PREKEN UIT 2010

(preken uit 2009 - preken uit 2008 - preken uit 2007 - preken uit 2006 - preken uit 2005)

Waar onze preek ontbreekt, 
surf hierboven naar Powerpointvoorstellingvan de recente ZONDAGSEVANGELIES

 

- Jaar C Zondag 23 (5/09/2010) Kiezen met open ogen 
- Jaar C Zondag 22 (29/08/2010) De laatste plaats 
- Jaar C Zondag 21 (22/08/2010) De nauwe poort 

- Jaar C Maria Tenhemelopneming (15 augustus 2010) Onze toekomst 
- Jaar C Zondag 19 (8 augustus 2010) Vreest niet maar weest bereid 
- Jaar C Zondag 18 (1 augustus 2010) Goed omgaan met het aardse goed 
- Jaar C Zondag 17 (25 juli 2010) Vertrouwvol bidden tot de Vader 
- Jaar C Zondag 16 (18 juli 2010) Jezus onthalen 

- Jaar C Zondag 15 (11 juli 2010 H. Benedictus van Nurcia) Mijn naaste liefhebben 
- Jaar C Zondag 14 (4 juli 2010) Getuigen van Gods liefde 
- Jaar C Zondag 13 (27 juni 2010) Niet fanatiek, wél radicaal 
- Jaar C Zondag 12 (20 juni 2010) Wie zegt Gij dat Ik ben? 
- Jaar C Zondag 11 In Jezus zijn wij door God aanvaard 
- Jaar C Zondag 10 (6 juni 2010) Tot leven geroepen 
- Jaar C Pinksteren (23 mei 2010) Kom, heilige Geest, vernieuw ons 
- Jaar C Paaszondag 7 (16 mei 2010) Jezus verheerlijkt, aanwezig en op komst 
- Jaar C Paaszondag 6 (9 mei 2010)
- Jaar C Paaszondag 5 (2 mei 2010) Bidden om echte liefde 
- Jaar C Paaszondag 4 (25 april 2010) Ik geef eeuwig leven aan wie Mij volgt  
- Jaar C Paaszondag 3 (18 april 2010) God meer gehoorzamen dan de mensen 
- Jaar C Paaszondag 2 (11 april 2010) Sjalom! Ik ben het! 
- Jaar C Paaszondag 1 (7 april 2010) Ik ben het. Vrees niet 
- Jaar C Palmzondag (28 maart 2010) Succes? Mislukking? Dankbaarheid - Mededogen 
- Jaar C Vasten 5 (21 maart 2010) Jezus, mijn Redder 
- Jaar C Vasten 4 (14 maart 2010) Barmhartige Vader, ontferm U over mij en over allen 
- Jaar C Vasten 3 (7 maart. 2010) Bekeer u 
- Jaar C Vasten 2 (28 febr. 2010) Luister naar Hem 
- Jaar C Vasten 1 (21 febr. 2010) Verzoekingen weerstaan 
- Jaar C Zondag 6 (14 febr. 2010) Welke keuze maak JIJ ? 
- Jaar C Zondag 5 (7 februari 2010) Kleine mensen gebruikt Hij in zijn dienst 
- Jaar C Zondag 4 (31 jan. 2010) Trouw in je gelovig getuigenis 
- Jaar C Zondag 3 (24 jan. 2010) Jezus vervult de Schrift 
- Jaar C Zondag 2 (17 jan. 2010) Jezus bij alles betrekken 
- Doop van Jezus (10 jan. 2010) Gij zijt mijn welbemind kind 

 

ACTIVITEITEN GRIEKSE KERK BAGDAD - BEZINNINGEN - BIJBEL - BOEKEN - CHRISTEN in de WERELD - CHRISTELIJKE VORMING - DIAPRESENTATIES - EVANGELIE-LEZING - GEBED GEBEDSGROEP - GETUIGENISSEN - GEZIN INHOUD - JEZUS (Isa al Masih) - JONGEREN - KERK en GELOOF - Figuren uit de KERKGESCHIEDENIS - KINDEREN - KUNST - LITURGIE - MEDIA -- MARIA - MARIA-KEFAS - MORAAL - NADENKERTJES - NIEUW - NUMMERS - PARAY L.M. - PINKSTERSPIRITUALITEIT - PREKEN - ROEPING - SOCIALE INZET - SPIRITUALITEIT THUISPAGINA  - UITZICHT - VERHALEN -  WETENSCHAP - ZENDING ZONDAGSEVANGELIES -

 

Jaar C Zondag 23 (5/09/2010)

Kiezen met open ogen

Liturgische lezingen : Wijsheid 9,13-19 / Psalm90 Gij, Heer, zijt steeds onze toevlucht geweest voor ieder geslacht opnieuw / Filemon 9b-10.12-17 / Lucas 14,25-33

 

In de tussenzang van vandaag bidt Psalm 90: “Leer ons onze dagen naar waarde te schatten en zo te komen tot wijsheid van hart”. Het is het eeuwenoude wijsheid van te zien wat belangrijk is, wat van belang is in het licht van het uiteindelijk oordeel over je leven, zien waar het op aankomt. Je moet eigenlijk al wijs zijn om tot de echte wijsheid te komen.

 

Jezus sluit eigenlijk aan bij die oudtestamentische wijsheid wanneer Hij aan de mensen duidelijk wil maken dat je moet weten wat je eigenlijk wil inzetten om het echte geluk te vinden. Wat heb je er voor over? En Hij zegt ook heel duidelijk wat het je gaat kosten, wat je moet durven wagen.

En dat is nogal heel wat: Je moet de keuze voor Jezus laten voorgaan op al de rest. Zelfs voor je familie. Je moet eerst voor mij kiezen, zegt Hij, dan pas kun je op de goede manier omgaan met de rest, met de mensen en de dingen, met je gezin en je werk, met je vrienden en de mensen die je niet zo sympathiek vind. Je moet eerst voor Mij kiezen om te weten welke plaats je aan de rest moet geven.

 

Dat is inderdaad niet weinig wat Jezus daar vraagt van wie Hem wil volgen, of wat er zo al nodig is om in het Rijk van God te leven. Maar we moeten het tot onszelf eens duidelijk durven zeggen: als we christen willen genoemd worden, moeten we het ook zijn, en als we christen willen zijn heeft dat als gevolg dat we Jezus kiezen als degene die ons leven mag bepalen, die het hoge woord mag hebben in ons leven. Gaan we daar mee akkoord of niet? Willen we echt in het Rijk van God leven, onder de heerschappij van God?

 

O, Jezus vraagt niet direct een antwoord, maar Hij stelt wel de vraag en Hij verwacht ook een antwoord. Hij stelt de vraag heel duidelijk en Hij geeft alle gevolgen, alle consequenties aan die ermee samenhangen wanneer je Hem aanvaard als de Heer van je leven. Hij zegt dat klaar en duidelijk. Je moet immers weten waarover het gaat. Jezus zet geen kleine lettertjes in de overeenkomst, maar grote duidelijk letters, Hij spreekt klare taal. Je weet waar dan waar je voor gesteld wordt.

Die duidelijkheid vindt Jezus heel normaal. Als je begint te bouwen maak je immers ook eerst een begroting en als je een oorlog wilt voeren moet je ook weten of je je niet belachelijk gaat maken… Het zijn voorbeelden uit die tijd, maar we begrijpen dat Hij wil zeggen: weet waar je aan begint als je Mij volgt: dit zijn de voorwaarden, dit zijn de gevolgen! 

Alles achter Jezus stellen, daar draait het om.

En dan komen we terug op die wijsheid uit het Oude Testament: “Leer ons onze dagen naar waarde te schatten en zo te komen tot wijsheid van hart”. Ons leven hier op aarde is kort, we moeten nu kiezen waar we het zwaartepunt leggen. Vragen we de Heer onze ogen te openen, zodat we die wijsheid van hart zouden hebben om af te wegen of we ons leven bouwen op moerasgrond van het voorbijgaande, of op het enige fundament dat eeuwig blijft, en dat is Jezus. Laat Hem de Heer zijn van je leven. En laat dat niet enkel zo een afgerammelde geloofsbelijdenis zijn, maar een weloverwogen keuze die uw leven in het licht brengt van Gods eeuwigdurende liefde. (Ben Van Vossel)

 

Jaar C Zondag 22 (29/08/2010)

De laatste plaats

Liturgische lezingen : Sirach 3,17-18.20.28-29 / Psalm 68,4-5ac, 6-7ab Heer, in uw goedheid hebt Gij voor uw kudde een rustplaats bereid / Hebr. 12,18-19.22-24 / Lc. 14,1.7-14

 Christelijk leven is zich bewust zijn van te leven vanuit de genade, de gratische goedheid van God en voor wat ons betreft komt het dan neer op gaan leven zoals Jezus. Op Jezus gericht zijn, opzien naar Jezus, zijn leven beschouwen en trachten na te volgen, dat is onze grote betrachting.  Dat zou onze grote betrachting moeten zijn. Wat Jezus betrachtte en beleefde en wat Hij verkondigde in woord en door zijn gedrag, beantwoordt niet altijd aan onze verlangens en strevingen. Vaak strijkt het wat tegen onze haren in.

Neem nu bijvoorbeeld wat hij de mensen voorhoudt in het huis van een van de voornaamste Farizeeën. Hij is daar uitgenodigd op de maaltijd, maar men houdt Hem heel de tijd in het oog. Zelfs heeft Hij met één oogopslag al gezien wat zich daar afgespeeld heeft en zich aan het afspelen is: ieder van de genodigden probeerde de voornaamste plaats is te nemen. Wij vinden dan misschien wat potsierlijk, maar dan is dat omdat we die situatie niet goed overplaatsen naar onze tijd en naar situaties die wij kennen. Ook mensen van nu, en vermoedelijk steekt dat ook in ons, willen invloed hebben, willen voor vol aangezien worden, zijn heel bekommerd over hoe ze overkomen, willen graag het hoge woord voeren, willen elkaar overtroeven met allerlei verhalen en anekdoten waaruit hun belangrijkheid moet blijken en wat zij allemaal meegemaakt hebben…

De voornaamste willen zijn, het centrum van de belangstelling, de sterke verhalen… het is zo herkenbaar.

Maar wat zegt Jezus daar nu over? Ga op de minste plaats zitten en misschien gaat de gastheer u verzoeken wat hogerop te gaan zitten, want ga je op de voornaamste plaats zitten, misschien dat je dan het affront oploopt dat de gastheer u komt verzoeken uw plaats af te staan en dan zou je vol schaamte de laatste plaats moeten innemen….

Je zou hier kunnen gaan denken: Ha, ’t is dus een kwestie van slim te zijn: achteraan gaan zitten maar verwachten dat ze je naar voor gaan roepen…

We moeten zoeken naar wat Jezus ECHT wil zeggen. En daarvoor moeten we niet allen luisteren nar zijn woorden, maar kijken naar zijn leven, hoe Hij zijn leven invult. Dat is geen kwestie van slim zijn, maar je bewust zijn van wat een mens is, vooral in zijn relatie tot God. Het geheim van Jezus’ bestaan vinden we in een tekst van Paulus dat in feite een lied is, een hymne op Jezus: “Hij die bestond in goddelijke majesteit heeft zich niet willen vastklampen aan zijn gelijkheid met God. Hij heeft zich van zichzelf ontdaan en het bestaan van een slaaf aangenomen. Hij is aan de mensen gelijk geworden. En als mens verschenen 8 heeft Hij zich vernederd, Hij werd gehoorzaam tot de dood, tot de dood aan een kruis. 9 Daarom heeft God hem hoog verheven.” (Filipp. 2,6-11)

In het Lucasevangelie zal Jezus tot zijn leerlingen zeggen: “Lk.22,27 Wie is … de grootste: die aanligt of bedient? Niet hij die aanligt? Welnu, Ik ben onder u als degene die bedient.

Dat is hier helemaal geen kwestie van slimmigheid. Jezus is ons komen voorleven hoe wij ons te gedragen hebben. Hij heeft die onbegrijpelijke stap gezet vanuit de geborgenheid in de schoot van de Vadeer naar de gebrekkigheid van ons aardse bestaan en zelfs dan stond Hij nog helemaal in dienst van de mensen, van ons geluk, tot het uiterste, ten einde toe heeft Hij ons liefgehad. Hij heeft zich helemaal in onze dienst gesteld zoals Hij zich helemaal in dienst had gesteld van Gods verlangen. Mijn voedsel is de wil te doen van Hem die Mij gezonden heeft en zijn werk te volbrengen.

Jezus volgen en zijn woord van vandaag gaan beleven zal dus betekenen dat wij ons leven heroriënteren, of herinrichten: God op de eerste plaats, Gods verlangen op de eerste plaats, niet mijn eigen wil, niet mijn eigen plannetjes voor vandaag en vanavond en morgen… En Jezus volgen zal ook betekenen dat ik me dienstbaar ga opstellen tegenover medemensen: niet de eerst viool willen spelen, maar bezorgd zijn om het geluk van de ander. Dat betekent niet dat we in de praktijk niet soms wat assertief moeten zijn, maar toch altijd het echte geluk van de ander op het oog hebben.

Jezus’ leven en woorden beschouwen en overwegen is dus echt noodzakelijk. En ook dat andere: beroep doen op de Heilige  Geest, die Jezus de Helper en Vertrooster noemt die Hij zou zenden.  Niet door kracht of geweld, maar door Gods Geest gaan we kunnen leven volgens de gezindheid van Jezus. (Ben Van Vossel)

 

Jaar C Zondag 21 (22/08/2010 Feest Maria Koningin)

De nauwe poort naar Gods Rijk

Liturgische lezingen : Jesaja 66,18-21 / Ps. 117 Gaat uit over de hele wereld en verkondigt het evangelie aan heel de schepping / Hebr. 12,5-7.11-13 / Lc 13,22-30 De nauwe poort

Het ligt natuurlijk voor de hand om de Eerste lezing en het evangelie van vandaag toe te passen op de het Joodse volk uit Jezus’ tijd en de daaropvolgende jaren. Als profeet wilde Jezus zijn volk tot ijver prikkelen door te zeggen dat het niet zou delen in het heil dat God wilde bewerken maar dat het zijn erfdeel zou verliezen aan mensen uit heidense volkeren. Maar opdat deze lezingen ook ons zouden stimuleren is het goed van wat Jezus daar zegt over de nauwe poort en dat we ons tot het uiterste moeten inspannen ook tot ons te laten komen…

Jezus en met Hem ook de Kerk willen ons aansporen om ons in te spannen om door de nauwe poort binnen te komen in het Rijk van God. 

Met woorden van vroeger klinkt het dat we ons uiterste best moeten doen om in de hemel te geraken. Dat blijft natuurlijk wel zo, maar het Rijk van God situeert zich ook hier en nu. Je kan nu reeds in het Rijk van God leven, als je Hem koning laat zijn in je leven. Dan leef je daadwerkelijk in zijn Rijk, onder zijn heerschappij. Dat is geen gemakkelijk iets. God Heer laten zijn over al je doen en laten, over je spreken en denken, je reageren op alles, je relaties met medemensen in je eigen gezin, je buurt, je werkomgeving, je ontspanning… God daar Heer laten zijn, in al die omstandigheden, over heel de lijn Gods verlangen doen…

Het is inderdaad een smalle weg waar we ons op begeven, een moeilijke weg en een nauwe deur waar we doorheen moeten om God baas te laten zijn in heel ons leven, om te gaan leven in Gods koninkrijk. Maar het is wel de weg naar het echte geluk. Naar de vervulling van ons leven.  

Alleen, dit blijft allemaal nog maar vrome praat, zolang we er niet aan beginnen, zolang we ons leven niet echt onder de loupe nemen en ons afvragen: Waar leef ik al echt in Gods Rijk? Waar sluit ik God nog buiten? Waar doe ik nog gewoon mijn eigen goestinkje zonder die onder het licht van het evangelie te plaatsen? En laat ons niet komen aandraven met de dooddoener dat het leven dan te saai of te serieus wordt. Wij weten heel goed dat God ons geluk wil en niet voortdurend de vreugde uit ons leven wil wegnemen. Dat zijn kwade influisteringen. De echte vrede komt in ons hart wanneer wij ons op weg begeven in Gods Koninkrijk, ons onder Gods heerschappij stellen. We moeten er gewoon aan beginnen. Vandaag. Niet uitstellen. Kleine beslissingen. Een kleine inspanning – met Gods genade – om te bidden, om eens niet aan mezelf te denken maar iets te doen voor een ander, een kleine inspanning om de opdracht van vandaag goed te doen, vriendelijk te zijn voor …

Met God op weg… Het wordt boeiend. En zo geraken we zeker door die nauwe poort vandaag. En als ik tekort kwam kan ik bij Hem komen, beroep doen op zijn barmhartigheid en nieuwe hulp.

Span je in tot het uiterste om door de nauwe poort binnen te komen… Je zal ervaren hoe heerlijk het is in Gods rijk, vandaag. En als het morgen wat lastig is. Als de schaduw van het kruis over je leven komt… Ook dan wil de Heer jouw herder zijn, die je nabij is, ook dan. (Ben Van Vossel)

 

Jaar C Maria Tenhemelopneming (15/08/2010)

Onze toekomst 

Liturgische lezingen van dit Feest: Apocalyps 11,19a;12n1-6a.10b / Tsszang Naast u sttat de koningin, getooid met gouw Psalm 45, 10bc, 11, 12ab / 1 Kor. 15,20-26 / Lucas 1,39-56 (Bezoeking en Magnificat)

Je zou de vraag kunnen stellen wat dit Feest van Maria ten hemelopneming te maken heeft met ons leven als christen in deze tijd in dit zou weinig katholieke land? En met welke boodschap heeft de Kerk dit Feest willen vullen?

Het dogma van Maria met ziel en lichaam ten hemel opgenomen is vrij laat officieel opgenomen in de canon, de verzameling van plechtig afgekondigde geloofswaarheden. Toch leefde die overtuiging reeds eeuwenlang binnen de christelijke gemeenschap. Maria is reeds verheerlijkt bij haar verheerlijkte Zoon, onze Heer en Redder. En deze geloofszekerheid steunt op het feit dat zij Moeder is van Gods Zoon en dat haar lichaam niet gewoon vergaan is zoals het normaal menselijke lot is. In die zin is zij nu reeds in de staat waartoe wij geroepen zijn. In haar is als het ware onze toekomst reeds afgebeeld. Daarom horen we in de evangelielezing Elisabeth de lof van Maria verkondigen: “Gij zijt gezegend onder de vrouwen en gezegend is de vrucht van uw schoot.” Jezus heeft de vrouw geheiligd die Hem gedragen heeft en uit wie Hij geboren is heeft haar tot zich genomen in de heerlijkheid van de Vader.

Maria zong de lof van God omwille van haar uitverkiezing tot moeder van de Verlosser, maar zij bleef zich bewust van haar kleinheid en roemde de gratische liefde van God, die genadig op haar had neergezien. Zij noemde zichzelf dan ook het dienstmeisje van de Heer: helemaal tot zijn dienst.

Moeder van de Heer en – door Jezus beschikking op het kruis – ook Moeder van de Kerk. Een hele eer zouden we zeggen, maar het heeft ook zijn pijnlijke kanten gehad… Haar kind is bedreigd geworden, niet enkel door de gewone zaken van ziekte en ongevallen, maar het werd vervolgd en naar het leven gestaan: er is het verhaal van Herodes en de vlucht nar Egypte, maar later zijn er de harde feiten van de verwerping, bedreigingen en tenslotte arrestatie, veroordeling en terechtstelling. Jezus Moeder heeft dat ook meegemaakt. En haar kind, de Kerkgemeenschap… Onmiddellijk werd zij al geconfronteerd met het ongeloof, de ontmoediging en wellicht heeft ze ook nog onenigheid meegemaakt in de jonge Jezusgemeenschap…

Ook vandaag blijft zij die Kerkgemeenschap volgen met haar gebed, haar voorspraak. Zij is beeld van de Kerk waarin Jezus aanwezig is, zij is beeld van de Kerk die ook vervolgd wordt en ook is ze beeld van wat de verheerlijkte kerk uiteindelijk zal worden volgens Gods liefdeplan.

Wat heeft dit feest dus uiteindelijk te maken met ons, met ons dagelijks bestaan en ons bestaan op zich? Dit is en blijft voor ons een feest van hoop, van toekomst, een vreugdevolle toekomst. De uitnodiging is dat we Jezus in ons dragen, Hem trouw blijven ook in moeilijke tijden. Ons leven blijven bouwen op Hem, Hem trachten te volgen en na te volgen… God dienen en trouw blijven maar ook en vooral blijven vertrouwen op zijn liefde. Er worden zoveel woorden gesproken, vroeger en nu, maar God heeft het laatste woord en op dat woord mogen wij vertrouwen als wij Hem blijven dienen zoals het dienstmeisje van de Heer dat door Hem verheerlijkt werd met heel haar wezen. (Ben Van Vosssel)

Jaar C Zondag 19 (8/08/2010)

Weest niet bevreesd - Weest bereid 

Liturgische lezingen van deze zondag: Wijsh. 18,6-9 Gereed voor de uittocht / Ps. 33, 1 en 12, 18-19,  20 en 22 Zalig het volk dat de Heer heeft als God / Hebr. 11,1-2.8-19 volg het geloof van de gelovige voorouders / Lc. 12,32-48 weest niet bevreesd – weest bereid

 

Als men je een of andere beloning of een geschenk belooft, dan verwacht je je er aan dat in een niet al te ver verwijderde toekomst die beloften ook werkelijkheid wordt en je dat geschenk mag ontvangen. Jezus belooft ons het koninkrijk te schenken. Hier in deze context betekent het dat we door God onthaald worden in een geluk waarvoor geen menselijke woorden voor zijn en dat ook geen aardse vergelijking vindt. Die rijstpap met gouden lepeltjes mogen we vergeten en als Jezus ook vrij aardse vergelijkingen gebruikt zoals een rijkgevulde tafel, dan weten we dat dit ook maar beelden zijn om iets heel anders en veel verhevener uit te drukken.

Hoewel dat koninkrijk iets is waar we niet veel aanspraak op kunnen maken vanwege onze verdiensten – het is bovenal een geschenk van Gods liefde – dan geeft Jezus ons toch een goede raad mee. Hij nodigt ons uit ons hart wat vrij te maken van al te aardse dingen, ons nu al wat los te maken van te grote gehechtheid aan het voorbijgaande. “Waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn”.

Maar de hele dag zijn we met dat aardse, dat voorbijgaande en vaak dat oppervlakkige bezig. We zijn mensen en leven op deze aarde tussen aardse verplichtingen en aardse dingen… En toch moeten we die woorden van Jezus tot ons laten komen. Er moet tussen al dat aardse dat ons omgeeft en waarin we gedijen aandacht zijn voor wat komt, aandacht zijn voor “Wie” komt, “Wie” met een hoofdletter. “Gedraagt u als mensen die wachten op de terugkomst van hun Heer, om als hij aankomt en klopt, hem aanstonds open te doen… Wees ook gij bereid, omdat de Mensenzoon komt op het uur waarop gij het niet verwacht”.

We zijn inderdaad mensen tussen mensen, mensen op aarde met aardse opdrachten, mensen die vreugde en droefheid kennen… Maar ons hart moet gericht zijn naar de toekomst, moet gericht zijn op de Heer…

Dat klinkt zo heel christelijk, zo wat mystiek en precies wat zwevend, wat buiten de werkelijkheid. Maar wat Jezus bedoelt zou ons toch duidelijk moeten worden. Ons leven hier op aarde krijgt maar zin, diepe en blijvende zin wanneer dat leven geleefd wordt onder Gods zon, Gods liefdevolle aandacht. Ons leven krijgt maar een diepe zin en zal maar zijn uiteindelijke vervulling vinden wanneer we leven volgens Gods verlangen: doen wat Hij ons opdraagt (dat is Hem erkennen als Koning, als Heer van ons leven), met aandacht voor het geluk, het echte geluk van medemensen (dat is zijn voornaamste opdracht). Een goede dienaar kent de wil van zijn Heer en handelt volgens zijn wil…
Verder hangt alles enkel af van Gods alles overtreffende liefde.

Zelf moeten we dan niet gaan oordelen noch over onszelf, noch over anderen. Wij kunnen maar leven met het licht dat we krijgen. Jezus spreekt daar duidelijke woorden over: “Van ieder aan wie veel is gegeven, zal veel worden geëist, en wie veel is toevertrouwd, ven hem zal des te meer worden gevraagd.” (Lk.12,48)

Ook als we menen niets aan ons leven te moeten veranderen, laten we toch minstens even nadenken over dit stukje evangelie, aan deze woorden van Jezus die de Kerk ons vandaag voorlegt: “Wees niet bevreesd, uw Vader houdt van u; maar leef ook nu reeds echt in zijn koninkrijk door te doen wat Hij van u vraagt, laat dat uw allereerste zorg zijn”. (Ben Van Vossel)

Jaar C Zondag 18 (1/08/2010)

(Feest van de H. Alfonsus van Liguori, stichter van de broeders en paters Redemptoristen, Congregatie van de Allerheiligste Verlosser)

Goed omgaan met het aardse goed

Liturgische lezingen van deze zondag: Prediker 1,2; 2,21-23 / Psalm 95 Luister heden naar God stem. Wees niet halsstarrig zoals weleer / Kol. 3,1-5.9-11 / Lucas 12,13-21

Geen gezellige lezingen vandaag. Een Prediker uit het Oude Testament heeft het over “alles is ijdelheid”. Het is om de moed te verliezen als je je inspant om je brood te verdienen op creatieve manier en met volle inzet.. Je moet omzeggens alles afgeven aan de fiscus… IJdelheid dus, zegt prediker. In feite loopt al je inspanning toch op niets uit. 
Je zal zeggen: dat is het Oude Testament! Dat is het inderdaad. Maar wat horen we Jezus zeggen in het evangelie? Hij weigert om als rechter te gaan onderscheiden tussen twee belanghebbende partijen, dat kan je nog begrijpen. Maar als een illustratie bij zijn beslissing vertelt hij over iemand die geweldige materiële plannen had maar die, wanneer hij dan rijk geworden is en van zijn rente wil gaan leven, te horen krijgt dat zijn leven ten einde loopt en al zijn rijkdom voor iemand anders is. Prettig nieuws misschien voor wie zal erven, maar geen prettig nieuws voor wie een hele tijd van zijn leven gewerkt heeft om het wat beter te hebben… Alles is ijdelheid. Vergeefse moeite. Wat een optimistische kijk op de zaken!

Wat wil de kerk ons met deze lezingen zeggen? We moeten ons ervan bewust zijn dat aards bezit, aards succes en aardse roem,  een geweldige handicap over zich hebben. Die handicap is... de tijd. Het is alles maar 'een tijdje' dienstbaar.  En dan? Wel, dan moet je natuurlijk zelf afwegen of je niet beter op de eerste plaats kunt investeren in zaken op langere termijn, zaken die belangrijk zijn in de ogen van God. Jezus eindigt op die manier zijn gelijkenis over de man (maar het kan ook een vrouw zijn) die een grote rijkdom liggen heeft maar te horen krijgt: “Dwaas! Nog deze nacht komt men je leven van je opeisen; en al die voorzieningen die je getroffen hebt, voor wie zijn die dan? En Jezus voegt er als conclusie aan toe: Zo gaat het met iemand die schatten vergaart voor zichzelf, maar niet rijk is bij God.”

Je kan wel eens denken: in het Bijbelse paradijsverhaal krijgt de mens van God toch wel de opdracht om de aarde te bewerken en vruchtbaar te maken, na de zondeval zelfs ten koste van zweet en moeite en dit betekent toch dat de mens de handen uit de mouwen moet steken om in zijn levensonderhoud te voorzien en de aarde wat meer bewoonbaar te maken. Zonder enige ondernemingsgeest – op groot en klein gebied - zou er niet veel gebeuren. We bouwen huizen, we richten ze in, maken ze mooi, we voorzien in voedsel en welvaart voor velen…

Vermoedelijk mag je toch ook iets bezitten…
Waar loopt het dan mis? Je moet ook rijk zijn voor God. Je leven en werken en je doelstellingen moeten ook nog beantwoorden aan wat God wil. Dan moeten we daarover maar eens nadenken.

Wat zie ik als het grote doel van mijn leven? Waar hecht ik vooral waarde aan? Ik moet dan maar eens afvragen hoeveel tijd ik aan een en ander besteed, of wat ik liefst doe. Is er ook plaats voor de ander en de anderen, vooral ook voor de mensen in nood, in mijn denken en streven, in mijn uitgaven en mijn delen? 

Wellicht  mogen we - dankzij onze inspanning maar vaak ook dankzij wat geluk of een rijke afkomst - rijk zijn, maar dan toch met God voor ogen, naar dat bezit kijken met de bril van God. God wil niet onze ondergang, hij wil ons niet alles ontnemen, maar hij tracht ons wel aan het verstand te brengen dat bezit niet wordt opgebouwd op de kap van anderen, en dat geld besteden niet kan gebeuren zonder enige sociale, medemenselijke motivatie… Alleen op die weg is het echte geluk te vinden. Dat wil God ons aan het verstand brengen. En Hij kan het weten. Hij heeft de mens gemaakt, Hij weet op welke weg de mens het echte en blijvende geluk vindt en... Hij heeft het laatste en definitieve woord over ons leven en over alles. (Ben Van Vossel 2010)

 

Jaar C Zondag 17 (25/07/2010)

Vertrouwvol bidden tot de Vader

Gen. 18,20-32 / Ps. 138, 1-2a, 2bc-3, 6-7ab, 7c-8 / Kol. 2,12-14 / Lucas 11,1-13

De Kerk wil ons vandaag iets zeggen over het gebed. Dat zat er wat aan te komen omdat Jezus is de voorafgaande perikoop van het Lucasevangelie evangelie de overactieve Martha uitnodigde om gewoon wat bij Hem te komen zitten en wat tijd te maken voor die ontmoeting en dat gesprek.

Omdat we zelf ook vaak wat overactief zijn en niet gemakkelijk stil bij de Heer gaan zitten, wil de Kerk het ons vandaag ook niet moeilijk maken als ze spreekt over het gebed. Ze neemt de gemakkelijkste vorm van het gebed, een vorm die de mensen direct begrijpen en waar ze vaak spontaan naar grijpen: het smeekgebed. Iets vragen als je iets nodig hebt, om hulp vragen als je in de penarie zit, om raad vragen als je een probleem hebt in je persoonlijk leven of als je een van je kinderen wilt helpen… Het zijn normale stappen die een mens zet. Je vraagt een dokter om je te helpen bij gezondheidsproblemen, eventueel een psychiater voor jezelf of een van je huisgenoten, je vraagt hulp bij het invullen van je belastingsaangifte als je het zelf niet zo goed ziet zitten, je vraagt hulp bij computerproblemen enz. enz. Het lijstje van onze noden is oneindig en voortdurend vragen we om hulp of goede raad…

Laten we nu even kijken naar het evangelie van deze 17de zondag door het Jaar:
Een leerling van Jezus vraagt om hen te leren bidden. Jezus bidt het Onze Vader. Vader, mocht Gij door allen geëerd worden boven alles en allen, mogen allen U als Heer erkennen… En dan leert Jezus ook smeken: Geef ons elke dag te eten, vergeef ons kwaad zoals ook wij anderen vergeven, en leid ons niet in bekoring….

Okay, dit mooie gebed gaan de leerlingen niet vergeten. Het Onze Vader noemen we niet zomaar het gebed van de christen. Het blaakt van een kinderlijk vertrouwen op de Vader. Het is echt uit het hart van Jezus gekomen. Maar daarmee houdt dit evangelielezing niet op. Jezus spoort dan zijn leerlingen nog aan om veel aan God te vragen,  te vragen en te blijven vragen. God, uw Vader, moet kunnen zien dat je het met vertrouwen vraagt.

En daarom zet Jezus er weer zo’n originele vergelijkingen bij. Een vriend die ’s nachts bij jou om een brood komt vragen. Ongelooflijk vervelend want je ligt al in bed. En Jezus heeft het dus over God. Val die gerust wat meer lastig, wees niet bang dat je op een weigering gaat botsen. Dat Hij je zou zeggen, zeg, laat me al eens gerust hé!

Vraag en u zal gegeven worden, zoek en je zult vinden, klopt en men zal opendoen … En dan komt de volgende gelijkenis: een vader geeft toch geen steen als zijn zoon hem om brood vraagt, en geen slang als hij om vis vraagt, of een schorpioen als hij een ei vraagt… Welnu, God is nog een veel betere Vader dan jullie vaders.

Laten wij dus wat meer in contact komen met God. Hem veel vragen. Het is vermoedelijk dan ook wel in ons voordeel omdat we een en ander zeker zullen verkrijgen. Maar er gebeurt nog iets veel groters, iets veel positievers: de relatie tussen ons en de Vader wordt versterkt doordat we ons meer en met aandrang tot Hem wenden. Door deze menigvuldige contacten groeit onze relatie met God, groeien we in onze kinderlijke relatie tot de Vader. Het is de meest belangrijke relatie waardoor ons leven echt kan openbloeien.

Nu komt er op het eind van de evangelielezing zo nog een klein, wat bevreemdend zinnetje bij: “Als gij dus goede gaven aan uw kinderen weet te geven, hoeveel te meer zal dan uw hemelse Vader de heilige Geest geven aan wie Hem erom vragen”. Wat komt dat nu plots doen bij al dat gevraag en gesmeek, bij al die menselijke noden die verholpen moeten worden? Als al ons gevraag ons doet groeien in de relatie met God, onze Vader, dan wil Hij ons vooral ook de heilige Geest zenden, die in ons bidt – zoals Jezus bad: “Abba”, lieve Vader. De heilige Geest leert ons bidden zoals Jezus bad, de heilige Geest vormt ons tot kinderen van God, die met volle vertrouwen hun noden en die van hun medemensen aan God voorleggen, maar die vooral blijk geven van een groot kinderlijk vertrouwen, zoals Jezus.

Laten we dan Jezus’ onderricht over het gebed ter harte nemen, laten we Hem volgen in zijn kinderlijk en vertrouwvol gebed en vragen we de Vader ook om zijn groot geschenk: de heilige Geest, die ons in alles zal de weg wijzen en ons zal leren te bidden naar Gods verlangen. (Ben Van Vossel)

Jaar C Zondag 16 (18/07/2010)

Jezus onthalen

Genesis 18,1-10a Mamre / Ps. 15 Heer, wie mag te gast zijn in uw tent? / 
Kol. 1,24-28 Christus in u / Lucas 10,38-42 De Heer onthalen

We weten niet welk gebeuren of ervaring er aan de basis ligt van het Oud-Tetamentische verhaal van het bezoek van God aan de oude Abraham bij de eik van Mamre. Wat daar opvalt is de grote drukte.  Abraham wil die hoge gast(en) goed onthalen: water om de voeten te verfrissen, vlug voor verse broodkoeken zorgen, een lekker mals kalf laten bereiden, kaas en melk op tafel… En dan blijft Abraham bij zijn 3 gasten staan… Tenslotte volgt de belofte dat Sara toch een kind zal baren voor Abraham, Izaak, het kind van de belofte…

In het Evangelie gaat het er ook behoorlijk druk aan toe wanneer Jezus op bezoek komt bij Martha en Maria. Martha komt er ook heel even bijstaan, heel even maar, en niet om naar Jezus te luisteren en Hem gezelschap te houden, maar om nog de volgende pla voor te bereiden. Ze wil zelfs dat ook haar zus deelt in haar drukdoenerij. Jezus zegt 'Martha, Martha, wat maak je je bezorgd en druk over veel dingen. Slechts één ding is nodig. Maria heeft het beste deel gekozen en het zal haar niet ontnomen worden.' Zij hoeft niet weg te lopen om nòg maar een gerecht klaar te maken of bij te slepen. Zij mag hier gerust blijven zitten om Hem gezelschap te houden…

Aan wie gaan we ons nu spiegelen? Aan Abraham met zijn spreekwoordelijke Oosterse gastvrijheid? Dat treft ons in die landen, en bij mensen uit die landen die nu in ons midden zijn: gastvrijheid en bijna overdreven zorg om u toch maar het beste voor te schotelen… Maar anderzijds zien we bij Abraham toch ook de aandacht voor de bezoekers als persoon. Hij maakt er zich niet vanaf door ze alleen maar voedsel voor te zetten.

En wat dan met Martha? Wat met Maria? Ik zou eerder kijken naar Jezus. Wat vindt Hij van de situatie? Hij kwam als vriend op bezoek. En zij noemen Hem “Heer”. Je kan dan vol activiteit zijn om Hem toch maar van dienst te zijn, Hem te overladen met alles wat je in huis hebt en … zelfs de anderen tot diezelfde nerveuze activiteit stimuleren… Maar Jezus wil gewoon wat gezellig samen zijn met vrienden. En zij, van hun kant, zouden zich bewust moeten zijn dat zij eerder zijn voedsel nodig hebben, zijn geestelijk voedsel, dan Hij hun verschillende pla’s. Één is voldoende, zegt Jezus. En Maria heeft het beste deel gekozen.

Och, het klinkt wat verwijtend, maar eigenlijk wil Jezus Martha gewoon uitnodigen om het goede werk dat ze doet wat in te perken om ook aandacht te hebben voor het voornaamste, het echte contact met de Heer zelf. Want uiteindelijk is dat de grote inspiratie- en krachtbron van de altruïstische inzet en … naar ons toe, inspiratie- en krachtbron van ons christelijk engagement, ook naar  anderen toe.

In plaats van ons voortdurend  af te vragen: Wat moet ik nu nog doen voor U, Heer? Laten we gewoon wat bij Hem gaan zitten. Tijdverlies? Vlucht voor sociaal engagement of voor onze zending? Nee, gewone noodzaak! Het klinkt misschien weinig sympathiek, maar als paus Pius XII indertijd sprak van ‘de ketterij van de actie’, dan prikte hij toch het ballonnetje van onze dadendrang door, het gevoel van nuttig te zijn, de pretentie om alle kwalen en mistoestanden te kunnen oplossen als we maar genoeg bezig zijn…

'Marta, Marta, wat maak je je bezorgd en druk over veel dingen. Slechts een ding is nodig. Maria heeft het beste deel gekozen, en het zal haar niet ontnomen worden. (Lk.10,41b-42 ). Laat deze vermaning of aansporing voor één keer eens tot ons hart komen…

En misschien ook het voorbeeld van Jezus en zijn leerlingen want onmiddellijk na deze episode treffen we Jezus aan tijdens het gebed en horen we een van zijn leerlingen Hem vragen: Heer, leer ons bidden’. Misschien wil Hij het ook ons opnieuw leren. (Lk.11,1). (Ben Van Vossel)

Jaar C Zondag 15 (11/07/2010)

Mijn naaste liefhebben

Deut. 30,10-14 / uit Ps 69 / Kol. 1,15-20 /Lk 10,25-37

Goede vrienden, we kunnen natuurlijk wat melodramatisch gaan doen over de miserie in de wereld, over alles wat er misloopt en vooral over de mensen, de kleinen, de armen, de misdeelden die er het eerste slachtoffer van zijn… Ter gelegenheid van grote inzamelacties wordt ons die miserie onderogen gebracht en misschien dat het ons op die momenten wel treft en misschien openen we dan zelfs onze portefeuille om ook onze duit in het zakje te doen en die ellende wat te (helpen) lenigen… Maar, goede vrienden,  op de weg van Jeruzalem naar Jericho, ligt niet slechts één overvallen, leeggeroofde en gekwetste mens, maar honderden, duizenden en niet enkel op die ene dag, of bij die ene aardbeving of tsunami, maar elke dag, tienduizenden…

Het is goed dat we betrouwbare organisaties steunen die zich inzetten voor hulp aan mensen in nood, veraf en nabij, indachtig het woord van een oude kerkvader die zei dat onze overvloed of het teveel dat wij hebben in feite gestolen goed is van de arme, want God heeft de aarde en haar vruchten voor ieder mens bedoeld.

Onze aandacht mag dus gaan naar alle miserie in de wereld, maar vandaag worden wij ook opgeroepen door dit evangeliewoord om aandacht te hebben voor de mens naast ons. Het is wat eigenaardig dat we de mens naast ons zo gewoon geraakt zijn, dat we ons niet meer afvragen os we voor die naaste naast toch niet wat meer zouden moeten betekenen. We vragen ons niet steeds af of zij of hij wel gelukkig is, of we er niet wat meer aandacht voor moeten hebben, wat vriendelijker, wat toegevender zijn, wat meer bevestigend en bemoedigend… Die naaste komt ons soms bedreigend over en misschien moeten we ons wat beschermen om onszelf te kunnen zijn, maar zo’n evangelieperikoop nodigt ons toch uit tot een bezinning of we in onze relatie en onze contacten met de mensen om ons heen nog wel echt in Gods verlangen staan. Wat vindt God ervan? Kunnen we voldoende ons eigenbelang opzij zetten om – zoals God – het echte goed van de ander op het oog te hebben? Hoe zou Jezus in mijn plaats het aan boord leggen?

We moeten ons leven misschien niet helemaal onderste boven keren, maar dit evangelie ons toch eens laten uitnodigen tot een kleine overdenking. Die naaste. “O, maar die naaste heeft het beter dan ik”. “Ik moet hier altijd alles doen”… Denk eens aan Martha die aan Jezus zei: “Heer, zeg eens aan mijn zus dat ze mij wat moet helpen”…

Als er zaken moeten uitgesproken worden, moet dat gebeuren natuurlijk, maar we moeten altijd onszelf toch eens in vraag durven stellen en zoeken naar Gods verlangen in de situatie die zich aan ons voordoet. Waar ligt het echte goed voor mezelf en voor de ander? En wat doe ik of ga ik doen om dat goed ook te bewerken, voor zover het in mijn macht ligt, opdat het goed dat ik voor mezelf wens ook aan de ander zou gebeuren.

Vrienden, laten we deze parabel echt tot ons komen, niet enkel als een prachtig oud verhaal, maar als een woord van God dat ons hart wil raken en ons leven weer wat meer in de goede richting wil zetten. God zegene u. (Ben Van Vossel)

 

Jaar C Zondag 14 (4/07/2010)

Ook jij moet getuigen van Gods liefde

Jesaja 66,10-14c / Psalm 66,1-3a.4-5.6-7a.16 en 20 / Gal. 6,14-18 / Lk. 10,1-12.17-20

Terugkeren uit gevangenschap en overvloed mogen ervaren van eten en drinken en vrijheid en waardevolle ervaringen… Dat stelde het tweede boek Jesaja de mensen voor ogen na hun weinig vreugdevolle terugkeer in een kaal en verwoest land. Jesaja zingt een lied van hoop en hij voorspelt dat de mensen weldra ook vreugde zullen mogen ervaren. In het evangelie gaat Jezus echt iets doen aan de zinloosheid van het bestaan van heel wat mensen, Hij zendt 72 leerlingen uit om Blij Nieuws te brengen aan de mensen. Ze moeten niet aankomen met groot tromgeroffel maar in alle eenvoud, zonder pretentie en ze moeten Vrede en alle goeds aan de mensen toewensen. Ze moeten goed doen aan de mensen, Gods heil en genezing afsmeken over mensen en aankondigen dat God van hen houdt en in hun leven wil aanwezig zijn.

72 leerlingen, dat is al een hele groep mensen die Jezus tot zijn beschikking had. Het staat ook wat symbool voor de vele heidense volkeren tot wie de Jezusleerlingen later zullen gezonden worden.

En dan is de vraag: behoren wij ook tot die 72? Worden ook wij gezonden om het Blijde Nieuws te brengen van Gods liefde voor de mensen van vandaag. We zijn in ieder geval gedoopt en gevormd en met Pasen hernieuwen wij die keuze voor Jezus en stellen wij ons in zijn dienst. Wij zijn dus ook gezondenen, missionarissen. Dat klinkt wel wat raar. Missionaris in eigen land, in eigen gemeente, in eigen gezin. Maar geen fanatieker, niet iemand die anderen dwingt om in Jezus te geloven. Jezus wijst enkelen van zijn leerlingen op strenge toon terecht als ze Hem zeggen dat ze vuur uit de hemel willen afsmeken over dat Samaritaans dorp waar men Hem niet wil ontvangen…  Niet fanatiek. Maar toch getuigen. En op de eerste plaats door heel ons leven. Dat vereist natuurlijk dat we zelf echt christen zijn. Niet enkel van naam, maar van leven, van gedrag. En niet enkel door trouw aan uiterlijke praktijken maar geloven met ons hart. Dàt op de eerste plaats. De rest volgt dan normaal wel. Want dan bid je ook. Dan bid je ook voor je echtgeno(o)t(e)e en je kinderen, voor je familie en buren en vrienden, dan bid je voor de kerkgemeenschap en voor de ellende in de wereld, de beproefde gekwetsten en familie van de slachtoffers in  dat ongeval met die ontplofte mazouttank in Oost-Kongo. Je bidt voor vrede in de wereld, vrede in je werkmidden… Je bidt ook voor een godsdienstige heropleving in onze streken en in heel Europa, je bidt voor de jongeren op de popfestivals deze zomer. Dat alles is missionaris zijn. En dat is uw roeping. Maar naast het gebed is er je eigen concreet consequent christelijk leven. Dat moet als het ware bloemenzaad zijn dat uitgestrooid wordt en waardoor de wereld wat mooier zal worden, kleur zal krijgen: een meer menselijke en christelijke kleur in eigen omgeving en daarbuiten, in je werkmidden, je vereniging en waar je eventueel vakantie neemt.

Vraag ook de Helper, de heilige Geest die Jezus beloofd heeft en die je ontving bij je Doopsel en Vormsel om je te helpen ook de goede woorden te vinden op het juiste moment in de juiste situatie om ook op die manier mensen uit te nodigen tot openheid voor Gods liefde en heil.

Jezus zegt: verheugt u omdat uw namen staan opgetekend in de hemel. God houdt van u en zendt u als zijn vrienden opdat je niet eenzaam bij Hem thuis zoudt komen maar in gezelschap van velen… (Ben Van Vossel)

Jaar C Zondag 13 (27/06/2010)

Niet fanatiek, wél radicaal ! ie zegt gij dat IK ben?

Jesaja 66,10-14c / Psalm 66,1-3a.4-5.6-7a.16 en 20 / Gal. 6,14-18 / Lk. 10,1-12.17-20

Geen fanatisme

Goede vrienden, in de lezing uit het Oude Testament zien we Elisa die op uitnodiging van de Profeet Elia een radicale keuze maakt, alle zekerheden achter zich laat om totaal in Gods dienst te treden. Diezelfde radicaliteit vraagt Jezus van zijn op dat ogenblik waarschijnlijk klein gevolg. Eerst is er het voorval waarbij hij een paar van zijn vurige volgelingen terecht wijst omdat ze vuur uit de hemel willen afroepen over een Samaritaans dorp dat Hem niet wil onthalen. De terechtwijzing – op strenge toon, staat er – toont aan dat Jezus wel radicaliteit vraagt maar geen fanatisme, alsof in de ander niets goeds steekt en je andersgezinden zomaar moet gaan verdelgen. De parabel van het onkruid in de tarwe is daar een ander voorbeeld van: laat beide opgroeien tot de oogst en dan zal wel blijken wat er echt standhoudt.

Wel radicalisme

Maar naast die verdraagzaamheid naar anderen toe, vraagt Jezus van zijn volgelingen wel een absolute radicaliteit in de keuze. De Mensenzoon die ze willen volgen heeft geen steen om zijn hoofd op te laten rusten. Sociale verplichtingen of gevoeligheden mogen je niet afleiden van je eigenlijke roeping en zending in dienst van God. Gij, verkondig het Rijk Gods. En wie terugbuigt naar familiale zekerheden krijgt die radicale zin te horen: “Wie de hand aan de ploeg slaat maar omziet naar wat achter hem ligt, is ongeschikt voor het Rijk Gods”. Dat zijn woorden, waardig van een Oudtestamentische profeet. Maar Jezus aanspraak is nog veelomvattender.

Je hele leven in Gods licht

Het gaat om de fundamentele keuze die we als mens te maken hebben. God erkennen en aanvaarden als de Heer van je leven, je “baas”, en niet enkel gedurende de werkuren, maar op elk moment van de dag en op elk moment van je leven. Eerst naar Hem opkijken. Wat verlangt Hij? Waar wil Hij me hebben? Wat vindt Hij de juiste keuze? Hem erkennen als “de Heer”. Maar een Heer of een baas die het goed met je meent, die jou niet in de steek laat als je Hem eens voor schut laat staan. Wel een Heer die jou telkens weer wil voorthelpen op de weg naar het geluk en op de weg van een leven dat de moeite waard is en dat vruchtbaar is ook voor anderen en voor het goed van de wereld.

Och, we hebben zo’n zinnen wel meer gehoord, maar vandaag willen we opkijken naar Elisa, die jonge profeet uit het Oude testament, en we willen opnieuw luisteren naar Jezus en ons afvragen wat dat voor ons kan betekenen. Wij zullen onze ossen niet moeten slachten, wij zullen wel vriendelijk moeten omgaan met onze huisgenoten en familie, maar wat zou het dan wél kunnen betekenen? Dat radicalisme waartoe Jezus ons oproept?

Niet terugkeren naar de vleespotten van Egypte. Niet gaan leven in genotzucht, of enkel bezorgd om materiële welvaart, maar ons met de Heer verantwoordelijk voelen voor het heil van de mens en ons daarom ook als mens en als christen vormen in zelfbeheersing, in onthechting, in soberheid en vrijgevigheid, in liefde voor de waarheid en liefde voor Jezus en zijn Woord. Dan zullen wij goede instrumenten worden in dienst van onze Heer, die liefde is en die in wiens dienst ons leven zijn echt waarde en vervulling vindt. 

Moge Maria, de Moeder van Altijddurende Bijstand die we vieren op deze 27ste juni ons helpen op de weg van de radicale maar liefdevolle toewijding en inzet voor God en de mensen. (Ben Van Vossel)

Jaar C Zondag 12 (20/06/2010)

Wie zegt gij dat IK ben?

Zach 12,10-11 / Psalm 63 Naar U dorst mijn ziel, Heer, en hunkert mijn hart /
Gal 3,26-29 /Lc 9,18-24 Wie zegt gij dat Ik ben?

 Vrienden, Jezus stelt vandaag twee vragen en dan geeft Hij twee woorden uitleg.

Eerst vraagt Jezus: Wat zeggen de mensen over Mij, over wie Ik ben? Het antwoord daarop is interessant, maar vrijblijvend. Je kan immers maar rekenen op de personen die echt met u op weg willen gaan, en die U houden voor wie je echt bent.

Vandaar Jezus’ tweede vraag: “Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben?” En dan antwoordt Petrus, de aanvoerder, de voortrekker: “Gij zijt de Gezalfde van God.” Gij zijt Degene die door God gezonden is. 
Dat is een goed en juist antwoord en dat betekent voor die Joodse mensen die dat zeggen dat ze Jezus ook zullen volgen; Hij is dan immers De Messias, de Gezalfde, de door God gezonden verlosser, zij kunnen niet anders dan Hem volgen. Stel u voor: tot de vriendenkring behoren van de Redder des vaderlands!

Maar hoewel ze heel goed geantwoord hebben, krijgen ze toch geen proficiat vanwege Jezus, want hun geloof in Jezus is nog niet langsheen het kruis gepasseerd. Jezus heeft nog volop succes op dat ogenblik.
En daarom zegt Jezus wat Hem te wachten staat, en … wat hen te wachten staat die Hem volgen.

De Mensenzoon gaat verworpen worden en gedood, maar op de derde dag, wanneer men denkt ‘het is voorbij, het is gedaan met Hem’ zal Hij verrijzen. Dat gaat over Hemzelf, maar Hij zegt ook iets over zijn volgelingen, die op dàt moment nog dromen van een weg bezaaid met rozen, een glorietocht met de Messias.

Wie mijn volgeling wil zijn, moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen… want wie zijn leven wil redden zal het verliezen…

De apostelen luisteren maar met een half oor en als het kruis op Golgotha staat, stuikt hun verwachting ineen en besluiten ze na enige tijd om dan maar terug te gaan vissen…

We moeten goed luisteren naar Jezus, maar het moet ons niet afschrikken. In zijn leven staat inderdaad het kruis: Hij is verworpen door de leiders van zijn volk en door de Romeinen gekruisigd. En toch is Hij de overwinnaar over de zonde en over de dood. Door zijn totale gegevenheid en zijn trouw aan de Vader heeft Hij in onze plaats de steen van de aarde weg gewenteld waardoor wij van God waren verwijderd; Hij heeft alles tussen God en ons weer goed gemaakt.

Maar ook wij hebben nog onze weg te gaan. Mooie dagen, rustige doordeweekse dagen, vakantiedagen misschien, maar ook dagen met tegenslagen en beproevingen, gebeurtenissen die als een aardschok of een tsunami in je geheugen staan… Je zou kunnen denken dat Jezus het daarover heeft, maar dat is niet zo. Hij vraagt gewoon dat je Hem bovenaan stelt in je leven. Dat je je leven op Hem afstemt. Dat je zoals Hij het verlangen van de Vader op de voorgrond stelt. En natuurlijk denk je dan: het leven wordt triestig. Dat is niet zo, dat is helemaal zo niet. Maar de keuze om Gods wil voorop te stellen in je leven, vraagt aanvankelijk wel een stevige keuze. Het gaat dan niet direct over geweldig grote keuzen, geweldig grote beslissingen. Het gaat vaak zelfs over heel kleine dingen, kleine zaken maar waar je kiest om je eigen wil te doen, zeg maar ‘je eigen goesting’ ofwel wat je aanvoelt als Gods wil. Dàt is het fundamentele verschil, en dat kan ze wel betitelen als ‘je kruis opnemen elke dag’. Dat kruis, dat opgeven van je eigen goesting, mag dan wel eens wat moeite kosten, maar het maakt je leven niet tot iets treurigs, eigenlijk is het juist andersom. Jezus heeft daar een klare kijk op en daarom zegt Hij: “Wie zijn leven wil redden zal het verliezen. Maar wie zijn leven verliest om Mijnentwil, zal het redden”. (Ben Van Vossel)

 

 

Jaar C Zondag 11 (13/06/2010)

In Jezus worden wij door God aanvaard

2 Samuël 12,7-10.13 / Psalm 32 / Gal. 2,16.19-21 / Luc. 7,36-8,3

 Vrienden, vandaag krijgen we een blij nieuws te horen, dat we maar al te vaak beperkt willen zien tot onszelf of tot daden die wij zelf voor niet te zwaar houden. Koning David heeft heel wat op zijn kerfstok: hij heeft zich de vrouw van een ander toegeëigend en bovendien heeft hij haar man laten vermoorden. Een gemene manier van handelen, zeker vanwege iemand die tot voorbeeld moest zijn voor zijn volk. Als hij de zwaarte van zijn zonde inziet bidt hij om vergeving. En de profeet Nathan deelt hem mee dat de Heer hem vergeven heeft. Zo gemakkelijk zou hij er bij ons niet vanaf komen. Overigens zou het kind van die relatie spoedig sterven. We zijn in het Oude Testament.

In het evangelie zien we een andere zondaar, of beter een zondares die als zodanig in heel Jeruzalem bekend staat; zij smeekt om vergeving en zij ontvangt die ook vanwege Jezus. En voor de farizeeër Simon is dat echt niet gepermitteerd. Jezus zou toch van beter moeten weten en zou zich van zo’n vrouw ver moeten weghouden…

Met stenen smijten naar anderen. Mensen op hun fouten blijven vastpinnen. Het is zo menselijk. Maar het is niet Gods manier van doen. En het is niet christelijk, het is niet zoals Christus het doet.

Wat onderscheidt ons eigenlijk van de zondaar? Dat is toch duidelijk. De zondaar zondigt en wij zijn zonder zonde. Nee, dat weten we dat dit ook niet juist is, want we zijn allen zondaars. Zo goed kennen we Jezus’ woord wel: “Wie zonder zonde is, mag de eerste steen gooien”. Daar gaan we ons dus niet aan wagen. Trouwens ook in dit evangelie heeft Jezus iets te zeggen aan Simon, de farizeeër, die Jezus had uitgenodigd. Jezus begint te vertellen over twee schuldenaars. Dus niet alleen die zondares, maar ook Simon. En wat is het verschil tussen die twee, die voor Jezus beide zondaars zijn. Het verschil, zegt Jezus, ligt in de liefde. Hij bedoelt: die vrouw heeft liefde getoond, zij weet dat ik haar kan redden, haar kan zuiveren, ze heeft vertrouwen, zij heeft liefde. Gij, Simon, hebt me wel uitgenodigd, maar zonder  oprechte liefde.

Ik weet wel, het is zo menselijk om jezelf voor beter te houden dan anderen. Het is zo menselijk. Maar we vergeten dan alle genaden die we gekregen hebben, alle goede raad, alle sterkte die God ons geschonken heeft…

Paulus, in zijn brief aan de Galaten heeft dat op een goede dag duidelijk ingezien. Hij, ook een farizeeër, ook iemand die zichzelf beter achtte dan de anderen. Hij ziet in dat hij niet gerechtvaardigd is, dat hij niet door God aanvaard wordt omdat hij de Joodse wet, de voorschriften van Mozes heel getrouw heeft onderhouden, maar door het geloof in Jezus: daardoor verkrijg ik rechtvaardiging, schrijft hij.

Maar, zeggen wij, dat is toch de omgekeerde wereld! Je moet toch leven volgens Gods verlangen. Jazeker, maar het eerste gebod is in ieder geval dat je van God moet houden met geheel uw hart, geheel uw ziel, met al uw kracht en heel uw verstand, kortom, met heel je wezen….

Maar laten we heel eerlijk zijn, dat kunnen wij toch niet? Dat doen wij toch niet? Dat kunnen wij alleen maar doordat Jezus het ons heeft voorgedaan en doordat Hij ons de genade schenkt in zijn spoor te gaan. Hij heeft ons verlost, Hij de Gekruisigde Heer, die ons heeft liefgehad en zich voor ons heeft overgeleverd. Paulus zegt ons heel duidelijk dat je alleen door Jezus de genade, de liefde van God kunt ervaren. En hij voegt er nog die sterke woorden bij: “Als de wet ons kon rechtvaardigen, dan was Christus voor niets gestorven”.

Als christenen geloven wij dat wij alleen door Jezus gered zijn uit de zonde en dat Hij alleen ons in staat kan stellen door God “gerechtvaardigd” te worden, opgenomen en aanvaard te worden door Gods liefde.

Gaan we dan nog anderen veroordelen? Gaan we dan nog anderen blijven achterna wijzen? Of gaan wij op de eerste plaats God danken omdat Hij ons en allen die verlosser geschonken heeft die voor ons allen de weg naar het heil geopend heeft en bij wie we – wij dus – dankbaar mogen aanleunen tot vergeving van onze zonden en tot aanvaarding door God, onze Vader. Deze zondag is een uitnodiging om ons te oefenen in grote dankbaarheid. (Ben Van Vossel)

 

Jaar C Zondag 10 (6/06/2010)

1Kon.17,17-24 Zoon van weduwe opgewekt / Ps 30 U zal ik loven, Heer, want Gij hebt mij bevrijd / Gal 1,11-19 Woord van God / Lc 7,11-17 Opwekking van dode zoon van weduwe te Naïm

We hebben deze week op donderdag het Feest gevierd van het heilig sacrament. En nu zijn we hier weer samen om Eucharistie te vieren. Om dankbaar te gedenken wat Jezus voor ons heeft gedaan terwijl we het Brood breken en de Beker zegenen: Dit is mijn Lichaam, dit is mijn Bloed. Dankbaar mogen we Jezus ontmoeten in de deelname aan dit heilig offermaal. Dankbaar bieden wij aan de Vader Jezus aan, het Lam dat zich gegeven heeft voor ons geluk, de Heer die zich heeft ingezet voor ons, die ons het Woord van het leven heeft verkondigd en getoond waar de weg naar het leven ligt, de Gekruisigde en Verrezene, de levende Heer die hier in ons midden aanwezig is en die de barmhartige liefde van de Vader over ons laat komen…

De levende Heer, vol goedheid en die het leven meedeelt. Dat mogen wij geïllustreerd zien in de opwekking van de jongen van de weduwe te Naïm. Helemaal in de lijn van wat de grote profeet Elia in het Oude Testament reeds vooraf had gedaan. De levende Heer Jezus is hier in ons midden. Niet met de belofte dat we hier altijd zullen blijven zitten en dat de mensen die we gaarne zien altijd om ons heen zullen zijn. Maar wel met de belofte van leven. Echt leven.

- Het leven dat Jezus ons hier en nu geeft is de kracht om te leven met God voor ogen. Dat belet ons om onder te gaan, om te verdrinken in het dagelijkse bezigzijn, in de zorgen, in de oppervlakkigheid, in het enkel maar bezig zijn met materiële belangen en zoeken naar voorbijgaand genot of je totaal leegwerken voor tijdelijke engagementen.  Het leven waartoe Jezus ons uitnodigt en waartoe Hij ons inzicht en kracht geeft zal ons toerusten met inzet gepaard met een zekere mate van relativering. We onze engagementen en activiteiten, ook onze ontspanning meer bekijken vanuit het standpunt van God. Is het echt nodig? Is het echt gewenst? Wil God dit echt? Hoe geef ik er de waarde, de tijd, de inzet aan die God wil? Terwijl we ons zo goed mogelijk inzetten, blijven we steeds te diepste verbonden met God. En juist dàt geeft vastheid en energie aan ons leven, ons leven dat dan ook zijn echte waarde krijgt. Die diepe overtuiging maakt dat we ook diep in ons de vrede ervaren die Jezus zijn vrienden telkens weer toewenst.

- Het leven dat Jezus ons brengt en waar het evangelie ons over spreekt is echter leen dat sterk is als de dood. Wij komen hier samen rond de verrezen Heer. Jezus’ opstanding is het kernstuk van ons geloof. Wij geloven en weten dat we in Jezus, door onze verbondenheid met Hem geroepen zijn tot eeuwig leven. Het echte leven dat we nu reeds mogen leiden, is geroepen om te blijven. Die verbondenheid met God zal blijven. De liefde en trouw van God zullen blijven, zullen ons blijven omgeven en dragen, ook over de dood heen. De heilige Eucharistie waaraan we hier deelnemen, wordt door de Kerk vaak genoemd: voedsel voor eeuwig leven. Het is in feite de toepassing van wat Jezus, in het 6de hoofdstuk van het Johannesevangelie telkens weer herhaalt:

Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven

en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag.

55 Want mijn vlees is echt voedsel en mijn bloed is echte drank.

56 Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem” (Joh.6,54-56).

Door de kracht van Jezus’ levensoffer en verrijzenis worden wij met Hem naar het echte leven getrokken, ook over de dood heen. Zoals de tussenzang zei:

“Heer, uit het dodenrijk hebt Gij mijn ziel verlost,

Gij hebt mij losgemaakt van die ten grave dalen.

Gij hebt mijn rouwklacht in een vreugdedans veranderd,

U zal ik loven, Heer mijn God, in eeuwigheid”.  (uit Psalm 30)

Vanuit die zekerheid mogen wij leven. Ons hier op aarde volop inzetten, maar vanuit de verbondenheid met de levende Heer die met ons gaat, en leven van hoop op een toekomst die overvloed van leven betekent wanneer we voor altijd bij de Heer zullen zijn. (Ben Van Vossel)

Jaar C PINKSTEREN (23/05/2010)

En plots is het Pinksteren. We hebben er naar uitgezien. Naar de komst van die Helper, die trooster, die voorspreker die Jezus ons beloofd heeft. Hij is ons niet helemaal vreemd, al kennen wij Hem misschien onvoldoende. Bij ons doopsel werd Hij ons al geschonken. Bij ons heilig Vormsel werd Hij met kracht tot ons gezonden. Om stand te houden in ons geloof, ons vertrouwen, onze liefde voor God en de mensen… Hij was een bron van vreugde, van aandacht voor medemensen, van innerlijke vrede, van trouw en zelfbeheersing…

Maar hebben wij ons wel voldoende tot Hem gewend? Hebben wij zijn zachte inspraken niet laten overstemmen door valse profeten, door onze zucht naar genot en oppervlakkigheid… Zijn we te weinig ingegaan op zijn leiding… Dan kan het wel eens zo zijn dat de stroom van vernieuwing en levenskracht tot stilstand is gekomen. Niet dat de heilige Geest niet meer krachtig zou werken of iets van zijn energie zou kwijtgeraakt zijn… Maar waar er geen bedding meer is om Hem te ontvangen, daar kan Hij ook niet stromen. Als alles dichtgeslibd is alleen maar onszelf in te volgen, dan kan Hij zijn werk niet meer doen… Wat moet er dan gebeuren?

Petrus zegt het duidelijk aan de mensen in Jeruzalem. Bekeert u. Kom tot bewustzijn. Wordt wakker. Zie op welke heilloze weg gij u bevindt. En keer u opnieuw tot God.

Petrus zegt het concreet: Laat u dopen in de naam van Jezus = dompel u onder in Jezus. Je moet weer helemaal van Jezus worden, zoals op het moment van uw heilig doopsel. Je moet u opnieuw en sterk onder zijn heerschappij stellen, Hem aannemen als uw redder en uw leidsman. Je moet aan Jezus zeggen – en niet zomaar één keer – ik geloof vast dat Gij mij gered hebt en mij naar het echte geluk leidt, in vriendschap met God, mijn Vader. Leid mijn leven op de weg naar het echte geluk.

En daarom zendt Jezus zijn Geest. Om ons te leiden, heel concreet.  Om ons in heel ons wezen: in ons verstand, onze wil, ons geheugen, onze verbeelding, in onze relaties, in ons diepste innerlijk meer af te stemmen op wat God wil, ons echte geluk en de opbouw van een betere wereld.

We moeten dan ook niet uitstellen om aan Jezus te zeggen dat we ons helemaal in zijn dienst willen stellen. En we moeten geen dag meer laten voorbijgaan zonder de hulp af te smeken van de heilige Geest: maak mij sterk, geef mij meer vreugde de innerlijk vreugde en vrede, maak mij meer liefdevol, meer vergevingsgezind… Vorm mij naar het beeld van Jezus. Laat zijn gezindheid in mij toenemen.

Pinksteren. Het vernieuwde komen van Gods Geest. Het is Gods werk. Maar tegen onze zin gaat Hij ons niet veranderen. Wij moeten onze handen openen om te ontvangen. Een geschenk neem je niet aan met gesloten handen. Wij zullen Gods Geest niet vernieuwd ontvangen als we ons hart niet openen, als we niet bidden: Kom, heilige Geest. Drie woorden die in ons een enorme krachtbron kunnen binnenbrengen of tot ontwikkeling laten komen: de werking van Gods heilige Geest. Kom, heilige Geest en vernieuw de harten van uw gelovigen. Vernieuw hun leven, hun spreken en denken en handelen. Vernieuw het aangezicht van de aarde. (Ben Van Vossel)

Jaar C Zondag  7 (16 mei 2010)

Hand 7,55-60 / Ps. 97 De Heer is Koning / Apoc. 22,12-14.16-17.20 / Joh. 17,20-26

We hebben de Hemelvaart gevierd van Jezus, zijn verheerlijking bij de Vader, zijn aanstelling als het ware tot Koning van de schepping, tot enige Redder van de mens. De lezingen vandaag steken vol tragiek, zijn zeer dramatisch van inhoud, van strekking, het gaat over afscheid en tegelijk over terugkomst en weerzien, het zijn lezingen die ons helpen te leven in de aanwezigheid van de Heer terwijl we Hem niet zien en tegelijk uit te zien naar zijn terugkomst terwijl Hij ons nooit echt verlaten heeft.

In de eerste lezing zijn we getuige van de moord op Stefanus. Hij wordt gestenigd omdat Hij getuigt van Jezus. Saulus, de later apostel Paulus stemde in met de moord op deze man. Stefanus verlaat dit leven in ge gezindheid van Jezus: Heer Jezus, ontvang mijn geest. Heer, reken hun deze zonde niet aan… Het brengt ons Jezus’ woorden in herinnering: In uw handen beveel Ik mijn geest. Vader, vergeef het hun want ze weten niet wat ze doen.

In de tussenzang bezingen we Jezus, onze koning die nu verheerlijkt is en aan wie wij toegewijd mogen zijn.

En in de lezing uit de Apocalyps zien we de verheerlijkte Jezus die zegt dat Hij zal wederkomen om ieder te vergelden naar zijn werk. Zalig die zich bekeren, zij mogen ingaan in de heilige Stad. Kom. Wie dorst heeft komen. Wie wil neme het water des leens. Gratis. En deze lezing eindigt met de woorden van de christenen van alle eeuwen. Amen. Kom, Heer Jezus. Het gebed van de vervolgde christenen uit de eerste eeuw, van de christenen in het Romeinse Rijk, van de christenen die tot op onze dagen vervolgd worden, van de christenen die zwak waren, van het die het moeilijk hebben in het leven, van de stervenden, van de verguisde en misbruikte kinderen en volwassenen… Kom, Heer Jezus.

Het evangelie tenslotte laat ons Jezus aan het woord in zijn afscheidsrede, in wat we zijn hogepriesterlijk gebed genoemd hebben. Het is een indringend gebed. Jezus bidt voor zijn apostelen, zijn leerlingen, zijn vrienden. Hij bidt dat ze één mogen zijn in Hem en de Vader. Opdat de wereld zou geloven dat Jezus gezonden is door de Vader.  Hij vraagt dat ze zo verbonden zouden zijn met Hem en met de Vader, dat ze ook onderling één zullen zijn. Vanuit die eenheid in God zullen ze onderling ook zo één zijn, zodat ze een getuigenis zijn voor de wereld.

Wij weten dat de eenheid tussen christenen nog ver te zoeken is. Wat we wel zien is dat mensen uit werkelijk alle volkeren in God geloven, en in Jezus, de Gezondene van de Vader. Jezus zegt aan de Vader dat Hij de Vader zal blijven openbaren, opdat de liefde waarmee de Vader van Jezus houdt ook in hen moge zijn, omdat Jezus in hen is.

Het is een wat moeilijke tekst. Wij worden uitgenodigd om zelf nauw met God verbonden te leven, en met Jezus, Gods Zoon. Midden ons aardse bezig zijn zouden wij geregeld in contact moeten zijn met God. Ja, het zou zo zelfs mogen zijn dat wij ’s morgens heel ons leven en onze arbeid, alles wat we die dag doen, reeds in handen leggen van God. Hem ons leven aanbieden in vereniging met Jezus, die over heel de wereld in de Eucharistie zichzelf aan de Vader aanbiedt, met dezelfde gezindheid waarmee Hij bezield was in zijn lijden en sterven en in zijn al weldoend rondgaan in Palestina.

“Jezus, wij erkennen dat Gij door God gezonden bent. Wij erkennen dat Gij ons zijt voorgegaan in de toewijding aan de Vader. Wij geloven , Heer, dat wij in U door God aanvaard zijn. Wij bieden onszelf en heel de wereld aan in vereniging met uw levensoffer. Maak ook ons leven tot een loflied

voor de Drie-ene God, maak ook ons leven vruchtbaar voor het heiliging van de kerk en het heil van de wereld. Laat ons eens de heerlijkheid zien waarmee de Vader uw menselijkheid heeft omkleed omdat Hij u liefhad van voor het ontstaan van het universum.”

Laten wij in het leven van elke dag wetend at de Heer met ons gaat, en zien wij uit naar die vreugdevolle dag waarop we zullen mogen delen in zijn heerlijkheid en wij Hem in al zijn heerlijkheid zullen mogen aanschouwen. (Ben Van Vossel)

Jaar C Zondag 5 Pasen (2 mei 2010)
Gij moet elkaar liefhebben zoals Ik u heb liefgehad

Hand. 14,21-27 / Ps. 145, 8-13b / Apoc. 21,1-5a / Joh. 13,31-33a.34-35

 

Na de mokerslag die de kerk in ons land gekregen heeft, moeten wij meer dan voorheen onze ogen richten op de Heer (!) en anderzijds onze liefde voor elkaar laten uitzuiveren. Liefde voor God en liefde voor de mensen om ons heen hangt nauw samen. God heeft immers het geheim van de echte liefde: God is liefde, schrijft Johannes in zijn eerste brief. Van God leren wij dat liefde het echte goed van de medemens op het oog heeft.

Wij moeten in deze tussentijd tussen Pasen en Pinksteren aan God vragen, met aandrang vragen, dat wij mogen groeien in de echte liefde. Liefde die niet enkel eigen voordeel op het oog heeft, liefde die niet over anderen wil heersen, anderen wil gebruiken, maar het echte goed van de ander wil…

Aan die echte liefde moeten mijn leerlingen te herkennen zijn, zegt Jezus.

Zijn wij echte leerlingen van Jezus? Hebben wij het goed van de ander op het oog? Kunnen wij onszelf al eens vergeten voor de ander, kunnen wij – zoals God – onze liefde ook laen uitgaan naar mensen die het moeilijk hebben, mensen die veraf wonen, mensen van een andere cultuur, mensen van een ander gedacht…

Jezus heeft soms van die sterke uitspraken: “43 Gij hebt gehoord dat er gezegd is: Gij zult uw naaste beminnen en uw vijand haten. 44 Maar ik zeg u: Bemint uw vijanden en bidt voor wie u vervolgen, 45 opdat gij kinderen moogt worden van uw Vader in de hemel, die immers de zon laat opgaan over slechten en goeden en het laat regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. (Mt. 5,43-45).

Laten we in ieder geval al proberen aandacht te hebben voor de mensen die God ons toevertrouwt en met wie Hij ons vaak in contact brengt en op een goede respectvolle manier met hen om te gaan.

Eigenlijk vertrekt echte liefde met het besef dat God ons ook persoonlijk liefheeft, dat God ons neemt zoals we zijn en ons echte geluk op het oog heeft. Als je je tot in de wortels van je bestaan bemind wordt door God, als je dat echt beseft en daarvan leeft, dan zal je ook meer liefdevol en verdraagzaam in het leven kunnen staan, naast mensen die allen hun gebreken hebben maar die toch door God bemind worden. Dat betekent niet dat alles wat ze doen goed is en door God gewenst is. Helemaal niet. Ook wat wijzelf denken en zeggen en doen is niet altijd mooi en opbouwend. Maar God geeft ons nieuwe kansen.

Wij mogen elke dag opnieuw er zijn voor God en voor anderen. Wij mogen ons laten leiden door de heilige Geest opdat we op de juiste wijze met ieder mens die we ontmoeten kunnen opgaan. Bij sommigen zullen we ons wat moeten afschermen omdat ze te bezitterig zijn of niet ons goed op het oog hebben, bij anderen zullen we zonder verdedigingsmechanisme kunnen zijn, anderen zullen we met veel tact en tederheid maar ook met wijsheid en vaste hand moeten helpen, zoals ouders hun kind.

Bovenal moeten we weten dat de mensen Gods kinderen zijn. Ze zijn nooit ons bezit en steeds zullen we met groot respect die kinderen van God moeten benaderen. Zij die gekwetst zijn maar ook zij die misgroeid zijn een helpende hand toesteken. Bij dit alles moeten we blijven bidden om echte liefde en ook echte wijsheid waarin de heiige Geest ons wil doen groeien.

Blijven we deze dagen en weken om de Vertroosting en de diepe innerlijke vrede van de heilige Geest voor onszelf en alle christenen in ons land. “Vrede zij u”, herhaalt Jezus ons. (ben van vossel)

 

JAAR C 4de Paaszondag  (25 april 2010)

 

Ik geef eeuwig leven aan wie Mij volgt 

 

Hand.13,14.43-62 / Ps. 100 Wij zijn zijn kudde, zijn volk / Apoc. 7,9.14b-17 / Joh. 10,27-30

 

Evangelie van vandaag: Johannes 10,27-30

Mijn schapen luisteren naar mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij. 28 Ik geef hun eeuwig leven; zij zullen in eeuwigheid niet verloren gaan en niemand zal ze van Mij wegroven. 29 Mijn Vader immers, die ze Mij gegeven heeft, is groter dan allen; en niemand kan iets uit de hand van mijn Vader roven. 30 Ik en de Vader, Wij zijn een.

Het was een korte evangelietekst. Voor ons is het van belang dat we ons Jezus voorstellen die op dit ogenblik deze woorden tot ons spreekt. “Mijn schapen luisteren naar mijn stem”. Misschien komt ons het woord schapen wat ‘schaapachtig’ voor, te zoeterig, een beetje sullig. Het moet voor ons betekenen dat we Jezus erkennen als onze Redder en dat we ons vrijwillig onder zijn leiding stellen, wetend dat alleen Hij ons kan voeren naar het echte geluk.

‘Mijn schapen luisteren naar mijn stem’. Ja, maar is dat wel zo? Ik zou het eens andersom willen zetten: ‘Wie luistert naar mijn stem, die bekent zich tot mijn gemeenschap, die toont dat hij bij Mij hoort’. En dan is de vraag: luisteren wij naar zijn stem? Wij bekennen ons in ieder geval als christenen, als mensen van Christus, als mensen die in Christus geloven en die zich willen laten leiden door zijn woorden, woorden van eeuwig leven, woorden die naar het echte leven leiden. ‘Mijn schapen luisteren naar mijn stem.' 

Als Hij dan zegt: ‘Ik ken ze’, heeft dat de betekenis van ‘Ik hou van hen’, ‘Ik geef om hen’, ze zijn mij dierbaar. Jezus geeft om ieder van ons. Heeft Hij  Zich niet geheel voor ons gegeven aan het Kruis. We mogen dat sterke teken van zijn gegevenheid, het kruis,  nooit uit het oog verliezen, het moet in onze huizen, op onze kamer te zien zijn, het teken van zijn liefde tot het uiterste, voor jou en voor mij, voor ieder van ons. Het moet ons blijven aanspreken, want Hij geeft om ons, ook vandaag.

‘Ik ken ze, en ze volgen Mij’. Volgen, betekent voor ons dat we ons inderdaad laten leiden door zijn woord, dat we geloven dat Hij gezonden is door de Vader, dat Hij ons voert naar het echte leven, dat Hij voor ons de weg naar het echte geluk heeft geopend én dat Hij ons de kracht geeft om die weg te gaan, die weg naar het echte heil, ons ware geluk.

‘Ik geef hun eeuwig leven’. Dat is het echte geluk. Geluk dat niet een beetje gelukkig maakt, gelukkig gevoel dat wee wegdeint op de golven van het leven, de gebeurtenissen, de omstandigheden. Geluk dat blijft, geluk dat zelfs openbloeit over de dood heen. Dat geluk verwachten wij van Hem en dat geluk zegt Hij ons ook toe.

Over ieder van ons zegt Hij: 28 ‘Ik geef hun eeuwig leven; zij zullen in eeuwigheid niet verloren gaan en niemand zal ze van Mij wegroven.’

Dit gaat over mensen die Jezus willen blijven volgen. Dat hoeven nog geen volmaakte mensen te zijn, maar mensen die Jezus willen volgen, die zich aan zijn woord vastklampen, die contact zoeken met Hem in het gebed, in de eucharistie, die Hem ook willen dienen in de geringsten van zijn broeders en zusters, in de mensen om hen heen, de naasten die Hij hen geeft om zorg voor te dragen…

‘Ik geef hun eeuwig leven; zij zullen in eeuwigheid niet verloren gaan en niemand zal ze van Mij wegroven.’

Deze woorden moeten in ons iets bewerken:

- Op deze woorden van Jezus mogen wij zeggen: Credo. Ik geloof U. Ik geloof deze woorden die Gij spreekt.

- Het zijn ook woorden die in ons hart een diep gevoel van dankbaarheid moeten leggen. Dat Hij ons zo’n grote belofte doet van blijvend geluk, dat Hij ons nooit zal laten vallen, dat Hij ons door dik en dun blijft verdedigen, nabij blijft…

- Tenslotte gaan wij nog meer contact zoeken met Jezus, de Goede Herder, in het gebed, in deugddoende lectuur, in het sacrament van verzoening en de Eucharistie… opdat wij gevoeliger worden voor zijn stem, zijn woorden, Hem van meer nabij zouden volgen en ontvankelijker worden voor het heil dat Hij ons belooft.

Geloven in Hem, Hem danken, Hem van meer nabij volgen, dat moge onze reactie zijn op deze woorden die recht uit Jezus’ hart komen. (Ben Van Vossel)

 

JAAR C 3de Paaszondag  (18 april 2010)

 

God meer gehoorzamen dan de mensen 

 

Hand. 5,27b-32, 40b-41 / 
Psalm 30, 2 en 4, 5 en 6, 11, 12a en 13B “U zal ik loven, Heer, want Gij hebt mij bevrijd” /
 Apoc. 5,11-14 / Johannes 21,1-19

 Amaai, die bange vissers die kort geleden samen zaten in het cenakel, bang voor hun volksgenoten die het hen kwalijk namen dat ze maar over Jezus bleven spreken, verlegen dat ze hun Meester in de steek hadden gelaten, die bange mannen lopen gewoon de tempel in en uit, zij genezen een lamme man, ze worden in het gevang gesmeten, krijgen een goed pak slaag en als men hun dan zegt dat ze in het vervolg moeten ophouden met onderricht te geven met beroep op Jezus, dan zeggen Petrus en de andere apostelen: “Men moet God meer gehoorzamen dan de mensen.” Ze gaan gewoon verder met over Jezus te spreken en zijn er trots op dat ze waardig bevonden werden smaad te lijden omwille van Jezus’ naam.
Wat een verandering bij die apostelen en die eerste volgelingen van Jezus!

Vandaag staat de kerk ook onder druk. Onder de miljoenen kinderen die misbruikt werden de voorbije jaren zijn er ook een aantal die door katholieke priesters en religieuzen werden misbruikt. Dat betekent voor heel wat van die kinderen – zoals voor die zeer vele anderen die door leken werden misbruikt – een kwetsuur, een psychische wonde die soms een schaduw werpt op de rest van hun leven. Het is een schande voor die priesters. Hopelijk zijn ze zich bewust geworden van wat ze aangericht hebben. Hopelijk gebeurt het niet meer in de toekomst en hopelijk wordt er alerter op gereageerd door de verantwoordelijken in de kerk en in de maatschappij… Het gedrag van die priesters werpt een smaad, niet enkel op alle priesters maar op de hele kerk. 
Ook de houding van verantwoordelijken in de kerk was soms te betreuren; dit gebeurde soms vanuit gebrek aan inzicht in de psychische geaardheid van die misbruikers die vaak hervallen, soms was het uit een soort geduld en hoop dat ze zich beter zouden gaan gedragen, soms om geen schandaal te verwekken bij de gelovigen… En dikwijls was er te weinig aandacht voor de slachtoffers en hun familie… Gelukkig is men ondertussen tot meer inzicht gekomen en reageert men nu veel alerter… Maar ondertussen is er toch heel wat kwaad geschied…

Die pijnlijke gebeurtenissen moeten we niet ontkennen. Die zijn er geweest. Maar wat we op onze dagen meemaken is nu een hele orchestratie om de kerk en vooral de kerkleiders, pausen, bisschoppen in diskrediet te brengen. Jezus heeft zelf heeft eens gezegd: “Er staat geschreven: Ik zal de herder slaan en de schapen van de kudde zullen verstrooid worden.” (MT.26,31) Eigenlijk wil men de kerk een dodelijke slag toebrengen door zich te bedienen van die spijtige gevallen. Misschien is dat gedeeltelijk uit kompassie met de slachtoffers. Dat zou je nog kunnen begrijpen. Maar dan zouden ze ook moeten zien hoe heel de kerkgemeenschap, ook de bisschoppen, de zaak nu heel duidelijk hebben ingezien, dat alles betreuren en reeds de nodige maatregelen hebben genomen. Maar nee, elke dag opnieuw wordt de zaak in de media opgevoerd… En dàt is niet meer uit kompassie… Dààr zit meer achter. De kerk is immers tegen abortus, tegen het homohuwelijk, tegen euthanasie… en dat alles wordt nu juist door de huidige westerse cultuur gedoogd en zelfs gepromoot. Als men de kerk, als morele rots in de branding, dan kan aanvallen en vernederen en opzij schuiven door pijnlijke feiten - die niet enkel in de brede samenleving maar ook door sommige van haar eigen bedienaren zijn gepleegd -, dan krijgt men een wapen in handen om haar nu maar eens goed onder handen te pakken. Men wil dan de zaken niet relativeren, men wil niet zien hoeveel meer kinderen misbruikt worden door niet-priesters, men wil niet zien dat de Kerk die zaken evenzeer verafschuwd, men wil niet zien! Men wil de kerk neerhalen, haar voorgoed uitschakelen.

Heel dit gebeuren is pijnlijk. Men kan de kerk nu vernederen. Maar de kerk uitschakelen.. dat gaat gewoon niet. De kerk is heel wat meer dan een aantal priesters die hun ambt en hun roeping hebben besmeurd en zo de hele kerk; de kerk zijn een massa priesters die zich wèl van hun roeping bewust zijn en die zich dagelijks inzetten voor de kerk en voor een betere wereld. De Kerk, dat is die gemeenschap van Jezus over wie Hij gezegd heeft, dat ze niet door de zonde (van binnen) en door de dood (de vernietiging van buitenuit) zou overweldigd worden. Daarom laten wij ook vandaag Jezus’ Paaswoorden tot ons komen: Sjalom! Vrede zij u! Vrees niet, Ik ben het. Laten wij naar Jezus opzien, laten wij ons nauw met Hem verbonden houden en onze zending in deze wereld vertrouwvol verder zetten. Vrede met u! (Ben Van Vossel)

JAAR C 2de Paaszondag  (11 april 2010)

 

Vrede zij u! Ik ben het! 

 

Hand 5,12-16 / Ps 118, 2-4. 22-24. 25a-27a / Apoc. 1,9-11a.12-13.17-19 /Joh. 20, 19-31

 

Een dag tevoren, op stille zaterdag, de sabbat, was alles heel stil in de kring van de apostelen. Hun hart was leeg, hun hoop, hun vertrouwen was stukgeslagen, en hun geloof? Och, waren zij niet allemaal ongelovige Thomassen.

En dan komt de eerste dag van de week, de dag die ze daarna de dag van de Heer gaan noemen, de dag van de verrijzenis van de Heer, onze zondag. De deuren zijn nog gesloten en de Heer staat in hun midden en Hij wenst hen het gewone: Sjalom! Vrede zij u. Het is een begroeting die als een bliksemstraal hun donkere nacht verlicht, die hun leven weer in het licht stelt. Zij knipperen nog ongelovig hun ogen. “Nadat Hij dit gezegd had, toont Hij hun zijn handen en zijn zijde”. Dat is zijn identificatiebewijs.  Zijn kruiswonden. Hij maakt zich bekend zoals aan Johannes in het boek van de Openbaring: “`Vrees niet. Ik ben het, de eerste en de laatste, de levende. Ik was dood, en zie, Ik leef in de eeuwen der eeuwen. En Ik heb de sleutels van de dood en het dodenrijk.” (Openb.1,17-18 )

En nog eens spreekt Hij hen zijn Sjalom toe, zijn vredegroet.

Maar nadat Hij hen zo uit hun slaap en hun ongeloof heeft geroepen krijgen ze deze ontnuchterende opdracht: “Vrede zij u. Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik u.” Zij worden gezonden. Wij hebben Pasen gevierd, een vreugdevolle viering, een vreugdevolle vernieuwing van ons geloof en ons vertrouwen, maar… nu worden wij gezonden. Gezonden om het Blij nieuws te gaan beleven en verkondigen. God roept ons op om als verloste mensen te leven, wij zijn niet gedoemd om zonder uitzicht te leven, zonder ander perspectief dan de dood, we zijn niet gedoemd om op te gaan in het materialisme, de perversie, de zonde… Wij zijn geroepen om te leven als kinderen van het licht, als geliefde kinderen van een God, die Liefde is, om van ons leven iets moois te maken, waardevol voor anderen en waardevol in de ogen van God.

Jezus’ zendt zijn Geest over de Kerk, om zonden te vergeven, om mensen weer mooi te maken voor God en krachtig om meer en meer het goede te gaan beleven… Laten wij ons ervoor openstellen en nu reeds bidden om de H. Geest die ons in Jezus gezindheid wil laten leven…

 Thomas heeft het allemaal niet meegemaakt. Tussen haakjes: Wij waren er ook niet bij. De apostelen vertellen aan hem en aan ons: “Wij hebben de Heer gezien.”  Misschien dat Thomas het wel graag wil geloven, maar zijn kritische ingesteldheid vraagt om tekenen, om bewijzen. Misschien is het ook ons geval. Thomas krijgt zijn zin en buigt zich dan voor de Heer met een sterke geloofsbelijdenis: “Mijn Heer en mijn God.”  Zalig die niet gezien en toch geloofd hebben, zegt Jezus.

Ja maar, hier laat het evangelie ons toch wat in de steek. Thomas krijgt zijn teken, zijn bewijs, maar wij? Wij zien de Heer niet. Wij kunnen Hem niet aanraken. Wij hebben Hem niet gezien en wij willen natuurlijk wel geloven, maar … misschien en klein teken, een klein bewijs, het zou toch wel helpen…

Hebben we dat klein bewijs nog niet gekregen, hebben we dat klein teken nog niet gezien? Hebben we nog niet ervaren dat het geloof in Jezus, dat het spreken met Hem ons kracht gaf? Nog nooit ervaren? Hebben we nog niet opgemerkt dat er toch een verschil is tussen mensen die geloven en mensen die tegen het geloof zijn, een verschil in levenswandel? Hebben we nog niet aangevoeld dat we ons niet goed voelen tegenover alle oppervlakkigheid die de media tentoon spreiden, voelen we ons niet afkerig van wat smerig is, gemeen, wreed? Och ja, ook heel wat andere mensen voelen dat aan, maar heel speciaal binnen de gelovige gemeenschap worden wij gevoelig voor het goede, het schone, het ware… Heb je dat nog nooit ervaren?

 We zijn allemaal dezer dagen een beetje (of nogal sterk) geschokt door wat de media vertellen over de pedofilieschandalen door priesters vooral in Ierland, Amerika, Duitsland en ook een paar gevallen in Nederland. Dat zal ook bij ons wel voorgekomen zijn. Priesters zijn ook mensen, kunnen ook verkeerd handelen, kunnen ook een ziekelijke ingesteldheid hebben. Dat is spijtig voor hen en nog veel meer te betreuren voor hun slachtoffers en die hun familie. Het is ook spijtig dat bisschoppen sommige van die zaken in de doofpot hebben gestoken of willen steken, om geen schandaal te wekken bij de gelovige gemeenschap. Die houding kan je misschien begrijpen in het verleden, maar nu zeker niet. Nu weten we, beter dan vroeger, dat de gerichtheid van een pedofiel inderdaad niet zomaar verandert, door een terechtwijzing en een andere benoeming. Dat heeft men vroeger zeker verkeerd beoordeeld.  Ook bv. als het waar is dat de paus, als kardinaal, 25 jaar geleden (!), een verkeerde beslissing heeft genomen en een pedofiele priester toen niet uit zijn ambt ontheven, dan is dat spijtig, maar begrijpelijk in die tijd. Vooral spijtig zou zijn als men de slachtoffers geen aangepaste hulp zou hebben geboden. Gelukkig weten we op dit ogenblik beter en worden slachtoffers op een hopelijk betere manier opgevangen en geholpen. Ik weet dat mensen uit mijn omgeving, wiens zoon ook misbruikt was door een priester, op hun vraag een gesprek gehad hebben met de bisschop en daar toen – 15 jaar geleden ondertussen - heel wat begrip hebben gevonden. Heel dit spijtig gebeuren vanwege sommige priesters, mag ons vertrouwen in de priesters en in de kerk evenwel niet wegnemen, de kerk heeft vanuit die spijtige gevallen veel geleerd en ze mag blijven rekenen op de steun van de heilige Geest, de Trooster en Bijstand die Jezus aan zijn kerk heeft toegezegd. Terwijl vijanden van de Kerk haar nu blijven belagen met zaken uit het verleden, laten wij van onze kant bidden voor de heiliging van de priesters en van heel de kerk. Jezus leeft! Laten wij ons verheugen over zijn nabijheid! Sjalom! Vrede zij u! (Ben Van Vossel)

 

 

JAAR C Paaszondag  (4 april 2010)

 

Ik ben het. Wees niet bevreesd! 

 

Hand. 10,34a.37-43 / Ps. 118,1-2 16ac-17, 22-23 / Kol. 3,1-4 / Victimae Pascali . Joh. 20,1-9 (Avondmis Lucas 24,13-35) 

De Kerk krijgt het nogal te verduren vandaag. Als christen zijn we niet fier dat christenen en zelfs sommige priesters zich misdragen hebben. Wij betreuren dat en bidden voor de slachtoffers en de daders. Het zit de kerk niet mee, er is sterke tegenwind; zowel in landen waar christenen vervolgd worden door Islamitische of Hindoeïstische fundamentalisten, als in onze eigen contreien waar men ongegeneerd de kerk en het christelijke geloof mag beledigen en belachelijk maken. Dat is de vrije meningsuiting, die echter niet altijd van goede smaak en van respect getuigt voor andermans mening. De titel van een toespraak die niet gehouden werd: “Leve God, weg met Allah” is in feite een dwaze titel die mensen op stang wil jagen en dit vanwege iemand die waarschijnlijk noch in God noch in Allah gelooft en die waarschijnlijk zelf om respect vraagt voor zijn eigen mening.

Ondertussen deelt ook het christendom en de katholieke kerk in allerlei verdachtmakingen en in het voortdurend onder ogen brengen van wat er – soms 40, 50 jaar geleden – is misgelopen, ook binnen de kerk. Maar we moeten verder, en wat er ooit is misgelopen in het leven van individuele christenen en soms in brede lagen van de Kerk moeten we niet ontkennen, maar het moet ons ook niet afleiden van de richting die we uitmoeten. We moeten verder op weg, met heiligen en zondaars, met sterken en zwakken, met slachtoffers en berouwvolle daders en… vooral met de Heer.

De boodschap die aan het graf van de gekruisigde Heer weerklinkt is: Hij is niet hier in het graf, Hij is verrezen, Hij is de Levende en gaat met u op weg. Dat krijgen de vrouwen te horen die een lijk wilden komen balsemen; dat krijgen de leerlingen van Emmaüs te horen die ontmoedigd wegliepen van Jeruzalem, en dat krijgen de bange apostelen te horen die in Jeruzalem gebleven waren… Ik ben het. Vrede zij u.

Boven alle zondigheid en boven alle vijandigheid uit waarmee de Kerk op dit ogenblik wordt gekleineerd moet dit woord van Jezus opklinken in ons hart, ons gemoed en ons denken: “Ik ben het. Laat uw hart niet verontrust worden. De wereld zal u haten, maar vrees niet. Ik heb de wereld overwonnen.” Door dit woord moeten wij ons laten raken.

Kwaadwilligheid en onverstand mogen ons niet uit ons evenwicht brengen. Wij moeten het oog gericht houden op de Heer. Wij mogen de kerk verdedigen, maar wij mogen niet vervallen tot het gaan haten van andersdenkenden, wij zijn geroepen om in de liefde te blijven… Jezus’ woord op het kruis klinkt ons nog vers in de oren: “Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat ze doen.”

En in plaats van ons ongelukkig te voelen bij gerechtvaardigde en kwaadwillige en opgeklopte verwijten, moeten wij verder Jezus' opdracht waarmaken en bouwen aan een betere, meer menswaardige wereld. En blijven getuigen van Gods liefde voor de mens en van het heil dat God aan de mens heeft gebracht en wil brengen. Die opdracht dagelijks beleven in onze eigen kleine omgeving en daar waar de Heer ons zendt is het enige zinnige antwoord aan God en aan de mensheid van deze tijd.

“Ik ben het. Vrees niet. Verkondig het Blijde Nieuws aan heel de schepping”.

Zalige Pasen. De Heer is verrezen. Laat dit blijde nieuws je hart verwarmen. (Ben Van Vossel)

JAAR C Palmzondag  (28 maart. 2010)

 

Succes? Mislukking? 

 

Lc 19,28-40 / Jesaja 50,4-7 / Ps. 22 / Filip. 2,6-11 / Lijdensverhaal Lc. 22,14-23.56  

Jezus heeft nóg wel goede dagen gekend, dagen van succes uiterlijk succes en ook wel meeval wanneer mensen tot genezing kwamen, mensen tot geloof kwamen, mensen zich bekeerden … Vandaag op Palmzondag zou je denken dat het zelfs zijn grote dag is, zijn triomf wanneer Hij zijn intocht doet in de hoofdstad, Jeruzalem en Hij bijna als een koning wordt begroet door de eenvoudige mensen… “Gezegend Hij die komt in de Naam van de Heer”…

Maar in dat bedrieglijk succes steekt reeds de worm.

Zo wonder is dat niet. Menselijk succes is zo breekbaar, daarvan is het hosanna van vandaag wel een heel duidelijk bewijs; en anderzijds is blijft succes, dat belangrijk is in de ogen van God, meestal verborgen en geeft soms de indruk van mislukking; daarvan geeft het “kruisig Hem” ook weer een duidelijke illustratie. Immers, de boom van het kruis wordt levensboom voor ieder van ons. Door het doopsel, door het kruisteken stellen wij ons onder de bescherming van Jezus' levensoffer, in de Eucharistie treden we in contact met Jezus’ dood en verrijzenis en de heilzame invloed die ervan uitgaat, ook vandaag, in eeuwigheid.

Die doortocht door mislukking, ziekte, tegenslagen maken de meesten van ons mee. Daarna komen vaak wel weer goede dagen. Maar diep in ons hart weten we dat het echt belangrijke niet dat uiterlijke succes is, niet het op de handen gedragen worden in de media of in onze eigen grote of heel kleine omgeving….  We hebben maar naar Jezus op te kijken om te weten wat écht belangrijk is.  

Jezus zal ten onder gaan. Voilà! De strenggelovigen, de intelligentsia en de machtigen hadden al iets tegen Jezus omdat Hij wat tegendraads is, meer de geest dan de letter belangrijk vindt, hun vertrouwde maar vaak lege letter en bovendien, al die volkstoeloop, de Romeinen zien dat liever niet en dus – zo zal een hogepriester zeggen – “is het beter dat een man sterft voor het volk dan dat heel het volk ten onder gaat”. Een niet-bedoelde profetie vanwege die vijand van Jezus. Jezus zal inderdaad sterven voor het volk, tot heil van het volk, van heel de mensheid.  

Misschien hoort u op uw parochie ook het hele lijdensverhaal voorlezen of voordragen, zoals Lucas het weergeeft. Hoewel de allereerste christenen wat verveeld zaten met Jezus’ lijden en kruisdood, zijn die lijdensverhalen toch zeer oud. Zij hebben stilaan ingezien dat Jezus’ ondergang in feite nodig was voor het heil van de wereld. Ze hadden ook opgemerkt dat in het Oude Testament er heel wat voorafbeeldingen en voorspellingen zaten over de ondergang van de Messias en … over zijn opstanding, de vruchtbaarheid van zijn leven voor zeer velen.

In ons hart mag heel de komende week een grote dankbaarheid zijn om alles wat Jezus heeft volbracht. Hoe Hij voor ons gekomen is, ons het Blijde nieuws heeft verkondigd van Gods liefde voor ieder mens, en hoe Hij niet achteruit is gegaan maar is blijven opkomen voor Gods plan van liefde en barmhartigheid, ondanks het gevaar, ondanks bedreigingen.

Ook vandaag worden mensen bedreigd, lopen mensen gebukt onder afdanking, armoede, angsten… In hen mogen wij Jezus nabij zijn, in die geringsten van zijn broeders. Laten wij er aandacht voor krijgen en kleine stappen zetten op die weg van mededogen met de – naar het beeld van Jezus - lijdende mens.  

Laten we de Goede Week ingaan, geregeld eens terugdenken aan die Vriend, die voor ons alles heeft over gehad. Jezus, Gods geliefde Zoon, gekomen voor ons geluk, geleefd voor ons geluk, gegeven tot het uiterste opdat de weg naar het echte geluk voor eeuwig zou openliggen voor ons en begaanbaar wanneer wij ons laten bezielen door zijn Geest. (Ben Van Vossel)

JAAR C Vasten 5  (21 maart. 2010)

 

Jezus, mijn Redder

 

(Jesaja 43, 16-21 / Psalm 126, 1-6 / Fil. 3,8-14 / Joh. 8,1-11)

 

De lezingen uit de liturgie van de veertigdagentijd horen enerzijds thuis in de catechese voor de doopleerlingen, op weg naar hun heilig doopsel in de Paasnacht. Maar anderzijds zit er, zeker in de laatste zondagen voor de Goede week, reeds een dramatische opbouw in die doet aanvoelen dat het optreden van Jezus in de geest van Gods barmhartigheid, niet strookt met de strikte opvattingen van farizeeën en ook niet met opvattingen van de priesterkaste. Je voorvoelt dat het slecht zal aflopen voor Jezus.

Anderzijds toont Gods barmhartigheid zich zo sterk in Jezus’ optreden dat het er meer en meer gaat op lijken dat Gods heil tot ons komt door Jezus. De apostel Paulus, een gewezen farizeeër en kerkvervolger, zegt het vandaag nogal duidelijk: “Ik heb geen gerechtigheid op grond van de wet; mijn gerechtigheid komt door het geloof in Christus.” Hij zegt dus dat hij niet op grond van trouwe wetsonderhouding of morele prestaties in Gods gunst gaat komen, maar doordat Hij zich vastklampt aan Jezus. Natuurlijk zal dat dan met zich meebrengen dat hij ook de wet zal kunnen onderhouden en zal kunnen beantwoorden aan Gods verlangen.

God is een God die zijn volk wil redden. Jesaja laat het vandaag God zeggen op deze wijze: “Denk niet meer aan het verleden en slag geen acht op wat reeds lang voorbij is: Ik onderneem iets nieuws, het begin is er al; ziet ge het niet?”  God wil met ons ook iets nieuws beginnen. Hij plakt ons niet vast op ons verleden. In Jezus wil Hij ons nieuw maken.

En daarvan krijgen we in het evangelie van vandaag een heel sprekend voorbeeld wanneer de schriftgeleerden en Farizeeën een vrouw bij Jezus brengen die op overspel was betrapt. Je kan je wel enigszins inbeelden wat dat betekende in een – zeker voor de uiterlijke schijn – eenvormige gelovige gemeenschap. Volgens het wetboek van Mozes moest ze gestenigd worden, “maar Gij, zeggen ze aan Jezus, wat zegt Gij ervan?”

Hier ligt dus de dramatische opbouw van dit gebeuren. Het wetboek van Mozes staat boven alles, dat is zo goed als Gods wet. Gaat Jezus zich daar boven stellen en het aan zijn sandalen vegen? Nee, zo eenvoudig zullen ze Hem niet kunnen vangen. Maar anderzijds moet Hij hun duidelijk maken wat de echte wil van God is: barmhartigheid is mij liever dan offergaven!

Jezus kent de heilswil van God met betrekking tot deze vrouw. God wil het leven van de zondaar en niet dat hij sterft. Maar ze blijven maar bij Hem aandringen. En dan richt Jezus zich op en slaat hun wapens uit hun handen met deze woorden: “Laat degene onder u die zonder zonden is, het eerst een steen op haar werpen.”  Hij kijkt hen daarna niet meer aan maar schrijft weer gewoon in de losse aarde. En dan druipen ze een voor een af, de oudsten het eerst. De oudsten, dat zijn de leiders, de aanvoerders…

En dan is er alleen nog Jezus en tegenover Hem de zondares. “Heeft niemand u veroordeeld?”  “Niemand, Heer.”

Voilà, nu hebben we ons lesje gehad, denken we dan: God is een barmhartige God en het komt ons niet toe anderen te veroordelen en te straffen. Tussendoor vernamen we dat tegenover de heilige God, alles schuldig staan, allen ondermaats bleven.

Maar Jezus voegt hier nu nog iets aan toe. Hij zegt: “Ook Ik veroordeel u niet”. Ha, nee, Jezus is niet gezonden om te oordelen maar om te redden. Maar wat is dat: redden? Is dat zeggen, ga maar heen en doe maar gerust verder. Nee, Jezus schenkt vergeving maar wijst naar de juiste weg. Ga heen en zondig van nu af niet meer.

Dàt is de juiste weg, de weg naar het heil. Maar misschien denken we dan voor onszelf: niet meer zondigen, dat zal ons misschien niet lukken. Sint Paulus heeft het ons reeds gezegd in de brief aan de Filippenzen: “Mijn gerechtigheid komt door het geloof in Christus”. Dat betekent dat ik heel mijn leven wil bouwen op Jezus, ik ga voortdurend beroep doen op Hem, op zijn kracht, de kracht van zijn levensoffer en zijn verrijzenis. “Wij aanbidden u, Christus, en wij loven U, omdat Gij door uw heilig kruis de wereld verlost hebt.” Naar de Goede Week toe willen we ons geloof en ons vertrouwen in Jezus vernieuwen, en leven vanuit zijn kracht. (Ben Van Vossel)

 

JAAR C Vasten 4  (14 maart. 2010)

 

Barmhartige Vader, ontferm U over mij en over allen

 

(Exodus 3,1-8a.13-15 / Psalm 103 / 1 Kor. 10,1-6.10-12 / Luc. 13,1-9)

In het evangelie van vandaag vertelt Jezus ons over de Verloren Zoon of de Barmhartige Vader, een van zijn mooiste parabels.

Vooraf wil ik het openingsgebed citeren dat vandaag ook kan gebeden worden. Het is zo rijk aan inhoud:

 

Goede Vader,

wij hebben gezondigd,

wij zijn verlamd en niet bij machte uit eigen kracht weer op te staan.

Wie immers kan verzoenen dan Gij alleen?

Zie neer op ons geloof en wees voor ons een barmhartige Vader,

omwille van uw Zoon, die de vergiffenis is van alle zonden:

Jezus Christus, onze Heer.

 

In de eerste lezing vernemen we hoe het volk van God in het Beloofde land aankomt en dan geen manna meer krijgt, maar zelf brood kan bakken van het graan van het land.

Wij krijgen nog altijd het brood uit de hemel tot we in Gods Beloofde Land zullen aankomen.

In de lezing uit de 2de Korinthiërsbrief horen we hoe Paulus ons smeekt, in Christus’ naam: laat u met God verzoenen! Want God heeft ons door Christus met Zich verzoend

 

En dan krijgen wij de parabel van de barmhartige Vader.

Wij kijken daarin vooral naar de verloren zoon, zo noemden wij deze parabel vroeger. Tegenwoordig spreekt men meer van de barmhartige Vader. Het is goed dat we als mensen de zekerheid mogen hebben in God een barmhartige Vader aan te treffen, die ons omwille van Jezus met heel zijn hart vergiffenis schenkt. Ik hoop dat niemand daar nog aan twijfelt. Hoe ons leven ook geweest is, wat we ook misdaan hebben, hoe ver we ook van God en zijn verlangen zijn weggedreven: wij mogen terugkeren en God kan niet weerstaan aan een rouwmoedig, een berouwvol hart.

 

Maar waarom verhaalt Jezus ons deze parabel? Luisteren wij dan aandachtig naar de aanleiding tot  en het einde van deze parabel.

Er kwamen nogal wat tollenaars en zondaars van allerlei slag bij Jezus om naar Hem te luisteren.  Dat is wel wat raar van Jezus. Waarom houdt Hij zich niet liever op bij brave mensen, gelovige mensen, mensen die de wet onderhouden? Vindt u dat ook niet? Wel, dan bent u van hetzelfde oordeel als de farizeeën en de Schriftgeleerden. Want, schrijft Lucas. De Farizeeën en de Schriftgeleerden morden daarover en zeiden: “Die man ontvangt zondaars en eet met hen.”

Jezus hield hun deze gelijkenis voor. Jezus schuift ons deze gelijkenis onder de neus.

Dus waarom vertelt Jezus deze parabel, overigens samen met nog twee andere parabels?

 

De bedoeling is duidelijk om ons te leren op te houden met te oordelen over andere mensen. Niet te menen dat anderen zoveel slechter zijn dan wijzelf. Ik weet dat dit wat moeilijk ligt voor ons, maar we moeten ons toch eens en voorgoed bewust worden van het feit dat Jezus gekomen is voor zondaars, niet voor mensen die vinden dat zij de rechtvaardigen, de goeden, de ongerepten zijn. Jamaar, ik doe tenminste mijn best. Dat is toch heel wat beter dan er zomaar op los te leven. Ja, ja, maar, tegenover God staan we allemaal in het krijt. En God heeft liever een boetvaardige zondaar dan een hoogmoedige zogenaamde rechtvaardige. Ik kan er niet aan doen, maar zo is God, zo is God zoals Jezus Hem aan ons heeft doen kennen.

 

Onze vasten zal er dus niet alleen in bestaan dat we ons bewust worden van onze kleinheid, onze zondigheid, ons tekort schieten tegenover wat God van ons verlangt… Onze vasten zal er ook in bestaan dat we ophouden met het oordelen over anderen, dat we ophouden met anderen te veroordelen en onszelf voor de goede te houden. “Ik wil liever barmhartigheid dan offergaven”, zegt Jezus het Oude testament na.

 

Betekent dat dan de wereld maar te laten draaien zoals hij draait. Nee. We gaan nederig tegenover God staan, met onze kleinheid, bidden om ontferming en danken voor de vergeving die God ons schenkt in Jezus. Maar we bidden ook voor onze medemensen. We roepen ook over hen Gods ontferming af. Ontferm U over mij, ontferm U over ons. Dat is het oprechte en juiste gebed van de christen. Dat is onze verantwoordelijkheid voor ons eigen leven en voor onze wereld. Bidden om Gods ontferming en danken om Gods vergeving. Voor onszelf en vele anderen bidden wij nogmaals het openignsgebed:

 

Goede Vader,

wij hebben gezondigd,

wij zijn verlamd en niet bij machte uit eigen kracht weer op te staan.

Wie immers kan verzoenen dan Gij alleen?

Zie neer op ons geloof en wees voor ons een barmhartige Vader,

omwille van uw Zoon, die de vergiffenis is van alle zonden:

Jezus Christus, onze Heer. 

(Ben Van Vossel)

 

JAAR C Vasten 3  (7 maart. 2010)

 

Bekeert u

(Exodus 3,1-8a.13-15 / Psalm 103 / 1 Kor. 10,1-6.10-12 / Luc. 13,1-9)

Vandaag windt Jezus er geen doekjes om. Als een soort oud-testamentische profeet houdt Hij ons de eeuwenoude boodschap voor: Bekeert u.

Dat kwam doordat een paar mensen Hem kwamen vertellen over een deel Galileeërs die door Pilatus vermoord waren. Jezus overstijgt echter dat toch wel erge feit door zijn vrienden erop te wijzen dat er nog iets ergers is, nl. door God verworpen te worden en daarom: bekeer u bijtijds. Hij vermeldt trouwens nog een ander erg ongeval, een toren bij de Siloam die instortte en een aantal mensen verpletterde. Een erge gebeurtenis. Maar Jezus trekt weer een diepere les uit die menselijke ramp: Als gij niet tot bekering komt, zult ge allen op eenzelfde wijze omkomen…

Wat bezielt Jezus toch? Waarom gaat Hij niet gewoon in op die toch wel tragische gebeurtenissen?

Ik zeg het niet graag, maar je moet het als christen toch maar zeggen: het leven gaat voorbij hier op aarde, alles wat op aarde is, alles wat ons leven uitmaakt… gaat ten onder, uitgenomen de liefde. Liefde is sterk als de dood, wist het Oude Testament reeds.
We willen echter dat ons leven toch eeuwigheidswaarde zou hebben, dat niet alles teniet gaat… Dat kan, zegt Jezus, dat kan: Bekeert u. Keer om van gezindheid, keer om van gedrag. Laat andere waarden uw leven bepalen. Leef met de eeuwigheid voor ogen.

Dat lijkt nu schijnbaar heel ernstig, nee, wereldvreemd. Anderzijds beantwoordt dit echt aan de vraag van het mensenhart… Dat het allemaal niet zo breekbaar zou zijn, dat leven van ons. Dat wat we hier doen en tot stand brengen, en wat er in ons hart leeft, niet allemaal omzeggens zinloos zou zijn, of van zo korte duur dat het weg is wanneer wijzelf het hoofd neerleggen… Weeral een dag voorbij, zegt de en. Nee, zeg maar: weeral een week voorbij, ’t is niet te stoppen… Of zoals een psalm zegt (ps. 90):

“De maat van ons leven is zeventig jaar, 
of als wij heel sterk zijn tachtig.
Het meeste daarvan is nog kwelling en zorg,
en snel komt het uur van vertrekken.”

Snel komt het uur van vertrekken. Jezus roept ons op tot bekering, omdat voor Hem dit alles samen toch wel korte leven niet geroepen is om zonder meer ten onder te gaan. Dit leven heeft eeuwigheidswaarde! Vanuit die zekerheid roept Jezus op om ons leven ernstig op te nemen.  Jezus laat de hoop niet weg uit de handen en de harten  van de mensen. Jullie leven is geroepen om te blijven… Maar, daar voegt Hij dan ook aan toe: Bekeer u. Maak iets van je leven. Laat je leven waardevol zijn door het waardevol te laten zijn in de ogen van God..

Bekering is: de zaken op hun juiste plaats zetten.

Je mag bij Jezus wel aankomen met krantennieuwtjes, maar dan toch vooral om er op een positieve manier op te reageren, niet gewoon als sensatie. Bij een ramp of zware tegenslag voor mensen, vragen wij ons af: wat kunnen wij doen? En we brengen die intentie ook in ons gebed.

Bekeert u. De oproep van profeten, van Johannes de doper, ook de oproep van Jezus en van de apostelen en van de Kerk. we laten dat woord rustig over ons hoofd heengaan; het is immers bedoeld voor anderen; dat rare woord is toch zeker niet voor mij bedoeld?

Toch wel. Hier staat ieder van ons persoonlijk tegenover God, tegenover die woord van Jezus. En dan kan ik niet anders dan me afvragen: waar moet mijn leven een andere wending nemen, wat moet er in mijn gedrag, in mijn gedrag veranderen, mijn houding tegenover God en de mensen om me heen? Waar moet ik meer waarde aan hechten en waar moet ik minder tijd aan besteden?

De gebeurtenissen die in dit evangelie naar voor komen zijn ernstig. Als Jezus daar bovendien nog een ernstige waarschuwing aan vastknoopt, moeten we die ook ernstig opnemen. Hij wil ons heil. Hij wil ons behoud. Hij wil dat ons leven openbloeit op eeuwigdurend geluk. Laten we er dan ook naar luisteren. (Ben Van Vossel)

JAAR C Vasten 2  (28 febr. 2010)

 

Luister naar Hem

Genesis 15,5-12.17-18 / Ps. 27,1,7-8a.8b-9abc,13-14 / Filip.3,17-4,1 / Lucas 9,28b-36

Eucharistie vieren is de berg bestijgen van God nabijheid, het is met Mozes het Paasmaal vieren, maar dan de “vervulling” van het paasmaal, eten van het echte Lam dat ons redt, niet enkel uit de dood van de wraakengel maar uit dood en zonde. Eucharistie vieren is met de profeet Elia getuige zijn dat God doden tot leven wekt: wij vieren immers niet enkel Jezus’ dood die ons het leven bracht, wij vieren ook Jezus’ opstanding, waarin wij eens mogen delen.

Zo bevinden wij ons hier in deze heilige Eucharistie ook op de heilige berg.

Wij horen samen met de drie apostelen – de drie die later in slaap vallen in de Olijfhof toen Jezus hen zo nodig had – wij horen samen met hen Gods stem die ons zegt dat Jezus zijn geliefde Zoon is naar wie wij moeten luisteren. Een eenvoudige vraag.

Er stelt zich echter een probleem: wij komen van zover, van zo eindeloos ver, wanneer we hier op deze heilige berg zijn. Wij komen uit de nacht en uit de drukke dag, wij komen uit de wereld van de propvolle dikke weekendkrant en uit de bijna niet te volgen beelden van de televisie, met hopen informatie en deformatie, zaken die niet de moeite waard zijn en af en toe toch eens iets goeds en moois, wij komen uit de drukte van de stad, de winkel en het grootwarenhuis, of uit de verveling van ons dagelijks werk en onze bezigheden, wij komen met onze zorgen en hopelijk onze zondagse stemming…

En dan klinkt hier Gods stem: “Dit is mijn Zoon, de Uitverkorene, luistert naar Hem”. Zo’n woord valt nogal zwaar op de maag. Trouwens, hebben wij dat woord wel gehoord? Wat betekent dat voor ons? En wat betekent het “naar Jezus luisteren”?

Och we kennen dat evangelieverhaal wel van Jezus’ gedaanteverandering of verheerlijking op de berg. Maar ik herhaal toch nog even dit woord dat de apostelen uit die tabor-ervaring hebben onthouden: “Dit is mijn Zoon, de Uitverkorene, luistert naar Hem”. God wijst dus naar Jezus als de Uitverkorene. Anderen zijn Hem voorafgegaan, het waren profeten en ze  hebben woorden gesproken om mensen te vermanen, mensen de weg te wijzen, mensen te bemoedigen en te spreken over Gods vergevingsgezindheid… Er zijn in de loop van de geschiedenis ook wel een soort profeten geweest die de wereld in vlam en vuur hebben gezet. De echte profeten, die door God gezonden waren, brachten heil of heilzame vermaningen. Maar hier, op de heilige berg, gaat het over veel meer dan een profeet, hier staat de “uitverkorene”, Gods Uitverkorene. Hij die het volle heil vanwege God aan de mensen wil brengen en gebracht heeft… “Dit is mijn Zoon, de Uitverkorene”. Maar God voegt eraan toe: “Luistert naar Hem”.

“Luisteren naar Jezus”. Dat is natuurlijk meer dan wat naar zijn mooie verhalen, zijn parabelen luisteren, respect hebben voor de mooie woorden die Hij spreekt over God, over liefde en vergevingsgezindheid enz… Naar Jezus luisteren betekent: horen én gehoorzamen, horen én doen, ge-hoor-zaam de weg gaan die Hij aanwijst, Hem als uw Gids nemen, uw Gids op elk moment. Geen moment meer van Hem wijken. Voortdurend zijn woord in uw oren hebben en … ernaar handelen! Dat is pas echt naar Hem luisteren.

Dit is mijn Zoon, de Uitverkorene, luistert naar Hem”. Als je op dit ogenblik de genade ontvangt om dat woord echt te begrijpen, als het u echt aanspreekt… dan is er toch nog het probleem dat je straks naar de uitgang van de kerk gaat, je groet de andere mensen onderweg, je staat buiten nog wat te praten en dan begint je zorg om de zondagse broodjes en waar je zondagnamiddag op bezoek zult gaan enz… Kortom, dan begint weer het gewone leven zijn gang te gaan. De vraag is dan: ‘wanneer bestijg ik nog even die berg waar Gods stem mijn hart kan raken’? Dat kan tijdens het gebed voor het eten, het korte gebed voor het slapengaan, bij het opstaan, of een moment dat je echt vrijmaakt voor een korte gebedstijd… “Dit is mijn Zoon, de Uitverkorene, luistert naar Hem”. Hoe ga ik straks naar Jezus luisteren, hoe ga ik ingaan op zijn woord, wat vraagt Hij mij nu, hoe moet ik straks handelen tegenover die persoon, tegenover die situatie… Jezus de Heer laten zijn van je denken en spreken en handelen. Niets minder vraagt God. Vader, laat uw woord vrucht dragen in mijn leven. “Dit is mijn Zoon, de Uitverkorene, luistert naar Hem” (Ben Van Vossel)

JAAR C Vasten 1  (21 febr. 2010)

 

Bekoringen weerstaan

Deut.26,4-10 geroepen en verhoord / Ps.91,1_2,10-11,12-13;14-15 Sta mij bij, Heer, in iedere nood / Rom.10,8-13 uw mond en uw hart / Lc.4,1-13 Verzoeking

 Vrienden, wat de evangelist Lucas ons hier meedeelt over de verzoekingen van Jezus, dat overkomt ons ook: de bekoring van het brood, nl. alles offeren voor het genot / de bekoring van de macht, de invloed, het hoge woord, de bewondering van allen / en tenslotte de bekoring van het bezit, het geld, de rijkdom…

En Jezus kon bovendien beroep doen op zijn goddelijke macht om zich dat alles te verschaffen, een bekoring die wij niet hebben, onze invloed is immers meestal vrij beperkt. Maar we horen in dit evangelie Jezus telkens kordaat weerstaan aan die verzoekingen, waarmee Hij misschien voortdurend mee te maken had. De conclusie van de Brief aan de Hebreeën luidt dan ook: “…wij hebben een hogepriester die in staat is mee te voelen met onze zwakheden; Hij werd zelf op allerlei manieren op de proef gesteld, precies zoals wij, afgezien dan van de zonde” (HEBR.4,15).

Het is dankzij het levensoffer van Jezus dat wij gered zijn en toegerust om in zijn spoor ook te kunnen weerstaan aan die drie bekoringen: In de Hebreeënbrief lezen wij ook nog: “ en toen Hij het einde had bereikt, is Hij voor allen die Hem gehoorzamen oorzaak geworden van eeuwige heil” (HEBR.5,9).

Het is een oud gezegd: “Een verwittigd man is er twee waard”. Laten we dan ons voordeel doen met wat we Lucas ons hier over Jezus en de drie bekoringen vertelt.

- De bekoring van het brood: We worden toch voortdurend bekoord door allerlei genot. Het gaat dan niet over legitiem genot, over de vreugde om alle goede dingen die God ons in zijn schepping of als resultaat van menselijk werk toevertrouwt en ons van harte gunt. Het gaat om het egoïstisch genot, waar we zelf ook niet mooier mens van worden en meestal gaat het dan om ongeregeld genot. Dat kan natuurlijk op het vlak van seksualiteit, maar ook op het vlak van eten en drinken, van allerlei drugs en gokverslaving, van ongeordend teevee-kijken enz… En meestal gaat dit niet enkel ten koste van onze eigen lichamelijke en psychische gezondheid, maar ook ten nadele van anderen in onze omgeving. We worden egoïstische mensen.  Wat een genade is de Veertigdagentijd om ons daarover eens te bezinnen en Gods genade te kunnen vragen om bevrijd te worden van dat ongeordende.

- De bekoring van de macht: Het hoeft niet direct te gaan om een hoge politieke positie. Nee, maar zowat meer invloed hebben, wat meer het hoge woord willen voeren, de mensen wat meer naar u doen luisteren, wat uitpakken met uw vorming, uw verstand, uw vlotte manieren, uw invloedrijke relaties enz… Het kan allemaal zo geraffineerd verpakt zitten… En natuurlijk, we moeten onze talenten gebruiken, wij moeten onze invloed en gaven en vorming aanwenden om de wereld beter te maken en onze verantwoordelijkheid op te nemen voor ons gezin… Maar wij moeten bij dat alles ook weten wie uiteindelijk “de Heer is”, wie wij aanbidden en of wij onszelf niet willen aanbeden zien door allerlei personen. Zelfs als we de status van een ster of invloedrijk persoon zouden hebben, moeten we toch altijd weten dat we maar mens zijn, broos en sterfelijk en dat we geroepen zijn tot eer brengen aan God en respect hebben voor ieder mens, ook de kleinste en eenvoudigste… Laat ons niet vergeten dat Jezus, Gods Zoon, op de laatste plaats is gaan staan: Gods Zoon, verworpen en als een misdadiger aan het kruis geslagen… Laten we er eens aan denken wanneer we onze nek te hoog willen strekken.

- Tenslotte: de bekoring van het geld. Hoeveel mensen zijn niet bezweken onder het gewicht van het geld, onder het geldbejag, onder het steeds meer willen hebben en er alles voor opofferen. Middeleeuwse dichters en schrijvers hebben het al gezegd dat sommigen hun ziel ervoor overhebben. Geld, steeds meer, nog grotere schuren bouwen, nog meer riskant beleggen… En men doet op de duur zichzelf te kort, en zijn gezin, zijn gezondheid en – inderdaad – ook zijn ziel. Men wordt hard, onbarmhartig, hebberig, vrekkig. Men heeft geen oog meer voor de nood van anderen…

Kijk een hoe God, die alles bezit, zich ontfermt over de mens, over de zondaar, over het kleinste kind.

Misschien dat we tot slot toch ook eens naar die 4de bekoring moeten kijken: Gods invloed willen gebruiken voor ons eigen egoïstisch voordeel. Dat betekent dat we meer oog hebben voor onze eigen eer, invloed, macht, egoïsme dan voor Gods eer; soms willen we zelfs God omkopen: ik geef U dit opdat Gij mij dàt zou geven… We mogen daar niet aan toegeven. God alle eer geven en vertrouwen dat Hij ons geeft wat we echt behoeven: Gij zult de heer uw God niet op de proef stellen.  (ben van vossel)

JAAR C Zondag 6  (14 febr. 2010)

 

Welke keuze maak jij ?


Jer. 17,5-8 / Ps 1,1-2, 3, 4 en 6 “Gelukkig is de man die op de Heer zijn hoop stelt” / 1 Kor. 15,12.16-20 / Lukas 6,17.20-26

 

Vrienden, je moet eens nadenken over de weg waarop je je bevindt, laat de profeet Haggai God zeggen. Je moet eens nadenken over je leven: “…Gij hebt veel gezaaid, maar ge brengt weinig binnen; gij eet, maar ge wordt niet verzadigd; gij drinkt, maar ge wordt er niet vrolijk van; gij kleedt u, maar ge wordt er niet warm van; de loonarbeider krijgt zijn loon, maar in een buidel met een gat!” (HAG.1,5-6)

 

In de Bijbel klinken vaak nog sterkere woorden: Ik hou je leven en dood voor, en nu moet je maar eens duidelijk zeggen waar je voor kiest, leven of dood? Wat van de twee? Zo spreekt Mozes op het einde van zijn leven tot de Israëlieten, zoals het in het boek Deuteronomium wordt weergegeven (DEUT.30,19). En zo klinkt het vandaag ook weer langs de profeet Jeremia, en in de tekst van de eerste psalm: Gezegend die op de Heer vertrouwt. Vervloekt wie op mensen bouwt en zich afkeert van de Heer: Gelukkig de mens die niet de weg van de zondaars gaat, maar die zijn geluk vindt in wat God verlangt…

 

Als de heilige Ignatius van Loyola de geestelijke oefeningen schrijft voor mensen die hun leven eens serieus willen bekijken, heeft hij het ook over de twee wegen, de weg naar het echte leven, de weg naar beneden. Een leven dat leidt naar een onvruchtbaar gebied, dorre woestijngrond, of een land waar water is en vruchtbaarheid. Beelden uit het oude testament en uit latere tijden.

 

Ook Jezus heeft het vandaag over twee wegen, over twee levenshoudingen die leiden tot twee manieren van leven, . En zo vlak voor de Veertigdagentijd die woensdag begint komt het wel heel gelegen om ons eens over ons leven te bezinnen en te kiezen in welke richting we willen leven. Over de ene levenswijze zegt Jezus “Zalig”; over de andere zegt Hij “Wee”, spijtig, deze weg loop op niets uit, dit is een heilloze weg.

- Je kan als een Prometheus je bijna aan God gelijk maken, denken dat je het zonder God kan stellen en je van God ook niets aantrekken,

of je kan erkennen dat God God is en in vertrouwen op God, die liefde is je taak opnemen in de wereld.. Jezus noemt dat arm zijn, eenvoudig, vertrouwvol.

- Je kan je niets aantrekken van wat God verlangt, of je kan het belangrijk vinden wat God over je leen denkt en je leven daarnaar richten. Dat is hongeren naar de gerechtigheid.

- Je kan het spijtig vinden dat er in de wereld zulke droeve dingen gebeuren, dat de armen verdrukt worden, dat mensen misbruikt worden… Je staat dan aan de kant van God die het ook spijtig vindt dat er zoveel spijtige dingen gebeuren, veroorzaakt door mensen.

- Als je je als christen niet wegsteekt, je gedrag niet afstemt op de wereld maar consequent leeft als gelovige, dan wordt je door Jezus zalig geprezen. Je bevindt je dan op de weg naar het leven.

 

Dit zijn woorden uit het Lucasevangelie. Jezus spreekt als de nieuwe wetgever, nadat hij van de berg komt, dat wil zeggen, dat Hij echt vanuit God spreekt.

Deze woorden van Jezus moeten ook ons leven richten. Het zijn woorden die ons uitdagen tot de keuze om in het Koninkrijk van God te leven, volgens het verlangen van die Koning, het verlangen van God. Laten we vandaag die keuze vernieuwen en tijdens de Veertigdagentijd die levenskeuze verder bevestigen. (bvv)

 

JAAR C Zondag 5  (7 febr. 2010)

 

Als kleine mensen ons in zijn dienst stellen

Jes. 6,1-2a.3-8 / Psalm 138 / 1 Kor. 15,1-11 / Lucas 5,1-11

 Vrienden, de eerste lezing van vandaag verhaalt ons een visioen van de profeet Jesaja waarin hij Gods heerlijkheid mag zien en door God wordt uitverkoren om als profeet op te treden.

In het evangelie zijn we getuige van een wonderbare visvangst en ook weer de uitverkiezing van de apostelen om in plaats van vissen te vangen mensen tot de Heer te brengen. 

Bij al dat wonderbare overvalt ons zo de gedachte: amaai, wat moet ik, gewone mens, met mijn gebreken en zwakheden, wat moet ik met die sterke verhalen en die uitverkoren personen? Wat bedoelt God met die woorden onder mijn aandacht te brengen?

Dat is dan meteen een uitnodiging om die woorden eens van naderbij te bekijken.

Want de reactie van de profeet Jesaja op dat visioen dat hij heeft is de volgende: “Wee mij! Ik ben verloren! Ik ben een mens met onreine lippen, ik woon onder een volk met onreine lippen en ik heb met eigen ogen de Koning, Jahwe van de machten gezien!” (Jes.6,5) Daarop krijgt hij op symbolische wijze te horen dat God hem vrijspreekt: “uw zonde is verdwenen en uw schuld is bedekt”.

Dus eigenlijk was die profeet zich ook van zijn kleinheid bewust.

Als we dan naar het evangelie van vandaag kijken, zien we ongeveer hetzelfde gebeuren. Na de toespraak van Jezus, waar de apostelen van op de eerste rij aandachtig naar geluisterd hebben, vraagt hij om naar het diepe te varen. Dat willen ze best doen. Maar op zijn vraag om de netten uit te werpen hebben die vissers wel een opmerking: We hebben de hele nacht gevist en niets gevangen. Doe het toch maar… En dan krijgen ze een teken dat Jezus in contact staat met God, ja, dat in Hem ze God heel nabij mogen weten. En wat is dàn hun reactie? Dezelfde als Jesaja. “LUC.5,8 Bij het zien daarvan viel Simon Petrus Jezus te voet en zei: ' Heer, ga van mij weg, want ik ben een zondig mens. '” God zo nabij te voelen maakt hem bewust van zijn kleinheid, zijn zondigheid. Ook de anderen waren ontzet.

Maar Jezus wil nu juist met die kleine mensen, die zich bewust zijn vanhun onwaardigheid en beperktheid op weg gaan, ja, Hij wil juist hen gebruiken om het blij nieuws van Gods barmhartige liefde te brengen naar de mensen.  “Jezus echter sprak tot Simon: 'Weest niet bevreesd, voortaan zult ge mensen vangen.'” Jezus’ woorden zijn dan ook als zalf op het bewust zijn van eigen onwaardigheid en beperktheid. Met jullie wil Ik op weg gaan, jullie wil ik gebruiken in dienst van het Blijde nieuws van het Evangelie.

Wij, met onze zwakheden en beperktheden mogen ook voor God treden, hier in de kerk en ons bewust worden dat Hij ook ons vrijspreekt en ook ons wil gebruiken om van zijn liefde te getuigen naar mensen toe.

Er is vandaag nog een tweede lezing waarin Paulus ons spreekt over Jezus’ verrijzenis en over hen die daarvan kunnen getuigen. Weet je, en dan zegt hij ook iets over zichzelf: “En het laatst van allen is Hij ook verschenen aan mij, de misgeboorte. Je, ik ben de minste van de apostelen, niet waard apostel te heten, want ik heb Gods kerk vervolgd”.  Ook hij is er zich van bewust dat het pure genade is dat God ons vrijspreekt en ons zelfs wil gebruiken als zijn getuigen, getuigen van Gods liefde voor elk mens. “Door de genade van God ben ik wat ik ben”, zegt Paulus nog; en hij voegt er aan toe: “Zijn genade aan mij is niet vergeefs geweest”.

En daar willen we nu in deze eucharistie om vragen: dat God, die ook ons heeft gezuiverd en aangenomen als zijn getuigen, ons, zwakke, beperkte mensen, dat wij zouden beantwoorden aan die begenadiging en zending, dat wij zouden zien hoe en waar wij kunnen getuigen dat God liefde is en mensen uitnodigt om naar Hem toe te komen en naar zijn verlangen te leven. (Ben Van Vossel)

JAAR C Zondag 4  (31 jan. 2010)

 

Trouw én liefdevol getuigen

Jer. 1, 4-5.17-19 / Ps 71, 1-2; 3-4a, 5-6ab, 15ab en 17 Mijn tong zal uw rechtvaardigheid prijzen / 1 Kor. 12,31-13,13 / Lk 4, 21-30

 Vrienden, als je in alles Gods verlangen wil doen, dan krijg je het niet enkel moeilijk met jezelf, met je eigen plannen en verlangens, met wat je zelfzucht en oppervlakkige voorkeuren je dicteren, maar kom je ook wel eens in aanvaring met je omgeving, met de samenleving, je werkmidden, en zelfs je vrienden. De wereld, het wereldse denken zit zowel in ons als in onze omgeving. Welnu, dat werelds denken staat vaak haaks op wat God denkt, op wat God vindt… Als je dan toch in Gods verlangen wil staan, kraakt het wat in jezelf en in je relatie tot de samenleving…

Aan de profeet Jeremia verzekert God dat Hij hem sterk genoeg zal maken om te weerstaan aan de verwijten en de redeneringen van zijn omgeving. “Zij zullen u bestrijden, maar niets tegen u vermogen. Want Ik ben bij u om u te redden. Zo spreekt de Heer”. Dààr moest Jeremia het mee doen. Hij heeft het gedaan en heeft ook heel wat moeten doorstaan. Maar hij bleef aan zijn volk zeggen wat er moest gezegd worden.

Iets dergelijks overkomt Jezus. Eerst applaus, maar dan komen ook verwijten en kleinering. Maar Jezus bijt van zich af: "Geen profeet wordt aanvaard in zijn eigen vaderstad”. En hij verwijst naar wat de profeten Elia en Elisa overkwam. Dat was tevéél gezegd. De warmbloedige mannen daar in de synagoge van Nazaret nemen die woorden niet en willen Jezus in de afgrond duwen…

Dat zal echter op dat moment niet gebeuren. Jeremia ja, die kwam wél in een put terecht. Jezus zal pas maanden later ter dood gebracht worden.

Voor ons als volgelingen van Jezus komt het erop aan dat we trouw blijven aan wat God van ons verlangt. Het is de enige echte weg naar het geluk, naar het openbloeien van ons leven. In de tussenzang, psalm 71 drukt de psalmist dat zo sterk uit: “Tot U, Heer, neem ik mijn toevlucht, stel mij toch nimmer teleur. Red en bevrijd mij, luister en kom mij te hulp. Want Gij, mijn God, Gij zijt mijn verwachting, mijn hoop zijt Gij, Heer, sinds mijn vroegste jeugd.” Niet wijken voor het egoïsme dat in onszelf steekt, niet wijken voor de drogredenen en soms de dreiging van de samenleving. Gods bijstand afsmeken.

Ondertussen weten we dat Jezus zijn weg van weldoen aan de mensen niet heeft gewijzigd, ondanks dit kwalijke intermezzo in Nazaret. Hij is verder gegaan met zijn zending om aan armen het Blij nieuws te verkondigen, mensen tot geloof te brengen, mensen vrij te maken van angst en schrik voor God, mensen te spreken over de liefde, waarmee de Vader van hen houdt…

En ook wij worden door Paulus vandaag opgeroepen om te beseffen dat zonder liefde ons christelijk leven kompleet mank loopt, ons geloof een triestige aangelegenheid is. Wij stellen dat vast bij sommige godsdiensten waar het terrorisme soms verheerlijkt wordt als een heldendaad, als een daad van godsverering, terwijl het een gruwel is in Gods ogen. Maar zelf moeten wij ook goed beseffen dat de liefde nog altijd het grote gebod is dat Jezus ons gegeven heeft. Terwijl zoveel mensen zich de laatste weken aangesproken voelden door de nood van Haïti en de oproep van de Damiaanactie en er daadwerkelijk iets aan deden, mogen wij als christenen zeker niet ten achter blijven. “Als ik de liefde niet heb, ben ik niets”, schrijft Paulus. “Nu blijven geloof, hoop en liefde de grote drie; maar de liefde is de grootste.” (ben van vossel)

JAAR C Zondag 3  (24 jan. 2010)

 

Jezus vervult de Schrift

Nehemia 8,1-4a.5-6.8-10 / Ps. 19,8,9,10,15 : 1Kor. 12,12-30 / Lukas 1,1-4; 4,14-21

Vrienden, we zien vandaag Jezus optreden in het publiek, en nog wel in zijn vaderstad, in Nazaret. Hij moet toch wel enig aanzien gehad hebben dat men Hem uitnodigde om voor te lezen. Hij toont dat Hij kan lezen, wat niet voor de hand lag in die tijd, Hij leest Hebreeuws en vertaalt het vermoedelijk in het Aramees, zodat zijn toehoorders het ook konden verstaan, en dan gaat Hij wat uitleg geven, een soort van homilie of preek. Eigenlijk draait het in het evangelie niet rond die bepaalde kwaliteiten. Het is het evangelie en de Kerk om iets heel anders te doen. Jezus, die o.m. in Kafarnaum reeds als genezer en verkondiger was opgetreden, gaat hier aan de mensen, ook aan ons, zeggen, wat Hij eigenlijk is en wat Hij eigenlijk komt doen. Zoals Hij gewoon was, iedere week, was Hij naar de synagoge gekomen

Men reikt Hem de boekrol aan met de profetieën van Jesaja, de profeet die we in de Advent zo vaak aan het woord hoorden met sterke woorden die op de komende Messias toepasselijk waren. Jezus zoekt in deze boekrol zelf naar een plaats waar geschreven stond: “God heeft Mij gezonden, toegerust met zijn Geest, zijn kracht:

… om aan armen de Blijde Boodschap te brengen, aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken, en aan blinden, dat zij zullen zien; om verdrukten te laten gaan in vrijheid, om een genadejaar af te kondigen van de Heer.(Lk.4,18-19)

Jezus gaat dan zitten, zoals een leraar dat deed in die tijd en de mensen van Nazaret spitsen de oren om te vernemen wat hun stadsgenoot, over wie ze reeds positieve geruchten gehoord hebben, wat Hij te zeggen heeft.
Het wordt geen grote en lange preek. “Het Schriftwoord dat ge zojuist gehoord hebt, is thans in vervulling gegaan”. (Lk.4,21) Dat is alles.

Met Mij, met mijn komst, met mijn optreden is dat heil dat God aan de mensen wou brengen, ja, met deze is dat heil in vervulling gegaan…

Nu hadden de mensen van Nazaret, toch wel iets anders verwacht. Een beeldrijke preek, en dan, en dan, ja, waarom niet, ook een paar wonderen, wat wonderbare genezingen. Tenslotte, was er toch heel wat miserie tussen de mensen, als Hij daar  eens iets kon aan doen. En misschien, ja, misschien, je durft het niet zeggen maar wel denken, al die rode mantels van de Romeinen op onze wegen, als ze hoog op hun paarden door onze dorpen reden, heel die bezettingsmacht, als Hij daar eens iets tegen deed. Misschien zouden we Hem dan wel als de Messias kunnen erkennen…

Blij nieuws brengen aan de armen. Dus aan de gewone mensen die op Gods vertrouwden, komen zeggen dat ze op de goede weg zitten. Aan gevangenen vrijlating melden. Dat gaat Hij niet doen, vrijheidsstrijders uit de gevangenis van Pilatus halen, of critici van Herodes uit diens kerkers. 
Wat komt Jezus dan wél doen? Hij gaat mensen bevrijden uit hun angst, hun angst voor God, hun angst om te weinig voedsel, te weinig kleren, te weinig geld te hebben… Blinden gaat hij ziende maken. Och ja, Jezus gaat heel wat mensen genezen… Maar toch bestaan die genezingen van blinden vooral uit het openen van hun geest, het openen op echt geloof. Moet Jezus ook ons  niet de handen opleggen om ons weer tot echt geloof te brengen? Verdrukten zal Hij laten gaan in vrijheid. In Jezus’ tijd waren nogal wat mensen verdrukt door de Romeinen, door rijke handelaars en tollenaars, maar ook door  hun geestelijke leiders die hen bang maakten van God, die hen verplichten tot onmogelijke wetten en voorschriften uit de wet van Mozes en vooral uit de eigengemaakte wetten en voorschriften… Jezus brengt een evangelie, een goed Nieuws dat mensen bevrijdt en vrede brengt in hun hart. Hij verkondigt een jaar van genade, God die vol liede naar zijn mensen kijkt, een tijd van genade voor al wie zich openstelt voor God die nabij is gekomen in Jezus…

En dat is nu onze hernieuwde kans om open te staan voor Gods genade. Dat we ons hart en ons leven opstellen voor Jezus. Dat we Hem uitnodigen om Heer te zijn, om de eerste plaats in te nemen in ons leven, om ons leven door Hem te laten leiden, om naar Hem te luisteren. Vandaag, heel deze dag, en morgen, en overmorgen, ons door Hem laten leiden. 
Heer wat wilt Ge dat ik doe? Heer, wees Gij mijn kracht. Leg groter Godsvertrouwen in mijn hart, maak mij innerlijk vrij, open mijn ogen, maak me vrij van alles waar ik aan verslaafd ben en alles wat op mij weegt, wat mij belet om te leven als een vrij kind van God. Help me om Gods liefdevolle genade te ervaren. Jezus, Gij zijt het Leven, wees Heer van mijn leven. (bvv)

 

JAAR C Zondag 2  (17 jan. 2010)

 

Jezus bij alles betrekken

Jes. 62,1-5 God zal zich in u verheugen / Ps. 96 Meldt aan de naties Gods wondere daden / 1 Kor. 12,4-11 Geestelijke gaven / Joh. 1,1-12 Wijnwonder te Kana

Het is vandaag de zondag van de bruiloft te Kana: een feestelijk huwelijk. Jezus is er op uitgenodigd met zijn vrienden en ook Maria, de Moeder van Jezus was er aanwezig. Er staat niet bij dat ze uitgenodigd was, misschien kwam ze helpen in de keuken. Wij weten het niet.

Feest vieren doen de mensen nog altijd. In Haïti dezer dagen heel wat minder natuurlijk: "Wij waren pas getrouwd, huilde een man voor de teevee-kamera, en nu is mijn vrouw dood." Ontroosbaar. De brutaliteit van een plots ineenstorten van een jong geluk… Laten wij dezer dagen onze verantwoordelijkheid opnemen tegenover dat arme land en de doodarme bevolking die nu zo zwaar weer beproefd wordt.

Wij willen echter ook nog wat in Kana blijven. Bij het geluk van twee jonge trouwers en hun families. Een Oosters feestmaal dat dagenlang zal duren. Tot er een kink in de kabel komt en het feest in mineur zal eindigen, vroeger dan voorzien.

In ons eigen leven of ons gezinsleven kennen wij heel wat momenten van geluk. Topmomenten, heel feestelijke momenten, maar vooral het gewone geluk van gewone mensen. Er kunnen ook tegenslagen komen; misschien zijn ze er al geweest. Wij denken dan aan financiële problemen, werkeloosheid, gezondheidsproblemen bij jezelf, je partner, je kinderen. Andere zaken zoals niet gewaardeerd of zelfs gepest worden op het werk, boven je mogelijkheden moeten presteren, of, momenten of perioden van depressie omwille van erge tegenslagen in je persoonlijk leven of je gezinsleven, met je kinderen…

Dat alles kan je ook als christen overkomen…

Natuurlijk zijn wel die eerste verzen van het evangelie niet onbelangrijk. Er was een bruiloft ‘waarbij de moeder van Jezus aanwezig was’. ‘Jezus en zijn leerlingen waren eveneens op die bruiloft uitgenodigd’. Je zal zeggen: ‘Okay, Maria en Jezus en diens leerlingen waren er ook. En dan?’

En dan? Wel, dat maakt een heel verschil. Dat maakte een heel verschil daar in Kana, zoals we hoorden. Maar het maakt ook een ingrijpend verschil in ons leven. Dat Maria er is, dat Jezus en zijn leerlingen uitgenodigd worden! Het klinkt wat devotioneel: kaarsjes branden in Oostakker of Scherpenheuvel. Een heilig Hartbeeld in huis hebben enz.… Het gaat echter over iets diepers. Het gaat met name over de vraag of ons leven een echt christelijk leven is, een leven dat op Jezus gebouwd is, een christelijk leven waarbij we ook in contact blijven met de Jezusgemeenschap en zo steun geven en krijgen van medegelovigen, een leven dat zich ook openstelt voor de stille aanwezigheid van de Moeder Gods.

Laat ons dan een pijnlijke situatie nemen. Ziekte, problemen van welke aard dan ook. Christen zijn betekent op dat ogenblik dat we de hand van de Heer toch niet loslaten, dat we onze blik op Hem blijven richten, dat we ons vertrouwen op Hem blijven stellen. We mogen er ook Maria bijroepen, als voorspreekster, de rol die ze daar in Kana zeker vervult: ‘Ze hebben geen wijn meer’. Als ze in de keuken stond, heeft ze dat natuurlijk wat eerder opgemerkt dan de genodigden. Ze gaat naar Jezus. En dan geeft ze ons goede raad. Wat we te doen hebben.

En doorheen en soms zelfs al middenin de problemen die zich stellen, begint er wat licht te komen, komt er vrede in ons hart; misschien beginnen zich reeds oplossingen aan te kondigen… Onvoorzien. Op een manier die we nooit hadden kunnen denken. Vaak... zien we het maar achteraf.

Maar die eerste verzen mogen we niet uit het oog verliezen. Maria, Jezus en de Jezusgemeenschap moeten we sterk bij ons leven betrekken. Voor die Jezusgemeenschap willen we in de Week voor de Eenheid trouwens met aandrang bidden.

Vrienden, het is een stukje Blij Nieuws vandaag, het evangelie, het Goede Nieuws doet zijn naam alle eer aan. God deelt zijn liefde rijkelijk uit aan de mensen, die ondanks goede en kwade dagen, ondanks alles wat in een mensenleven kan voorvallen, toch hun vertrouwen blijven stellen op Hem die liefde is, die recht schrijft op kromme lijnen en die nu en later zijn mensen niet aan hun lot overlaat. (Ben Van Vossel)

JAAR C Doop van de Heer  (10 jan. 2010)

 

Gij zijt mijn veelgeliefd kind

Jesaja 42,1-4.6-7 /  Psalm 29, 1aen 2, 3ac-4, 3b en 9b-10 God zegent zijn volk met vrede / Handelingen 10,34-38 / Lucas 3, 15-16.21-22

Jezus was een volwassen man, wanneer hij vanuit zijn vaderstad Nazaret, naar de Jordaan trekt om zich daar door Johannes te laten dopen. Wat dat betreft was Jezus gevoelig voor wat zich daar aan de Jordaan aan het afspelen was. Een ascetische prediker, eigenlijk een man van weinig woorden en niet altijd heel diplomatisch, die met een rauwe taal mensen opriep om zich te bekeren, want God ging zijn Rijk nu stichten. Trek de wegen recht voor de Heer, breng vruchten voort van bekering…

Jezus liet zich ook kopje onder duwen door die ruwe asceet in het helder water van de Jordaan.

En daar wordt Hij ook bevestigd in zijn identiteit: “Gij zijt mijn Zoon, de welbeminde, in U heb Ik mijn behagen gesteld”. Het zijn wat vreemde woorden. Jezus begrijpt als mens dat Hij helemaal aan de kant van God staat, dat God Hem op bijzondere wijze liefheeft en Hij begrijpt ook dat Hij niet anders gaat kunnen dan enkel maar doen wat de Vader graag heeft. Dat heeft Hij altijd gedaan en dat gaat Hij nu, op de drempel van zijn publiek leven, tot in het kleinste en het grootste ook consequent doen.

Hier stond Jezus midden zondige mensen, Hij de schuldeloze, als een boeteling, omdat Hij wou doen wat de Vader verlangde. Hij zou het nu nog veel verder drijven. In alles de Vader behagen en zo heel de zwaarte van de mensheid, in haar afwijzing van God en in haar zwakheid op zijn schouders nemen. Johannes zou hem betitelen als “het Lam van God dat de zonden van de wereld wegdraagt”. En Petrus zou later schrijven:

Een preek wil ons op de eerste plaats het mysterie openen dat we vieren, alvorens we de consequenties voor ons eigen handelen bekijken. Wat we hier zien is Jezus, gevoelig voor het uur van genade zich in een beweging van innerlijke vernieuwing en grotere God toegewijd zijn begeeft en die beseft hoe Hij vanuit de oneindige liefde die God Hem toedraagt besluit om niets anders te doen dan wat de Vader verlangt. Vanuit de identiteit van Zoon van God gaat Hij handelen als Zoon van God, totaal de Vader toegewijd.

Bij ons doopsel hebben wij ook mogen horen dat we geliefde kinderen zijn van God. Mensen om ons heen hebben daar het Onze Vader gebeden dat we toen wellicht voor de eerste keer gehoord hebben, want de meesten van ons waren nog een kleine baby. Wij mochten daar ook horen hoe God tot ons zei: Gij zijt mijn kind, mijn veelgeliefd kind. In u heb ik mijn welbehagen…

Ondertussen zijn ook wij volwassen geworden. We hebben vele watertjes doorzwommen. Af en toe hebben we ook wel een stem gehoord die ons opriep tot bekering, om wat consequenter te gaan leven als kind van God, volgens Gods verlangen… Maar er zijn zoveel andere stemmen te beluisteren om ons heen, stemmen vanuit de media, stemmen vanuit ons leef- of werkmilieu, de samenleving gonst van allerlei stemmen, de BV’s vanuit hun innerlijke leegte en zoveel andere stemmen…

Maar vandaag worden wij opnieuw uitgenodigd ons bewust te worden van onze identiteit als kind van God en… om volgens die identiteit te gaan leven. We zullen moeten bidden dat de heilige Geest ook over ons komt, om die stem boven alle andere stemmen te horen en om de kracht, de innerlijke bezieling te hebben om consequente beslissingen te nemen, kleine en soms ook wel grote.

Kijk naar Jezus, daar midden in het water van de Jordaan, de nederige boeteling. Ga naast Hem staan, beluister de woorden die de Vader tot Hem en tot u zegt, en ga op weg, met de Heer naast jou, op elk moment van de dag, in elke situatie van je leven. (Ben Van Vossel)