PREKEN UIT 2012

(preken uit 20112010 - 20092008200720062005)

Waar onze preek ontbreekt, 
surf hier naar Powerpointvoorstelling van de recente ZONDAGSEVANGELIES

 

- Jaar B Zondag 7 (19/02/2012) Uw zonden zijn u vergeven 
- Jaar B Zondag 6 (12/02/2012) Marginalen helpen 
- Jaar B Zondag 5 (5/02/2012) Jezus bidt, geneest, verkondigt

- Jaar B Zondag 4 (29/01/2012) Jezus' woord heeft kracht 
- Jaar B Zondag 3 (22/01/2012) Bekeer u en geloof. Kom, volg Mij 
- Jaar B Zondag 2 (15/01/2012) Kom en Zie 
- Jaar B Openbaring van de Heer (Epifanie of Driekoningen)(8/01/2012) Hulde brengen 
- Jaar B Feest van de Moeder Gods (1/01/2012) Luisteren naar Gods woord 
- Jaar B Kerstdag (25/12/2011) Hem ontmoeten 
- Jaar B Zondag 4 Advent (18/12/2011) In dienst van de Allerhoogste 
- Jaar B Zondag 3 Advent (11/12/2011) Profeten. Gods stem 
- Jaar B Zondag 2 Advent (4/12/2011) Hij komt! Maak zijn paden recht 
- Jaar B Zondag 1 Advent (27/11/2011) Wees waakzaam want Hij komt 

ACTIVITEITEN GRIEKSE KERK BAGDAD - BEZINNINGEN - BIJBEL - BOEKEN - CHRISTEN in de WERELD - CHRISTELIJKE VORMING - DIAPRESENTATIES - EVANGELIE-LEZING - GEBED GEBEDSGROEP - GETUIGENISSEN - GEZIN INHOUD - JEZUS (Isa al Masih) - JONGEREN - KERK en GELOOF - Figuren uit de KERKGESCHIEDENIS - KINDEREN - KUNST - LITURGIE - MEDIA -- MARIA - MARIA-KEFAS - MORAAL - NADENKERTJES - NIEUW - NUMMERS - PARAY L.M. - PINKSTERSPIRITUALITEIT - PREKEN - ROEPING - SOCIALE INZET - SPIRITUALITEIT THUISPAGINA  - UITZICHT - VERHALEN -  WETENSCHAP - ZENDING ZONDAGSEVANGELIES -

 

 

Jaar B ZONDAG 7  (19/02/2012)

Uw zonden zijn u vergeven 

Teksten uit de Liturgie:
Jesaja 43, 18-19.21-22.24b-25 Ik vergeef u, ondanks alles / Psalm 41 Genees mij, al heb ik misdaan tegen U / 2 Kor 1,18-22 Ja is ja / Marcus 2,1-12 Uw zonden zijn u vergeven. Sta op en loop

Met God op weg gaan in je leven… Wij hebben wel eens de overtuiging dat dit ons initiatief en onze keuze is… Er is zeker een soort keuze aan onze kant. Maar die keuze is maar mogelijk omdat God zelf zich aan ons presenteert, zich aan ons doet kennen. Wij noemen dat openbaring. Het is zijn vrij initiatief niet enkel dat Hij ons tot het bestaan heeft geroepen, maar ook dat wij Hem kunnen kennen. Wij zijn gemaakt naar zijn beeld en gelijkenis. Er is in ons de mogelijkheid, de uitrusting, de voorwaarden zijn aanwezig om in contact te komen met die God die onze oorsprong en onze bestemming is. Dat alles is zijn initiatief. En natuurlijk, wij kunnen altijd zeggen – niet zo’n verstandige uitspraak natuurlijk – ik aanvaard Jou niet als mijn oorsprong, Jij bestaat voor mij niet, ik aanvaard Jou niet als Iemand die mij overstijgt, ik wil met Jou geen rekening houden in mijn leven…

Geen al te verstandige uitspraak omdat God wel aan de oorsprong staat van ons leven, omdat Hij ons op elk ogenblik in het leven houdt, en omdat Hij alleen de zin van ons leven kan uitmaken…
God is er gewoon en Hij meent het goed met ons.

Vandaag in het evangelie komen we nog iets meer te weten over God. Reeds in het Oude Testament had Hij zich geopenbaard, zich doen kennen als een God die rechts heeft op onze erkenning, onze aanbidding, onze dankbaarheid… Maar ook had Hij zich getoond als een God die, zelfs als ge Hem op de teen getrapt hebt, ook kan vergeven en vergeten. Hij blijft niet zitten mokken om wat we misdeden, zo ver als het Oosten van het Westen, zover werpt Hij de zonde van ons weg… Hij komt niet telkens terug op wat we ooit verkeerd deden of waar we onder de maat bleven.  Hij toonde zich een God die telkens en telkens nieuwe kansen geeft. “Je bent gebuisd, maar je mag herkansen”, al is er hopelijk toch wel wat groei in ons leven… Tenslotte blijven we hier niet rondlopen op aarde.

Welnu, in het evangelie zien we hoe een verlamde bij Jezus wordt gebracht en Jezus zegt, helemaal onverwacht en in voor het aanvoelen zelfs wat ongepast: “Uw zonden zijn u vergeven”. 
Voor de Joden van die tijd had ziekte steeds iets te maken met zonde; zonde van jezelf of van je ouders; ziekte was voor hen een straf van God. Ziekte zal natuurlijk ook wel eens te maken hebben met een verkeerde levenswijze, maar Jezus wil althans dat aspect zonde al onmiddellijk wegnemen. “Uw zonden zijn u vergeven”.

Wij moeten niet te snel over deze woorden heen lezen. Zonde is geen kleinigheid. Zonde is nog altijd een klap in het gelaat van God, om het maar eens al te menselijk (antropomorfisch) te zeggen, een belediging van God die niet God maar wel onszelf besmet, ons lelijk maakt als schepsel van God, als kind van God. En daar sta je dan. Je kan dan om vergeving bidden. Maar die belediging van God en die besmeuring van onszelf, dat is daarmee niet weggeveegd. Daar moet God aan te pas komen. Hij moet een woord van aanvaarding en van reiniging uitspreken opdat die relatie tussen Hem en ons weer wordt hersteld als een vriendschapsrelatie of een Vader-kind-relatie.

Dàt wou Jezus nu aan die lamme man zeggen: God aanvaard jou als zijn schepsel, zijn vriend, zijn kind. Dit is een woord dat met de basis, de grond van ons bestaan te maken heeft. Als God zegt: met jou is het okay, tussen ons is het okay.

Om aan de anderen dan ook te laten zien dat het menens is met die vergeving geeft Jezus ook nog dat teken van de genezing van de verlamming. Zo konden al die Joodse mensen zien dat de relatie tussen  God en de lamme hersteld was.

En meteen werd aan de kwaaddenkers en kwaadsprekers ook duidelijk getoond dat Jezus heel veel met God te maken had.

Vragen wij vandaag om die vergeving die God ons gaarne geeft en laten wij gedurende de Veertigdagentijd die eraan komt ook toeleven naar Pasen, en naar het sacrament van verzoening, een echt Paasgeschenk omdat Jezus, ons Paaslam, al onze schuld op zich heeft geladen en wij in Hem toegang hebben tot de schatkamer van de goddelijke vergeving en aanvaarding als kinderen van God. (Ben Van Vossel)

 

Jaar B ZONDAG 6  (12/02/2012)

Jezus en de melaatse 

Teksten uit de Liturgie:
Leviticus 13,1-2.45-48 Onreinen buiten het kamp / Psalm 32 Mijn toevlucht zijt Gij, mijn redder in nood, Gij hult mij in voorspoed en vreugde  / 1 Kor. 10,31-11,1 doet alles ter ere Gods / Marcus 1,40-45 Jezus raakt de melaatse aan en geneest hem

Voor de gemeenschap zorgen, heeft – althans voor het menselijk en christelijk aanvoelen – soms pijnlijke gevolgen voor het individu. Reeds in het Oude Testament voelde men zich verantwoordelijk voor het welzijn van de groep. En wat de mensen met melaatsheid aanging, voelde men zich verplicht om die buiten de groep te houden, opdat de grote groep niet besmet zou geraken… En zolang iemand met een lelijke huidziekte niet genezen was, moest hij of zij, goed herkenbaar, buiten de groep blijven. Deze Oudtestamentische gewoonte is lang blijven bestaan, ook het Molokaï waar pater Damiaan jarenlang heeft verbleven, was een soortgelijke oplossing… De Gemeenschap beveiligen tegen besmettelijke ziekten.  Die gemeenschap had dan wel de verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat, minstens voor de lichamelijke noden, die mensen van het nodige te voorzien: voedsel, bouwmateriaal, landbouwmaterialen, geneesmiddelen enz…

Maar voor de rest: afzondering, isolement, contact met de gezonden verboden!

Pater Damiaan heeft dat taboe doorbroken. Hij is zelf die eenzaamheid ingetrokken om die mensen iets van hun menselijke waardigheid terug te schenken. De boodschap was: jullie zijn ook mensen, medemensen, ook al zitten jullie hier op quarantaine. Damiaan handelde hier naar wat Jezus had voorgedaan.

De melaatse knielde voor Jezus neer en smeekt Hem: “Als Gij wilt kunt Gij me reinigen.” Door medelijden bewogen stak Jezus de hand uit, raakte hem aan en sprak tot hem: “Ik wil, wordt rein.”

De genezing die daarop volgde is de kroon op het werk, daar kunnen we niet aan twijfelen. Dat is ook zo voor zieken en marginalen en voor alle mensen in nood: daadwerkelijk geholpen worden, oplossing van het probleem dat op mensen weegt.

Maar niet alle nood kan zomaar verholpen worden. Ga terminaal zieken maar eens zeggen: Ik wil, wees genezen… Wat echter wel kan dat zijn die twee eerste zaken die men over Jezus’ optreden zegt. Het eerste is de aanloop tot de rest: door medelijden bewogen. Ons laten bewegen door medelijden. Door het invoelen in wat die mens doormaakt. Die uitzichtloosheid, het isolement, de pijn om wat men verloren is: zijn huis, zijn thuis, zijn gezondheid, zijn welstand...

En het volgende wat over Jezus wordt gezegd: Hij stak de hand uit en raakte hem aan. Kompassie hebben met mensen is mooi, empathie, de situatie van de noodlijdende tot jou laten komen… Maar de stap die Jezus hier zet gaat verder. Hij trekt zich die situatie daadwerkelijk aan. Hij steekt de hand uit en raakt de melaatse aan. Hij treedt nu de situatie van de noodlijdende binnen, hij maakt zich vuil, hij ruikt de verwaarloosde zieke en toont zich niet te preuts om hem aan te raken.

Dat is een stap die kan tellen. Je laat je eerst aanspreken door de nood van je medemens, maar dat brengt u in beweging om ook verder te gaan: om op bezoek te gaan, om te zien wat je kan doen, om tijd te maken voor een gesprek, om te vragen of hij/zij ergens nood aan heeft, kortom, om solidair te zijn en wellicht ook: om solidair te blijven, de zieke niet verder in de steek te laten. We kunne ons hier spiegelen aan de barmhartige Samaritaan die het slachtoffer niet enkel verzorgd maar ook op zijn rijdier helpt en naar een veilig onderkomen brengen en zelfs nog verder voor hem laat zorgen…

De grote Samaritaan is Jezus, de grote Damiaan is Jezus, Hij heeft zich met het lot van ons allen ingelaten, Hij is solidair met ons geweest, is ons bestaan komen delen, heeft voor ons de deuren naar het heil opengebroken en blijft vandaag met ieder van ons begaan…

Maar Hij heeft ons een voorbeeld gelaten opdat wij in zijn voetstappen zouden gaan door ons medelijden en door onze solidariteit.

En voor wat dat “genezen” aangaat. Pater Damiaan is blijven zoeken naar het geschikte geneesmiddel en heeft het ook op zichzelf uitgetest. Zo blijft het voor hedendaagse artsen, onderzoekers en farmaceutische bedrijven een permanente opdracht – een opdracht van de Heer - om te blijven zoeken om medemensen te helpen uit hun fysische en psychische nood.

Laten we ieder voor zich zien waar onze opdracht vandaag ligt in het verlengde van Jezus’ optreden. (Ben Van Vossel)

 

 

Jaar B ZONDAG 5 (5/02/2012)

Jezus bidt, geneest, verkondigt 

Teksten uit de Liturgie:
Job 7, 1-4.6-7 Het leven is maar een ademtocht / Ps. 147 Prijs nu de Heer, gebroken harten geneest Hij weer / 1 Kor. 9,16-19.22-23 Wee mij als ik het evangelie niet verkondig / Mc 1,  29-39 Jezus geneest, bidt en wil prediken.

 

Broeders en zusters, we zien Jezus vandaag zoals Hij echt is. Hij komt uit de gebedsdienst in de synagoge in Kafanaüm en in gezelschap van enkele vrienden gaat hij naar het huis van Simon Petrus, waar trouwens ook Andreas woonde. Er zijn een aantal aanwijzingen dat Jezus in dat grote huis van Petrus ook zijn verblijf had. Boven dat huis is later een 8-zijdige basiliek gebouwd en enige jaren terug heeft men boven de resten van die basiliek een modern alles overspannend gedenkteken opgericht zodat die ruïnes bewaard blijven. Jezus had inderdaad een aantal vrienden die ook zijn leerlingen waren. Thuisgekomen bij Simon Petrus hoort verneemt Hij  dat Petrus’ schoonmoeder ziek is. Jezus ging naar haar toe en geneest haar van de koorts, zodat ze al onmiddellijk in staat is hen te bedienen.

’s Avonds, na zonsondergang brengt men dan nog allerlei soorten zieken bij Hem waarvan Hij er velen genas en ook kwade geesten uitdreef; misschien dat sommige van die mensen echt in de greep waren van een kwade geest maar anderen zullen wellicht een psychische kwaal gehad hebben. Een drukke avond!

Nog vóór de morgen is Jezus naar een eenzame plaats getrokken om daar te bidden. Zoals het toen de gewoonte was bad Hij vermoedelijk luidop. Petrus en zijn metgezellen vinden Hemen vragen dat Hij mee zou komen want daar zijn nog mensen die Hem willen zien of spreken.

Maar Jezus is zich bewust geworden dat Hij daar niet ter plekke moet blijven in Kafarnaüm maar dat Hij een rondtrekkend prediker moet zijn: “Laten we ergens anders heen gaan, naar de dorpen in de omtrek, opdat Ik ook daar kan prediken. Daartoe immers ben Ik uitgegaan.”

Zo trok Hij dan door heel Galilea, predikte in hun synagogen en dreef de boze geesten uit.

Laten we dit alles nog een met meer aandacht nagaan: Reeds in de eerste zin vernemen we dus dat Jezus een godsdienstig man was, die de wekelijkse synagogale diensten bijwoonde en daar zelfs onderricht gaf. Hij ging daar in gezelschap naartoe zoals we hier vernemen. Samen met de vrienden bij wie Hij inwoont gaat Hij naar hun huis. De eredienst, het dienen van God, het godsdienstig zijn sluit niet uit dat Jezus ook een sociaal iemand was, die vrienden had, die bij mensen thuis kon zijn en die trouwens, zoals we aanstonds vernemen, ook veel aandacht had voor mensen, vooral voor mensen in nood.

Dat is dan het tweede tafereel. Jezus, de genezer. Naast de schoonmoeder van een van zijn vrienden geneest Hij een hele rits mensen van fysische,psychische ziekten en bevrijdt mensen van kwade invloeden of verslavingen.

Dat vinden we natuurlijk prachtig en het blijft een opgave voor de christelijke gemeenschap en voor ieder van ons om echte aandacht op te brengen voor zieken en voor mensen die beproefd worden of die in de greep van een verslaving zijn. We moeten bidden om licht en durf en specifieke gaven om die mensen te kunne helpen.

Maar dan zien we iets speciaals. Jezus staat vroeg op, “nog diep in de nacht”, schrijft Marcus (een latere leerling van Petrus en daarna ook van Paulus). Hij gaat naar buiten, in de stilte en waar Hij niet gestoord wordt, en daar bleef Hij bidden. Jezus kon niet zonder contact met zijn Vader en wij, wij zouden ook meer moeten beseffen hoe onontbeerlijk het contact met God is voor ons als gelovige mensen. Dat heeft ook zijn weerslag op ons leven van actie. Jan Vermeire, de stichter van Poverello, vertelde ons toen we eens in Brussel bij een van zijn opvangtehuizen voor daklozen en dompelaars waren dat Hij en zijn medewerkers het zeer druk hadden, maar dat ze af en toe eens naar boven gingen, naar een kleine gebedsruimte om daar even contact te hebben met Hem door wie ze zich gezonden wisten. Welke plaats, welke ruimte scheppen wij voor het gebed in ons leven? Kijk naar Jezus, onze Gids en Redder.

En dan zien we weer hoe Jezus in het gebed licht heeft gekregen. Hij heeft begrepen dat Hij niet knusjes in Kafarnaüm moet blijven en genieten van het succes dat Hij daar heeft als genezer, maar dat Hij moet gaan tot de andere dorpen en ook daar de mensen moet gaan spreken over Gods liefde voor hen en dat Hij ook daar moet tonen dat God hen wil genezen en vrijmaken.

Een hernieuwde oproep om te luisteren naar wat God van ons verlangt om te getuigen en om Gods liefde te tonen door daden van goedheid. God wil ons daartoe toerusten in de momenten van gebed. (Ben Van Vossel)

Jaar B ZONDAG 4 (29/01/2012)

Jezus' woord heeft kracht 

Teksten uit de Liturgie:
Deut. 18,15-20 God belooft een profeet / Ps 95 Luister heden dan naar zijn stem en wees niet halsstarrig / 1 Kor. 7,32-35 Ongehuwde heeft zorg voor de dingen van de Heer  / Mk. 1,21-28 Leer met gezag; uitdrijving onreine geest

 

In de eerste lezing uit het Oude Testament belooft God een profeet aan zijn volk. En profeten heeft Hij hen gezonden, mensen die hen opriepen tot zorg voor de zaken van God en het geluk van hun medemensen. Men moet dan ook echt luisteren naar wat God door zijn profeten wil duidelijk maken aan de mensheid. Profeten als moeder Teresa van Calcutta, de Spekpater, Pater Phil Bosmans en vele anderen ie ook in onze tijd ons gewezen hebben op wat echt belangrijk is om te doen en wat we best vermijden om onze wereld en de waardigheid van de mens niet stuk te maken.

Over de mensen in Jezus’ tijd werd soms gezegd dat ze elkaar verdrongen om toch maar iets van zijn woorden op te vangen… Zo heeft Paulus het in zijn Korinthiersbriers over ongehuwden die meer kunnen bezig zijn met de zaken van de Heer. Maar eigenlijk zouden wij als christenen allen voldoende tijd moeten maken om, ook in de drukte van de dag, af en toe met onshart bij de Heer te zijn en Hem te vragen wat Hij van ons bezigzijn vindt en wat Hij van ons verlangt; en dan biden om kracht.

In het evangelie is Jezus aan het spreken in e synagoge van Kafarnaüm waar Hij woonde, mogelijks in het vissersbedrijf van Petrus. De mensen waren onder de indruk van zijn woorden, Hij sprak als iemand met gezag. Iemand die uit eerste hand, uit eigen ervaring sprak over Gods liefde en hoe wij gehoor kunnen geven aan zijn plan van liefde met de mens…

Als sterk teken van de kracht van zijn woord, als een soort onderlijning bevrijd Jezus een man van een kwade geest… door de kracht van zijn woord. “Zwijg stil en ga uit hem weg”. Het is tegelijkertijd een zichtbaar teken van wat God met de mens voorheeft: bevrijding, heil.

In eigen leen ervaren wij ook wel eens onze grenzen, ervaren wij onze geneigdheid tot egoïsme, niet enkel als gezonde eigenliefde, maar gerichtheid op onszelf met voorbijzien van het heil van anderen en van wat God toekomt… Wij ervaren onvrijheid. Wij zien in de wereld ook heel wat spijtigs; de krant en de nieuwsberichten puilen ervan uit… Mensen verdienen geld aan oppervlakkigheid en aan de misleiding van medemensen…

Jezus’ woord klinkt vaak niet meer door. Men heeft meer oor voor gezondheidstips, keukentips, tips over whoolness, over jezelf worden en noem maar op… In dat alles steken soms stukjes waarheid en waardevolle zaken, maar ook veel dat niet de moeite waard is en vaak ook zaken die tegen het echte heil van de mens ingaat… Jezus wil mensen vrijmaken. Hij gaat de strijd aan met onwaarheid, bezetenheid, onvrijheid van de mens. Soms moet de mens wat meewerken, het verlangen om vrij te worden, je verdorde hand uitsteken, gewoon maar zeggen: Heer, maak dat ik zien kan, laat me leven in het licht, laat me weer rechtop lopen en geen dwaalwegen gaan, genees mijn ziel van haar melaatsheid, help me eenheid scheppen in plaats van haat…

En Jezus heeft de macht om ons te genezen en vrij te maken, ons op te richten als bevrijde mens, als kind van God. Laten we Hem dan maar weer en sterker roepen om bevrijding, voor ons onszelf en voor vele andere mensen in onze streken en over de wereld. Heer, maak onszelf, ons gezin, onze wereld meer en weer tot Gods domein, waar Hij geëerd wordt met oprechte harten. (Ben Van Vossel)

 

Jaar B ZONDAG 3 (22 Januari 2012)

Bekeer u en geloof. Kom, volg Mij 

Teksten uit de Liturgie:
Jona 3,1-5.10 / Psalm 25 De wegen van God zijn goed en betrouwbaar voor ieder die zijn verbond onderhoudt / 1 Kor. 7,29-31 / Marcus 1,14-20 Jezus verkondigt de Blijde Boodschap – Vissers van mensen

 

Johannes de Doper was weggevallen, de wegbereider had zijn taak vervuld, hij had verwezen naar de Dienaar van God, het Lam Gods dat de zonden van de wereld wegdraagt. De grootste der profeten zat nu opgesloten en moest van anderen horen wat Jezus deed en verkondigde.

Die boodschap klonk eeuwenoud: Het moment is gekomen om God in uw leven binnen te laten. Bekeert u, keer om van gezindheid en geloof in het Blijde Nieuws.

’t Is goed van ons ook even te laten aanspreken door de hoogdringendheid van die samenvattende boodschap. God wil vandaag heersen in uw leven. Als ge u in zijn koninkrijk, onder zijn heerschappij begeeft, vindt uw leven zijn ware vervulling. Daarom moet ge omkeren van mentaliteit: niet alles zelf beslissen maar aan God vragen wat Hij ervan vindt en dan geloven in het Blijde Nieuws, het Goede Nieuws van Gods liefde en nabije zorg voor u. Die ene gedachte zou ons leven kunnen vervullen als we er echt op zouden ingaan. En dat is dan ook de bedoeling. Ons leven op sporen te zetten, de sporen van bekering en van geloof.

Als lamgeslagen christenen in een land in crisis, maar waar mensen nog altijd boven hun stand leven, zich volproppen en hun cholesterol moeten opvolgen en hun lijn trachten te behouden, een land waarin de kerk zwaar heeft moeten boeten door de schuld van een aantal geestelijken… Lamgeslagen christenen die zich hebben gevoegd bij de massa van mediaverslaafden en consumptiefanaten… Bekeert u, zegt Jezus. Misschien is het te moeilijk om meteen een andere richting in te slagen? Maar hopelijk vindt Jezus’ uitnodiging toch een toegang tot ons hart en gaan we inzien dat we inderdaad op een verkeerde weg zitten… Dat ongebreidelde consumptiegedrag kan toch niet normaal zijn op een wereld met zoveel armoede en in een land waar ook veel verborgen armoede is… Overigens, hoe leeg worden we zelf als mens van zo’n levenswijze!

Daarom is het goed dat we vandaag dat evangelie beluisteren tot de laatste zin: Jezus ziet een paar jonge vissers. “Onmiddellijk riep Hij hen. Zij lieten hun vader Zebedeüs met de dagloners in de boot achter en volgden Hem.” Tevoren was dat ook al het geval met Petrus en Andreas terwijl ze bezig waren het net uit te werpen in het meer; zij waren namelijk vissers. Jezus sprak tot hen: “Komt, volgt Mij; Ik zal maken dat gij visser van mensen wordt.” Terstond lieten zij hun netten in de steek en volgden Hem.”

Zij horen Jezus stem en zijn treden onmiddellijk in actie.  

Wat gaan wij doen vandaag? We horen Jezus zeggen: “De tijd is daar. Bekeer u en geloof in de Blijde Boodschap.” Bekeren? Maar wij zijn toch al bekeerd! Geloven? Maar wij zijn toch gelovig!

Zoals ik daareven al zei: Bekeren wil zeggen: in plaats van zelf op de troon te zitten en zelf alles te beslissen in mijn leven. Ga ik vanaf dit moment eerst naar God opkijken om te zien wat Hij wil. Meestal voel ik wel aan waar Gods verlangen ligt.

En geloven in de Blijde Boodschap? Dat wil zeggen dat ik op de eerste plaats geloof dat God liefde is, dat Hij mij omgeeft met zijn zorg. Dat heeft als gevolg dat ik niet meer voortdurend gekweld door zorgen rondloop, maar alles in Gods handen leg, met vertrouwen. Ook de zorgen over mijn gezin en de toekomst. Ik werk en span me in, maar doorheen dit alles stel ik mijn vertrouwen op God. Op God vertrouwd, is op rots gebouwd! Zelfs midden tegenslagen en zelfs midden beproevingen van welke aard ook: op God blijven vertrouwen. Dat is onze roeping in het spoor van Jezus zelf. In dat spoor zijn ook die eerste volgelingen van Jezus gegaan.

In deze bidweek voor de eenheid van de christenen bidden wij om bekering en vernieuwd geloof voor alle volgelingen van Jezus. (Ben Van Vossel)

 

Jaar B ZONDAG 2 (15 Januari 2012)

Gaat mee om het te zien 

Teksten uit de Liturgie: 1 Sam. 3,3b-10.19 Samuël Samuël / Psalm 40 Ik kom, Heer, om uw wil te doen  / 1 Kor. 6,13c-15a. 17-20 Gij zijt niet van uzelf Gij zijt gekocht en de prijs is betaald / Joh. 1, 35-42 Ga mee om het te zien.

We hebben Hem gevonden. De Messias! Vrienden, wij kunnen ons gewoon niet meer indenken of voorstellen wat in die paar woorden lag uitgedrukt voor jonge Joden van die tijd. Dat waren, zoals omzeggens de hele Joodse gemeenschap, jonge mensen die uitzagen naar de bevrijding van hun volk uit de onderdrukkende macht van de bezetting door de Romeinen, en daar bovenuit zagen ze ook uit naar een soort innerlijke bevrijding, dat ze, persoonlijk en als volk, opnieuw en sterker in relatie zouden zijn met Jahwe, de enige levende God, die hun volk had uitgekozen en die altijd met het volk was meegegaan…. Tot Hem baden zij in hun gebedshuizen en in hun persoonlijk gebed. Zend uw bevrijder. Kom uw volk verlossen. Lach ons weer toe en wij zullen gered zijn…

Nu hebben twee jonge gelovigen Gods glimlach gezien, op het gelaat van een jonge man die in de omtrek is komen wonen. Ze waren Hem achterna gelopen omdat een profeet, hun leermeester hun gezegd had: dat is het Lam Gods, dàt is de Dienaar Gods waarover Jesaja gesproken heeft. De man die door zijn lijden heil gat brengen over het volk… Waar woont Ge, hebben ze hem gevraagd. En Hij, zo heel gewoon met een zachte glimlach: Gaat mee om het te zien. Zij gingen mee en zagen war hij woonde. Die dag bleven ze bij Hem. Het was ongeveer het tiende uur, vier uur in de namiddag. Het uur van zijn eerste ontmoeting met Jezus is Johannes nooit meer vergeten. Andreas ook niet, want zo gauw hij zijn broer Simon ziet, zegt hij: Wij hebben de Messias gevonden en hij brengt zijn broer bij Jezus. Simon krijgt een nieuwe naam: Petrus, de steenrots waarop Jezus zijn gemeenschap gaat bouwen. Hij wordt later de eerste christelijke bisschop van Rome.

’t Is eigenlijk voor ons allen een belangrijke ontmoeting waar we vandaag getuige van zijn. Wij zijn op het geloof van die eerste getuigen gebouwd: getuigen van zijn woorden en daden en van zijn verrijzenis. Dat Hij als de verrezen Heer hennabij is gebleven. En dat geloof spreken wij nog altijd uit: Heer Jezus, wij verkondigen uw dood en wij belijden tot Gij wederkeert dat Gij verrezen zijt!

Dat is het geloof van de kerk en dat is ons geloof. Maar… hebben wij ook de Heer al persoonlijk ontmoet? Die ontmoeting heeft op Johannes zo’n diepe indruk gemaakt.  Hoe is dat bij ons? Herinneren wij ons nog onze ontmoetingen met de Heer uit het gebed van onze kindertijd? Herinneren wij ons enige sterke momenten uit ons leven waarop we de nabijheid van de Heer, zijn ingrijpen of zijn troost hebben mogen ervaren? Die persoonlijke ervaringen zijn een belangrijke aanvulling bij het objectieve geloof van de Kerkgemeenschap. Het is goed aan die momenten terug te denken. Dat versterkt uw geloof. Het is goed om op dit eigenste moment u bewust te worden dat God in u woont, zoals Paulus vandaag schrijft aan zijn christenen van Griekenland: “Uw lichaam is een tempel van de heilige Geest die in u woont”. Het is goed ons ervan bewust te worden dat God tot ons spreekt en met ons op weg gaat zoals Samuël mocht ervaren: “Spreek, Heer, uw dienaar luistert”. Misschien moeten we wat meer stil worden, zo’n paar momenten vrijhouden voor het gesprek met ons belangrijkste Vriend en Gast: luisteren en spreken. Gewoon met ons hart wat bij Hem komen rusten. Het al ons opbouwen wat we zijn dan in contact met de Grond, de Oorsprong van ons bestaan, de Enige die een Garantie is voor echt leven en leven door alle omstandigheden en zelfs óver de dood heen. (Ben Van Vossel)

 

 

Jaar B OPENBARING VAN DE HEER (Epifanie) (8 Januari 2012)

Gekomen om Hem hulde te brengen en te dienen 

Teksten uit de Liturgie:
Jesaja 60,1-6 Verkondigen luid de roem van de Heer / Ps. 72 Alle volken der aarde huldigen U, Heer / Ef. 3,2-3a.5-6 Ook heidenen mede-erfgenamen / Mt 2,1-12 Gekomen om Hem onze hulde te brengen

"Wij zijn gekomen om Hem onze hulde te brengen."  Om die reden zijn de Wijzen op weg gegaan, de lange tocht vanuit het Oosten. Zij schamen er zich niet voor, zij gaan overal te rade waar het juist is dat ze moeten zijn en als ze het vernomen hebben gaan ze er recht naartoe en voeren zij uit waarvoor zij gekomen zijn. Zij aanbidden de grote Koning… een pasgeboren kind in een kribbe, de voerbak voor dieren.

Wat in dit verhaal ligt uitgedrukt heeft ook voor ons een grote betekenis. Voorons, niet-joden, is dat zo’n beetje ons Kerstfeest. De lezing uit de Efesiërsbrief maakte ons duidelijk dat God zich heeft geopenbaard, zich heeft doen kennen, niet enkel aan het Joodse volk, maar ook aan de heidenen, de niet-joden, en daartoe behoren ook wij. De Efesiërsbrief zegt het zo: de heilige Geest heeft het geopenbaard aan zijn heilige apostelen en profeten,: dat de heidenen in Christus Jezus mede-erfgenamen zijn, medeleden en mededeelgenoten van de belofte door middel van het evangelie. Door het geloof in het Evangelie mogen ook wij delen in de belofte aan het Joodse volk dat God de mensen heeft verlost door de Messias, de Heiland, Jezus Christus, onze Heer. We mogen geloven dat God ons allen liefheeft als zijn geliefde kinderen en dat Hij ons aan zijn hart drukt, omwille van Jezus, zijn Zoon, onze Heer. Het maakt ons diep dankbaar tegenover God.

Maar we willen op dit Feest waarop God liefde zich openbaart aan alle mensen ons ook spiegelen aan de Wijzen. Zij zijn op zoek gegaan en hebben er veel voor over gehad om hun doel te bereiken. In hoever zijn wij op zoek naar een dieper contact, een diepere ontmoeting met de Heer. Wij zullen Hem niet vinden als we niet op zoek gaan, vurig op zoek, met liefde op zoek gaan.

Misschien vraagt u zich af: op zoek gaan naar de Heer? Maar, ik ken Hem toch, ik ben toch gelovig, ik ben toch christen. Waar moet ik Hem dan nog zoeken?

Als ik echt gelovig ben, en als ik als gelovige tracht te leven, dan woont de Heer in mij. Dan weet ik waar ik Hem kan vinden. Maar dan moet ik Hem daar ook begroeten, met Hem spreken, Hem mijn hulde brengen, Hem zeggen dat ik Hem liefheb en dankbaar ben… Vaak bij Hem zijn, met Hem verbonden blijven, als de rank met de Wijnstok, want los van Hem kunt gij niets! Met wat een grote schat lopen wij door de straten van de stad, door de straten van het leven! Wij moeten meer aanbiddende mensen worden. Hem aanbidden in ons hart waar Hij zijn verblijf wil hebben.

Hem aanbidden, Hem dienen, Hem onze geschenken aanbieden… Dit moet een diepe geestelijke houding zijn, maar wij moeten Hem ook herkennen in het gelaat van de Kerkgemeenschap, hier en wereldwijd, in het gelaat van verdrukten, slachtoffers van uitbuiting, slachtoffers van de economische crisis… Zijn ze daar weer! Zo reageren wij soms als er weer eens een inzamelactie wordt ondernomen. Wij moeten daarin weten te onderscheiden. Maar ons helemaal afsluiten van de nood van medemensen, dat kunnen wij als gelovig mens niet maken. In de geringste van Zijn broeders en zussen meten wij ook de Heer weten te ontdekken, ook in hen openbaart Hij zich, Hij vereenzelvigd zich met hen. Wat een treffend beeld schetst ons het evangelie: “zij zagen er het Kind en zijn moeder Maria en op hun knieën neervallend betuigden zij het hun hulde. Zij haalden hun schatten te voorschijn en boden het geschenken aan…” Wij mogen ons hart niet sluiten voor het Kind en voor de noodlijdende mensenkinderen, onze broeders en zusters. Onze vriendelijkheid, onze dienstbaarheid – ook in ons eigen midden -, onze gastvrijheid, onze hulpvaardigheid, onze liefdadigheid moeten een kenmerk blijven van elk gelovige die zich wil spiegelen aan de liefde van God die zich geopenbaard heeft in de komst van Jezus Christus, onze Heiland. Ook wij zijn gekomen om Hem onze hulde te brengen en om Hem van dienst te zijn daar waar Hij zich openbaart in de mensen op onze weg. (Ben Van Vossel)

Jaar B FEEST VAN MARIA, DE MOEDER GODS  (1 Januari 2012)

Luisteren naar Gods woord en het bewaren 

Teksten uit de Liturgie:
Num. 6,22-27 Aärons priesterzegen / Psalm 67 God, wees ons barmhartig en zegen ons / Gal. 4,4-7 De Zoon maakt ons tot zonen / Lucas 2,16-21 Maria bewaarde al deze woorden in haar hart

Het gebeurt wel eens dat een volwassene en zelfs een bejaarde je meedeelt: “Ik herinner me nog een woord van de priester op onze trouwdag.” Of een jongere die zegt: “We hadden eens een bezinningsdag en toen heeft die predikant iets gezegd dat me tot op de dag van vandaag niet loslaat, een woord dat me nog altijd uitnodigt om mijn leven in dienst van God te stellen.” Soms kan een of ander woord uit de Schrift ons ook aanspreken, een woord uit een preek, een woord van een vriend, en woord uit de heilige Schrift... Het hangt er natuurlijk van af of we wakker waren, of we met een open hart luisterden…

Kijk, van Maria, Jezus’ Moeder, wordt het een paar keer gezegd, zoals hier na het bezoek van de herders: “Maria bewaarde al deze woorden in haar hart en overwoog ze bij zichzelf…”  En even later lezen we opnieuw bij Lucas, nadat Maria en Jozef Jezus teruggevonden hebben in de tempel dat Jezus hun zei: “Maar wisten jullie dan niet dat ik in het huis van Mijn Vader moest zijn”? Ze begrepen er niet veel van, maar Lucas noteert wel: “Zijn moeder bewaarde alles wat er gebeurd was in haar hart.”  Maria wordt door Lucas geschilderd als een vrouw die zich bezint over wat er gebeurd, die op zoek is naar de diepere betekenis van alles, vooral de diepe betekenis van Gods woord en van alles waar God een hand in heeft. Zij had trouwens van bij het begin, van bij de aankondiging van Jezus’ komst gezegd: “Mij geschiede naar uw woord.” Alles mag zó gebeuren zoals het God belieft. Ik wil volledig in zijn dienst staan, in dienst ook van zijn plan van heil met ons volk en de mensheid.

“Maria bewaarde al deze woorden in haar hart en overwoog ze bij zichzelf”. Het hoeft in ons  leven niet altijd een tragische omstandigheid of een overweldigende vreugde te zijn opdat we zouden weten dat God ons daar iets wil zeggen. Als christenen mogen wij weten dat God voortdurend contact zoekt met ons, ons wil leiden, ons wil bemoedigen, raad en richting wil geven… Ons groot probleem is niet enkel dat we dat maar half geloven, maar vooral ook dat we – waar het God betreft – wij wat doof zin of niet goed wakker. Op elk moment wil God met zijn liefdevolle aandacht ons leven richten naar het heil… Hij doet dat op heel wat manieren, maar het is van belang dat wij er naar uitzien, dat we iets van de gezindheid van Samuël hebben, die op raad van de priester Eli bad: “Spreek, Heer, uw dienaar luistert.”

Is het van belang om te zoeken wat God ons wil zeggen? Maken we het leven daarmee niet nodeloos ingewikkeld? Het is juist omgekeerd. Wij maken het leven nodeloos ingewikkeld en maken een hoop omwegen en gaan wel eens dwaalwegen, gewoon omdat we niet luisteren en niet op zoek zijn naar wat God ons zeggen wil. “Spreek, Heer, uw dienaar luistert.”

Wij maken er een probleem van dat we God niet horen spreken. Dat “horen” met onze oren is echter niet belangrijk. Wanneer we in ons hart geregeld het voornemen maken om te luisteren naar God, ons bereid verklaren om zijn verlangen te doen… dan zal Gods Geest ons leiden, en stilaan gaat het ons duidelijker en duidelijker worden wat God verlangt; en naarmate we dan kiezen voor Gods verlangen gaat het ook gemakkelijker worden om te luisteren en te kiezen volgens Gods verlangen.

Laten wij vandaag opzien naar de Moeder Gods, die ook onze moeder wil zijn volgens Jezus’ laatste wens, en vragen wij haar ons te begeleiden in die bereidheid om te luisteren naar Gods woord, dat woord te bewaren in ons hart en… ernaar te handelen. Laten wij vandaag een duidelijke stap zetten op die weg. (Ben Van Vossel)

 

Jaar B KERSTDAG (25 december 2011)

Hem ontmoeten 

Teksten uit de Liturgie:
Jesaja 52,7-10 / Ps. 98 Geheel de aarde aanschouwde wat God voor ons deed / Hebr. 1,1-6 / Joh. 1,1-18

Het Woord is vlees geworden, schrijft Johannes, Gods Zoon is mens geworden. God is zichtbaar tussen mensen komen leven. Niet te geloven! Ondenkbaar!  En dat geloven wij nochtans.

En omdat wij het geloven, zijn wij op zoek naar Hem. Op zoek naar Hem die ons kwam vrij maken en die vrede wou brengen aan de mensen. Waar bevindt Hij zich? Waar vertoont Hij zich? Waar kan ik Hem ontmoeten, met Hem spreken, mij door Hem laten aanraken om op mijn beurt zoon of dochter van God te worden, Gods glorie te verkondigen en vrede te brengen op aarde?

Eeuwenlang heeft een volk naar Hem uitgezien. Soms waren ze heel vurig, soms heel lauw. Soms verwachtten ze enkel maar nationale bevrijding, succes in de oorlog; andere keren – maar dat was dan vaak maar een ‘kleine rest’ zagen ze ook uit naar innerlijke vernieuwing en vrede met God en de mensen en zichzelf… En toen kwam Hij… als een klein kind en leefde in een slecht aangeschreven streek, een land van duisternis… Er werd weinig over Hem geschreven of gesproken… Die paar jaar publiek optreden waren al vlug achter de rug. Een klein groepje bleef in Hem geloven, wist Hem nabij en kreeg zulke Bijstand dat ze na verloop van tijd over heel de bekende wereld van Hem getuigden, met hun woord en door hun manier van omgaan met medemensen…

En zo zijn wij ook nu naar Hem op zoek. Wij ontmoeten Hem in de stilte van ons hart, en in de vierende gemeenschap rond het gebroken Brood en de gedeelde Beker, waarvan Hij zei: Dit ben Ik voor jullie. Zijn woorden, doorgegeven door zijn eerste volgelingen kunnen ons vandaag nog bezielen als we ze gelovig lezen en zijn Geest ze levend maakt voor ons…

Maar het blijft ook nog zo dat Hij in ons midden is en wij Hem niet herkennen. In de eenzame mens bijvoorbeeld, in de arme, en verborgen armoede valt weinig op. ‘Ik was ziek en ge zijt Mij komen bezoeken’… Wil ik Hem eigenlijk wel ontmoeten? Vind ik die kribbe wat al te simpel, die zieke of eenzame bejaarde niet zo aantrekkelijk, die baby wat al te schreeuwerig en veeleisend, die dolende jongere of verslaafde junkie wat al te lastig om te benaderen?

Het wordt inderdaad wat lastig. Iets lastigers dan gewoon een lichtje aan te teken bij een klein stalletje van Bethlehem. Ja.

Misschien moet ik toch maar beginnen met te bidden om de Geest die Jezus ons beloofde, die heilige Geest die de Vader ons graag wil geven. “Als gij dus, ofschoon ge slecht zijt, goede gaven aan uw kinderen weet te geven, hoeveel te meer zal dan uw Vader in de hemel de heilige Geest geven aan wie Hem erom vragen.” En dan geloven dat de heilige Geest ons gegeven wordt en … op weg gaan, een kleine stap zetten naar de ontmoeting met de Mensgeworden Zoon van God, daar waar Hij zich openbaart, daar waar Hij zich laat ontmoeten.

Misschien heb je Hem een kleinigheid (?) gegund tijdens Music for Life? Of in een gift voor Welzijnszorg? Of ben je Hem gaan bezoeken in een zieke, bejaarde, een eenzame? Of je hebt een kleine hulp geboden, zonder veel pretentie, zonder iets terug te vragen.

Het is nog niet te laat om Kerstmis te vieren. Om eer te brengen aan God en vrede aan de mensen die Hij liefheeft, want waar wij in het spoor van Jezus en bezield door zijn Geest mens worden, daar wordt eer gebracht aan God en daar verwezenlijkt zich de diepe vrede die God zijn mensen toewenst en schenkt. (Ben Van Vossel)

Jaar B Zondag 4 van de Advent : 

In dienst van de allerhoogste (18 december 2011)

Teksten uit de Liturgie:
2 Sam.7,1-5.8b-12.14a-16 / Ps.89 / Rom.16,25-27 /  Lc.1,26-38

Het zal weer vlugger Kerstmis zijn dan verwacht. Het leven is zo druk. Zelfs als de kinderen met vakantie zijn. Misschien is het dan juist drukker. Of als je zelf in vakantie gaat. Kerstmis? Zelfs als christen kan je wel eens wat al te weinig aandacht schenken aan dat Feest. Want het is niet zomaar een Feest. Wij vieren daar iets, wij roepen daar iets in herinnering: dat Gods liefde, zijn menslievendheid, zegt sint Paulus, onder ons verschenen is in de gestalte van Jezus, de Messias. In zijn menswording, zijn leven en al weldoend rondgaan tussen de mensen, zijn lijden en dood en verrijzenis… God heeft door dat alles bewerkt dat ons leen toekomst heeft, dat wij Hem nabij mogen weten, dat wij dus vanuit vertrouwen mogen leven… Met Kerstmis is dat Blijde Nieuws tussen mensen zichtbaar geworden in dat kleine Kind in de kribbe… Ga je er eens aan denken? En in dankbaarheid aanbidden? Jij weet ervan dus jij moet dat doen in naam van velen die dit niet weten. Jij hebt daarin een priesterlijke verantwoordelijkheid om dat te doen in naam van je broeders en zusters, de mensen.

In de Goddelijke Eucharistieviering van vandaag krijgen we de belofte van de Messias aan koning David in het 2de Boek Samuël.  Paulus in zijn brief aan de Romeinse christenen maakt hun het geheim bekend dat Gods liefde, die in Jezus is zichtbaar geworden, uitgaat naar alle mensen uit alle volkeren.

In het evangelie van vandaag mogen we de woorden horen, het Blijde Nieuws dat begonnen is toen God aan een eenvoudig Joods meisje kwam zeggen dat zij Moeder zou worden van de langverwachte Messias door de werking van de Heilige Geest. En zij stelt zich ter beschikking. “Ik ben het dienstmeisje van de Heer, mij geschiede naar uw woord.” (lees in het heilig Evangelie volgens Lukas 1,26-38)

Het is zo’n grote tegenstelling tussen wat mensen meetal nastreven: de sterkte, de mooiste, de eerste, de rijkste zijn, zelfs de machtigste… en dit in tegenstelling met God die aan een simpel meisje komt vragen om zich ter beschikking te stellen voor zijn plan van heil voor de mensheid. Zij wordt er niet hoogmoedig door, zij blijft zich maar het dienstmeisje noemen. Een christen zou zich ook altijd een dienaar of dienstmeisje moeten weten van God. We staan in zijn dienst. Daar is niets vernederends aan, het is bewust worden van wat wij zijn en wie en wat God is. Overigens zal Maria even later, bij haar nicht Elisabet, die ook een blij nieuws heeft gekregen, haar Lofzang zingen, het Magnificat, waarin ze Gods grootheid en goedheid bezingt, maar waarin ze ook profetisch mag zeggen: “van nu af prijzen alle mensengeneraties mij zalig, omdat Hij welwillend neerzag op de kleinheid van zijn dienstmeisje.”

In dienst mogen staan van de Allerhoogste, van ‘Hij die is’, die aan de oorsprong staat van alles. Aan de oorsprong van alles staat niet dat ‘deeltje’ dat ze in de deeltjesversneller gaan ontdekken binnenkort (laat ons hopen). Onze oorsprong is God, onze Vader, schepper van al wat zichtbaar en onzichtbaar is. In dienst staan van de Allerhoogste, van God die Liefde is. Wat een eer! Maar ook: wat een verantwoordelijkheid. Naar God toe om onze dankbaarheid en aanbidding uit te drukken, te beleven van dag tot dag, zondag en weekdag. En onze verantwoordelijkheid naar onze medemensen toe om te getuigen van de vrede die in je hart leeft door het geloof dat God, de almachtige en liefdevolle God met jou begaan is, je omgeeft.. Dat je in zijn liefde geborgen bent. Wat een vreugde! Wat een vrede! Het  lied van Kerstmis is dan ook: Eer aan God in de hoge. En vrede aan de mensen want God houdt van hen! (Ben Van Vossel)

Jaar B Zondag 3 van de Advent : 

Profeten wijzen naar de Heer 11 december 2011)

Teksten uit de Liturgie: Jesaja 61,1-2.10-11 Het genadejaar van de Heer  / Magnificat Lc 1,46-48.49-50.53-54 / 1 Tess. 5,16-24  Wees blij, Bid zonder ophouden, Blus de Geest niet uit / Joh. 1,6-8.19-28 Ik ben maar de stem

Soms zou je graag nog eens een profeet horen, zo iemand ie uit bijna eerste hand een boodschap doorgeeft van God. We hebben zo’n nood aan profeten. Aan stemmen die het woord van God dorogeven, die aangeven waar het op aankomt, die de weg tonen, die ons tegenhouden van heilloze wegen, wegen waar geen toekomst aan vastzit, alleen maar moerasgrond…

Zo’n profeten hebben niets van onze bv’s, niet of weinig van de tv-sterren die bejubeld worden en die zelfverzekerd of angstig op de gunst en de centen van het publiek jagen, of politici… Profeten zijn op de eerste plaats gegrepen mensen, mensen die aan het hart van God gerust hebben, die zich verbrand hebben aan zijn aanwezigheid, aan zijn woord, en die uitgezuiverd zijn… En daarom zijn het ook heel nederige mensen. Ze zijn zich welbewust dat ze iets te brengen hebben, niet hun eigen woord, maar een woord vanwege God. Zijzelf zijn alleen maar de stem. Zij laten zich door God gebruiken om zijn liefdevolle zorg voor de mensen duidelijk te maken. Die zorg en dat woord van God is niet gewoon wat suikerwater, wat honing aan de baard smeren, mensen sussen.. Nee, dat woord kan ook wel eens hard klinken. Maar het komt wel uit het liefdevol hart en de liefdevolle zorg van God… Profeten. Er zijn er nog wel. Maar wij kennen ze niet en hun stem is vaak niet te onderscheiden van al het andere lawaai waar wij op afstemmen of dat ons bijna doof maakt doorheen de massamedia… Maar ze zijn er en ze spreken. En nu moeten wijzelf op zoek gaan. Soms moeten we uit het lawaai wegtrekken, of al die stemmen uitzeven en leren onderscheiden wat van God komt, welke mens op welke plaats en welke tijd door God gezonden is. En wie op welk moment het Woord van God laat opklinken…

Er is nog iets anders. Ieder van ons wordt ook door God uitgenodigd om te komen rusten aan zijn hart. Op in de loop van die alledaagse dag van vandaag ons oor te luisteren leggen aan wat Hij ons wil zeggen en wat Hij wellicht aan de wereld wil zeggen, of aan die persoon of die personen die je vandaag nog zult ontmoeten. Want misschien moet jij vandaag die kleine profeet zijn die vanwege God iets moet zeggen door een woord of door een gebaar of door je gedrag… Ja, misschien wil God wel meer profeten zenden dan wij denken. Blijf er dan aan denken: je spreekt alleen maar Gods woord als je Hem hebt binnengelaten in je leven en wanneer je je bewust blijft dat jij enkel maar de stem zijn, niet het Woord. Bovendien moet je de mentaliteit van God hebben die niet zomaar mensen op het matje roept of in de smaak wil vallen, maar vanuit sterke liefde. Vriend van God, overvloeiend van nederigheid en vol liefde voor de medemens. Stel je open voor de profeten van God, stel je open om zelf profeet van God te zijn. Een profeet wijst naar God, niet naar zichzelf. Zo staat Maria op de iconen: verwijzend naar de Heer.

Maria wijst naar een klein kind. Gods profeten wijzen ons in deze tijd naar de armen, de kleinen, de mensen zonder huis, zonder inkomen… Ons verstand en onze redeneringen mogen geen hinderpaal worden voor de stem van God die zalig prijst wie Hem weet te herkennen en te dienen in de geringste van zijn broeder. laten wij Welzijnszorg niet aan gesloten deuren kloppen. Laten wij vertrouwen op de wijsheid van die organisatie die voor de echt behoeftigen in ons midden onze handen en veoten zijn en… ons hart. Nog een heilige Adventstijd. Hij komt midden onder ons. (Ben Van Vossel)

Jaar B Zondag 2 van de Advent : 

Hij komt. Maak zijn paden recht (4 december 2011)

Teksten uit de Liturgie:
Jesaja 40,1-5.9-11 Bemoedig mijn volk / Ps. 85,9-14 /  2 Petrus 3,8-14 De Heer talmt niet / Marcus 1,1-8 Bekering en vervulling door de H.Geest

Vandaag trekken we naar de Jordaan. We zijn ons bewust van ons falen tegenover God, zijn droom over ons leven, en ook weten wij – soms voelen we het scherp aan – dat we tekort kwamen tegenover medemensen, nabij en veraf. Zo kwamen we ook tekort tegenover onszelf, hebben we deze wereld minder mooi gemaakt… Af en toe gaven we ook wel gehoor aan Gods stem. Maar, nu staan we bij de Jordaan. We luisteren naar Johannes de doper die ons oproept tot bekering, belijdenis van zonden en het voornemen om de paden van ons leven recht te trekken, de weg gereeds te maken voor Hem die ons helemaal gaat vernieuwen, die ons gaat onderdompelen, niet gewoon in het water, maar ons gaat onderdompelen in de heilige Geest. Zodat we Jezus kunnen volgen, zodat we Gods verlangen beter gaan kennen en involgen; zo verwezenlijken we het doel van ons leven: het echte heil.

Soms zijnn we wel wat ontmoedigd. over de wereld, de mensen, de politiek en de economen, ontgoocheld over onszelf en soms ook al eens over God. Waarom doet die zo weinig? Waarom blijft alles – ook wijzelf – zoals het altijd al was, waarom is er zo weinig groei naar het Nieuwe, het Goede, die Nieuwe Wereld waar we toch allen wel eens van dromen? Waar blijft Het, waar blijft Hij?

De schrijver van de 2de Petrusbrief hoorde het zijn christenen ook al eens fluisteren. Hoelang gaat het nog duren voor het goede doorbreekt? Wanneer komt God hier alles eens op orde zetten? Komt Jezus nog niet terug?

Zoals Jesaja het zijn Joodse medemensen toeriep, zo doet het in feite ook de Petrusbrief: laat u vertroosten, laat u niet ontmoedigen. Als alles zo negatief voorkomt, beijver u dan om zelf uit te blinken door een heilig leven en innige vroomheid. Och wat is een jaar, wat is 1000 jaar. God maakt alles nieuw. Wij moeten ons alleen maar onszelf inzetten om het slechte van ons af te houden, om in vrede te zijn met God. Onze hoop is onze kracht en onze trots. Kijk ook meer naar het goede dat er reeds is, ook in uzelf. God is wel degelijk aan het werk. Blijf in contact met Hem, in uw hart, in uw gebed en dien Hem in uw broeders en zusters die het moeilijk hebben ook in deze tijd en in onze streken. De crisis treft het eerst de armsten. Heb er oog en aandacht voor. Doe mee met acties ten bate van hen. Zo baan je de weg nar de nieuwe wereld, samen met uw Heer, Jezus Christus en zijn broeders en zusters. (Ben Van Vossel)

Jaar B Zondag 1 van de Advent : 

Weest waakzaam want de Heer komt (27 november 2011)

Teksten uit de Liturgie: Jes. 63, 16-17.19b; 64, 3b-7 / Ps. 80 God van de heerscharen, richt ons weer op; lach ons weer toe en wij zullen gered zijn / 1 Kor. 1,3-9 Vol verwachting uitzien naar de openbaring van OHJX / Mc. 13,33-37 Weest op uw hoede, weest waakzaam

We kunnen ons natuurlijk wel wijsmaken dat ons bestaan, beperkt is tot ons leven hier op aarde. En dat dan alles gedaan is, althans met ons. Tenzij je gelooft in reïncarnatie of iets dat er op lijkt. De 3 grote monotheïsische godsdiensten, Jodendom, Christendom en Islam geloven in een leven over de dood heen, een persoonlijk voortbestaan.

Deze 3 grote godsdiensten zijn er bovendien van overtuigd dat ons huidig leven mee-bepalend is voor dat leven óver de dood heen.

In de Advent krijgen christenen nogal sterke uitnodigingen om waakzaam te zijn, op onze hoede te zijn, geen slaapwandelaars te zijn die zich in slaap laten wiegen door een materialistische ingesteldheid die vanuit de wereld en de media zich als een slaapverwekkend gas over de Westerse wereld verspreidt. Christus nodigde zijn leerlingen uit om te leven alsof Hij nooit weg is geweest. Ieder heeft zijn plaats gekregen en de deurwaarder moet waakzaam zijn. De Heer kan op om het even welk moment terugkomen. Dàt is dan ook de grote uitnodiging van het evangelie van vandaag. Dat we moeten leven alsof de Heer erbij is, dat we leven onder zijn blik. Dat wil dan zeggen dat we onszelf niets gaan wijsmaken, alsof dit of dat niet meetelt in de totale waarde van ons leven. Alles heeft zijn betekenis.

We moeten blijven uitzien naar de Heer. Verstandiger is het van voortdurend op te zien naar Hem. Hem aan je zijde te weten. En zo in de wereld aanwezig te zijn. Met Hem naast jou te leven, te werken, te rusten, aanwezig te zijn bij je thuis, bij het rusten en daar waar je leeft en werkt…

Met Hem erbij. Dat is dezelfde boodschap als deze van de wijze bruidsmeisjes, die altijd olie bij zich hadden voor hun lampjes.

In de wereld van vandaag mogen wij het niet opgeven waakzaam te zijn en de Heer aanwezig te zien. In de stilte, in de eenzaamheid, in de eenzame, in het beroep dat men op ons doet op ongelegen momenten, in beproeving en ziekte. Jezus zegt: als uw Heer onverwacht komt, laat hij u dan niet slapend vinden. ‘Slapend’ betekent hier: niet bewust van de echte werkelijkheid, dat ons leven zich afspeelt in de aanwezigheid van God.

Vandaag worden wij opgeroepen om ons sterker bewust te worden van Jezus’ aanwezigheid in ons leven, Hij interesseert ons aan alles wat wij doen, Hij is onze grote supporter… Ons van die werkelijkheid meer en dieper bewust worden, is de grote uitnodiging, van dit evangelie en van de hele Adventstijd. Het is een grote stap in de werkelijkheid en in de groei van een volwassener christelijk leven. Vragen we de heilige Geest ons daarin te leiden. Vragen we aan Maria, de Moeder van Jezus, ons voor te gaan in de spiritualiteit van uitzien naar de Heer en bewustwording van zijn aanwezigheid in en bij ons (Ben Van Vossel)

 

Jaar A Zondag 34 door het Jaar : 

Jezus Christus, Koning van het heelal (20 november 2011)

God weidt zijn kudde 

Teksten uit de Liturgie:
Ezek. 34,11-12.15-17 Ik zal mijn schapen weiden / Psalm 23 God is mijn herder / 1 Kor. 15,10-16a.28 / Mt. 25,31-46 Het oordeel: Wat gij gedaan hebt voor een dezer geringsten van mijn broeders hebt gij aan Mij gedaan

Op deze laatste zondag door het jaar zijn we gewoon van op de zien naar de grote rechter die komt oordelen over ieder mens. De dag van het oordeel, de uitspraak van de grote rechter. Wat gij voor een deze geringsten van mijn broeder of mijn zuster hebt gedaan of niet gedaan, dat hebt gij ook voor Mij niet of wel gedaan. En deze zullen heengaan naar de eeuwige straf, maar de rechtvaardigen naar het eeuwig leven. Zo klinkt het in het 25ste hoofdstuk van het Mattheüsevangelie.

Het is zo vaak geschilderd in vroegere tijden, dat we het bijna voor onze ogen zien. Die massa mensen, en Koning Christus op zijn troon, de enen afwijzend, de anderen onthalend, volgens de keuze die zij met hun leven gemaakt hebben.

Het is goed te bedenken dat we in ons leven tal van keuzen maken, die samengenomen ook de fundamentele richting van ons leven uitmaken. Het oordeel moeten we natuurlijk aan de Heer laten, want wij hebben vorige zondag nog gehoord hoe de Heer aan de een 5 talenten gaf, aan de ander 2, aan nog een ander 1 talent. Wij weten niet wat ieder van ons moet opbrengen, wij weten niet met wat een kleine goede keuze de Heer misschien al tevreden is voor sommigen aan wie weinig is toevertrouwd. Wij moeten allen de goede keuzen maken met datgene dat ons gegeven is aan wijsheid, rijkdom van hart en volgens onze levensroeping. Het oordeel ligt in Gods hand.

Wat me vandaag toch eerder treft dan dat grote visioen van het Uiteindelijk of Eindtijdelijk Oordeel, is het troostvolle beeld dat Ezekiël aan de ballingen van Babylon voorhoudt. Nadat hij de bewindvoerders verweten heeft dat ze niet goed voor het volk gezorgd hebben en het slechte voorbeeld hebben geven, laat hij God zelf aan het woord die zegt: “Ik zoek mijn kudde op en bezoek mijn eigen schapen. Zoals een herder omziet naar zijn kudde, en zich onder zijn schapen begeeft wanneer ze verstrooid zijn, zo zal ik omzien naar mijn schapen en ze in veiligheid brengen, hoe ver ze ook afgedwaald zijn ten gevolge van mist en nevel, Ik zal mijn schapen weiden, Ik zef zal ze laten rusten, spreekt God de Heer. Het vermiste schaap ga Ik zoeken, het verdwaalde breng ik terug, het gewonde verbind Ik, het zieke geef Ik weer kracht en het gezonde en sterk blijf Ik verzorgen…” (Ezekiël 34, 12.15-16).

Dat vind ik nu zo troostvol aan deze profetie van Ezekiël. Menselijk leiders blijven in gebreke. Wij hebben het gezien in Communistische landen, in landen in het Midden-Oosten, wij ervaren het hier in onze kapitalistische landen, hoe machthebbers en financieel-economische machten landen en arme bevolkingen tekort doen. Maar wij ervaren ook hoe geldgewin volwassenen en jongeren tot druggebruik leidt en allerlei verslavingen, hoe schrijvers filmproducenten en massamedia mensen op dwaalsporen leiden van genot ten koste van geluk, perversie te koste van een deugdzame levenswandel, extravagante ideeën ten koste van de waarheid en de innerlijke vrede… En weinigen zetten zich ten volle in voor het echte welzijn van de mensheid…

Maar God blijft zich verantwoordelijk stellen voor zijn mensen, Hij blijft zijn Geest zenden om mensen op te roepen tot het ware, het goede, het schone, tot echte medemenselijkheid en uitbouw van het mooiste in de mens, tot openheid op zijn vaderhart. God zendt ook vandaag nog mensen die graag willen delen in dat verantwoordelijkheidsgevoel van God zelf. Zij voeden zich aan het hart van God in het gebed, in beschouwing, in ontmoeting met de Grote Herder in de sacramenten, Hij die zijn leven gaf voor het ware geluk en de enige bestemming van de mens.

Deze laatste zondag van het kerkelijk jaar is een dag van dankbaarheid voor alle goede gave, maar bovenal voor Gods trouw en zijn blijvende zorg voor mij, voor u, voor ieder mensenkind. Moge zijn Geest onze harten zuiveren en ons activeren op de weg die Hij ons toont van radicale verantwoordelijkheid voor zijn mensen. In hen raken wij Hem. (Ben Van Vossel)

Jaar A Zondag 33 (13 november 2011)

Wees wakker in dienst van de Heer

Teksten uit de Liturgie:
Spreuken 31,10-13.19-20.30-31 Een vrouw die de Heer vreest en haar tijd nuttig besteedt / Ps.128 Gelukkig die godvrezend zijt / 1Tess. 5,1-6 wakend op de dag van de Heer / Mt. 25,14-30 De talenten doen opbrengen!

Christenen moeten geen slappelingen zijn, geen slapers, geen nietsnutten. De lezingen deze voorlaatste zondag van het liturgisch Jaar laten er geen twijfel over. Natuurlijk, om in de gezindheid van Jezus te blijven – en dat is ook duidelijk uit de evangelielezing: wij moeten niet meer opbrengen dan wat mogelijk is. Wij moeten geen 5 of 10 talenten bijverdienen als we er maar eentje gekregen hebben. Maar wat we gekregen hebben, dat moeten wij ook aanwenden en doen renderen. Action please.

Dat klinkt inderdaad nogal naar activisme. Maar dat is niet noodzakelijk zo. Het kan best zijn dat we een heel contemplatieve roeping hebben, maar die moeten we dan ook helemaal binnentreden. Om het even welke talenten, welke gaven, welke roeping en zending de Heer ons heeft toevertrouwd… we moeten er in intreden en ze beleven met al wat Hij ons heeft toevertrouwd. De Heer wenst ons geen proficiat als we zeggen: Heer je hebt mij maar één talentje toevertrouwd, weet U het nog? Wel, ik heb dat mooi begraven, het moet hier nog ergens liggen… Het ligt er natuurlijk helemaal niet meer. Ik heb het niet gebruikt, ik heb het niet ontwikkeld, ik heb het niet laten renderen en het heeft zich dan ook niet kunnen vermenigvuldigen in zijn werking ten bate van Gods Rijk en mijn medemensen…

Welke talenten, welke gaven heeft God aan u toevertrouwd? In welke roeping heeft Hij u geplaatst? Welke mensen zendt Hij op uw weg om er iets voor te betekenen? Welke materiële en geestelijke gaven schonk Hij u om ze aan te wenden voor iets goeds? En hebt u er echt iets mee gedaan? Hebt u ze vrucht laten dragen? Wij moeten er toch naar streven om het woord te horen dat Jezus die heer tot zijn dienaar laat zeggen: “Uitstekend, goede en trouwe dienaar, over weinig waart ge trouw, over veel zal ik u aanstellen. Ga binnen in de vreugde van uw heer.” We willen best dat andere woord vermijden dat begint met “Slechte en luie knecht!”

Als dit evangelie misschien meer de mannen aanspreekt, in de eerste lezing zien we een vrouw aan het werk die haar tijd echt niet in ledigheid doorbrengt, maar van wie ook gezegd wordt dat ze er vooral op uit is om in alles de Heer te dienen. Zij wordt zalig geprezen.

Dat klinkt ook in de tussenzang door: leven met God voor ogen, eer geven aan God door al je werken.

In diezelfde lijn ligt de lezing uit de eerste brief aan de christenen van het Griekse Saloniki aan wie Paulus schrijft dat ze geen slapers mogen zijn, zich niet in slaap moeten laten wiegen door wat het leven en de wereld aanprijst, en dat zijn vaak werken van de duisternis. Je gaat dan plots voor het feit staan dqat je niet meer van leven kan veranderen, dat je moet vaststellen: de draad van mijn leven is plots af, en ik heb er niets van gebakken. De Dag van de Heer gaat u als een dief verrassen. Leef al kinderen van het licht, kinderen van de dag; wij behoren als christenen niet aan nacht en duisternis. Wij moeten waken en nuchter zijn. Dat wil zeggen: wij moeten ons niet dronken laten maken door wat de massamedia en de straat ons wijsmaken en aanprijzen als belangrijk; ons niet laten afbrengen van ons geloof en wat de Heer ons heeft onderwezen.

De Heer, de Kerk en het christelijk geloof worden op dit ogenblik in onze westerse wereld doodgezwegen of belachelijk gemaakt. Het is gewoon een uitdaging om zelf ons geloof te koesteren, er echt van te leven, vaak contact te zoeken met de Heer in het gebed en in het beantwoorden aan zijn verlangen, vooral in de dienst aan de medemens. Dan zullen wij kracht ontvangen om getuigen te zijn van het Blijde Nieuws dat God van de mensen houdt en dat Hij ook vandaag, als de Levende, geluk en diepe vrede biedt voor al wie Hem zoeken. Geluk en vrede dat al het klatergoud overtreft waarmee onze maatschappij publiciteit voert. Wees waakzaam. Wees wakker. Dien de Heer. (Ben Van Vossel)

 

Jaar A Zondag 32 (6 november 2011)

Leven als wijze mensen

Teksten uit de Liturgie:
Jaar A Zondag 33 (6 nov. 2011)  Wijsheid 6,12-16 De wijsheid zoeken / Ps.63 Heer, mijn God, naar U dorst mijn ziel/ 1Tess. 4,13-18 Bij de komst van de Heer / Mt. 25,1-13 Wijze en domme meisjes

In de lezing uit het Oude Testament gaat het over de wijsheid. Je moet haar zoeken, en zij is op zoek naar mensen die er ontvankelijk voor zijn. Het is een uitnodiging om toch eens na te denken wat echt belangrijk is in het leven. Wie is echt wijs? Wie gaat dom te werk? Het gaat er hier in de liturgie niet over of je beter een dieselwagen koopt dan wel een motor op benzine. Je kan je daarbij dan gaan afvragen of je wel een auto nodig hebt en, zo ja, of je eerder met een milieubewust geweten een aankoop moet doen. Het gaat in het evangelie niet over je technische of wetenschappelijke kennis of hoe je bij een financieel-economische crisis best te werk gaat met jouw geld of dat van je gezin…

Het gaat om iets diepers, iets dat met heel je mens-zijn en met je ‘staan voor God’ te maken heeft.

Dat is de hamvraag: hou ik bij mijn denken en spreken en bij mijn daden ook rekening met God. Dat klinkt misschien wat al te godsdienstig en wat buitenaards. Maar als je daar als gelovige over nadenkt, staat niets in je leven los van God, heeft alles ook met God te maken. Je mag God dan niet zien als iemand of een instantie tegenover wie je je moet verantwoorden, maar als iemand die zich aan jou interesseert en die graag zou hebben dat je echt gelukkig wordt.

De ware wijsheid is dan dat je zo tracht te denken, te spreken en zaken te ondernemen in overleg met God. Natuurlijk moet je daar niet eerst voor naar Rome of Jeruzalem, hoef je niet eerst een paar dagen retraite te doen. Je bent al langere tijd met God op weg, je hebt het gebed een plaats gegeven in je leven, je ontmoet de Heer in de Eucharistieviering, je hoort daar ook zijn Woord… en dat maakt dat je binnenin jezelf reeds heel goed kan weten wat volgens God de beste weg is naar het heil en dat van je medemens… Voor die echte wijsheid moet je je openstellen, ze involgen, en dan neemt ze stilaan bezit van je denken en doen. Ze wordt een deel van jezelf. Je voelt dan aan wanneer je niet leeft of handelt volgens die wijsheid, en dat is dan niet de weg naar het geluk…

Wat is er dan aan de hand met die bruidsmeisjes uit de parabel van Jezus? Er zijn er die olie bijhebben voor hun olielampjes. Dat zijn mensen die leven met de Heer voor ogen. Ik zeg het misschien inderdaad wat wereldvreemd, maar het komt daar toch wel op neer. We moeten in ons doen en laten, ons spreken en ons zwijgen, ons afvragen wat de Heer ervan vindt. En als we dan ook handelen volgens Gods verlangen, dan volgen we de weg van de wijsheid. Dan zijn we zoals die wijze bruidsmeisjes die met hun lapjes ook olie meehadden in hun kruiken.

Daar zouden we ons in moeten oefenen, in het leven met God voor ogen, dat betekent: ons afvragen waar Gods verlangen ligt en bidden opdat we die weg zouden gaan in het leven van elke dag. Dan hebben wij onze kruiken met olie gevuld en kunnen we de olielampjes echt laten branden wanneer het erop aan komt. Laten we vandaag en morgen meer bewust op weg gaan met de Heer. Allerheiligen en Allerzielen hebben ons de weg gewezen die wijze mensen gegaan zijn. Laten we doen zoals zij. (Ben Van Vossel)

Jaar A Zondag 31 (30 oktober 2011)

Woord en daad van verantwoordelijken

Teksten uit de Liturgie:
Mal. 1,14b-2,2b-.8-10 Priesters, gij zijt van de weg afgeweken / Ps 131 Heer, bewaar mijn hart in vrede / 1 Tess 2,7b-9.13 Wij hebben dag en nacht voor u gewerkt / Mt. 23,1-12 Handel niet naar hun werken. Gij hebt maar één leraar

De schriftgeleerden en Farizeeën hebben het nog maar eens gedaan bij Jezus. Als een profeet veegt Hij hun de jas uit: Doe wat ze zeggen, maar handel niet naar hun daden, want het is voor een heel deel schijnheiligheid. Deze woorden mogen voor priesters, diakens en catecheseleraars een bron van overweging zijn, maar eigenlijk voor alle volwassenen. Want allen hebben wij te getuigen van ons geloof, onze hoop en onze liefde tot God en de medemens. En dan weten wij dat zowel het geloof als de hoop en de liefde zich zal moeten uiten in een leven van geloof en vertrouwen en liefde. Wat dat betreft sluit de brief van Jacobus, de eerste van de katholieke brieven nauw aan bij dit woord van Jezus: uw geloof moet blijken uit uw daden. Schone woorden worden er voldoende gesproken, maar ze moeten een weerklank vinden in onze daden. Dàt is het waarmerk op ons geloof, onze Godsvertrouwen en onze liefde.

Jezus maakt dan publiciteit voor een heel andere gezindheid bij deze die verantwoordelijkheid dragen in de geloofsgelmeenschap. Het is niet omdat je je “vader”  of “leraar” laat noemen dat je het ook echt bent. Heb je echt het hart van een “vader”, een “herder”, een “leraar” die mensen wil verder leiden naar het echte licht? Ieder van ons wil wel eens iets van zogenaamde “wijsheid” doorgeven. Ga ja jezelf daarmee op een pied-de-stalle zetten, of wil je je medemens echt verder helpen, iets van licht aanreiken?

Bovendien zegt Jezus: als je er echt op doordenkt is alleen God echt herder en behoeder van de mens, is Hij alleen Vader als oorsprong en bewaarder van elk mens. Maar Hij wil wel dat wij herder en behoeder zijn voor onze zussen en broers, onze medemensen, vooral voor de kleinen en kwetsbaren. En ook, zo zegt Jezus: je hebt maar één leraar, de Christus. Alleen Jezus draagt alle wijsheid in zich, alle waarheid die wij behoeven om een leven van waarheid te leiden en naar het echte leven toe te leven.

We hoorden dezer dagen weer heel wat over relativiteitstheorie en vooral over Kwantumkosmologie naar aanleiding van het optreden van de natuurkundige en kosmoloog Steve Hawking in Leuven. Als je dan Jezus hoort zeggen dat we maar één leraar hebben, dan denk je wel eens even hoe dat te rijmen valt met het zich verder ontwikkelende denken rond de oorsprong van heelal en mens… Daar hoeft op zich geen tegenspraak te zijn tussen de waarheid die Jezus brengt en die met ons dagelijks op weg gaan te maken heeft, met het concrete bestaan van elke dag en met de zekerheid van Gods bestaan en van zijn bezig zijn met elk mens. Het is belangrijk voor ons dat we onze zekerheden omtrent Gods bestaan en zijn betrokkenheid op ons duidelijk verwoorden voor onszelf en naar dezen die ons zijn toevertrouwd. Dan kunnen we rustig ook luisteren naar wat een op weg zijnde wetenschap ons verder aan licht meegeeft. Wij mogen dat dan een plaats geven in ons alomvattend geloof en vertrouwen en ongestoord de weg van de liefde verder gaan op deze kleine planeet Aarde, midden dat grote heelal of midden die massa’s mogelijke universums waar de wiskundige kosmologie over theoretiseert.

Wij mogen buigen voor onze God en Vader, voor onze Heer en Leraar Jezus Christus in Naam van de hele mensheid en van heel het heelal. “Wanneer ik door de velden ga en zon en hemel gadesla, dan weet ik, Heer, hoe groot Gij zijt en buig mij voor uw majesteit. U zingt mijn ziel op blijde toon, mijn God Gij zijt oneindig schoon”. (Ben van Vossel)

 

Jaar A Zondag 30 (23 oktober 2011)

Het voornaamste gebod

Teksten uit de Liturgie:
Exodus 22,20-26 Gods gebod vd naastenliefde / uit Psalm 118 Heer, ik heb U lief, mijn sterkte zijt Gij  / 1Tess. 1,5c-10  Gij hebt u bekeerd van de afgoden / Mt.22,34-40 Het voornaamste gebod

Nog maar eens een ziekelijke crimineel die door de samenleving wordt uitgespuwd. De maatschappij moet haar mensen beschermen. In Libië werd de verdrukker gelyncht. Het zijn harde beelden. Maar in onze kranten en op teevee vernamen we nog wel meer treurige zaken of negatieve zaken die om sancties roepen. En tussen de lijnen van onze berichtgeving door, en tussen al wat we horen en wat we zien gebeuren is er nog veel meer dat nood heeft aan licht en bevrijding. Een tragisch feit van een verslaafde vrouw die nood heeft aan steeds maar meer en sterker drugs en uiteindelijk wordt gedood en in de brand van haar woning ook de twee jonge kindjes omkomen door rookvergiftiging. Slachtoffers van drugdealers en profiteurs… Nogal wat mensen komen ook in armoede terecht in onze samenleving, waarin nochtans veel welvaart aanwezig was. De komende besparingen die de regering belooft, voorspellen niet veel goeds. Ondertussen zijn heel wat mensen in Griekenland ten einde raad, op de rand van ernstige armoede, met alle gevolgen van dien…

Kunnen we deze enkele grepen uit de actualiteit in verband brengen met de vraag van de Farizeeën  over wat het voornaamste gebod is in de Wet van Mozes? Jezus aarzelt niet te antwoorden. Tussen die Meer dan 600 voorschiften van de Mozaïsche wet haal Hij een één uit, één met twee sterke kanten: Ge zult de Heer uw God beminnen met heel uw hart, heel uw ziel en heel uw verstand. Dit is het voornaamste en eerste gebod. Het tweede, daarmee gelijkwaardig: Gij zult uw naaste beminnen als uzelf. Heel de Wet en de profeten hand aan deze twee geboden.

 

We hadden maar om één gebod gevraagd, het voornaamste. Jezus oordeelt echter dat liefde tot God en deze tot de naaste niet uit elkaar mogen gehaald worden. Je kan niet roepen ‘God is groot’, ‘Gods wil boven alles’, en ondertussen onschuldige mensen zomaar de keel gaan oversnijden. Je kan niet roepen ‘Gods Naam zij gezegend’, en ondertussen je maar zitten te verrijken terwijl onder je ogen mensen kreperen van honger of bevriezen van de kou. En dat gebeurt ook in onze steden.

Wij moeten onze ogen meer opentrekken aan wat er in onze omgeving gebeurt, de ellende die er is, de mensen ook jonge mensen die stuk gemaakt worden door het egoïsme van anderen… We moeten er over spreken met anderen en samen zien wat er wellicht moet ondernomen worden…

Maar natuurlijk moet elke wereldvernieuwing beginnen in ons eigen leven. Waar is in mijn leven de liefde tot God te zien, hoe geef ik daar uiting aan? Rui: ik nog wat plats in voor het gebed, heet luisteren naar zijn woord… En hoe laat ik die liefde tot God uitdeinen naar de medemens toe in oprecht naastenliefde? De naaste(n) in mijn eigen woonst, mijn buren, de mensen op mijn parochie, mijn gemeente? Zie ik de nood van die mensen om mij heen, in mijn eigen gezin? Hoe straal ik Gods liefde uit naar hen toe?

Gisteren op een begrafenis werd een man geloofd om zijn voortdurende vriendelijkheid, gedienstigheid, zachtheid… Het was echt een uitnodiging om zelf ook wat meer ‘al weldoende rond te gaan’ zoals Jezus en zoals zoveel christenen… Eigenlijk formuleert Jezus het nogal sterk: Gij zult uw naaste beminnen als uzelf.  Ik hoop dat ge uzelf graag ziet, dat ge voor uzelf zorgt, voor uw eten en rusten en gezondheid… Dit soort gezonde eigenliefde, de zorg voor jezelf is nodig om ook van anderen te kunnen houden. Maar dan klinkt het ook radicaal: hou van de anderen, zorg voor de anderen, voor je naaste, zoals je voor jezelf zou zorgen… Hier komt dan de vraag om de hoek kijken: moet je je eigen belang soms niet wat op de achtergrond plaatsen, moet je soms niet eerst voor een anderen zorgen, als dienst nood veel zwaarder is dan die van jou? Als een arm gezin in je omgeving het echt heel zwaar heeft, moet je dan niet wat van je overvloed, of van je ‘voldoende’ afstaan om in de grotere nood te voorzien? “Ge zult uw naaste beminnen als uzelf”.  Het is een vervelend woord van Jezus, we zouden het liever niet horen. Dat is het ongeluk van naar de Eucharistieviering te komend at je dit woord wél hoort… Maar het is geen “ongeluk”, het is juist een genademoment wanneer je dat woord diep beluistert en ernaar gaat handelen. Het is een bron van diep geluk. Het bevordert je menszijn en je gelijkenis met God, die ons in Jezus alles heeft gegeven.

Laat dat woord van Jezus maar rauw op ons bord komen. We zullen er dan lang op kauwen, maar het zal ons tot leven roepen en bron van vernieuwend leven zijn. God beminnen en de naast als uzelf. (Ben Van Vossel)

 

Jaar A Zondag 29 (16 Oktober 2011)

God of Caesar?

Teksten uit de Liturgie:
Jes. 45,1.4-6 / Ps. 96 / Tess. 1,1-5b / Filipp 1,15-16 / Mt. 22,15-21“… en aan God wat God toekomt.

“Aan God geven wat God toekomt.” Er is natuurlijk een zee van verschil tussen wat we theoretisch weten en … de daad bij het woord voegen. Theoretisch weten we als gelovig mens dat we alles van God ontvingen, vaak bemiddeld, door andere mensen. Je zou dan kunnen redeneren dat zo alles ook aan God toekomt. Maar, wat is alles? En, vraagt God wel alles?

God heeft ons misschien verantwoordelijk gemaakt voor een gezin. We zullen dan ook moeten zorgen voor dat gezin, ook zorgen voor een toekomst voor die personen. Maar, misschien kun je dat ook wel op de rekening zetten van God. Immers, als Hij jou verantwoordelijk maakt voor sommige personen, dan mag je ook veronderstellend at wat Hij jou toevertrouwd als bezit, juist mag dienen voor de taak die Hij jou toevertrouwd. Dat lijkt nogal logisch.

Maar och, gaat het wel alleen over materiële zaken, over geld en materieel bezit? Dat was wel de aanleiding van de vraag die aan Jezus gesteld werd. Belasting betalen aan de vreemde bezetter of niet? Jezus weigert zich tot een politieke stellngname te laten verleiden, die trouwens weinig toekomst zou hebben. Hij trekt de vraagstelling open naar de diepmenselijke bestaansvraag: Wie dien jij? In wiens dienst sta jij? Wie is er ten diepste jou Heer en Meester? Tegenover wie heb jij op de eerste plaats verantwoording af te leggen? Tegenover God of tegenover Cesar?

Voor een christen is die Caesar, die politiek-verantwoordelijke ook maar in dienst van God. Als je Hem je bijdrage geeft is dat alleen maar omdat God dat ook wil. God laat in zekere zin de wereld zijn gang gaan, maar midden in het reilen en zeilen van die wereld, laten wij ons leiden door wat we menen te onderscheiden als Gods verlangen. Niet dat God zo’n voorliefde heeft voor deze of gene Caesar. Hij laat ons de vrijheid om daarin te onderscheiden. Maar in je hart moet je je gesteld voelen tegenover Gods verlangen. Je moet je hart en je leven toewijden aan God. En dan kiezen wat je aanvoelt als zijn verlangen.

Geef aan Caesar wat Caesar toekomt. Maar vooral: geef aan God wat God toekomt.

Aan God moet je hart toebehoren? Je leven. Je inzet in de samenleving. Je staat in zijn dienst. De rest moet in die richting geordend worden. Je tijdsbesteding, je inzet in de samenleving, je ontspanning, je werk, je materieel bezit… Als God jouw Heer is, dan kijk je geregeld eens naar Hem op, om te weten wat Hij vindt van je inzet, en van de keuzen die je maakt, waar je het meeste belang aan hecht enz…

Je moet wel bedenken dat God geen dwingeland is. Maar het is wel zo dat Hij zijn zeg moet krijgen in heel je leven. Dat klinkt nogal veeleisend, bijna vreesaanjagend. Maar de ene God is geen boeman, maar juist een liefdevolle God, enkel bezorgd om ons geluk, enkel begaan met ons diepste heil. De keuze is da in theorie vlug gemaakt. “God, mijn God zijt Gij, ik zoek U reeds bij het ochtendgloren. Naar U dorst mijn ziel en hunkert mijn hart, als dorre vlakten naar regen”. De praktijk is een keuze van elk moment? Om Gods verlangen tot ons te laten komen, en er – met de bijstand van de heilige Geest – ook daadwerkelijk voor te kiezen. Metterdaad. God of Caesar? God natuurlijk, maar soms zegt Hij dat we ook aan Caesar iets moeten gunnen. Die sukkel moet ook zijn heirbanen kunnen betalen nietwaar? J Ik wil u tot slot er toch nog bij vertellen dat die afgezanten van de Farizeeën en de Herodianen - die de vraag stellen of men belasting moet betalen aan de keizer of niet - door Jezus serieus in de zak gezet werden. Jezus vraagt hen immers: Laat Mij de belastingmunt eens zien.' Zij hielden Hem een denarie voor. Hij vroeg hun: 'Van wie is deze beeldenaar en het opschrift?' Zij antwoordden: 'Van de keizer.'”. (Mt.22,20-21). Dit was zowel voor de Herodianen, die toch wat aan de kant van het volk wilden staan, als voor de Farizeeën een echt affront. Zij zaten in hun zak met een afbeelding van de bezetter, en voor de Farizeeën was het een onttrouw jegens God om in je zak de afbeelding van een keizer te hebben die zichzelf tot God had uitgeroepen.

Maar komt, laten wij gewoon onze eigen rekening maken en niet deze van die Farizeeën en Herodianen.  Wie is ónze Heer en Meester. Voor wie leven wij? In wiens dienst stellen wij ons? (Ben Van Vossel)

Jaar A Zondag 28 (9 Oktober 2011)

Uitgenodigd door God 

Teksten uit de Liturgie:
Zondag 28 Jaar A (9 okt. 2011) Jes. 25,6-10a Messiaanse maaltijd / Psalm 23 De Heer is mijn Herder / Filip. 4,12-14.19-20 / Ef. 1,17-18 / Mt 22,1-14  (Het bruiloftsfeest)

Je bent uitgenodigd voor een feest, maar je hebt geen zin om er heen te gaan. Je gaat er dus naartoe, al of niet goed gemutst. Of je doet zoals de mensen uit deze parabel van Jezus. Ja gaat gewoon naar je werk, je doet gewoon de zaken die je zinnens waart te doen. Desnoods ga je de mensen die je uitnodigden nog affronteren ook of er kwaad over vertellen. Iets dergelijks vertelt Jezus aan de mensen van ijn tijd, met de woorden en voorbeelden van die tijd.

Wat zegt Hij aan ons? Jullie zijn uitgenodigd door God om deel te nemen aan het feest voor Jezus, Gods Zoon. Ik zou het concreet kunnen maken zoals een pastoor dat zou doen en zeggen dat je uitgenodigd bent tot de zondageucharistie, dat wekelijks feest van de Jezusvrienden, die samenkomen met en rond Jezus, om God te eren en te danken en om gevoed te worden met Jezus zelf.

Maar de parabel heeft een nog ruimer bedoeling en is niet enkel meer gericht tot de hogepriesters en leiders van het volk. Jezus spreekt ons aan, Jezus vertelt iets aan ons. Jullie zijn uitgenodigd om gelukkig te worden, maar je kunt maar gelukkig worden als je in contact leeft met Mij, Jezus, Zoon van God.

En nu moeten we eens goed luisteren wat Jezus over de reactie van de mensen vertelt, met droefheid, met spijt in zijn hart. “Zeg aan de genodigden: alles staat gereed. Komt dus naar de bruiloft”. En dan zegt Jezus: “Maar, zonder er zich om te bekommeren gingen zij weg, de een naar zijn akker, de andere naar zijn zaken…”  “Zonder er zich om te bekommeren”. Ze horen nog niet eens wat Hij zegt. Ze lezen nog niet eens de uitnodiging. Wat interesseert ons God. Wat interesseert ons wat Jezus zegt. Er is zoveel belangrijker nieuws, zoveel belangrijkere zaken. Zoveel interessanter nieuws te horen en te zien. Zoveel plezanter feestjes. Wat is dan de meerwaarde die God en die het geloof bijbrengen aan ons leven?

Hier staat Jezus natuurlijk machteloos. Immers, op welke weegschaal gaan we afwegen wat belangrijk is, wat echt geluk betekent, wat ons het meeste vreugde geeft, het meest opbrengt?

Neem je de weegschaal van het materieel profijt? Of de weegschaal van het meest waardevol en betekenisvol voor je groei als mens en het voordeel van je medemens?

Jezus weegt met een weegschaal waar opstaat: Gods verlangen. Dat kan zijn drink een goed glas wijn. Eet eens lekker. Het kan ook zijn: ga je zieke buur bezoeken in het ziekenhuis. Hou je eens echt bezig met de toekomst van je hoogbejaarde ouders, zie wat je kan doen voor de ellende in de Hoorn van Afrika… Is dat plezant? Is dat waardevol? Brengt dat iets op? Dat zijn vervalste weegschalen.

Jezus herhaalt ons dat welbekende woord: “… zoekt eerst het Koninkrijk en zijn gerechtigheid: dan zal dat alles u erbij gegeven worden.(Mt.6,33) Het koninkrijk van God is overal waar Gods wil gedaan wordt, dat is ons leven als het in dienst staat van God, als er naar Gods verlangen geluisterd wordt. Daar is het koninkrijk, dààr is God koninkrijk.

En het is enkel binnen dat koninkrijk, binnen Gods verlangen, dat de mens zijn volle geluk kan vinden? Nu en later. Wij moeten dus ons best doen om goed te luisteren naar die uitnodiging van God om naar het geluk toe te leven.

We moeten niet dwaas doen, dronken gevoerd door de massamedia en de consumptiecultuur: “… zonder er zich om te bekommeren gingen ze weg: de een naar zijn akker, de ander naar zijn zaken ”

Het voordeel van onze keuze om naar Gods verlangen te luisteren, zijn verlangen om ons naar het echte geluk te voeren… Het voordeel daarvan is dat we eens even stilvallen, eens even nadenken over de zin van het leven en wat nu eigenlijk echt waardevol is. Je hebt mensen die zo een druk leven leiden dat ze geen tijd hebben voor hun gezin… met alle gevolgen daaraan verbonden.

En het grote voordeel is dat we ons leven zijn echte waarde geven.

Trouwens naarmate we kiezen voor God, naarmate we gaan leven volgens zijn verlangen, gaan we dat ook gemakkelijker kunnen. We krijgen een steviger ruggengraat. Wij worden méér christen in ons handelen, maar ook in ons denken en aanvoelen. We gaan ons wat wapenen tegen de rotcultuur die de media ons trachten in te lepelen, langs soaps, feuilletons en zelfs langs gemanipuleerde nieuwsgaring. Vragen we de Heer dat we gevoeliger mogen worden voor zijn verlangen, soepeler worden bij het involgen van dat verlangen en dankbaar dat de echte vrede van de Heer bezit neemt van ons hart. (ben van vossel)

 

Jaar A Zondag 27 (2 Oktober 2011)

Zorg dragen voor Gods wijngaard 

Teksten uit de Liturgie:
Jes. 5,1-7 / tssz. Ps. 80,9 en 12, 13-14, 15-16, 19-20 De wijngaard des Heren is het huis van Israël /  Filipp. 4,6-9 Wees onbezorgd / Allel. Joh. 15,6 / Mt. 21,33-43 Misdadige wijnbouwers

 

De eigenaar van dat land heeft een prima wijngaard aangelegd met alle mogelijke voorzieningen. Met alles erop en eraan. Hij verpacht die wijngaard en vertrekt… Dat laatste staat er om aan te geven: Kijk mensen, ik heb mijn werk gedaan. Ik vertrouw nu mijn wijngaard aan u toe. Zorg ervoor en zorg dat hij ook nog iets opbrengt…

Dit begin van de parabel is voor een gelovig mens niet zo moeilijk om te begrijpen. Wij hoeven er niet bij te bedenken dat deze parabel is uitgesproken voor de hogepriesters en de oudsten, de bestuurders van het volk Israël, de parabel wordt in onze kerken voorgelezen en het zijn christenen die deze parabel aanhoren. Deze parabel is dus tot ons gericht en wij hoeven niet meer het proces te maken van die Joodse leiders uit het begin van onze jaartelling.

God heeft ons de wereld toevertrouwd met al wat hij bevat, de aarde, de mensen, onszelf, onze talenten, ons verstand en onze mogelijkheden, de planten, de dieren, het water en de lucht en de bodemschatten…

Je kan daar natuurlijk heel concrete toepassingen bij gaan maken en dan zeggen: op dàt vlak schiet ik tekort. Dat zijn van die direct moralistische toepassingen. Daar is niets verkeerds mee, maar ik meen dat we het geheel eens moeten bekijken en dan een algemene inschatting moeten maken. Hoe sta ik, hoe staan wij tegenover die wijngaard die de Heer ons heeft toevertrouwd en waarvan Hij vindt dat we er voor moeten zorgen en zorgen dat Hij kan openbloeien en vrucht dragen…

Misschien dan toch maar wat moralistische vragen maar waarbij we het geheel moeten bekijken. Het gaat namelijk over mijn, over onze verantwoordelijkheid in dat alles. Niet verwijzen naar de hogepriesters en de oudsten van het volk, niet verwijzen naar ministers en schepenen. Nee, gewoon eens naar onszelf kijken. Verbeter de wereld, begin met jezelf!

Voel ik me verantwoordelijk voor de lucht. Voel ik me verantwoordelijk voor de lucht, voor de bodem en het water? Maar allee, wat heb ik daar mee te maken. Weet je wel wat vliegtuigen en schepen vervuilen in de lucht en het water? En wat de koeltorens en fabrieken teweeg brengen op het vlak van de klimaatsverandering?  Kijk, we trachten weeral te ontkomen aan de vraag. De vraag en de opdracht gaat immers naar wat ik doe om de afvalberg redelijk te houden door gescheiden afvalsortering, wat ik doe om de energierekening (en dus het verbruik van grondstoffen) tracht te beperken, het gebruik van de auto, de isolering van mijn woning. Wat doe ik op het vlak van de recyclering, van kleding, meubilair, ...het komposteren. Werk ik mee met de maatregelen van de overheid?

Respect voor mijn medemensen, voor de armsten, de uitgestotenen, de zieken, de kinderen, de buur in nood. Zij horen ook allemaal thuis in die grote wijngaard die de Heer ook aan mij heeft toevertrouwd. En mijn gezondheid, mijn talenten, mijn huis... Draag ik er zorg voor en laat ik het de dienst doen waar God het toe bestemt?

Er zijn zoveel vragen te stellen, die alle op hetzelfde neerkomen. Ben ik mij er reeds van bewust dat God me in die grote wijngaard heeft geplaatst, waar ik met mijn eigen talenten en mogelijkheden ook mijn deel van de verantwoordelijkheid voor moet dragen. Dit is geen louter materiële vraag, een vraag die enkel te maken heeft met materiële zaken, die heeft te maken met mijn relatie tot God. En het is goed dat ik me daarover ook eens grondig bezin. En niet over hogepriesters en oudsten van Israël, niet over premiers en burgemeesters beginnen, maar over mijzelf. Hoe bepaal ik mijn houding tegenover al het geschapene, in het licht van mijn relatie tot God? (Ben Van Vossel)

Jaar A Zondag 26 (25 september 2011)

Gods verlangen DOEN 

Teksten uit de Liturgie:
Ez. 18,25-28 / Psalm 25,4bc,6-7,8-9 / Filip. 2,1-11 / Joh. 10,27 Mijn schapen luisteren naar mijn stem; en Ik ken ze en ze volgen Mij / Mt. 21,28-32 De twee zonen

 

Heb je Hem al eens op bezoek gehad? Die vader die u komt vragen: “Mijn zoon, dochter, ga vandaag werken in mijn wijngaard” (Mt. 21 vers 28). Want het gevaar bestaat natuurlijk weer dat wij dit een mooi verhaaltje vinden en da het niet genoeg is van ergens ‘ja’ op te zeggen, maar datje het ook moet doen.. Enzovoort.  Of zou dit soort dingen alleen in Jezus’ tijd, in een ver verleden zich hebben voorgedaan?  Nee, dit woord moet ook voor ons nog een betekenis hebben. Wat vroeg God ons vandaag? Gewoon de dingen te doen die moeten gedaan worden. Zo is het meestal. ’t Is maar af en toe dat God ons eens iets heel speciaals vraagt. Maar ook als God ons gewone dingen vraagt, de gewone “plichten van staat” zoals die vroeger genoemd werden, zelfs dàn zijn dat speciale zaken, is dat een speciale, belangrijke opdracht, OMDAT … GOD het vraagt.

Ons gewone leven is nooit gewoon. Dat we vandaag het eten gereed maken, dat we vandaag het huisop orde zetten, dat we vandaag of morgen of over naar ons werk trekken en in het weekend even wat stoom aflaten… het staat niet los van onze relatie met God. Hij, de eigenaar van de wijngaard spreekt ons aan als zijn kinderen. “Ga vandaag werken in mijn wijngaard.” Neem de taak op die ik je toevertrouw: een belangrijke taak of een peulschilletje, een waar je tegenop ziet of een die je graag doet, bijna als een hobby. “Wat sta je daar niets te doen”, vraagt God. Waarom werk je alleen maar voor materiële dingen, of alleen maar voor zaken die voor de hand liggen? Kijk toch eens naar mijn gelaat. Weet dat IK het ben die u die taak opdraag, die u vraagt om aan de slag te gaan…

Dat is nu de stap in het geloof, in het geloof in God die ons leven leidt. Die ons geschapen heeft en onze toekomst is en ons op ieder moment in leven houdt. Alleen tegenover Hem hebben wij verantwoording af te leggen. Hij zal erover oordelen of we zijn opdracht hebben vervuld of “ja” gezegd hebben maar het toch niet hebben gedaan…

Geloven is “leven met God voor ogen”, “je gesteld voelen tegenover God”. Het is niet alsof je tegenover een dwingeland stond, nee, hij is als een vader: “Mijn zoon, ga vandaag werken in mijn wijngaard”. En als je niet gaat, als je vandaag enkel voor jezelf werkt. Okay, zegt God, en Hij gaat naar een andere zoon of dochter: “Mijn zoon, ga vandaag werken in mijn wijngaard”.

Werk je alleen voor eigen rekening. Dan zul je jezelf moeten betalen op het eind. Maar als gelovig mens weten we dat we uiteindelijk onszelf zullen oordelen volgens Gods waardenschaal…

Werken voor God, leven met God voor ogen. Het is een uitdaging. De grootste uitdaging van ons leven. Maken we vandaag de goede keuze en treden we dan ook in dat spoor dat we getrokken hebben: werken in ZIJN wijngaard, de wijngaard van God. (Ben Van Vossel)

 

Jaar A Zondag 25 (18 september 2011)

Dank God voor alles 

Teksten uit de Liturgie:
Jaar A Zondag 25 (18/09/2008) Lezingen genomen uit:  Jes. 55,6-9 / PS. 145 / Fil. 1,20c-24.27a / Mt. 20,1-16a De werkers van het elfde uur!)

Wij zijn gemaakt naar Gods beeld en gelijkenis. Wat een eer! Als je ons ziet als een weerloze schreiende baby, zou je het niet zeggen, en ook niet als we ziek zijn of als we gebrekkig worden of als we als bejaarde veel zaken niet meer aankunnen, ja, dan blazen we niet meer zo hoog van de toren. Maar zelfs als we krachtpatser zouden zijn, of een geleerde bolleboos, ook dan weten we dat het alles maar voor een tijdje is, en dat er o zo weinig nodig is om ons een toontje lager te doen zingen, of totaal sprakeloos te worden. Er is trouwens nog iets heel anders. Beeld van God zijn wij, Gods kinderen en verlost door Jezus, geroepen tot gemeenschap met God. Maar als mens zijn we kleine, breekbare schepsels. En onze gedachten over belangrijk of waardeloos, over kracht of zwakheid zijn zo heel anders dan die van God. Het Oude Verbond zegt ons reeds: “Waardeloos is een paard in de strijd en stoere mannen zijn waardeloos”, “Mijn gedachten zijn heel anders dan uw gedachten”. En Paulus schrijft over de vernederende dood die Jezus stierf, ook daar hebben mensen zich zwaar vergist: “Gods kracht en Gods wijsheid heeft zich juist in die zwakheid getoond”. Het kruis, de ondergang van Jezus is juist zijn overwinning geworden. God denkt over heel wat zaken anders dan wij, tenzij we Hem beter leren kennen, dan kunnen we ons stilaan het standpunt indenken waarop God zich stelt.

Neem nu die parabel van Jezus over de werkers van het elfde uur, dat betekent dus die enkel gewerkt hebben van 5 tot 6 uur in de namiddag, wanneer de zon niet meer zo hard schijnt. En die gasten krijgen evenveel als de mensen die van zes uur ’s morgens aan ’t werken zijn. Welke arbeider en welke vakbond zou dan niet op zijn achterste poten gaan staan! Dat is nu toch echt niet serieus, te gek om rond te lopen. Allee zeg!

Maar het gaat hier niet over een sociaal probleem. Het gaat Jezus om onze relatie tot God en de eisen die wij soms aan God willen stellen om zo of anders te handelen, om ons dit of dat te geven, want, zie eens, wat ik allemaal gedaan heb, gepresteerd heb, daar moet toch wel een flinke beloning aan vasthangen! Hier zitten wij totaal verkeerd.

Neem dat een mier u komt vertellen dat ze vandaag al tien droge grassprietjes tien meter ver heeft gevoerd en nu komt ze haar loon opeisen. Als je toevallig een groot natuurliefhebber bent, zegt je misschien: prachtig gedaan, maar een decoratie ga je haar daar nog niet voor opspelden.

Wij staan zo als kleine mensen in totale afhankelijkheid van God, dat we enkel maar kunnen danken voor wat Hij ons geeft. Het leven, het beetje tijd dat Hij ons geeft hier op aarde, de mensen die we mogen ontmoeten, het werk dat we mogen doen, en och God, het is dan nog vaak vermengd met een hoop miserie… Maar als we het Goede Nieuws al vernamen: Hij roept ons om zijn kinderen te worden, om nu al als zijn kinderen te leven en we mogen die vrede dan ook in ons hart gewaar worden… Hij zond zijn enige Zoon om voor ons de weg naar het echte geluk open te brengen door het Kruis. En tenslotte wil Hij ons voor eeuwig laten delen in zijn goddelijk leven…. En dan komen wij, als die mier, vragen wat dat mierenleven ons heeft opgebracht. We komen achter onze decoratie, onze tien denaries.

We worden vandaag uitgenodigd om een glimlachend gezicht op te zetten en vandaag en morgen te leven in dankbaarheid om het leven, om al wat ons is gegeven, om Gods vriendschap en om het eeuwig leven dat Hij ons belooft. (Ben Van Vossel)

Jaar A Zondag 24 (11 september 2011)

Koester geen wrok 

Teksten uit de Liturgie:
Jezus Sirach 27,30-28,7 Koester geen wrok / Rom 14,7-9 Christus behoren wij toe / Matteüs 18,21-35 Onbarmhartige knecht!

“Wrok en gramschap zijn iets afschuwelijks, alleen een zondaar blijft ermee lopen. Wie wraak neemt, zal de wraak van de Heer voelen: Hij zal zijn zonden nooit uit het oog verliezen”! Dit is een tekst uit de eerste lezing, uit het Oude Testament, het boek van de Wijsheid van Jezus Sirach. Het evangelie sluit daar naadloos bij aan. Als Petrus aan Jezus vraagt hoe vaak hij zijn medegelovige moet vergeven, antwoord Jezus: zeventigmaal zevenmaal. Altijd en telkens weer. En Hij weer een van zijn mooie verhaaltjes. Een knecht die een enorme schuld werd kwijtgescholden en dan diezelfde knecht die zijn medegelovige geen respijt geeft om een kleine schuld terug te betalen. Die onbarmhartige knecht wordt gestraft door zijn Heer, en Jezus voegt eraan toe: “Zo zal ook mijn hemelse Vader met ieder van u handelen die niet zijn broeder van harte vergiffenis schenkt.”

Vergiffenis schenken.

Hebt u mensen die u iets schuldig zijn? Die ge iets te vergeven hebt? Die u pijn hebben gedaan? Ik stelde de vraagt: hebt u mensen die. Ik vroeger niet: Kent u mensen die… Nee, hebt u mensen die u iets schuldig zijn. Hebt ge die? Want die houdt ge vast, die blijft ge beladen met die schuld. Die blijft ge in uw gedachten met de vinger wijzen en ge draagt hen hun schuld achterna. Eigenlijk blijven we dan ons hart ook vergiftigen, met die wrok, die kwaadheid… We zullen natuurlijk zeggen: Ja maar, je had het zelf eens moeten meemaken!… En het is duidelijk dat we het kwaad niet moeten goedpraten, wat verkeerd is is verkeerd: hardheid, gebrek aan tederheid, achterklap, zelfzucht waardoor men anderen kwetst in zijn zelfrespect en gevoelens…

Maar zowel in het Oude als het Nieuwe Testament wordt ons gezegd dat we niet mogen haten, geen wrok mogen blijven koesteren: “Kan hij, die onverbiddelijk is voor zijn evenmens, om vergeving bidden voor zijn eigen zonden?”

Vergeving schenken aan mijn medemens, in het gezin, mijn familie, mijn buurt, mijn werkmidden, mijn gebedsgroep of religieuze gemeenschap… Er is werk aan de winkel.

Maar wij kunnen ook negatieve gevoelens blijven koesteren tegenover groepen mensen. Als we als Vlamingen op onze rechten staan en die ook politiek willen verdedigen, is dat één zaak, maar tegenover de Walen in ’t algemeen en tegenover iedere Waal negatieve gevoelens koesteren is tocht nog iets heel anders. Oudere mensen herinneren zich nog heel wat van de oorlog. Hoe staan zijn tegenover de Duitsers? Mensen van de witte brigade? Familie van gefusilleerden, krijgsgevangenen, geïnterneerden? Hoe staan we tegenover mensen die hebben gecollaboreerd, en hoe staan mensen uit zogenaamde ‘zwarte families’ tegenover hen die hen vernederd en gebroodroofd hebben? Moet in onze harten en in ons collectieve handelen nog niet een en ander vergeven worden en eventueel enige kwalijke gevolgen hersteld?

Als in Irak alleen al 70 christelijke kerken werden verwoest of beschadigd en heel wat christenen ook priesters en bisschoppen werden vermoord, ontvoerd of verjaagd… Dan kan in ons hart ook haat groeien tegen de Islam in het algemeen, of tegenover concrete moslims die we ontmoeten, vooral omdat ze meer en meer in ons straatbeeld aanwezig zijn. Kunnen we vergiffenis schenken en de zaken en problemen die zich eventueel stellen rustig en rationeel benaderen en er goede oplossingen voor zoeken?

En zo zijn er wellicht nog heel wat andere relaties tegenover enkelingen of groepen die ons hart vergiftigen met wrok, kwaadheid, haat… Het is vandaag een enige gelegenheid om dat alles ook eens naar de Heer te brengen en te vragen dat Hij ons zijn heilige Geest zou zenden om ons hart e genezen en te bedenken – zoals de Schrift het ons leert – dat wijzelf ook schuldenaars zijn tegenover God. Maar Hij vergeeft. Radicaal. Dat wil zeggen tot in de wortel. Zo die kunnen wij misschien nog niet vergeven, maar we kunnen wel bidden dat de Heer ons helpt om mensen die tegenover ons misdeden tot te vergeven, of minstens voor hen te bidden. Laten wij bidden om de genade van vergeving. (Ben Van Vossel)

 

Jaar A Zondag 23 (4 september 2011)

Hoeder van je broeder 

Teksten uit de Liturgie:
Ez.33,7-9 Als wachter heb Ik u aangesteld / Psalm 95,1-9 Luister dan heden naar zijn stem; weest niet halsstarrig / Rom. 13;8-10 Liefde vervult de ghele wet  / Mt.18,15-20 Wanneer uw broer gezondigd heeft

 

Het evangelie en de eerste lezing van vandaag roepen het woord ‘verantwoordelijkheid’ op: we zijn verantwoordelijk voor elkaar en we moeten die verantwoordelijkheid ook opnemen. Enige beperking kan er komen van mensen die niet gediend zijn met onze bemoeienissen of goede raad of begeleiding… en die het ons ook duidelijk maken.

Dit is heel iets anders dan het antwoord van Kaïn aan God, wanneer deze hem vraagt: waa is uw broer? “Ben ik soms de hoeder van mijn broeder?” Een lelijk antwoord waarmee hij zich losrukt van zijn broer, waarmee hij alle banden verbreekt… Hij had dit al gedaan door zijn broer te vermoorden, nu maakt hij er ook in zijn woorden vanaf. Ik heb er geen uitstaans mee, ik ben niet verantwoordelijk voor wat er met mijn broer gebeurt of gebeurd is.. Maar God weet wel beter. En Jezus stelt het opnieuw op scherp:

Wanneer uw broeder gezondigd heeft, wijs hem dan onder vier ogen terecht…  In het boek Ezekiël klinkt het zo: “Mensenkind, als wachter heb ik u aangesteld over het volk… Hoort gij een woord uit mijn mond, waarschuw hen dan namens Mij.”

Jamaar, ik ben de paus van Rome niet, hee! Ik ben geen aartsbisschop of eerste minister of hoofdonderwijzer! Best mogelijk, maar Jezus spreekt tot zijn leerlingen in het algemeen. Niemand van ons uitgezonderd, niemand van ons i Hem te min, niemand moet werkeloos blijven. “Kom ook gij werken in mijn wijngaard.”

Moet ik mijn medemens dan gaan betuttelen? Moet ik iedereen die verkeerd doet, gaan terecht wijzen? Moet ik zedenpreker worden?

Nee, we moeten ons niet in een kunstmatig kostuum gaan hullen en menen dat we ons overal moeten gaan bemoeien. Van belang is eerder dat wij, door trouw gebed en evangelielezing gevoelig worden voor het waaien van de Geest, voor wat de Geest zegt aan de kerken en aan … mij. Daarmee bedoel ik dat Gods Geest ons de omstandigheden zal aanwijzen – stilaan duidelijker naarmate we trouwer ingaan op zijn ingevingen – en dat Gods Geest ons zal aanwijzen waar, wanneer en aan wie wij soms iets vanwege God zullen moeten zeggen. Vooral de manier waarop is van belang. Ook dat moeten wij vragen aan de heiige Geest: dat Hij ons leert welke woorden we best gebruiken, hoe we iets aan de man of vrouw brengen, hoe we iets moeten inkleden…

In het evangelie gaat het hoofdzakelijk over iemand van de slechte weg afbrengen, maar het is evenzeer van belang dat we mensen op de goede weg brengen, dat we hen wijzen op de echte weg naar het geluk, het waardevolle van de weg die Jezus ons leert in het evangelie… Ook dat is ‘je verantwoordelijk voelen voor je broeder’. We zijn allen aangesteld als wachters, als hoeder van onze broeders en zusters. Zelfs als ze leven als heidenen, zullen we nog moeten luisteren naar Gods Geest die ons ingeeft wat we voor hen kunnen doen.

Overigens is het einde van deze evangelieperikoop zeer belangrijk.. Jezus heeft het daar over het gebed en vooral over het gebed samen met anderen. Hij zegt daarover heel sterke zaken: “Waar twee van u eensgezind iets vragen op aard, zullen zij het verkrijgen van mijn Vader die in de hemel is. Want waar er twee of drie verenigd zijn in mijn Naam, daar ben Ik in hun midden.” Is er niemand in mijn buurt (in mijn gezin) met wie ik kan bidden voor de tijdelijke en vooral ook de geestelijke nood van mensen die we kennen? Misschien is dat een eerste aanzet opdat de Heer ons daarna duidelijker zal tonen wat we verder nog kunnen doen om onze broeder of zuster te helpen op de weg naar het heil. (Ben Van Vossel)

 

Jaar A Zondag 22 (28 augustus 2011)

Een gekruisigde Christus 

Teksten uit de Liturgie:
Jeremia 20,7-9 Ik kan niet tegen U op / Psalm 63 Naar U dorst mijn ziel en hunkert mijn hart / Romeinen 12, 1-2 Wijd uzelf aan Hem toe / Mt. 16,21-27  Wie zijn leven wil winnen zal het verliezen

Vorige zondag werd Petrus de hemel in geprezen door Jezus: “Zalig zijt gij, Simon, zoon van Jona” om uw prachtige geloofsbelijdenis. Vandaag zegt Jezus tot Petrus: “Ga weg van mij, satan, gij laat u leiden door menselijke overwegingen en niet door wat God wil.”

Het kruis, het lijden van de Messias, zijn schijnbare ondergang en mislukking… daar kon het Joodse volk niet mee leven. Petrus wordt hier als het ware het symbool van elke Jood en heiden die zich die eerste tijd na Jezus zich tot Jezus wou bekeren. Zolang Jezus leven een succesverhaal was met genezingen van zieken, opwekking van doden, genezing van melaatsen en – niet te vergeten – met broodvermenigvuldiging en alles wat men nog van Hem kon verwachten… Zolang Hij die genezer en wonderdoener was en jazeker, ook die Meester die zo deugddoend kon preken en over God spreken… zolang alles goed ging en Hij succes had, stelde zich geen probleem om Hem te volgen en je leven aan Hem toe te vertrouwen.  Maar dat kruis! Wat kwam dat doen in het leven van Hem die het volk kwam bevrijden? De Messias die mislukt, die wordt overgeleverd in de handen van heidenen en door hen aan het kruis wordt geslagen. Je durft het bijna niet zeggen aan mensen die zich willen bekeren. Hoe komt dat Jezusverhaal over als je aan een zoekend mens vertelt: “De Messias in wie ik geloof, is door zijn vrienden in de steek gelaten, is gevangen genomen, is geslagen en met doornen gekroond, heeft zelf zijn kruis moeten dragen, is buiten de stad aan het kruis gespijkerd, Hij is gestorven en dan ook nog doorstoken door een Romeins soldaat…”

Wat een dwaze god, zeggen heidenen, een schandaal, zeggen de Joden.

Paulus zal het later duidelijk samenvatten: “wij verkondigen een gekruisigde Christus, voor de Joden een aanstoot, voor de heidenen een dwaasheid, maar voor hen die geroepen zijn, joden zowel als heidenen, is Hij Gods kracht en Gods wijsheid.” (1KOR.1,23-24)

Blijkbaar een probleem dus voor de eerste christenen. Volgelingen van een mislukkeling! Maar dan was er nog niet gesproken over de verrijzenis en over de kracht die de Heer ook in hun leven nog wilde uitoefenen door de heilige Geest, die Hij hen zond….

Maar wat heeft dat evangelie aan ons te zeggen. Ook wij moeten gelovig aanvaarden dat God zijn Zoon heeft gezonden als een mens tussen mensen. Wij zijn ons vaak te weinig bewust van wat dat betekent. De oneindig verheven God die zomaar eventjes in ons vergankelijk lichaam tussen ons zijn tent opslaat.. Dertig jaar een vergeten bestaan leidt. Wat rondloopt en blij nieuws verkondigt in een klein landje, zonder snel vervoermiddel of elektronica. En tenslotte aan een kruis sterft. En uit dat alles willen wij Gods liefde aflezen: zozeer heeft God de wereld (en jou en mij) liefgehad dat Hij zijn enige Zoon heeft gezonden, niet om de wereld te oordelen maar opdat de wereld gered zou worden…

O, ik weet het, wij zouden dat natuurlijk heel anders aangepakt hebben. En Petrus, de warmbloedige en oprechte vriend van Jezus komt als eerste in opstand. “Dat verhoede God, Heer! Zo iets mag U nooit overkomen!” Maar hier moeten wij nederig buigen voor Gods liefdesplan. Nederig en vooral ook dankbaar. Telkens wanneer wij een kruisbeeld zien. Telkens wanneer wij de Heer ontvangen in een stukje Eucharistisch Brood, iets van niets. Telkens we Jezus’ woorden, die alledaagse eenvoudige woorden, beluisteren, nederig en dankbaar buigen en erkennen: Gij hebt woorden van eeuwig leven. Naar wie zouden wij anders gaan…

Jezus zal het niet onder stoelen of banken steken. Dit gaat mij overkomen: verwerping, lijden en dood. Het raakt de apostelen tot diep in hun hart, zo diep dat ze zelfs niet horen dat Jezus ook spreekt over ‘verrijzen. En ook wij zullen als christen bereid moeten zijn om het kruis op te nemen en niet ons leven te willen redden en te vullen met een hoop compromissen, maar weten dat we enkel onszelf kunnen redden door in Gods verlangen te staan en ons leven aan Hem en zijn liefde toe te vertrouwen. Onze manier van leven zal daarvan moeten getuigen. (Ben Van Vossel)

 

Jaar A Zondag 21 (21 augustus 2011)

Getuigen van Gods liefde voor alle mensen 

Teksten uit de Liturgie:
Jes.  22,19-23  Hoge benoeming / Psalm 138 Uw goedheid, Heer, blijft duren zonder einde; vergeet het maaksel van uw handen niet / Rom. 11,33-36 Onpeilbare rijkdom van Gods wijsheid en kennis / Mt. 16,16-20 Wie ben Ik voor u?

Als je geen  al te goede leerling bent of je bent niet goed voorbereid en dan krijg je daar van de leerkracht een onvoorziene vraag voorgeschoteld die bovendien nogal persoonlijk getint is… Je kan dan een uitvlucht zoeken om niet hoeven te antwoorden of je kan zowat algemeenheden formuleren of hoe “men” daar ooit antwoorden op gegeven heeft. Jezus maakt het de leerlingen iets gemakkelijker. Hij vraagt eerst: wat zeggen de mensen dat Ik ben? Kijk, daar antwoorden de leerlingen vlot op. Je zou kunnen zeggen: dat is al de helft van de punten. Maar dan komt de tweede vraag en Jezus heeft hen het gras van een mogelijke  uitvlucht rees weggemaaid, want ze kunnen niet mer zeggen wat “de mensen” zeggen, of dat ze niet voorbereid zijn op de vraag, immers, waarom volgen ze Jezus dan al maanden als zijn leerlingen, zijn volgelingen?

“Maar Gij, sprak Hij tot hen, wie zegt gij dat Ik ben?”  En alstublieft, geen algemeen of nietszeggend antwoord; geen antwoord uit de boekskes. Geen antwoord van wat andere mensen zouden zeggen. Ik vraag het aan u: wie zegt gij dat Ik ben?

(Ik laat u even de tijd om een antwoord, een persoonlijk antwoord te formuleren … )
Daarna kan je nog even deze link aantikken

 

Jaar A Zondag 20 (14 augustus 2011)

Getuigen van Gods liefde voor alle mensen 

Teksten uit de Liturgie:
Jes. 56,1.6-7 Vreemdelingen die Mij met liefde vereren / Rom. 11,13-15.29-32 God blijft trouw aan zijn uitverkoren volk /  Mt. 15,21-28 ook eten voor de “hondjes”

We mogen God wel heel dankbaar zijn dat Hij ons, de hondjes uit het evangelie, ook de kruimels van zijn liefde heeft gegund. En elke kruimel van Gods liefde is een oneindigheid, is volheid van heil, genezing, redding, genade. De meesten van ons behoren niet tot het uitverkoren Joodse volk, aan wie God eeuwige trouw heeft gezworen. Sint Paulus schrijft in zijn Romeinenbrief dat hij nog altijd hoopt dat zijn volk, het Joodse volk, ooit eens zal intreden in de volheid van zijn roeping. Wat een verrijking zou dat zijn voor de Jezusgemeenschap. Ook van de kant van de christenen zal er een hele stap gevraagd worden, om de eigen roeping en zending van het Joodse volk te erkennen.

Maar vandaag staat een niet-Joodse vrouw ‘in the picture’, zij krijgt alle aandacht. En ze is niet dom. Jezus is gezonden tot de verlaten kinderen van Israël en niet tot wat zij ‘de honden’ noemen, de niet-gelovigen. Okay, zegt de vrouw, maar de hondjes onder de tafel mogen toch ook wel de kruimels eten die van de tafel van de kinderen vallen. Ik vind het een van die tragikomische scènes uit het evangelie. Ik zie Jezus lachen, een glimlach of misschien zelfs een schaterlach: Je moet toch maar een vrouw en een moeder zijn om zulk een uitspraak te doen. Vrouw, zegt Hij (waarschijnlijk nog glimlachend) ge hebt een groot geloof! Uw verlangen wordt ingewilligd.” En van dat ogenblik was haar dochter genezen.

God heeft geen spijt over zijn verbond met het Joodse volk: Hij blijft trouw aan zijn beloften, zoals Hij trouwens getoond heeft in Jezus, de Messias. En wij, de hondjes, mogen ook vertrouwen hebben. Wij mogen blij zijn dat God ook op onze ellende, onze kleinheid heeft neergezien en in Abraham en in Jezus ons allen heeft gezegend en tot zijn kinderen aangenomen.

Jezus maakt ook wel eens de link tussen God en ons. “Vergeef ons onze schuld, gelijk ook wij vergeven aan onze schuldenaren”. En die andere uitspraak: “Wees volmaakt, zoals uw hemelse Vader volmaakt is”. Ik zou dat ook willen toepassen op Gods aandacht voor alle mensen. Ook voor die heidense vrouw. Ook voor de mensen die Jezus niet of nog niet kennen. Ook voor de mensen die nooit in God zullen geloven omdat dat geloof nooit op de goede manier tot hen gekomen is…

Naar alle mensen toe zouden wij moeten getuigen, door onze daden van liefde, van vriendelijkheid, van broederlijkheid, hulpbetoon en bijstand. En ook naar alle mensen toe moeten wij getuigen van Gods liefde met onze woorden. Goede woorden. Geen vijandige woorden, geen discussies maar gewoon eenvoudig getuigen van wat God in uw leven doet. En natuurlijk moet onze manier van leven daarvan dan ook getuigen. Zo zal Gods woord uit Jesaja ooit tot vervulling komen: “Mijn huis zal worden genoemd een huis van gebed voor alle volken.”

Vandaag willen we dan bidden dat De Jezusgemeenschap openstaat voor alle volken, alle standen, respectvol, liefdevol en dat we in woord en leven getuigen van God aandacht en liefde voor alle mensen. Hoe geven we daar vandaag gestalte aan? (Ben Van Vossel)

 

Jaar A Zondag 19 (7 augustus 2011)

Zoek de Heer nu Hij zich laat vinden

Teksten uit de Liturgie: Zondag 19 Jaar A (7/08/2011) 1 Kon. 19,9a.11-13a In de zachte bries / Rom. 9,1-5 Uit hen komt de Christus voort / Mt. 14,22-33 Storm op het meer “Heer, red mij”

God doet zich kennen in de loop van ons leven, Hij wil duidelijk maken dat Hij er is en, meer nog, dat Hij er is om jou gelukkig te maken. Wij, moderne mensen, hebben wel slechte ogen; we werden verblind door alles wat de wereld ons biedt. Je leest het zo af van de teevee: vakantiereizen waarmee ze u om de oren slaan, het altijd maar lekkerder eten, de ontspanning, het lawaai en de optredens van sterren aan de lopende band…. Elke avond kan eindigen met lawaai en applaus voor het gelukte opreden van die of die of het lawaai van een of andere film of teevee-reeks die je gevolgd hebt… God heeft het wat moeilijk om zich nog kenbaar te maken, om nog in contact te treden met ons. De profeet Elia trof God niet aan in de storm, de aardbeving, het vuur, maar in het suizen van een zachte bries… Soms doet God zich ook kennen in het lawaai van de donder, in het lawaai van de oorlog, in de beproeving van ziekte of het overlijden van een geliefde, in een tegenslag… Maar als wij het te druk maken in ons leven, heeft Hij het toch moeilijk. 
Soms komen we tot bezinning wanneer de verveling ons overvalt, wanneer we na een avondje uit soms zo’n indruk krijgen van : Is het dàt maar? Een gevoel van leegte, van verveling… En dat kan het moment zijn waarop ons hart open komt voor God… Het zijn ogenblikken war we moeten van profiteren om het contact met God te herstellen, ogenblikken waarop we moeten beslissen om wat meer in contact te treden met God, om het gebed weer een vaste plaats te geven in ons leven… Wij moeten niet leven en sterven in de leegte van het niets of het minderwaardige.

Wanneer we ons trouwens voelen wegzakken in de leegte van een gevuld maar oppervlakkig leven, of in het moeras van zorgen, een boel problemen of ziekte en ongerustheid… Is het dan niet het moment om zoals de wegzinkende Petrus te roepen: “Heer, red mij”. De ervaringen van leegte of van onvermogen en uitzichtloosheid kunnen ook een genade zijn om uit te komen bij God, bij de enige werkelijkheid… Met al onze verwezenlijkingen op technisch vlak – zopas kregen we zekerheid dat we niet van dorst gaan omkomen als we op de planeet Mars water kunnen gaan halen – met al onze verwezenlijkingen, als koningen van de schepping, blijven we toch kleine schepsels. We komen tot diepe inzichten in de structuur van de mens, zijn lichaam, zijn psyche en in de micro- en macrokosmos… en toch, als gelovige mensen weten we ons steeds afhankelijk van God.

Een goede reden om, ondanks al ons weten en ons kunnen, ons toch te buigen voor zijn liefde en zijn heerlijkheid, Hij die onze enige echte zekerheid is en onze toekomst. Hij die ons altijd reddend nabij is, wanneer wij vertrouwvol tot Hem roepen. “Heer, red mij”. (Ben Van Vossel)

 

Jaar A Zondag 18 (31 juli 2011)

Gratis eten

Teksten uit de Liturgie: Jesaja 55,1-3 Voor niet(s) / Ps. 145,8-9, 15-16, 17-18 Gij opent uw hand, Heer, en zegent ons / Rom. 8,35.37-39 Wie zal ons scheiden van e liefde Gods die is in Christus Jezus? / Mt. 14,13-21 Brood voor vijfduizend

’t Is wat ver gezocht natuurlijk, maar ik denk dat een bakker hier echt jaloers zou zijn op de situatie waar Jezus en zijn vrienden hier de hoofdpersonen zijn. Stel u zo eens een bakkerij voor met 5000 mannen die staan aan te schuiven voor een brood of wat patisserie. Daar moet je anders weken op wachten. Hoe zou Judas zich bij deze zaak gevoeld hebben. Al dat brood dat ze daar op Jezus gebed mogen uitdelen. Zou hij ook hier gedacht hebben: dat zou voor zoveel denaries kunnen verkocht worden. Onze geldbeugel zou uitpuilen… Maar misschien stond hij daar ook gewoon met open ogen van verwondering en bewondering te kijken naar dit wonder waarin hij en de apostelen slechts radertjes waren die mochten uitdelen: hun eigen handen raakten het wonder aan…

Hoe waren ze in zo’n situatie verzeild geraakt? 
Johannes de doper was van kant gemaakt door Herodes. Het lot van een profeet leek plots niet meer zo aantrekkelijk. Jezus trekt er met zijn vrienden op uit om dat pijnlijk gebeuren wat te verwerken. Maar op de geplande rustplaats, een eenzame plek, staat het volk Hem al op te wachten. Jandorie, zullen de leerlingen wel gedacht hebben, kunnen ze ons die rustdag dan eens niet gunnen! 
En Jezus, hoe reageert Jezus? “
Toen hij bij zijn landing dan ook een grote menigte zag, kreeg Hij diep medelijden met hen en Hij genas hun zieken.” Als je er ooit zou aan denken van Jezus eens gerust te laten met je problemen, je ziekte, je geestelijke dorheid, je zondigheid? Niet doen. Hij is er juist om al onze kwalen op zich te nemen. Hij wil ons nabij zijn in al onze moeilijkheden. Voor ons is het belangrijk dat we het allemaal met Hem delen, het samen met Hem dragen… Wil daar vandaag en vanaf vandaag eens wat meer aan denken…

Zie ook wat Jezus jou te bieden heeft: overvloed van leven, overvloed van heil. En gratis! Om niet! (Voor niet, zeiden we vroeger). Veel vroeger had de profeet Jesaja het al gezegd vanwege God: “Komt allen die dorst hebt, hier is water; en gij, die geen geld hebt, komt, koopt koren en eet zonder geld, en drinkt zonder betaling wijn en melk.” (Jes.55,1)

Maar waarom lopen wij er vaak geestelijk ondervoed bij, waarom lopen wij er vaak zo treurig bij, zo zonder uitzicht…? Omdat wij het elders zoeken dan bij God, dan bij Jezus. Dat steekt in dat andere zinnetje dat Jesaja zo langs zijn neus weg zegt: “Waarom besteedt gij geld aan wat geen brood is, en uw loon aan iets wat niet verzadigt?” (Jes.55,2) En dat is nu eigenlijk ons grote probleem. Wij vullen ons leven met alles en nog wat, en God krijgt zo nog een klein hokje toegewezen, voor als de nood het grootst is en we geen andere uitweg meer zien; wanneer we stilvallen na alle drukte en na alles waarmee we onze dag en ons leven hebben gevuld… maar niet verzadigd geraakten. Welke plaats krijgt God in ons leven? Hoeveel tijd geven we Hem om ons hart te vervullen, om ons in de echte werkelijkheid te brengen? Jesaja vervolgt: “Luistert aandachtig naar Mij, en gij zult eten wat goed is, en uw honger stillen met uitgelezen spijs. Neigt uw oor en komt naar Mij, luistert en gij zult leven.”

Als deze woorden ons nog niet over de brug haalden – wat zijn we toch hardleers! – dan is er nog sint Paulus die ons vandaag schrijft: “Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus?”… En hij komt tot de slotsom: “Niets of niemand zal ons kunnen scheiden van de liefde Gods, die is in Christus Jezus onze Heer.” (ROM.8,35) In Jezus heeft God ons getoond hoezeer Hij van ieder van ons houdt. Als we maar tot Jezus zouden komen, als we Hem maar de kans zouden geven ons leven te (ver-)vullen. Opnieuw een uitnodiging om ons leven op het juiste spoor te zetten, te kiezen voor Jezus als de Heer van ons leven en te bouwen aan een levenden blijvend contact met Hem. “De Heer is vol liefde en medelijken, bezorgd voor iedere mens. Nabij is de Heer voor elk die Hem aanroept, voor elk die oprecht tot Hem bidt.” (Psalm 145)

Tot slot wil ik er nog even op wijzen dat wij niet leven om te eten, maar eten om te leven. Laten wij dezer dagen ook aandacht hebben voor de vele volwassenen en kinderen die in de Hoorn van Afrika die daar nu aan het omkomen zijn van honger. Zij verwachten van ons de wonderbare broodvermenigvuldiging. “Jezus kreeg diep medelijden met hen”… en wij? (Ben Van Vossel)

 

Jaar A Zondag 17 (22 juli 2011)

De verborgen schat

Teksten uit de Liturgie: 1 Kon 3,5.7-12 / Ps 63,2, 3-4, 5-6, 8-9 / Rom 8,28-30 / Mt 13,24-43

De kostbare schat, verborgen in de akker, de parel van grote waarde waarvoor je je hele bezit zou geven… Waarover gaat het?

Je kan die verborgen schat en die kostbare parel zien als Jezus, als het Koninkrijk van God, waarvoor we alles veil moeten hebben, want alleen onder de heerschappij van Jezus vindt ons leven zijn vervulling en voltooiing… 
Het koninkrijk van God. Eigenlijk is het ooit jouw deel geworden, toen je gedoopt werd en toen je later bewust ‘ja’ hebt gezegd op God; toen je beslist hebt om op weg te gaan binnen dat koninkrijk en bewust bent gaan leven om Gods verlangen te doen: verzaken aan het kwaad en bewust werken aan het goede in jezelf en in je omgeving… Het is de moeite waard en je mag dat ook ervaren. Zelfs midden onze ongelovige en soms vijandige omgeving voel je diep in je hart aan dat je op de goede weg zit. En dat legt vrede in je hart. Zeker als je ook nog medechristenen kent die datzelfde ideaal delen van liefde voor God en inzet voor je medemens…

Je kan die verborgen schat en die kostbare parel ook opvatten als de rijkdom van je hart, de talenten en zelfs al het materiële dat God je heeft toevertrouwd. 
Ook als je je klein voelt en al eens ontmoedigd, of gewoon moe of wat ziek, dan nog ben je de moeite waard en is er veel in jou dat kan openbloeien en dat kan vruchtbaar zijn voor jezelf en vooral ook voor anderen. Een verborgen schat waar we ons bewust van moeten worden maar die we dan ook goed aan aanwenden. Je staat dan in de voetsporen van Jezus. Hij heeft ons dat leven voorgeleefd. Je kan je inspireren aan zijn leven, je kan opkijken naar zijn voorbeeld in het Nieuw Testament. En er is de kerkgemeenschap die je leidt en waaraan je je ook kan optrekken. In die kerkgemeenschap gaat wel wat fout af en toe, maar toch blijft die uitdaging om het beste in jezelf tot ontplooiing te laten komen. Je er echt voor in te zetten. Daar moet je een en ander voor opzij zetten, het kan je wel wat kosten, maar ook hier voel je aan – op je goede momenten – dat het inderdaad de moeite waard is. Jezelf eens vergeten om een ander van dienst te zijn, om een zieke te bezoeken; wat tijd verliezen om de zaken in orde te brengen voor een zieke of iemand die zijn plan niet goed kan trekken in onze samenleving… Het zijn zoveel kansen om te kiezen voor de echte werkelijkheid, de werkelijkheid van God. 

In feite gaat het hier ook weer over het koninkrijk van God: het mooiste in jezelf tot ontwikkeling laten komen. Het mooiste in jezelf, dat is je gelijkenis met God. Toen je gedoopt werd, werd je kind van God. Dat leven van kind van God tot ontwikkeling laten komen in jezelf is de wereld beter en mooier maken. Is er een prachtiger opdracht? Is ze een mooier en waardevoller taak?

Hoe we dat gaan doen? De moeite waard om ons er deze week eens grondig over te bezinnen. Wellicht geen grootse daden, maar trouwe inzet. Er alles aan doen, er alles voor over hebben. Opkijken naar Jezus en rekenen op de Bijstand, de heilige Geest. Laten wij er maar aan beginnen. (Ben Van Vossel)

Jaar A Zondag 16 (17 juli 2011)

Lering over het Koninkrijk

Teksten uit de Liturgie: Wijsh 12,13.16-19 / Ps 86 Gij zijt goed en genadig, Heer / Rom. 8,26-27 / Mt. 13,24-43

Jezus wil ons vandaag wat binnenleiden in sommige geheimen van het Koninkrijk. Hij heeft het over de tegenkracht die er ook in der mens en in de wereld is, een tegenkracht die in feite het Koninkrijk de mens buiten het Koninkrijk, buiten de invloedssfeer van God te houden. Die tegenkracht voelen we in onszelf, die tegenkracht zien we rondom ons en in de wereld aan het werk. Die tegenkracht heeft misschien niet zoveel namen, maar wel veel uitwerkingen. Je kan het zelfzucht noemen, gemakzucht, spilzucht, genotzucht, gebrek aan vergevingsgezindheid, wrok enzovoort. Het lijstje van die uitwerkingen die de mens en de wereld minder mooi maken is oneindig…

Terwijl in het Koninkrijk God wil gebeurt, en volgens Gods verlangen wordt geleefd zodat Gods kracht daar ook meer invloed kan uitoefenen…We kunnen spreken over de grote tegenstrever, maar er is vooral ook de menselijke vrijheid die ja-zegt op het werk en de inspiratie van Gods Geest, of die zich laat verleiden door al die tegenkrachten die ons een andere weg willen opleiden, de weg van de gemakzucht en het egoïsme. In feite heeft het maken van die keuzen veel te maken met het zicht dat wij hebben op het leven en de wereld. Geloven wij in God? Geloven wij enerzijds in de eindigheid van ons aardse bestaan en anderzijds in het eeuwig leven en in de beslissende aspect van ons huidige bestaan.

Het christelijk zicht op het leven is niet dat van een telkens hernieuwde wedergeboorte. Wij leven slechts éénmaal en we moeten dit leven ernstig opnemen, het is niet telkens weer te herkansen. Dit zicht op het leven doet ons dit leven inderdaad ernstig opnemen.

- Maar dit is zeker niet de enige wat Jezus ons omtrent het Koninkrijk wil meedelen. Hij zegt dat je best het onkruid niet moet uittrekken, want je zou misschien de tarwe mee kunnen vernietigen… Ja, wat je voor verkeerd houdt in de ander, zou wel eens niet zo verkeerd kunnen zijn als wij wel denken, misschien is het gewoon anders dan ons gedacht, dan onze cultuur, onze gewoonten… maar, is het daarom tegengesteld aan Gods gedacht? En het onkruid in onszelf? Is ons oordeel daarover wel echt Gods gedacht? Moeten wij onze persoon gaan ontdoen van al zijn drijfveren of kunnen we die niet eerder inschakelen voor iets goeds? We moeten in elk geval opletten dat we niet volgens onze eigen en al te menselijke maatstaven oordelen, maar dat we zo puur mogelijk trachten in overeenstemming te zijn met Gods oordeel, wiens gedachten de onze ver overstijgen… We moeten ons voortdurend laten vormen door Gods woord, door Jezus’ voorbeeld…

- En dan zijn er die twee andere vergelijkingen om ons iets te ontsluieren omtrent het Koninkrijk. Het mosterdzaadje dat een grote boom wordt, en de gist die het brood helemaal doorgist. Het is Jezus’ vaste overtuiging dat de kleine trouw van elke dag, vruchtbaar is voor het Koninkrijk dat daardoor versterkt wordt en zich uitbreidt.

Alles samen leert Jezus ons dat we vooral positief in het leven moeten staan en werken, dag aan dag om nu reeds in het Koninkrijk te leven, om nu reeds – in grote trouw – te leven volgens Gods verlangen, van moment tot moment, rekenend op de invloed  van Gods heilige Geest. Goede moed! De genade van onze Heer Jezus Christus, de liefde van God en de gemeenschap van de heilige Geest zij met u !  (Ben Van Vossel)

Jaar A Zondag 15 (10 juli 2011)

Goede grond zijn voor Gods Woord

Teksten uit de Liturgie: Jes. 55,10-11 Gods Woord draagt vrucht / Ps. 65 Het zaad viel op goede grond en bracht vrucht voort / Rom 8,18-23  Uitzien naar voltooiing van Gods plan / Mt. 13,1-23 Parabel van de zaaier

 

Er is hoop voor deze wereld, schrijft Paulus in zijn Romeinenbrief.  Ze ziet uit naar de openbaring van Gods kinderen… Dat heeft dan te maken met de volheid van de verlossing en met de onvergankelijkheid… Ik zou die toekomstdroom voor de schepping en voor de wereld in het bijzonder ook willen zien in combinatie met de parabel van de zaaier en het zaad, maar je zou het even goed kunnen noemen ‘de parabel van de goede of minder goede grond’. God spreekt zijn Woord. We zouden zelfs sterker kunnen zeggen: God zendt zijn Zoon om woorden van eeuwig leven te spreken. Zo wil Hij zijn Koninkrijk stichten: dat God koning zou zijn, erkend zou worden door de mens.
Naarmate de mens zich in het spoor zet van Gods Woord, Gods verlangen, wordt de mens en wordt de wereld meer en meer het Koninkrijk van God.

In de parabel van de zaaier ziet Jezus een paar hinderpalen voor de doorbraak van het Koninkrijk en het niet tot wasdom komen van Gods Woord.

Een eerste voorwaarde is dat men echt wil luisteren, met een open hart. Niet met harten die al bij voorbaat gesloten zijn, cynisch voor al wat ons beperkt menselijk zicht overstijgt. Onze menselijke opvattingen willen immers bepalen hoe God zich moet openbaren, wat Hij mag zeggen en wat niet… En hier gaan we ons boekje te buiten. Wij hoeven ons verstand niet op “nul” te zetten, wij moeten ons niet laten inpakken door allerlei rare toestanden en verhalen over wondere gebeurtenissen… maar anderzijds moeten wij openstaan voor de manier waarop God zichzelf en zijn verlangen en zijn raadgevingen kenbaar wil maken. Wat maakt Jezus ons vandaag duidelijk?

- Mensen horen wel eens iets over het evangelie en over de christelijke godsdienst, maar ze verstaan het niet… Er komt te weinig catechese bij de verkondiging… Nu, dan begrijpen wij ook wel dat daar niet veel van zal overblijven. Eventueel nog eens iets voor in ‘blokken’ over voor in een of ander quiz, maar niet iets om van te leven. De boze rooft weg wat er gezaaid werd in hun hart.

- Sommigen worden wel geraakt door een Woord vanwege God en ze zijn er enthousiast over, maar het wordt ook niet echt tot leven. Men gaat er niet echt mee op weg, het blijft zowat buiten het leven, het wordt niet geïntegreerd… Het blijkt voorbijgaand enthousiasme te zijn en als er wat beproevingen komen vanuit het leven of een soort vervolging… valt men af. Het zaad was op rotsachtige plekken gezaaid.

- En soms valt het zaad van Gods woord tussen de distels.  Dat is vaak het geval. Men is zo vaak bezig met allerlei materiële problemen, het leven brengt dat met zich mee en men zoekt dan direct naar oplossingen; men is zo druk bezet en begaan met alles en nog wat… dat er geen tijd overblijft om ook nog met het Woord van God bezig te zijn, met het Koninkrijk van God, het verlangen van God… Toch hoefde dit niet zo te zijn. Men moet expliciete tijd vrijmaken om ook Gods woord te overwegen, zich af te vragen waar Gods verlangen ligt, tijd te maken voor het beleven, het in praktijk brengen van Gods woord, Gods leiding… Anders weigeren we in feite om te leven in Gods Koninkrijk, onder Gods heerschappij…  Jezus zegt: Die gezaaid werd tussen distels is hij die het woord wel hoort, maar dit wordt door de zorgen van de wereld en de begoocheling van de rijkdom verstikt en zo blijft het zonder vruchten. Als Gods Woord geen vrucht draagt in ons hart en ons leven, blijft ons leven ook zonder vrucht en werken we niet mee aan het beter maken van de wereld, aan de voltooiing van de schepping.

-  Maar die in goede aarde werd gezaaid, is hij die het woord hoort en begrijpt en daarom vrucht draagt: bij de een is de opbrengst honderdvoudig, bij een ander zestigvoudig en bij een ander dertigvoudig. (v.23)
We zijn blij van dat laatste punt te horen: iemand luistert en hij begrijpt wat Gods woord bedoelt… FANTASTISCH, denken we… MAAR dan ontsnapt er ons iets, namelijk de gradatie die Jezus aangeeft. Zijn wij content met dertigvoudige opbrengst, of zestigvoudige? Is een groentekweker content als een gepote aardappel slechts twee andere blijkt voort te brengen bij het oogsten? “Slechte struik, denkt hij. De moeite niet waard om op te delven”… En daarom moeten wij ons – nadat we het woord trachtten te begrijpen en er wat tijd voor maakten in ons leven - ook de vraag durven stellen: waarom heeft mijn christelijk, mijn geestelijk leven zo weinig vrucht? 
Wij moeten die vraag echt durven stellen aan onszelf en ook vragen aan de Heer dat Hij ons zijn Geest zou zenden om ons te tonen wat er moet veranderen in ons leven opdat het meer zou beantwoorden aan de richting die Gods Woord eraan wil geven. “Spreek, Heer, uw dienaar luistert”; “Laat uw woord ons blijvend oproepen om ons in te schakelen in uw werk van verlossing en heiliging”. (Ben Van Vossel)

 

Jaar A Zondag 14 (3 juli 2011)

God laat zich kennen... aan kleinen

Teksten uit de Liturgie: Zacharia 9,9-10 / Psalm 145 Uw Naam wil ik verheerlijken voor altijd, mijn God en Koning / Rom 8,9.11-13 / Mt. 11,25-30.

Het is zo mooi Jezus te horen spreken met zijn Vader. De leerlingen hebben Jezus waarschijnlijk wel vaker zo luidop horen bidden. In onze tijd zou Hij het in stilte gedaan hebben, omdat het meer in overeenstemming is met onze cultuur…. Jezus, sprekend met zijn Vader. “Ik prijs U, Vader…” “Ik prijs U, Abba, lieve Vader, liefdevolle Vader…” En onmiddellijk daarbij, de inhoud van dat lofgebed: Gij, Heer van hemel en aarde. Schepende God, Vader, die aande oorsprong staat van alles wat ik zie, van alles wat er is… Ik prijs U, Vader, Heer van hemel en aarde.

Dee nabije God, ader, is tegelijk de schepper en Heer van alles wat bestaat.  Tot die liefdevolle en machtige God richt Jezus zich.

En wat is de rest van zijn loflied, waarom prijs en verheerlijkt Hij de Vader, de Schepper… De machtige en heel nabije God?

“… omdat Gij deze dingen verborgen gehouden hebt voor wijzen en verstandigen, maar ze hebt geopenbaard aan kinderen”. Jezus verheerlijkt de Vader, de Oorsprong van alles wat is, de machtige Heer van hemel en aarde… Jezus verheerlijkt de Vader omdat Hij de geheimen van het koninkrijk niet openbaarde aan wijzen en verstandigen, maar aan eenvoudigen… Wat een rare God en Vader heeft Jezus, een God de moeite niet neemt om wijze en verstandigen tot zijn invloedrijke vrienden te maken… Nee, Hij doet zichzelf en zijn geheimen kennen aan kinderen, aan eenvoudige mensen. Zo heeft God het gewild. Een koning, een minister, een partijvoorzitter die zijn wijsheid en geheimen gaat vertellen aan eenvoudigen, in plaats van aan een paar invloedrijke mensen die mee op de realiteit kunnen wegen… Dat zouden we eerder begrijpen…

Maar God doet anders. Naarmate we intreden in de dwaasheid van het geloof, naarmate we de omgang met God belangrijker achten dan de koude cijfers en bedenkingen uit de realiteit van de wereldlijke relaties… zullen we meer gaan begrijpen van God, van zijn manier van handelen, zijn manier van zaken naar hun waarde te schatten… Naarmate we intreden in het geloof, in de overgave en de leiding van God, des te meer en des te gemakkelijker zullen we inzien wat God voorheeft met de wereld en hoe Hij over mensen en dingen denkt…

Als we Pasen echt meevierden kwam er meer vreugde om Jezus’ nabijheid. “Pinksteren” echt beleven brengt ons meer kracht om Jezus’ weg te gaan. Het geloof voerde ons binnen in het aandoenlijk geheim van de Eucharistie en het heilig Sacrament. En vorige vrijdag mochten we het Feest vieren van het heilig Hart van Jezus: “Zie het Hart dat de wereld zozeer bemint en dat zo weinig dankbaarheid ondervindt”. Ingaan op die geheimen van het geloof – met geloof, vertrouwen, liefde – brengt ons in nauwe relatie met God, met Jezus onze Heer en wij voelen ons meer voor-gelicht, geleid en gedreven door de heilige Geest. Het brengt ons meer samen met onze medechristenen en voert ons tot groter solidariteit met medemensen en met de hele schepping, Gods schepping.

Laten we vandaag kleine stappen zetten in het gelovig vertrouwen, de Heer zal zich meer en dieper doen ervaren. Wijzen en verstandigen, hoogmoedigen en zelfgenoegzamen weerstaat Hij, maar Hij openbaart Zichzelf, zijn weg, zijn inzichten, de rijkdom en vreugde van zijn liefde aan eenvoudigen. Zo zong Maria in haar Magnificat: “Van vreugde juicht mijn geest om God, mijn redder, omdat Hij welwillend neerzag op de kleinheid van zijn dienstmeisje”. (Ben Van Vossel)

 

Jaar A Zondag 13 (26 juni 2011)
MAAND van het Heilig HART

De Heer op de eerste plaats

Teksten uit de Liturgie: 2 Kon. 4,5-11.14-16a / Psalm 89 Uw gunsten, Heer, wil ik bezingen /  Rom 6,3-4.8-9 / Mt 10,37-42

We horen het Jezus niet zo graag zeggen, maar als we erover nadenken, dan weten we dat Hij dat moest zeggen. “Wie vader of moeder meer bemint dan Mij, is Mij niet waardig…” Vader en moeder staan aan de oorsprong van ons leven. Zij hebben ons ook heel wat vaardigheden meegegeven, heel wat goede eigenschappen en misschien ook wel wat gebreken… We zijn hen heel dankbaar, wanneer ze zich als echte ouders hebben gedragen… Maar eigenlijk weten we als christenen dat ons leven uit Gods hand komt, en het leven van onze ouders en grootouders,  en alle leven. Wij geloven dat God – hoe dan ook – aan de oorsprong staat van het leven en van alles… Ik geloof in God, de almachtige Vader, schepper van hemel en aarde… Dat ligt daarin uitgedrukt, in eenvoudige woorden…

En dan beseffen we dat geen mens, hoe zorgzaam ze ons ook mogen behandeld hebben of behandelen, uiteindelijk voor ons leven en onze toekomst kan instaan… Het leven kan een mooi verhaal zijn, maar het is ook - dat ervaar je als je wat ouder bent geworden - vrij vlug uitverteld… Veel te vlug, vinden we. En dan staat daar Gods vaderhart dat ons onthalen wil. God is de enige die ons kan zeggen: ‘leef!’ en ‘kom tot leven’ of ‘Treedt binnen in het Rijk van uw Vader, want Ik was hongerig, en gij hebt mij te eten gegeven…’ God staat uiteindelijk aan de oorsprong van ons leven, Hij heeft ons gewild en Hij kan ons blijvend in stad houden, Hij alleen.

En als we in ons leven wat met Hem op weg gaan… Dan bloeit ons leven open. Dan komt er vrede in ons hart. Dan slagen wij erin goede mensen te zijn. Dan slagen wij erin - wellicht met vallen en opstaan - te beantwoorden aan zijn verlangen, en te leven volgens wat Hij aan ons hart duidelijk maakt… Dat houdt dan ook in dat wij God de voorrang gaan geven in ons leven, voor alles en allen… Bij alles wat wij zeggen en doen zouden we moeten opkijken naar het gelaat van Christus, naar het gelaat van de Vader, dat we zouden moeten luisteren naar wat de Geest fluistert in ons hart… en dan spreken en handelen… Eerder dan naar mensen te luisteren of naar onze eigen verlangens…

Want wie zijn leven vindt, zal het verliezen, zegt Jezus, en wie zijn leven verliest om Mijnentwil, zal het vinden…  Jezus, zijn voorbeeld, zijn woorden, Gods verlangen, de inspraken van Gods Geest in ons hart… dàt moet voor ons het belangrijkste zijn. Dan leven we stilaan als christenen.

Paulus zegt ons in zijn Romeinenbrief: “Door het doopsel in Jezus’ dood zijn wij met Hem begraven, opdat ook wij een nieuw leven zouden leiden zoals Christus…” Een nieuw leven! Als gedoopte mensen is het onze roeping om Jezus na te volgen. Zou Jezus dit doen? Zou Jezus dat doen? Zou Jezus zo spreken of anders, of zou Hij zwijgen? We noemen ons christen. Wel, laten we dan ook trachten te leven zoals Christus. En alstublieft, geen kleinmoedigheid! Niet zeggen: Ik kan dat niet!. Jezus heeft ons de Helper en Trooster belooft. Wij hebben gewoon maar voortdurend te bidden: “Kom, heilige Geest”. Hij is de nieuwe Kracht die Jezus ons wil geven om op Hem te gelijken, stilaan meer en meer. Het opgeven is gebrek aan vertrouwen. “Jezus, U die heeft beloofd 'Ik zend alwie vraagt en in Mij gelooft, mijn Geest: vuur dat door de wereld zal gaan.' Wij bieden U ons leven aan.” (B65) Jezus zegt: “Ik zendt tot al wie erom vraagt en wie in Mij gelooft mijn Geest”. En dat liedje eindigt met de woorden: “Wij bieden u ons leven aan!” Zie, dat is de voorwaarde, dàt is het fundament van het christelijk leven: ons leven aanbieden, maar ‘echt’ aanbieden aan de Heer. “Ik ben van U. Ik stel U op de eerste plaats in mijn leven. Ik wil mijn best doen om u te volgen”. En de Heer zendt zijn Geest, de Heer toont dat Hij ons nabij is en om ons geeft. Zoals de profeet die, gastvrij ontvangen door een gelovig echtpaar, hun belooft dat God hun kinderwens zal in vervulling laten gaan.

Durven wij het aan om ons leven toe te vertrouwen aan de Heer? Hij zal ons nooit ontgoochelen. (Ben Van Vossel)

 

Vervolg van Jaar A Zondag 21 (21/08/2011)

 Mt. 16,16-20 Wie ben Ik voor u?

 

Je hebt even de tijd genomen om een persoonlijk antwoord te formuleren bij Jezus' vraag: Wie zegt Gij dat IK ben? of: Wie ben IK voor jou? Welke plaats ken je me toe in jouw leven?

 

Petrus was omzeggens een leerling van het eerste uur. Zijn broer, Andreas, de Eerstgeroepene zoals de Orthodoxe christenen hem noemen, had hem bij Jezus gebracht. Sindsdien was hij praktisch altijd in Jezus nabijheid. Waarschijnlijk had Jezus zelfs een plaats gekregen in het grote huis van Petrus in Kafarnaüm.  Petrus was trouw in zijn vriendschap met Jezus; hij was een enthousiast volgeling. En hij antwoordt op Jezus’ vraag. “Gij zijt de Gezalfde (=de Christus), de Zoon van de levende God.” Petrus zegt wat hij tot op dat moment begrepen heeft, namelijk, dat Jezus door God uitverkoren en gezonden is om het volk te redden. Hij heeft begrepen dat Jezus heel veel met God te maken heeft, God, die Jezus zijn Abba, zijn Vader noemt of ‘de Vader in de hemel’, of ‘uw hemelse Vader’. Jezus staat dicht bij God, zegt Petrus, Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God.  

Je hebt immers een massa goden waarvoor mensen (wij) zich buigen, waar ze zich druk om maken, waar ze tijd en geld aan besteden om ze in hun macht te krijgen… Petrus zegt klaar en duidelijk:  Gij zijt de Zoon van de enige, de levende God…

En Gij zijt gezonden als Redder. Gij zijt de Gezalfde, de Christus. We hoeven niemand anders meer te verwachten. In U geeft God het definitieve, het laatste antwoord op al onze vragen en problemen… In U heeft God heel zijn hart uitgesproken… al zijn dromen en wensen over de mens.

 

Dat was het antwoord van Petrus. En nu het onze? Geen antwoord alleen met ons hoofd, zelfs niet alleen met ons hart, maar een antwoord waarbij we bereid om er ons leven voor te wagen, er ons leven voor in te zetten. Een antwoord waar we met ons leven achter staan… en waar we blijven achter staan “in goede en kwade dagen, in armoede en rijkdom, in ziekte en gezondheid, alle dagen van ons leven”…

Je hebt het antwoord van Petrus. Je moet je antwoord hier niet uitschrijven, ik doe het hier ook niet. Maar Jezus, de Heer, verwacht nu wel een antwoord van jou en van mij.

“Maar Gij, sprak Hij tot hen, wie zegt gij dat Ik ben?” (Ben Van Vossel)

 

Hoogfeest H. Drieëenheid (19 juni 2011)
MAAND van het Heilig HART

God is Liefde

Teksten uit de Liturgie: Ex 34,4b-6.8-9 JHWH / Dan.3,53.54.55.56 U komt de lof toe in alle eeuwen / 2 Kor. 13,11-13 De genade van OHJX … / Joh. 3,16-18 Zo lief heeft God de wereld

De liturgie van dit Hoogfeest van de H.Drievuldigheid laat ons iets van God aanvoelen, van zijn wezen en werken. Je kan God natuurlijk niet omvatten, Hem in schema brengen. Een driehoek verwijst ons enkel naar wat Hij ons over zijn wezen heeft geopenbaard, maar dat ‘weten’ op zich betekent nog niet dat je God kent, liefhebt, dat je aanvoelt wat Hij of wie Hij is en wat Hij voor ju en de wereld en de schepping betekent… ‘De schepping is vol van zijn heerlijkheid’, zingt een psalm, en die heerlijkheid, die doxa of gloria zoals het Grieks en Latijn het noemen, die heerlijkheid van God is een overvloed van liefde en pracht: prachtige liefde, liefdevolle pracht.
Want waar God zich openbaart ontstaat nieuw leven, ervaart men redding en toekomst, geborgenheid, zekerheid…

God is Liefde, zingt Johannes in zijn eerste brief. En het Nieuw Testament vertelt ons iets over het wezen van God. We vernemen hoe Gods Geest dat grote bewerkt dat Gods Woord, Gods Zoon mens wordt in de schoot van de Maagd Maria, we horen Jezus spreken over de Vader, mijn God en uw God, zijn Abba, en we horen hoe Hij de Geest beloofd aan zijn volgelingen. We beleven het Pinsterfeest mee waar Gods Geest dan over de leerlingen van Jezus komt en hoe Hij die jonge Kerk begint te leiden en de volgelingen van Jezus kracht en vrijmoedigheid geeft om te getuigen van de verrezen Heer. Paulus schrijft dat niemand kan zeggen ‘Jezus is de Heer’ tenzij door de heilige Geest. En in de tweede lezing voegt Hij de Drie samen in een ons welbekende zin: De Genade van de Heer Jezus Christus, de liefde van God en de Gemeenschap van de heilige Geest zij met u.

Ook in het evangelie komen zo van die korte zinnen voor waarin de Drie naast elkaar gezet worden, zoals bij het doopsel van Jezus in de Jordaan, waar de H. Geest over Hem komt en waar de stem uit de hoge klinkt: dit is mijn Zoon, de welbeminde, luistert naar Hem. De Vader, de Zoon en de heilige Geest. Eén God, drie personen.

Aan dat eerste: de ene God houden wij als christenen vast, samen met Joden en Moslims. Er kunnen immers geen twee goden zijn, want de macht van de een zou beperkt worden door die van de ander, wat ondenkbaar is, dat zouden geen echte goden zijn. Maar als christenen hebben wij gelovig ook dat andere punt aanvaard: de Gemeenschap van personen in de ene God, van alle eeuwigheid.

Is dit belangrijk? Is het belangrijk dat te geloven? Jezus heeft het ons geopenbaard: Ik en de Vader, wij zijn één. En stilaan hebben wij begrepen hoe vader en Zoon zo naar elkaar toegewend zijn binnen het mysterie van de Drie-ëne God dat ze inderdaad volmaakt één zijn, en die liefde tussen hen is ook zo oneindig dat het een persoon is: de heilige Geest.  Daarom is God zelf liefde, niet enkel in wat Hij doet naar buiten toe: de schepping, de redding, de zending van de heilige Geest, maar Hij is ook liefde in zichzelf.

Er is nog dit mooi aan dat wij naar Gods beeld zijn geschapen, maar bovendien dat Hij ons wil opnemen in de liefdesrelatie in zichzelf. Een Russische schilder heeft dat mooi uitgebeeld in de Drievuldigheidsicoon, de monnik Roeblev. Hij heeft drie figuren afgebeeld die sterk op elkaar gelijken, de Vader met achter zich het huis van de hemel, de Zoon met achter zich de boom van het leven, de Geest met achter zich een soort van zichtbare windvlaag. Maar tussen hen staat een kleine tafel, en vooraan is er plaats, is er plaats voor ons. Ieder van ons wordt uitgenodigd om in te treden in die liefdesgemeenschap. Wij mogen ons bewust worden dt we kind zijn van de Vader, dat wij gered zijn door Jezus, Gods Zoon en dat wij bezield worden door de heilige Geest om zoals God liefdebekwaam te zijn en positief toegewend naar God en onze medemensen.

Vandaag mogen we God bezingen en danken, Hij die liefde is, die dé Liefde is; die ons zijn kinderen noemt en die ons wil bezielen door zijn Geest om iets van zijn liefe tastbaar te maken voor de mensen om ons heen en mensen veraf. Gods Geest die we vorige zondag hebben gevierd, moge ons bezielen opdat mensen ook doorheen ons iets van Gods wezen kunnen ontmoeten. (Ben Van Vossel)

7de Paaszondag (5 juni 2011)
MAAND van het Heilig HART

Volharden ondanks hoon

Teksten uit de Liturgie: Hand. 1,12-14 Eensgezind volharden /  Psalm 27 Ik reken er op nog tijdens mijn  leven de weldaden van de Heer te ervaren. Alleluja / 1 Petrus 4,13-16 God eren ook in het lijden / Joh.17,1-11a Zij hebben de (blijde) Boodschap aangenomen /

Jezus spreekt hier uit dat de Vader Hem de macht gegeven heeft om eeuwig leven te schenken, nl. de kennis van God en van Jezus, de Christus, de Gezondene van de Vader. Als christenen hebben wijd e grote verantwoordelijkheid om te getuigen van God en zijn plan van heil voor alle mensen;wij hebben een grote verantwoordelijkheid om te getuigen van Jezus, de ware weg naar het echte leven. Wij moeten het Blijde Nieuws van Gods liefde en van onze redding dankbaar opnemen in ons hart, er van leven, zodat we er ook vanuit ons hart kunnen van getuigen.

In de krant van vandaag is er een Brugse schepen die vindt dat de kerk zich nog wat gedeisd moet houden, nog geen processie – zoals de Bloedprocessie te Brugge – zou moeten organiseren: eerst moet de kerk de slachtoffers van misbruik (door wat nu oude en soms reeds overleden priesters of religieuzen zijn) vergoeden, de kerk moet haar eer hervinden en dan over enige jaren mag ze opnieuw in het openbaar optreden... Alsof de kerk samenvalt met het misbruik van enige perverse personen die tot die kerk behoorden of behoren. Is de kerkgemeenschap zich ondertussen niet blijven inzetten voor allerlei noden van mensen op parochies, in klinieken, in psychiatrische instellingen, in ziekenzorg, in allerlei caritatieve en sociale acties. Het is niet omdat mevrouw de schepen dit niet wenst te zien, dat ze deze blindheid zo moet uitstallen. Petrus vermaant ons in de tweede lezing van vandaag dat we ons gelukkig mogen prijzen als men ons hoont "om de naam van Christus". "Het is een teken dat de Geest der heerlijkheid, die de Geest van God is op u rust". Natuurlijk zegt hij er nadrukkelijk bij dat we ervoor moeten zorgen dat niemand van ons te lijden heeft als boosdoener… "Maar wie als christen lijdt, moet zich niet schamen, maar God eren" dat hij christen is. Wij gaan ons niet beroemen op personen in de kerk die zwaar tekort kwamen uit egoïsme of ziekelijke perversie. Nog maar eens benadrukken dat het kindermisbruik door kerkmensen slechts 0,1 procent bedraagt van alle kindermisbruik. Dit is evenwel al erg genoeg en de kerkgemeenschap zal daar haar morele verantwoordelijkheid voor moeten dragen. Maar het kindermisbruik is op de eerste plaats een tekortschieten van de samenleving in het verleden, met zijn allen hebben wij – niet enkel de kerkgemeenschap – ons te weinig de omvang van de kwaal gerealiseerd en de gevolgen ervan voor de slachtoffers.

De uitval van die schepen zal niet de laatste schoffering van de kerk zijn. Als christen moeten wij ons realiseren dat kerkmensen inderdaad ernstig in de fout gegaan zijn, maar wij hoeven nog niet terug naar de catacomben te gaan. De verwijten en uitgesproken vijandschap tegenover christenen moeten christenen er niet van weerhouden zich met bezieling verder aan hun taak te wijden en blij te getuigen van hun geloof in de Heer Jezus Christus, in de kracht van zijn heilig Bloed dat ons gezuiverd heeft en in de inspirerende kracht van zijn Woord. De verheerlijkte Heer laat zijn mensen niet alleen achter. En zijn leerlingen moeten in het samenzijn rond de Heer telkens weer nieuwe bezieling en kracht opdoen om in het huidige negatieve klimaat hun roeping te beleven en hun zending te vervullen. (Ben Van Vossel)

 

  6de Paaszondag (29 mei 2011)
MEIMAAND - MARIAMAAND

IK laat u niet verweesd achter

Lezing 1 Handelingen 8,5-8,14-17 ... zij ontvingen de heilige Geest  / tsszang Ps 66 Jubelt voor God, alle landen der aarde / 1 Petr. 3,15-18 rekenschap geven van de hoop die in u leeft /  Joh. 14,15-21 Een andere Helper beloofd

Dit is een evangelie dat rust geeft, bemoedigt, maar tegelijk is er een aspect aan dat juist verontrust, omdat er zo de nadruk ligt op de ‘niet verontrust zijn’. Dat was namelijk het beginwoord van het evangelie vorige zondag. Laat uw hart niet verontrust worden. Vandaag klinkt het: Ik zal u niet verweesd achterlaten. Hoezo? Zijn we dan ergens wezen, is er enige reden om ons verweesd te voelen, zijn we soms in de vreemde, zijn we soms niet thuis? Moeten wij ons onveilig voelen in deze wereld?

In zekere zin is dat zeker zo. ver Jezus schrijft Johannes: “Hij was in de wereld; de wereld was door Hem geworden, en toch erkende de wereld Hem niet. Hij kwam in het zijne, maar de zijnen aanvaardden Hem niet.” (1,10-11) En Jezus zei zelf: “Als de wereld u haat, bedenkt dan dat zij Mij eerder heeft gehaat dan u. Als gij van de wereld zoudt zijn, zou de wereld liefhebben wat haar toebehoort. Daar gij echter niet van de wereld zijt, maar Ik u uit de wereld heb uitgekozen, daarom haat de wereld u. Herinnert u wat Ik gezegd heb: een dienaar staat niet boven zijn heer. Als ze Mij vervolgd hebben, zullen ze ook u vervolgen.” (Joh.15,18-20)

Dat is nu het boeiende van volgeling van Jezus te zijn: je bent in de wereld, helemaal, daar leef je, daar werk je, daar heb je lief en wordt je bemind... Maar tegelijk leef je vanuit een andere werkelijkheid, die het louter stoffelijke overstijgt. Je bent in de wereld, maar je behoort tot Gods Rijk, je leeft vanuit een diepere realiteit, je werkt niet enkel in opdracht van je aardse oversten, aan een aardse opdracht... Je wordt door God gezonden om in de wereld je taak te vervullen, en je diepste geborgenheid is je geborgenheid in God...

Dan wordt veel duidelijk van wat Jezus hier zegt. Je leeft in de wereld, maar de wereldse mens is zo bezig met wereldse handel en wandel die vaak niet veel te maken heeft met Gods verlangen. Dan gebeurt het volgende: ofwel ga je helemaal mee met die wereldse manier van denken en doen, ofwel wordt je bekeken en soms negatief behandeld omdat je het opgaan in het aardse blijkbaar net iets te min vindt. En dat wodt niet verdragen...

Toch vraagt Jezus een consequente houding. Wij moeten leven vanuit hetgeeen Hij ons voorschreef en voorleefde: dat noemt Hij zijn geboden. “Als gij Mij liefhebt, zult ge mijn geboden onderhouden”... De Vader zal U liefhebben en zal u de andere helper geven, de heilige Geest.

Het is prachtig hoe in de die enkele woorden wij mee opgenomen worden in het goddelijk leven van de Vader, de Zoon en de heilige Geest...

Terwijl we ondertussen volop in de wereld leven, waar we ons kunnen thuisvoelen terwijl toch onderweg zijn naar onze echte thuis, en waar we ons vaak ook als vreemden voelen omdat we het broze van alles doorzien, het betrekkelijke en voorbijgaande... en waar we ook wel eens belachelijk gemaakt worden en zelfs vervolgd... is het zinvol dat Jezus ons duidelijk zegt: Ik zal u niet verweesd achterlaten...

Wij mogen Hem nabij weten. Wij wéten Hem nabij, en des te meer naarmate we ons meer op Hem richten, Hem ontmoeten in gebed en Eucharistieviering, in contact met zijn Woord en in de dienst aan mensen in nood... Wij zullen zijn kracht ondervinden, de kracht van de heilige Geest, die je niet ziet maar die je ervaart...

We mogen Jezus’ woord geloven: “Wie mijn geboden ondehoudt, die hij heeft ontvangen, hij is het die Mij liefheeft. En wie Mij liefheeft, zal door mijn Vader gemind worden; ook Ik zal hem beminnen en zal Mij aan hem openbaren.” Midden in het leven, op weg met de Heer, geborgen in Hem, in om het even welke omstandigheid...  (Ben Van Vossel)

 

5de Paaszondag (22 mei 2011)
MEIMAAND - MARIAMAAND

Laat uw hart niet verontrust worden

Lezing 1 Hand 6,1-7 Aanstelling diakens / Tussenzang   Ps.33 (32) 1-2. 4-5. 18-19 Geef ons, Heer, uw barmhartigheid, zoals wij op U vertrouwen / Lezing 2 1P 2,4-9 Priesterschap van de gelovigen.  Christus de Hoeksteen / Evangelie Joh 14,1-12 Christus, de Weg naar het echte Leven

Ik hoop dat de vreugde van Pasen nog wat in u leeft! Niet veel meer van over? Teveel zorgen? Profiteer dan van de genade van vandaag. De verrezen Heer Jezus is bij u op dit eigenste ogenblik, zoals bij al zijn leerlingen, en Hij zegt u vandaag “Laat uw hart niet verontrust worden”. Het zijn de eerste woorden van de evangelielezing. Laat de genade van die woorden rustig tot u komen. Begin niet met allerlei bedenkingen te maken alsof het woorden zijn die buiten uw leven staan. Jezus staat niet buiten uw leven, als gij Hem binnenlaat. Laat zijn vrede in uw hart binnen. Hij zegt u: Laat uw hart niet verontrust worden…

Je moet maar eens terugdenken aan die eerste volgelingen van Jezus, die stilaan hun weg moesten zoeken, zonder dat Jezus zichtbaar in hun midden was. Zij moeten zich toch ook als wezen gevoeld hebben: “En wij hadden nochtans gehoopt dat Hij degene zou zijn die Israël ging verlossen!”, zo zuchten de twee leerlingen van Emmaüs en Jezus laat hen ondervinden dat Hij naast hen gaat. Wel, zo heeft die eerste kerkgemeenschap ook moeten zoeken, luisterend naar de heilige Geest, hoe het allemaal verder moest.

Gods woord uit de Schrift doet ons zoveel wegwijzers aan de hand die ons tonen welke weg we moeten gaan. de tweede lezing van vandaag komt uit de eerste brief van Petrus, een echte Paasbrief. We  hebben allemaal zo’n beetje ons doopsel herdacht en onze doopbeloften vernieuwd op Pasen. Wel zegt Petrus, laat uzelf nu als een levende steen invoegen in de bouw van de geestelijke tempel. Sedert Jezus’ overwinning op zonde en dood, delen wij allen door ons heilig doopsel in zijn priesterlijke opdracht. Samen zijn wij een geestelijke tempel waarbinnen God geëerd wordt: Draag als een heilige priesterschap geestelijke offers op, die welgevallig zijn aan God door Jezus Christus. Die geestelijke offers, dat is ons hele leven: dat is ons gebed, onze pogingen om goed te zijn voormensen, onze keuzen voor het goede in plaats van voor het kwaad of het halfslachtige, onze inspanningen om mee te bouwen aan een betere wereld van solidariteit, vriendelijkheid, dienstbaarheid, met uitschakeling van afgunst, louter winstbejag, hardheid, negatieve gedachten over alles en iedereen… Heel ons leven wordt, in vereniging met Christus, een geestelijke offergave aan God…

Een koninklijk priesterschap zijn wij. Ook geroepen tot die tweede opdracht: om de roemruchte dagen te verkondigen van Hem die u uit de duisternis heeft geroepen tot zijn wonderbaar licht. Als Gods eigen volk moeten wij spreken van wat Hij gedaan heeft en wat Hij voor mensen wil zijn. God is liefde. Hij houdt van elk mens. Hij heeft ons in Jezus de weg getoond naar het echte geluk. Hij belooft u niet het grote lot van de Euromillions, Hij maakt niet zoveel lawaai als de BV’s, maar wie met Hem op weg gaat, op elk moment met Hem op weg gaat, die mag wel de diepe vrede ervaren, de diepe vreugde, die Hij alleen ons schenkt. Jezus is die kostbare steen waarop wij kunnen rusten, stevig, midden de drukte van het leven, midden het rumoer en de negativiteit, midden de kleinering van de kerk en het geloof… “Ik leg in Sion een steen, een uitverkoren, kostbare hoeksteen. En wie op Hem vertrouwt, zal niet worden teleurgesteld”. Laten we op weg gaan met de Heer Jezus, de verrezen Heer naast ons en zien we naar Hem op om te weten hoe wij moeten leven, hoe wij kunnen bidden, hoe wij van Gods liefde kunnen getuigen. In de aanloop naar Pinksteren weten wij dat Gods heilige Geest ons daarbij zal helpen. (Ben Van Vossel)

3de Paaszondag (8 mei 2011)
MEIMAAND - MARIAMAAND

Toen gingen hun de ogen open en ze herkenden Hem

Hand. 2,14.22-28 / Psalm 16, 1-2a en 5, 7-8, 9-10, 11 Wijs ons, Heer, de weg van het leven. (of: Alleluja) /  1 Pt 1,17-21 /  Lk24,13-35 (Emmaüs).

We kennen het Emmaüsverhaal: die twee wat ontmoedigde volgelingen van Jezus die Hem onderweg ontmoeten, diep inzicht krijgen in de Bijbel ...tot ze Hem erkennen bij het breken van het brood.. “Brandde ons hart niet in ons zoals Hij onderweg tot ons sprak en ons de Schriften ontsloot!”

In dit verhaal treft me vooral het feit dat ze Jezus niet herkenden wanneer Hij zich bij hen aansluit. En op het eind van het verhaal: Nu gingen hun ogen open en zij herkenden Hem, maar Hij verdween uit hun gezicht…

Bijbelgeleerden zullen bij dit verhaal wel allerlei geleerde uitlegjes voor hebben, maar wat betekent dit  verhaal, deze gebeurtenis van toen, wat betekent die nu voor ons? Ondertussen klinken in mijn hoofd de woorden van die blinde, die op Jezus’ vraag: ‘Wat kan Ik voor u doen?’ gewoon het voor de hand liggend antwoord geeft: Maak dat ik zien kan!

En vandaag dan horen we over die twee leerlingen dat hun ogen werden verhinderd Hem te herkennen. Dat is overigens niet zo uitzonderlijk in de Paasverhalen, waarin verhaald wordt hoe mensen het moeilijk hebben om de Verrezene te herkennen. Maar daarover willen we het dus nu niet hebben.

Waar we het wel over willen hebben is het feit dat ook wij, om tot geloof te komen en om als gelovige te leven in relatie tot de levende God, wij Hem ook moeten weten te herkennen, zijn aanwezigheid en zijn werking moeten leren zien. God wil ons ontmoeten, waarom hebben wij het zo moeilijk om Hem te ontmoeten?

Sint Paulus heeft daar al sterke woorden over in zijn Romeinenbrief:

“Want wat een mens van God kan weten, is in feite onder hen bekend; God zelf heeft het hun geopenbaard. Van de schepping der wereld af wordt zijn onzichtbaar wezen door de rede in zijn werken aanschouwd, zijn eeuwige macht namelijk en zijn godheid.” (ROM.1,19-20)

Paulus zegt dus dat een mens normaal ogen heeft om het grootse en schone van de schepping te zien en daaruit moet weten te besluiten dat dit toch allemaal niet zomaar tot stand komt maar dat er ergens een ordenend beginsel aan de oorsprong moet liggen dat de mens overstijgt.

Men heeft ons eraan gewoon gemaakt om het heelal als een machientje te beschouwen, een Big Bang en een hoop chemische processen zodat het ons moeilijk wordt gemaakt om er ook nog Gods gelaat achter te zien: een persoonlijke Schepper die dat alles mogelijk heeft gemaakt, heel dat evoluerend heelal. Juist in dat ontzaglijk grote en tegelijk zo ingewikkeld kleine openbaart zich Gods eeuwige macht en godheid.

Misschien zijn we niet genoeg wetenschapper, of eerder, misschien zijn we te weinig dichters, te weinig bewonderaars van de ongelooflijk grote en mooie natuur, dat we te weinig tot herkenning komen van God, als oorsprong van dat alles. Franciscus in zijn Zonnelied, bezingt de zon, haar warmte, haar klaarheid, en dan zegt hij aan God: … van U, Allerhoogste, is zij een afstraling, een teken, een verwijzing…

Maar misschien komen we nog te weinig in contact met de echte natuur, misschien zijn we te weinig stil… En wat heel zeker is: we bidden te weinig, en we overwegen te weinig Gods Woord… Als we wat trouwer waren aan het gebed, als we wat meer vertrouwder waren met Gods Woord, dan zal het gebeuren dat we tijdens onze fietstocht, tijdens ons ‘even een luchtje scheppen in de tuin of in het park’, dat we de Heer nabij gaan voelen, dat er een warmte komt rond ons hart, omdat Hij een woord spreekt, een woord van liefde en totale aandacht voor mij, zijn schepsel, zijn kind.

Dat moet ik in mijn hart bewaren, en daar kan ik dan wellicht ook van getuigen, aan iemand die ook op weg is met de Heer en uit mijn gedrag moet het ook blijken naar anderen toe, dat Hij mijn hart aangeraakt heeft en me inzicht gaf, of bemoedigde. Als ik Hem dan opnieuw ontmoet in de Eucharistie, in het gezamenlijk gebed op de parochie of de gebedsgroep, dan zal ik me meer dan tevoren ervan bewust zijn dat Hij er is, dat Hij verrezen is en bij ons blijft. (Ben Van Vossel)

 

2de Paaszondag (1 mei 2011)
Zaligverklaring paus Johannes Paulus II

De Diepe Vreugde van de Christen

Hand 2,42-47 / Psalm 118 Breng dan aan de Heer, eindeloos is zijn erbarmen / 1 Pt .,3-9 Herboren tot een leven van hoop / Joh 20,19-31 Mijn Heer en mijn God

Rare mensen die eerste christenen. Of eigenlijk heel normaal. Ook in onze tijd zijn er nogal wat mensen die zich wat aaneen sluiten rond bepaalde opinies of een gemeenschappelijk aanvoelen of gewoon als een alternatief voor het wegvallen van de grote familie, en anderzijds dat samenkomen met grote groepen van de samenleving, denk aan de sportevenementen zoals voetbal, tennis, grote wielerwedstrijden… De eerste christenen kwamen afzonderlijk samen om groep te vormen rond de overtuiging dat Jezus verrezen was en dat zijn levensoffer een beslissend teken was dat God door Hem de mens heeft aanvaard; alleen in Jezus i nu het echte heil te vinden voor de mens.

Anderzijds sloten de christenen zich toch niet helemaal af van de samenleving. Zij bleven samenkomen in de tempel, zoals de andere Joodse mensen, zij liepen in de stad zoals de andere mensen; alleen godsdienstafbrekende inrichtingen meden ze. In feite waren ze gewone, opgewekte maar ook ernstige mensen, een voorbeeld voor de samenleving.

Over die vreugde moeten we hier wel iets zeggen. Omdat ze zo kenmerkend was voor de christenen. Niet die oppervlakkige vreugde, die op kunstmatige wijze wordt opgeklopt door egoïstische genotzoekerij, humoristen die van alles uit hun broekzak schudden en vaak inspelen op de lagere instincten van de mens… De vreugde die de christenen hadden kado gekregen, had direct met hun geloof te maken. Een heiden heeft zich laten wijsmaken of maakt zichzelf wijs dat met de dood alles gedaan is. Hij moet dus uit het leven alles puren dat maar enigszins vreugde kan verschaffen. Vaak is dat dan zeer oppervlakkig genot en is het ‘nooit genoeg’ en ‘telkens wat anders’. Soms trachten ze zich wijs te maken dat het toch zinvol is om op een humane wijze je eigen geluk te zoeken zonder dat van een ander te schaden, en sommige werken bewust mee aan het geluk van anderen. Het geloof geeft aan de christen de zekerheid dat God ons niet als een eendagsvlieg laat vallen bij onze dood, met andere woorden, dat ons leven nu eeuwigheidswaarde heeft. Die zekerheid ontvangen we vanuit het geloof dat God Jezus niet aan zijn lot heeft overgelaten, maar Hem heeft doen opstaan. Dat Jezus bron van eeuwig heil is voor allen die Hij onder zijn hoede neemt, allen die bij Hem aansluiten.  Dat is dan ook de eerste grote stap in het christelijk geloof: Jezus leeft! God heeft Hem doen opstaan uit het graf! Een tweede grote stap is Jezus erkennen als Messias, Redder en als Zoon van de levende God. De weg van het kruis, van zijn ondergang, zien als een teken van Gods onbegrensde liefde, “die ons zozeer heeft liefgehad dat Hij zijn enige Zoon heeft gegeven, niet om de wereld te oordelen maar om de wereld te redden”. “Mijn Heer en mijn God”, zegt Thomas gelovig, terwijl Hij in de verrezen Heer de gekruisigde herkent.

Bidden wij om datzelfde geloof en vragen wij de genade om vanuit dat geloof te leven, dat ons de diepe vreugde geeft van in Gods liefde geborgen te zijn, in alle omstandigheden, dat wijd e verrezen Heer nabij mogen weten en met Hem kunnen praten over alles wat in ons hart leeft, over alles wat we doormaken of van plan zijn. Wat een vreugde: op weg te zijn met de verrezen Heer in de stilte van het persoonlijk gebed, in het samenkomen met de gelovige gemeenschap en midden de drukte van de samenleving. Een christen kan nergens komen waar God niet is. (Ben Van Vossel)

Stille Zaterdag 23 april 2011

Stille hoop

Deze avond gaan we vieren. Uitbundig vieren. Christus is verrezen! Hij overwon de dood, en de zonde, en alles wat de mens kapotmaakt. En dat is op de eerste plaats … de zonde. Maar dat is voor vanavond. Nu is het nog stil. Muisstil.

En daarr is reden voor. Hij ligt in het graf. Doodgebloed aan het kruis en nu, met vastgebonden handen en voeten en een strik onder zijn kin om zijn mond dicht te houden, zo ligt hij in zijn lijkwade. Geen woord meer. Enkel nog wat geroezemoes in de stad. Bij zijn familie en vrienden totale verbijstering. Een dodelijke slag op al hun verwachtingen. Stille zaterdag. Vreugdeloze sjabbat. Stilte. Enkel onderbroken door een snik, of een kort woord over het gebeurde. En dan weer stilte.

Het is moeilijk om uit een graf op te staan. En weer tot leven te komen. Al die ontelbare geaborteerde kinderen hebben nooit een woord in het midden kunnen brengen. De onderdrukte massa’s in Lybië, Egypte, Tunesië, Yemen, decennialang monddood gemaakt of verdoofd door leiders die vooral zichzlf dienden. Die massa’s zijn in beweging gekomen. De moedigsten hebben het niet overleefd. Soms heeft hun offer toch resultaat gehad. Hun zwijgen leidt hopelijk tot grotere vrijheid voor de achtergeblevenen. Zou uit de stilte toch leven kunnen ontstaan?

Stille zaterdag. In de doodse stilte van het kindermisbruik is een bom ontploft. Eerst was het maar een voetzoeker, een bommetje dat alleen maar rookte zonder veel lawaai te maken. Maar nu is het gebeurd. Er is te lang gezwegen door de slachtoffers, maar wie - vertrouwd met het eigene van pedofilie - kan het hun kwalijk nemen? De stilte van vandaag wil ons doen groeien in de solidariteit met hun jaren en jarenlang pijnlijk zwijgen en lijden van de slachtoffers… Stille zaterdag…

Je voelt je van God en de mensen verlaten. In de steek gelaten. Naamloos alleen. Je niet meer kunnen bewegen. Doen alsof je leeft, maar je bent in feite al dood. Dàt gevoel!

En alle slachtoffers van misbruik, en bedrogen echtgenoten, kinderen in gebroken gezinnen, ouders van verslaafden, ongehuwde moeders… Stilte. Moeten zwijgen. Niet weten aan wie je er over kunt spreken. Wie kan je vertrouwen? Wie kan me nog helpen? Wie kan je ècht helpen? Wie meent het echt goed met je? Wie wijst je de juiste weg uit het graf?

Op Stille Zaterdag zitten we voor het graf van een dode man. Nog ligt er een zware steen voor dat graf gerold. Kan Hij solidair zijn met uw leed? Een dode. Een grote mislukkeling die enkel op nog wat piëteit kon rekenen van enige intimi.

Ik kreeg gisteren een telefoontje: of ik eens wou bidden voor haar broer met die ziekte en die pijn, en voor haar dochter die ook veel pijn had, en voor haar nichtje die zich niet over het verlies van haar baby kan zetten, en voor een kapotte waterleiding dat dat toch zou hersteld geraken over een paar dagen… Een kleine echo van wereldwijd lijden op onze kleine planeet. Soms kan je er iets aan doen. Maar zij vroeg me om er voor te bidden. Haar miserie en die van verwanten naar Hem te brengen die gisteren aan het kruis hing en vandaag in het graf ligt. Want vandaag is het Stille zaterdag.

Met vertrouwen ga ik tot Hem. Met dankbaarheid om wat Hij is doorgegaan, wat Hij heeft doorstaan. Ik zit wat bij zijn graf. Met het beetje liefde dat Hij in mijn hart heeft gelegd. En tussendoor vertel ik Hem over die vrouw, haar broer, haar dochter, het nichtje en over zoveel stilte, zoveel stil lijden over de hele wereld.

Want … morgen is het de eerste dag, de zondag,, morgen bloeit Pasen open en weet ik dat deze dode alles heeft overwonnen en dat Hij ook in hopeloze situaties een zaadje van hoop weet te leggen dat ook ooit zal openbloeien en dat ons de kracht geeft om door te gaan, om door te leven en te blijven geloven in Gods liefde die sterker is dan de dood en dan alle dodende krachten die mensen het zwijgen opleggen…

Maar vandaag is het nog Stille Zaterdag. Volledig stilte, maar met een kleine kiem van hoop.

Ben Van Vossel

 

Jaar A Vasten Zondag 5 (10 april 2011)

Sta op. Kom tot leven. Word vrij

Lezingen uit de zondagsliturgie:  Jaar A Zondag 5 van de Veertigdagentijd: Ez. 37,12-14 graven geopend / Ps. 130, 1-2, 3-4ab, 4c-6, 7-8 De Heer is steeds barmhartig, zijn genade onbeperkt / Rom.  8,8-11 Ook uw sterfelijk lichaam eenmaal opgewekt door de kracht van zijn Geest / Joh. 11,1-45 Lazarus opgewekt

“Ik ga uw graven openen; in massa’s zal Ik u uit uw graven wegvoeren”… lezen we bij de profeet Ezekiël. Het was een woord tot de Israëlieten: de belofte van God dat Hij hen zou terugvoeren naar het Beloofde Land.  “In massa’s zal ik u uit uw graven terugvoeren.” Ik zie het ook als een belofte aan de Kerk van vandaag. Ik ga uw graven openen. Want hoeveel schoons er in de kerk ook is, we kunnen niet ontkennen dat we ook op heel wat lelijks zijn gestoten het voorbije jaar en als gevolg daarvan – zo las ik – zijn een paar honderdduizend mensen uit de kerk gestapt in Duitsland en Nederland….

Het gevolg van wangedrag van geestelijken … maar ook het gevolg van de oppervlakkigheid waarmee mensen geloven. Het is immers niet omdat een medechristen en zelfs een priester zich misdraagt, dat ik mijn geloof en de kerkgemeenschap opzij schuif.

Laten we daarom toch maar luisteren naar het Goede Nieuws over die graven die geopend worden en mensen die tot leven komen.  Hoewel… Terwijl we, in onze opgang naar Pasen toe, geregeld woorden horen over opstanding, verrijzenis, levend water, licht, nieuw leven en we het Blijde Nieuws horen dat God ons nabij blijft en ons wil ophelpen… dan weten we toch ook hoe nodig wij het hebben dat de Heer zijn Geest over ons uitstort opdat we tot nieuw en echt leven zouden kunnen komen, opdat we zouden kunnen opstaan en op weg gaan als “kinderen van het licht”.

Dat is zo voor de Kerkgemeenschap en dat is zo ook voor ieder van ons persoonlijk. De Geest van God opent onze oren en ons hart voor het Woord van Jezus die zegt: “Kom naar buiten, kom uit je graf”. We zullen dat woord echter niet horen als we ons hart al niet openstellen voor Jezus, als we zo dom zijn maar voort te hollen in het leven zonder in te treden in een persoonlijke relatie met Hem. Hij gaat nochtans naast jou, naast jou doorheen het leven… En wij ondertussen maar gewichtig doen, of volledig opgaan in onze aspiraties of zelfs onze hobby’s, onze liefdes en onze haatgevoelens… Nochtans is Hij onze Herder, die ons van alles wil voorzien.

Vorige zondag opende Hij de ogen van de blindgeborene. En wij zien niet, willen niet zien hoe Hij met ons meegaat, de grote Herder van de schapen.

Hij nodigt u uit, nu reeds, nog weken voor Pasen, om op te staan, om naar het Licht te komen. Om zaken recht te zetten in je leven – met Zijn kracht, onder Zijn aanmoediging – om wat overbodig vet af te stoten,  om wat tijd vrij te maken voor Hem, om aandacht te hebben voor noden van mensen om je heen en veraf.

“Maak hem los zodat hij kan gaan”. Jezus wil dat we vrijkomen, vrije mensen worden, geen slaven van zelfzucht, geen slaven van genotzucht, van teevee, slaven van wat een aantal politici of mediafiguren beweren en al of niet voorleven. We worden integendeel opgeroepen om vrije mensen te worden, naar het voorbeeld van Jezus zelf.

Bidden we dan met de kerkgemeenschap tot God om zijn Geest, “zodat we in de wisselvalligheden van het leven steeds bereid blijven uw wil te volbrengen”. Daarin vinden we de echte ontplooiing van ons leven, weg uit de schijn, weg uit het graf, naar het licht, naar het echte leven in Jezus, onze Heer, die het pad voor ons effende door zijn doortocht door lijden en dood naar de verrijzenis. Zijn Pasen wordt ook ons Pasen. (Ben Van Vossel)

 

Jaar A Vasten Zondag 4 (3 april 2011)

Komt tot het Licht. Leef in het licht

Lezingen uit de zondagsliturgie:  Jaar A Zondag 4 van de Veertigdagentijd (3/04/2011): 1 Sam.16,6-7.10-13a een mens kijkt naar het uiterlijk, maar de Heer naar het hart / Psalm 23 De Heer is mijn heder, niets kom ik tekort / Ef.5,8-14 Leef als kinderen van het licht / Johannes 9,1-41 (de blindgeborene: ik geloof, Heer)

Kunnen zien. Wij realiseren ons meestal niet de waarde van het "kunnen zien". Je zou kunnen denken, iemand die blindgeboren is, die trekt zijn plan wel stilaan in zijn/haar vertrouwde omgeving, misschien lijdt die niet zo erg onder zijn/haar handicap. Maar dan luisteren we toch niet goed naar wat een blinde eens aan Jezus zei toen deze hem vroeg wat verlangt ge? Het kwam er bijna uit als een schreeuw: “Heer, maak dat ik zien kan”. En we zien vandaag hoe dankbaar deze blindgeborene zich voor Jezus neerwerpt, eens dat hij Hem heeft weergevonden.

Kunnen zien! Maar dit evangelie gaat ook en vooral over een andere manier van zien, een andere wijze van blind zijn. De blindgeborene wordt genezen, Hij komt zelfs tot het volle licht als hij zijn geloof in Jezus uitspreekt “Ik geloof, Heer.”

De echte blinden zijn hier de Farizeeën, die nochtans goede ogen hebben en verstand genoeg, maar die niet kunnen zien en aanvaarden dat Jezus de Redder is, de Messias, het Licht van de wereld.

Ook wij hebben die keuze tussen ziende worden of blind blijven. Het komt er op aan dat we in het licht gaan leven dat ons reeds gegeven is en we mogen God vragen om meer licht: "maak dat ik zien kan." Wij krijgen allemaal een beetje licht. Daar moeten we van profiteren om een paar stappen te zetten, zover we kunnen zien; en telkens een stapje verder met dat 'beetje licht' dat we krijgen.

Met dat 'beetje licht' bedoel ik hier de inzichten vanwege God, langsheen de heilige Schrift, langsheen wat de kerk ons leert en wijze mensen, inzichten ook die God ons geeft in ons hart, wanneer we bidden of aan Hem denken. Met dat beetje licht moet ik vandaag op weg. Ik probeer in praktijk te brengen wat God me vandaag leert, het inzicht dat Hij me op dit moment geeft.

Wanneer ik die kleine stappen zet, van moment tot moment, wanneer ik inga op Gods uitnodigingen, dan ga ik stilaan meer licht zien, dan ga ik meer algemeen kunnen onderscheiden wat goed is of verkeerd en wat God vindt over dit en dat.

Paulus schrijft dat zo mooi aan de christenen van Éfese: “Eens waart ge duisternis, nu zijt gij licht door uw gemeenschap met de Heer. Leeft dan ook als kinderen van het licht.”

Hoe sterker we verbonden zijn met de Heer Jezus, hoe vaker we in contact zijn met Hem door het gebed, door de sacramenten..., des te duidelijker gaan we zien waar Gods verlangen ligt, en des te gemakkelijker gaan we kiezen om voor het licht te kiezen. We gaan aanvoelen wat niet zo goed is in publicaties en media, waar de leugen en de duisternis zich mooi proberen voor te doen, wolven in schapenvacht, onwaarheden en verkeerde keuzes omkleed met een vleugje filantropie of misplaatst medelijden… Dat alles kan gebeuren.

Telkens opnieuw moeten wij onze keuzes en de keuzes van de samenleving naar het licht van Jezus brengen. Paulus schrijft: “Tracht te ontdekken wat de Heer behaagt.” Dat moeten we dan maar doen ook. Zeker nu we naar Pasen toeleven, het Feest van het Licht. We moeten leven als wakkere mensen en ons niet in slaap laten wiegen door onwaarheden, halve waarheden; wij moeten leven als radicale en consequente christenen. “Ontwaak, slaper, sta op uit de dood en Christus’ licht als over u stralen.” Een liedje uit Paulus’ tijd, dat ook ons nog kan wakker roepen tijdens onze tocht door het leven. Leef als kinderen van ht licht! (Ben Van Vossel)

Jaar A Vasten Zondag 3 (27 maart 2011)

Tabor-momenten en het platteland

Lezingen uit de zondagsliturgie:  Jaar A Zondag 3 van de Veertigdagentijd (27/03/2011).  Gen. 12,1-4a / Ps 33,4-5,18-19, 20 en 22 Luistert heden naar mijn stam; weest niet halsstarrig / 2 Tim. 1,8b-10 / Mt.17,1-9

Ik vermoed dat Jezus bij de gewone mensen in zijn tijd vooral gekend was als de genezer, en – men hoorde dat toch vertellen – als een wonderdoener. Als je gebrekkig bent, gehandicapt, als je met een ziekte zit die alle energie uit je wegzuigt, als je kind, je zoontje of je dochtertje, ziek is en de ziekte levensbedreigend wordt of als het kind blind is… en als er dan daar een man is, een goede man die van God de gave heeft gekregen om genezing te brengen… dan loop je daar toch naar toe zeker. We kennen allen wel enige evangelieverhalen waar Jezus genezend optreedt…

Mensen zijn toch vooral bezig met het eten dat enige keren per dag op tafel moet komen, met de gezondheid, met het feit dat je een werk hebt en kunt instaan voor jezelf en je huisgezin… In onze tijd zijn er een heel deel mensen die daarbovenuit ook nog bezig zijn met geldbelegging in goud, in deposito's of op de beurs, in huizen of kunst, je kan het niet gek genoeg bedenken… Jezus geeft ook wel eens voorbeelden van mensen wier geld moet opbrengen… Hij was niet zo wereldvreemd… Maar...

Hij was toch vooral bezig met het alledaagse bestaan van de gewone mens. Vandaag zit Hij, vermoeid van een lange voettocht, te rusten bij een put, een bron. De Joodse voorvader, Jacob, had daar zijn mensen en zijn kudde nog naartoe geleid om ze te drinken te geven… Wel, hier zit Jezus te rusten, maar eigenlijk zit Hij te wachten op een gelegenheid om Samaritaanse mensen - en wellicht ook om ons - naar een dieper leven te leiden. Er komt een Samaritaanse vrouw water putten en Jezus vraagt om wat water… Ze negeert dat en begint een discussietje… Jezus gaat er wel op in maar Hij heeft een diepere bedoeling.

Wij krijgen soms ook aandacht voor God, maar dan vooral wanneer we iets nodig hebben. Wanneer we, zoals die mensen die met hun ziekten of hun zieke kinderen naar Hem kwamen… wanneer we in nood zitten en we niet direct hulp krijgen van mensen… Bij die Samaritaanse bemerken we dat wat Jezus zegt over levend water dat de dorst voor eeuwig stilt… Dat interesseert haar wel, niet meer hoeven te putten in die volle middagzon… Heer, geef me van dat water dat mijn dorst voor eeuwig stilt… En zo gaat dat gesprek verder. Ook over haar leven en haar samenleven met een man die niet haar man is… Tot de vrouw stilaan ook overstapt naar godsdienstige zaken en dat er eens een Messias gaat komen die ons een diepere kennis gaat leren... Dan zegt Jezus: Dat ben Ik die met U spreekt… De vrouw is onder de indruk - ze laat zelfs haar waterkruik achter - en loopt naar haar dorp om ook andere mensen naar Jezus te doen komen…

Midden onze aardse bezigheden – we leven hier immers – worden we uitgenodigd om ook wat aandacht te hebben voor God, onze oorsprong en bestemming en voor de weg die Hij ons wijst naar het echte geluk. Hij gaat immers met ons mee, doorheen de vreugden en de beproevingen van dit aardse bestaan. En Hij spreekt ons aan. “Ik ben het die met U spreekt”, zegt Hij. Wij hebben een geestelijke oorziekte, of meer nog: een geestelijke luisterziekte. Wij maken geen tijd meer om te luisteren. Wij gaan zo op in alles wat op ons afkomt, de drukte van het leven, de vele bezigheden, de vele interesses en die zijn als een soort alles overstemmende oorruis, een tinnitus, een oorsuizing die ons belet om nog iets van God te horen. Het is nodig dat we ons hart wat vrij maken, ons hart wat op Hem richten. Het is nodig dat onze frank eens valt en we ons bewust worden dat ondanks alle drukte en alle lawaai van allerlei spraakmakers, God toch nog tot ons hart wil spreken. “Ik ben het die met U spreekt, zegt Hij dan. Ik wil ook jou levend water geven dat uw levensdorst, uw dorst naar het echte geluk zal laven. Ik heb voor jou iets in petto wat je niet meer vermoed midden al het klatergoud waarmee de moderne consumptiemaatschappij en de mediaregisseurs je trachten verdoven en aan zich te binden. Ik kan je diepere dorst lessen, je leven op de echte realiteit richten en je toerusten met alles wat je nodig hebt om je leven uit de verdwazing te halen en vanuit je diepste roeping te gaan leven.”

Laten wij iets vaker bij de bron gaan zitten, wat stilte scheppen in ons leven, om Zijn stem te horen; om in ons hart te vernemen wat Hij ons zeggen wil: Woorden van eeuwig leven, die ons inspireren en kracht geven om in dat gewone leven van ons te gaan leven vanuit een nieuw middelpunt, vanuit een nieuwe krachtbron. Hij is het die tot jou spreekt. Tot jou, vandaag. (Ben Van Vossel)

Jaar A Vasten Zondag 2 (20 maart 2011)

Tabor-momenten en het platteland

Lezingen uit de zondagsliturgie:  Jaar A Zondag 2 van de Veertigdagentijd (20/03/2011).  Gen. 12,1-4a / Ps 33,4-5,18-19, 20 en 22 / 2 Tim. 1,8b-10 / Mt.17,1-9

Op de Taborberg in Israël, het Heilig Land, staat een kerk die vooraan 3 puntige voorgevels heeft; het is een gedachtenis aan de drie tenten die Petrus wilde bouwen voor Jezus, Mozes en Elia. Maar dat hoefde helemaal niet. Hoewel Jezus aanwezig is in onze kerken, kan je Hem niet beletten ook ver daarbuiten zijn verlossende invloed uit te oefenen. Hij houdt trouwens verblijf met de Vader en de heilige Geest in het hart van ieder die in Hem gelooft… Er is echter nog iets anders waarom Jezus niet ingaat op de uitnodiging van Petrus, de tentenbouwer. Dit moment van de verheerlijking op de berg, is maar een moment. Onmiddellijk daarna zal Jezus de berg afdalen en spreken over zijn aanstaande verwerping door de leiders van zijn volk en over zijn dood. En hoewel hij dan ook spreekt over dat Hij na drie dagen zal verrijzen, toch is het duidelijk dat Hem nog een zware tocht te wachten staat.

Wij mensen van het Westen, wij zijn over het algemeen in een zacht wiegje gelegd. Wij zijn meestal welvaartskinderen, al hebben wij het misschien niet al te breed. Wij verwachten dat alles in het leven van een leien dakje gaat lopen… maar dat is niet zo. Ook als christenen weten we dat het leven en ook het leven als christen niet steeds rozengeur en maneschijn zal zijn. Zeker in deze tijd weten we dat het van een christen een sterke ruggengraat vraagt om radicaal en consequent christen te zijn. De consumptiemaatschappij blijft nog een grote verlokking en verleiding, en midden een onchristelijke wereld en met media waarin het christelijke geloof belachelijk gemaakt wordt, is het een moeilijke tocht om als christen trouw te zijn aan je doopengagement.

In die zin is het dus ook voor ieder van ons deugddoend dat je eens samen bent met andere christenen en dat de Heer je soms sterk zijn aanwezigheid doet ervaren of diepe vreugde en vrede in je hart legt, maar spoedig daarop sta je weer in het dal van het dagelijks leven, met zijn opgaven, met zijn eisen ook eisen vanwege God…

We moeten ons dan ook kunnen vasthouden aan de momenten dat we echt vreugde beleefden aan ons geloof, momenten waarop we God nabij hebben gevoeld, momenten van een speciale genade…

Zo heeft Jezus ook zijn weg trouw kunnen gaan. De apostelen daarentegen waren nog te weinig voorbereid op de grote beproevingen en zouden op de vlucht slaan. Zij hadden de woorden van Jezus over zijn lijden en dood niet ernstig opgenomen. Zelfs Pasen zou nog onvoldoende zijn voor hen en ze moesten wachten op de komst van de heilige Geest met Pinksteren, om ook innerlijk de sterkte te krijgen om voor hun overtuiging uit te komen.

Als gelovigen moeten wij weten dat christen zijn niet steeds gemakkelijk is. Wij hebben nood aan contact met de verrezen Heer in het gebed, en we mogen ook elke dag bidden om de kracht en de vrijmoedigheid die de Heilige Geest ons schenken wil. Sedert ons doopsel en vormsel hebben we daar alle recht op. Laten we die stap in het gebed dan ook doen. Elke dag. (Ben Van Vossel)

 

 

Jaar A Vasten Zondag 1 (13 maart 2011)

Juiste keuzen maken 
Lezingen uit de zondagsliturgie:  Gen. 2,7-9; 3,1-7a / Psalm 51,3…17 Heer, ontferm U, wij hebben gezondigd / Rom. 5,12-19 of 17-19 / Mt.4,1-11

 

Vandaag zien we de oude mens, in de persoon van Adam en de nieuwe mens, Jezus hun houding bepalen tegenover God en de schepping. Kort gezegd zien we hoe Adam kiest om te luisteren naar de verleider en tegen Gods verlangen in te gaan. In het evangelie zien we Jezus juist andersom kiezen. En Paulus, in zijn Romeinenbrief stelt die twee tegenover elkaar en toont aan hoe de keuze van Adam de dood bracht en de keuze van Jezus het leven. De fout van één mens bracht allen de dood, maar God schonk aan allen rijke vergoeding door de grote gave van zijn genade: de ene mens Jezus Christus. Dat is het objectieve gebeuren: zondeval en verlossing.

Maar dit evangelie en deze lezingen hebben ook impact op ons eigen leven; ook wij staan voor keuzen, keuzen die met ons diepe menselijk wezen te maken hebben.

Die keuze, de noodzaak van die keuzen te maken treft ook Jezus als mens, en ze treft Hem heel diep. Er wordt beroep gedaan op Hem in de speciale gaven die Hij heeft gekregen: maak brood van deze stenen. Werp U naar beneden van deze tempel, de engelen zullen u wel dragen… De mensen gaan met verstomming geslagen zijn, ze zullen u op handen dragen, ze zullen u tot koning uitroepen, tot een profeet zoals er nog nooit een gezien is…

Wie houdt er niet van dat de mensen naar Hem opzien? Wie zou niet graag wat speciale gaven hebben, zodat mensen er over spreken. Waw, wat een man, wat een vrouw! Wie zou niet graag hebbend at de mensen graag met jou in contact komen, dat er positief over je gesproken wordt…

Het is zo menselijk. Maar soms komt daardoor Gods heerschappij in het gedrang. Die gaven, die talenten, of heb jij dat alles verworven? Je leven, je gezondheid, je relaties, je familie… heb je dat alles niet gekregen? En ten diepste: wil jij als een god door het leven gaan, bejubeld en aanbeden, of erken je God als de Heer van je leven. Ja, dat is de uiteindelijke vraag. Alle materiële zaken moet je de plaats geven die hen toekomt: voedsel en kleding en eerbetuiging door mensen. Je moet dat alles op zijn eigen plaats stellen. En aanbidden moet je alleen God. Dat was tenslotte de uiterste bekoring bij Jezus. God alleen is God. Er is geen ander. En Hem alleen moeten wij aanbidden, Hem alleen de hoofdplaats geven in ons leven.

Deze week willen we dit alles wat oerwegen en naar ons eigen concrete leven vertalen. Waar zoek ik mijn geluk? Waar bouw ik mijn leven en mijn toekomst op? Geef ik God de plaats die Hem toekomt? Maak ik mezelf of iemand anders of iets anders tot God?

Ook als christen moeten wij deze fundamentele keuze maken. Laten we naar Jezus opkijken en bidden dat ze heilige Geest ons mag leiden in de vastentijd om voortdurend in grote en kleine beslissingen de juiste keuze te maken. (Ben Van Vossel)

Jaar A Zondag 9 (6 maart 2011)

Gods verlangen = ons geluk 
Lezingen uit de zondagsliturgie:  Deut. 11,18.26-28 / Psalm 31 Wees mij een rots, Heer, waar ik vluchten kan / Rom. 3,21-25a.28 / Mt. 7,21-27

Zegen en vloek hou Ik u voor vandaag… Zo klinkt het in het Oude Testament. Leven en dood, klinkt het dan weer op een andere plaats. Ja, Gods woord dringt door tot het bot, tot het merg… Gods Woord stelt je voor een keuze, een beslissende keuze, zeggen de profeten. En Jezus zegt het niet anders: Je bouwt je leven op rotsgrond, of je bouwt het op zand. Het gaat erom Jezus woord niet enkel te horen of ernaar te luisteren, maar om er ook naar te luisteren, in de zin van gehoorzamen en ernaar handelen. Anders stort het huis van je leven, zelfs van je gelovig leven in, als een kaartenhuisje!

Deze woorden besluiten de Bergrede, de grote preek op de berg, waar we een samenvatting krijgen van Jezus leer, van de richting die Hij aanwijst naar een gelukkig leven, een leven volgens Gods verlangen.

In Jezus’ leer ging het niet enkel over het vervullen van wat uiterlijke wetten, maar – zoals de profeten het reeds zegden – om met je hart God toegewijd te zijn en met je hart achter zijn verlangen te staan.

Voor en heels tuk komt het erop aan dat we niet enkel met wat wetten in orde trachten te zijn, maar met ons hart bezorgd zijn om Gods eer en om het geluk van onze medemens… en dan daden stellen van Godsverering en van dienst aan medemensen… Trouw, respect voor elk mensenleven, ook voor het menselijk leven dat gehandicapt is of naar zijn einde gaat, en ook voor het beginnend menselijk leven in de moederschoot. Gods verlangen in dat alles trachten te onderkennen, eerder dan uit te zijn op het applaus van spraakmakers en je eigen egoïstische verlangens… Het is soms moeilijk, maar je ervaart dat het de weg is die naar het echte geluk leidt, de weg van het behoud. Op die weg staat Gods verlangen bovenaan, maar we weten dat zijn verlangen ook ons diepste geluk is.  De kortzichtigheid van de mens die enkel maar beperkt blijft tot het direct zichtbare en grijpbare, heeft geen toekomst, zijn woorden en daden worden uitgewist als schrijfsels in het zeezand die spoedig wegspoelen…

Er wordt dezer dagen aan heel wat tronen geschud in het Midden-Oosten, en wellicht niet enkel daar. Voor ons, christenen komt het erop aan in ons eigen leven God op de troon te laten zitten. Dat is echter helemaal niet in tegenspraak met ons eigen geluk of het geluk van medemensen. Ons stellen onder de heerschappij van God, heeft niets te maken met fundamentalistische opvattingen waarbij Gods eer ten koste gaat van het leven en het geluk van mensen met wat afwijkende meningen. Gods wil nooit dat we de mens tekort doen. Het paradijs voor is op de eerste plaats Gods droom? De wetten of raadgevingen of wegwijzers die Jezus plaatst zijn bedoelt om de mens te weg te wijzen naar het echte geluk. Die wetten onderhouden betekent in feite: intreden in het verlangen van God, rekenend op zijn kracht die ons in Jezus geschonken is en die we altijd krijgen wanneer we met verlangen uitzien naar zijn hulp. (Ben Van Vossel)

Jaar A Zondag 7 (20 februari 2011)

God zelf als voorbeeld 
Lezingen uit de zondagsliturgie:  Lev. 19;1-2.17-19 / Psalm 103 De Heer is barmhartig en welgezind / 1 Kor. 3,16-23 / Mt. 5, 38-48

 Je kan je best een paar teevee-vedetten voor de geest halen, of een paar politiekers of wat zakenmensen of beursgoeroes die het mooie weer uitmaken de laatste maanden… maar dan zal je de Bijbel toch nog niet horen zeggen: “wees als die, of die”. Gods woord zegt ons vandaag: “Wees heilig, want Ik, de Heer uw God, ben heilig”.  En hierbij moeten we dan bedenken dat heilig in een van zijn originele betekenissen wou zeggen: anders dan de rest, afgescheiden van de wereld, behorend tot een andere realiteit, levend vanuit een andere realiteit… “Wees heilig” betekent hier dan dat we wel wat anders mogen leven dan die of die en die… Dat we ons niet hoeven af te stemmen op de overtuiging van die of die zelfingenomen spraakmaker op de teevee, dat we geroepen zijn om anders te denken en te leven dan wat de praatprogramma’s of teevee naar voor schuiven,  met schroom of nadrukkelijk of nogal dwingend, alsof er niet meer anders mag gedacht en geleefd worden…

God zegt ons vandaag: “Weest heilig, want Ik, de Heer uw God, ben heilig”.  Die teeveemannetjes gaan voorbij; soms zeggen ze waarheid, soms onnozelheden, oppervlakkigheden, soms verkondigen ze zaken die de mens geen echt heil brengen… Maar teevee is een machtig medium, het kan mensen kraken, het kan indrukken scheppen die niet gauw uit het geheugen van de mensen gewist kunnen worden… Maar voor een christen zijn het allemaal maar opinietjes. Sommige zijn waar, andere raken kant noch wal, andere zijn gewoon gepolijst naar het figuurtje van het mensje of het groepje dat het naar voor schuift. Een christen mag daar gerust naar luisteren, maar… het gehoorde moet geconfronteerd worden, moet in het licht geplaatst worden van Gods oordeel, van Jezus’ voorbeeld, van wat de Kerk ons leert… En dan valt er veel omver als een kaartenhuisje, dan moet je ontzettend veel relativeren, tot zijn juiste grootte herleiden, en  soms is het dan zo ontzettend petieterig en vaak totaal naast de waarheid, irrelevant en waardeloos. Soms worden gewoon onwaarden verkondigd…

Met allerhande theorieën en films en theaterstukken wordt de mens stukgemaakt, wordt de mens neergehaald. Het is de donkerte in allerlei kunstenaars die tegenwoordig een tegenbeeld schept van wat een mens en wat een menselijke samenleving eigenlijk zou moeten zijn… Ik weet wel, ook christenen en geestelijken hebben hun deel gehad in het lelijk maken van onze wereld, maar mensen die zich echt lieten bezielen door het evangelie, het Blijde Nieuws van God, hebben enorm meegeholpen aan het oprichten van de mens en het menselijk samenleven. Zij zorgden voor de zieken, voor de melaatsen, voor de armen, voor onderricht aan kinderen die geen kansen kregen in het leven… Wij moeten met groot respect elke mens benaderen, want elk mens behoort aan God.

In het evangelie van deze dag keert Jezus zich tegen alle hardheid, wraakzucht, gierigheid, haat tegen wie ons iets aandeed… Hij spreekt over vergeving, of uitlenen en geven, over beminnen van de vijand… Dat hebben veel mensen niet kunnen begrijpen van de abt van West-Vleteren, dat hij onderdak verleende aan de pedofiele bisschop Roger Van Gheluwe… “Ik moest deze broeder in Christus wel onthalen”… De wereld denkt alleen maar aan wraak, uitstoting… ze vergeten hoe zwak zijzelf zijn of geweest zijn: hoe ze zelf ook mensen hebben gekwetst met woorden, kwaadsprekerij, of door een muur van stilzwijgen. Hoe weinig we soms deden voor mensen in nood en enkel gedacht op eigen zekerheid, enkel het comfort van ons gezinnetje en de rest kan ons gestolen worden..

Jezus wil vandaag onze blik opentrekken. Ons hart moet ruimer zijn dan dat van ongelovigen. Als we alleen maar houden van de mensen die van ons houden, als we alleen maar goedendag zeggen tegen de mensen van onze eigen groep… Wat voor buitengewoons doet ge dan, vraagt Jezus. En zijn woord klinkt heel doordringend: Weest dus volmaakt, zoals uw Vader in de hemel volmaakt is”. God is ons enige uiteindelijk voorbeeld. (Ben Van Vossel)

Jaar A Zondag 6 (13 februari 2011)

Det Wet van de Heer: de Weg tot het Leven 
Lezingen uit de zondagsliturgie:  Sirach 15,15-20 leven of dood, goed of kwaad / Psalm 119 Gelukkig die voortgaan volgens de wet van de Heer / 1 Kor 2,6-10 Plan van God / Mt 5,17-37 De voltooiing van de wet

 

De Wet! Het woord zegt ons, gewone mensen niet zoveel. Natuurlijk moet je niet teveel tegen de wet ingaan, of … je vliegt tegen de lamp, of op het boekje. Je krijgt een bekeuring, een boete, of erger, je mag voor de rechter verschijnen, gerechtskosten, advocaten enz. 
In de eerste lezing en het evangelie gaat het ook over de wet. Maar dan over de wet van God, de richtlijnen die God gegeven heeft om de weg te vinden naar het geluk, naar een goede samenleving en naar de echte levensontplooiing en levensvervulling. U begrijpt dat men dan het woord wet met een hoofdletter gaat schrijven. Dat is niet zomaar een verkeerswet, een wet in verband met nieuwbouw of bouwen verbouwing aan een geklasseerd gebouw… Wetten waar je best rekenng mee houdt en die meetal ook het goed van het individu en de samenleving op het oog hebben. De Wet - met een hoofdletter - was voor de Joodse mens echter de levensdraad, de pijplijn die u en de samenleving verbond met het echte leven, het was de weg naar de volledige ontplooiing van het leven…

De mens kan ja-zeggen tegen die Wet of hij kan kiezen voor de weg naar de ondergang, voor het leven of de dood, voor de zonde of het luisteren naar Gods verlangen. Zo zegt het boek Wijsheid van Jezus Sirach: Wanneer gij wilt, kunt gij de geboden onderhouden en het is ook verstandig te doen wat de Heer behaagt. Hij heeft vuur en water voor u neergezet: gij kunt uw hand uitstrekken naar wat ge verkiest…

De vrijheid van de mens!  Je kan kiezen. Je kan je niet laten drijven, zogezegd niet kiezen. Je kiest altijd!

Jezus gaat er in het evangelie nog verder op door. Je moet echt fijngevoelig worden. Niet bekrompen en scrupuleus. Maar wel gevoelig voor de minste raadgevingen, aanwijzingen van God. De Wet van Christus is in zekere zin menselijker, omdat hij veel bijvoegingen van wetgeleerden en farizeeën bekritiseert omdat ze zonder ziel en zonder zin zijn, omdat ze de mens den duvel aandoen en hem beknotten om te beknotten. Dat is nog niet echte godsdienst. Maar anderzijds is Jezus ook veeleisender: je kan je niet van Gods gebod afmaken door wat spitstechnologie: het grote gebod van de naastenliefde bv. gaan uithollen door ergens een gift aan de tempel of iets dergelijks. De grote geboden tot in hun detail trachten na te leven. Dàt is de weg naar het leven, dàt is de Wet.

Vrienden, als Jezus het heeft over de Wet, dan wil Hij ons geen nieuwe lasten op de schouders leggen, maar Hij wil dat we de weg naar het geluk gaan, het geluk voor onszelf en de anderen. Dat houdt in dat we voortdurend luisteren naar Gods verlangen dat zich kenbaar maakt in ons hart, Hij openbaart het ons door de heilige Geest (2de lezing). En het is ook in de kracht van de Geest dat we die weg naar het leven kunnen gaan. Ons gebed vandaag is dan ook een bede om de heilige Geest: dat Hij ons zou willen leiden en gevoelig maken voor het verlangen van God, dat Hij ons ook binnenin kracht wil geven, ons wil helpen te beslissen en goede keuzes te maken in de concrete situaties van ons leven. (Ben Van Vossel)

Jaar A Zondag 5 (6 februari 2011)

Gij zijt het zout der aarde, het licht van de wereld

Lezingen uit de zondagseucharistie:  Jes. 58,7-10 / Ps.V112 4-5,6-7, 8a en 9 De rechtvaardige is voor de vrome een licht in de nacht / 1 Kor. 2,1-5 / Mt. 5,13-16 Gij zijt het zout der aarde, het licht van de wereld

Jezus is als een licht in de wereld gekomen. Met zijn woorden heeft Hij wat de profeten reeds hadden gezegd tot voltooiing gebracht, heeft Hij de weg gewezen naar het heil, de weg van Gods verlangen. Door zijn daden heeft Hij getoond wat God met de mensen voorhad: heling, genezing, heelheid, bevrijding… Door zijn leven heeft Hij de onvoorstelbare liefde van God getoond die voor het geluk van de mens alles over heeft, die overloopt van barmhartige liefde, met aandacht voor de kleinen, de achtergestelde mensen, gehavende mensen, verslaafden, zondaars, mensen in nood….

Jezus, het Licht van de wereld! Door zijn komst, zijn leven, zijn lijden en sterven en verrijzen heeft Hij alle geluk voor mensen mogelijk gemaakt, het leven volgens Gods verlangen… Door zijn Geest is Hij ons nabij opdat we in zijn spoor zouden kunnen gaan…

En vandaag zegt Hij tot ons allen: gij zijt het licht van de wereld. Het is een woord om voor weg te kruipen. Kijk even in de spiegel: die man, die vrouw, die jongere, dat kind: licht van de wereld. ’t Is Jezus die ons dat zegt vandaag.

Ik denk dan niet zozeer aan het licht van de zon, maar aan het licht van de maan, ’s nachts , in het duister… Maar misschien heeft onze wereld daar ook al heel wat aan.

Jezus gebruikt in dit stukje evangelie trouwens nog andere beelden. Gij zijt het zout van de aarde. Je moet ervoor zorgen dat de aarde nog wat smaak heeft, nog de moeite waard is en daarom moet je zorgen dat je niet zelf smakeloos wordt. Jezus spreekt ook nog over een licht op de kandelaar en niet om weg te steken, en over een stad op de berg spreekt hij: van overal moet die te zien zijn…

Als Jezus ons zo aankijkt en toespreekt, kunnen en mogen wij ons niet wegsteken. Maar wat kunnen we dan doen, vandaag? Wat betekenen die woorden voor ons, gewone mensen?

We moeten ons zeker niet gaan overschatten: zout der aarde, licht van de wereld, licht op de kandelaar, stad op de berg… We hebben wel zoveel realiteitszin dat we ons niet gaan verhovaardigen, ons niet gaan overschatten… Gewone mensen, zei ik, en ik hoop dat je me dat niet kwalijk neemt.

Wat we dus op de eerste plaats moeten beseffen is dat Jezus het licht is, en dat wij naar Hem moeten opkijken, dat we in zijn nabijheid moeten blijven, dat we bewust moeten blijven van zijn aanwezigheid … Want, en dat is ook een woord van Jezus: "los van Mij kunt gij niets" (Joh. 15,5).

Voor ieder gelovige, voor elke getuige is het gebed noodzakelijk, want los van Hem kunnen wij niets. Voor ieder christen is het nodig een sterke relatie te hebben met Jezus. Spreken met Hem, luisteren naar Hem, leven met Hem… "Wie in Mij blijft, zoals Ik in hem, die draagt veel vrucht" (id.)

En dan zendt Hij ons. Waarheen? Daar waar we leven. Maar daar waar we leven moeten wij aan Jezus vragen: En nu Heer, wat moet ik nu doen? Wat moet ik nu zeggen? Aan wie? De Heer zal het ons tonen en Hij gaat het ons meer en duidelijker tonen naarmate we meer met Hem verbonden leven door, zoals ik reeds zei vaak met Hem te spreken, met Hem door het leven te gaan. Dat we het dan al eens til moeten maken in ons leven, dat zal wel. Dat de teevee al eens alleen zal moeten blijven, dat zal wel, en onze computer en ons ‘ge-e-mail’ of ‘getwitter’… Het eerste het eerst. First things First!, zeggen ze in het Engels. Het belangrijkste eerst, het meest noodzakelijke eerst. En dat belangrijkste is voor een christen ons contact met Jezus, onze Heer. Dat wordt vandaag de beslissing die we te nemen hebben. We moeten ons niets wijsmaken. Zonder die persoonlijke relatie met Jezus, het Licht van de wereld, zullen wij niet kunnen beantwoorden aan wat Hij tot ieder van ons zegt: Gij zijt het zout der aarde, gij zijt het licht van de wereld. (Ben Van Vossel)

 

Jaar A Zondag 4 (30 januari 2011)

De zaligsprekingen

Lezingen uit de zondagseucharistie: Sefanja 2,3; 3,12-13 / Ps. 146 7,8-9a, 9bc-10 Zalig de armen van geest want aan hen behoort het Rijk der hemelen / 1 Kor. 1,26-31 / Mt. 5,1-12a.

Voor mensen die wat sociaal-voelend zijn zullen de lezingen uit deze zondagseucharistie wel aanspreken. Het gaat over zwakken, over nederigen, over de gerechtigheid zoeken, over God die juist uitverkiest wat in de ogen van de wereld dwaas is enz. En in het evangelie krijgen we vanwege Jezus de zaligsprekingen voorgeschoteld, waarin niet bepaald de rijken en de machtigen en de winners worden voorgetrokken…

Het streelt nochtans ons geluksgevoelen als we winner zijn en geen loser, als we over wat bezit beschikken en niet straatarm zijn, als we wat erkend worden en niet aan de kant gelaten worden…

Ik wil echter niet teveel de sociale toer op met het evangelie. Het is duidelijk dat het verlangen van God is dat wij zouden delen, dat we zouden strijden tegen onrecht, uitbuiting, sociale achteruitstelling, armoede en honger over de hele wereld… De Damiaanactie roept ons deze dagen daartoe ook op: 5 stiftjes voor 5 Euro; we zullen het waarschijnlijk wel overleven. Het mag voor de meesten van ons zelfs iets meer zijn. Rechtvaardigheid begint met delen met wie niets heeft of wie in ernstige nood is.

Maar de lezingen en zeker het evangelie en de kerk geven ons ook een geestelijke boodschap die naast het delen en het solidair zijn met de kleinen ons ook uitnodigt om onze relatie met God op goede basis te bouwen en er geen onbetrouwbare toren van Pisa van te maken. Het gaat erover dat God heeft uitverkoren wat voor de wereld van geringe afkomst is en onbeduidend. Nog dieper betekent het dat Jezus niet gekomen is voor de gezonden, maar voor de zieken. Het komt, zoals het hele geloofsgegeven erop neer dat we erkennen totaal van God afhankelijk te zijn, te beseffen dat we uit onszelf niets kunnen ten overstaan van God. Om het met de kleine Teresia van Lisieux te zeggen: alles is genade. Of zoals Sint Paulus aan zijn wat hoogmoedige Korintiërs zei: “Wat heb je dat je niet gekregen hebt? En als je alles cadeau gekregen hebt, waarom die drukte alsof alles van jezelf kwam?” 1Kor.4,7)

Wij moeten leen vanuit een diep besef maar ook vanuit een diepe dankbaarheid, dat we mogen leven met de zekerheid van Gods liefde, Gods barmhartige liefde, die ons aanmaant en sterkte schenkt en ons voortdurend perspectief geeft. Mensen en menselijke instellingen, menselijke wetten kunnen heel goede bedoelingen hebben, maar vaak missen zijn die soepelheid om mensen nieuwe kansen te geven, om op te roepen, op te helpen en uitzicht te geven.

Omdat wijzelf begenadigde zondaars zijn moeten wij ons ook uitgenodigd voelen om in Gods spoor aandacht te hebben voor het kleine, maar ook voor het onvolmaakte en kansen te geven, nieuwe kansen aan wie achterbleef of wie tekort kwam. Zoals Jezus onze wijsheid is, onze gerechtigheid, heiliging en verlossing, zo wil Hij dat ook zijn voor anderen. Dat is het belangrijkste deel van de Blijde Boodschap die de Vader ons in Jezus heeft duidelijk gemaakt. Laten we dankbaar zijn voor de begenadiging en tegenover anderen in Gods voetspoor treden. (Ben Van Vossel)

Jaar A Zondag 3 (23 januari 2011)

Licht brengen in de duisternis

Jes. 8, 23b-9,3 Een licht straalt  over hen die wonen in het land van doodse duisternis 
Ps 27, 1, 4, 13-14 De Heer is mijn licht en mijn leidsman 
1 Kor. 1, 10-13. 17 Laat geen verdeeldheid zijn onder u 
Mt. 4,12-23 Bekeert u want het rijk der hemelen is nabij - Volg Mij ik zal u vissers van mensen maken

In de bidweek voor de eenheid tussen christenen klinkt de oproep van Paulus in zijn 1ste brief aan de christenen van Korinthe wel heel indringend: De een zegt ‘Ik ben van Paulus’, een ander: ‘Ik van Apollos’, of ‘Ik van Kefas’ of ‘Ik van Christus’… Is Christus dan in stukken verdeeld? Wij mogen ons als christenen iet neerleggen bij die lelijke en kerk-verzwakkende verdeeldheid. Wij moeten Jezus’ gebed om eenheid tussen zijn volgelingen blijven dragen in ons hart en er met aandrang om bidden, in de kracht van de Geest.

Jesaja spreekt over een land in doodse duisternis en het evangelie herneemt dat woord nog eens om aan te duiden dat Jezus daar in Galilea nog heel wat werk voor de boeg heeft; Galilea was immers sterk beïnvloed door een sterke immigratie van heidenen, die zich maar langzaam lieten bekeren tot het geloof in één God.

Leven wij ook niet midden heel wat duisternis, sterker nog: is ook in ons eigen hart en ons eigen leven en onze omgang met mensen en dingen niet vaak heel wat duisternis.

Maar Jezus wijkt niet voor die moeilijkheid. En wij moeten ook niet ademloos blijven en inactief tegenover het grote werk dat er te doen valt in onszelf en rondom ons…

Na zijn doopsel in de Jordaan en na de arrestatie van Johannes de Doper begint Jezus kordaat aan zijn zending en roept Hij de mensen tot bekering en tot openheid voor Gods heerschappij.

Hoe zo’n verkondiging, zo’n getuigenis er voor ons kan uitzien? Dat zal ieder van ons voor zichzelf moeten bedenken. Gods Geest wil ons daarbij helpen. Het begint bij ons thuis. En altijd zullen we moeten leren dat de liefde steeds hand in hand moet gaan met de waarheid. Echte liefde vraagt om waarheid, waarheid zonder liefde komt niet van God. Wij mogen in de komende week ons afvragen waar en hoe we van Gods liefde en zijn verlangen kunnen getuigen…

Jezus, zo zien we in het tweede deel van de evangelieperikoop werft al onmiddellijk medewerkers aan. Vissers waren er rond het meer van Galilea in overvloed. “Komt, volg Mij; ik zal u vissers van mensen maken”. Hij gaat die jongemannen vormen opdat ze daarna zelf mensen kunnen oproepen en voorgaan om volgens Gods verlangen te leven.

Deze oproep is ook tot onszelf gericht. Ieder christen is geroepen om in Jezus te geleoven, Hem te volgen… maar ook om van Hem te getuigen en van het Goede Nieuws dat Hij gebracht heeft. Maar misschien is die manier van doen van Jezus ook een uitnodiging voor ons om het ook niet alleen te gaan doen, maar uit te zien naar mensen die evenals wij gegrepen zijn door Jezus en die van Hem en zijn Rijk willen getuigen. Ook daarvoor mogen we bidden. Dat we de mensen leren zien die de Heer op onze weg zet om samen met Hem het Licht van het Blijde Nieuws in deze wereld te laten schijnen. Met de hulp van de heilige Geest en de vrijmoedigheid die Gods Geest in Jezus’ volgelingen wekt.  

Jezus noemt zichzelf ‘Licht van de wereld’, maar Hij spreekt ook tot zijn volgelinen: ‘Gij zijt het licht van de wereld’. Midden de duisternis van deze tijd en van onze streek worden wij gezonden om het Licht van het Evangelie te laten schijnen in ‘liefde en waarheid’. (Ben Van Vossel)

Jaar A Zondag 2 (16 januari 2011)

Zoon van God, onze Redder

Lezingen uit de eucharistie: Jesaja 49,3.5-6 De Dienaar Gods /  1 Kor.1,1-3 tot heilig leven bestemd / Joh. 1,29-34 Jezus, het Lam Gods dat de zonden van de wereld wegdraagt

We vinden het vaak zo’n gewone gebeurtenissen, zowat van die anecdotes uit een biografie, zodat we er niet echt in intreden,e r de diepe betekenis niet van doorhebben en er ons in ieder geval niet echt door laten aanspreken. Ik heb het hier over wat er zoals gebeurt rond het doopsel van Jezus.  Daar gaat het in feite nog over op deze 2de zondag door het Jaar.  We hebben vorige zondag nog het Feest gevierd van Jezus’ Doop, en vandaag vertelt Johannes de Doper wat over de diepere betekenis. Het is werkelijk een diepe openbaring van Jezus als het Lam van God, de dienaar van God die de zonde van de wereld wegdraagt. Hij heeft er zich klein voor gemaakt, is mens geworden, hoewel Hij thuishoort in de intimiteit van de Vader, als de veelgeliefde zoon die de vreugde is van de Vader. Hij heeft zich ontdaan van die heerlijkheid van Zoon van God, en is mens geworden en de dienaar van allen en in zijn trouw aan de vader en aan de zending die de Vader Hem heeft toevertrouwd, zal Hij de donkerte van lijden en dood ondergaan. Gehoorzaam tot de dood aan het kruis, schrijft Paulus in de Filippenzenbrief.

Jezus heeft onze schuld op zich genomen, onze kleinheid, onze broosheid, onze hang naar het kwaad, onze zonde … Omdat Hij onze herder wilde zijn, ons wilde leiden naar het geluk, is Hij het Lam geworden dat onze zwaarte, onze schuld en onze ellende wegdraagt.  Niet gewoon een goed mens, was Hij. Johannes getuigt dat Hij eerder was dan hij: hij getuigt dat Jezus van bij God is. En Hij wil Jezus doen kennen, hoewel Hij hem zelf niet kent en daarom heeft God me gezonden om te dopen want op wie ik de Geest zou zien neerdalen en blijven rusten: Hij is het die doopt met de heilige Geest. Hij is het die mensen kan onderdompelen in de heilige Geest… En Johannes geeft dit sterk getuigenis: deze is de Zoon van God.

Is het toch nog maar een anekdote? De bedoeling is dat wij ons laten meetrekken in wat daar echt gebeurt en wat er wordt getuigd. Wij worden ook uitgenodigd om Jezus te erkennen als het Lam, gekomen om ons op te trekken en uit te zuiveren en tot God te leiden. Hij komt van elders en heeft de volheid van de Geest, Hij de veelgeliefde, Hij die – zo schrijft de apostelen Johannes- rust aan het hart van de Vader.  Wij willen Hem dan ook belijden als de Zoon van God.

Wat gebeurt er dan hier en nu aan ons? Wij worden ons bewust van de beperktheid van onszelf en van onze aardse omgeving en ons aardse bezigzijn. Jezus trekt ons op uit onze beperktheid en innerlijk leegheid en zondigheid. Hij kan ons vrij maken, ons uitzuiveren en in contact brengen met de Vader. Hij wil ons onderdompelen in het geestelijke bestaan, ons de heiige Geest schenken zodat we komen tot geloof, het vertrouwen op God, echte liefde voor God en de mensen. Daarom willen wij met geloof en liefde belijdend at Jezus Zoon van God is, onze Heer en Redder: de Ware weg tot het echte Leven. Zoon van God, dompel ons onder in de heilige Geest, zodat we uw weg kunnen gaan. Raak velen aan in deze tijd zodat de Stad van de mens meer en meer wordt tot eens tad van God. (Ben Van Vossel)

Doop van Christus Jaar A Zondag na 6 januari (Epifanie) 2011

Dit is mijn Zoon, mijn veelgeliefde, in wie Ik welbehagen heb

Lezingen uit de eucharistie: Jesaja 42,1-4.6-7 / Psalm 29,1a en 2, 3ac-4, 3b en 9b-10 Gold zegent zijn volk met vrede / Hand. 10,34-38 / Mt. 3,13-17 Dit is mijn Zoon, mijn veelgeliefde, in wie ik welbehagen heb

Het zal vermoedelijk een heel gewoon tafereeltje geweest zijn, althans op die plaats in die tijd. Mensen die aanschuiven om hun leven om te keren, zich te bekeren tot de ene ware God, en die zich als tastbar teken laten onderdompelen in de Jordaan, al het verkeerde en zondige van ons leven laten verdrinken en weer bovenkomen als een nieuw mens. Jezus als diepgelovig mens is ook sterk aangesproken door die vernieuwingsbeweging rond Johannes, die wij de Doper noemen. Maar Jezus wordt daar ook geopenbaard als de veelgeliefde Zoon van de Vader die in Hem heel zijn vreugde vindt.

Waar gaan wij het dan nog zoeken? “ Het ”? Ja, het geluk, de bevrijding van het kwaad, de vervulling van ons leven, het nieuws dat ons eindelijk perspectief geeft midden alle donkerte en onzekerheid, midden de overvloed van onware, onzekere, halfslachtige, gemene, misleidende berichtgeving uit de media en de lopende nieuwtjes! Waar gaan wij het geluk zoeken? In het alledaagse, in de geborgenheid van het gezin en de vriendenkring. Er zijn veel goede dingen in de wereld, de wereld is niet helemaal zonder God en zijn gaven. Maar ten diepste zullen wij slechts bij Jezus het geluk vinden, Hij die zelfs door de Vader “mijn vreugde” genoemd wordt: “in wie ik mijn welbehagen heb”.

Het probleem met de christenen hier bij ons is dat ze hun oren zo vlug laten hangen naar al wat “de allerslimste mensen”, de “politieke commissies vol onbevlekt ontvangenen” die hun evangelie verkondigen en die hun vloek uitspreken op dit ogenblik over de kerk, het schuim staat hen soms op hun bek. Uit compassie met de misbruikte kinderen? Dat is een heel vaag gevoelen en dat onvoldoende ingevuld wordt door enkel maar te spuwen op de kerk. Er zijn andere maatregelen nodig en vooral ook breder onderzoek naar misbruik ook in eigen kring, eigen organisaties, eigen aangesloten leden. Hoe kunnen wij bv. een maatschappelijk gezonde samenleving maken als promiscuïteit gepromoot wordt langsheen de media. Dat men niet komt aandraven met het opvoeren van een ziekelijke pervert uit een ver verleden, zelfs als de slachtoffers daarvan nu nog de kwetsuren met zich moeten meeslepen… Christenen moeten niet meehuilen met de wolven in bos, die heel wat andere doelstellingen hebben dan schoonschip te maken in onze samenleving. Christenen moeten in eigen leven en in eigen midden en waar ze kunnen ook in de samenleving een radicale levenshouding van groot respect voor de medemens, vooral voor de meest kwetsbaren aan de dag leggen: het ongeboren leven, de kinderen, de jonge mensen, de gehandicapten, vergeten groepen. Denk maar niet dat we dat uit eigen kracht kunnen. Wie dat denkt, kent zichzelf niet en heeft niets geleerd uit al wat we meemaakten ook vanwege een aantal geestelijken. Het gaat om een diepe bekering, en ons stellen onder de invloed van Gods Geest. Wij moeten bij Jezus gaan staan, naar Hem opkijken, maar ook voor Hem knielen en vragen dat Hij het in ons zou bewerken, hetgeen we nu nog niet aankunnen. Wij moeten zijn naam noemen en ophouden onszelf voor ‘goedmenenden en moraalridders’ te houden zoals een aantal commissieleden met voor zich de kerk als beschuldigde, als de slechterik, de grote volksmisleider en dan met de vetgesponserde media en ‘humoristen’ natuurlijk schreeuwen: ‘Écrasez l’infâme’, vermorzel die schandelijke! Laten wij die heisa doorzien, onthouden wat echt waardevol is en er iets mee aanvangen, maar er ons verder niet al te druk over maken. Hun bitsigheid spreekt boekdelen.

Bij Jezus moeten wij zijn, ons geloof vernieuwen en opnieuw gaan bidden: aanbidden en danken en smeken en … om vergeving vragen voor onszelf en voor alwie tegen Gods verlangen ingaat.

Jezus stond als boeteling in het water van de Jordaan. En God sprak: “Dit is mijn Zoon, de veelgeliefde, in wie ik welbehagen heb”. Als we bij Jezus gaan staan, elke dag opnieuw, zullen ook wij Gods stem horen: “Dit is mijn zoon, dit is mijn dochter, de veelgeliefde, in wie ik welbehagen heb”. Gods oordeel over ons leven moet de doorslag geven.  (Ben Van Vossel)