|
|
|
PREKEN UIT 2012 (preken uit 2011 - 2010 - 2009 - 2008 - 2007 - 2006 - 2005) Waar
onze preek ontbreekt,
-
Jaar B Zondag 7 (19/02/2012) Uw zonden zijn u
vergeven -
Jaar B Zondag 4 (29/01/2012) Jezus' woord heeft
kracht ACTIVITEITEN - GRIEKSE KERK BAGDAD - BEZINNINGEN - BIJBEL - BOEKEN - CHRISTEN in de WERELD - CHRISTELIJKE VORMING - DIAPRESENTATIES - EVANGELIE-LEZING - GEBED - GEBEDSGROEP - GETUIGENISSEN - GEZIN INHOUD - JEZUS (Isa al Masih) - JONGEREN - KERK en GELOOF - Figuren uit de KERKGESCHIEDENIS - KINDEREN - KUNST - LITURGIE - MEDIA -- MARIA - MARIA-KEFAS - MORAAL - NADENKERTJES - NIEUW - NUMMERS - PARAY L.M. - PINKSTERSPIRITUALITEIT - PREKEN - ROEPING - SOCIALE INZET - SPIRITUALITEIT - THUISPAGINA - UITZICHT - VERHALEN - WETENSCHAP - ZENDING - ZONDAGSEVANGELIES - Jaar
B ZONDAG 7 (19/02/2012) Met
God op weg gaan in je leven… Wij hebben wel eens de overtuiging dat dit ons
initiatief en onze keuze is… Er is zeker een soort keuze aan onze kant. Maar
die keuze is maar mogelijk omdat God zelf zich aan ons presenteert, zich aan ons
doet kennen. Wij noemen dat openbaring. Het is zijn vrij initiatief niet enkel
dat Hij ons tot het bestaan heeft geroepen, maar ook dat wij Hem kunnen kennen.
Wij zijn gemaakt naar zijn beeld en gelijkenis. Er is in ons de mogelijkheid, de
uitrusting, de voorwaarden zijn aanwezig om in contact te komen met die God die
onze oorsprong en onze bestemming is. Dat alles is zijn initiatief. En
natuurlijk, wij kunnen altijd zeggen – niet zo’n verstandige uitspraak
natuurlijk – ik aanvaard Jou niet als mijn oorsprong, Jij bestaat voor mij
niet, ik aanvaard Jou niet als Iemand die mij overstijgt, ik wil met Jou geen
rekening houden in mijn leven… Geen
al te verstandige uitspraak omdat God wel aan de oorsprong staat van ons leven,
omdat Hij ons op elk ogenblik in het leven houdt, en omdat Hij alleen de zin van
ons leven kan uitmaken… Vandaag
in het evangelie komen we nog iets meer te weten over God. Reeds in het Oude
Testament had Hij zich geopenbaard, zich doen kennen als een God die rechts
heeft op onze erkenning, onze aanbidding, onze dankbaarheid… Maar ook had Hij
zich getoond als een God die, zelfs als ge Hem op de teen getrapt hebt, ook kan
vergeven en vergeten. Hij blijft niet zitten mokken om wat we misdeden, zo ver
als het Oosten van het Westen, zover werpt Hij de zonde van ons weg… Hij komt
niet telkens terug op wat we ooit verkeerd deden of waar we onder de maat
bleven. Hij toonde zich een God die
telkens en telkens nieuwe kansen geeft. “Je bent gebuisd, maar je mag
herkansen”, al is er hopelijk toch wel wat groei in ons leven… Tenslotte
blijven we hier niet rondlopen op aarde. Welnu,
in het evangelie zien we hoe een verlamde bij Jezus wordt gebracht en Jezus
zegt, helemaal onverwacht en in voor het aanvoelen zelfs wat ongepast: “Uw
zonden zijn u vergeven”. Wij
moeten niet te snel over deze woorden heen lezen. Zonde is geen kleinigheid.
Zonde is nog altijd een klap in het gelaat van God, om het maar eens al te
menselijk (antropomorfisch) te zeggen, een belediging van God die niet God maar
wel onszelf besmet, ons lelijk maakt als schepsel van God, als kind van God. En
daar sta je dan. Je kan dan om vergeving bidden. Maar die belediging van God en
die besmeuring van onszelf, dat is daarmee niet weggeveegd. Daar moet God aan te
pas komen. Hij moet een woord van aanvaarding en van reiniging uitspreken opdat
die relatie tussen Hem en ons weer wordt hersteld als een vriendschapsrelatie of
een Vader-kind-relatie. Dàt
wou Jezus nu aan die lamme man zeggen: God aanvaard jou als zijn schepsel, zijn
vriend, zijn kind. Dit is een woord dat met de basis, de grond van ons bestaan
te maken heeft. Als God zegt: met jou is het okay, tussen ons is het okay. Om
aan de anderen dan ook te laten zien dat het menens is met die vergeving geeft
Jezus ook nog dat teken van de genezing van de verlamming. Zo konden al die
Joodse mensen zien dat de relatie tussen God
en de lamme hersteld was. En
meteen werd aan de kwaaddenkers en kwaadsprekers ook duidelijk getoond dat Jezus
heel veel met God te maken had. Vragen
wij vandaag om die vergeving die God ons gaarne geeft en laten wij gedurende de
Veertigdagentijd die eraan komt ook toeleven naar Pasen, en naar het sacrament
van verzoening, een echt Paasgeschenk omdat Jezus, ons Paaslam, al onze schuld
op zich heeft geladen en wij in Hem toegang hebben tot de schatkamer van de
goddelijke vergeving en aanvaarding als kinderen van God. (Ben Van Vossel)
Jezus
en de melaatse Voor
de gemeenschap zorgen, heeft – althans voor het menselijk en christelijk
aanvoelen – soms pijnlijke gevolgen voor het individu. Reeds in het Oude
Testament voelde men zich verantwoordelijk voor het welzijn van de groep. En wat
de mensen met melaatsheid aanging, voelde men zich verplicht om die buiten de
groep te houden, opdat de grote groep niet besmet zou geraken… En zolang
iemand met een lelijke huidziekte niet genezen was, moest hij of zij, goed
herkenbaar, buiten de groep blijven. Deze Oudtestamentische gewoonte is lang
blijven bestaan, ook het Molokaï waar pater Damiaan jarenlang heeft verbleven,
was een soortgelijke oplossing… De Gemeenschap beveiligen tegen besmettelijke
ziekten. Die gemeenschap had dan wel
de verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat, minstens voor de lichamelijke
noden, die mensen van het nodige te voorzien: voedsel, bouwmateriaal,
landbouwmaterialen, geneesmiddelen enz… Maar
voor de rest: afzondering, isolement, contact met de gezonden verboden! Pater
Damiaan heeft dat taboe doorbroken. Hij is zelf die eenzaamheid ingetrokken om
die mensen iets van hun menselijke waardigheid terug te schenken. De boodschap
was: jullie zijn ook mensen, medemensen, ook al zitten jullie hier op
quarantaine. Damiaan handelde hier naar wat Jezus had voorgedaan. De
melaatse knielde voor Jezus neer en smeekt Hem: “Als Gij wilt kunt Gij me
reinigen.” Door medelijden bewogen stak Jezus de hand uit, raakte hem aan en
sprak tot hem: “Ik wil, wordt rein.” De
genezing die daarop volgde is de kroon op het werk, daar kunnen we niet aan
twijfelen. Dat is ook zo voor zieken en marginalen en voor alle mensen in nood:
daadwerkelijk geholpen worden, oplossing van het probleem dat op mensen weegt. Maar
niet alle nood kan zomaar verholpen worden. Ga terminaal zieken maar eens
zeggen: Ik wil, wees genezen… Wat echter wel kan dat zijn die twee eerste
zaken die men over Jezus’ optreden zegt. Het eerste is de aanloop tot de rest:
door medelijden bewogen. Ons laten bewegen door medelijden. Door het invoelen in
wat die mens doormaakt. Die uitzichtloosheid, het isolement, de pijn om wat men
verloren is: zijn huis, zijn thuis, zijn gezondheid, zijn welstand... En
het volgende wat over Jezus wordt gezegd: Hij stak de hand uit en raakte hem
aan. Kompassie hebben met mensen is mooi, empathie, de situatie van de
noodlijdende tot jou laten komen… Maar de stap die Jezus hier zet gaat verder.
Hij trekt zich die situatie daadwerkelijk aan. Hij steekt de hand uit en raakt
de melaatse aan. Hij treedt nu de situatie van de noodlijdende binnen, hij maakt
zich vuil, hij ruikt de verwaarloosde zieke en toont zich niet te preuts om hem
aan te raken. Dat
is een stap die kan tellen. Je laat je eerst aanspreken door de nood van je
medemens, maar dat brengt u in beweging om ook verder te gaan: om op bezoek te
gaan, om te zien wat je kan doen, om tijd te maken voor een gesprek, om te
vragen of hij/zij ergens nood aan heeft, kortom, om solidair te zijn en wellicht
ook: om solidair te blijven, de zieke niet verder in de steek te laten. We kunne
ons hier spiegelen aan de barmhartige Samaritaan die het slachtoffer niet enkel
verzorgd maar ook op zijn rijdier helpt en naar een veilig onderkomen brengen en
zelfs nog verder voor hem laat zorgen… De
grote Samaritaan is Jezus, de grote Damiaan is Jezus, Hij heeft zich met het lot
van ons allen ingelaten, Hij is solidair met ons geweest, is ons bestaan komen
delen, heeft voor ons de deuren naar het heil opengebroken en blijft vandaag met
ieder van ons begaan… Maar
Hij heeft ons een voorbeeld gelaten opdat wij in zijn voetstappen zouden gaan
door ons medelijden en door onze solidariteit. En
voor wat dat “genezen” aangaat. Pater Damiaan is blijven zoeken naar het
geschikte geneesmiddel en heeft het ook op zichzelf uitgetest. Zo blijft het
voor hedendaagse artsen, onderzoekers en farmaceutische bedrijven een permanente
opdracht – een opdracht van de Heer - om te blijven zoeken om medemensen te
helpen uit hun fysische en psychische nood. Laten
we ieder voor zich zien waar onze opdracht vandaag ligt in het verlengde van
Jezus’ optreden. (Ben Van Vossel) Jezus
bidt, geneest, verkondigt Broeders
en zusters, we zien Jezus vandaag zoals Hij echt is. Hij komt uit de
gebedsdienst in de synagoge in Kafanaüm en in gezelschap van enkele vrienden
gaat hij naar het huis van Simon Petrus, waar trouwens ook Andreas woonde. Er
zijn een aantal aanwijzingen dat Jezus in dat grote huis van Petrus ook zijn
verblijf had. Boven dat huis is later een 8-zijdige basiliek gebouwd en enige
jaren terug heeft men boven de resten van die basiliek een modern alles
overspannend gedenkteken opgericht zodat die ruïnes bewaard blijven. Jezus had
inderdaad een aantal vrienden die ook zijn leerlingen waren. Thuisgekomen bij
Simon Petrus hoort verneemt Hij dat
Petrus’ schoonmoeder ziek is. Jezus ging naar haar toe en geneest haar van de
koorts, zodat ze al onmiddellijk in staat is hen te bedienen. ’s
Avonds, na zonsondergang brengt men dan nog allerlei soorten zieken bij Hem
waarvan Hij er velen genas en ook kwade geesten uitdreef; misschien dat sommige
van die mensen echt in de greep waren van een kwade geest maar anderen zullen
wellicht een psychische kwaal gehad hebben. Een drukke avond! Nog vóór de morgen is Jezus naar een eenzame plaats getrokken om daar
te bidden. Zoals het toen de gewoonte was bad Hij vermoedelijk luidop. Petrus en
zijn metgezellen vinden Hemen vragen dat Hij mee zou komen want daar zijn nog
mensen die Hem willen zien of spreken. Maar Jezus is zich bewust geworden dat Hij daar niet ter plekke moet
blijven in Kafarnaüm maar dat Hij een rondtrekkend prediker moet zijn: “Laten
we ergens anders heen gaan, naar de dorpen in de omtrek, opdat Ik ook daar kan
prediken. Daartoe immers ben Ik uitgegaan.” Zo trok Hij dan door heel Galilea, predikte in hun synagogen en dreef de
boze geesten uit. Laten we dit alles nog een met meer aandacht nagaan: Reeds in de eerste
zin vernemen we dus dat Jezus een godsdienstig man was, die de wekelijkse
synagogale diensten bijwoonde en daar zelfs onderricht gaf. Hij ging daar in
gezelschap naartoe zoals we hier vernemen. Samen met de vrienden bij wie Hij
inwoont gaat Hij naar hun huis. De eredienst, het dienen van God, het
godsdienstig zijn sluit niet uit dat Jezus ook een sociaal iemand was, die
vrienden had, die bij mensen thuis kon zijn en die trouwens, zoals we aanstonds
vernemen, ook veel aandacht had voor mensen, vooral voor mensen in nood. Dat is dan het tweede tafereel. Jezus, de genezer. Naast de schoonmoeder
van een van zijn vrienden geneest Hij een hele rits mensen van
fysische,psychische ziekten en bevrijdt mensen van kwade invloeden of
verslavingen. Dat vinden we natuurlijk prachtig en het blijft een opgave voor de
christelijke gemeenschap en voor ieder van ons om echte aandacht op te brengen
voor zieken en voor mensen die beproefd worden of die in de greep van een
verslaving zijn. We moeten bidden om licht en durf en specifieke gaven om die
mensen te kunne helpen. Maar dan zien we iets speciaals. Jezus staat vroeg op, “nog diep in de
nacht”, schrijft Marcus (een latere leerling van Petrus en daarna ook van
Paulus). Hij gaat naar buiten, in de stilte en waar Hij niet gestoord wordt, en
daar bleef Hij bidden. Jezus kon niet zonder contact met zijn Vader en wij, wij
zouden ook meer moeten beseffen hoe onontbeerlijk het contact met God is voor
ons als gelovige mensen. Dat heeft ook zijn weerslag op ons leven van actie. Jan
Vermeire, de stichter van Poverello, vertelde ons toen we eens in Brussel bij
een van zijn opvangtehuizen voor daklozen en dompelaars waren dat Hij en zijn
medewerkers het zeer druk hadden, maar dat ze af en toe eens naar boven gingen,
naar een kleine gebedsruimte om daar even contact te hebben met Hem door wie ze
zich gezonden wisten. Welke plaats, welke ruimte scheppen wij voor het gebed in
ons leven? Kijk naar Jezus, onze Gids en Redder. En dan zien we weer hoe Jezus in het gebed licht heeft gekregen. Hij
heeft begrepen dat Hij niet knusjes in Kafarnaüm moet blijven en genieten van
het succes dat Hij daar heeft als genezer, maar dat Hij moet gaan tot de andere
dorpen en ook daar de mensen moet gaan spreken over Gods liefde voor hen en dat
Hij ook daar moet tonen dat God hen wil genezen en vrijmaken. Een hernieuwde oproep om te luisteren naar wat God van ons verlangt om
te getuigen en om Gods liefde te tonen door daden van goedheid. God wil ons
daartoe toerusten in de momenten van gebed. (Ben Van Vossel) Jezus'
woord heeft kracht In de eerste lezing uit het Oude Testament belooft God een profeet aan zijn volk. En profeten heeft Hij hen gezonden, mensen die hen opriepen tot zorg voor de zaken van God en het geluk van hun medemensen. Men moet dan ook echt luisteren naar wat God door zijn profeten wil duidelijk maken aan de mensheid. Profeten als moeder Teresa van Calcutta, de Spekpater, Pater Phil Bosmans en vele anderen ie ook in onze tijd ons gewezen hebben op wat echt belangrijk is om te doen en wat we best vermijden om onze wereld en de waardigheid van de mens niet stuk te maken. Over de mensen in Jezus’ tijd werd soms gezegd dat ze elkaar verdrongen om toch maar iets van zijn woorden op te vangen… Zo heeft Paulus het in zijn Korinthiersbriers over ongehuwden die meer kunnen bezig zijn met de zaken van de Heer. Maar eigenlijk zouden wij als christenen allen voldoende tijd moeten maken om, ook in de drukte van de dag, af en toe met onshart bij de Heer te zijn en Hem te vragen wat Hij van ons bezigzijn vindt en wat Hij van ons verlangt; en dan biden om kracht. In het evangelie is Jezus aan het spreken in e synagoge van Kafarnaüm waar Hij woonde, mogelijks in het vissersbedrijf van Petrus. De mensen waren onder de indruk van zijn woorden, Hij sprak als iemand met gezag. Iemand die uit eerste hand, uit eigen ervaring sprak over Gods liefde en hoe wij gehoor kunnen geven aan zijn plan van liefde met de mens… Als sterk teken van de kracht van zijn woord, als een soort onderlijning bevrijd Jezus een man van een kwade geest… door de kracht van zijn woord. “Zwijg stil en ga uit hem weg”. Het is tegelijkertijd een zichtbaar teken van wat God met de mens voorheeft: bevrijding, heil. In eigen leen ervaren wij ook wel eens onze grenzen, ervaren wij onze geneigdheid tot egoïsme, niet enkel als gezonde eigenliefde, maar gerichtheid op onszelf met voorbijzien van het heil van anderen en van wat God toekomt… Wij ervaren onvrijheid. Wij zien in de wereld ook heel wat spijtigs; de krant en de nieuwsberichten puilen ervan uit… Mensen verdienen geld aan oppervlakkigheid en aan de misleiding van medemensen… Jezus’ woord klinkt vaak niet meer door. Men heeft meer oor voor gezondheidstips, keukentips, tips over whoolness, over jezelf worden en noem maar op… In dat alles steken soms stukjes waarheid en waardevolle zaken, maar ook veel dat niet de moeite waard is en vaak ook zaken die tegen het echte heil van de mens ingaat… Jezus wil mensen vrijmaken. Hij gaat de strijd aan met onwaarheid, bezetenheid, onvrijheid van de mens. Soms moet de mens wat meewerken, het verlangen om vrij te worden, je verdorde hand uitsteken, gewoon maar zeggen: Heer, maak dat ik zien kan, laat me leven in het licht, laat me weer rechtop lopen en geen dwaalwegen gaan, genees mijn ziel van haar melaatsheid, help me eenheid scheppen in plaats van haat… En Jezus heeft de macht om ons te genezen en vrij te maken, ons op te richten als bevrijde mens, als kind van God. Laten we Hem dan maar weer en sterker roepen om bevrijding, voor ons onszelf en voor vele andere mensen in onze streken en over de wereld. Heer, maak onszelf, ons gezin, onze wereld meer en weer tot Gods domein, waar Hij geëerd wordt met oprechte harten. (Ben Van Vossel)
Jaar B ZONDAG 3 (22 Januari 2012) Bekeer
u en geloof. Kom, volg Mij Johannes de Doper was weggevallen, de wegbereider had zijn taak vervuld, hij had verwezen naar de Dienaar van God, het Lam Gods dat de zonden van de wereld wegdraagt. De grootste der profeten zat nu opgesloten en moest van anderen horen wat Jezus deed en verkondigde. Die boodschap klonk eeuwenoud: Het moment is gekomen om God in uw leven binnen te laten. Bekeert u, keer om van gezindheid en geloof in het Blijde Nieuws. ’t Is goed van ons ook even te laten aanspreken door de hoogdringendheid van die samenvattende boodschap. God wil vandaag heersen in uw leven. Als ge u in zijn koninkrijk, onder zijn heerschappij begeeft, vindt uw leven zijn ware vervulling. Daarom moet ge omkeren van mentaliteit: niet alles zelf beslissen maar aan God vragen wat Hij ervan vindt en dan geloven in het Blijde Nieuws, het Goede Nieuws van Gods liefde en nabije zorg voor u. Die ene gedachte zou ons leven kunnen vervullen als we er echt op zouden ingaan. En dat is dan ook de bedoeling. Ons leven op sporen te zetten, de sporen van bekering en van geloof. Als lamgeslagen christenen in een land in crisis, maar waar mensen nog altijd boven hun stand leven, zich volproppen en hun cholesterol moeten opvolgen en hun lijn trachten te behouden, een land waarin de kerk zwaar heeft moeten boeten door de schuld van een aantal geestelijken… Lamgeslagen christenen die zich hebben gevoegd bij de massa van mediaverslaafden en consumptiefanaten… Bekeert u, zegt Jezus. Misschien is het te moeilijk om meteen een andere richting in te slagen? Maar hopelijk vindt Jezus’ uitnodiging toch een toegang tot ons hart en gaan we inzien dat we inderdaad op een verkeerde weg zitten… Dat ongebreidelde consumptiegedrag kan toch niet normaal zijn op een wereld met zoveel armoede en in een land waar ook veel verborgen armoede is… Overigens, hoe leeg worden we zelf als mens van zo’n levenswijze! Daarom is het goed dat we vandaag dat evangelie beluisteren tot de laatste zin: Jezus ziet een paar jonge vissers. “Onmiddellijk riep Hij hen. Zij lieten hun vader Zebedeüs met de dagloners in de boot achter en volgden Hem.” Tevoren was dat ook al het geval met Petrus en Andreas terwijl ze bezig waren het net uit te werpen in het meer; zij waren namelijk vissers. Jezus sprak tot hen: “Komt, volgt Mij; Ik zal maken dat gij visser van mensen wordt.” Terstond lieten zij hun netten in de steek en volgden Hem.” Zij horen Jezus stem en zijn treden onmiddellijk in actie. Wat gaan wij doen vandaag? We horen Jezus zeggen: “De tijd is daar. Bekeer u en geloof in de Blijde Boodschap.” Bekeren? Maar wij zijn toch al bekeerd! Geloven? Maar wij zijn toch gelovig! Zoals ik daareven al zei: Bekeren wil zeggen: in plaats van zelf op de troon te zitten en zelf alles te beslissen in mijn leven. Ga ik vanaf dit moment eerst naar God opkijken om te zien wat Hij wil. Meestal voel ik wel aan waar Gods verlangen ligt. En geloven in de Blijde Boodschap? Dat wil zeggen dat ik op de eerste plaats geloof dat God liefde is, dat Hij mij omgeeft met zijn zorg. Dat heeft als gevolg dat ik niet meer voortdurend gekweld door zorgen rondloop, maar alles in Gods handen leg, met vertrouwen. Ook de zorgen over mijn gezin en de toekomst. Ik werk en span me in, maar doorheen dit alles stel ik mijn vertrouwen op God. Op God vertrouwd, is op rots gebouwd! Zelfs midden tegenslagen en zelfs midden beproevingen van welke aard ook: op God blijven vertrouwen. Dat is onze roeping in het spoor van Jezus zelf. In dat spoor zijn ook die eerste volgelingen van Jezus gegaan. In deze bidweek voor de eenheid van de christenen bidden wij om bekering en vernieuwd geloof voor alle volgelingen van Jezus. (Ben Van Vossel) Jaar B ZONDAG 2 (15 Januari 2012) Gaat
mee om het te zien We
hebben Hem gevonden. De Messias! Vrienden, wij kunnen ons gewoon niet meer
indenken of voorstellen wat in die paar woorden lag uitgedrukt voor jonge Joden
van die tijd. Dat waren, zoals omzeggens de hele Joodse gemeenschap, jonge
mensen die uitzagen naar de bevrijding van hun volk uit de onderdrukkende macht
van de bezetting door de Romeinen, en daar bovenuit zagen ze ook uit naar een
soort innerlijke bevrijding, dat ze, persoonlijk en als volk, opnieuw en sterker
in relatie zouden zijn met Jahwe, de enige levende God, die hun volk had
uitgekozen en die altijd met het volk was meegegaan…. Tot Hem baden zij in hun
gebedshuizen en in hun persoonlijk gebed. Zend uw bevrijder. Kom uw volk
verlossen. Lach ons weer toe en wij zullen gered zijn… Nu
hebben twee jonge gelovigen Gods glimlach gezien, op het gelaat van een jonge
man die in de omtrek is komen wonen. Ze waren Hem achterna gelopen omdat een
profeet, hun leermeester hun gezegd had: dat is het Lam Gods, dàt is de Dienaar
Gods waarover Jesaja gesproken heeft. De man die door zijn lijden heil gat
brengen over het volk… Waar woont Ge, hebben ze hem gevraagd. En Hij, zo heel
gewoon met een zachte glimlach: Gaat mee om het te zien. Zij gingen mee en zagen
war hij woonde. Die dag bleven ze bij Hem. Het was ongeveer het tiende uur, vier
uur in de namiddag. Het uur van zijn eerste ontmoeting met Jezus is Johannes
nooit meer vergeten. Andreas ook niet, want zo gauw hij zijn broer Simon ziet,
zegt hij: Wij hebben de Messias gevonden en hij brengt zijn broer bij Jezus.
Simon krijgt een nieuwe naam: Petrus, de steenrots waarop Jezus zijn gemeenschap
gaat bouwen. Hij wordt later de eerste christelijke bisschop van Rome. ’t
Is eigenlijk voor ons allen een belangrijke ontmoeting waar we vandaag getuige
van zijn. Wij zijn op het geloof van die eerste getuigen gebouwd: getuigen van
zijn woorden en daden en van zijn verrijzenis. Dat Hij als de verrezen Heer
hennabij is gebleven. En dat geloof spreken wij nog altijd uit: Heer Jezus, wij
verkondigen uw dood en wij belijden tot Gij wederkeert dat Gij verrezen zijt! Dat
is het geloof van de kerk en dat is ons geloof. Maar… hebben wij ook de Heer
al persoonlijk ontmoet? Die ontmoeting heeft op Johannes zo’n diepe indruk
gemaakt. Hoe is dat bij ons?
Herinneren wij ons nog onze ontmoetingen met de Heer uit het gebed van onze
kindertijd? Herinneren wij ons enige sterke momenten uit ons leven waarop we de
nabijheid van de Heer, zijn ingrijpen of zijn troost hebben mogen ervaren? Die
persoonlijke ervaringen zijn een belangrijke aanvulling bij het objectieve
geloof van de Kerkgemeenschap. Het is goed aan die momenten terug te denken. Dat
versterkt uw geloof. Het is goed om op dit eigenste moment u bewust te worden
dat God in u woont, zoals Paulus vandaag schrijft aan zijn christenen van
Griekenland: “Uw lichaam is een tempel van de heilige Geest die in u woont”.
Het is goed ons ervan bewust te worden dat God tot ons spreekt en met ons op weg
gaat zoals Samuël mocht ervaren: “Spreek, Heer, uw dienaar luistert”.
Misschien moeten we wat meer stil worden, zo’n paar momenten vrijhouden voor
het gesprek met ons belangrijkste Vriend en Gast: luisteren en spreken. Gewoon
met ons hart wat bij Hem komen rusten. Het al ons opbouwen wat we zijn dan in
contact met de Grond, de Oorsprong van ons bestaan, de Enige die een Garantie is
voor echt leven en leven door alle omstandigheden en zelfs óver de dood heen.
(Ben Van Vossel) Jaar B OPENBARING VAN DE HEER (Epifanie) (8 Januari 2012) Gekomen
om Hem hulde te brengen en te dienen "Wij
zijn gekomen om Hem onze hulde te brengen." Om die reden zijn de
Wijzen op weg gegaan, de lange tocht vanuit het Oosten. Zij schamen er zich niet
voor, zij gaan overal te rade waar het juist is dat ze moeten zijn en als ze het
vernomen hebben gaan ze er recht naartoe en voeren zij uit waarvoor zij gekomen
zijn. Zij aanbidden de grote Koning… een pasgeboren kind in een kribbe, de
voerbak voor dieren. Wat
in dit verhaal ligt uitgedrukt heeft ook voor ons een grote betekenis. Voorons,
niet-joden, is dat zo’n beetje ons Kerstfeest. De lezing uit de Efesiërsbrief
maakte ons duidelijk dat God zich heeft geopenbaard, zich heeft doen kennen,
niet enkel aan het Joodse volk, maar ook aan de heidenen, de niet-joden, en
daartoe behoren ook wij. De Efesiërsbrief zegt het zo: de heilige Geest heeft
het geopenbaard aan zijn heilige apostelen en profeten,: dat de heidenen in
Christus Jezus mede-erfgenamen zijn, medeleden en mededeelgenoten van de belofte
door middel van het evangelie. Door het geloof in het Evangelie mogen ook wij
delen in de belofte aan het Joodse volk dat God de mensen heeft verlost door de
Messias, de Heiland, Jezus Christus, onze Heer. We mogen geloven dat God ons
allen liefheeft als zijn geliefde kinderen en dat Hij ons aan zijn hart drukt,
omwille van Jezus, zijn Zoon, onze Heer. Het maakt ons diep dankbaar tegenover
God. Maar
we willen op dit Feest waarop God liefde zich openbaart aan alle mensen ons ook
spiegelen aan de Wijzen. Zij zijn op zoek gegaan en hebben er veel voor over
gehad om hun doel te bereiken. In hoever zijn wij op zoek naar een dieper
contact, een diepere ontmoeting met de Heer. Wij zullen Hem niet vinden als we
niet op zoek gaan, vurig op zoek, met liefde op zoek gaan. Misschien
vraagt u zich af: op zoek gaan naar de Heer? Maar, ik ken Hem toch, ik ben toch
gelovig, ik ben toch christen. Waar moet ik Hem dan nog zoeken? Als
ik echt gelovig ben, en als ik als gelovige tracht te leven, dan woont de Heer
in mij. Dan weet ik waar ik Hem kan vinden. Maar dan moet ik Hem daar ook
begroeten, met Hem spreken, Hem mijn hulde brengen, Hem zeggen dat ik Hem
liefheb en dankbaar ben… Vaak bij Hem zijn, met Hem verbonden blijven, als de
rank met de Wijnstok, want los van Hem kunt gij niets! Met wat een grote schat
lopen wij door de straten van de stad, door de straten van het leven! Wij moeten
meer aanbiddende mensen worden. Hem aanbidden in ons hart waar Hij zijn verblijf
wil hebben. Hem
aanbidden, Hem dienen, Hem onze geschenken aanbieden… Dit moet een diepe
geestelijke houding zijn, maar wij moeten Hem ook herkennen in het gelaat van de
Kerkgemeenschap, hier en wereldwijd, in het gelaat van verdrukten, slachtoffers
van uitbuiting, slachtoffers van de economische crisis… Zijn ze daar weer! Zo
reageren wij soms als er weer eens een inzamelactie wordt ondernomen. Wij moeten
daarin weten te onderscheiden. Maar ons helemaal afsluiten van de nood van
medemensen, dat kunnen wij als gelovig mens niet maken. In de geringste van Zijn
broeders en zussen meten wij ook de Heer weten te ontdekken, ook in hen
openbaart Hij zich, Hij vereenzelvigd zich met hen. Wat een treffend beeld
schetst ons het evangelie: “zij zagen er het Kind en zijn moeder Maria en op
hun knieën neervallend betuigden zij het hun hulde. Zij haalden hun schatten te
voorschijn en boden het geschenken aan…” Wij mogen ons hart niet sluiten
voor het Kind en voor de noodlijdende mensenkinderen, onze broeders en zusters.
Onze vriendelijkheid, onze dienstbaarheid – ook in ons eigen midden -, onze
gastvrijheid, onze hulpvaardigheid, onze liefdadigheid moeten een kenmerk
blijven van elk gelovige die zich wil spiegelen aan de liefde van God die zich
geopenbaard heeft in de komst van Jezus Christus, onze Heiland. Ook wij zijn
gekomen om Hem onze hulde te brengen en om Hem van dienst te zijn daar waar Hij
zich openbaart in de mensen op onze weg. (Ben Van Vossel) Jaar B FEEST VAN MARIA, DE MOEDER GODS (1 Januari 2012) Luisteren
naar Gods woord en het bewaren Het gebeurt wel eens dat een volwassene en zelfs een bejaarde je meedeelt: “Ik herinner me nog een woord van de priester op onze trouwdag.” Of een jongere die zegt: “We hadden eens een bezinningsdag en toen heeft die predikant iets gezegd dat me tot op de dag van vandaag niet loslaat, een woord dat me nog altijd uitnodigt om mijn leven in dienst van God te stellen.” Soms kan een of ander woord uit de Schrift ons ook aanspreken, een woord uit een preek, een woord van een vriend, en woord uit de heilige Schrift... Het hangt er natuurlijk van af of we wakker waren, of we met een open hart luisterden… Kijk, van Maria, Jezus’ Moeder, wordt het een paar keer gezegd, zoals hier na het bezoek van de herders: “Maria bewaarde al deze woorden in haar hart en overwoog ze bij zichzelf…” En even later lezen we opnieuw bij Lucas, nadat Maria en Jozef Jezus teruggevonden hebben in de tempel dat Jezus hun zei: “Maar wisten jullie dan niet dat ik in het huis van Mijn Vader moest zijn”? Ze begrepen er niet veel van, maar Lucas noteert wel: “Zijn moeder bewaarde alles wat er gebeurd was in haar hart.” Maria wordt door Lucas geschilderd als een vrouw die zich bezint over wat er gebeurd, die op zoek is naar de diepere betekenis van alles, vooral de diepe betekenis van Gods woord en van alles waar God een hand in heeft. Zij had trouwens van bij het begin, van bij de aankondiging van Jezus’ komst gezegd: “Mij geschiede naar uw woord.” Alles mag zó gebeuren zoals het God belieft. Ik wil volledig in zijn dienst staan, in dienst ook van zijn plan van heil met ons volk en de mensheid. “Maria bewaarde al deze woorden in haar hart en overwoog ze bij zichzelf”. Het hoeft in ons leven niet altijd een tragische omstandigheid of een overweldigende vreugde te zijn opdat we zouden weten dat God ons daar iets wil zeggen. Als christenen mogen wij weten dat God voortdurend contact zoekt met ons, ons wil leiden, ons wil bemoedigen, raad en richting wil geven… Ons groot probleem is niet enkel dat we dat maar half geloven, maar vooral ook dat we – waar het God betreft – wij wat doof zin of niet goed wakker. Op elk moment wil God met zijn liefdevolle aandacht ons leven richten naar het heil… Hij doet dat op heel wat manieren, maar het is van belang dat wij er naar uitzien, dat we iets van de gezindheid van Samuël hebben, die op raad van de priester Eli bad: “Spreek, Heer, uw dienaar luistert.” Is het van belang om te zoeken wat God ons wil zeggen? Maken we het leven daarmee niet nodeloos ingewikkeld? Het is juist omgekeerd. Wij maken het leven nodeloos ingewikkeld en maken een hoop omwegen en gaan wel eens dwaalwegen, gewoon omdat we niet luisteren en niet op zoek zijn naar wat God ons zeggen wil. “Spreek, Heer, uw dienaar luistert.” Wij maken er een probleem van dat we God niet horen spreken. Dat “horen” met onze oren is echter niet belangrijk. Wanneer we in ons hart geregeld het voornemen maken om te luisteren naar God, ons bereid verklaren om zijn verlangen te doen… dan zal Gods Geest ons leiden, en stilaan gaat het ons duidelijker en duidelijker worden wat God verlangt; en naarmate we dan kiezen voor Gods verlangen gaat het ook gemakkelijker worden om te luisteren en te kiezen volgens Gods verlangen. Laten wij vandaag opzien naar de Moeder Gods, die ook onze moeder wil zijn volgens Jezus’ laatste wens, en vragen wij haar ons te begeleiden in die bereidheid om te luisteren naar Gods woord, dat woord te bewaren in ons hart en… ernaar te handelen. Laten wij vandaag een duidelijke stap zetten op die weg. (Ben Van Vossel) Jaar B KERSTDAG (25 december 2011) Hem
ontmoeten Het
Woord is vlees geworden, schrijft Johannes, Gods Zoon is mens geworden. God is
zichtbaar tussen mensen komen leven. Niet te geloven! Ondenkbaar! En
dat geloven wij nochtans. En
omdat wij het geloven, zijn wij op zoek naar Hem. Op zoek naar Hem die ons kwam
vrij maken en die vrede wou brengen aan de mensen. Waar bevindt Hij zich? Waar
vertoont Hij zich? Waar kan ik Hem ontmoeten, met Hem spreken, mij door Hem
laten aanraken om op mijn beurt zoon of dochter van God te worden, Gods glorie
te verkondigen en vrede te brengen op aarde? Eeuwenlang
heeft een volk naar Hem uitgezien. Soms waren ze heel vurig, soms heel lauw.
Soms verwachtten ze enkel maar nationale bevrijding, succes in de oorlog; andere
keren – maar dat was dan vaak maar een ‘kleine rest’ zagen ze ook uit naar
innerlijke vernieuwing en vrede met God en de mensen en zichzelf… En toen kwam
Hij… als een klein kind en leefde in een slecht aangeschreven streek, een land
van duisternis… Er werd weinig over Hem geschreven of gesproken… Die paar
jaar publiek optreden waren al vlug achter de rug. Een klein groepje bleef in
Hem geloven, wist Hem nabij en kreeg zulke Bijstand dat ze na verloop van tijd
over heel de bekende wereld van Hem getuigden, met hun woord en door hun manier
van omgaan met medemensen… En
zo zijn wij ook nu naar Hem op zoek. Wij ontmoeten Hem in de stilte van ons
hart, en in de vierende gemeenschap rond het gebroken Brood en de gedeelde
Beker, waarvan Hij zei: Dit ben Ik voor jullie. Zijn woorden, doorgegeven door
zijn eerste volgelingen kunnen ons vandaag nog bezielen als we ze gelovig lezen
en zijn Geest ze levend maakt voor ons… Maar
het blijft ook nog zo dat Hij in ons midden is en wij Hem niet herkennen. In de
eenzame mens bijvoorbeeld, in de arme, en verborgen armoede valt weinig op.
‘Ik was ziek en ge zijt Mij komen bezoeken’… Wil ik Hem eigenlijk wel
ontmoeten? Vind ik die kribbe wat al te simpel, die zieke of eenzame bejaarde
niet zo aantrekkelijk, die baby wat al te schreeuwerig en veeleisend, die
dolende jongere of verslaafde junkie wat al te lastig om te benaderen? Het
wordt inderdaad wat lastig. Iets lastigers dan gewoon een lichtje aan te teken
bij een klein stalletje van Bethlehem. Ja. Misschien moet ik toch maar beginnen met te bidden om de Geest die Jezus ons beloofde, die heilige Geest die de Vader ons graag wil geven. “Als gij dus, ofschoon ge slecht zijt, goede gaven aan uw kinderen weet te geven, hoeveel te meer zal dan uw Vader in de hemel de heilige Geest geven aan wie Hem erom vragen.” En dan geloven dat de heilige Geest ons gegeven wordt en … op weg gaan, een kleine stap zetten naar de ontmoeting met de Mensgeworden Zoon van God, daar waar Hij zich openbaart, daar waar Hij zich laat ontmoeten. Misschien heb je Hem een kleinigheid (?) gegund tijdens Music for Life? Of in een gift voor Welzijnszorg? Of ben je Hem gaan bezoeken in een zieke, bejaarde, een eenzame? Of je hebt een kleine hulp geboden, zonder veel pretentie, zonder iets terug te vragen. Het is nog niet te laat om
Kerstmis te vieren. Om eer te brengen aan God en vrede aan de mensen die Hij
liefheeft, want waar wij in het spoor van Jezus en bezield door zijn Geest mens
worden, daar wordt eer gebracht aan God en daar verwezenlijkt zich de diepe
vrede die God zijn mensen toewenst en schenkt. (Ben Van Vossel) Jaar B Zondag 4 van de Advent : In
dienst van de allerhoogste (18 december 2011) Het
zal weer vlugger Kerstmis zijn dan verwacht. Het leven is zo druk. Zelfs als de
kinderen met vakantie zijn. Misschien is het dan juist drukker. Of als je zelf
in vakantie gaat. Kerstmis? Zelfs als christen kan je wel eens wat al te weinig
aandacht schenken aan dat Feest. Want het is niet zomaar een Feest. Wij vieren
daar iets, wij roepen daar iets in herinnering: dat Gods liefde, zijn
menslievendheid, zegt sint Paulus, onder ons verschenen is in de gestalte van
Jezus, de Messias. In zijn menswording, zijn leven en al weldoend rondgaan
tussen de mensen, zijn lijden en dood en verrijzenis… God heeft door dat alles
bewerkt dat ons leen toekomst heeft, dat wij Hem nabij mogen weten, dat wij dus
vanuit vertrouwen mogen leven… Met Kerstmis is dat Blijde Nieuws tussen mensen
zichtbaar geworden in dat kleine Kind in de kribbe… Ga je er eens aan denken?
En in dankbaarheid aanbidden? Jij weet ervan dus jij moet dat doen in naam van
velen die dit niet weten. Jij hebt daarin een priesterlijke verantwoordelijkheid
om dat te doen in naam van je broeders en zusters, de mensen. In
de Goddelijke Eucharistieviering van vandaag krijgen we de belofte van de
Messias aan koning David in het 2de Boek Samuël.
Paulus in zijn brief aan de Romeinse christenen maakt hun het geheim
bekend dat Gods liefde, die in Jezus is zichtbaar geworden, uitgaat naar alle
mensen uit alle volkeren. In
het evangelie van vandaag mogen we de woorden horen, het Blijde Nieuws dat
begonnen is toen God aan een eenvoudig Joods meisje kwam zeggen dat zij Moeder
zou worden van de langverwachte Messias door de werking van de Heilige Geest. En
zij stelt zich ter beschikking. “Ik ben het dienstmeisje van de Heer, mij
geschiede naar uw woord.” (lees in het heilig Evangelie volgens Lukas 1,26-38) Het
is zo’n grote tegenstelling tussen wat mensen meetal nastreven: de sterkte, de
mooiste, de eerste, de rijkste zijn, zelfs de machtigste… en dit in
tegenstelling met God die aan een simpel meisje komt vragen om zich ter
beschikking te stellen voor zijn plan van heil voor de mensheid. Zij wordt er
niet hoogmoedig door, zij blijft zich maar het dienstmeisje noemen. Een christen
zou zich ook altijd een dienaar of dienstmeisje moeten weten van God. We staan
in zijn dienst. Daar is niets vernederends aan, het is bewust worden van wat wij
zijn en wie en wat God is. Overigens zal Maria even later, bij haar nicht
Elisabet, die ook een blij nieuws heeft gekregen, haar Lofzang zingen, het
Magnificat, waarin ze Gods grootheid en goedheid bezingt, maar waarin ze ook
profetisch mag zeggen: “van nu af prijzen alle mensengeneraties mij zalig,
omdat Hij welwillend neerzag op de kleinheid van zijn dienstmeisje.” In
dienst mogen staan van de Allerhoogste, van ‘Hij die is’, die aan de
oorsprong staat van alles. Aan de oorsprong van alles staat niet dat
‘deeltje’ dat ze in de deeltjesversneller gaan ontdekken binnenkort (laat
ons hopen). Onze oorsprong is God, onze Vader, schepper van al wat zichtbaar en
onzichtbaar is. In dienst staan van de Allerhoogste, van God die Liefde is. Wat
een eer! Maar ook: wat een verantwoordelijkheid. Naar God toe om onze
dankbaarheid en aanbidding uit te drukken, te beleven van dag tot dag, zondag en
weekdag. En onze verantwoordelijkheid naar onze medemensen toe om te getuigen
van de vrede die in je hart leeft door het geloof dat God, de almachtige en
liefdevolle God met jou begaan is, je omgeeft.. Dat je in zijn liefde geborgen
bent. Wat een vreugde! Wat een vrede! Het lied
van Kerstmis is dan ook: Eer aan God in de hoge. En vrede aan de mensen want God
houdt van hen! (Ben Van Vossel) Jaar B Zondag 3 van de Advent : Profeten
wijzen naar de Heer 11 december 2011) Soms
zou je graag nog eens een profeet horen, zo iemand ie uit bijna eerste hand een
boodschap doorgeeft van God. We hebben zo’n nood aan profeten. Aan stemmen die
het woord van God dorogeven, die aangeven waar het op aankomt, die de weg tonen,
die ons tegenhouden van heilloze wegen, wegen waar geen toekomst aan vastzit,
alleen maar moerasgrond… Zo’n
profeten hebben niets van onze bv’s, niet of weinig van de tv-sterren die
bejubeld worden en die zelfverzekerd of angstig op de gunst en de centen van het
publiek jagen, of politici… Profeten zijn op de eerste plaats gegrepen mensen,
mensen die aan het hart van God gerust hebben, die zich verbrand hebben aan zijn
aanwezigheid, aan zijn woord, en die uitgezuiverd zijn… En daarom zijn het ook
heel nederige mensen. Ze zijn zich welbewust dat ze iets te brengen hebben, niet
hun eigen woord, maar een woord vanwege God. Zijzelf zijn alleen maar de stem.
Zij laten zich door God gebruiken om zijn liefdevolle zorg voor de mensen
duidelijk te maken. Die zorg en dat woord van God is niet gewoon wat
suikerwater, wat honing aan de baard smeren, mensen sussen.. Nee, dat woord kan
ook wel eens hard klinken. Maar het komt wel uit het liefdevol hart en de
liefdevolle zorg van God… Profeten. Er zijn er nog wel. Maar wij kennen ze
niet en hun stem is vaak niet te onderscheiden van al het andere lawaai waar wij
op afstemmen of dat ons bijna doof maakt doorheen de massamedia… Maar ze zijn
er en ze spreken. En nu moeten wijzelf op zoek gaan. Soms moeten we uit het
lawaai wegtrekken, of al die stemmen uitzeven en leren onderscheiden wat van God
komt, welke mens op welke plaats en welke tijd door God gezonden is. En wie op
welk moment het Woord van God laat opklinken… Er
is nog iets anders. Ieder van ons wordt ook door God uitgenodigd om te komen
rusten aan zijn hart. Op in de loop van die alledaagse dag van vandaag ons oor
te luisteren leggen aan wat Hij ons wil zeggen en wat Hij wellicht aan de wereld
wil zeggen, of aan die persoon of die personen die je vandaag nog zult
ontmoeten. Want misschien moet jij vandaag die kleine profeet zijn die vanwege
God iets moet zeggen door een woord of door een gebaar of door je gedrag… Ja,
misschien wil God wel meer profeten zenden dan wij denken. Blijf er dan aan
denken: je spreekt alleen maar Gods woord als je Hem hebt binnengelaten in je
leven en wanneer je je bewust blijft dat jij enkel maar de stem zijn, niet het
Woord. Bovendien moet je de mentaliteit van God hebben die niet zomaar mensen op
het matje roept of in de smaak wil vallen, maar vanuit sterke liefde. Vriend van
God, overvloeiend van nederigheid en vol liefde voor de medemens. Stel je open
voor de profeten van God, stel je open om zelf profeet van God te zijn. Een
profeet wijst naar God, niet naar zichzelf. Zo staat Maria op de iconen:
verwijzend naar de Heer. Maria
wijst naar een klein kind. Gods profeten wijzen ons in deze tijd naar de armen,
de kleinen, de mensen zonder huis, zonder inkomen… Ons verstand en onze
redeneringen mogen geen hinderpaal worden voor de stem van God die zalig prijst
wie Hem weet te herkennen en te dienen in de geringste van zijn broeder. laten
wij Welzijnszorg niet aan gesloten deuren kloppen. Laten wij vertrouwen op de
wijsheid van die organisatie die voor de echt behoeftigen in ons midden onze
handen en veoten zijn en… ons hart. Nog een heilige Adventstijd. Hij komt
midden onder ons. (Ben Van Vossel) Jaar B Zondag 2 van de Advent : Hij
komt. Maak zijn paden recht (4 december 2011) Vandaag trekken we naar de Jordaan. We zijn ons bewust van ons falen
tegenover God, zijn droom over ons leven, en ook weten wij – soms voelen we
het scherp aan – dat we tekort kwamen tegenover medemensen, nabij en veraf. Zo
kwamen we ook tekort tegenover onszelf, hebben we deze wereld minder mooi
gemaakt… Af en toe gaven we ook wel gehoor aan Gods stem. Maar, nu staan we
bij de Jordaan. We luisteren naar Johannes de doper die ons oproept tot
bekering, belijdenis van zonden en het voornemen om de paden van ons leven recht
te trekken, de weg gereeds te maken voor Hem die ons helemaal gaat vernieuwen,
die ons gaat onderdompelen, niet gewoon in het water, maar ons gaat
onderdompelen in de heilige Geest. Zodat we Jezus kunnen volgen, zodat we Gods
verlangen beter gaan kennen en involgen; zo verwezenlijken we het doel van ons
leven: het echte heil. Soms zijnn we wel wat ontmoedigd. over de wereld, de mensen, de politiek
en de economen, ontgoocheld over onszelf en soms ook al eens over God. Waarom
doet die zo weinig? Waarom blijft alles – ook wijzelf – zoals het altijd al
was, waarom is er zo weinig groei naar het Nieuwe, het Goede, die Nieuwe Wereld
waar we toch allen wel eens van dromen? Waar blijft Het, waar blijft Hij? De schrijver van de 2de Petrusbrief hoorde het zijn
christenen ook al eens fluisteren. Hoelang gaat het nog duren voor het goede
doorbreekt? Wanneer komt God hier alles eens op orde zetten? Komt Jezus nog niet
terug? Zoals Jesaja het zijn Joodse medemensen toeriep, zo doet het in feite ook de Petrusbrief: laat u vertroosten, laat u niet ontmoedigen. Als alles zo negatief voorkomt, beijver u dan om zelf uit te blinken door een heilig leven en innige vroomheid. Och wat is een jaar, wat is 1000 jaar. God maakt alles nieuw. Wij moeten ons alleen maar onszelf inzetten om het slechte van ons af te houden, om in vrede te zijn met God. Onze hoop is onze kracht en onze trots. Kijk ook meer naar het goede dat er reeds is, ook in uzelf. God is wel degelijk aan het werk. Blijf in contact met Hem, in uw hart, in uw gebed en dien Hem in uw broeders en zusters die het moeilijk hebben ook in deze tijd en in onze streken. De crisis treft het eerst de armsten. Heb er oog en aandacht voor. Doe mee met acties ten bate van hen. Zo baan je de weg nar de nieuwe wereld, samen met uw Heer, Jezus Christus en zijn broeders en zusters. (Ben Van Vossel) Jaar B Zondag 1 van de Advent : Weest
waakzaam want de Heer komt (27 november 2011) Deze
3 grote godsdiensten zijn er bovendien van overtuigd dat ons huidig leven
mee-bepalend is voor dat leven óver de dood heen. In
de Advent krijgen christenen nogal sterke uitnodigingen om waakzaam te zijn, op
onze hoede te zijn, geen slaapwandelaars te zijn die zich in slaap laten wiegen
door een materialistische ingesteldheid die vanuit de wereld en de media zich
als een slaapverwekkend gas over de Westerse wereld verspreidt. Christus nodigde
zijn leerlingen uit om te leven alsof Hij nooit weg is geweest. Ieder heeft zijn
plaats gekregen en de deurwaarder moet waakzaam zijn. De Heer kan op om het even
welk moment terugkomen. Dàt is dan ook de grote uitnodiging van het evangelie
van vandaag. Dat we moeten leven alsof de Heer erbij is, dat we leven onder zijn
blik. Dat wil dan zeggen dat we onszelf niets gaan wijsmaken, alsof dit of dat
niet meetelt in de totale waarde van ons leven. Alles heeft zijn betekenis. We
moeten blijven uitzien naar de Heer. Verstandiger is het van voortdurend op te
zien naar Hem. Hem aan je zijde te weten. En zo in de wereld aanwezig te zijn.
Met Hem naast jou te leven, te werken, te rusten, aanwezig te zijn bij je thuis,
bij het rusten en daar waar je leeft en werkt… Met
Hem erbij. Dat is dezelfde boodschap als deze van de wijze bruidsmeisjes, die
altijd olie bij zich hadden voor hun lampjes. In
de wereld van vandaag mogen wij het niet opgeven waakzaam te zijn en de Heer
aanwezig te zien. In de stilte, in de eenzaamheid, in de eenzame, in het beroep
dat men op ons doet op ongelegen momenten, in beproeving en ziekte. Jezus zegt:
als uw Heer onverwacht komt, laat hij u dan niet slapend vinden. ‘Slapend’
betekent hier: niet bewust van de echte werkelijkheid, dat ons leven zich
afspeelt in de aanwezigheid van God. Vandaag
worden wij opgeroepen om ons sterker bewust te worden van Jezus’ aanwezigheid
in ons leven, Hij interesseert ons aan alles wat wij doen, Hij is onze grote
supporter… Ons van die werkelijkheid meer en dieper bewust worden, is de grote
uitnodiging, van dit evangelie en van de hele Adventstijd. Het is een grote stap
in de werkelijkheid en in de groei van een volwassener christelijk leven. Vragen
we de heilige Geest ons daarin te leiden. Vragen we aan Maria, de Moeder van
Jezus, ons voor te gaan in de spiritualiteit van uitzien naar de Heer en
bewustwording van zijn aanwezigheid in en bij ons (Ben Van Vossel) Jaar A Zondag 34 door het Jaar : Jezus
Christus, Koning van het heelal (20 november 2011) Op deze laatste zondag door het jaar zijn we gewoon van op de zien naar
de grote rechter die komt oordelen over ieder mens. De dag van het oordeel, de
uitspraak van de grote rechter. Wat gij voor een deze geringsten van mijn
broeder of mijn zuster hebt gedaan of niet gedaan, dat hebt gij ook voor Mij
niet of wel gedaan. En deze zullen heengaan naar de eeuwige straf, maar de
rechtvaardigen naar het eeuwig leven. Zo klinkt het in het 25ste
hoofdstuk van het Mattheüsevangelie. Het is zo vaak geschilderd in vroegere tijden, dat we het bijna voor
onze ogen zien. Die massa mensen, en Koning Christus op zijn troon, de enen
afwijzend, de anderen onthalend, volgens de keuze die zij met hun leven gemaakt
hebben. Het is goed te bedenken dat we in ons leven tal van keuzen maken, die
samengenomen ook de fundamentele richting van ons leven uitmaken. Het oordeel
moeten we natuurlijk aan de Heer laten, want wij hebben vorige zondag nog
gehoord hoe de Heer aan de een 5 talenten gaf, aan de ander 2, aan nog een ander
1 talent. Wij weten niet wat ieder van ons moet opbrengen, wij weten niet met
wat een kleine goede keuze de Heer misschien al tevreden is voor sommigen aan
wie weinig is toevertrouwd. Wij moeten allen de goede keuzen maken met datgene
dat ons gegeven is aan wijsheid, rijkdom van hart en volgens onze levensroeping.
Het oordeel ligt in Gods hand. Wat me vandaag toch eerder treft dan dat grote visioen van het
Uiteindelijk of Eindtijdelijk Oordeel, is het troostvolle beeld dat Ezekiël aan
de ballingen van Babylon voorhoudt. Nadat hij de bewindvoerders verweten heeft
dat ze niet goed voor het volk gezorgd hebben en het slechte voorbeeld hebben
geven, laat hij God zelf aan het woord die zegt: “Ik zoek mijn kudde op en
bezoek mijn eigen schapen. Zoals een herder omziet naar zijn kudde, en zich
onder zijn schapen begeeft wanneer ze verstrooid zijn, zo zal ik omzien naar
mijn schapen en ze in veiligheid brengen, hoe ver ze ook afgedwaald zijn ten
gevolge van mist en nevel, Ik zal mijn schapen weiden, Ik zef zal ze laten
rusten, spreekt God de Heer. Het vermiste schaap ga Ik zoeken, het verdwaalde
breng ik terug, het gewonde verbind Ik, het zieke geef Ik weer kracht en het
gezonde en sterk blijf Ik verzorgen…” (Ezekiël 34, 12.15-16). Dat vind ik nu zo troostvol aan deze profetie van Ezekiël. Menselijk
leiders blijven in gebreke. Wij hebben het gezien in Communistische landen, in
landen in het Midden-Oosten, wij ervaren het hier in onze kapitalistische
landen, hoe machthebbers en financieel-economische machten landen en arme
bevolkingen tekort doen. Maar wij ervaren ook hoe geldgewin volwassenen en
jongeren tot druggebruik leidt en allerlei verslavingen, hoe schrijvers
filmproducenten en massamedia mensen op dwaalsporen leiden van genot ten koste
van geluk, perversie te koste van een deugdzame levenswandel, extravagante ideeën
ten koste van de waarheid en de innerlijke vrede… En weinigen zetten zich ten
volle in voor het echte welzijn van de mensheid… Maar God blijft zich verantwoordelijk stellen voor zijn mensen, Hij
blijft zijn Geest zenden om mensen op te roepen tot het ware, het goede, het
schone, tot echte medemenselijkheid en uitbouw van het mooiste in de mens, tot
openheid op zijn vaderhart. God zendt ook vandaag nog mensen die graag willen
delen in dat verantwoordelijkheidsgevoel van God zelf. Zij voeden zich aan het
hart van God in het gebed, in beschouwing, in ontmoeting met de Grote Herder in
de sacramenten, Hij die zijn leven gaf voor het ware geluk en de enige
bestemming van de mens. Deze laatste zondag van het kerkelijk jaar is een dag van dankbaarheid
voor alle goede gave, maar bovenal voor Gods trouw en zijn blijvende zorg voor
mij, voor u, voor ieder mensenkind. Moge zijn Geest onze harten zuiveren en ons
activeren op de weg die Hij ons toont van radicale verantwoordelijkheid voor
zijn mensen. In hen raken wij Hem. (Ben Van Vossel) Jaar
A Zondag 33 (13 november 2011) Dat klinkt inderdaad nogal naar activisme. Maar
dat is niet noodzakelijk zo. Het kan best zijn dat we een heel contemplatieve
roeping hebben, maar die moeten we dan ook helemaal binnentreden. Om het even
welke talenten, welke gaven, welke roeping en zending de Heer ons heeft
toevertrouwd… we moeten er in intreden en ze beleven met al wat Hij ons heeft
toevertrouwd. De Heer wenst ons geen proficiat als we zeggen: Heer je hebt mij
maar één talentje toevertrouwd, weet U het nog? Wel, ik heb dat mooi begraven,
het moet hier nog ergens liggen… Het ligt er natuurlijk helemaal niet meer. Ik
heb het niet gebruikt, ik heb het niet ontwikkeld, ik heb het niet laten
renderen en het heeft zich dan ook niet kunnen vermenigvuldigen in zijn werking
ten bate van Gods Rijk en mijn medemensen… Welke talenten, welke gaven heeft God aan u
toevertrouwd? In welke roeping heeft Hij u geplaatst? Welke mensen zendt Hij op
uw weg om er iets voor te betekenen? Welke materiële en geestelijke gaven
schonk Hij u om ze aan te wenden voor iets goeds? En hebt u er echt iets mee
gedaan? Hebt u ze vrucht laten dragen? Wij moeten er toch naar streven om het
woord te horen dat Jezus die heer tot zijn dienaar laat zeggen: “Uitstekend,
goede en trouwe dienaar, over weinig waart ge trouw, over veel zal ik u
aanstellen. Ga binnen in de vreugde van uw heer.” We willen best dat andere
woord vermijden dat begint met “Slechte en luie knecht!” Als dit evangelie misschien meer de mannen
aanspreekt, in de eerste lezing zien we een vrouw aan het werk die haar tijd
echt niet in ledigheid doorbrengt, maar van wie ook gezegd wordt dat ze er
vooral op uit is om in alles de Heer te dienen. Zij wordt zalig geprezen. Dat klinkt ook in de tussenzang door: leven met
God voor ogen, eer geven aan God door al je werken. In diezelfde lijn ligt de lezing uit de eerste
brief aan de christenen van het Griekse Saloniki aan wie Paulus schrijft dat ze
geen slapers mogen zijn, zich niet in slaap moeten laten wiegen door wat het
leven en de wereld aanprijst, en dat zijn vaak werken van de duisternis. Je gaat
dan plots voor het feit staan dqat je niet meer van leven kan veranderen, dat je
moet vaststellen: de draad van mijn leven is plots af, en ik heb er niets van
gebakken. De Dag van de Heer gaat u als een dief verrassen. Leef al kinderen van
het licht, kinderen van de dag; wij behoren als christenen niet aan nacht en
duisternis. Wij moeten waken en nuchter zijn. Dat wil zeggen: wij moeten ons
niet dronken laten maken door wat de massamedia en de straat ons wijsmaken en
aanprijzen als belangrijk; ons niet laten afbrengen van ons geloof en wat de
Heer ons heeft onderwezen. De Heer, de Kerk en het christelijk geloof worden
op dit ogenblik in onze westerse wereld doodgezwegen of belachelijk gemaakt. Het
is gewoon een uitdaging om zelf ons geloof te koesteren, er echt van te leven,
vaak contact te zoeken met de Heer in het gebed en in het beantwoorden aan zijn
verlangen, vooral in de dienst aan de medemens. Dan zullen wij kracht ontvangen
om getuigen te zijn van het Blijde Nieuws dat God van de mensen houdt en dat Hij
ook vandaag, als de Levende, geluk en diepe vrede biedt voor al wie Hem zoeken.
Geluk en vrede dat al het klatergoud overtreft waarmee onze maatschappij
publiciteit voert. Wees waakzaam. Wees wakker. Dien de Heer. (Ben Van Vossel) Jaar
A Zondag 32 (6 november 2011) In
de lezing uit het Oude Testament gaat het over de wijsheid. Je moet haar zoeken,
en zij is op zoek naar mensen die er ontvankelijk voor zijn. Het is een
uitnodiging om toch eens na te denken wat echt belangrijk is in het leven. Wie
is echt wijs? Wie gaat dom te werk? Het gaat er hier in de liturgie niet over of
je beter een dieselwagen koopt dan wel een motor op benzine. Je kan je daarbij
dan gaan afvragen of je wel een auto nodig hebt en, zo ja, of je eerder met een
milieubewust geweten een aankoop moet doen. Het gaat in het evangelie niet over
je technische of wetenschappelijke kennis of hoe je bij een
financieel-economische crisis best te werk gaat met jouw geld of dat van je
gezin… Het
gaat om iets diepers, iets dat met heel je mens-zijn en met je ‘staan voor
God’ te maken heeft. Dat
is de hamvraag: hou ik bij mijn denken en spreken en bij mijn daden ook rekening
met God. Dat klinkt misschien wat al te godsdienstig en wat buitenaards. Maar
als je daar als gelovige over nadenkt, staat niets in je leven los van God,
heeft alles ook met God te maken. Je mag God dan niet zien als iemand of een
instantie tegenover wie je je moet verantwoorden, maar als iemand die zich aan
jou interesseert en die graag zou hebben dat je echt gelukkig wordt. De
ware wijsheid is dan dat je zo tracht te denken, te spreken en zaken te
ondernemen in overleg met God. Natuurlijk moet je daar niet eerst voor naar Rome
of Jeruzalem, hoef je niet eerst een paar dagen retraite te doen. Je bent al
langere tijd met God op weg, je hebt het gebed een plaats gegeven in je leven,
je ontmoet de Heer in de Eucharistieviering, je hoort daar ook zijn Woord… en
dat maakt dat je binnenin jezelf reeds heel goed kan weten wat volgens God de
beste weg is naar het heil en dat van je medemens… Voor die echte wijsheid
moet je je openstellen, ze involgen, en dan neemt ze stilaan bezit van je denken
en doen. Ze wordt een deel van jezelf. Je voelt dan aan wanneer je niet leeft of
handelt volgens die wijsheid, en dat is dan niet de weg naar het geluk… Wat
is er dan aan de hand met die bruidsmeisjes uit de parabel van Jezus? Er zijn er
die olie bijhebben voor hun olielampjes. Dat zijn mensen die leven met de Heer
voor ogen. Ik zeg het misschien inderdaad wat wereldvreemd, maar het komt daar
toch wel op neer. We moeten in ons doen en laten, ons spreken en ons zwijgen,
ons afvragen wat de Heer ervan vindt. En als we dan ook handelen volgens Gods
verlangen, dan volgen we de weg van de wijsheid. Dan zijn we zoals die wijze
bruidsmeisjes die met hun lapjes ook olie meehadden in hun kruiken. Daar
zouden we ons in moeten oefenen, in het leven met God voor ogen, dat betekent:
ons afvragen waar Gods verlangen ligt en bidden opdat we die weg zouden gaan in
het leven van elke dag. Dan hebben wij onze kruiken met olie gevuld en kunnen we
de olielampjes echt laten branden wanneer het erop aan komt. Laten we vandaag en
morgen meer bewust op weg gaan met de Heer. Allerheiligen en Allerzielen hebben
ons de weg gewezen die wijze mensen gegaan zijn. Laten we doen zoals zij. (Ben
Van Vossel) Jaar
A Zondag 31 (30 oktober 2011) De schriftgeleerden en Farizeeën hebben het nog
maar eens gedaan bij Jezus. Als een profeet veegt Hij hun de jas uit: Doe wat ze
zeggen, maar handel niet naar hun daden, want het is voor een heel deel
schijnheiligheid. Deze woorden mogen voor priesters, diakens en catecheseleraars
een bron van overweging zijn, maar eigenlijk voor alle volwassenen. Want allen
hebben wij te getuigen van ons geloof, onze hoop en onze liefde tot God en de
medemens. En dan weten wij dat zowel het geloof als de hoop en de liefde zich
zal moeten uiten in een leven van geloof en vertrouwen en liefde. Wat dat
betreft sluit de brief van Jacobus, de eerste van de katholieke brieven nauw aan
bij dit woord van Jezus: uw geloof moet blijken uit uw daden. Schone woorden
worden er voldoende gesproken, maar ze moeten een weerklank vinden in onze
daden. Dàt is het waarmerk op ons geloof, onze Godsvertrouwen en onze liefde. Jezus maakt dan publiciteit voor een heel andere
gezindheid bij deze die verantwoordelijkheid dragen in de geloofsgelmeenschap.
Het is niet omdat je je “vader” of
“leraar” laat noemen dat je het ook echt bent. Heb je echt het hart van een
“vader”, een “herder”, een “leraar” die mensen wil verder leiden
naar het echte licht? Ieder van ons wil wel eens iets van zogenaamde
“wijsheid” doorgeven. Ga ja jezelf daarmee op een pied-de-stalle zetten, of
wil je je medemens echt verder helpen, iets van licht aanreiken? Bovendien zegt Jezus: als je er echt op doordenkt
is alleen God echt herder en behoeder van de mens, is Hij alleen Vader als
oorsprong en bewaarder van elk mens. Maar Hij wil wel dat wij herder en behoeder
zijn voor onze zussen en broers, onze medemensen, vooral voor de kleinen en
kwetsbaren. En ook, zo zegt Jezus: je hebt maar één leraar, de Christus.
Alleen Jezus draagt alle wijsheid in zich, alle waarheid die wij behoeven om een
leven van waarheid te leiden en naar het echte leven toe te leven. We hoorden dezer dagen weer heel wat over
relativiteitstheorie en vooral over Kwantumkosmologie naar aanleiding van het
optreden van de natuurkundige en kosmoloog Steve Hawking in Leuven. Als je dan
Jezus hoort zeggen dat we maar één leraar hebben, dan denk je wel eens even
hoe dat te rijmen valt met het zich verder ontwikkelende denken rond de
oorsprong van heelal en mens… Daar hoeft op zich geen tegenspraak te zijn
tussen de waarheid die Jezus brengt en die met ons dagelijks op weg gaan te
maken heeft, met het concrete bestaan van elke dag en met de zekerheid van Gods
bestaan en van zijn bezig zijn met elk mens. Het is belangrijk voor ons dat we
onze zekerheden omtrent Gods bestaan en zijn betrokkenheid op ons duidelijk
verwoorden voor onszelf en naar dezen die ons zijn toevertrouwd. Dan kunnen we
rustig ook luisteren naar wat een op weg zijnde wetenschap ons verder aan licht
meegeeft. Wij mogen dat dan een plaats geven in ons alomvattend geloof en
vertrouwen en ongestoord de weg van de liefde verder gaan op deze kleine planeet
Aarde, midden dat grote heelal of midden die massa’s mogelijke universums waar
de wiskundige kosmologie over theoretiseert. Wij mogen buigen voor onze God en Vader, voor onze
Heer en Leraar Jezus Christus in Naam van de hele mensheid en van heel het
heelal. “Wanneer ik door de velden ga en zon en hemel gadesla, dan weet ik,
Heer, hoe groot Gij zijt en buig mij voor uw majesteit. U zingt mijn ziel op
blijde toon, mijn God Gij zijt oneindig schoon”. (Ben van Vossel) Jaar
A Zondag 30 (23 oktober 2011) Nog maar eens een ziekelijke crimineel die door de samenleving wordt
uitgespuwd. De maatschappij moet haar mensen beschermen. In Libië werd de
verdrukker gelyncht. Het zijn harde beelden. Maar in onze kranten en op teevee
vernamen we nog wel meer treurige zaken of negatieve zaken die om sancties
roepen. En tussen de lijnen van onze berichtgeving door, en tussen al wat we
horen en wat we zien gebeuren is er nog veel meer dat nood heeft aan licht en
bevrijding. Een tragisch feit van een verslaafde vrouw die nood heeft aan steeds
maar meer en sterker drugs en uiteindelijk wordt gedood en in de brand van haar
woning ook de twee jonge kindjes omkomen door rookvergiftiging. Slachtoffers van
drugdealers en profiteurs… Nogal wat mensen komen ook in armoede terecht in
onze samenleving, waarin nochtans veel welvaart aanwezig was. De komende
besparingen die de regering belooft, voorspellen niet veel goeds. Ondertussen
zijn heel wat mensen in Griekenland ten einde raad, op de rand van ernstige
armoede, met alle gevolgen van dien… Kunnen we deze enkele grepen uit de actualiteit in verband brengen met
de vraag van de Farizeeën over wat
het voornaamste gebod is in de Wet van Mozes? Jezus aarzelt niet te antwoorden.
Tussen die Meer dan 600 voorschiften van de Mozaïsche wet haal Hij een één
uit, één met twee sterke kanten: Ge zult de Heer uw God beminnen met heel uw
hart, heel uw ziel en heel uw verstand. Dit is het voornaamste en eerste gebod.
Het tweede, daarmee gelijkwaardig: Gij zult uw naaste beminnen als uzelf. Heel
de Wet en de profeten hand aan deze twee geboden. We hadden maar om één gebod gevraagd, het voornaamste. Jezus oordeelt
echter dat liefde tot God en deze tot de naaste niet uit elkaar mogen gehaald
worden. Je kan niet roepen ‘God is groot’, ‘Gods wil boven alles’, en
ondertussen onschuldige mensen zomaar de keel gaan oversnijden. Je kan niet
roepen ‘Gods Naam zij gezegend’, en ondertussen je maar zitten te verrijken
terwijl onder je ogen mensen kreperen van honger of bevriezen van de kou. En dat
gebeurt ook in onze steden. Wij moeten onze ogen meer opentrekken aan wat er in onze omgeving
gebeurt, de ellende die er is, de mensen ook jonge mensen die stuk gemaakt
worden door het egoïsme van anderen… We moeten er over spreken met anderen en
samen zien wat er wellicht moet ondernomen worden… Maar natuurlijk moet elke wereldvernieuwing beginnen in ons eigen leven.
Waar is in mijn leven de liefde tot God te zien, hoe geef ik daar uiting aan?
Rui: ik nog wat plats in voor het gebed, heet luisteren naar zijn woord… En
hoe laat ik die liefde tot God uitdeinen naar de medemens toe in oprecht
naastenliefde? De naaste(n) in mijn eigen woonst, mijn buren, de mensen op mijn
parochie, mijn gemeente? Zie ik de nood van die mensen om mij heen, in mijn
eigen gezin? Hoe straal ik Gods liefde uit naar hen toe? Gisteren op een begrafenis werd een man geloofd om zijn voortdurende
vriendelijkheid, gedienstigheid, zachtheid… Het was echt een uitnodiging om
zelf ook wat meer ‘al weldoende rond te gaan’ zoals Jezus en zoals zoveel
christenen… Eigenlijk formuleert Jezus het nogal sterk: Gij zult uw naaste
beminnen als uzelf. Ik hoop dat ge
uzelf graag ziet, dat ge voor uzelf zorgt, voor uw eten en rusten en
gezondheid… Dit soort gezonde eigenliefde, de zorg voor jezelf is nodig om ook
van anderen te kunnen houden. Maar dan klinkt het ook radicaal: hou van de
anderen, zorg voor de anderen, voor je naaste, zoals je voor jezelf zou
zorgen… Hier komt dan de vraag om de hoek kijken: moet je je eigen belang soms
niet wat op de achtergrond plaatsen, moet je soms niet eerst voor een anderen
zorgen, als dienst nood veel zwaarder is dan die van jou? Als een arm gezin in
je omgeving het echt heel zwaar heeft, moet je dan niet wat van je overvloed, of
van je ‘voldoende’ afstaan om in de grotere nood te voorzien? “Ge zult uw
naaste beminnen als uzelf”. Het is
een vervelend woord van Jezus, we zouden het liever niet horen. Dat is het
ongeluk van naar de Eucharistieviering te komend at je dit woord wél hoort…
Maar het is geen “ongeluk”, het is juist een genademoment wanneer je dat
woord diep beluistert en ernaar gaat handelen. Het is een bron van diep geluk.
Het bevordert je menszijn en je gelijkenis met God, die ons in Jezus alles heeft
gegeven. Laat dat woord van Jezus maar rauw op ons bord komen. We zullen er dan
lang op kauwen, maar het zal ons tot leven roepen en bron van vernieuwend leven
zijn. God beminnen en de naast als uzelf. (Ben Van Vossel)
Jaar
A Zondag 29 (16 Oktober 2011) “Aan God geven wat God toekomt.” Er is natuurlijk een zee van
verschil tussen wat we theoretisch weten en … de daad bij het woord voegen.
Theoretisch weten we als gelovig mens dat we alles van God ontvingen, vaak
bemiddeld, door andere mensen. Je zou dan kunnen redeneren dat zo alles ook aan
God toekomt. Maar, wat is alles? En, vraagt God wel alles? God heeft ons misschien verantwoordelijk gemaakt voor een gezin. We
zullen dan ook moeten zorgen voor dat gezin, ook zorgen voor een toekomst voor
die personen. Maar, misschien kun je dat ook wel op de rekening zetten van God.
Immers, als Hij jou verantwoordelijk maakt voor sommige personen, dan mag je ook
veronderstellend at wat Hij jou toevertrouwd als bezit, juist mag dienen voor de
taak die Hij jou toevertrouwd. Dat lijkt nogal logisch. Maar och, gaat het wel alleen over materiële zaken, over geld en
materieel bezit? Dat was wel de aanleiding van de vraag die aan Jezus gesteld
werd. Belasting betalen aan de vreemde bezetter of niet? Jezus weigert zich tot
een politieke stellngname te laten verleiden, die trouwens weinig toekomst zou
hebben. Hij trekt de vraagstelling open naar de diepmenselijke bestaansvraag:
Wie dien jij? In wiens dienst sta jij? Wie is er ten diepste jou Heer en
Meester? Tegenover wie heb jij op de eerste plaats verantwoording af te leggen?
Tegenover God of tegenover Cesar? Voor een christen is die Caesar, die politiek-verantwoordelijke ook maar
in dienst van God. Als je Hem je bijdrage geeft is dat alleen maar omdat God dat
ook wil. God laat in zekere zin de wereld zijn gang gaan, maar midden in het
reilen en zeilen van die wereld, laten wij ons leiden door wat we menen te
onderscheiden als Gods verlangen. Niet dat God zo’n voorliefde heeft voor deze
of gene Caesar. Hij laat ons de vrijheid om daarin te onderscheiden. Maar in je
hart moet je je gesteld voelen tegenover Gods verlangen. Je moet je hart en je
leven toewijden aan God. En dan kiezen wat je aanvoelt als zijn verlangen. Geef aan Caesar wat Caesar toekomt. Maar vooral: geef aan God wat God
toekomt. Aan God moet je hart toebehoren? Je leven. Je inzet in de samenleving.
Je staat in zijn dienst. De rest moet in die richting geordend worden. Je
tijdsbesteding, je inzet in de samenleving, je ontspanning, je werk, je
materieel bezit… Als God jouw Heer is, dan kijk je geregeld eens naar Hem op,
om te weten wat Hij vindt van je inzet, en van de keuzen die je maakt, waar je
het meeste belang aan hecht enz… Je moet wel bedenken dat God geen dwingeland is. Maar het is wel zo dat Hij zijn zeg moet krijgen in heel je leven. Dat klinkt nogal veeleisend, bijna vreesaanjagend. Maar de ene God is geen boeman, maar juist een liefdevolle God, enkel bezorgd om ons geluk, enkel begaan met ons diepste heil. De keuze is da in theorie vlug gemaakt. “God, mijn God zijt Gij, ik zoek U reeds bij het ochtendgloren. Naar U dorst mijn ziel en hunkert mijn hart, als dorre vlakten naar regen”. De praktijk is een keuze van elk moment? Om Gods verlangen tot ons te laten komen, en er – met de bijstand van de heilige Geest – ook daadwerkelijk voor te kiezen. Metterdaad. God of Caesar? God natuurlijk, maar soms zegt Hij dat we ook aan Caesar iets moeten gunnen. Die sukkel moet ook zijn heirbanen kunnen betalen nietwaar? J Ik wil u tot slot er toch nog bij vertellen dat die afgezanten van de Farizeeën en de Herodianen - die de vraag stellen of men belasting moet betalen aan de keizer of niet - door Jezus serieus in de zak gezet werden. Jezus vraagt hen immers: Laat Mij de belastingmunt eens zien.' Zij hielden Hem een denarie voor. Hij vroeg hun: 'Van wie is deze beeldenaar en het opschrift?' Zij antwoordden: 'Van de keizer.'”. (Mt.22,20-21). Dit was zowel voor de Herodianen, die toch wat aan de kant van het volk wilden staan, als voor de Farizeeën een echt affront. Zij zaten in hun zak met een afbeelding van de bezetter, en voor de Farizeeën was het een onttrouw jegens God om in je zak de afbeelding van een keizer te hebben die zichzelf tot God had uitgeroepen. Maar komt, laten wij gewoon onze
eigen rekening maken en niet deze van die Farizeeën en Herodianen. Wie
is ónze Heer en Meester. Voor wie leven wij? In wiens dienst stellen wij ons?
(Ben Van Vossel) Jaar
A Zondag 28 (9 Oktober 2011) Je bent uitgenodigd voor een feest, maar je hebt
geen zin om er heen te gaan. Je gaat er dus naartoe, al of niet goed gemutst. Of
je doet zoals de mensen uit deze parabel van Jezus. Ja gaat gewoon naar je werk,
je doet gewoon de zaken die je zinnens waart te doen. Desnoods ga je de mensen
die je uitnodigden nog affronteren ook of er kwaad over vertellen. Iets
dergelijks vertelt Jezus aan de mensen van ijn tijd, met de woorden en
voorbeelden van die tijd. Wat zegt Hij aan ons? Jullie zijn uitgenodigd door
God om deel te nemen aan het feest voor Jezus, Gods Zoon. Ik zou het concreet
kunnen maken zoals een pastoor dat zou doen en zeggen dat je uitgenodigd bent
tot de zondageucharistie, dat wekelijks feest van de Jezusvrienden, die
samenkomen met en rond Jezus, om God te eren en te danken en om gevoed te worden
met Jezus zelf. Maar de parabel heeft een nog ruimer bedoeling en
is niet enkel meer gericht tot de hogepriesters en leiders van het volk. Jezus
spreekt ons aan, Jezus vertelt iets aan ons. Jullie zijn uitgenodigd om gelukkig
te worden, maar je kunt maar gelukkig worden als je in contact leeft met Mij,
Jezus, Zoon van God. En nu moeten we eens goed luisteren wat Jezus over
de reactie van de mensen vertelt, met droefheid, met spijt in zijn hart. “Zeg
aan de genodigden: alles staat gereed. Komt dus naar de bruiloft”. En dan zegt
Jezus: “Maar, zonder er zich om te bekommeren gingen zij weg, de een naar zijn
akker, de andere naar zijn zaken…” “Zonder
er zich om te bekommeren”. Ze horen nog niet eens wat Hij zegt. Ze lezen nog
niet eens de uitnodiging. Wat interesseert ons God. Wat interesseert ons wat
Jezus zegt. Er is zoveel belangrijker nieuws, zoveel belangrijkere zaken. Zoveel
interessanter nieuws te horen en te zien. Zoveel plezanter feestjes. Wat is dan
de meerwaarde die God en die het geloof bijbrengen aan ons leven? Hier staat Jezus natuurlijk machteloos. Immers, op
welke weegschaal gaan we afwegen wat belangrijk is, wat echt geluk betekent, wat
ons het meeste vreugde geeft, het meest opbrengt? Neem je de weegschaal van het materieel profijt?
Of de weegschaal van het meest waardevol en betekenisvol voor je groei als mens
en het voordeel van je medemens? Jezus weegt met een weegschaal waar opstaat: Gods
verlangen. Dat kan zijn drink een goed glas wijn. Eet eens lekker. Het kan ook
zijn: ga je zieke buur bezoeken in het ziekenhuis. Hou je eens echt bezig met de
toekomst van je hoogbejaarde ouders, zie wat je kan doen voor de ellende in de
Hoorn van Afrika… Is dat plezant? Is dat waardevol? Brengt dat iets op? Dat
zijn vervalste weegschalen. Jezus herhaalt ons dat welbekende woord: “… zoekt eerst het Koninkrijk en zijn gerechtigheid: dan zal dat alles u erbij gegeven worden.” (Mt.6,33) Het koninkrijk van God is overal waar Gods wil gedaan wordt, dat is ons leven als het in dienst staat van God, als er naar Gods verlangen geluisterd wordt. Daar is het koninkrijk, dààr is God koninkrijk. En het is enkel binnen dat koninkrijk, binnen Gods verlangen, dat de mens zijn volle geluk kan vinden? Nu en later. Wij moeten dus ons best doen om goed te luisteren naar die uitnodiging van God om naar het geluk toe te leven. We moeten niet dwaas doen, dronken gevoerd door de massamedia en de consumptiecultuur: “… zonder er zich om te bekommeren gingen ze weg: de een naar zijn akker, de ander naar zijn zaken ” Het voordeel van onze keuze om naar Gods verlangen te luisteren, zijn verlangen om ons naar het echte geluk te voeren… Het voordeel daarvan is dat we eens even stilvallen, eens even nadenken over de zin van het leven en wat nu eigenlijk echt waardevol is. Je hebt mensen die zo een druk leven leiden dat ze geen tijd hebben voor hun gezin… met alle gevolgen daaraan verbonden. En het grote voordeel is dat we ons leven zijn echte waarde geven. Trouwens naarmate we kiezen voor
God, naarmate we gaan leven volgens zijn verlangen, gaan we dat ook
gemakkelijker kunnen. We krijgen een steviger ruggengraat. Wij worden méér
christen in ons handelen, maar ook in ons denken en aanvoelen. We gaan ons wat
wapenen tegen de rotcultuur die de media ons trachten in te lepelen, langs
soaps, feuilletons en zelfs langs gemanipuleerde nieuwsgaring. Vragen we de Heer
dat we gevoeliger mogen worden voor zijn verlangen, soepeler worden bij het
involgen van dat verlangen en dankbaar dat de echte vrede van de Heer bezit
neemt van ons hart. (ben van vossel) Jaar
A Zondag 27 (2 Oktober 2011) De eigenaar van dat land heeft een prima wijngaard aangelegd met alle
mogelijke voorzieningen. Met alles erop en eraan. Hij verpacht die wijngaard en
vertrekt… Dat laatste staat er om aan te geven: Kijk mensen, ik heb mijn werk
gedaan. Ik vertrouw nu mijn wijngaard aan u toe. Zorg ervoor en zorg dat hij ook
nog iets opbrengt… Dit begin van de parabel is voor een gelovig mens niet zo moeilijk om te
begrijpen. Wij hoeven er niet bij te bedenken dat deze parabel is uitgesproken
voor de hogepriesters en de oudsten, de bestuurders van het volk Israël, de
parabel wordt in onze kerken voorgelezen en het zijn christenen die deze parabel
aanhoren. Deze parabel is dus tot ons gericht en wij hoeven niet meer het proces
te maken van die Joodse leiders uit het begin van onze jaartelling. God heeft ons de wereld toevertrouwd met al wat hij bevat, de aarde, de
mensen, onszelf, onze talenten, ons verstand en onze mogelijkheden, de planten,
de dieren, het water en de lucht en de bodemschatten… Je kan daar natuurlijk heel concrete toepassingen bij gaan maken en dan
zeggen: op dàt vlak schiet ik tekort. Dat zijn van die direct moralistische
toepassingen. Daar is niets verkeerds mee, maar ik meen dat we het geheel eens
moeten bekijken en dan een algemene inschatting moeten maken. Hoe sta ik, hoe
staan wij tegenover die wijngaard die de Heer ons heeft toevertrouwd en waarvan
Hij vindt dat we er voor moeten zorgen en zorgen dat Hij kan openbloeien en
vrucht dragen… Misschien dan toch maar wat moralistische vragen maar waarbij we het
geheel moeten bekijken. Het gaat namelijk over mijn, over onze
verantwoordelijkheid in dat alles. Niet verwijzen naar de hogepriesters en de
oudsten van het volk, niet verwijzen naar ministers en schepenen. Nee, gewoon
eens naar onszelf kijken. Verbeter de wereld, begin met jezelf! Voel ik me verantwoordelijk voor de lucht. Voel ik me verantwoordelijk
voor de lucht, voor de bodem en het water? Maar allee, wat heb ik daar mee te
maken. Weet je wel wat vliegtuigen en schepen vervuilen in de lucht en het
water? En wat de koeltorens en fabrieken teweeg brengen op het vlak van de
klimaatsverandering? Kijk, we
trachten weeral te ontkomen aan de vraag. De vraag en de opdracht gaat immers
naar wat ik doe om de afvalberg redelijk te houden door gescheiden
afvalsortering, wat ik doe om de energierekening (en dus het verbruik van
grondstoffen) tracht te beperken, het gebruik van de auto, de isolering van mijn
woning. Wat doe ik op het vlak van de recyclering, van kleding, meubilair,
...het komposteren. Werk ik mee met de maatregelen van de overheid? Respect voor mijn medemensen, voor de armsten, de uitgestotenen, de
zieken, de kinderen, de buur in nood. Zij horen ook allemaal thuis in die grote
wijngaard die de Heer ook aan mij heeft toevertrouwd. En mijn gezondheid, mijn
talenten, mijn huis... Draag ik er zorg voor en laat ik het de dienst doen waar
God het toe bestemt? Er zijn zoveel vragen te stellen, die alle op hetzelfde neerkomen. Ben
ik mij er reeds van bewust dat God me in die grote wijngaard heeft geplaatst,
waar ik met mijn eigen talenten en mogelijkheden ook mijn deel van de
verantwoordelijkheid voor moet dragen. Dit is geen louter materiële vraag, een
vraag die enkel te maken heeft met materiële zaken, die heeft te maken met mijn
relatie tot God. En het is goed dat ik me daarover ook eens grondig bezin. En
niet over hogepriesters en oudsten van Israël, niet over premiers en
burgemeesters beginnen, maar over mijzelf. Hoe bepaal ik mijn houding tegenover
al het geschapene, in het licht van mijn relatie tot God? (Ben Van Vossel) Jaar
A Zondag 26 (25 september 2011) Heb je Hem al eens
op bezoek gehad? Die vader die u komt vragen: “Mijn zoon, dochter, ga vandaag
werken in mijn wijngaard” (Mt. 21 vers 28). Want het gevaar bestaat natuurlijk
weer dat wij dit een mooi verhaaltje vinden en da het niet genoeg is van ergens
‘ja’ op te zeggen, maar datje het ook moet doen.. Enzovoort. Of
zou dit soort dingen alleen in Jezus’ tijd, in een ver verleden zich hebben
voorgedaan? Nee, dit woord moet ook
voor ons nog een betekenis hebben. Wat vroeg God ons vandaag? Gewoon de dingen
te doen die moeten gedaan worden. Zo is het meestal. ’t Is maar af en toe dat
God ons eens iets heel speciaals vraagt. Maar ook als God ons gewone dingen
vraagt, de gewone “plichten van staat” zoals die vroeger genoemd werden,
zelfs dàn zijn dat speciale zaken, is dat een speciale, belangrijke opdracht,
OMDAT … GOD het vraagt. Ons gewone leven is
nooit gewoon. Dat we vandaag het eten gereed maken, dat we vandaag het huisop
orde zetten, dat we vandaag of morgen of over naar ons werk trekken en in het
weekend even wat stoom aflaten… het staat niet los van onze relatie met God.
Hij, de eigenaar van de wijngaard spreekt ons aan als zijn kinderen. “Ga
vandaag werken in mijn wijngaard.” Neem de taak op die ik je toevertrouw: een
belangrijke taak of een peulschilletje, een waar je tegenop ziet of een die je
graag doet, bijna als een hobby. “Wat sta je daar niets te doen”, vraagt
God. Waarom werk je alleen maar voor materiële dingen, of alleen maar voor
zaken die voor de hand liggen? Kijk toch eens naar mijn gelaat. Weet dat IK het
ben die u die taak opdraag, die u vraagt om aan de slag te gaan… Dat is nu de stap
in het geloof, in het geloof in God die ons leven leidt. Die ons geschapen heeft
en onze toekomst is en ons op ieder moment in leven houdt. Alleen tegenover Hem
hebben wij verantwoording af te leggen. Hij zal erover oordelen of we zijn
opdracht hebben vervuld of “ja” gezegd hebben maar het toch niet hebben
gedaan… Geloven is “leven
met God voor ogen”, “je gesteld voelen tegenover God”. Het is niet alsof
je tegenover een dwingeland stond, nee, hij is als een vader: “Mijn zoon, ga
vandaag werken in mijn wijngaard”. En als je niet gaat, als je vandaag enkel
voor jezelf werkt. Okay, zegt God, en Hij gaat naar een andere zoon of dochter:
“Mijn zoon, ga vandaag werken in mijn wijngaard”. Werk je alleen voor
eigen rekening. Dan zul je jezelf moeten betalen op het eind. Maar als gelovig
mens weten we dat we uiteindelijk onszelf zullen oordelen volgens Gods
waardenschaal… Werken voor God,
leven met God voor ogen. Het is een uitdaging. De grootste uitdaging van ons
leven. Maken we vandaag de goede keuze en treden we dan ook in dat spoor dat we
getrokken hebben: werken in ZIJN wijngaard, de wijngaard van God. (Ben Van
Vossel)
Jaar
A Zondag 25 (18 september 2011) Wij zijn gemaakt
naar Gods beeld en gelijkenis. Wat een eer! Als je ons ziet als een weerloze
schreiende baby, zou je het niet zeggen, en ook niet als we ziek zijn of als we
gebrekkig worden of als we als bejaarde veel zaken niet meer aankunnen, ja, dan
blazen we niet meer zo hoog van de toren. Maar zelfs als we krachtpatser zouden
zijn, of een geleerde bolleboos, ook dan weten we dat het alles maar voor een
tijdje is, en dat er o zo weinig nodig is om ons een toontje lager te doen
zingen, of totaal sprakeloos te worden. Er is trouwens nog iets heel anders.
Beeld van God zijn wij, Gods kinderen en verlost door Jezus, geroepen tot
gemeenschap met God. Maar als mens zijn we kleine, breekbare schepsels. En onze
gedachten over belangrijk of waardeloos, over kracht of zwakheid zijn zo heel
anders dan die van God. Het Oude Verbond zegt ons reeds: “Waardeloos is een
paard in de strijd en stoere mannen zijn waardeloos”, “Mijn gedachten zijn
heel anders dan uw gedachten”. En Paulus schrijft over de vernederende dood
die Jezus stierf, ook daar hebben mensen zich zwaar vergist: “Gods kracht en
Gods wijsheid heeft zich juist in die zwakheid getoond”. Het kruis, de
ondergang van Jezus is juist zijn overwinning geworden. God denkt over heel wat
zaken anders dan wij, tenzij we Hem beter leren kennen, dan kunnen we ons
stilaan het standpunt indenken waarop God zich stelt. Neem nu die parabel
van Jezus over de werkers van het elfde uur, dat betekent dus die enkel gewerkt
hebben van 5 tot 6 uur in de namiddag, wanneer de zon niet meer zo hard schijnt.
En die gasten krijgen evenveel als de mensen die van zes uur ’s morgens aan
’t werken zijn. Welke arbeider en welke vakbond zou dan niet op zijn achterste
poten gaan staan! Dat is nu toch echt niet serieus, te gek om rond te lopen.
Allee zeg! Maar het gaat hier
niet over een sociaal probleem. Het gaat Jezus om onze relatie tot God en de
eisen die wij soms aan God willen stellen om zo of anders te handelen, om ons
dit of dat te geven, want, zie eens, wat ik allemaal gedaan heb, gepresteerd
heb, daar moet toch wel een flinke beloning aan vasthangen! Hier zitten wij
totaal verkeerd. Neem dat een mier u
komt vertellen dat ze vandaag al tien droge grassprietjes tien meter ver heeft
gevoerd en nu komt ze haar loon opeisen. Als je toevallig een groot
natuurliefhebber bent, zegt je misschien: prachtig gedaan, maar een decoratie ga
je haar daar nog niet voor opspelden. Wij staan zo als
kleine mensen in totale afhankelijkheid van God, dat we enkel maar kunnen danken
voor wat Hij ons geeft. Het leven, het beetje tijd dat Hij ons geeft hier op
aarde, de mensen die we mogen ontmoeten, het werk dat we mogen doen, en och God,
het is dan nog vaak vermengd met een hoop miserie… Maar als we het Goede
Nieuws al vernamen: Hij roept ons om zijn kinderen te worden, om nu al als zijn
kinderen te leven en we mogen die vrede dan ook in ons hart gewaar worden… Hij
zond zijn enige Zoon om voor ons de weg naar het echte geluk open te brengen
door het Kruis. En tenslotte wil Hij ons voor eeuwig laten delen in zijn
goddelijk leven…. En dan komen wij, als die mier, vragen wat dat mierenleven
ons heeft opgebracht. We komen achter onze decoratie, onze tien denaries. We worden vandaag
uitgenodigd om een glimlachend gezicht op te zetten en vandaag en morgen te
leven in dankbaarheid om het leven, om al wat ons is gegeven, om Gods
vriendschap en om het eeuwig leven dat Hij ons belooft. (Ben Van Vossel) Jaar
A Zondag 24 (11 september 2011) “Wrok en gramschap zijn iets afschuwelijks,
alleen een zondaar blijft ermee lopen. Wie wraak neemt, zal de wraak van de Heer
voelen: Hij zal zijn zonden nooit uit het oog verliezen”! Dit is een tekst uit
de eerste lezing, uit het Oude Testament, het boek van de Wijsheid van Jezus
Sirach. Het evangelie sluit daar naadloos bij aan. Als Petrus aan Jezus vraagt
hoe vaak hij zijn medegelovige moet vergeven, antwoord Jezus: zeventigmaal
zevenmaal. Altijd en telkens weer. En Hij weer een van zijn mooie verhaaltjes.
Een knecht die een enorme schuld werd kwijtgescholden en dan diezelfde knecht
die zijn medegelovige geen respijt geeft om een kleine schuld terug te betalen.
Die onbarmhartige knecht wordt gestraft door zijn Heer, en Jezus voegt eraan
toe: “Zo zal ook mijn hemelse Vader met ieder van u handelen die niet zijn
broeder van harte vergiffenis schenkt.” Vergiffenis schenken. Hebt u mensen die u iets schuldig zijn? Die ge
iets te vergeven hebt? Die u pijn hebben gedaan? Ik stelde de vraagt: hebt u
mensen die. Ik vroeger niet: Kent u mensen die… Nee, hebt u mensen die u iets
schuldig zijn. Hebt ge die? Want die houdt ge vast, die blijft ge beladen met
die schuld. Die blijft ge in uw gedachten met de vinger wijzen en ge draagt hen
hun schuld achterna. Eigenlijk blijven we dan ons hart ook vergiftigen, met die
wrok, die kwaadheid… We zullen natuurlijk zeggen: Ja maar, je had het zelf
eens moeten meemaken!… En het is duidelijk dat we het kwaad niet moeten
goedpraten, wat verkeerd is is verkeerd: hardheid, gebrek aan tederheid,
achterklap, zelfzucht waardoor men anderen kwetst in zijn zelfrespect en
gevoelens… Maar zowel in het Oude als het Nieuwe Testament
wordt ons gezegd dat we niet mogen haten, geen wrok mogen blijven koesteren:
“Kan hij, die onverbiddelijk is voor zijn evenmens, om vergeving bidden voor
zijn eigen zonden?” Vergeving schenken aan mijn medemens, in het
gezin, mijn familie, mijn buurt, mijn werkmidden, mijn gebedsgroep of religieuze
gemeenschap… Er is werk aan de winkel. Maar wij kunnen ook negatieve gevoelens blijven
koesteren tegenover groepen mensen. Als we als Vlamingen op onze rechten staan
en die ook politiek willen verdedigen, is dat één zaak, maar tegenover de
Walen in ’t algemeen en tegenover iedere Waal negatieve gevoelens koesteren is
tocht nog iets heel anders. Oudere mensen herinneren zich nog heel wat van de
oorlog. Hoe staan zijn tegenover de Duitsers? Mensen van de witte brigade?
Familie van gefusilleerden, krijgsgevangenen, geïnterneerden? Hoe staan we
tegenover mensen die hebben gecollaboreerd, en hoe staan mensen uit zogenaamde
‘zwarte families’ tegenover hen die hen vernederd en gebroodroofd hebben?
Moet in onze harten en in ons collectieve handelen nog niet een en ander
vergeven worden en eventueel enige kwalijke gevolgen hersteld? Als in Irak alleen al 70 christelijke kerken
werden verwoest of beschadigd en heel wat christenen ook priesters en
bisschoppen werden vermoord, ontvoerd of verjaagd… Dan kan in ons hart ook
haat groeien tegen de Islam in het algemeen, of tegenover concrete moslims die
we ontmoeten, vooral omdat ze meer en meer in ons straatbeeld aanwezig zijn.
Kunnen we vergiffenis schenken en de zaken en problemen die zich eventueel
stellen rustig en rationeel benaderen en er goede oplossingen voor zoeken? En zo zijn er wellicht nog heel wat andere
relaties tegenover enkelingen of groepen die ons hart vergiftigen met wrok,
kwaadheid, haat… Het is vandaag een enige gelegenheid om dat alles ook eens
naar de Heer te brengen en te vragen dat Hij ons zijn heilige Geest zou zenden
om ons hart e genezen en te bedenken – zoals de Schrift het ons leert – dat
wijzelf ook schuldenaars zijn tegenover God. Maar Hij vergeeft. Radicaal. Dat
wil zeggen tot in de wortel. Zo die kunnen wij misschien nog niet vergeven, maar
we kunnen wel bidden dat de Heer ons helpt om mensen die tegenover ons misdeden
tot te vergeven, of minstens voor hen te bidden. Laten wij bidden om de genade
van vergeving. (Ben Van Vossel) Jaar
A Zondag 23 (4 september 2011) Het evangelie en de eerste lezing van vandaag
roepen het woord ‘verantwoordelijkheid’ op: we zijn verantwoordelijk voor
elkaar en we moeten die verantwoordelijkheid ook opnemen. Enige beperking kan er
komen van mensen die niet gediend zijn met onze bemoeienissen of goede raad of
begeleiding… en die het ons ook duidelijk maken. Dit is heel iets anders dan het antwoord van Kaïn
aan God, wanneer deze hem vraagt: waa is uw broer? “Ben ik soms de hoeder van
mijn broeder?” Een lelijk antwoord waarmee hij zich losrukt van zijn broer,
waarmee hij alle banden verbreekt… Hij had dit al gedaan door zijn broer te
vermoorden, nu maakt hij er ook in zijn woorden vanaf. Ik heb er geen uitstaans
mee, ik ben niet verantwoordelijk voor wat er met mijn broer gebeurt of gebeurd
is.. Maar God weet wel beter. En Jezus stelt het opnieuw op scherp: Wanneer uw broeder gezondigd heeft, wijs hem dan
onder vier ogen terecht… In het
boek Ezekiël klinkt het zo: “Mensenkind, als wachter heb ik u aangesteld over
het volk… Hoort gij een woord uit mijn mond, waarschuw hen dan namens Mij.” Jamaar, ik ben de paus van Rome niet, hee! Ik ben
geen aartsbisschop of eerste minister of hoofdonderwijzer! Best mogelijk, maar
Jezus spreekt tot zijn leerlingen in het algemeen. Niemand van ons uitgezonderd,
niemand van ons i Hem te min, niemand moet werkeloos blijven. “Kom ook gij
werken in mijn wijngaard.” Moet ik mijn medemens dan gaan betuttelen? Moet ik
iedereen die verkeerd doet, gaan terecht wijzen? Moet ik zedenpreker worden? Nee, we moeten ons niet in een kunstmatig kostuum
gaan hullen en menen dat we ons overal moeten gaan bemoeien. Van belang is
eerder dat wij, door trouw gebed en evangelielezing gevoelig worden voor het
waaien van de Geest, voor wat de Geest zegt aan de kerken en aan … mij.
Daarmee bedoel ik dat Gods Geest ons de omstandigheden zal aanwijzen – stilaan
duidelijker naarmate we trouwer ingaan op zijn ingevingen – en dat Gods Geest
ons zal aanwijzen waar, wanneer en aan wie wij soms iets vanwege God zullen
moeten zeggen. Vooral de manier waarop is van belang. Ook dat moeten wij vragen
aan de heiige Geest: dat Hij ons leert welke woorden we best gebruiken, hoe we
iets aan de man of vrouw brengen, hoe we iets moeten inkleden… In het evangelie gaat het hoofdzakelijk over
iemand van de slechte weg afbrengen, maar het is evenzeer van belang dat we
mensen op de goede weg brengen, dat we hen wijzen op de echte weg naar het
geluk, het waardevolle van de weg die Jezus ons leert in het evangelie… Ook
dat is ‘je verantwoordelijk voelen voor je broeder’. We zijn allen
aangesteld als wachters, als hoeder van onze broeders en zusters. Zelfs als ze
leven als heidenen, zullen we nog moeten luisteren naar Gods Geest die ons
ingeeft wat we voor hen kunnen doen. Overigens is het einde van deze evangelieperikoop
zeer belangrijk.. Jezus heeft het daar over het gebed en vooral over het gebed
samen met anderen. Hij zegt daarover heel sterke zaken: “Waar twee van u
eensgezind iets vragen op aard, zullen zij het verkrijgen van mijn Vader die in
de hemel is. Want waar er twee of drie verenigd zijn in mijn Naam, daar ben Ik
in hun midden.” Is er niemand in mijn buurt (in mijn gezin) met wie ik kan
bidden voor de tijdelijke en vooral ook de geestelijke nood van mensen die we
kennen? Misschien is dat een eerste aanzet opdat de Heer ons daarna duidelijker
zal tonen wat we verder nog kunnen doen om onze broeder of zuster te helpen op
de weg naar het heil. (Ben Van Vossel) Jaar
A Zondag 22 (28 augustus 2011) Vorige zondag werd Petrus de hemel in geprezen door Jezus: “Zalig zijt gij, Simon, zoon van Jona” om uw prachtige geloofsbelijdenis. Vandaag zegt Jezus tot Petrus: “Ga weg van mij, satan, gij laat u leiden door menselijke overwegingen en niet door wat God wil.” Het kruis, het lijden van de Messias, zijn schijnbare ondergang en mislukking… daar kon het Joodse volk niet mee leven. Petrus wordt hier als het ware het symbool van elke Jood en heiden die zich die eerste tijd na Jezus zich tot Jezus wou bekeren. Zolang Jezus leven een succesverhaal was met genezingen van zieken, opwekking van doden, genezing van melaatsen en – niet te vergeten – met broodvermenigvuldiging en alles wat men nog van Hem kon verwachten… Zolang Hij die genezer en wonderdoener was en jazeker, ook die Meester die zo deugddoend kon preken en over God spreken… zolang alles goed ging en Hij succes had, stelde zich geen probleem om Hem te volgen en je leven aan Hem toe te vertrouwen. Maar dat kruis! Wat kwam dat doen in het leven van Hem die het volk kwam bevrijden? De Messias die mislukt, die wordt overgeleverd in de handen van heidenen en door hen aan het kruis wordt geslagen. Je durft het bijna niet zeggen aan mensen die zich willen bekeren. Hoe komt dat Jezusverhaal over als je aan een zoekend mens vertelt: “De Messias in wie ik geloof, is door zijn vrienden in de steek gelaten, is gevangen genomen, is geslagen en met doornen gekroond, heeft zelf zijn kruis moeten dragen, is buiten de stad aan het kruis gespijkerd, Hij is gestorven en dan ook nog doorstoken door een Romeins soldaat…” Wat een dwaze god, zeggen heidenen, een schandaal, zeggen de Joden. Paulus zal het later duidelijk samenvatten: “wij verkondigen een gekruisigde Christus, voor de Joden een aanstoot, voor de heidenen een dwaasheid, maar voor hen die geroepen zijn, joden zowel als heidenen, is Hij Gods kracht en Gods wijsheid.” (1KOR.1,23-24) Blijkbaar een probleem dus voor de eerste christenen. Volgelingen van een mislukkeling! Maar dan was er nog niet gesproken over de verrijzenis en over de kracht die de Heer ook in hun leven nog wilde uitoefenen door de heilige Geest, die Hij hen zond…. Maar wat heeft dat evangelie aan ons te zeggen. Ook wij moeten gelovig aanvaarden dat God zijn Zoon heeft gezonden als een mens tussen mensen. Wij zijn ons vaak te weinig bewust van wat dat betekent. De oneindig verheven God die zomaar eventjes in ons vergankelijk lichaam tussen ons zijn tent opslaat.. Dertig jaar een vergeten bestaan leidt. Wat rondloopt en blij nieuws verkondigt in een klein landje, zonder snel vervoermiddel of elektronica. En tenslotte aan een kruis sterft. En uit dat alles willen wij Gods liefde aflezen: zozeer heeft God de wereld (en jou en mij) liefgehad dat Hij zijn enige Zoon heeft gezonden, niet om de wereld te oordelen maar opdat de wereld gered zou worden… O, ik weet het, wij zouden dat natuurlijk heel anders aangepakt hebben. En Petrus, de warmbloedige en oprechte vriend van Jezus komt als eerste in opstand. “Dat verhoede God, Heer! Zo iets mag U nooit overkomen!” Maar hier moeten wij nederig buigen voor Gods liefdesplan. Nederig en vooral ook dankbaar. Telkens wanneer wij een kruisbeeld zien. Telkens wanneer wij de Heer ontvangen in een stukje Eucharistisch Brood, iets van niets. Telkens we Jezus’ woorden, die alledaagse eenvoudige woorden, beluisteren, nederig en dankbaar buigen en erkennen: Gij hebt woorden van eeuwig leven. Naar wie zouden wij anders gaan… Jezus zal het niet onder stoelen of banken steken. Dit gaat mij overkomen: verwerping, lijden en dood. Het raakt de apostelen tot diep in hun hart, zo diep dat ze zelfs niet horen dat Jezus ook spreekt over ‘verrijzen. En ook wij zullen als christen bereid moeten zijn om het kruis op te nemen en niet ons leven te willen redden en te vullen met een hoop compromissen, maar weten dat we enkel onszelf kunnen redden door in Gods verlangen te staan en ons leven aan Hem en zijn liefde toe te vertrouwen. Onze manier van leven zal daarvan moeten getuigen. (Ben Van Vossel)
Jaar
A Zondag 21 (21 augustus 2011) Als je geen al te goede leerling bent of je bent niet goed voorbereid en dan krijg je daar van de leerkracht een onvoorziene vraag voorgeschoteld die bovendien nogal persoonlijk getint is… Je kan dan een uitvlucht zoeken om niet hoeven te antwoorden of je kan zowat algemeenheden formuleren of hoe “men” daar ooit antwoorden op gegeven heeft. Jezus maakt het de leerlingen iets gemakkelijker. Hij vraagt eerst: wat zeggen de mensen dat Ik ben? Kijk, daar antwoorden de leerlingen vlot op. Je zou kunnen zeggen: dat is al de helft van de punten. Maar dan komt de tweede vraag en Jezus heeft hen het gras van een mogelijke uitvlucht rees weggemaaid, want ze kunnen niet mer zeggen wat “de mensen” zeggen, of dat ze niet voorbereid zijn op de vraag, immers, waarom volgen ze Jezus dan al maanden als zijn leerlingen, zijn volgelingen? “Maar Gij, sprak Hij tot hen, wie zegt gij dat Ik ben?” En alstublieft, geen algemeen of nietszeggend antwoord; geen antwoord uit de boekskes. Geen antwoord van wat andere mensen zouden zeggen. Ik vraag het aan u: wie zegt gij dat Ik ben? (Ik laat u even de tijd om een
antwoord, een persoonlijk antwoord te formuleren … )
Jaar
A Zondag 20 (14 augustus 2011) Maar vandaag staat een niet-Joodse vrouw ‘in the
picture’, zij krijgt alle aandacht. En ze is niet dom. Jezus is gezonden tot
de verlaten kinderen van Israël en niet tot wat zij ‘de honden’ noemen, de
niet-gelovigen. Okay, zegt de vrouw, maar de hondjes onder de tafel mogen toch
ook wel de kruimels eten die van de tafel van de kinderen vallen. Ik vind het
een van die tragikomische scènes uit het evangelie. Ik zie Jezus lachen, een
glimlach of misschien zelfs een schaterlach: Je moet toch maar een vrouw en een
moeder zijn om zulk een uitspraak te doen. Vrouw, zegt Hij (waarschijnlijk nog
glimlachend) ge hebt een groot geloof! Uw verlangen wordt ingewilligd.” En van
dat ogenblik was haar dochter genezen. God heeft geen spijt over zijn verbond met het
Joodse volk: Hij blijft trouw aan zijn beloften, zoals Hij trouwens getoond
heeft in Jezus, de Messias. En wij, de hondjes, mogen ook vertrouwen hebben. Wij
mogen blij zijn dat God ook op onze ellende, onze kleinheid heeft neergezien en
in Abraham en in Jezus ons allen heeft gezegend en tot zijn kinderen aangenomen. Jezus maakt ook wel eens de link tussen God en
ons. “Vergeef ons onze schuld, gelijk ook wij vergeven aan onze
schuldenaren”. En die andere uitspraak: “Wees volmaakt, zoals uw hemelse
Vader volmaakt is”. Ik zou dat ook willen toepassen op Gods aandacht voor alle
mensen. Ook voor die heidense vrouw. Ook voor de mensen die Jezus niet of nog
niet kennen. Ook voor de mensen die nooit in God zullen geloven omdat dat geloof
nooit op de goede manier tot hen gekomen is… Naar alle mensen toe zouden wij moeten getuigen,
door onze daden van liefde, van vriendelijkheid, van broederlijkheid, hulpbetoon
en bijstand. En ook naar alle mensen toe moeten wij getuigen van Gods liefde met
onze woorden. Goede woorden. Geen vijandige woorden, geen discussies maar gewoon
eenvoudig getuigen van wat God in uw leven doet. En natuurlijk moet onze manier
van leven daarvan dan ook getuigen. Zo zal Gods woord uit Jesaja ooit tot
vervulling komen: “Mijn huis zal worden genoemd een huis van gebed voor alle
volken.” Vandaag willen we dan bidden dat De
Jezusgemeenschap openstaat voor alle volken, alle standen, respectvol, liefdevol
en dat we in woord en leven getuigen van God aandacht en liefde voor alle
mensen. Hoe geven we daar vandaag gestalte aan? (Ben Van Vossel) Jaar
A Zondag 19 (7 augustus 2011) Teksten
uit de Liturgie: Zondag 19 Jaar A (7/08/2011) 1 Kon. 19,9a.11-13a In de zachte bries / Rom.
9,1-5 Uit hen komt de Christus voort / Mt. 14,22-33 Storm op het meer “Heer,
red mij” God doet zich kennen in de loop van ons leven, Hij wil
duidelijk maken dat Hij er is en, meer nog, dat Hij er is om jou gelukkig te
maken. Wij, moderne mensen, hebben wel slechte ogen; we werden verblind door
alles wat de wereld ons biedt. Je leest het zo af van de teevee: vakantiereizen
waarmee ze u om de oren slaan, het altijd maar lekkerder eten, de ontspanning,
het lawaai en de optredens van sterren aan de lopende band…. Elke avond kan
eindigen met lawaai en applaus voor het gelukte opreden van die of die of het
lawaai van een of andere film of teevee-reeks die je gevolgd hebt… God heeft
het wat moeilijk om zich nog kenbaar te maken, om nog in contact te treden met
ons. De profeet Elia trof God niet aan in de storm, de aardbeving, het vuur,
maar in het suizen van een zachte bries… Soms doet God zich ook kennen in het
lawaai van de donder, in het lawaai van de oorlog, in de beproeving van ziekte
of het overlijden van een geliefde, in een tegenslag… Maar als wij het te druk
maken in ons leven, heeft Hij het toch moeilijk. Wanneer we ons trouwens voelen wegzakken in de leegte van een gevuld maar oppervlakkig leven, of in het moeras van zorgen, een boel problemen of ziekte en ongerustheid… Is het dan niet het moment om zoals de wegzinkende Petrus te roepen: “Heer, red mij”. De ervaringen van leegte of van onvermogen en uitzichtloosheid kunnen ook een genade zijn om uit te komen bij God, bij de enige werkelijkheid… Met al onze verwezenlijkingen op technisch vlak – zopas kregen we zekerheid dat we niet van dorst gaan omkomen als we op de planeet Mars water kunnen gaan halen – met al onze verwezenlijkingen, als koningen van de schepping, blijven we toch kleine schepsels. We komen tot diepe inzichten in de structuur van de mens, zijn lichaam, zijn psyche en in de micro- en macrokosmos… en toch, als gelovige mensen weten we ons steeds afhankelijk van God. Een goede reden om, ondanks al ons weten en ons kunnen, ons toch te buigen voor zijn liefde en zijn heerlijkheid, Hij die onze enige echte zekerheid is en onze toekomst. Hij die ons altijd reddend nabij is, wanneer wij vertrouwvol tot Hem roepen. “Heer, red mij”. (Ben Van Vossel) Jaar
A Zondag 18 (31 juli 2011) Teksten
uit de Liturgie: Jesaja 55,1-3 Voor niet(s) / Ps. 145,8-9, 15-16,
17-18 Gij opent uw hand, Heer, en zegent ons / Rom. 8,35.37-39 Wie zal ons
scheiden van e liefde Gods die is in Christus Jezus? / Mt. 14,13-21 Brood voor
vijfduizend ’t Is wat ver gezocht natuurlijk, maar ik denk
dat een bakker hier echt jaloers zou zijn op de situatie waar Jezus en zijn
vrienden hier de hoofdpersonen zijn. Stel u zo eens een bakkerij voor met 5000
mannen die staan aan te schuiven voor een brood of wat patisserie. Daar moet je
anders weken op wachten. Hoe zou Judas zich bij deze zaak gevoeld hebben. Al dat
brood dat ze daar op Jezus gebed mogen uitdelen. Zou hij ook hier gedacht
hebben: dat zou voor zoveel denaries kunnen verkocht worden. Onze geldbeugel zou
uitpuilen… Maar misschien stond hij daar ook gewoon met open ogen van
verwondering en bewondering te kijken naar dit wonder waarin hij en de apostelen
slechts radertjes waren die mochten uitdelen: hun eigen handen raakten het
wonder aan… Hoe waren ze in zo’n situatie verzeild
geraakt? Zie ook wat Jezus jou te bieden heeft: overvloed van leven, overvloed van heil. En gratis! Om niet! (Voor niet, zeiden we vroeger). Veel vroeger had de profeet Jesaja het al gezegd vanwege God: “Komt allen die dorst hebt, hier is water; en gij, die geen geld hebt, komt, koopt koren en eet zonder geld, en drinkt zonder betaling wijn en melk.” (Jes.55,1) Maar waarom lopen wij er vaak geestelijk ondervoed bij, waarom lopen wij er vaak zo treurig bij, zo zonder uitzicht…? Omdat wij het elders zoeken dan bij God, dan bij Jezus. Dat steekt in dat andere zinnetje dat Jesaja zo langs zijn neus weg zegt: “Waarom besteedt gij geld aan wat geen brood is, en uw loon aan iets wat niet verzadigt?” (Jes.55,2) En dat is nu eigenlijk ons grote probleem. Wij vullen ons leven met alles en nog wat, en God krijgt zo nog een klein hokje toegewezen, voor als de nood het grootst is en we geen andere uitweg meer zien; wanneer we stilvallen na alle drukte en na alles waarmee we onze dag en ons leven hebben gevuld… maar niet verzadigd geraakten. Welke plaats krijgt God in ons leven? Hoeveel tijd geven we Hem om ons hart te vervullen, om ons in de echte werkelijkheid te brengen? Jesaja vervolgt: “Luistert aandachtig naar Mij, en gij zult eten wat goed is, en uw honger stillen met uitgelezen spijs. Neigt uw oor en komt naar Mij, luistert en gij zult leven.” Als deze woorden ons nog niet over de brug haalden – wat zijn we toch hardleers! – dan is er nog sint Paulus die ons vandaag schrijft: “Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus?”… En hij komt tot de slotsom: “Niets of niemand zal ons kunnen scheiden van de liefde Gods, die is in Christus Jezus onze Heer.” (ROM.8,35) In Jezus heeft God ons getoond hoezeer Hij van ieder van ons houdt. Als we maar tot Jezus zouden komen, als we Hem maar de kans zouden geven ons leven te (ver-)vullen. Opnieuw een uitnodiging om ons leven op het juiste spoor te zetten, te kiezen voor Jezus als de Heer van ons leven en te bouwen aan een levenden blijvend contact met Hem. “De Heer is vol liefde en medelijken, bezorgd voor iedere mens. Nabij is de Heer voor elk die Hem aanroept, voor elk die oprecht tot Hem bidt.” (Psalm 145) Tot slot wil ik er nog even op wijzen dat wij niet leven om te eten, maar eten om te leven. Laten wij dezer dagen ook aandacht hebben voor de vele volwassenen en kinderen die in de Hoorn van Afrika die daar nu aan het omkomen zijn van honger. Zij verwachten van ons de wonderbare broodvermenigvuldiging. “Jezus kreeg diep medelijden met hen”… en wij? (Ben Van Vossel) Jaar
A Zondag 17 (22 juli 2011) Teksten uit de Liturgie: 1 Kon 3,5.7-12 / Ps 63,2, 3-4, 5-6, 8-9 / Rom 8,28-30 / Mt 13,24-43 De
kostbare schat, verborgen in de akker, de parel van grote waarde waarvoor je je
hele bezit zou geven… Waarover gaat het? Je
kan die verborgen schat en die kostbare parel zien als Jezus, als het Koninkrijk
van God, waarvoor we alles veil moeten hebben, want alleen onder de heerschappij
van Jezus vindt ons leven zijn vervulling en voltooiing… Je
kan die verborgen schat en die kostbare parel ook opvatten als de rijkdom van je
hart, de talenten en zelfs al het materiële dat God je heeft
toevertrouwd. In
feite gaat het hier ook weer over het koninkrijk van God: het mooiste in jezelf
tot ontwikkeling laten komen. Het mooiste in jezelf, dat is je gelijkenis met
God. Toen je gedoopt werd, werd je kind van God. Dat leven van kind van God tot
ontwikkeling laten komen in jezelf is de wereld beter en mooier maken. Is er een
prachtiger opdracht? Is ze een mooier en waardevoller taak? Hoe
we dat gaan doen? De moeite waard om ons er deze week eens grondig over te
bezinnen. Wellicht geen grootse daden, maar trouwe inzet. Er alles aan doen, er
alles voor over hebben. Opkijken naar Jezus en rekenen op de Bijstand, de
heilige Geest. Laten wij er maar aan beginnen. (Ben Van Vossel) Jaar
A Zondag 16 (17 juli 2011) Teksten
uit de Liturgie: Wijsh
12,13.16-19 / Ps 86 Gij zijt goed en genadig, Heer / Rom. 8,26-27 / Mt. 13,24-43 Terwijl in het Koninkrijk God wil gebeurt, en volgens Gods verlangen wordt geleefd zodat Gods kracht daar ook meer invloed kan uitoefenen…We kunnen spreken over de grote tegenstrever, maar er is vooral ook de menselijke vrijheid die ja-zegt op het werk en de inspiratie van Gods Geest, of die zich laat verleiden door al die tegenkrachten die ons een andere weg willen opleiden, de weg van de gemakzucht en het egoïsme. In feite heeft het maken van die keuzen veel te maken met het zicht dat wij hebben op het leven en de wereld. Geloven wij in God? Geloven wij enerzijds in de eindigheid van ons aardse bestaan en anderzijds in het eeuwig leven en in de beslissende aspect van ons huidige bestaan. Het christelijk zicht op het leven is niet dat van een telkens hernieuwde wedergeboorte. Wij leven slechts éénmaal en we moeten dit leven ernstig opnemen, het is niet telkens weer te herkansen. Dit zicht op het leven doet ons dit leven inderdaad ernstig opnemen. - Maar dit is zeker niet de enige wat Jezus ons omtrent het Koninkrijk wil meedelen. Hij zegt dat je best het onkruid niet moet uittrekken, want je zou misschien de tarwe mee kunnen vernietigen… Ja, wat je voor verkeerd houdt in de ander, zou wel eens niet zo verkeerd kunnen zijn als wij wel denken, misschien is het gewoon anders dan ons gedacht, dan onze cultuur, onze gewoonten… maar, is het daarom tegengesteld aan Gods gedacht? En het onkruid in onszelf? Is ons oordeel daarover wel echt Gods gedacht? Moeten wij onze persoon gaan ontdoen van al zijn drijfveren of kunnen we die niet eerder inschakelen voor iets goeds? We moeten in elk geval opletten dat we niet volgens onze eigen en al te menselijke maatstaven oordelen, maar dat we zo puur mogelijk trachten in overeenstemming te zijn met Gods oordeel, wiens gedachten de onze ver overstijgen… We moeten ons voortdurend laten vormen door Gods woord, door Jezus’ voorbeeld… - En dan zijn er die twee andere vergelijkingen om ons iets te ontsluieren omtrent het Koninkrijk. Het mosterdzaadje dat een grote boom wordt, en de gist die het brood helemaal doorgist. Het is Jezus’ vaste overtuiging dat de kleine trouw van elke dag, vruchtbaar is voor het Koninkrijk dat daardoor versterkt wordt en zich uitbreidt. Alles samen leert Jezus ons dat we vooral positief in het leven moeten staan en werken, dag aan dag om nu reeds in het Koninkrijk te leven, om nu reeds – in grote trouw – te leven volgens Gods verlangen, van moment tot moment, rekenend op de invloed van Gods heilige Geest. Goede moed! De genade van onze Heer Jezus Christus, de liefde van God en de gemeenschap van de heilige Geest zij met u ! (Ben Van Vossel)Jaar
A Zondag 15 (10 juli 2011) Teksten uit de Liturgie: Jes. 55,10-11 Gods Woord draagt vrucht / Ps. 65 Het zaad viel op goede grond en bracht vrucht voort / Rom 8,18-23 Uitzien naar voltooiing van Gods plan / Mt. 13,1-23 Parabel van de zaaier Er
is hoop voor deze wereld, schrijft Paulus in zijn Romeinenbrief.
Ze ziet uit naar de openbaring van Gods kinderen… Dat heeft dan te
maken met de volheid van de verlossing en met de onvergankelijkheid… Ik zou
die toekomstdroom voor de schepping en voor de wereld in het bijzonder ook
willen zien in combinatie met de parabel van de zaaier en het zaad, maar je zou
het even goed kunnen noemen ‘de parabel van de goede of minder goede grond’.
God spreekt zijn Woord. We zouden zelfs sterker kunnen zeggen: God zendt zijn
Zoon om woorden van eeuwig leven te spreken. Zo wil Hij zijn Koninkrijk
stichten: dat God koning zou zijn, erkend zou worden door de mens. In
de parabel van de zaaier ziet Jezus een paar hinderpalen voor de doorbraak van
het Koninkrijk en het niet tot wasdom komen van Gods Woord. Een
eerste voorwaarde is dat men echt wil luisteren, met een open hart. Niet met
harten die al bij voorbaat gesloten zijn, cynisch voor al wat ons beperkt
menselijk zicht overstijgt. Onze menselijke opvattingen willen immers bepalen
hoe God zich moet openbaren, wat Hij mag zeggen en wat niet… En hier gaan we
ons boekje te buiten. Wij hoeven ons verstand niet op “nul” te zetten, wij
moeten ons niet laten inpakken door allerlei rare toestanden en verhalen over
wondere gebeurtenissen… maar anderzijds moeten wij openstaan voor de manier
waarop God zichzelf en zijn verlangen en zijn raadgevingen kenbaar wil maken.
Wat maakt Jezus ons vandaag duidelijk? -
Mensen horen wel eens iets over het evangelie en over de christelijke
godsdienst, maar ze verstaan het niet… Er komt te weinig catechese bij de
verkondiging… Nu, dan begrijpen wij ook wel dat daar niet veel van zal
overblijven. Eventueel nog eens iets voor in ‘blokken’ over voor in een of
ander quiz, maar niet iets om van te leven. De boze rooft weg wat er gezaaid
werd in hun hart. -
Sommigen worden wel geraakt door een Woord vanwege God en ze zijn er enthousiast
over, maar het wordt ook niet echt tot leven. Men gaat er niet echt mee op weg,
het blijft zowat buiten het leven, het wordt niet geïntegreerd… Het blijkt
voorbijgaand enthousiasme te zijn en als er wat beproevingen komen vanuit het
leven of een soort vervolging… valt men af. Het zaad was op rotsachtige
plekken gezaaid. - En soms valt het zaad van Gods woord tussen de distels. Dat is vaak het geval. Men is zo vaak bezig met allerlei materiële problemen, het leven brengt dat met zich mee en men zoekt dan direct naar oplossingen; men is zo druk bezet en begaan met alles en nog wat… dat er geen tijd overblijft om ook nog met het Woord van God bezig te zijn, met het Koninkrijk van God, het verlangen van God… Toch hoefde dit niet zo te zijn. Men moet expliciete tijd vrijmaken om ook Gods woord te overwegen, zich af te vragen waar Gods verlangen ligt, tijd te maken voor het beleven, het in praktijk brengen van Gods woord, Gods leiding… Anders weigeren we in feite om te leven in Gods Koninkrijk, onder Gods heerschappij… Jezus zegt: Die gezaaid werd tussen distels is hij die het woord wel hoort, maar dit wordt door de zorgen van de wereld en de begoocheling van de rijkdom verstikt en zo blijft het zonder vruchten. Als Gods Woord geen vrucht draagt in ons hart en ons leven, blijft ons leven ook zonder vrucht en werken we niet mee aan het beter maken van de wereld, aan de voltooiing van de schepping. - Maar
die in goede aarde werd gezaaid, is hij die het woord hoort en begrijpt en
daarom vrucht draagt: bij de een is de opbrengst honderdvoudig, bij een ander
zestigvoudig en bij een ander dertigvoudig. (v.23) Jaar
A Zondag 14 (3 juli 2011) Teksten uit de Liturgie: Zacharia 9,9-10 / Psalm 145 Uw Naam wil ik verheerlijken voor altijd, mijn God en Koning / Rom 8,9.11-13 / Mt. 11,25-30. Het is zo mooi Jezus te horen spreken met zijn Vader. De leerlingen hebben Jezus waarschijnlijk wel vaker zo luidop horen bidden. In onze tijd zou Hij het in stilte gedaan hebben, omdat het meer in overeenstemming is met onze cultuur…. Jezus, sprekend met zijn Vader. “Ik prijs U, Vader…” “Ik prijs U, Abba, lieve Vader, liefdevolle Vader…” En onmiddellijk daarbij, de inhoud van dat lofgebed: Gij, Heer van hemel en aarde. Schepende God, Vader, die aande oorsprong staat van alles wat ik zie, van alles wat er is… Ik prijs U, Vader, Heer van hemel en aarde. Dee nabije God, ader, is tegelijk de schepper en Heer van alles wat bestaat. Tot die liefdevolle en machtige God richt Jezus zich. En wat is de rest van zijn loflied, waarom prijs en verheerlijkt Hij de Vader, de Schepper… De machtige en heel nabije God? “… omdat Gij deze dingen verborgen gehouden hebt voor wijzen en verstandigen, maar ze hebt geopenbaard aan kinderen”. Jezus verheerlijkt de Vader, de Oorsprong van alles wat is, de machtige Heer van hemel en aarde… Jezus verheerlijkt de Vader omdat Hij de geheimen van het koninkrijk niet openbaarde aan wijzen en verstandigen, maar aan eenvoudigen… Wat een rare God en Vader heeft Jezus, een God de moeite niet neemt om wijze en verstandigen tot zijn invloedrijke vrienden te maken… Nee, Hij doet zichzelf en zijn geheimen kennen aan kinderen, aan eenvoudige mensen. Zo heeft God het gewild. Een koning, een minister, een partijvoorzitter die zijn wijsheid en geheimen gaat vertellen aan eenvoudigen, in plaats van aan een paar invloedrijke mensen die mee op de realiteit kunnen wegen… Dat zouden we eerder begrijpen… Maar God doet anders. Naarmate we intreden in de dwaasheid van het geloof, naarmate we de omgang met God belangrijker achten dan de koude cijfers en bedenkingen uit de realiteit van de wereldlijke relaties… zullen we meer gaan begrijpen van God, van zijn manier van handelen, zijn manier van zaken naar hun waarde te schatten… Naarmate we intreden in het geloof, in de overgave en de leiding van God, des te meer en des te gemakkelijker zullen we inzien wat God voorheeft met de wereld en hoe Hij over mensen en dingen denkt… Als we Pasen echt meevierden kwam er meer vreugde om Jezus’ nabijheid. “Pinksteren” echt beleven brengt ons meer kracht om Jezus’ weg te gaan. Het geloof voerde ons binnen in het aandoenlijk geheim van de Eucharistie en het heilig Sacrament. En vorige vrijdag mochten we het Feest vieren van het heilig Hart van Jezus: “Zie het Hart dat de wereld zozeer bemint en dat zo weinig dankbaarheid ondervindt”. Ingaan op die geheimen van het geloof – met geloof, vertrouwen, liefde – brengt ons in nauwe relatie met God, met Jezus onze Heer en wij voelen ons meer voor-gelicht, geleid en gedreven door de heilige Geest. Het brengt ons meer samen met onze medechristenen en voert ons tot groter solidariteit met medemensen en met de hele schepping, Gods schepping. Laten we vandaag kleine stappen zetten in het gelovig vertrouwen, de Heer zal zich meer en dieper doen ervaren. Wijzen en verstandigen, hoogmoedigen en zelfgenoegzamen weerstaat Hij, maar Hij openbaart Zichzelf, zijn weg, zijn inzichten, de rijkdom en vreugde van zijn liefde aan eenvoudigen. Zo zong Maria in haar Magnificat: “Van vreugde juicht mijn geest om God, mijn redder, omdat Hij welwillend neerzag op de kleinheid van zijn dienstmeisje”. (Ben Van Vossel)Jaar
A Zondag 13 (26 juni 2011) De Heer op de eerste plaats Teksten uit de Liturgie: 2 Kon. 4,5-11.14-16a / Psalm 89 Uw gunsten, Heer, wil ik bezingen / Rom 6,3-4.8-9 / Mt 10,37-42We
horen het Jezus niet zo graag zeggen, maar als we erover nadenken, dan weten we
dat Hij dat moest zeggen. “Wie vader of moeder meer bemint dan Mij, is Mij
niet waardig…” Vader en moeder staan aan de oorsprong van ons leven. Zij
hebben ons ook heel wat vaardigheden meegegeven, heel wat goede eigenschappen en
misschien ook wel wat gebreken… We zijn hen heel dankbaar, wanneer ze zich als
echte ouders hebben gedragen… Maar eigenlijk weten we als christenen dat ons
leven uit Gods hand komt, en het leven van onze ouders en grootouders, en
alle leven. Wij geloven dat God – hoe dan ook – aan de oorsprong staat van
het leven en van alles… Ik geloof in God, de almachtige Vader, schepper van
hemel en aarde… Dat ligt daarin uitgedrukt, in eenvoudige woorden… En
dan beseffen we dat geen mens, hoe zorgzaam ze ons ook mogen behandeld hebben of
behandelen, uiteindelijk voor ons leven en onze toekomst kan instaan… Het
leven kan een mooi verhaal zijn, maar het is ook - dat ervaar je als je wat
ouder bent geworden - vrij vlug uitverteld… Veel te vlug, vinden we. En dan
staat daar Gods vaderhart dat ons onthalen wil. God is de enige die ons kan
zeggen: ‘leef!’ en ‘kom tot leven’ of ‘Treedt binnen in het Rijk van
uw Vader, want Ik was hongerig, en gij hebt mij te eten gegeven…’ God staat
uiteindelijk aan de oorsprong van ons leven, Hij heeft ons gewild en Hij kan ons
blijvend in stad houden, Hij alleen. En
als we in ons leven wat met Hem op weg gaan… Dan bloeit ons leven open. Dan
komt er vrede in ons hart. Dan slagen wij erin goede mensen te zijn. Dan slagen
wij erin - wellicht met vallen en opstaan - te beantwoorden aan zijn verlangen,
en te leven volgens wat Hij aan ons hart duidelijk maakt… Dat houdt dan ook in
dat wij God de voorrang gaan geven in ons leven, voor alles en allen… Bij
alles wat wij zeggen en doen zouden we moeten opkijken naar het gelaat van
Christus, naar het gelaat van de Vader, dat we zouden moeten luisteren naar wat
de Geest fluistert in ons hart… en dan spreken en handelen… Eerder dan naar
mensen te luisteren of naar onze eigen verlangens… Want
wie zijn leven vindt, zal het verliezen, zegt Jezus, en wie zijn leven verliest
om Mijnentwil, zal het vinden… Jezus,
zijn voorbeeld, zijn woorden, Gods verlangen, de inspraken van Gods Geest in ons
hart… dàt moet voor ons het belangrijkste zijn. Dan leven we stilaan als
christenen. Paulus zegt ons in zijn Romeinenbrief: “Door het doopsel in Jezus’ dood zijn wij met Hem begraven, opdat ook wij een nieuw leven zouden leiden zoals Christus…” Een nieuw leven! Als gedoopte mensen is het onze roeping om Jezus na te volgen. Zou Jezus dit doen? Zou Jezus dat doen? Zou Jezus zo spreken of anders, of zou Hij zwijgen? We noemen ons christen. Wel, laten we dan ook trachten te leven zoals Christus. En alstublieft, geen kleinmoedigheid! Niet zeggen: Ik kan dat niet!. Jezus heeft ons de Helper en Trooster belooft. Wij hebben gewoon maar voortdurend te bidden: “Kom, heilige Geest”. Hij is de nieuwe Kracht die Jezus ons wil geven om op Hem te gelijken, stilaan meer en meer. Het opgeven is gebrek aan vertrouwen. “Jezus, U die heeft beloofd 'Ik zend alwie vraagt en in Mij gelooft, mijn Geest: vuur dat door de wereld zal gaan.' Wij bieden U ons leven aan.” (B65) Jezus zegt: “Ik zendt tot al wie erom vraagt en wie in Mij gelooft mijn Geest”. En dat liedje eindigt met de woorden: “Wij bieden u ons leven aan!” Zie, dat is de voorwaarde, dàt is het fundament van het christelijk leven: ons leven aanbieden, maar ‘echt’ aanbieden aan de Heer. “Ik ben van U. Ik stel U op de eerste plaats in mijn leven. Ik wil mijn best doen om u te volgen”. En de Heer zendt zijn Geest, de Heer toont dat Hij ons nabij is en om ons geeft. Zoals de profeet die, gastvrij ontvangen door een gelovig echtpaar, hun belooft dat God hun kinderwens zal in vervulling laten gaan. Durven wij het aan om ons leven toe te vertrouwen aan de Heer? Hij zal ons nooit ontgoochelen. (Ben Van Vossel) Vervolg van Jaar A Zondag 21 (21/08/2011) Mt. 16,16-20 Wie ben Ik voor u? Je hebt even de tijd genomen om een persoonlijk antwoord te formuleren bij Jezus' vraag: Wie zegt Gij dat IK ben? of: Wie ben IK voor jou? Welke plaats ken je me toe in jouw leven? Petrus was omzeggens een leerling van het eerste uur. Zijn broer, Andreas, de Eerstgeroepene zoals de Orthodoxe christenen hem noemen, had hem bij Jezus gebracht. Sindsdien was hij praktisch altijd in Jezus nabijheid. Waarschijnlijk had Jezus zelfs een plaats gekregen in het grote huis van Petrus in Kafarnaüm. Petrus was trouw in zijn vriendschap met Jezus; hij was een enthousiast volgeling. En hij antwoordt op Jezus’ vraag. “Gij zijt de Gezalfde (=de Christus), de Zoon van de levende God.” Petrus zegt wat hij tot op dat moment begrepen heeft, namelijk, dat Jezus door God uitverkoren en gezonden is om het volk te redden. Hij heeft begrepen dat Jezus heel veel met God te maken heeft, God, die Jezus zijn Abba, zijn Vader noemt of ‘de Vader in de hemel’, of ‘uw hemelse Vader’. Jezus staat dicht bij God, zegt Petrus, Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God. Je hebt immers een massa goden waarvoor mensen (wij) zich buigen, waar ze zich druk om maken, waar ze tijd en geld aan besteden om ze in hun macht te krijgen… Petrus zegt klaar en duidelijk: Gij zijt de Zoon van de enige, de levende God… En Gij zijt gezonden als Redder. Gij zijt de Gezalfde, de Christus. We hoeven niemand anders meer te verwachten. In U geeft God het definitieve, het laatste antwoord op al onze vragen en problemen… In U heeft God heel zijn hart uitgesproken… al zijn dromen en wensen over de mens. Dat was het antwoord van Petrus. En nu het onze? Geen antwoord alleen met ons hoofd, zelfs niet alleen met ons hart, maar een antwoord waarbij we bereid om er ons leven voor te wagen, er ons leven voor in te zetten. Een antwoord waar we met ons leven achter staan… en waar we blijven achter staan “in goede en kwade dagen, in armoede en rijkdom, in ziekte en gezondheid, alle dagen van ons leven”… Je hebt het antwoord van Petrus. Je moet je antwoord hier niet uitschrijven, ik doe het hier ook niet. Maar Jezus, de Heer, verwacht nu wel een antwoord van jou en van mij. “Maar Gij, sprak Hij tot hen, wie zegt gij dat Ik ben?” (Ben Van Vossel) Hoogfeest
H. Drieëenheid (19 juni 2011) God is Liefde Teksten
uit de Liturgie: Ex 34,4b-6.8-9 JHWH / Dan.3,53.54.55.56 U komt de lof toe in
alle eeuwen / 2 Kor. 13,11-13 De genade van OHJX … / Joh. 3,16-18 Zo lief
heeft God de wereld De
liturgie van dit Hoogfeest van de H.Drievuldigheid laat ons iets van God
aanvoelen, van zijn wezen en werken. Je kan God natuurlijk niet omvatten, Hem in
schema brengen. Een driehoek verwijst ons enkel naar wat Hij ons over zijn wezen
heeft geopenbaard, maar dat ‘weten’ op zich betekent nog niet dat je God
kent, liefhebt, dat je aanvoelt wat Hij of wie Hij is en wat Hij voor ju en de
wereld en de schepping betekent… ‘De schepping is vol van zijn
heerlijkheid’, zingt een psalm, en die heerlijkheid, die doxa of gloria zoals
het Grieks en Latijn het noemen, die heerlijkheid van God is een overvloed van
liefde en pracht: prachtige liefde, liefdevolle pracht. God is
Liefde, zingt Johannes in zijn eerste brief. En het Nieuw Testament vertelt ons
iets over het wezen van God. We vernemen hoe Gods Geest dat grote bewerkt dat
Gods Woord, Gods Zoon mens wordt in de schoot van de Maagd Maria, we horen Jezus
spreken over de Vader, mijn God en uw God, zijn Abba, en we horen hoe Hij de
Geest beloofd aan zijn volgelingen. We beleven het Pinsterfeest mee waar Gods
Geest dan over de leerlingen van Jezus komt en hoe Hij die jonge Kerk begint te
leiden en de volgelingen van Jezus kracht en vrijmoedigheid geeft om te getuigen
van de verrezen Heer. Paulus schrijft dat niemand kan zeggen ‘Jezus is de
Heer’ tenzij door de heilige Geest. En in de tweede lezing voegt Hij de Drie
samen in een ons welbekende zin: De Genade van de Heer Jezus Christus, de liefde
van God en de Gemeenschap van de heilige Geest zij met u. Ook in
het evangelie komen zo van die korte zinnen voor waarin de Drie naast elkaar
gezet worden, zoals bij het doopsel van Jezus in de Jordaan, waar de H. Geest
over Hem komt en waar de stem uit de hoge klinkt: dit is mijn Zoon, de
welbeminde, luistert naar Hem. De Vader, de Zoon en de heilige Geest. Eén God,
drie personen. Aan dat
eerste: de ene God houden wij als christenen vast, samen met Joden en Moslims.
Er kunnen immers geen twee goden zijn, want de macht van de een zou beperkt
worden door die van de ander, wat ondenkbaar is, dat zouden geen echte goden
zijn. Maar als christenen hebben wij gelovig ook dat andere punt aanvaard: de
Gemeenschap van personen in de ene God, van alle eeuwigheid. Is dit
belangrijk? Is het belangrijk dat te geloven? Jezus heeft het ons geopenbaard:
Ik en de Vader, wij zijn één. En stilaan hebben wij begrepen hoe vader en Zoon
zo naar elkaar toegewend zijn binnen het mysterie van de Drie-ëne God dat ze
inderdaad volmaakt één zijn, en die liefde tussen hen is ook zo oneindig dat
het een persoon is: de heilige Geest. Daarom
is God zelf liefde, niet enkel in wat Hij doet naar buiten toe: de schepping, de
redding, de zending van de heilige Geest, maar Hij is ook liefde in zichzelf. Er is
nog dit mooi aan dat wij naar Gods beeld zijn geschapen, maar bovendien dat Hij
ons wil opnemen in de liefdesrelatie in zichzelf. Een Russische schilder heeft
dat mooi uitgebeeld in de Drievuldigheidsicoon, de monnik Roeblev. Hij heeft
drie figuren afgebeeld die sterk op elkaar gelijken, de Vader met achter zich
het huis van de hemel, de Zoon met achter zich de boom van het leven, de Geest
met achter zich een soort van zichtbare windvlaag. Maar tussen hen staat een
kleine tafel, en vooraan is er plaats, is er plaats voor ons. Ieder van ons
wordt uitgenodigd om in te treden in die liefdesgemeenschap. Wij mogen ons
bewust worden dt we kind zijn van de Vader, dat wij gered zijn door Jezus, Gods
Zoon en dat wij bezield worden door de heilige Geest om zoals God liefdebekwaam
te zijn en positief toegewend naar God en onze medemensen. Vandaag
mogen we God bezingen en danken, Hij die liefde is, die dé Liefde is; die ons
zijn kinderen noemt en die ons wil bezielen door zijn Geest om iets van zijn
liefe tastbaar te maken voor de mensen om ons heen en mensen veraf. Gods Geest
die we vorige zondag hebben gevierd, moge ons bezielen opdat mensen ook doorheen
ons iets van Gods wezen kunnen ontmoeten. (Ben Van Vossel) 7de
Paaszondag (5 juni 2011) Volharden ondanks hoon Teksten
uit de Liturgie: Hand. 1,12-14 Eensgezind volharden /
Psalm 27 Ik reken er op nog tijdens mijn
leven de weldaden van de Heer te ervaren. Alleluja / 1 Petrus 4,13-16 God
eren ook in het lijden / Joh.17,1-11a Zij hebben de (blijde) Boodschap
aangenomen / In
de krant van vandaag is er een Brugse schepen die vindt dat de kerk zich nog wat
gedeisd moet houden, nog geen processie – zoals de Bloedprocessie te Brugge
– zou moeten organiseren: eerst moet de kerk de slachtoffers van misbruik (door
wat nu oude en soms reeds overleden priesters of religieuzen zijn) vergoeden, de
kerk moet haar eer hervinden en dan over enige jaren mag ze opnieuw in het
openbaar optreden... Alsof de kerk samenvalt met het misbruik van enige perverse
personen die tot die kerk behoorden of behoren. Is de kerkgemeenschap zich
ondertussen niet blijven inzetten voor allerlei noden van mensen op parochies,
in klinieken, in psychiatrische instellingen, in ziekenzorg, in allerlei
caritatieve en sociale acties. Het is niet omdat mevrouw de schepen dit niet
wenst te zien, dat ze deze blindheid zo moet uitstallen. Petrus vermaant ons in
de tweede lezing van vandaag dat we ons gelukkig mogen prijzen als men ons hoont
"om de naam van Christus". "Het is een teken dat de Geest der
heerlijkheid, die de Geest van God is op u rust". Natuurlijk zegt hij er
nadrukkelijk bij dat we ervoor moeten zorgen dat niemand van ons te lijden heeft
als boosdoener… "Maar wie als christen lijdt, moet zich niet schamen,
maar God eren" dat hij christen is. Wij gaan ons niet beroemen op personen
in de kerk die zwaar tekort kwamen uit egoïsme of ziekelijke perversie. Nog
maar eens benadrukken dat het kindermisbruik door kerkmensen slechts 0,1 procent
bedraagt van alle kindermisbruik. Dit is evenwel al erg genoeg en de
kerkgemeenschap zal daar haar morele verantwoordelijkheid voor moeten dragen.
Maar het kindermisbruik is op de eerste plaats een tekortschieten van de
samenleving in het verleden, met zijn allen hebben wij – niet enkel de
kerkgemeenschap – ons te weinig de omvang van de kwaal gerealiseerd en de
gevolgen ervan voor de slachtoffers. De
uitval van die schepen zal niet de laatste schoffering van de kerk zijn. Als
christen moeten wij ons realiseren dat kerkmensen inderdaad ernstig in de fout
gegaan zijn, maar wij hoeven nog niet terug naar de catacomben te gaan. De
verwijten en uitgesproken vijandschap tegenover christenen moeten christenen er
niet van weerhouden zich met bezieling verder aan hun taak te wijden en blij te
getuigen van hun geloof in de Heer Jezus Christus, in de kracht van zijn heilig
Bloed dat ons gezuiverd heeft en in de inspirerende kracht van zijn Woord. De
verheerlijkte Heer laat zijn mensen niet alleen achter. En zijn leerlingen
moeten in het samenzijn rond de Heer telkens weer nieuwe bezieling en kracht
opdoen om in het huidige negatieve klimaat hun roeping te beleven en hun zending
te vervullen. (Ben Van Vossel)
IK laat u niet verweesd achter Lezing 1 Handelingen
8,5-8,14-17 ... zij ontvingen de heilige
Geest / tsszang
Ps 66 Jubelt voor God, alle landen der aarde / 1
Petr. 3,15-18 rekenschap geven van de hoop die in u leeft /
Joh. 14,15-21 Een
andere Helper beloofd Dit
is een evangelie dat rust geeft, bemoedigt, maar tegelijk is er een aspect aan
dat juist verontrust, omdat er zo de nadruk ligt op de ‘niet verontrust
zijn’. Dat was namelijk het beginwoord van het evangelie vorige zondag. Laat
uw hart niet verontrust worden. Vandaag klinkt het: Ik zal u niet verweesd
achterlaten. Hoezo? Zijn we dan ergens wezen, is er enige reden om ons verweesd
te voelen, zijn we soms in de vreemde, zijn we soms niet thuis? Moeten wij ons
onveilig voelen in deze wereld? In
zekere zin is dat zeker zo. ver Jezus schrijft Johannes: “Hij was in de
wereld; de wereld was door Hem geworden, en toch erkende de wereld Hem niet. Hij
kwam in het zijne, maar de zijnen aanvaardden Hem niet.” (1,10-11)
En Jezus zei zelf: “Als de wereld u haat, bedenkt dan dat zij Mij
eerder heeft gehaat dan u. Als gij van de wereld zoudt zijn, zou de wereld
liefhebben wat haar toebehoort. Daar gij echter niet van de wereld zijt, maar Ik
u uit de wereld heb uitgekozen, daarom haat de wereld u. Herinnert u wat Ik
gezegd heb: een dienaar staat niet boven zijn heer. Als ze Mij vervolgd hebben,
zullen ze ook u vervolgen.” (Joh.15,18-20) Dat
is nu het boeiende van volgeling van Jezus te zijn: je bent in de wereld,
helemaal, daar leef je, daar werk je, daar heb je lief en wordt je bemind...
Maar tegelijk leef je vanuit een andere werkelijkheid, die het louter
stoffelijke overstijgt. Je bent in de wereld, maar je behoort tot Gods Rijk, je
leeft vanuit een diepere realiteit, je werkt niet enkel in opdracht van je
aardse oversten, aan een aardse opdracht... Je wordt door God gezonden om in de
wereld je taak te vervullen, en je diepste geborgenheid is je geborgenheid in
God... Dan
wordt veel duidelijk van wat Jezus hier zegt. Je leeft in de wereld, maar de
wereldse mens is zo bezig met wereldse handel en wandel die vaak niet veel te
maken heeft met Gods verlangen. Dan gebeurt het volgende: ofwel ga je helemaal
mee met die wereldse manier van denken en doen, ofwel wordt je bekeken en soms
negatief behandeld omdat je het opgaan in het aardse blijkbaar net iets te min
vindt. En dat wodt niet verdragen... Toch
vraagt Jezus een consequente houding. Wij moeten leven vanuit hetgeeen Hij ons
voorschreef en voorleefde: dat noemt Hij zijn geboden. “Als gij Mij liefhebt,
zult ge mijn geboden onderhouden”... De Vader zal U liefhebben en zal u de
andere helper geven, de heilige Geest. Het
is prachtig hoe in de die enkele woorden wij mee opgenomen worden in het
goddelijk leven van de Vader, de Zoon en de heilige Geest... Terwijl
we ondertussen volop in de wereld leven, waar we ons kunnen thuisvoelen terwijl
toch onderweg zijn naar onze echte thuis, en waar we ons vaak ook als vreemden
voelen omdat we het broze van alles doorzien, het betrekkelijke en
voorbijgaande... en waar we ook wel eens belachelijk gemaakt worden en zelfs
vervolgd... is het zinvol dat Jezus ons duidelijk zegt: Ik zal u niet verweesd
achterlaten... Wij
mogen Hem nabij weten. Wij wéten Hem nabij, en des te meer naarmate we ons meer
op Hem richten, Hem ontmoeten in gebed en Eucharistieviering, in contact met
zijn Woord en in de dienst aan mensen in nood... Wij zullen zijn kracht
ondervinden, de kracht van de heilige Geest, die je niet ziet maar die je
ervaart... We
mogen Jezus’ woord geloven: “Wie mijn geboden ondehoudt, die hij heeft
ontvangen, hij is het die Mij liefheeft. En wie Mij liefheeft, zal door mijn
Vader gemind worden; ook Ik zal hem beminnen en zal Mij aan hem openbaren.”
Midden in het leven, op weg met de Heer, geborgen in Hem, in om het even welke
omstandigheid... (Ben Van Vossel) 5de
Paaszondag (22 mei 2011) Laat uw hart niet verontrust worden Lezing 1 Hand 6,1-7 Aanstelling diakens / Tussenzang Ps.33 (32) 1-2. 4-5. 18-19 Geef ons, Heer, uw barmhartigheid, zoals wij op U vertrouwen / Lezing 2 1P 2,4-9 Priesterschap van de gelovigen. Christus de Hoeksteen / Evangelie Joh 14,1-12 Christus, de Weg naar het echte Leven Ik hoop dat de vreugde van Pasen nog wat in u leeft! Niet veel meer van over? Teveel zorgen? Profiteer dan van de genade van vandaag. De verrezen Heer Jezus is bij u op dit eigenste ogenblik, zoals bij al zijn leerlingen, en Hij zegt u vandaag “Laat uw hart niet verontrust worden”. Het zijn de eerste woorden van de evangelielezing. Laat de genade van die woorden rustig tot u komen. Begin niet met allerlei bedenkingen te maken alsof het woorden zijn die buiten uw leven staan. Jezus staat niet buiten uw leven, als gij Hem binnenlaat. Laat zijn vrede in uw hart binnen. Hij zegt u: Laat uw hart niet verontrust worden… Je moet maar eens terugdenken aan die eerste volgelingen van Jezus, die stilaan hun weg moesten zoeken, zonder dat Jezus zichtbaar in hun midden was. Zij moeten zich toch ook als wezen gevoeld hebben: “En wij hadden nochtans gehoopt dat Hij degene zou zijn die Israël ging verlossen!”, zo zuchten de twee leerlingen van Emmaüs en Jezus laat hen ondervinden dat Hij naast hen gaat. Wel, zo heeft die eerste kerkgemeenschap ook moeten zoeken, luisterend naar de heilige Geest, hoe het allemaal verder moest. Gods woord uit de Schrift doet ons zoveel wegwijzers aan de hand die ons tonen welke weg we moeten gaan. de tweede lezing van vandaag komt uit de eerste brief van Petrus, een echte Paasbrief. We hebben allemaal zo’n beetje ons doopsel herdacht en onze doopbeloften vernieuwd op Pasen. Wel zegt Petrus, laat uzelf nu als een levende steen invoegen in de bouw van de geestelijke tempel. Sedert Jezus’ overwinning op zonde en dood, delen wij allen door ons heilig doopsel in zijn priesterlijke opdracht. Samen zijn wij een geestelijke tempel waarbinnen God geëerd wordt: Draag als een heilige priesterschap geestelijke offers op, die welgevallig zijn aan God door Jezus Christus. Die geestelijke offers, dat is ons hele leven: dat is ons gebed, onze pogingen om goed te zijn voormensen, onze keuzen voor het goede in plaats van voor het kwaad of het halfslachtige, onze inspanningen om mee te bouwen aan een betere wereld van solidariteit, vriendelijkheid, dienstbaarheid, met uitschakeling van afgunst, louter winstbejag, hardheid, negatieve gedachten over alles en iedereen… Heel ons leven wordt, in vereniging met Christus, een geestelijke offergave aan God… Een koninklijk priesterschap zijn wij. Ook geroepen tot die tweede opdracht: om de roemruchte dagen te verkondigen van Hem die u uit de duisternis heeft geroepen tot zijn wonderbaar licht. Als Gods eigen volk moeten wij spreken van wat Hij gedaan heeft en wat Hij voor mensen wil zijn. God is liefde. Hij houdt van elk mens. Hij heeft ons in Jezus de weg getoond naar het echte geluk. Hij belooft u niet het grote lot van de Euromillions, Hij maakt niet zoveel lawaai als de BV’s, maar wie met Hem op weg gaat, op elk moment met Hem op weg gaat, die mag wel de diepe vrede ervaren, de diepe vreugde, die Hij alleen ons schenkt. Jezus is die kostbare steen waarop wij kunnen rusten, stevig, midden de drukte van het leven, midden het rumoer en de negativiteit, midden de kleinering van de kerk en het geloof… “Ik leg in Sion een steen, een uitverkoren, kostbare hoeksteen. En wie op Hem vertrouwt, zal niet worden teleurgesteld”. Laten we op weg gaan met de Heer Jezus, de verrezen Heer naast ons en zien we naar Hem op om te weten hoe wij moeten leven, hoe wij kunnen bidden, hoe wij van Gods liefde kunnen getuigen. In de aanloop naar Pinksteren weten wij dat Gods heilige Geest ons daarbij zal helpen. (Ben Van Vossel) 3de
Paaszondag (8 mei 2011) Toen gingen hun de ogen open en ze herkenden Hem Hand.
2,14.22-28 / Psalm 16, 1-2a en 5, 7-8, 9-10, 11 Wijs ons, Heer, de weg van het
leven. (of: Alleluja) / We
kennen het Emmaüsverhaal: die twee wat ontmoedigde volgelingen van Jezus die
Hem onderweg ontmoeten, diep inzicht krijgen in de Bijbel ...tot ze Hem erkennen
bij het breken van het brood.. “Brandde ons hart niet in ons zoals Hij
onderweg tot ons sprak en ons de Schriften ontsloot!” In dit verhaal treft me vooral het feit dat ze Jezus niet herkenden wanneer Hij zich bij hen aansluit. En op het eind van het verhaal: Nu gingen hun ogen open en zij herkenden Hem, maar Hij verdween uit hun gezicht… Bijbelgeleerden
zullen bij dit verhaal wel allerlei geleerde uitlegjes voor hebben, maar wat
betekent dit verhaal, deze
gebeurtenis van toen, wat betekent die nu voor ons? Ondertussen klinken in mijn
hoofd de woorden van die blinde, die op Jezus’ vraag: ‘Wat kan Ik voor u
doen?’ gewoon het voor de hand liggend antwoord geeft: Maak dat ik zien kan! En vandaag dan horen we over die twee leerlingen dat hun ogen werden verhinderd Hem te herkennen. Dat is overigens niet zo uitzonderlijk in de Paasverhalen, waarin verhaald wordt hoe mensen het moeilijk hebben om de Verrezene te herkennen. Maar daarover willen we het dus nu niet hebben. Waar we het wel over willen hebben is het feit dat ook wij, om tot geloof te komen en om als gelovige te leven in relatie tot de levende God, wij Hem ook moeten weten te herkennen, zijn aanwezigheid en zijn werking moeten leren zien. God wil ons ontmoeten, waarom hebben wij het zo moeilijk om Hem te ontmoeten? Sint Paulus heeft daar al sterke woorden over in zijn Romeinenbrief: “Want wat een mens van God kan weten, is in feite onder hen bekend; God zelf heeft het hun geopenbaard. Van de schepping der wereld af wordt zijn onzichtbaar wezen door de rede in zijn werken aanschouwd, zijn eeuwige macht namelijk en zijn godheid.” (ROM.1,19-20) Paulus zegt dus dat een mens normaal ogen heeft om het grootse en schone van de schepping te zien en daaruit moet weten te besluiten dat dit toch allemaal niet zomaar tot stand komt maar dat er ergens een ordenend beginsel aan de oorsprong moet liggen dat de mens overstijgt. Men heeft ons eraan gewoon gemaakt om het heelal als een machientje te beschouwen, een Big Bang en een hoop chemische processen zodat het ons moeilijk wordt gemaakt om er ook nog Gods gelaat achter te zien: een persoonlijke Schepper die dat alles mogelijk heeft gemaakt, heel dat evoluerend heelal. Juist in dat ontzaglijk grote en tegelijk zo ingewikkeld kleine openbaart zich Gods eeuwige macht en godheid. Misschien zijn we niet genoeg wetenschapper, of eerder, misschien zijn we te weinig dichters, te weinig bewonderaars van de ongelooflijk grote en mooie natuur, dat we te weinig tot herkenning komen van God, als oorsprong van dat alles. Franciscus in zijn Zonnelied, bezingt de zon, haar warmte, haar klaarheid, en dan zegt hij aan God: … van U, Allerhoogste, is zij een afstraling, een teken, een verwijzing… Maar misschien komen we nog te weinig in contact met de echte natuur, misschien zijn we te weinig stil… En wat heel zeker is: we bidden te weinig, en we overwegen te weinig Gods Woord… Als we wat trouwer waren aan het gebed, als we wat meer vertrouwder waren met Gods Woord, dan zal het gebeuren dat we tijdens onze fietstocht, tijdens ons ‘even een luchtje scheppen in de tuin of in het park’, dat we de Heer nabij gaan voelen, dat er een warmte komt rond ons hart, omdat Hij een woord spreekt, een woord van liefde en totale aandacht voor mij, zijn schepsel, zijn kind. Dat moet ik in mijn hart bewaren, en daar kan ik dan wellicht ook van getuigen, aan iemand die ook op weg is met de Heer en uit mijn gedrag moet het ook blijken naar anderen toe, dat Hij mijn hart aangeraakt heeft en me inzicht gaf, of bemoedigde. Als ik Hem dan opnieuw ontmoet in de Eucharistie, in het gezamenlijk gebed op de parochie of de gebedsgroep, dan zal ik me meer dan tevoren ervan bewust zijn dat Hij er is, dat Hij verrezen is en bij ons blijft. (Ben Van Vossel) 2de
Paaszondag (1 mei 2011) De Diepe Vreugde van de Christen Hand
2,42-47 / Psalm 118 Breng dan aan de Heer, eindeloos is zijn erbarmen / Rare
mensen die eerste christenen. Of eigenlijk heel normaal. Ook in onze tijd zijn
er nogal wat mensen die zich wat aaneen sluiten rond bepaalde opinies of een
gemeenschappelijk aanvoelen of gewoon als een alternatief voor het wegvallen van
de grote familie, en anderzijds dat samenkomen met grote groepen van de
samenleving, denk aan de sportevenementen zoals voetbal, tennis, grote wielerwedstrijden…
De eerste christenen kwamen afzonderlijk samen om groep te vormen rond de
overtuiging dat Jezus verrezen was en dat zijn levensoffer een beslissend teken
was dat God door Hem de mens heeft aanvaard; alleen in Jezus i nu het echte heil
te vinden voor de mens. Anderzijds
sloten de christenen zich toch niet helemaal af van de samenleving. Zij bleven
samenkomen in de tempel, zoals de andere Joodse mensen, zij liepen in de stad
zoals de andere mensen; alleen godsdienstafbrekende inrichtingen meden ze. In
feite waren ze gewone, opgewekte maar ook ernstige mensen, een voorbeeld voor de
samenleving. Over
die vreugde moeten we hier wel iets zeggen. Omdat ze zo kenmerkend was voor de
christenen. Niet die oppervlakkige vreugde, die op kunstmatige wijze wordt
opgeklopt door egoïstische genotzoekerij, humoristen die van alles uit hun
broekzak schudden en vaak inspelen op de lagere instincten van de mens… De
vreugde die de christenen hadden kado gekregen, had direct met hun geloof te
maken. Een heiden heeft zich laten wijsmaken of maakt zichzelf wijs dat met de
dood alles gedaan is. Hij moet dus uit het leven alles puren dat maar enigszins
vreugde kan verschaffen. Vaak is dat dan zeer oppervlakkig genot en is het
‘nooit genoeg’ en ‘telkens wat anders’. Soms trachten ze zich wijs te
maken dat het toch zinvol is om op een humane wijze je eigen geluk te zoeken
zonder dat van een ander te schaden, en sommige werken bewust mee aan het geluk
van anderen. Het geloof geeft aan de christen de zekerheid dat God ons niet als
een eendagsvlieg laat vallen bij onze dood, met andere woorden, dat ons leven nu
eeuwigheidswaarde heeft. Die zekerheid ontvangen we vanuit het geloof dat God
Jezus niet aan zijn lot heeft overgelaten, maar Hem heeft doen opstaan. Dat
Jezus bron van eeuwig heil is voor allen die Hij onder zijn hoede neemt, allen
die bij Hem aansluiten. Dat is dan
ook de eerste grote stap in het christelijk geloof: Jezus leeft! God heeft Hem
doen opstaan uit het graf! Een tweede grote stap is Jezus erkennen als Messias,
Redder en als Zoon van de levende God. De weg van het kruis, van zijn ondergang,
zien als een teken van Gods onbegrensde liefde, “die ons zozeer heeft
liefgehad dat Hij zijn enige Zoon heeft gegeven, niet om de wereld te oordelen
maar om de wereld te redden”. “Mijn Heer en mijn God”, zegt Thomas
gelovig, terwijl Hij in de verrezen Heer de gekruisigde herkent. Bidden
wij om datzelfde geloof en vragen wij de genade om vanuit dat geloof te leven,
dat ons de diepe vreugde geeft van in Gods liefde geborgen te zijn, in alle
omstandigheden, dat wijd e verrezen Heer nabij mogen weten en met Hem kunnen
praten over alles wat in ons hart leeft, over alles wat we doormaken of van plan
zijn. Wat een vreugde: op weg te zijn met de verrezen Heer in de stilte van het
persoonlijk gebed, in het samenkomen met de gelovige gemeenschap en midden de
drukte van de samenleving. Een christen kan nergens komen waar God niet is. (Ben
Van Vossel) Stille Zaterdag 23 april 2011 Stille hoop Deze
avond gaan we vieren. Uitbundig vieren. Christus is verrezen! Hij overwon de
dood, en de zonde, en alles wat de mens kapotmaakt. En dat is op de eerste
plaats … de zonde. Maar dat is voor vanavond. Nu is het nog stil. Muisstil. En
daarr is reden voor. Hij ligt in het graf. Doodgebloed aan het kruis en nu, met
vastgebonden handen en voeten en een strik onder zijn kin om zijn mond dicht te
houden, zo ligt hij in zijn lijkwade. Geen woord meer. Enkel nog wat geroezemoes
in de stad. Bij zijn familie en vrienden totale verbijstering. Een dodelijke
slag op al hun verwachtingen. Stille zaterdag. Vreugdeloze sjabbat. Stilte.
Enkel onderbroken door een snik, of een kort woord over het gebeurde. En dan
weer stilte. Het
is moeilijk om uit een graf op te staan. En weer tot leven te komen. Al die
ontelbare geaborteerde kinderen hebben nooit een woord in het midden kunnen
brengen. De onderdrukte massa’s in Lybië, Egypte, Tunesië, Yemen,
decennialang monddood gemaakt of verdoofd door leiders die vooral zichzlf
dienden. Die massa’s zijn in beweging gekomen. De moedigsten hebben het niet
overleefd. Soms heeft hun offer toch resultaat gehad. Hun zwijgen leidt hopelijk
tot grotere vrijheid voor de achtergeblevenen. Zou uit de stilte toch leven
kunnen ontstaan? Stille
zaterdag. In de doodse stilte van het kindermisbruik is een bom ontploft. Eerst
was het maar een voetzoeker, een bommetje dat alleen maar rookte zonder veel
lawaai te maken. Maar nu is het gebeurd. Er is te lang gezwegen door de
slachtoffers, maar wie - vertrouwd met het eigene van pedofilie - kan het hun
kwalijk nemen? De stilte van vandaag wil ons doen groeien in de solidariteit met
hun jaren en jarenlang pijnlijk zwijgen en lijden van de slachtoffers… Stille
zaterdag… Je
voelt je van God en de mensen verlaten. In de steek gelaten. Naamloos alleen. Je
niet meer kunnen bewegen. Doen alsof je leeft, maar je bent in feite al dood. Dàt
gevoel! En
alle slachtoffers van misbruik, en bedrogen echtgenoten, kinderen in gebroken
gezinnen, ouders van verslaafden, ongehuwde moeders… Stilte. Moeten zwijgen.
Niet weten aan wie je er over kunt spreken. Wie kan je vertrouwen? Wie kan me
nog helpen? Wie kan je ècht helpen? Wie meent het echt goed met je? Wie wijst
je de juiste weg uit het graf? Op
Stille Zaterdag zitten we voor het graf van een dode man. Nog ligt er een zware
steen voor dat graf gerold. Kan Hij solidair zijn met uw leed? Een dode. Een
grote mislukkeling die enkel op nog wat piëteit kon rekenen van enige intimi. Ik
kreeg gisteren een telefoontje: of ik eens wou bidden voor haar broer met die
ziekte en die pijn, en voor haar dochter die ook veel pijn had, en voor haar
nichtje die zich niet over het verlies van haar baby kan zetten, en voor een
kapotte waterleiding dat dat toch zou hersteld geraken over een paar dagen…
Een kleine echo van wereldwijd lijden op onze kleine planeet. Soms kan je er
iets aan doen. Maar zij vroeg me om er voor te bidden. Haar miserie en die van
verwanten naar Hem te brengen die gisteren aan het kruis hing en vandaag in het
graf ligt. Want vandaag is het Stille zaterdag. Met
vertrouwen ga ik tot Hem. Met dankbaarheid om wat Hij is doorgegaan, wat Hij
heeft doorstaan. Ik zit wat bij zijn graf. Met het beetje liefde dat Hij in mijn
hart heeft gelegd. En tussendoor vertel ik Hem over die vrouw, haar broer, haar
dochter, het nichtje en over zoveel stilte, zoveel stil lijden over de hele
wereld. Want
… morgen is het de eerste dag, de zondag,, morgen bloeit Pasen open en weet ik
dat deze dode alles heeft overwonnen en dat Hij ook in hopeloze situaties een
zaadje van hoop weet te leggen dat ook ooit zal openbloeien en dat ons de kracht
geeft om door te gaan, om door te leven en te blijven geloven in Gods liefde die
sterker is dan de dood en dan alle dodende krachten die mensen het zwijgen
opleggen… Maar
vandaag is het nog Stille Zaterdag. Volledig stilte, maar met een kleine kiem
van hoop. Ben
Van Vossel Jaar A Vasten Zondag 5 (10 april 2011) Sta op. Kom tot leven. Word vrij Lezingen
uit de zondagsliturgie:
Jaar A Zondag 5 van de Veertigdagentijd: Ez. 37,12-14 graven geopend / Ps. 130, 1-2, 3-4ab, 4c-6, 7-8 De Heer is
steeds barmhartig, zijn genade onbeperkt / Rom.
8,8-11 Ook uw sterfelijk lichaam eenmaal opgewekt door de kracht van zijn
Geest / Joh. 11,1-45 Lazarus opgewekt “Ik ga uw graven openen; in massa’s zal Ik u uit uw graven
wegvoeren”… lezen we bij de profeet Ezekiël. Het was een woord tot de Israëlieten:
de belofte van God dat Hij hen zou terugvoeren naar het Beloofde Land.
“In massa’s zal ik u uit uw graven terugvoeren.” Ik zie het ook als
een belofte aan de Kerk van vandaag. Ik ga uw graven openen. Want hoeveel
schoons er in de kerk ook is, we kunnen niet ontkennen dat we ook op heel wat
lelijks zijn gestoten het voorbije jaar en als gevolg daarvan – zo las ik –
zijn een paar honderdduizend mensen uit de kerk gestapt in Duitsland en
Nederland…. Het gevolg van wangedrag van geestelijken … maar ook het gevolg van de
oppervlakkigheid waarmee mensen geloven. Het is immers niet omdat een
medechristen en zelfs een priester zich misdraagt, dat ik mijn geloof en de
kerkgemeenschap opzij schuif. Laten we daarom toch maar luisteren naar het Goede Nieuws over die
graven die geopend worden en mensen die tot leven komen.
Hoewel… Terwijl we, in onze opgang naar Pasen toe, geregeld woorden
horen over opstanding, verrijzenis, levend water, licht, nieuw leven en we het
Blijde Nieuws horen dat God ons nabij blijft en ons wil ophelpen… dan weten we
toch ook hoe nodig wij het hebben dat de Heer zijn Geest over ons uitstort opdat
we tot nieuw en echt leven zouden kunnen komen, opdat we zouden kunnen opstaan
en op weg gaan als “kinderen van het licht”. Dat is zo voor de Kerkgemeenschap en dat is zo ook voor ieder van ons
persoonlijk. De Geest van God opent onze oren en ons hart voor het Woord van
Jezus die zegt: “Kom naar buiten, kom uit je graf”. We zullen dat woord
echter niet horen als we ons hart al niet openstellen voor Jezus, als we zo dom
zijn maar voort te hollen in het leven zonder in te treden in een persoonlijke
relatie met Hem. Hij gaat nochtans naast jou, naast jou doorheen het leven… En
wij ondertussen maar gewichtig doen, of volledig opgaan in onze aspiraties of
zelfs onze hobby’s, onze liefdes en onze haatgevoelens… Nochtans is Hij onze
Herder, die ons van alles wil voorzien. Vorige zondag opende Hij de ogen van de blindgeborene. En wij zien niet,
willen niet zien hoe Hij met ons meegaat, de grote Herder van de schapen. Hij nodigt u uit, nu reeds, nog weken voor Pasen, om op te staan, om
naar het Licht te komen. Om zaken recht te zetten in je leven – met Zijn
kracht, onder Zijn aanmoediging – om wat overbodig vet af te stoten, om
wat tijd vrij te maken voor Hem, om aandacht te hebben voor noden van mensen om
je heen en veraf. “Maak hem los zodat hij kan gaan”. Jezus wil dat we vrijkomen, vrije
mensen worden, geen slaven van zelfzucht, geen slaven van genotzucht, van
teevee, slaven van wat een aantal politici of mediafiguren beweren en al of niet
voorleven. We worden integendeel opgeroepen om vrije mensen te worden, naar het
voorbeeld van Jezus zelf. Bidden we dan met de kerkgemeenschap tot God om zijn Geest, “zodat we
in de wisselvalligheden van het leven steeds bereid blijven uw wil te
volbrengen”. Daarin vinden we de echte ontplooiing van ons leven, weg uit de
schijn, weg uit het graf, naar het licht, naar het echte leven in Jezus, onze
Heer, die het pad voor ons effende door zijn doortocht door lijden en dood naar
de verrijzenis. Zijn Pasen wordt ook ons Pasen. (Ben Van Vossel)
Jaar A Vasten Zondag 4 (3 april 2011) Komt tot het Licht. Leef in het licht Lezingen
uit de zondagsliturgie:
Jaar A Zondag 4 van de Veertigdagentijd (3/04/2011):
1 Sam.16,6-7.10-13a een mens kijkt naar het
uiterlijk, maar de Heer naar het hart / Psalm 23 De Heer is mijn heder, niets
kom ik tekort / Ef.5,8-14 Leef als kinderen van het licht / Johannes 9,1-41 (de
blindgeborene: ik geloof, Heer) Kunnen
zien. Wij realiseren ons meestal niet de waarde van het "kunnen zien". Je zou
kunnen denken, iemand die blindgeboren is, die trekt zijn plan wel stilaan in
zijn/haar vertrouwde omgeving, misschien lijdt die niet zo erg onder zijn/haar handicap. Maar
dan luisteren we toch niet goed naar wat een blinde eens aan Jezus zei toen deze
hem vroeg wat verlangt ge? Het kwam er bijna uit als een schreeuw: “Heer, maak dat
ik zien kan”. En we zien vandaag hoe dankbaar deze blindgeborene zich voor Jezus
neerwerpt, eens dat hij Hem heeft weergevonden. Kunnen
zien! Maar dit evangelie gaat ook en vooral over een andere manier van zien, een andere
wijze van blind zijn. De blindgeborene wordt genezen, Hij komt zelfs tot het volle licht als
hij zijn geloof in Jezus uitspreekt “Ik geloof, Heer.” De
echte blinden zijn hier de Farizeeën, die nochtans goede ogen hebben en
verstand genoeg, maar die niet kunnen
zien en aanvaarden dat Jezus de Redder is, de Messias, het Licht van de wereld. Ook
wij hebben die keuze tussen ziende worden of blind blijven. Het komt er op aan
dat we in het licht gaan leven dat ons reeds gegeven is en we mogen God vragen
om meer licht: "maak dat ik zien kan." Wij krijgen allemaal een beetje licht. Daar
moeten we van profiteren om een paar stappen te zetten, zover we kunnen zien;
en telkens een stapje verder met dat 'beetje licht' dat we krijgen. Met
dat 'beetje licht' bedoel ik hier de inzichten vanwege God, langsheen de heilige
Schrift, langsheen wat de kerk ons leert en wijze mensen, inzichten ook die God ons geeft in
ons hart, wanneer we bidden of aan Hem denken. Met dat beetje licht moet ik
vandaag op weg. Ik probeer in praktijk te brengen wat God me vandaag leert, het
inzicht dat Hij me op dit moment geeft. Wanneer
ik die kleine stappen zet, van moment tot moment, wanneer ik inga op Gods
uitnodigingen, dan ga ik stilaan meer licht zien, dan ga ik meer algemeen kunnen
onderscheiden wat goed is of verkeerd en wat God vindt over dit en dat. Paulus
schrijft dat zo mooi aan de christenen van Éfese: “Eens waart ge duisternis,
nu zijt gij licht door uw gemeenschap met de Heer. Leeft dan ook als kinderen
van het licht.” Hoe
sterker we verbonden zijn met de Heer Jezus, hoe vaker we in contact zijn met
Hem door het gebed, door de sacramenten..., des te duidelijker gaan we zien waar
Gods verlangen ligt, en des te gemakkelijker gaan we kiezen om voor het licht te
kiezen. We gaan aanvoelen wat niet zo goed is in publicaties en media, waar de
leugen en de duisternis zich mooi proberen voor te doen, wolven in
schapenvacht, onwaarheden en verkeerde keuzes omkleed met een vleugje
filantropie of misplaatst medelijden… Dat alles kan gebeuren. Telkens
opnieuw moeten wij onze keuzes en de keuzes van de samenleving naar het licht
van Jezus brengen. Paulus schrijft: “Tracht te ontdekken wat de Heer
behaagt.” Dat moeten we dan maar doen ook. Zeker nu we naar Pasen toeleven,
het Feest van het Licht. We moeten leven als wakkere mensen en ons niet in slaap
laten wiegen door onwaarheden, halve waarheden; wij moeten leven als radicale
en consequente christenen. “Ontwaak, slaper, sta op uit de dood en Christus’
licht als over u stralen.” Een liedje uit Paulus’ tijd, dat ook ons nog kan
wakker roepen tijdens onze tocht door het leven. Leef als kinderen van ht licht!
(Ben Van Vossel) Jaar A Vasten Zondag 3 (27 maart 2011) Tabor-momenten en het platteland Lezingen
uit de zondagsliturgie:
Jaar A Zondag 3 van de Veertigdagentijd (27/03/2011).
Gen. 12,1-4a / Ps 33,4-5,18-19, 20 en 22 Luistert heden naar mijn stam;
weest niet halsstarrig / 2 Tim. 1,8b-10 / Mt.17,1-9 Ik vermoed dat Jezus bij de gewone mensen in zijn tijd vooral gekend was
als de genezer, en – men hoorde dat toch vertellen – als een wonderdoener.
Als je gebrekkig bent, gehandicapt, als je met een ziekte zit die alle energie
uit je wegzuigt, als je kind, je zoontje of je dochtertje, ziek is en de ziekte
levensbedreigend wordt of als het kind blind is… en als er dan daar een man is,
een goede man die van God de gave heeft gekregen om genezing te brengen… dan
loop je daar toch naar toe zeker. We kennen allen wel enige evangelieverhalen
waar Jezus genezend optreedt… Mensen zijn toch vooral bezig met het eten dat enige keren per dag op
tafel moet komen, met de gezondheid, met het feit dat je een werk hebt en kunt
instaan voor jezelf en je huisgezin… In onze tijd zijn er een heel deel mensen
die daarbovenuit ook nog bezig zijn met geldbelegging in goud, in deposito's of
op de beurs, in huizen of kunst, je kan het niet gek genoeg bedenken… Jezus
geeft ook wel eens voorbeelden van mensen wier geld moet opbrengen… Hij was
niet zo wereldvreemd… Maar... Hij was toch vooral bezig met het alledaagse bestaan van de gewone mens.
Vandaag zit Hij, vermoeid van een lange voettocht, te rusten bij een put, een
bron. De Joodse voorvader, Jacob, had daar zijn mensen en zijn kudde nog naartoe
geleid om ze te drinken te geven… Wel, hier zit Jezus te rusten, maar
eigenlijk zit Hij te wachten op een gelegenheid om Samaritaanse mensen - en
wellicht ook om ons - naar een dieper leven te leiden. Er komt een Samaritaanse
vrouw water putten en Jezus vraagt om wat water… Ze negeert dat en begint een
discussietje… Jezus gaat er wel op in maar Hij heeft een diepere bedoeling. Wij krijgen soms ook aandacht voor God, maar dan vooral wanneer we iets
nodig hebben. Wanneer we, zoals die mensen die met hun ziekten of hun zieke
kinderen naar Hem kwamen… wanneer we in nood zitten en we niet direct hulp
krijgen van mensen… Bij die Samaritaanse bemerken we dat wat Jezus zegt over
levend water dat de dorst voor eeuwig stilt… Dat interesseert haar wel, niet
meer hoeven te putten in die volle middagzon… Heer, geef me van dat water dat
mijn dorst voor eeuwig stilt… En zo gaat dat gesprek verder. Ook over haar
leven en haar samenleven met een man die niet haar man is… Tot de vrouw
stilaan ook overstapt naar godsdienstige zaken en dat er eens een Messias gaat
komen die ons een diepere kennis gaat leren... Dan zegt Jezus: Dat ben Ik die
met U spreekt… De vrouw is onder de indruk - ze laat zelfs haar waterkruik
achter - en loopt naar haar dorp om ook andere mensen naar Jezus te doen
komen… Midden onze aardse bezigheden – we leven hier immers – worden we
uitgenodigd om ook wat aandacht te hebben voor God, onze oorsprong en bestemming
en voor de weg die Hij ons wijst naar het echte geluk. Hij gaat immers met ons
mee, doorheen de vreugden en de beproevingen van dit aardse bestaan. En Hij
spreekt ons aan. “Ik ben het die met U spreekt”, zegt Hij. Wij hebben een
geestelijke oorziekte, of meer nog: een geestelijke luisterziekte. Wij maken
geen tijd meer om te luisteren. Wij gaan zo op in alles wat op ons afkomt, de
drukte van het leven, de vele bezigheden, de vele interesses en die zijn als een
soort alles overstemmende oorruis, een tinnitus, een oorsuizing die ons belet om
nog iets van God te horen. Het is nodig dat we ons hart wat vrij maken, ons hart
wat op Hem richten. Het is nodig dat onze frank eens valt en we ons bewust
worden dat ondanks alle drukte en alle lawaai van allerlei spraakmakers, God
toch nog tot ons hart wil spreken. “Ik ben het die met U spreekt, zegt Hij
dan. Ik wil ook jou levend water geven dat uw levensdorst, uw dorst naar het
echte geluk zal laven. Ik heb voor jou iets in petto wat je niet meer vermoed
midden al het klatergoud waarmee de moderne consumptiemaatschappij en de
mediaregisseurs je trachten verdoven en aan zich te binden. Ik kan je diepere
dorst lessen, je leven op de echte realiteit richten en je toerusten met alles
wat je nodig hebt om je leven uit de verdwazing te halen en vanuit je diepste
roeping te gaan leven.” Jaar A Vasten Zondag 2 (20 maart 2011) Tabor-momenten en het platteland Lezingen
uit de zondagsliturgie:
Jaar A Zondag 2 van de Veertigdagentijd
(20/03/2011). Gen. 12,1-4a / Ps
33,4-5,18-19, 20 en 22 / 2 Tim. 1,8b-10 / Mt.17,1-9 Op de Taborberg in
Israël, het Heilig Land, staat een kerk die vooraan 3 puntige voorgevels heeft;
het is een gedachtenis aan de drie tenten die Petrus wilde bouwen voor Jezus,
Mozes en Elia. Maar dat hoefde helemaal niet. Hoewel Jezus aanwezig is in onze
kerken, kan je Hem niet beletten ook ver daarbuiten zijn verlossende invloed uit
te oefenen. Hij houdt trouwens verblijf met de Vader en de heilige Geest in het
hart van ieder die in Hem gelooft… Er is echter nog iets anders waarom Jezus
niet ingaat op de uitnodiging van Petrus, de tentenbouwer. Dit moment van de
verheerlijking op de berg, is maar een moment. Onmiddellijk daarna zal Jezus de
berg afdalen en spreken over zijn aanstaande verwerping door de leiders van zijn
volk en over zijn dood. En hoewel hij dan ook spreekt over dat Hij na drie dagen
zal verrijzen, toch is het duidelijk dat Hem nog een zware tocht te wachten
staat. Wij mensen van het
Westen, wij zijn over het algemeen in een zacht wiegje gelegd. Wij zijn meestal
welvaartskinderen, al hebben wij het misschien niet al te breed. Wij verwachten
dat alles in het leven van een leien dakje gaat lopen… maar dat is niet zo.
Ook als christenen weten we dat het leven en ook het leven als christen niet
steeds rozengeur en maneschijn zal zijn. Zeker in deze tijd weten we dat het van
een christen een sterke ruggengraat vraagt om radicaal en consequent christen te
zijn. De consumptiemaatschappij blijft nog een grote verlokking en verleiding,
en midden een onchristelijke wereld en met media waarin het christelijke geloof
belachelijk gemaakt wordt, is het een moeilijke tocht om als christen trouw te
zijn aan je doopengagement. In die zin is het
dus ook voor ieder van ons deugddoend dat je eens samen bent met andere
christenen en dat de Heer je soms sterk zijn aanwezigheid doet ervaren of diepe
vreugde en vrede in je hart legt, maar spoedig daarop sta je weer in het dal van
het dagelijks leven, met zijn opgaven, met zijn eisen ook eisen vanwege God… We moeten ons dan
ook kunnen vasthouden aan de momenten dat we echt vreugde beleefden aan ons
geloof, momenten waarop we God nabij hebben gevoeld, momenten van een speciale
genade… Zo heeft Jezus ook
zijn weg trouw kunnen gaan. De apostelen daarentegen waren nog te weinig
voorbereid op de grote beproevingen en zouden op de vlucht slaan. Zij hadden de
woorden van Jezus over zijn lijden en dood niet ernstig opgenomen. Zelfs Pasen
zou nog onvoldoende zijn voor hen en ze moesten wachten op de komst van de
heilige Geest met Pinksteren, om ook innerlijk de sterkte te krijgen om voor hun
overtuiging uit te komen. Als gelovigen
moeten wij weten dat christen zijn niet steeds gemakkelijk is. Wij hebben nood
aan contact met de verrezen Heer in het gebed, en we mogen ook elke dag bidden
om de kracht en de vrijmoedigheid die de Heilige Geest ons schenken wil. Sedert
ons doopsel en vormsel hebben we daar alle recht op. Laten we die stap in het
gebed dan ook doen. Elke dag. (Ben Van Vossel)
Jaar A Vasten Zondag 1 (13 maart 2011) Juiste
keuzen maken Vandaag zien we de oude mens, in de persoon van Adam en
de nieuwe mens, Jezus hun houding bepalen tegenover God en de schepping. Kort
gezegd zien we hoe Adam kiest om te luisteren naar de verleider en tegen Gods
verlangen in te gaan. In het evangelie zien we Jezus juist andersom kiezen. En
Paulus, in zijn Romeinenbrief stelt die twee tegenover elkaar en toont aan hoe
de keuze van Adam de dood bracht en de keuze van Jezus het leven. De fout van
één mens bracht allen de dood, maar God schonk aan allen rijke vergoeding door
de grote gave van zijn genade: de ene mens Jezus Christus. Dat is het objectieve
gebeuren: zondeval en verlossing. Maar dit evangelie en deze lezingen hebben ook impact
op ons eigen leven; ook wij staan voor keuzen, keuzen die met ons diepe
menselijk wezen te maken hebben. Die keuze, de noodzaak van die keuzen te maken treft
ook Jezus als mens, en ze treft Hem heel diep. Er wordt beroep gedaan op Hem in
de speciale gaven die Hij heeft gekregen: maak brood van deze stenen. Werp U
naar beneden van deze tempel, de engelen zullen u wel dragen… De mensen gaan
met verstomming geslagen zijn, ze zullen u op handen dragen, ze zullen u tot
koning uitroepen, tot een profeet zoals er nog nooit een gezien is… Wie houdt er niet van dat de mensen naar Hem opzien?
Wie zou niet graag wat speciale gaven hebben, zodat mensen er over spreken. Waw,
wat een man, wat een vrouw! Wie zou niet graag hebbend at de mensen graag met
jou in contact komen, dat er positief over je gesproken wordt… Het is zo menselijk. Maar soms komt daardoor Gods
heerschappij in het gedrang. Die gaven, die talenten, of heb jij dat alles
verworven? Je leven, je gezondheid, je relaties, je familie… heb je dat alles
niet gekregen? En ten diepste: wil jij als een god door het leven gaan, bejubeld
en aanbeden, of erken je God als de Heer van je leven. Ja, dat is de
uiteindelijke vraag. Alle materiële zaken moet je de plaats geven die hen
toekomt: voedsel en kleding en eerbetuiging door mensen. Je moet dat alles op
zijn eigen plaats stellen. En aanbidden moet je alleen God. Dat was tenslotte de
uiterste bekoring bij Jezus. God alleen is God. Er is geen ander. En Hem alleen
moeten wij aanbidden, Hem alleen de hoofdplaats geven in ons leven. Deze week willen we dit alles wat oerwegen en naar ons
eigen concrete leven vertalen. Waar zoek ik mijn geluk? Waar bouw ik mijn leven
en mijn toekomst op? Geef ik God de plaats die Hem toekomt? Maak ik mezelf of
iemand anders of iets anders tot God? Ook als christen moeten wij deze fundamentele keuze
maken. Laten we naar Jezus opkijken en bidden dat ze heilige Geest ons mag
leiden in de vastentijd om voortdurend in grote en kleine beslissingen de juiste
keuze te maken. (Ben Van Vossel) Jaar A Zondag 9 (6 maart 2011) Gods
verlangen = ons geluk Deze
woorden besluiten de Bergrede, de grote preek op de berg, waar we een
samenvatting krijgen van Jezus leer, van de richting die Hij aanwijst naar een
gelukkig leven, een leven volgens Gods verlangen. In
Jezus’ leer ging het niet enkel over het vervullen van wat uiterlijke wetten,
maar – zoals de profeten het reeds zegden – om met je hart God toegewijd te
zijn en met je hart achter zijn verlangen te staan. Voor
en heels tuk komt het erop aan dat we niet enkel met wat wetten in orde trachten
te zijn, maar met ons hart bezorgd zijn om Gods eer en om het geluk van onze
medemens… en dan daden stellen van Godsverering en van dienst aan
medemensen… Trouw, respect voor elk mensenleven, ook voor het menselijk leven
dat gehandicapt is of naar zijn einde gaat, en ook voor het beginnend menselijk
leven in de moederschoot. Gods verlangen in dat alles trachten te onderkennen,
eerder dan uit te zijn op het applaus van spraakmakers en je eigen egoïstische
verlangens… Het is soms moeilijk, maar je ervaart dat het de weg is die naar
het echte geluk leidt, de weg van het behoud. Op die weg staat Gods verlangen
bovenaan, maar we weten dat zijn verlangen ook ons diepste geluk is.
De kortzichtigheid van de mens die enkel maar beperkt blijft tot het
direct zichtbare en grijpbare, heeft geen toekomst, zijn woorden en daden worden
uitgewist als schrijfsels in het zeezand die spoedig wegspoelen… Er
wordt dezer dagen aan heel wat tronen geschud in het Midden-Oosten, en wellicht
niet enkel daar. Voor ons, christenen komt het erop aan in ons eigen leven God
op de troon te laten zitten. Dat is echter helemaal niet in tegenspraak met ons
eigen geluk of het geluk van medemensen. Ons stellen onder de heerschappij van
God, heeft niets te maken met fundamentalistische opvattingen waarbij Gods eer
ten koste gaat van het leven en het geluk van mensen met wat afwijkende
meningen. Gods wil nooit dat we de mens tekort doen. Het paradijs voor is op de
eerste plaats Gods droom? De wetten of raadgevingen of wegwijzers die Jezus
plaatst zijn bedoelt om de mens te weg te wijzen naar het echte geluk. Die
wetten onderhouden betekent in feite: intreden in het verlangen van God,
rekenend op zijn kracht die ons in Jezus geschonken is en die we altijd krijgen
wanneer we met verlangen uitzien naar zijn hulp. (Ben Van Vossel) Jaar A Zondag 7 (20 februari 2011) God zelf
als voorbeeld God
zegt ons vandaag: “Weest heilig, want Ik, de Heer uw God, ben heilig”. Die
teeveemannetjes gaan voorbij; soms zeggen ze waarheid, soms onnozelheden,
oppervlakkigheden, soms verkondigen ze zaken die de mens geen echt heil
brengen… Maar teevee is een machtig medium, het kan mensen kraken, het kan
indrukken scheppen die niet gauw uit het geheugen van de mensen gewist kunnen
worden… Maar voor een christen zijn het allemaal maar opinietjes. Sommige zijn
waar, andere raken kant noch wal, andere zijn gewoon gepolijst naar het
figuurtje van het mensje of het groepje dat het naar voor schuift. Een christen
mag daar gerust naar luisteren, maar… het gehoorde moet geconfronteerd worden,
moet in het licht geplaatst worden van Gods oordeel, van Jezus’ voorbeeld, van
wat de Kerk ons leert… En dan valt er veel omver als een kaartenhuisje, dan
moet je ontzettend veel relativeren, tot zijn juiste grootte herleiden, en
soms is het dan zo ontzettend petieterig en vaak totaal naast de
waarheid, irrelevant en waardeloos. Soms worden gewoon onwaarden verkondigd… Met
allerhande theorieën en films en theaterstukken wordt de mens stukgemaakt,
wordt de mens neergehaald. Het is de donkerte in allerlei kunstenaars die
tegenwoordig een tegenbeeld schept van wat een mens en wat een menselijke
samenleving eigenlijk zou moeten zijn… Ik weet wel, ook christenen en
geestelijken hebben hun deel gehad in het lelijk maken van onze wereld, maar
mensen die zich echt lieten bezielen door het evangelie, het Blijde Nieuws van
God, hebben enorm meegeholpen aan het oprichten van de mens en het menselijk
samenleven. Zij zorgden voor de zieken, voor de melaatsen, voor de armen, voor
onderricht aan kinderen die geen kansen kregen in het leven… Wij moeten met
groot respect elke mens benaderen, want elk mens behoort aan God. In
het evangelie van deze dag keert Jezus zich tegen alle hardheid, wraakzucht,
gierigheid, haat tegen wie ons iets aandeed… Hij spreekt over vergeving, of
uitlenen en geven, over beminnen van de vijand… Dat hebben veel mensen niet
kunnen begrijpen van de abt van West-Vleteren, dat hij onderdak verleende aan de
pedofiele bisschop Roger Van Gheluwe… “Ik moest deze broeder in Christus wel
onthalen”… De wereld denkt alleen maar aan wraak, uitstoting… ze vergeten
hoe zwak zijzelf zijn of geweest zijn: hoe ze zelf ook mensen hebben gekwetst
met woorden, kwaadsprekerij, of door een muur van stilzwijgen. Hoe weinig we
soms deden voor mensen in nood en enkel gedacht op eigen zekerheid, enkel het
comfort van ons gezinnetje en de rest kan ons gestolen worden.. Jezus
wil vandaag onze blik opentrekken. Ons hart moet ruimer zijn dan dat van
ongelovigen. Als we alleen maar houden van de mensen die van ons houden, als we
alleen maar goedendag zeggen tegen de mensen van onze eigen groep… Wat voor
buitengewoons doet ge dan, vraagt Jezus. En zijn woord klinkt heel doordringend:
Weest dus volmaakt, zoals uw Vader in de hemel volmaakt is”. God is ons enige
uiteindelijk voorbeeld. (Ben Van Vossel) Jaar A Zondag 6 (13 februari 2011) Det Wet
van de Heer: de Weg tot het Leven De
Wet! Het woord zegt ons, gewone mensen niet zoveel. Natuurlijk moet je niet
teveel tegen de wet ingaan, of … je vliegt tegen de lamp, of op het boekje. Je
krijgt een bekeuring, een boete, of erger, je mag voor de rechter verschijnen,
gerechtskosten, advocaten enz. De
mens kan ja-zeggen tegen die Wet of hij kan kiezen voor de weg naar de
ondergang, voor het leven of de dood, voor de zonde of het luisteren naar Gods
verlangen. Zo zegt het boek Wijsheid van Jezus Sirach: Wanneer gij wilt, kunt
gij de geboden onderhouden en het is ook verstandig te doen wat de Heer behaagt.
Hij heeft vuur en water voor u neergezet: gij kunt uw hand uitstrekken naar wat
ge verkiest… De
vrijheid van de mens! Je kan kiezen. Je kan je niet laten drijven,
zogezegd niet kiezen. Je kiest altijd! Jezus
gaat er in het evangelie nog verder op door. Je moet echt fijngevoelig worden.
Niet bekrompen en scrupuleus. Maar wel gevoelig voor de minste raadgevingen,
aanwijzingen van God. De Wet van Christus is in zekere zin menselijker, omdat
hij veel bijvoegingen van wetgeleerden en farizeeën bekritiseert omdat ze
zonder ziel en zonder zin zijn, omdat ze de mens den duvel aandoen en hem
beknotten om te beknotten. Dat is nog niet echte godsdienst. Maar anderzijds is
Jezus ook veeleisender: je kan je niet van Gods gebod afmaken door wat
spitstechnologie: het grote gebod van de naastenliefde bv. gaan uithollen door
ergens een gift aan de tempel of iets dergelijks. De grote geboden tot in hun
detail trachten na te leven. Dàt is de weg naar het leven, dàt is de Wet. Vrienden,
als Jezus het heeft over de Wet, dan wil Hij ons geen nieuwe lasten op de
schouders leggen, maar Hij wil dat we de weg naar het geluk gaan, het geluk voor
onszelf en de anderen. Dat houdt in dat we voortdurend luisteren naar Gods
verlangen dat zich kenbaar maakt in ons hart, Hij openbaart het ons door de
heilige Geest (2de lezing). En het is ook in de kracht van de Geest dat we die
weg naar het leven kunnen gaan. Ons gebed vandaag is dan ook een bede om de
heilige Geest: dat Hij ons zou willen leiden en gevoelig maken voor het
verlangen van God, dat Hij ons ook binnenin kracht wil geven, ons wil helpen te
beslissen en goede keuzes te maken in de concrete situaties van ons leven. (Ben
Van Vossel) Jaar A Zondag 5 (6 februari 2011) Gij zijt
het zout der aarde, het licht van de wereld Lezingen
uit de zondagseucharistie: Jes. 58,7-10 / Ps.V112 4-5,6-7, 8a en 9 De
rechtvaardige is voor de vrome een licht in de nacht / 1 Kor. 2,1-5 / Mt.
5,13-16 Gij zijt het zout der aarde, het licht van de wereld Jezus is als een licht in de wereld gekomen. Met zijn
woorden heeft Hij wat de profeten reeds hadden gezegd tot voltooiing gebracht,
heeft Hij de weg gewezen naar het heil, de weg van Gods verlangen. Door zijn
daden heeft Hij getoond wat God met de mensen voorhad: heling, genezing,
heelheid, bevrijding… Door zijn leven heeft Hij de onvoorstelbare liefde van
God getoond die voor het geluk van de mens alles over heeft, die overloopt van
barmhartige liefde, met aandacht voor de kleinen, de achtergestelde mensen,
gehavende mensen, verslaafden, zondaars, mensen in nood…. Jezus, het Licht van de wereld! Door zijn komst, zijn
leven, zijn lijden en sterven en verrijzen heeft Hij alle geluk voor mensen
mogelijk gemaakt, het leven volgens Gods verlangen… Door zijn Geest is Hij ons
nabij opdat we in zijn spoor zouden kunnen gaan… En vandaag zegt Hij tot ons allen: gij zijt het licht
van de wereld. Het is een woord om voor weg te kruipen. Kijk even in de spiegel:
die man, die vrouw, die jongere, dat kind: licht van de wereld. ’t Is Jezus
die ons dat zegt vandaag. Ik denk dan niet zozeer aan het licht van de zon, maar
aan het licht van de maan, ’s nachts , in het duister… Maar misschien heeft
onze wereld daar ook al heel wat aan. Jezus gebruikt in dit stukje evangelie trouwens nog
andere beelden. Gij zijt het zout van de aarde. Je moet ervoor zorgen dat de
aarde nog wat smaak heeft, nog de moeite waard is en daarom moet je zorgen dat
je niet zelf smakeloos wordt. Jezus spreekt ook nog over een licht op de
kandelaar en niet om weg te steken, en over een stad op de berg spreekt hij: van
overal moet die te zien zijn… Als Jezus ons zo aankijkt en toespreekt, kunnen en
mogen wij ons niet wegsteken. Maar wat kunnen we dan doen, vandaag? Wat
betekenen die woorden voor ons, gewone mensen? We moeten ons zeker niet gaan overschatten: zout der
aarde, licht van de wereld, licht op de kandelaar, stad op de berg… We hebben
wel zoveel realiteitszin dat we ons niet gaan verhovaardigen, ons niet gaan
overschatten… Gewone mensen, zei ik, en ik hoop dat je me dat niet kwalijk
neemt. Wat we dus op de eerste plaats moeten beseffen is dat
Jezus het licht is, en dat wij naar Hem moeten opkijken, dat we in zijn
nabijheid moeten blijven, dat we bewust moeten blijven van zijn aanwezigheid …
Want, en dat is ook een woord van Jezus: "los van Mij kunt gij niets"
(Joh. 15,5). Voor ieder gelovige, voor elke getuige is het gebed
noodzakelijk, want los van Hem kunnen wij niets. Voor ieder christen is het
nodig een sterke relatie te hebben met Jezus. Spreken met Hem, luisteren naar
Hem, leven met Hem… "Wie
in Mij blijft, zoals Ik in hem, die draagt veel vrucht" (id.) En dan zendt Hij ons. Waarheen? Daar waar we leven.
Maar daar waar we leven moeten wij aan Jezus vragen: En nu Heer, wat moet ik nu
doen? Wat moet ik nu zeggen? Aan wie? De Heer zal het ons tonen en Hij gaat het
ons meer en duidelijker tonen naarmate we meer met Hem verbonden leven door,
zoals ik reeds zei vaak met Hem te spreken, met Hem door het leven te gaan. Dat
we het dan al eens til moeten maken in ons leven, dat zal wel. Dat de teevee al
eens alleen zal moeten blijven, dat zal wel, en onze computer en ons
‘ge-e-mail’ of ‘getwitter’… Het eerste het eerst. First things First!,
zeggen ze in het Engels. Het belangrijkste eerst, het meest noodzakelijke eerst.
En dat belangrijkste is voor een christen ons contact met Jezus, onze Heer. Dat
wordt vandaag de beslissing die we te nemen hebben. We moeten ons niets
wijsmaken. Zonder die persoonlijke relatie met Jezus, het Licht van de wereld,
zullen wij niet kunnen beantwoorden aan wat Hij tot ieder van ons zegt: Gij zijt
het zout der aarde, gij zijt het licht van de wereld. (Ben Van Vossel) Jaar A Zondag 4 (30 januari 2011) De
zaligsprekingen Lezingen
uit de zondagseucharistie: Sefanja 2,3; 3,12-13 / Ps. 146 7,8-9a, 9bc-10 Zalig
de armen van geest want aan hen behoort het Rijk der hemelen / 1 Kor. 1,26-31 /
Mt. 5,1-12a. Voor mensen die wat
sociaal-voelend zijn zullen de lezingen uit deze zondagseucharistie wel
aanspreken. Het gaat over zwakken, over nederigen, over de gerechtigheid zoeken,
over God die juist uitverkiest wat in de ogen van de wereld dwaas is enz. En in
het evangelie krijgen we vanwege Jezus de zaligsprekingen voorgeschoteld, waarin
niet bepaald de rijken en de machtigen en de winners worden voorgetrokken… Het streelt
nochtans ons geluksgevoelen als we winner zijn en geen loser, als we over wat
bezit beschikken en niet straatarm zijn, als we wat erkend worden en niet aan de
kant gelaten worden… Ik wil echter niet
teveel de sociale toer op met het evangelie. Het is duidelijk dat het verlangen
van God is dat wij zouden delen, dat we zouden strijden tegen onrecht,
uitbuiting, sociale achteruitstelling, armoede en honger over de hele wereld…
De Damiaanactie roept ons deze dagen daartoe ook op: 5 stiftjes voor 5 Euro; we
zullen het waarschijnlijk wel overleven. Het mag voor de meesten van ons zelfs
iets meer zijn. Rechtvaardigheid begint met delen met wie niets heeft of wie in
ernstige nood is. Maar de lezingen en zeker het evangelie en de kerk geven ons ook een geestelijke boodschap die naast het delen en het solidair zijn met de kleinen ons ook uitnodigt om onze relatie met God op goede basis te bouwen en er geen onbetrouwbare toren van Pisa van te maken. Het gaat erover dat God heeft uitverkoren wat voor de wereld van geringe afkomst is en onbeduidend. Nog dieper betekent het dat Jezus niet gekomen is voor de gezonden, maar voor de zieken. Het komt, zoals het hele geloofsgegeven erop neer dat we erkennen totaal van God afhankelijk te zijn, te beseffen dat we uit onszelf niets kunnen ten overstaan van God. Om het met de kleine Teresia van Lisieux te zeggen: alles is genade. Of zoals Sint Paulus aan zijn wat hoogmoedige Korintiërs zei: “Wat heb je dat je niet gekregen hebt? En als je alles cadeau gekregen hebt, waarom die drukte alsof alles van jezelf kwam?” 1Kor.4,7) Wij moeten leen vanuit een diep besef maar ook vanuit een diepe dankbaarheid, dat we mogen leven met de zekerheid van Gods liefde, Gods barmhartige liefde, die ons aanmaant en sterkte schenkt en ons voortdurend perspectief geeft. Mensen en menselijke instellingen, menselijke wetten kunnen heel goede bedoelingen hebben, maar vaak missen zijn die soepelheid om mensen nieuwe kansen te geven, om op te roepen, op te helpen en uitzicht te geven. Omdat wijzelf begenadigde zondaars zijn moeten wij ons ook
uitgenodigd voelen om in Gods spoor aandacht te hebben voor het kleine, maar ook
voor het onvolmaakte en kansen te geven, nieuwe kansen aan wie achterbleef of
wie tekort kwam. Zoals Jezus onze wijsheid is, onze gerechtigheid, heiliging en
verlossing, zo wil Hij dat ook zijn voor anderen. Dat is het belangrijkste deel
van de Blijde Boodschap die de Vader ons in Jezus heeft duidelijk gemaakt. Laten
we dankbaar zijn voor de begenadiging en tegenover anderen in Gods voetspoor
treden. (Ben Van Vossel) Jaar A Zondag 3 (23 januari 2011) Licht
brengen in de duisternis Jes.
8, 23b-9,3 Een licht straalt over
hen die wonen in het land van doodse duisternis In de bidweek
voor de eenheid tussen christenen klinkt de oproep van Paulus in zijn 1ste
brief aan de christenen van Korinthe wel heel indringend: De een zegt ‘Ik ben
van Paulus’, een ander: ‘Ik van Apollos’, of ‘Ik van Kefas’ of ‘Ik
van Christus’… Is Christus dan in stukken verdeeld? Wij mogen ons als
christenen iet neerleggen bij die lelijke en kerk-verzwakkende verdeeldheid. Wij
moeten Jezus’ gebed om eenheid tussen zijn volgelingen blijven dragen in ons
hart en er met aandrang om bidden, in de kracht van de Geest. Jesaja spreekt
over een land in doodse duisternis en het evangelie herneemt dat woord nog eens
om aan te duiden dat Jezus daar in Galilea nog heel wat werk voor de boeg heeft;
Galilea was immers sterk beïnvloed door een sterke immigratie van heidenen, die
zich maar langzaam lieten bekeren tot het geloof in één God. Leven wij ook
niet midden heel wat duisternis, sterker nog: is ook in ons eigen hart en ons
eigen leven en onze omgang met mensen en dingen niet vaak heel wat duisternis. Maar Jezus
wijkt niet voor die moeilijkheid. En wij moeten ook niet ademloos blijven en
inactief tegenover het grote werk dat er te doen valt in onszelf en rondom
ons… Na zijn doopsel
in de Jordaan en na de arrestatie van Johannes de Doper begint Jezus kordaat aan
zijn zending en roept Hij de mensen tot bekering en tot openheid voor Gods
heerschappij. Hoe zo’n
verkondiging, zo’n getuigenis er voor ons kan uitzien? Dat zal ieder van ons
voor zichzelf moeten bedenken. Gods Geest wil ons daarbij helpen. Het begint bij
ons thuis. En altijd zullen we moeten leren dat de liefde steeds hand in hand
moet gaan met de waarheid. Echte liefde vraagt om waarheid, waarheid zonder
liefde komt niet van God. Wij mogen in de komende week ons afvragen waar en hoe
we van Gods liefde en zijn verlangen kunnen getuigen… Jezus, zo zien
we in het tweede deel van de evangelieperikoop werft al onmiddellijk medewerkers
aan. Vissers waren er rond het meer van Galilea in overvloed. “Komt, volg Mij;
ik zal u vissers van mensen maken”. Hij gaat die jongemannen vormen opdat ze
daarna zelf mensen kunnen oproepen en voorgaan om volgens Gods verlangen te
leven. Deze oproep is
ook tot onszelf gericht. Ieder christen is geroepen om in Jezus te geleoven, Hem
te volgen… maar ook om van Hem te getuigen en van het Goede Nieuws dat Hij
gebracht heeft. Maar misschien is die manier van doen van Jezus ook een
uitnodiging voor ons om het ook niet alleen te gaan doen, maar uit te zien naar
mensen die evenals wij gegrepen zijn door Jezus en die van Hem en zijn Rijk
willen getuigen. Ook daarvoor mogen we bidden. Dat we de mensen leren zien die
de Heer op onze weg zet om samen met Hem het Licht van het Blijde Nieuws in deze
wereld te laten schijnen. Met de hulp van de heilige Geest en de vrijmoedigheid
die Gods Geest in Jezus’ volgelingen wekt. Jezus noemt zichzelf ‘Licht van de wereld’, maar Hij spreekt ook tot zijn volgelinen: ‘Gij zijt het licht van de wereld’. Midden de duisternis van deze tijd en van onze streek worden wij gezonden om het Licht van het Evangelie te laten schijnen in ‘liefde en waarheid’. (Ben Van Vossel) Jaar A Zondag 2 (16 januari 2011) Zoon
van God, onze Redder Lezingen
uit de eucharistie: Jesaja 49,3.5-6 De
Dienaar Gods / 1 Kor.1,1-3 tot
heilig leven bestemd / Joh. 1,29-34 Jezus, het Lam Gods dat de zonden van de
wereld wegdraagt We
vinden het vaak zo’n gewone gebeurtenissen, zowat van die anecdotes uit een
biografie, zodat we er niet echt in intreden,e r de diepe betekenis niet van
doorhebben en er ons in ieder geval niet echt door laten aanspreken. Ik heb het
hier over wat er zoals gebeurt rond het doopsel van Jezus. Daar
gaat het in feite nog over op deze 2de zondag door het Jaar. We
hebben vorige zondag nog het Feest gevierd van Jezus’ Doop, en vandaag vertelt
Johannes de Doper wat over de diepere betekenis. Het is werkelijk een diepe
openbaring van Jezus als het Lam van God, de dienaar van God die de zonde van de
wereld wegdraagt. Hij heeft er zich klein voor gemaakt, is mens geworden, hoewel
Hij thuishoort in de intimiteit van de Vader, als de veelgeliefde zoon die de
vreugde is van de Vader. Hij heeft zich ontdaan van die heerlijkheid van Zoon
van God, en is mens geworden en de dienaar van allen en in zijn trouw aan de
vader en aan de zending die de Vader Hem heeft toevertrouwd, zal Hij de donkerte
van lijden en dood ondergaan. Gehoorzaam tot de dood aan het kruis, schrijft
Paulus in de Filippenzenbrief. Jezus
heeft onze schuld op zich genomen, onze kleinheid, onze broosheid, onze hang
naar het kwaad, onze zonde … Omdat Hij onze herder wilde zijn, ons wilde
leiden naar het geluk, is Hij het Lam geworden dat onze zwaarte, onze schuld en
onze ellende wegdraagt. Niet gewoon
een goed mens, was Hij. Johannes getuigt dat Hij eerder was dan hij: hij getuigt
dat Jezus van bij God is. En Hij wil Jezus doen kennen, hoewel Hij hem zelf niet
kent en daarom heeft God me gezonden om te dopen want op wie ik de Geest zou
zien neerdalen en blijven rusten: Hij is het die doopt met de heilige Geest. Hij
is het die mensen kan onderdompelen in de heilige Geest… En Johannes geeft dit
sterk getuigenis: deze is de Zoon van God. Is
het toch nog maar een anekdote? De bedoeling is dat wij ons laten meetrekken in
wat daar echt gebeurt en wat er wordt getuigd. Wij worden ook uitgenodigd om
Jezus te erkennen als het Lam, gekomen om ons op te trekken en uit te zuiveren
en tot God te leiden. Hij komt van elders en heeft de volheid van de Geest, Hij
de veelgeliefde, Hij die – zo schrijft de apostelen Johannes- rust aan het
hart van de Vader. Wij willen Hem
dan ook belijden als de Zoon van God. Wat
gebeurt er dan hier en nu aan ons? Wij worden ons bewust van de beperktheid van
onszelf en van onze aardse omgeving en ons aardse bezigzijn. Jezus trekt ons op
uit onze beperktheid en innerlijk leegheid en zondigheid. Hij kan ons vrij
maken, ons uitzuiveren en in contact brengen met de Vader. Hij wil ons
onderdompelen in het geestelijke bestaan, ons de heiige Geest schenken zodat we
komen tot geloof, het vertrouwen op God, echte liefde voor God en de mensen.
Daarom willen wij met geloof en liefde belijdend at Jezus Zoon van God is, onze
Heer en Redder: de Ware weg tot het echte Leven. Zoon van God, dompel ons onder
in de heilige Geest, zodat we uw weg kunnen gaan. Raak velen aan in deze tijd
zodat de Stad van de mens meer en meer wordt tot eens tad van God. (Ben Van
Vossel) Doop van Christus Jaar A Zondag na 6 januari (Epifanie) 2011 Dit
is mijn Zoon, mijn veelgeliefde, in wie Ik welbehagen heb Lezingen
uit de eucharistie: Jesaja 42,1-4.6-7 / Psalm 29,1a en 2, 3ac-4, 3b en 9b-10
Gold zegent zijn volk met vrede / Hand. 10,34-38 / Mt. 3,13-17 Dit is mijn Zoon,
mijn veelgeliefde, in wie ik welbehagen heb Het
zal vermoedelijk een heel gewoon tafereeltje geweest zijn, althans op die plaats
in die tijd. Mensen die aanschuiven om hun leven om te keren, zich te bekeren
tot de ene ware God, en die zich als tastbar teken laten onderdompelen in de
Jordaan, al het verkeerde en zondige van ons leven laten verdrinken en weer bovenkomen als een nieuw
mens. Jezus als diepgelovig mens is ook sterk aangesproken door die
vernieuwingsbeweging rond Johannes, die wij de Doper noemen. Maar Jezus wordt
daar ook geopenbaard als de veelgeliefde Zoon van de Vader die in Hem heel zijn
vreugde vindt. Waar
gaan wij het dan nog zoeken? “ Het ”? Ja, het geluk, de bevrijding van het
kwaad, de vervulling van ons leven, het nieuws dat ons eindelijk perspectief
geeft midden alle donkerte en onzekerheid, midden de overvloed van onware,
onzekere, halfslachtige, gemene, misleidende berichtgeving uit de media en de
lopende nieuwtjes! Waar gaan wij het geluk zoeken? In het alledaagse, in de
geborgenheid van het gezin en de vriendenkring. Er zijn veel goede dingen in de
wereld, de wereld is niet helemaal zonder God en zijn gaven. Maar ten diepste
zullen wij slechts bij Jezus het geluk vinden, Hij die zelfs door de Vader
“mijn vreugde” genoemd wordt: “in wie ik mijn welbehagen heb”. Het
probleem met de christenen hier bij ons is dat ze hun oren zo vlug laten hangen
naar al wat “de allerslimste mensen”, de “politieke commissies vol
onbevlekt ontvangenen” die hun evangelie verkondigen en die hun vloek
uitspreken op dit ogenblik over de kerk, het schuim staat hen soms op hun bek.
Uit compassie met de misbruikte kinderen? Dat is een heel vaag gevoelen en dat
onvoldoende ingevuld wordt door enkel maar te spuwen op de kerk. Er zijn andere
maatregelen nodig en vooral ook breder onderzoek naar misbruik ook in eigen
kring, eigen organisaties, eigen aangesloten leden. Hoe kunnen wij bv. een
maatschappelijk gezonde samenleving maken als promiscuïteit gepromoot wordt
langsheen de media. Dat men niet komt aandraven met het opvoeren van een
ziekelijke pervert uit een ver verleden, zelfs als de slachtoffers daarvan nu
nog de kwetsuren met zich moeten meeslepen… Christenen moeten niet meehuilen
met de wolven in bos, die heel wat andere doelstellingen hebben dan schoonschip
te maken in onze samenleving. Christenen moeten in eigen leven en in eigen
midden en waar ze kunnen ook in de samenleving een radicale levenshouding van
groot respect voor de medemens, vooral voor de meest kwetsbaren aan de dag
leggen: het ongeboren leven, de kinderen, de jonge mensen, de gehandicapten,
vergeten groepen. Denk maar niet dat we dat uit eigen kracht kunnen. Wie dat
denkt, kent zichzelf niet en heeft niets geleerd uit al wat we meemaakten ook
vanwege een aantal geestelijken. Het gaat om een diepe bekering, en ons stellen
onder de invloed van Gods Geest. Wij moeten bij Jezus gaan staan, naar Hem
opkijken, maar ook voor Hem knielen en vragen dat Hij het in ons zou bewerken,
hetgeen we nu nog niet aankunnen. Wij moeten zijn naam noemen en ophouden
onszelf voor ‘goedmenenden en moraalridders’ te houden zoals een aantal
commissieleden met voor zich de kerk als beschuldigde, als de slechterik, de
grote volksmisleider en dan met de vetgesponserde media en ‘humoristen’
natuurlijk schreeuwen: ‘Écrasez l’infâme’, vermorzel die schandelijke!
Laten wij die heisa doorzien, onthouden wat echt waardevol is en er iets mee
aanvangen, maar er ons verder niet al te druk over maken. Hun bitsigheid spreekt
boekdelen. Bij
Jezus moeten wij zijn, ons geloof vernieuwen en opnieuw gaan bidden: aanbidden
en danken en smeken en … om vergeving vragen voor onszelf en voor alwie tegen
Gods verlangen ingaat. Jezus
stond als boeteling in het water van de Jordaan. En God sprak: “Dit is mijn
Zoon, de veelgeliefde, in wie ik welbehagen heb”. Als we bij Jezus gaan staan,
elke dag opnieuw, zullen ook wij Gods stem horen: “Dit is mijn zoon, dit is
mijn dochter, de veelgeliefde, in wie ik welbehagen heb”. Gods oordeel over
ons leven moet de doorslag geven. (Ben
Van Vossel) |