|
|
|
GEZIN EN GELOOF Voorwaarden
tot het doorgeven van het geloof
Ik
mag jullie iets vertellen over Gezin en Geloof.
En vooral hoe wij, ook als we al iets oudere christenen zijn, toch nog
iets kunnen betekenen voor kinderen en jonge mensen in ons gezin en onze familie
en rondom ons en voor de gezinnen als zodanig. Niet
zo rooskleurig: het gezin staat onder allerlei beïnvloeding We
gaan er meestal van uit dat de ouders gelovig zijn maar dat zich tegenwoordig
wat problemen stellen op het vlak van de geloofsoverdracht naar de kinderen toe.
We weten inderdaad dat de gezinnen en dus ook de kinderen in deze tijd, meer nog
dan vroeger, sterk beïnvloed worden door de algemene leefsfeer van een
geseculariseerd land, een geseculariseerd West-Europa. God speelt daar omzeggens
geen rol van betekenis meer, het geloof wordt naar de privé-sfeer verwezen
en… de media, voor zover ze niet besmet zijn door een anti-christelijke en
vooral anti-katholieke geest en dus vaak het geloof ridiculiseren, hebben het
geloof in ieder geval naar de rand van de berichtgeving verwezen of zelfs
helemaal aan de kant gelaten. We worden beïnvloed door andere geestesstromingen
en vooral wordt een materialistische, antichristelijke en hedonistische
mentaliteit langs allerlei kanalen over volwassenen, jongeren en kinderen
uitgegoten. Leven in een geseculariseerde samenleving – een samenleving die
geen beroep meer wil doen of verwijzen naar God en godsdienst - betekent dat het
geloof geen uitgesproken plaats meer krijgt toegewezen en vaak zelfs naar het
verdomhoekje wordt verwezen. De plaats wordt dan ingenomen door andere
invloeden… En het gezin staat onder die beïnvloeding of je dat nu wil of
niet… Vaak komt het in een leegte terecht… Er
wordt soms gezegd dat er zich een soort godsdienstig réveil aankondigt. Dat de
jeugd gevoeliger wordt voor het religieuze, maar dat blijft soms zeer onbestemd,
onduidelijk. Er is een soort van positieve aandacht voor de natuur, voor
mensenrechten, een aandacht voor boeddhisme, zelfs voor de Islam… maar dat is
echt nog geen veralgemeend en hoopgevend fenomeen. Binnen de katholieke
geloofsgemeenschap zijn er wel bepaalde hoopvolle tekenen, maar het blijft bij
kleine en vooral ook heel sporadische gebeurtenissen. Het
gezin, maar hoe staat het met jou? Iedereen
wordt door die sfeer beïnvloed. Hoezéér je erdoor beïnvloed wordt hangt voor
een heel stuk van jezelf af en van je onmiddellijke omgeving. We gingen er dus
van uit dat dit onderricht over “Gezin en geloof” vooral zou gaan over :
“hoe draag je tegenwoordig het geloof over op je kinderen”. Maar
dat is natuurlijk niet de eerste vraag. De allereerste vraag is: hoe is het
gesteld met het geloof van de ouders, Hoe is het gesteld met ons geloof? Ik kan
het ook heel gericht vragen: Hoe is het gesteld met mijn geloof? Hoe is het
gesteld met jouw geloof? Is dat ook beïnvloed of besmet door de algemene
tijdsgeest? Is het een levend geloof? Een bewuste keuze om mijn leven te bouwen
op Christus? Een levendig geloof Waarin de relatie met Christus bepalend is voor
de rest en mij ook tot bewust getuigenis brengt? Is het een evenwichtig geloof?
Of te emotioneel? Of te rationeel? Te serieus? Of halfslachtig: katholiek maar
niet fanatiek… Een beetje boeddhistisch, wat aandacht voor horoscopen, meer
vertrouwen in yoga dan in God. Of is mijn geloof heel spiritueel, heel
geestelijk, maar niet geïnteresseerd aan wat de wereld en de mensen doormaken?
Leef ik bewust vanuit een levende relatie met Christus? Leef je verbonden met de
kerkgemeenschap? Getuig je van je geloof? Hoe cultiveer je je relatie met God?
Hoe is het gesteld met je gebedsleven en met je contact met Gods Woord? Het zijn
snel gestelde vragen, maar ze zijn fundamenteel als we over het gezin spreken en
over het doorgeven van het geloof. Als
ik me ga interesseren aan het gezin en het geloofsleven van het gezin, dan moet
ik eerst mezelf in vraag stellen en naar een degelijke invulling zoeken voor
mijn eigen geloof en geloofsbeleving. En alleen al met dit soort bezinning kan
ik een dag of een week verder… Tussenvragen
zijn natuurlijk of er op je parochie voldoende aandacht is voor het gezin, of er
voldoende ondersteuning is voor het christelijk opvoedingswerk op school enz… -
Hoe staat het met jullie als huwelijkspartners Als
we de vraag individueel gesteld hebben, komt de volgende vraag: hoe is het met
jullie gesteld als huwelijkspartners. Bij de opvoeding van de kinderen – het
is niets nieuws wat ik vertel – is het ongemeen belangrijk dat man en vrouw
aan hetzelfde touw trekken. Je moet
het eens zijn over de grote waarden van waaruit je zelf leeft en die je wil
doorgeven, en best ook omtrent de concrete aanpak. Dat gaat dan over heel
concrete zaken, allerlei beperkingen en zelfs sancties, maar vooral welke
waarden je doorgeeft en hoe je dat doet… Ook de algemene manier van optreden:
autoritair, eerder gemoedelijk, overdreven soepel, of toch uitwisselend maar
correct, eisen durven stellen en daar trouw aan blijven. Daar moeten ouders het
over eens zijn, anders groeien de kinderen op in onzekerheid, ofwel krijgen ze
als mens geen ruggengraat … Natuurlijk hebben man en vrouw een wat
verschillende inbreng, maar over de grond van de zaak en de lijnen die moeten
getrokken worden is er best eenheid van visie en optreden. Dat
is ook zo voor wat de godsdienstige opvoeding betreft. Ik
ga hier niet uitweiden over wat er moet gebeuren wanneer bv. de vrouw heel
gelovig is terwijl de man vindt dat je het maar heel rustig aan moet doen;
‘laat de kinderen zelf hun weg maar vinden op dat gebied’. Of als je man of
je vrouw eigenlijk helemaal niet godsdienstig is of niet kerkgebonden, niet
pratikerend. Dit ontslaat jou niet van je eigen gelovig getuigenis naar de
kinderen (en vanuit dat standpunt blijft wat ik hier verder vertel ook
grotendeels van toepassing op die situatie). Maar het is duidelijk dat het
verschil van geloofsovertuiging en beleving toch wel een probleem schept. Ik
wil het nu echter vooral hebben over de relatie tot de kinderen en de eventuele
geloofsoverdracht naar hen toe. Hoe een gelovig echtpaar elkaar kan helpen tot
een sterkere en consequenter geloofsbeleving laat ik hier dus ook onaangeroerd.
Er zijn een hoop kanalen en hulpmiddelen die daarbij degelijk kunnen helpen. Nu
dus over de kinderen. Hoe helpen wij ze op de weg van het geloven? Ik
ga voor een keer beginnen met iets waar men gewoonlijk mee eindigt: Bidden
voor hen - We moeten bidden
voor hen. Het
gebed van een vader of moeder, en zeker als ze het samen doen, dat is als de
centrale verwarming waardoor het hele huis verwarmd wordt. Als
christen zijn we reeds gebedsgedelegeerden, zijn we priesters die in naam van de
mensen tot God moeten bidden. Maar hoe sterk is dan de zending van christelijke
ouders om bij God ten beste te spreken voor hun kinderen, voor wie zij door God
verantwoordelijk werden gesteld. Tussendoor
gezegd: je moet niet gaan menen dat je gebed en je getuigenis maar weinig
resultaat hebben gehad wanneer de kinderen toch een andere weg gekozen hebben.
Laat God daar maar over oordelen… Als
het mogelijk is om samen te bidden in het gezin met de kinderen, doe het. Maar
laat het altijd een aangenaam moment zijn. Je mag ook soms aan je gehuwde
kinderen zeggen dat je voor hen bidt, voor hun gezin. En dat zijzelf ook al eens
moeten bidden, en samen bidden als dat mogelijk zou zijn. -
We moeten bidden voor hen, we moeten onszelf
ook heiligen om dan ook op de goede manier te kunnen getuigen in woord, door
ons gedrag, door het interieur onze woning (christelijk maar ongekunsteld, niet
overladen), ons woord… het geloof te kunnen uitstralen, ‘uitzweten’ zoals
pater Frans De Ridder ooit zegde. Maar
als ik dat hier zo allemaal opsom heb ik de indruk dat ik nog iets oversla. Wij
moeten geloven dat God hen gaarne ziet.
We
moeten diep in ons hart maar ook heel alert, permanent bewust geloven en weten
dat God de kinderen en jonge mensen van deze tijd even gaarne ziet als Hij ons
gaarne zag en ziet. Jullie zingen soms ook wel eens dat eenvoudig maar mooi
liedje: “Gods liefde is als het zonlicht, het straalt naar iedereen uit…”
Gods liefde straalt naar iedereen uit. De zon van Gods liefde wil ieder
mens verlichten en verwarmen. En ook speciaal de jonge mensen van deze tijd:
jonge mensen en een tijd in volle ontwikkeling. Denk
eens aan een paar jonge mensen en kinderen die je kent – gelovig of niet
gelovig… “God houdt van hen”. Denk eens aan die grote groep jonge mensen
die God helemaal niet meer kennen, die niet meer geloven, die er maar op los
leven, die aan de drugs zitten, met heel hun leven in de knoop zitten… en zeg
nu in je hart: “God houdt van hen”. God – als ik het zo eens al te
menselijk mag zeggen – God is zo enorm bezorgd om hen, God weent om de ellende
waarin ze zich bewegen, om het gebrek aan liefde dat ze ondervinden, om de
misleiding, om hun dwaas zoeken naar het geluk waar het niet te vinden is…
Maar God houdt van hen. “God houdt van hen”. Laat
dit dan als het grote woord, het meesterwoord over de rest van dit onderricht
hangen en – zo mogelijk – over de rest van je leven hangen als een groot
spandoek: “God houdt van hen”. Vertrouwen Misschien
denk je, ja een priester moet aan de mensen wel zeggen dat niet alle hoop
verloren is, dat er nog iets goeds steekt in hun kinderen, dat vroeg of laat het
goede dat de ouders gezaaid hebben wel vrucht zal dragen, ooit eens de kop zal
opsteken als een zaadje dat wat later dan andere boven de grond komt piepen als
een voorzichtig plantje... Nu ik geloof dat priesters dat niet enkel moeten
zeggen, maar dat dit in de meeste gevallen ook zo zal zijn. Maar
er is iets anders: priesters moeten verkondigen dat God een levende is. Als we
met Hem op weg gaan dan weten we dat we op Hem mogen vertrouwen. Wij vertrouwen
hem de kinderen toe: Hij zal er voor zorgen. En dan moeten wij blijven geloven
en vertrouwen, ook al zien we met onze ogen en stellen wij vast dat de kinderen
God niet meer kennen, niet meer geloven en soms wegen gaan die wij betreuren…
Toch op God blijven vertrouwen… want Hij houdt van hen. Laat uw ongeloof, uw
gebrek aan vertrouwen geen domper zijn of hinderpaal voor Gods liefde voor
hen… Bidden
voor de kinderen / weten dat God van hen houdt / Vertrouwen op God. Dit zijn
allerbelangrijkste zaken in het gelovig benaderen van het gezin en de kinderen. Gods
liefde moeten we gestalte geven. Geloven
en weten dat God van hen houdt! Maar daarmee houdt het niet op, daarmee is de
kous niet af.. Wij moeten Gods liefde en trouw ook uitstralen,
ze gestalte geven. In je gedrag, je omgang met je kinderen, je kleinkinderen, je
neven en nichten… Ik heb ze afgeschreven, die neven en nichten die zich van de
zaak, van de godsdienst niets meer aantrekken... En dat is wel de slechtste
manier van handelen, het slechtste wat een christen – die geroepen is om te
getuigen van Gods liefde –kan doen. Gods
liefde gestalte geven naar je kinderen toe. Ik moet jullie niet zeggen dat God
geen teddybeer is, geen papa die alles maar goedvindt en goedkeurt, die geen
vermaning geeft, geen goede raad, die de weg niet meer aanwijst…
Nee, zelfs wanneer God zijn volk straft, blijft zijn liefde overeind. We
zullen dus heel pedagogisch tewerk moeten gaan, bidden om wijsheid, bidden om
het openbloeien van ons sacrament van het huwelijk, vragen aan de H. Geest om de
genade van ons ouderschap te activeren… Wat zou het fijn zijn als echtgenoten
samen zouden kunnen bidden voor hun kinderen – al was het maar een Onze Vader
of Weesgegroet voor elk van hun kinderen, en dat ze voor elkaar zouden vragen om
wijsheid en kracht om hun ouderschap goed te kunnen beleven. Gods
liefde gestalte geven op de goede manier. Je
geloof gestalte geven of: de kracht van het getuigenis van een gelovig leven Hoe
kunnen we naar gezinnen getuigen van ons geloof en hoe kunnen we binnen het
eigen gezin getuigen? *
Het samen bidden of rond een stukje evangelie of bijbel samen zijn, zelfs als
dat kort is, is zeker een goed moment, een kaarsje, een liedje of luisterliedje,
wat sfeerschepping, een kort stiltemoment… Het kan een zegen zijn waarin we
ons gezin aan God toevertrouwen en een paar korte voorbeden inbrengen of door de
kinderen laten inbrengen.. *
Maar even belangrijk is je omgang met elkaar, je liefde, je naastenliefde, je
delen,…. Een gastvrij gezin zijn. *
Naar buiten toe moet het ook te zien zijn dat we een gelovig gezin zijn. Ik moet
me daar op mijn werk niet voor schamen… (Misschien gewoon meedelen dat het een
mooie paasdienst was, dat de pastoor een mooie homilie gehouden heeft, dat je
een goed gesprek had met een medegelovige die een overlijden had meegemaakt…) *
Zelfs de inrichting van onze woning kan een getuigenis geven; ze hoeft niet vol
iconen of heiligenbeelden te staan; wees vindingrijk genoeg om dat op
authentieke wijze, sober maar sterk tot uiting te laten komen. -
We moeten getuigen door ons leven (ons gedrag, onze manier van omgaan met
mensen, onze vriendelijkheid, ons verlangen naar verzoening, vredebrengers,
niemand afschrijven, niemand uitstoten…) -
Als we sommige jongeren van het gezin of familie eens alleen hebben mogen we al
eens een sterker getuigen, of een kort zinvol gebed zeggen als ze blijven
eten…) -
Bij allerlei levensomstandigheden kunnen we vanuit ons eigen christelijk geloof
een kort getuigenis geven, een zinduiding zoals men dat noemt… -
En welk getuigenis geven wijzelf bij ziekte, tegenslag… -
Onze omgang met het geld is ook een getuigenis of anti-getuigenis… Het
medelijden, het mededogen van God: God is Liefde! - MT.14,14 “Toen hij bij zijn landing dan ook een grote menigte zag, kreeg Hij diep medelijden met hen en Hij genas hun zieken”. - MT.15,30 “Talrijke mensen stroomden naar Hem toe, die lammen, gebrekkigen, blinden, stommen en vele anderen met zich mee voerden om ze aan zijn voeten neer te leggen. MT.15,31 Hij genas hen, tot verbazing van het volk dat zag hoe stommen spraken en gebrekkigen gezond werden, lammen liepen en blinden konden zien. En zij verheerlijkten de God van Israel. MT.15,32 Jezus riep zijn leerlingen bij zich en sprak: 'Ik heb medelijden met al deze mensen, omdat ze al drie dagen lang bij Mij blijven, zodat ze nu zonder voedsel zijn; maar Ik wil hen niet laten gaan zonder dat zij eerst gegeten hebben, omdat Ik vrees dat zij anders onderweg zullen bezwijken.'” Eigenlijk
is Jezus bekommerd om de hele mens. Hij onderricht, Hij geneest en is dan ook
nog bezorgd dat ze voldoende eten hebben… - MT.20,33 “Zij zeiden: 'Heer, open onze ogen!' MT.20,34 Jezus had medelijden met hen en raakte hun ogen aan. Terstond konden zij zien en sloten zich bij Hem aan”. - MK.6,34 “Toen Jezus aan land ging, zag Hij dan ook een grote menigte. Hij voelde medelijden met hen, want zij waren als schapen zonder herder, en Hij begon hen uitvoerig te onderrichten…” Schapen zonder herder… Het gaat Jezus naar het hart. Ik weet wel, de meeste teksten die ik aanhaalde gaat over mensen die nog in God geloofden. Maar ik zou je ook teksten kunnen aanhalen over mensen die wel met andere zaken bezig waren: geld, overspel (denk aan Levi, Zacheüs, de overspelige vrouw… ) maar die diep in hun hart toch naar een ander en beter leven verlangden en er echt voor open stonden. En Jezus zag hun hart… Herder zijn als
God En nu even naar onszelf kijken, vertrekkend van dat zinnetje: “Hij voelde medelijden met hen, want zij waren als schapen zonder herder”. Wanneer wij spreken over ouders en opvoeders en priesters en getuigen – zoals ieder van ons hoort te zijn, wij hebben immers het heilig doopsel en vormsel ontvangen – dan is het beeld van ‘de herder’ zeer op zijn plaats. Wij zijn herders voor elkaar, wij kunnen niet onder die opdracht uit. Ik weet wel, een priester heeft andere verantwoordelijkheden, maar hoe groot en diep is niet de verantwoordelijkheid van een vader en moeder, van een oma en opa, van een oom en tante…? Onderschat dat niet! God ligt er
wakker van… als voorbeeld voor ons Het is toch een verbijsterende tekst dat Jezus God vergelijkt met een herder die een schaap kwijt is geraakt… Petrus zal in zijn paasbrief schrijven: 1PETR.2,25 “Want gij waart verdwaald als schapen, maar nu zijt ge bekeerd tot de herder en behoeder van uw zielen”. Het lijkt bijna een godslastering dat God meer bezorgd zou zijn om zondaars dan om “rechtvaardigen” die geen bekering nodig hebben of menen nodig te hebben: “12 Wat dunkt u? Wanneer een man honderd schapen heeft en een daarvan verdwaalt, zal hij dan niet de negenennegentig in de bergen alleen laten om op zoek te gaan naar het verdwaalde? 13 En gelukt het hem dat te vinden, voorwaar Ik zeg u, dan zal hij over dat ene meer verheugd zijn dan over de negenennegentig die niet verdwaald waren. 14 Zo ook wil uw hemelse Vader niet dan een van deze kleinen verloren gaat” (Mt. 18,12-14). Kijk eens: Als God daar wakker van ligt, vrienden, van die kleinen, die jongeren die van niets meer weten, die verloren lopen, dwaasweg in hun verderf lopen… of die kleine kinderen bij jullie thuis of in je buurt of bij je zoon of dochter… als God daar wakker van ligt en – ik zeg het nu ook wat dwaasweg – als Hij er al zijn andere verplichtingen voor vergeet en op tocht gaat om dat ene verloren schaap te zoeken en terug te brengen… moeten wij daar dan ook niet wat van leren en misschien een beetje van wakker liggen? En dan is inderdaad de vraag: gaan wij ons door God laten zenden om met Hem te zoeken naar die verloren, gekwetste, zieke, onwetende schapen om ze – zo mogelijk – terug te brengen naar de schaapstal, ik bedoel daarmee om ze weer naar het hart van de Heer te voeren, in zijn licht, in zijn liefde…? God ligt er wakker van en dat is een voorbeeld en een uitnodiging naar ons toe. Zorg willen dragen voor kinderen en jonge mensen! Cfr Don Bosco. Hoe die zending
invullen? En dan zitten wij dit keer op de juiste startlijn om ons af te vragen: Hoe moet ik, hoe moeten wij dat doen? Zie ons hier zitten. Wij zijn niet allemaal meer van de allerjongsten. Ik was vroeger meer aktief in de jongerenwerking van de Maria-Kefasgemeenschap, nu heb ik dat overgelaten aan een jongere priester en aan jonge mensen die zich als herders voor jonge mensen ontpopt hebben… Maar daarmee kan ik toch niet heel die zending van mij afschudden. Je blijft altijd vader of moeder, je blijft altijd verantwoordelijk voor wat je tam hebt gemaakt, zegt de Kleine Prins van Antoine de Saint-Exupéry… Je blijft herder, heel je leven. We zijn gedoopt, we zijn gevormd. Dat blijft. Die genade en die zending. “Gij zult mijn getuigen zijn…” Dat blijft. Maar de vorm van je engagement zal natuurlijk verschillen… En het kan ook zijn dat je naar andere groepen mensen gezonden wordt… Voor wie nog wel
met jonge mensen in contact komt Misschien hebben sommigen van u nog wel contact met jongeren, met kinderen. De ouders, de grootouders. Of als je geregeld jonge neven en nichtjes op bezoek krijgt… Of een catechesegroepje hebt… Hoe moeten we dat dan doen? Met welke gezindheid? Weiden zoals God
het wil In de 1ste Petrusbrief lezen we: “1 De oudsten (de presbyters, de priesters of bisschoppen, maar dus in mijn redenering ieder die enige verantwoordelijkheid draagt in de begeleiding van jongeren, leerkrachten, ouders, catechisten, predikanten, retraiteleiders…) De oudsten onder u vermaan ik (…): 2 weidt de kudden van God waarvan gij de herders zijt; hoedt haar zoals God het wil: van harte en niet uit dwang, met toewijding en niet uit winstbejag. 3 Speelt niet de baas over hen die aan uw zorgen zijn toevertrouwd, maar toont u een voorbeeld voor de kudde. 4 Dan zult ge, als de opperherder verschijnt, de nooit verwelkende krans van de heerlijkheid ontvangen” (1Pt. 5,1-4). Dit is een sterke tekst: - hij heeft het over “de kudde van God”. Wij spreken van mijn kinderen, mijn catechesegroepje, mijn parochie, mijn klas, mijn Chirogroepje…. Deze brief spreekt over: de kudde van God. Het zijn Gods schapen, Gods kinderen… waarvan gij de herders zijn. Herders in dienst van de grote herder… Een fantastische roeping. Dat God u dat vertrouwen schenkt. Met Hem herder mogen zijn. “Herder als God”. Maar het blijft ZIJN kudde. Daar moet je nog meer zorg voor dragen dan wanneer het alleen maar uw schaapjes zouden zijn. - Hoed haar zoals God het wil… Als het dan toch Gods kudde is, Gods schaapje… Hoed het, hoed ze zoals HIJ het zou willen. Vraag Hem hoe Hij het zou willen, hoe Hij het aan boord zou leggen. Ga met Hem in gesprek over dat kind, over die jongere die u is toevertrouwd… -
Hoedt haar zoals God het wil: van harte en
niet uit dwang, met toewijding en niet uit winstbejag. -
Speelt niet de baas over hen die aan uw zorgen zijn toevertrouwd, maar toont u een voorbeeld voor de kudde. Speel niet de baas. Het gaat hier over volwassen schapen. Maar als je voor kinderen en jongeren als herder bent aangesteld, zal dat een beetje anders liggen. Uw verantwoordelijkheid zal anders moeten uitgeoefend worden. Uiteindelijk moeten ze naar de vrijheid begeleid worden, dat is zo, maar dat veronderstelt dat je aanvankelijk de teugels wat aangehaald houdt, dat je ze leert de vrijheid goed aan te wenden, hen bij te brengen dat vrijheid nog iets anders is dan ongebondenheid, wat vaak neerkomt op zelfzucht en onverantwoordelijkheid. Een kind en jongere heeft nood aan gezag om zich goed te kunnen ontwikkelen. Dat gezag moet evenwel niet een soort van dictatuur zijn, strengheid zonder liefde, straf uit gekwetste gemoed in plaats van om de jongere te helpen groeien in verantwoordelijkheid werkt contraproductief, roept slaafsheid of opstandigheid op. “Speel niet de baas” betekent dat in feite. Zoals in dat Schriftwoord (Kol. 3,21): “Vaders, tergt uw kinderen niet, opdat zij de moed niet verliezen”. Radicale inzet en
toewijding Luister eens naar dat sterk woord over de goede herder uit het evangelie van Johannes hoofdstuk 10: “11 Ik ben de goede herder. De goede herder geeft zijn leven voor zijn schapen. 12 Maar de huurling, die geen herder is en geen eigenaar van de schapen, ziet de wolf aankomen, laat de schapen in de steek en vlucht weg; de wolf rooft ze en jaagt ze uiteen. 13 Hij is dan ook maar een huurling en heeft geen hart voor de schapen. 14 Ik ken de mijnen en de mijnen kennen Mij, 15 zoals de Vader Mij kent en Ik de Vader ken. Ik geef mijn leven voor de schapen. 16 Ik heb nog andere schapen, die niet uit deze schaapsstal zijn. Ook die moet ik leiden en zij zullen naar mijn stem luisteren en het zal worden: een kudde, een herder” (Joh.10,11-16). Slotbemerking:
God geeft de wasdom (1 Kor. 3,7) Tenslotte is het God die de wasdom geeft. Wij kunnen niet voor God spelen. Ik heb me ooit wel eens licht geërgerd aan wat er van paus Johannes XXIII verteld wordt. “Als ik ga slapen, zegde hij en ik trek mijn broek uit, dan leg ik ook de kerk opzij”. Hij bedoelde: ‘ik ben ook maar een mens, als ik nu niet ga slapen, dan kan ik morgen mijn dienst voor de Kerk niet goed doen. Ik vertrouw deze nacht mijzelf en de kerk aan God toe’. Het ligt in de lijn van wat Carolus Borromeüs ooit zei voor het slapengaan, althans dat wordt van hem verteld: “Heer gij weet dat ik u bemin, maar nu kruip ik erin”. We moeten ons bewust blijven dat we ook maar mensen zijn. Tenslotte is God de grote Herder van de schapen. Wij moeten ons het evangelisatiewerk en catechisatiewerk echt aantrekken, maar het voornaamste is dat we de mensen die ons zijn toevertrouwd, toevertrouwen aan de Heer. En dat we voor hen en voor ons eigen bezigzijn Gods Geest afsmeken, om te weten wat we moeten doen, maar ook om in alle eenvoud, in alle nederigheid te weten dat wij wel kunnen werken, zaaien en maaien, bemesten, snoeien, wieden, cultiveren enz…. maar de wasdom wordt door God gegeven. Een boer kan van alles en nog wat doen, maar als er geen groeikracht zit in de aarde, dan komt er geen oogst. Hiermee
heb je meteen een zwaarwichtige reden voor gebed, aanbidding,
eucharistieviering, Mariadevotie enz. Meteen voor mij een goede reden om dit
onderricht te beëindigen.
|