons. Er is trouwens nog een groot verschil tussen verering en aanbidding. Een heilige vereren wij, maar Christus aanbidden wij. Hij is de enige middelaar tussen God en de mensen; als een heilige voor ons ten beste kan spreken is het toch enkel maar omdat zijn smeekbede is opgenomen in het grote verlossingwerk van Christus. Nu, vrienden, al die voorschriften uit het Oude Testament, die, als we ze goed verstaan, ook vandaag nog gelden, moeten we toch altijd zien in het Licht van Christus. Alles waarmee mensen hun heil, zelfs hun eeuwig heil willen veilig stellen, zoals die mensen die in de tempel offerdieren kochten en hun geld uitwisselden tegen de tempelmunten, dat alles moeten we toch altijd ook zijn eigen beperkte plaats zien. Zelfs de tempel, waarvoor joodse gelovigen van heinde en ver kwamen, moet gerelativeerd worden, heeft zijn eigen maar beperkte plaats in de relatie tot God. Terwijl Jezus’ levensoffer en Gods antwoord daarop in de verrijzenis van Jezus, eeuwige waarden heeft en die ook blijft behouden. Ons werken, ons bidden, ons vasten en ons delen met mensen en landen in nood, moet voortkomen uit een oprecht hart, een hart dat aan God wil toegewijd zijn, een hart dat van God houdt en dat liefdevol wil zijn naar het voorbeeld van God zelf. En alles wat we dan doen krijgt zijn waarde omdat het gebeurt in verband met Jezus levensoffer, omdat het opgenomen wordt in dat grote verlossingswerk dat Jezus heeft voltrokken toen Hij mens werd, volgens Gods verlangen, toen Hij al weldoend en predikend rondtrok, toen Hij zijn lijden en dood onderging en toen Hij verrezen is. In dat grote werk van de verlossing wordt ook alles opgenomen wat wij voor God en de mensen willen doen. Laten wij Jezus maar in ons hart kijken, of het oprecht is, of er liefde in is, liefde voor God en echte liefde voor de mensen die Hij ons toevertrouwt, mensen dichtbij en veraf. Moge deze heilige vastentijd ons verder uitzuiveren en nieuwe geestdrift in ons hart leggen omdat wij ons gesteund en gestimuleerd weten door Jezus, onze herder die voor ons heil alles heeft ingezet, tot zijn eigen leven toe. Hij is de bron van heil en alle heiligheid. (bvv) JAAR
B ZONDAG 2 VEERTIGDAGENTIJD Vrienden, heel dat toch wel aangrijpende en wat afstotende verhaal van Abraham die zijn zoon Izaak moet offeren en het ook wil doen maar dan de boodschap krijgt dat God geen mensenoffers wil, heel dat aangrijpende gebeuren wordt ons voor de geest gehaald door de kerk om ons te doordringen van dat geweldige feit dat God ons zijn Zoon, het liefste dat Hij had, aan ons heeft willen geven om ons te redden, om ons op te helpen uit een situatie van onheil, van afgewend zijn van God om ons dan e maken tot zijn kinderen, die kunnen beantwoorden aan zijn verlangen, die in staat gesteld worden om open te staan voor eeuwig heil. Johannes zegt het zowel in zijn evangelie als in zijn eerste brief in één korte maar overduidelijke zin: “16 Zozeer immers heeft God de wereld liefgehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat alwie in Hem gelooft niet verloren zal gaan, maar eeuwig leven zal hebben. 17 God heeft zijn Zoon niet naar de wereld gezonden om de wereld te oordelen, maar opdat de wereld door Hem zou worden gered.” (Joh.3,16-17) In de tweede lezing van deze zondag horen we Paulus ongeveer hetzelfde zeggen: “Indien God vóór ons is, wie zal dan tegen ons zijn? Hij heeft zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard: voor ons allen heeft Hij Hem overgeleverd. En zou Hij ons na zulk een gave ook niet al het andere schenken?” (Rom. 8) God had alles over voor ons geluk. En de vraag is nu maar, vrienden, of wij het verstand en het hart gaan hebben om daaruit onze conclusies te trekken. Die conclusies hebben trouwens een dubbel uitgangspunt: enerzijds is er zoiets van dankbaarheid en wederliefde, anderzijds is er de bedenking dat wij – als God zoveel heeft ingezet voor ons heil, voor ons geluk, dat wij dan zelf toch ook wat moeten inbrengen, dat wijzelf ook uit alle macht zouden moeten werken aan ons heil. Een dubbel uitgangspunt. Het eerste is dat wij geroepen zijn tot een sterke relatie met God, Jezus Christus, onze Heer en Heiland. In hoeverre speelt dat al mee in ons leven? Spreken wij met God? Spreken wij onze dankbaarheid uit? Volgen wij zijn raad op, laten wij ons leiden door zijn woord van leven? Het tweede uitgangspunt heeft diezelfde consequenties: als wij ons laten leiden door Gods woord, door zijn heilige wil, dan werken wij aan ons heil. Maar wij zullen zijn verlangen maar op de goede wijze en vanuit de goede gezindheid involgen, als we een persoonlijke relatie hebben met God, als wij met Jezus op weg zijn, als Hij de Heer van ons leven mag zijn door wie wij ons laten leiden. Laten wij ons oproepen door de Vader die ons zijn Zoon heeft toevertrouwd. Vandaag wijst Hij ons naar Jezus als de bron van alle heil: “Dit is mijn Zoon, de welbeminde, luistert naar Hem”. Laten wij de volgende dagen meer gevoelig zijn voor de uitnodigingen van Jezus, onze Heer, en bidden wij om zijn kracht, opdat we zijn weg zouden kunnen gaan en niet uitvallen en afvallig worden wanneer het eens moeilijk is, wanneer een en ander wat tegengaat, wanneer het wat mistig is… Kijk naar Jezus. Noem zijn Naam. Je zal zijn nabijheid en zijn kracht mogen ervaren. (bvv) JAAR
B ZONDAG 1 VEERTIGDAGENTIJD Vrienden, soms krijgen we de indruk dat de wereld wat geschokt is, een soort van aardbeving doorstond, waardoor alles wat overhoop is geraakt. Ik meen dat dit een kenmerkende indruk is van volwassenen die een rustiger tijd hebben meegemaakt. Het was toen ook niet allemaal effen en glad, er was toen ook hongersnood in Azië en later in Afrika, er waren toen ook volkeren die onder communistische dictatuur of gewoon onder een of ander dictatoriaal regime gebukt gingen. Maar nu is een soort van onveiligheid gekomen over de hele werelden terwijl we min of meer gewoon voortleven vraag je je soms af hoe en wanneer alles weer wat in een goede plooi zal vallen. Je zou kunnen denken dat het zal beteren wanneer de mensen trachten wat overeen te komen. Maar dat is natuurlijk gemakkelijk gezegd wanneer je het goed hebt. Want iemand die in een land woont waar men van honger omkomt of waar men lijdt onder geweld of verdrukking door een dictator of een bepaalde kaste, die heeft natuurlijk nog wel enkele andere wensen. Die mensen willen misschien wel overeen komen, die willen wel in vrede leven, maar hoe kan dat als je onderdrukt wordt, als je gewoon niet mag delen in de welvaart van de rijke kaste of van de rijke landen? De wereld terug in evenwicht brengen lijkt een bijna te zware taak, ja, een onmogelijke opdracht. Je staat voor een zondvloed, een verwoesting door het egoïsme dat in ieder van ons zijn wortels heeft… En het is voor ons nodig dat we God niet buiten dit probleem houden. Hij verwerpt ons niet voorgoed, Hij wil zijn boog van vrede in de wolken zetten wanneer wij ons hart openstellen voor zijn genade. Want verandering van de wereld heeft op de eerste plaats te maken met verandering van het menselijk hart. Wij moeten ons hart openstellen voor de vrede. Vrede in eigen midden, positieve toegewendheid en bereidheid tot verzoening. Het omgekeerde is de conflicten aanwakkeren, ons ongelijk niet willen toegeven, niet eer wensen te luisteren nar de ander. Ons hart laten beïnvloeden door God is vaak de enige oplossing om onszelf weer op het goede spoor te zetten en om zo positieve invloed uit te oefenen op de situatie waarin onze omgeving en de wereld zich bevinden. Hiermee wordt het duidelijk wat de kerk bedoelt om ons in deze veertigdagentijd toe te leggen op het gebed. We horen dat ’s zondags wel zeggen, maar wat doen we ermee? Maken we elke dag wat tijd om even met God te praten en Hem te vragen: “Spreek Heer, uw dienaar luistert. Wat wilt Ge dat ik doe?” Ons iets ontzeggen in de vasten, wat matiger zijn in teeveekijken, in wat matiger in onze wordenovervloed en ons wat meer toeleggen op het luisteren naar de ander, ons aandacht hebben voor de nood van sommigen en daar iets, iets aan doen. Dit maakt ons vrij om naar God te luisteren, naar wat Hij ons ingeeft in ons hart; het maakt ons vrij om sommige andere wegen te gaan. We laten ons best naar die woestijn van de veertigdagentijd leiden, het is het werk van Gods Geest opdat we ons kunnen bekeren, omkeren van gezindheid en gedrag en gaan geloven in het Blijde Nieuws dat God van de mensen blijft houden en dat Hij ons vraagt om samen met Hem onze schouders onder dat mooie maar zware werk te zetten: onszelf en de wereld weer op het goed spoor zetten opdat er heil kan komen voor ieder mens en de wereld wat meer wordt tot Gods wereld. (bvv) Jaar
B Zondag 8 (26 febr. 2006) Vrienden, wij moeten God dienen en liefhebben met een trouw en oprecht hart. Ons geloof zal zich ook naar buiten toe uiten, maar het is niet omdat we bepaalde godsdienstige praktijken verrichten, dat we ook echt godsdienstig zijn. Om ons geloof levend te houden en uit te zuiveren is het nodig dat we in ons hart met Hem spreken, dat we ons door zijn woord laten vormen, vermanen, uitzuiveren. Om ons geloof levend en sterk te houden is het nodig dat we trachten te leven volgens dat geloof, dat we ons vertrouwen niet enkel gaan stellen op gezondheid, kracht, invloed, bezit, maar weten dat we als mens breekbaar zijn en dat we – met alle reden – ons vertrouwen blijven stellen op God, die onze oorsprong is en onze bestemming en die ons op elk moment draagt en tot het eeuwig geluk bestemt. Dit alles steekt in beelden en vergelijkingen in de lezingen van vandaag. Het Joodse volk was door God uitgekozen en het had zijn lot met God verbonden, maar telkens opnieuw loopt het weg van God en gaat het afgoden vereren of blijft het God verwijten maken dat Hij niet genoeg voor hen zorgt. God gat nog maar eens opnieuw met het volk op weg opdat het Hem misschien toch eindelijk eens echt gaat kennen en beminnen. De Korinthiërs waren al niet veel beter: wispelturige mensen. Jezus is de redder had Paulus hun verkondigt, maar hij is weg en ze beginnen te denken dat ze gered worden door bepaalde Joodse gebruiken over te nemen. Paulus vermaant hen omdat ze zo vlug hun vertrouwen op God verloochenen als ze gaan menen dat ze uit eigen kracht bekwaam zijn zich te redden. In het evangelie gaat het over het vasten. Volgende woensdag beginnen we er weer aan en onze paus (Benedictus XVI) heeft er een inspirerende brief over geschreven. (Lees hier). Maar Jezus zegt ook hier aan de leerlingen van Johannes de Doper en aan de Farizeeën dat alles zijn tijd heeft. Jezus’ leerlingen vasten nog niet omdat de Bruidegom nog bij hen is. Maar na Jezus’ heengaan zullen ook zij vasten. We moeten altijd opletten dat we niet aan God voorbij leven terwijl we ons volop inspannen om godsdienstig te zijn. Steeds de essentie in het oog houden. Waar is God nu te vinden? Wat verlangt God nu? Is bidden nu echt op zijn plaats? Verlies ik me niet in de dienst aan anderen? Wordt het geen geseculariseerd dienstbetoon? Verlangt God van mij dat ik wat meer vast, dat ik wat meer deel, dat ik wat meer bid? Wanneer en hoe? Echte liefde en trouw tegenover God brengt evenwicht in ons leven. We gaan dan niet in onrust leven: Doe ik wel genoeg voor God? Doe ik wel genoeg voor mijn gezinsgenoten? Deel ik genoeg? Vast ik genoeg? Bid ik genoeg? Echte liefde en trouw leer je al doende, maar je leert het ook door er aan te werken. Juist zoals aan een liefdesrelatie in het huwelijk. Je kan je geloof en je geloofspraktijken niet gewoon aan het toeval overlaten. In deze Eucharistie worden wij in contact gebracht met Gods trouwe en barmhartige liefde, met Jezus’ liefde tot het uiterste… Bij de communie mogen wij Hem ontvangen. Het is het moment om echt te vragen dat Hij ons onze liefde voor Hem en de mensen zou willen uitzuiveren en sterk maken, standvastig, trouw. Het is wellicht geen kenmerk van onze tijd, maar het maakt ons tot echte mensen en echte gelovigen. Jezus leefde ons Gods liefde voor in recht en gerechtigheid, in goedheid en erbarming, in onverbrekelijke trouw. Laten wij ons vandaag onderrichten door het voorbeeld van Jezus en de woorden van God in de lezingen van vandaag. Een goede voorbereiding op “een heilige veertigdagentijd” die ik u van harte toewens. (bvv)
Jaar
B Zondag 7 (19 febr. 2006) Het evangeliestukje van vandaag kan je in enkele kleine stukken onderverdelen. Je hebt de beschrijving hoe Jezus bij zijn thuiskomst in Kafarnaüm een menigte volk om zich heen krijgt die komen luisteren naar zijn onderricht. Dan zien we hoe een verlamde tot bij Jezus wordt gebracht; de moeite die men daar voor doet. Ik zou het hier echter willen hebben over de twee eerste stukjes. Wat
heeft Jezus toch te vertellen, dat zo’n groot aantal mensen naar hem komen
luisteren? Of zijn daar andere
redenen voor? Hij was zeker bekend door de genezingen die Hij verrichtte, maar
ook door de sterkte van zijn woord, het vernieuwende, het deugddoende en het kan
niet anders of zijn hele persoon moet iets uitgestraald hebben waardoor zijn
woord echt geloofd werd: een deugddoend en bevrijdend woord waar zijn hele
persoon van getuigde. Weten wij daar nog iets van te ontdekken als we de schrift
lezen? Lezen wij nog de Schrift? Och, die kennen we nog wel vanuit onze
jeugdjaren! Toch hebben d eerste christenen die woorden van Jezus en over He
willen doorgeven opdat wij er ook nog van zouden kunnen leven. Toen men hoorde
dat Hij thuis was stroomden de mensen in zulk een aantal samen, dat zelfs de
rimte vóór de deur geen plaats meer bood toen Hij hun zijn leer verkondigde.
Hij hoefde nog niet van huis tot huis te trekken, men kwam tot Hem om Hem te
horen. En
dan is er dat tweede schuifje. Een Oosters schuifje. Jezus mag nog zo boeiend
aan het spreken zijn. Er ontstaat plots verwarring achteraan de groep mensen die
buiten staat. Vier mannen willen een draagberrie binnen brengen tot bij Jezus.
Hun lamme vriend willen ze door Jezus laten genezen. Met Oosterse
vindingrijkheid en ook wel wat opdringerige hardnekkigheid klimmen ze langs de
buitentrap het dak op, leggen het wat open en laten het draagbed met de lamme
tot voor Jezus neer. We
mogen eens naar die vier mannen kijken die verder niet meer in het verhaal
voorkomen, maar die waarschijnlijk eerst verwonderd, afwachtend tijdens de
discussie en daarna glunderend en elkaar enthousiast feliciterend op het dak
zitten. We mogen gerust hun vriendschap en mededogen met hun vriend bewonderen.
Zij hebben er heel wat voor over om hem daar te brengen waar ze menen dat hij
kan geholpen worden, en ze doen het samen. En dan hun geloof. Dat is Jezus ook
opgevallen. Er staat niet “Toen Jezus zijn geloof zag”, het geloof van de
lamme, nee, er staat: “Toen Jezus hun geloof zag”… Het is omwille van hun
geloof, het geloof van zijn vrienden dat Jezus die man gaat helpen. En eigenlijk
mogen we zowel hun mededogen als hun geloof samenbrengen. Zij geloven in Jezus,
en daarom brengen zij hun vriend naar Hem toe, in de quasi zekerheid dat Jezus
hem zal helpen. Wij kunnen van die mensen wel echt iets leren. Ons bewust worden van de nood van velen om ons heen en de zekerheid dat Jezus hun zou kunnen helpen op de weg naar het echte geluk. Er rest ons dan nog de vindingrijkheid om op de goede manier hen in contact te brengen met de Heer, die ook vandaag nog mensen kan vernieuwen en oprichten. Wat kunnen wij doen voor onze huisgenoten? Wat kan ik doen voor mijn buren? Een kort woord, zo af en toe. Het doorspelen van een goed artikel in een deugddoend tijdschrift, dienstbetoon, een ziekenbezoek… We mogen vragen aan de heilige Geest die we bij onze doop en ons vormsel hebben ontvangen, dat Hij ons zou toerusten met een hernieuwde genade van getuigenis en evangelisatie om mensen onder invloed te brengen van Jezus’ herscheppende invloed. We moeten niet bang zijn om te getuigen. Alleen moeten we ons eerst zelf laten bekeren en evangeliseren door zoals de samengekomen mensen voor Jezus’ huis ons onder de invloed van zijn vernieuwend woord te stellen in de verkondiging, het lezen van de Schrift en de stilte van ons persoonlijk gebed. (bvv)
Jaar
B Zondag 6 (Mk. 1,40-45) Naarmate mensen ouder worden, ontmoeten ze vaak ook meer problemen, gezondheidsproblemen, problemen in hun familie, overlijdens in de naaste omgeving. Er zijn trouwens heel wat jongere mensen ook die met ernstige beproevingen te maken krijgen van uitsluiting, niet aan de bak komen, gezondheidsperikelen… Op de teevee zie je vaak enkel maar jonge en gezonde mensen, mensen die succes hebben. En men neigt er naar de laatste weken om meer en meer wat aan het aftakelen is abrupt uit te schakelen. In de media zijn de laatste weken vooral atheïstische stemmen aan het woord gekomen. En men heeft zelfs oudere mensen zozeer beïnvloed langs de media dat ook zij stilaan de mening zijn toegedaan dat “als ik wat sukkelachtig wordt ze me maar meteen moeten laten sterven”. Dat ook de katholieke kerk niet zomaar mensen wil zien lijden, dat ook katholieken vinden dat je de lijdende mens zoveel mogelijk moet helpen met pijnstillende en angstwerende middelen, zelfs als daardoor het leven verkort zou worden, dat wordt nauwelijks gezegd in de media. Nee, alleen personen die vinden dat de mens eigenmachtig te beslissen heeft over leven en dood lijken uitspraken te mogen doen over leven en dood… Vandaag in het evangelie zien we Jezus door medelijden bewogen de hand uitsteken naar een melaatse. En hij zegt: “Ik wil, word rein”. Terstond verdween de melaatsheid en was hij gereinigd. Jezus heeft veel mensen genezen. De vier evangelies en de Handelingen van de apostelen nemen daarover geen blad voor de mond. Het is wel van belang dat we inzien dat voor de mensen van toen ziekte en lijden niet enkel iets was van het lichaam. En genezing was ook niet enkel lichamelijke genezing. De laatste decennia zijn wij ook beter gaan inzien dat psyche en lichaam en zelfs ons sociaal functioneren niet altijd maar toch vaak hand in hand gaan. Jezus geneest hier een melaatse. Tegelijk betekende dat een sociale bevrijding van opnieuw tussen de mensen te kunnen komen, weg uit de isolatie en vereenzaming. Vaak betekent in het evangelie genezing ook nog genezing van zonde en alles waardoor een mens ook innerlijk besmet kan zijn. Zelfs in dat mooie gebed, het Onze Vader, waar we bidden om Gods rijk, bidden wij ook om ons dagelijks brood en dan weer om vergiffenis vanwege God met de belofte om zelf ook vergiffenis te schenken. Dikwijls hangen bij onszelf en bij anderen ziekte, vereenzaming, slapeloosheid samen met wrok, met vierkantige relaties, met ‘geen vergiffenis kunnen schenken’… Jezus sprak veel over het heil, over Gods Rijk dat komen moest, dat komen zou en Hij toonde door zijn daden dat die woorden geen lege woorden waren. Als wij, christenen vandaag ook nog geloven en verkondigen dat God het geluk wil van de mensen, geluk op alle gebied, dan zou het goed zijn dat wij bidden om Gods Geest om te zien en dan ook te tonen hoe wij gezonden zijn om ook heil te brengen daar waar wij gezonden worden. Heil door onze vriendelijkheid, onze behulpzaamheid, heil door onze woorden te maken tot deugddoende woorden en niet tot woorden die mensen van elkaar vervreemden; heil brengen door te tonen dat God een nabije God is, een God die het echte en diepe geluk wil van de mens… Zeggen en doen. De twee. Zo deed Jezus het. Wij mogen geïnspireerd en geleid door de Geest in datzelfde spoor treden. Laten wij ons dan bekeren en ons op die weg laten leiden. Wellicht wordt de kerk dan ook weer aantrekkelijker voor de oververzadigde maar ook vaak leeg geconsumeerde en ontgoochelde mens van vandaag. Jaar
B Zondag 5 (Mk. 1,29-39) Als Jezus met Johannes en Jacobus uit de synagoog komt, gaan ze samen naar het huis van Simon en Andreas; het is mogelijk dat Jezus na enige tijd in het grote huis van Simon was gaan inwonen. De schoonmoeder van Simon lag met koorts te bed; zij spraken Hem aanstonds over haar. Het is zo levensecht, zo normaal, dat je over een zieke spreekt als je in je huis iemand ziek is. Ze spraken Hem aanstonds over haar. Vrienden,wij zouden wat vaker over onze zieken moeten spreken met de Heer. Als we zelf in nood zijn, als we zelf wat in de puree zitten, een of ander ernstig probleem hebben in ons persoonlijk, professioneel of familiaal leven, dan zullen we daar de Heer ook over spreken, al blijven we zelf ook zoeken naar een oplossing. We zullen vooral bidden om licht om te weten wat we moeten doen, in welke richting we naar een oplossing moeten zoeken, en we zullen desnoods bidden om kracht om die beproeving op een zo goede mogelijke manier door te komen en er zelfs vrucht uit te halen. We zien immers in het evangelie dat heel wat personen met hun eigen problemen naar de Heer toe komen, hun handicap, hun zondigheid, hun eenzaamheid… Uw geloof heeft u gered, zegt Jezus dan vaak, en ze gaan genezen naar huis. Vandaag zien we vrienden van Jezus die Hem spreken over een zieke daar in huis. Dit mag voor ons een voorbeeld zijn om onze kompassie met anderen ook een bij God te brengen, de nood van anderen voor God uit te spreken. Je zal misschien zeggen: laten wij zelf maar voor die mensen zorgen, bovendien weet de Heer wel dat die mensen ziek of in nood zijn. Dat is de taal van het verstand. De taal van het geloof klinkt wat anders. Het geloof spoort ons aan om ons in te zetten voor het geluk, het heil van de hele mens die ons is toevertrouwd of met wie we in contact komen of over wie we horen spreken. Ons inzetten voor zover we kunnen. Dat was de taal van pater Damiaan die door de Kerk is zalig verklaard. Dat hij in een media-spelletje ook nog de grootste belg aller tijden werd benoemd, is alleen van belang om ons te prikkelen tot vernieuwde aandacht voor en navolging van zo’n mens. Wereldwijde aandacht en inzet voor uitgestotenen en mensen die aan hun lot worden overgelaten. Maar zonder de mensen in nood te vergeten die in ons eigen midden leven, in onze eigen stad, ja, in ons eigen huis. En dan is er die uitspraak: God weet dat ook wel allemaal, daar hoeven we Hem toch niet over te spreken. Waarom zouden wij zo rationalistisch, zo koud en afstandelijk over God denken? Waarom Hem niet betrekken bij ons alledaagse leven? Waarom onze eigen maar ook andermans problemen niet onder ogen brengen. Natuurlijk kent Hij die. Maar Hij wil graag dat we met Hem op heel ongedwongen en bijna familiaire wij omgaan, Hem bij alles betrekken wat ons ter harte gaat (of te harte zou moeten gaan). Het evangelie geeft ons daar vandaag en eenvoudig voorbeeld van. Jezus die met twee vrienden in het huis van Simon toekomt en daar spreken de huisgenoten Hem aanstond over de zieke schoonmoeder van Simon. “Hij ging naar haar toe, pakte ze bij de hand en deed haar opstaan”. Laten wij God niet buiten ons gewone leven houden, Hem niet uitsluiten van onze problemen, van onze relaties. Laten wij als ouder onze kinderen en kleinkinderen met name noemen, en hun problemen en de zorgen die we omtrent maken, ook over onze overige relaties en de zorgen van mensen… praten wij er in alle eenvoud over met God. Het gaat onze relatie met God sterker maken, wij zullen Hem sterker gaan ervaren als de levende en nabije God, en… wij zullen zegen brengen over die mensen die we zien, die we ontmoeten, die we kennen. Christenen zijn geroepen om te zegenen, om Gods zegen en heil over mensen te brengen door hun eigen toewijding en door hun voorbedegebed. (bvv) Jaar
B Zondag 4 (Mk. 1,21-28) Misschien heb je ooit nog gehoord van een film die de nam droeg “The Exorcist”, de duiveluitdrijver. Naar het schijnt een soort triller waar sommige kijkers neurotisch van werden. Voor een paar dagen kwam het hier in het land nog tot een proces van een tot de islam bekeerde man die met nogal sterke lichamelijke beproevingen een zogenaamd bezeten vrouw trachtte te helpen, met de dood tot gevolg. De betrokkene werd veroordeeld maar zat al lang achter de tralies zodat het verder nog zal meevallen. Met betrekking tot Jezus worden er in de heilige Schrift verscheidene duiveluitdrijvingen verhaald, of uitdrijvingen van onreine of boze geesten. Soms weten we niet goed wat ermee bedoeld is, echte bezetenheid, neurotische of psychotische toestanden, waar eerder psychiatrische of psychologische hulp bij nodig is. Jezus komt uit die verhalen nar voor als iemand die niet enkel blij nieuws verkondigd, maar iemand die dat blijde nieuws ook aan mensen laat gebeuren. Blij nieuws is het toch echt wanneer iemand uit een depressie, of na een zware rouwperiode stilaan of plots weer het mooie van het leven ziet, weer de vogels hoort fluiten en met genoegen naar bloemen en bomen kan kijken, weer kan lachen en ’s morgens welgezind kan opstaan en tevreden kan gaan slapen ’s avonds. Blij nieuws is het wanneer iemand die met zware innerlijke kwetsuren zit door woorden of gedrag van medemensen, zich toch weer kan oprichten en niet meer zo de pijn en de druk voelt van dat spijtige en pijnlijke verleden… Blij nieuws is het wanneer iemand stilaan of plots vrij komt uit een verslaving, van alcohol of andere drugs, van een sexuele verslaving, verslaving aan teevee of gokautomaten… en zich weer vrij mens voelt, en weer open komt voor geestelijke waarden en weer respect kan hebben voor zichzelf… Blij nieuws is het wanneer men weer opnieuw in staat is te kiezen voor het goede, zich kan oprichten uit een staat van afwending van God en van wat wij als edel en schoon en goed kregen aangereikt vanuit het evangelie. Blij nieuws wanneer men zich weer vriend van God kan noemen… Wij mogen tot Jezus komen met onze beperkingen, met onze zwakheden, onze kwalen; wij mogen ons verleden door Hem laten aanraken en genezen. Door naar Hem met vertrouwen op te kijken zullen we al heel wat bevrijding en innerlijke genezing mogen ervaren. Dit sluit niet uit dat we ook naar de dokter of neuroloog gaan wanneer onze gezondheid dat vereist. Maar we moeten onze relatie tot Christus, wij moeten ons geloof niet alleen zien als beperkt tot het geestelijk domein. Wij zijn één als persoon, en een gezond geloof heeft vaak ook heel wat positieve invloed op onze hele persoon. Laten wij dan in eenvoud met al onze kwalen en onvrijheden tot de Heer gaan, die ook vandaag zijn volk genezend, bevrijdend wil aanraken of het de wijsheid wil geven om de juiste beslissingen te nemen, de juiste hulpmiddelen aan te wenden en de kracht om het onvermijdelijke te dragen met moed, geduld, vertrouwen in relatie met het lijden van Jezus zelf. Waar christenen bevrijd worden of waar ze de kracht vinden om hun lijden te dragen, waar mensen anderen helpen om hun ziekten en kwalen te dragen… daar komt Jezus’ kracht tot uiting die mensen ook vandaag het blijde nieuws doet ervaren.
Jaar
B Zondag 3 door het Jaar (2006)
Het evangelie van vandaag stelt ons voor twee sterke uitdagingen. We horen Jezus de Blijde Boodschap verkondigen. Kort en goed vraagt hij om geloof en bekering. De tweede uitdaging is de roeping van de eerste apostelen. Daar klinkt het kort en duidelijk: “Kom, volg Mij; ik zal maken dat gij vissers van mensen wordt”. ’t Is eigenlijk een nogal ambitieuze aanspraak tot die vissers die midden hun werk van hun netten worden weggeroepen om Jezus te volgen. En de reactie van de apostelen is opvallend: “Terstond lieten ze hun netten in de steek en volgden Hem”. “Zij lieten hun vader met de dagloners in de boot achter en volgden Hem”. Ik zat te denken wat de Kerk ons vandaag als boodschap of als aandachtspunt wou meegeven. We kunnen dat meestal wat aflezen uit de lezing uit het Oude Testament die de Kerk ons voorstelt. Het gaat vandaag over Jonas die geroepen wordt om te gaan prediken. En Jonas doet dat, en zo te zien vrij enthousiast. En we zien dat mensen van Ninive die het woord van God geloven en ze bekeren zich van hun slechts gedrag. Dus in feite ook weer die twee zaken. De verkondiging met als resultaat geloof en bekering. En anderzijds iemand die geroepen wordt om het Blijde Nieuws te verkondigen.
Als eerste: geloof en bekering. Geloof in God en in wat Hij zegt. Geloof betekent engagement, inzet, gevolg geven aan en niet alleen maar iets voor waar aannemen. Je gaat je leven er dan mee in overeenstemming brengen. Geloof in God betekent dat door ik Hem en door zijn woord mijn leven laat bepalen. Als ik mijn leven bouw op God zal dat tegelijk betekenen dat ik mijn leven in overeenstemming breng met dat woord van God; en dat is dan meestal ‘bekering’! Geloof ik echt? Laat ik mijn leven door God bepalen, door wat Jezus leerde, door het evangelie? En breng ik mijn leven in overeenstemming daar mee? Waar ik dit nog niet helemaal kan, mag ik bidden om de heilige Geest, om licht en om kracht. Ik moet dat gewoon doen, anders is mijn geloof en mijn beperkte bekering niet oprecht!
Maar ook dat wij ons geloof niet zouden wegmoffelen maar door ons gedrag, door ons dagelijks bezig zijn en door ons woord zouden getuigen dat God liefde is en dat Hij ons roept om zelf ook goedheid uit te stralen. (bvv) Jaar
B Zondag 2 door het Jaar (2006). Vrienden,
in deze aanloop naar de veertigdagentijd zien we in de evangelies hoe Jezus al
weldoende rondtrekt door de dorpen en het Blijde nieuws verkondigt aan de
eenvoudigen. Hij krijgt nogal wat aanhangers, maar ook mensen die Hem liever weg
hebben. Zijn leerlingen lopen gewoon met Hem mee en zien en horen toe, en worden
zo gevormd in de gezindheid van Jezus zelf. Zo mogen wij ook van zondag tot
zondag naar Jezus opzien en zijn woorden tot in ons hart laten komen. Ons laten
vormen als kinderen van God. De
vorming die Jezus geeft doorheen de woorden van deze zondag staan soms haaks op
wat onze moderne maatschappij ons voorhoudt, een maatschappij die door haar
technische suprematie tot de rijkste van de wereld behoort, maar die op andere
vlakken een laag nivellatieniveau heeft bereikt. De amusementsmaatschappij met
holle inhoud, een genotskultuur waarin tederheid en menselijke
verantwoordelijkheid minder en minder een rol spelen. Paulus zegt er zijn
christenen van Korinthe ook reeds duidelijke woorden over. En
dan is er de medische wetenschap die zich minder en minder door ethische
beweegredenen laat muilkorven maar ondertussen wel de grondslagen van het
menselijk bestaan, in zijn prille bestaan en zijn terminale fasen gaat aantasten
en er een meesterwoord over gaat uitspreken. Wat steekt men uit met
‘overtollige’ foetussen van kunstmatige inseminatie, beginnend menselijk
leven dat dreigt te verworden tot een farmaceutische opslagplaats van medicatie
voor alle mogelijke mankementen bij volwassen menselijk leven… Als
we ons achter Jezus stellen en Hem willen volgen, en dat is de roeping van ieder
van ons – het verhaal van de roeping van Samuël herinnert er ons aan dat we
allen persoonlijk, bij onze naam, geroepen zijn – dan betekent dat op de
eerste plaats dat we echt in het gezelschap van Jezus willen zijn, in zijn
aanwezigheid komen. Hem leren kennen vraagt dat wij met Hem meegaan. En dat kan
voor ons niets anders betekenen dan Hem op te zoeken daar waar Hij is: in de
stilte van het gebed (als je je geen al te spiritueel iemand voelt, moet je toch
minstens een paar momenten per dag echt bewust bij de Heer zijn, met Hem
spreken, en ook luisteren naar zijn stille ingevingen), en ook waar je mensen in
nood ziet, en in de samenkomsten van zijn mensen (grote en kleine samenkomsten:
waar er twee of drie samenzijn in mijn Naam, daar ben ik in hun midden)… En
Hem beluisteren in het woord van de Schrift en in het woord van de Kerk (de
officiële kerk, de verkondiging waarin je Hem nog aan het woord hoort, en in
zomaar een gesprek met iemand waarvan je aanvoelt dat het van de Heer komt). Laten
wij ons vandaag gewoon afvragen of
wij wensen in te gaan op de roeping van God om Jezus te volgen. Vragen wij ons
vervolgens af waar we ons teveel afstemmen op wat ‘de wereld’ zegt die God
niet kent, en nemen wij dan ook het voornemen om de Heer Jezus op te zoeken
zoals Hij zich aan ons wil openbaren, aan ieder van ons. (bvv)
Jaar
B Epifanie - Openbaring van de Heer (Driekoningen) Wijze mannen uit het Oosten. Ze lieten zich leiden tot bij het Kind. Vandaag laten velen in het Westen zich opnieuw naar het Oosten leiden, omdat ze het juiste Noorden kwijt zijn. Velen duiken onder in het Boeddhisme, in allerlei soort esoterische toestanden, er zijn zelfs een aantal die zich naar de Islam wenden… Maar de weg naar het Kind zijn ze kwijtgeraakt. Ze zoeken er zelfs niet meer naar. Ze stellen geen vragen meer… Men moet al een wijze zijn om nog vragen te stellen. Waar is de nieuwe koning der joden geboren. Wij hebben zijn ster gezien en zijn gekomen om Hem te aanbidden… Ik meen dat we in onze tijd iets minder sterren zien (we beginnen wat oud te worden in het Westen, het rationalisme en het materialisme hebben ons oud gemaakt, maar niet wijs). Maar wel lopen we gelukkig af en toe eens tegen de muur en eens dat die tijdelijke sterren van de bots voorbij zijn, gaan we soms – en dat is dan een grote genade, een grote ster zien: beseffen dat we niet op de juiste weg zitten. Vanuit de ontgoocheling over het consumisme, het materialisme, de ‘swingpaleizen’ en ‘thuis’, vaak monsters onder schapenvachten… We beginnen dan te beseffen dat wereld- en mensvisies die de mens stuk maken, door terrorisme, door het stukmaken van ongeboren kinderen, het wegspuiten van demente bejaarden, het misbruiken van kinderen, misleiding van jongeren, achteruitstellen van armen en misdeelden, de mens het licht in zijn ogen, het besef van de transcendentie te ontnemen.. dat zo’n wereld- en mensvisies niet je dat zijn, dat zij bedrog zijn, dat zij duisternis scheppen in mensenharten en in de wereld. En dan, dan kan er soms een warmte, een licht ontstaan, in je geheugen, of in een gesprek, of in een beeld op de teevee, een kerststal…, een herinnering uit een ver verleden over een God die het goed meent met de mens en die de mens is komen opzoeken in zijn verlorenheid. En rond de geboorte van dat Kind in Bethlehem klinken twee melodieën: eer aan God (zonder Hem loopt het vroeg of laat compleet in de war) en vrede aan de mensen (want God houdt van hen; en je moet dus niet raken aan de mens of je rukt God het hart uit zijn borst en daardoor vernietig je jezelf). Epifanie, Driekoningen. God heeft zich geopenbaard, niet enkel aan wat eenvoudigen uit Israël, de ‘armen’, maar ook aan alle volkeren, zwart en blank en bruin, arm en rijk. Maar allen worden uitgenodigd (niet gedwongen want dat doen alleen de valse goden), uitgenodigd om God te erkennen èn Hem te dienen in de mensen. We moeten bidden om licht, om voortdurend weer te zoeken naar het Kind in de kribbe, de Man op het Kruis, de Man die woorden van leven sprak en die verrezen is en leeft. En dan moeten we God eren en danken en telkens weer onze aandacht gaande houden om te zien waar we Hem kunnen dienen in zijn (= alle) mensen-in-nood. (bvv)
Oktaafdag
van Kerstmis Feest van de Moeder Gods
Maria’s geloof heeft evenwel donkere
dagen moeten doormaken. En dan het moment waarop de donderwolk openbarstte. Een vloedgolf van haat, geschreeuw, ontgoocheling die Hem overspoelde en Hem meevoerde van gerechtshof naar gerechtshof tot de uiteindelijke veroordeling tot de dood aan een kruis: een slavendood! Daar stond ze dan tussen al dat blinde geweld, bij haar machteloze, stervende Zoon… Maria, de Moeder Gods. Dat was haar uitverkiezing. Door haar is Jezus tot ons gekomen, die alle heil in zich draagt dat mensen nodig hebben om hun leven vervuld te zien, openbloeiend als een bloem. Wij willen haar zalig prijzen om haar
begenadiging. Wij bezingen en vereren in haar Gods werk. Wat een blijvend voorbeeld is zij voor de hele kerk en ook voor ons. Voorbeeld van geloof en vertrouwen op God. Maar ook voorbeeld van luisteren naar Gods woord en om het te overwegen in ons hart. Zij is het voorbeeld voor ieder christen om Jezus in ons hart te dragen, om altijd bij Hem te zijn, om ons leven door Hem te laten bepalen. Zij is een voorbeeld van stille dienstbaarheid en van dat vanzelfsprekende vertrouwen in Gods goedheid en mensenliefde. Denk aan het gebeuren tijdens de bruiloft te Kana. Vandaag willen wij met Maria aanwezig zijn bij het pasgeboren Kind, dat zoveel krachtige profetieën zal vervullen. Het kind met de naam ‘Jezus’, God redt. Met Maria willen wij neerknielen en ons door haar laten begeleiden tot bij Gods mens geworden Woord, dat ons tot het Licht brengt, tot het Leven, leven voor altijd.
|