|
|
|
PREKEN UIT 2008 (preken uit 2010 - preken uit 2009 - preken uit 2007 - preken uit 2006 - preken uit 2005) ACTIVITEITEN - GRIEKSE KERK BAGDAD - BEZINNINGEN - BIJBEL - BOEKEN - CHRISTEN in de WERELD - CHRISTELIJKE VORMING - DIAPRESENTATIES - EVANGELIE-LEZING - GEBED - GEBEDSGROEP - GETUIGENISSEN - GEZIN INHOUD - JEZUS (Isa al Masih) - JONGEREN - KERK en GELOOF - Figuren uit de KERKGESCHIEDENIS - KINDEREN - KUNST - LITURGIE - MEDIA -- MARIA - MARIA-KEFAS - MORAAL - NADENKERTJES - NIEUW - NUMMERS - PARAY L.M. - PINKSTERSPIRITUALITEIT - PREKEN - ROEPING - SOCIALE INZET - SPIRITUALITEIT - THUISPAGINA - UITZICHT - VERHALEN - WETENSCHAP - ZENDING - ZONDAGSEVANGELIES - Waar
onze preek ontbreekt,
-
Jaar B Zondag na Kerstmis. Feest H. Familie: zorg,
goedheid, zachtheid, geduld, vergiffenis
-
Jaar A Zondag 34 Christus Koning (23 nov. 2008) Gods maatstaf
bij het oordeel -
Jaar A Zondag 22 (31 aug. 2008) De Gekruisigde volgen -
Pinksteren 2008 Gods Geest wil ook jou vervullen
en zenden
JAAR B FEEST HEILIGE FAMILIE (28 dec. 2008) Zorg, deemoed, goedheid, zachtheid, geduld, vergeving Lezingen
uit: Sir. 3,2-7.12-14 / Ps. 128, 1-2,3,4-5 /
Kol 3, 12-21 / Lc. 2,22-40 of 22.39-40 De
zondag in de week na Kerstmis vieren we de heilige Familie: Jezus, Maria, Jozef. De
lezingen die de Kerk ons dit jaar aanbiedt zijn sterke woorden omtrent het
samenleven binnen het christelijke gezin, binnen een kleine christelijke
gemeenschap. Uit het oudtestamentisch boek Jezus Sirach leren we het grote
respect dat kinderen hun ouders moeten toedragen. In normale omstandigheden zijn
zij het door wie God ons het leven heeft geschonken,; zij waren het ook die ons
met liefde onthaald en in wiens zorg wij geborgen waren. Doorheen hun liefde
hebben wij de bekwaamheid geërfd om van onszelf en van anderen te houden. Als
zij voor ons geen goede vertegenwoordigers waren van God om ons Gods liefde te
doen ervaren, dan mogen wij God vragen ons mensen te doen ontmoeten die ons
helpen houden van het leven en van onze medemensen. In
het evangelie zien we hoe Maria en Jozef Jezus naar de tempel brengen om Hem aan
God toe te wijden, zoals het de gewoonte was voor alle eerstgeboren leven. Daar
in de tempel zijn twee oude mensen die tussen die vele kleine kinderen Jezus
weten te erkennen als het grote geschenk van God aan zijn volk en aan de
mensheid. Een goede gewoonte van ouders om hun kinderen aan God toe te wijden in
hun dagelijks gebed. En dan horen we ook nog Paulus in de tweede lezing. Zijn woorden tot de christelijke gemeenschap van Kolosse past de kerk hier toe op het gezin. “Bekleedt u als Gods heilige en geliefde uitverkorenen met tedere ontferming, goedheid, deemoed, zachtheid en geduld”. Met deze ene zin zouden we deze hele week mogen doorbrengen. “Bekleedt u als Gods heilige en geliefde uitverkorenen met tedere ontferming, goedheid, deemoed, zachtheid en geduld”. Tedere ontferming, dat betekent liefdevolle ontferming, barmhartigheid; dagelijkse zorg om het geluk van elkaar. Goedheid, deemoed (ja, nederigheid, niet de baas willen spelen maar elkaar dienen); zachtheid en geduld. “Bekleedt u als Gods heilige en geliefde uitverkorenen met tedere ontferming, goedheid, deemoed, zachtheid en geduld”. Paulus
heeft het dan verder over de wederzijdse vergiffenis. We weten immers dat we
allemaal tekort komen tegenover elkaar en woord en gedrag. Hij schrijft:
“Verdraagt elkander en vergeeft elkander als de een tegen de ander een grief
heeft.” e, hij voegt eraan toe: “Zoals de Heer u vergeven heeft, zo moet ook
gij vergeven”. En tenslotte zegt hij hoe alles moet doordrongen zijn van de
liefde en dan zult ge ook de vrede des harten kennen en zal er vrede heersen in
uw midden: “Voegt bij dit alles de liefde als de band der volmaaktheid. En
laat de vrede van Christus heersen in uw hart; daartoe zijt ge immers geroepen
als leven van één lichaam”.. We mogen deze woorden uit het derde hoofdstuk
van de Kolossenzenbrief deze week ernstig overwegen en Gods Geest vragen ze naar
ons hart en ons leven toe te leiden. De
dag beginnen met ons God te vragen om tedere ontferming, goedheid, deemoed,
zachtheid en geduld in ons hart te leggen, zoals Hij voor ons tedere ontferming
heeft, en goedheid, en deemoed (wat vierden we trouwens met Kerstmis), en
zachtheid en geduld… Het komt er dus op aan wat meer op God te gelijken, naar
wiens beeld we toch geschapen zijn… En elkaar vergiffenis schenken zoals God
ons vergeving schenkt… Laten we het vragen aan God en er ons voor inspannen…
Ons gezin, die kleine huiskerk zal wat meer Gods woning tussen de mensen worden.
(Ben Van Vossel)
JAAR B KERSTMIS (25 dec. 2008) Een dwaasheid voor de heidenen Teksten die worden voorgelezen in de liturgie van deze zondag: Jesaja 61,1-2.10-11 / Magnifica De
krant ‘de Standaard’ publiceerde gisteren (24/12/08) op haar eerste pagina
een grote karikatuur van het kerstgebeuren: Sint Jozef, blijkbaar dronken die
verkeerd aan het zagen is aan zijn kerststal, Jezus die, onderste boven in zijn
kribbe, de Standaard aan het lezen is, Maria die ook al verdiept zit in haar
krant, een engel, die aan de wijn gezeten heeft, loopt met een pijp in zijn
mond… Dat
is het kerstgebeuren volgens deze
gewezen christelijke krant… Die
tekenaar en zijn broodheren hebben blijkbaar niet het minste besef van wat de
komst van Christus betekend heeft voor onze wereld. Het grote mysterie van Gods
liefde wordt belachelijk gemaakt door een beschaving die haar teruggang heeft
ingezet. Het
christelijk mysterie belachelijk maken. Zo ging het er reeds aan toe in de
beginjaren van het christendom, waar in een bepaalde satirische afbeelding, de
Gekruisigde Christus werd afgebeeld met een ezelskop en een man ernaast die Hem
eer bewijst. In het bijschrift wordt de christen Alexaménos belachelijk gemaakt
“Alexaménos aanbidt zijn God’, een Gekruisigde God met een ezelskop. Hoe
dwaas moet een God zijn die zich laat kruisigen! Sint Paulus had het al voorzien
en schrijft in zijn eerste brief aan de Korintiërs: “Maar wij verkondigen een
gekruisigde Christus, voor de Joden een aanstoot, voor de heidenen een
dwaasheid” (1Kor.1,23). Voor de heidenen uit de tijd van Alexaménos en voor
de heidenen en afvalligen van onze tijd. En
wij knielen ook vandaag nog voor de kribbe, als teken dat wij ook vandaag nog
altijd God aanbidden, die Zich, in zijn onbegrijpelijke liefde, zo om ons geluk
heeft bekommerd dat Hij in Jezus tot ons gekomen is. Een God die zo kwetsbaar
wordt als een pasgeboren Kind, zo kwetsbaar als een mens die je kan bespotten en
slaan en uitstoten en kruisigen… Ja, zozeer heeft God ons liefgehad dat Hij
zijn Eniggeboren Zoon heeft gezonden, niet om de wereld te oordelen, maar om de
wereld te redden. Laten wij Hem aanbidden en danken. Laat het ons zeggen met
onze eigen woorden… Wij
hoeven ons niet druk te maken om dat soort karikaturen door mensen die zich niet
bewust zijn van wat ze belachelijk maken. Wij hoeven ons slechts om twee zaken
druk te maken: -
Dat wijzelf God eer betuigen, in ons gebed en in ons leven, Hem op de eerste
plaats stellen… Wat dat betekent moeten we maar van dag tot dag zien te
beleven. -
En ten tweede moeten wij in het spoor van God treden, leren belangloos lief te
hebben, te hulp komen wie in nood zijn, wie uitgestoten worden, de kansarmen…
Wij moeten leren barmhartig zijn, vergiffenis schenken, broederlijk delen… Dat
leert ons Jezus aan het kruis, en … dat leert Jezus ons vandaag: als
een kwetsbaar kind heeft Hij zich in onze wereld gewaagd en … Hij zou het ook
vandaag nog doen… Zozeer
houdt Hij van ons… en van ieder
mens. (Ben Van Vossel) JAAR B ZONDAG 3 ADVENT (7 dec. 2008) De vreugde van Hem te ontmoeten Teksten die worden voorgelezen in de liturgie van deze zondag: Jesaja 61,1-2.10-11 / Magnificat Lc 1,46-48.49-50.53-54 / 1 Tess. 5,16-24 / Joh. 1,6-8.19-28 Vandaag staat de Jordaan in de belangstelling. Als een stroom die vreugde brengt. “Wees altijd blij. Bidt zonder ophouden. Dankt God voor alles. Dit is het wat God van u verlangt in Christus Jezus. Blust de Geest niet uit!” (1 Tess. 5,16-15) Bij die vreugdevolle Jordaan staat Johannes. De doper. De voorloper. En sommigen die Johannes bezig zagen daar aan de Jordaan: een doopsel van bekering preken en de mensen uitnodigen om hun zonden te belijden en zich te laten dopen in de Jordaan… Die kritische mensen, priesters en levieten uit Jeruzalem, stellen maar vragen: Wie zijt gij? Zijt gij de Messias? Zijt ge Elia? Zijt gij de profeet? Nee, dat ben ik niet. Maar wie zijt ge dan? En als ge de Messias niet zijt, wat doopt ge dan? Johannes komt er eerlijk voor uit: “Ik ben de Messias niet. Ik doop met water opdat men zich zou bekeren. Maar midden onder u staat Hij die ge niet kent… Ik ben niet waard de riem van zijn sandalen los te maken.” Eigenlijk zegt hij hier: ik ben minder dan een slaaf. Ik ben niets in vergelijking met Hem... “Hij zal dopen met de heilige Geest.” Hij zal u onderdompelen in de kennis van God, in de liefde van God, in de kracht van zijn Geest. Gedoopt zijn in de heilige Geest. Een vernieuwd leven vanuit God. Het veronderstelt een hele weg, al is die weg natuurlijk heel persoonlijk voor ieder van ons. Ondertussen is het wèl een grote waarheid die Johannes verkondigt: Midden onder u staat Hij die gij niet kent. Een vernieuwd leven krijgen we aangereikt. De Heer Jezus is midden onder ons. Maar we lopen er vaak langs, zonder stil te staan bij zijn herhaalde pogingen om met ons in contact te komen, om ons het geluk aan te reiken. Want dàt is het eerste. Zoals Jezus ergens zegt: “Niet gij hebt Mij liefgehad, maar Ik heb u liefgehad.” Gods liefde is altijd het eerst. Maar dan komt het moment van ontmoeting. Wij horen over Jezus spreken. Er is een moment van ontmoeting. We leren Hem kennen. Wat Hij zoal gedaan heeft. En wat Hij verkondigde. Wij zetten dan een stap van bekering. Wij beslissen van met Hem op weg te gaan. We gaan in Hem geloven. Met vallen en opstaan. Soms is ons geloof sterk en schijnbaar onwankelbaar. Soms is het zwak en laten wij ons beïnvloeden door de twijfel. Toch gaan we verder op weg. En wat laten ons dan door Hem onderrichten, door zijn woord van de Schrift, zijn woord zoals het door zijn vogelingen, door de Kerk doorgegeven wordt. En dan groeit er echt een persoonlijke band tussen Hem en ons. Een persoonlijke relatie. Wij spreken met Hem. Die relatie groeit door gebed, door de sacramenten, door de ontmoeting met medegelovigen, door het op weg gaan als gelovig mens, vooral ook door de dienst aan medemensen, mensen in nood… Het is die persoonlijke band met de Heer beleven. En tenslotte voelen we aan dat we Hem ook moeten doorgeven. Als ik echt in Hem geloof en mijn leven aan Hem toevertrouw, dan wil ik de vreugde van die persoonlijke relatie ook doorgeven aan anderen. Naar Hem verwijzen zoals Johannes het deed. Dat is het normale groeiproces van iemand die gedoopt is in de heilige Geest.
JAAR B ZONDAG 2 ADVENT (7 dec. 2008) Bereid de weg voor de Heer ! Teksten
die worden voorgelezen in de liturgie van deze zondag:
Zussen en broers, we herinneren ons nog wellicht de aangename sfeer thuis rond het feest van Sinterklaas, de blije verwachting van kinderharten naar wat kleinigheden, die in feite maar een klein versiering waren op de alomvattende geborgenheid door de liefde van vader en moeder… We mogen daaraan terugdenken, maar wat God ons heeft te bieden is nog zoveel grootser en blijvender. Als volwassene verwachten we immers van met heel ons bestaan geborgen te zijn in een dragende liefde, die ons nooit loslaat en die al wat we doen en zijn bevrucht met een diepe innerlijke vrede…
Vandaag haalt de kerk voor ons heel oude woorden die Jezus en de apostelen hadden horen voorlezen in de Joodse synagogen, woorden uit het boek Jesaja: “Troost, troost toch mijn stad, mijn volk. Hun zonden zijn vergeven. Maak de wegen recht voor de Heer. Want Hij komt. Hij komt zijn schapen weiden, in zijn armen wil Hij ze samenbrengen; lammeren draagt Hij tegen zijn hart, de schapen zal Hij met zacht hand geleiden”… In onze kranten lees je ondertussen over een man die een deel van zijn familie doodschiet om onduidelijke redenen, een moeder die haar kinderen vermoordde, je leest over sluitingen van bedrijven en zoveel mensen die hun djob verliezen, over Oost-Kongo waar Europa dan toch niet gaat tussenkomen om die mensen daar wat hoop en veiligheid te geven… En verder lees je allerlei tralala die onze media belangrijk vinden en de janboel die onze BV’s maken van onze samenleving. De wereld draait natuurlijk verder, maar, eerlijk … men zou het toch wat anders wensen… Het is dan troostvol dat de kerk ons bij het begin van deze viering geruststelt dat God ons toch niet laat vallen, dat Hij zelf(s) wil komen om ons te geleiden naar het echte geluk, dat Hij ons wil omgeven met zijn liefde …
Maar, jullie kennen God wel al een beetje, Hij wil dat niet doen tegen onze wil. Ja, daar kijken we misschien van op en we zeggen: maar wij staan God echt niet in de weg… Nee, misschien niet zo openlijk, maar waaraan is dat dan te zien dat wij Hem echt aan het werk willen laten? Waar werken wij positief mee met God? Waar geven we Hem de kans om ons de innerlijke vrede te schenken en hoe geven wij Hem de kans om ons toe te rusten om een betere wereld te scheppen?
Ziet u, dat klinkt nu juist door in de woorden die Marcus in zijn evangelie ook naar voor haalt uit datzelfde boek Jesaja dat in de synagogen werd voorgelezen en dat ook Jezus hoorde voorlezen als jonge gelovige Jood: “Zie, ik zend mijn bode voor u uit, die voor u de weg zal banen; een stem van iemand die roept (in de woestijn): Bereidt de weg van de Heer, maakt zijn paden recht” (Mc 1,2-3). Die woorden zagen de eerste christenen dan ook belichaamd in de figuur van Johannes, de doper, die iedereen opriep tot een doopsel van bekering tot vergiffenis van zonden.
En kijk, de mensen uit Judea en uit de hoofdstad Jeruzalem trokken naar de woestijn om naar Johannes te luisteren en … ze lieten zich door hem dopen in de rivier de Jordaan, terwijl zij hun zonden beleden. Zo lezen we in dat eerste hoofdstuk van het evangelie volgens Marcus, dat we zo-even hoorden voorlezen. De weg gereed maken voor de Heer. Dat hadden die Joodse mensen blijkbaar goed begrepen. En velen wilden die weg van bekering gaan, een nieuwe weg, zodat God zijn werk kon doen. Verscheidene van Jezus’ leerlingen, waren aanvankelijk dan ook volgelingen van Johannes, en Jezus zelf, als gelovige Joodse mens, heeft zich ook laten dopen door Johannes. Jezus wilde in zijn eigen persoon het voorbeeld geven van de wil tot bekering en om God de gelegenheid te geven zijn werk van heil te doen…
En wij, vrienden, gaan wij ook de paden recht maken? De weg bereiden voor de Heer? Wat kunnen wij doen in ons eigen leven om God wat meer plaats te geven en om ons leven wat meer af te stemmen om Gods verlangen? En gaan we ook wat meer plaats en ruimte bieden in ons denken en in onze relatieve welvaart voor mensen en volkeren die het heel wat minder goed hebben dan wij, zelfs in deze tijd van stagnerende economie, in deze tijd van recessie? Iets meer plaats geven aan God. Iets meer plaats geven aan onze medemensen. Nemen we ons dat echt voor? Wordt dat een echte beslissing? Het is een teken dat we ons niet enkel hebben laten aanraken door de woorden van Johannes de doper, maar ons hebben laten aanraken door Jezus, die ons wil onderdompelen in de heilige Geest opdat we ons daadwerkelijk in beweging zouden zetten.
Ik vermoed dat het een gezegende Advent wordt. (p. Ben Van Vossel)
JAAR B ZONDAG 1 ADVENT (30 nov. 2008) Wees waakzaam ! Evangelie
uit Mc. 13,33-37 Het
is net alsof Jezus schrikt van wat Hij zegt in de eerste regels van het
evangelie: ‘Wees op uw hoede en wees waakzaam, want ge weet niet wanneer het
ogenblik daar is’. Dat kunnen ze verkeerd verstaan, moet Hij gedacht hebben.
Nu gaan ze zitten wachten, nu gaan ze afwachten. Nu gaan ze naar de deur zitten
te kijken, vechtend tegen de slaap. Waakzaamheid is een gevaarlijk woord; het
zou christenen kunnen maken die alleen maar tegen de slaap vechten. Het was een
beetje het geval met de eerste christenen die door Paulus moeten wakker geschud
worden. “Wie niet werkt moet ook niet eten, zei hij, tegen mensen die niet
wilden werken. Jezus
wil ook geen slaapwandelaars kweken. Er moet wat gebeuren. Zelf blijft Jezus aan
het werk in de kracht van de heilige Geest. En Jezus volgelingen, wij dus,
moeten dat overnemen; we moeten doorgaan. Daarom
maakt Jezus gauw duidelijk wat hij bedoelt: het is ermee – zo zegt Hij - als
met een man die in het buitenland vertoeft. Bij het verlaten van zijn huis heeft
hij zijn dienaars het beheer overgedragen, aan ieder zijn taak gegeven en de
deurwachter bevolen waakzaam te zijn. Die laatste hoeft alleen maar zijn ogen
open te houden; de anderen moeten aan de slag. Waarmee? Dat zegt Jezus er hier
niet bij. Dat doet er blijkbaar niet meer toe. Alles is even belangrijk. Als je
maar aan de slag gaat. Aan ieder is een taak toegewezen. Als je goed weet te
luisteren naar Gods stem, dan weet je wel wat Hij op elk moment van jou
verwacht. En
daar moeten wij dus mee bezig zijn. Doen wat God op dit moment van jou verwacht.
Zo moet Jezus jou aantreffen wanneer Hij komt. Die groene takken mogen ons daar
wat aan herinneren. Omdat ze afgesneden zijn gaan ze verdorren. Maar het groen
moet ons er aan herinneren dat wij wakker moeten blijven, waakzaam van hart. Ook
het vlammetje van de adventskaarsen mogen ons een teken zijn van waakzaamheid.
Blijven bezig zijn met wat God van jou verwacht. Wat
verwacht God dan van jou? Op dit moment dat je hier bent en probeert naar zijn
woord te luisteren en er iets van te bewaren in jouw hart.
Maar wat verlangt Hij morgen en overmorgen en de dag nadien? Dat je
naar school gaat, of naar je werk, je dagelijkse opdracht en die tracht
te vervullen… omdat God dat van jou vraagt. Als christen wil je graag altijd
doen wat Vader, je hemelse vader van jou verlangt. Zelfs als het je wat moeite
kost, zelfs als je niet veel zin hebt. Vraag
God dan altijd ambetante dingen? Natuurlijk niet. God gunt je ook je
ontspanning, zodat je niet overspannen geraakt. Ontspanning waar je beter mens
door wordt, niet alles wat ze je presenteren op teevee en op internet
natuurlijk. Maar gezonde, goed ontspanning. Dan zijn we waakzame christenen. Daar willen wij ons nu in oefenen in deze adventstijd, om te leven zoals de Vader het graag heeft, dan bereiden wij ons voor op Jezus’ komst met Kerstmis, en leven wij nu reeds met Hem verbonden, Hij die gezegd heeft: Het enige wat ik echt verlang is: de wil te doen van God, mijn Vader. Wees waakzaam van hart, goede vrienden, naar Jezus’ voorbeeld. Kijk op naar Hem (Begin: uit preken Herent; rest B.Van Vossel) JAAR A ZONDAG 34 (23 nov. 2008) Christus Koning van het heelal Gods maatstaf bij het oordeel Ezek. 34,11-12.15-17 / Psalm 23 God is mijn herder / 1 Kor. 15,10-16a.28 / Mc 11,31-10 Gezegend die komt in de Naam van de Heer… / Mt. 25,31-46 Het oordeel: Wat gij gedaan hebt voor een dezer geringsten van mijn broeders hebt gij aan Mij gedaan Het Kind in de kribbe, de boeiende rondtrekkende predikant, de gekruisigde op de Calvarieberg… God heeft Hem hoog verheven en tot Heer aangesteld over het hele heelal. Hij, de Zoon van de Levende God die in alles Gods verlangen heeft gedaan. Christus, de Koning van het heelal. Op het einde van dit liturgisch of kerkelijk jaar wordt ons het eindoordeel beschreven met als waardemeter: de liefde. Want God is liefde. Wat gij gedaan hebt voor een dezer geringsten van mijn broeders, hebt gij voor Mij gedaan!
Christen, beste broer of zus in het geloof. Kijk nu eens in de spiegel en laat Jezus’ woord over u komen. Beantwoordt de persoon die gij in de spiegel ziet aan de opsomming die Jezus geeft? Ik had honger, Ik had dorst, gij hebt Mij te eten en te drinken gegeven, Ik was vreemdeling, ik voelde me eenzaam, ik had te weinig kleren, te weinig bezit, ik kon mijn gezin niet voldoende voeden of van het noodzakelijke voorzien, ik lag eenzaam en ziek in het ziekenhuis of bij mij thuis, ik zat gevangen, ik werd buitengesloten uit de samenleving, weggepest… gij zijt Mij komen bezoeken, gij hebt Mij bij de hand genomen en me weer wat menselijke waardigheid gegeven…
Je kan dat lijstje natuurlijk nog sterk uitbreiden… Maar dan moet je je eigen oordeel eens geven over jezelf. Je moet niet te streng zijn: we kunnen immers, gezien onze sociale en maatschappelijke verplichtingen niet alles doen, en ook onze lichamelijke en psychische toestand legt ons beperkingen op; we kunnen niet alles doen.. Okay, maar we gaan de zaken ook niet verdoezelen… Slaat de weegschaal door in uw voordeel? Niet? Blijft ze ongeveer in het midden? We gaan het oordeel natuurlijk aan de Heer laten.
Maar we gaan dit evangelie en de toepassing op onszelf niet blauw-blauw laten. We willen vandaag een beslissing nemen. Een kleine beslissing of misschien de grote beslissing om wat weg te kijken van onszelf en ons eigenbelang naar de nood van medemensen op velerlei gebied. Of misschien de beslissing (die een grote genade is), om meer de Heer te zien in onze medemens-in-nood. De bisschop Martinus die we deze maand nog mochten vieren – 11.11.11 is niet toevallig op die dag – heeft ons dat sterke tafereel nagelaten van zijn droom waarin Jezus hem komt danken omdat hij de helft van zijn mantel heeft gegeven aan een arme bedelaar. “Ik dank de catechumeen Martinus, die me de helft van zijn mantel heeft geschonken”. Martinus schaamde zich dat hij aan de Heer, maar de helft van zijn soldatenmantel had gegeven… Waar ga ik wat meer kwalitatieve aandacht geven aan mijn medemens-in-nood. Nood aan wat aandacht, genegenheid, waardering of nood aan wat van mijn tijd, of nood aan materiële bijstand. Wat kanik doen? Wat vraagt de Heer van mij.
Laten wij vragen aan de heilige Geest waar het verlangen ligt van God. Vragen wij om de nodige beslistheid en kracht om volgens dat verlangen ons leven eventueel wat bij te stellen. (ben van vossel) JAAR A ZONDAG 33 (16 nov. 2008) Leven als kinderen van het licht ! De Liturgisch teksten werden genomen uit Spreuken 31, 10-13.19-20.30-31 De sterke vrouw / Ps. 128,1_2,3,4-5 / Tess. 5,1-6 Leven in het licht / Joh. 15,4.5b Wie in Mij blijft draagt veel vrucht / Mt. 25,14-30 Talenten (goed) gebruiken ’t Is de zondag van de talenten, van het gouden geldstukken die God uitgedeeld heeft aan ieder van ons. En nu vraagt Hij: Wat heb je ermee aangevangen? Twee van de drie dienaars hebben het geld nuttig gebruikt. Eén heeft er niets mee aangevangen. Gd is niet content. Je had het maar op de bank moeten zetten, zodat ik mijn geld met rente terugkreeg… Dat laatste klinkt wat wrang in deze tijd van bankcrisis. Maar God wil dat we ons leven ernstig opvatten en dat we de talenten en alles wat Hij ons heeft toevertrouwd nuttig besteden… De Heer van die dienaars blijft immers niet eeuwig weg. Daarover gaat deze zondag. Ook de eerste lezing over die vrouw die zich echt inzet voor de verantwoordelijkheid die zij draagt. En Paulus doet er nog een schepje bovenop. Ik moet u niet schrijven over dag en uur, gij weet zelf ook heel goed dat de dag van de Heer komt als een dief in de nacht… Zo schrijft Paulus het aan de christenen van Saloniki… Maar eigenlijk herpakt hij zich dan. Hij zegt: in feite hoeven wij niet in de nacht leven, niet in duisternis, want dan zou de dag ons wel eens kunnen verrassen. Nee: wij moeten kinderen van het licht zijn, kinderen van de dag. Wij behoren niet aan nacht en duisternis. Wij moeten niet de nacht invluchten, leven buiten God, leven alsof God er niet zou zijn, leven alsof we geen verloste mensen zijn. Wij zijn geroepen om te leven als nuchtere mensen, wakend, nuchter. Hoe is dat zo’n leven? Leven aan Gods hand. Leven volgens zijn verlangen. Tenslotte weten we dat dààr ons geluk ligt, in zo’n manier van leven. Want alles vanuit God kunnen we het echte leven ontvangen. Het heeft dan weinig zin om zoals Adam in het Scheppingsverhaal, zelf te gaan bepalen wat waardevol is. bv. Geld, aanzien, zelfzucht, profiteren maar… Je kan zeggen, ja maar , dat is plezant, dààr vind ik het geluk! Dàt is nu juist leven als een mol, als een blinde die ook zonder stok, zonder gehoor, zonder aanvoelen de weg zou moeten weten. Nee, we willen zelf bepalen wat goed is, waarin het geluk bestaat… En we vinden het niet echt. We geraken ontgoocheld, ontmoedigd… Misschien is dat trouwens een gezegend moment waarin onze frank eindelijk valt, een moment waarop we inzien dat we ons op een doodlopend spoor bevinden… Leven als mensen van het licht, mensen van de dag, die doorzien wat klatergoud is en wat echt waarde heeft. Het vraagt een blijvende attentie, maar vooral dat we ons openstellen voor wat Gods Geest ons wil doen aanvoelen. Hij geeft ons dat aanvoelen, het onderscheiden van wat Gods verlangen is en wat puur menselijke bedenksels zijn. En dan moeten we bidden om de juiste beslissing en om kracht om die weg naar het heil te kunnen gaan. Het is niet te moeilijk. Het is geen treurige weg. Gods Geest doet ons stilaan en steeds sterker aanvoelen hoe treurig en dwaas de weg in het duister is, en hoe zinvol en levensvervullend de weg in het licht is. Heilige
Geest vervul de harten van uw gelovigen en ontsteek in hen het vuur van uw
liefde. Veni Sancte Spiritus, reple tuorum
corda fidelium et tui amoris
in eis ignem accende. JAAR A ZONDAG 30 (26 okt. 2008) God dienen en opkijken naar Jezus De
Liturgisch teksten werden genomen uit Exodus
22,20-26 / Psalm 10 / 1Tess. 1,5c-10 / Mt.22,34-40 Zoals
Jezus in het evangelie in twee scherpe, ondubbelzinnige woorden het voornaamste
van de Joodse en christelijke wet samenvat, zo kort omschrijft Paulus aan zijn
christengemeente van Saloniki waar het op aankwam om christen te zijn midden een
heidense omgeving. Christenen uit andere streken hadden immers direct vastgesteld hoe de Tessalonicenzen zich van de afgoden “bekeerd hadden tot God, om de levende en waarachtige God te dienen, en uit de hemel zijn Zoon te verwachten, Jezus, die ons redt van de komende toorn”.
’t Is misschien wat raar gezegd, maar ook voor ons, christenen van 2008, blijft het een opgave om ons te bekeren van de afgoden naar God toe, en de levende en waarachtige God te gaan dienen. Wat betekent dat wij ons moeten afkeren van valse goden. Alles wat men ons aanprijst of wat we zelf verheven hebben tot het licht van onze ogen, tot het enige wat voor ons waarde heeft, tot alles waar we behoefte aan hebben, tot dat waar we naartoe leven en waar we alles voor over hebben… Of dat nu geld en bezit is, de vrije tijd, de vakantie, of de auto of nieuw dit of nieuw dat … Of de teevee, of mijn hobby… Alles wat ik tot god gemaakt heb en waarvoor ik alles over heb, dat ik aanbid als het ware…
k moet dat op de juiste plaats zetten in mijn leven en mij tot God keren, en Hem, de levende en waarachtige God dienen. Mij in zijn dienst stellen. Omdat ik begrepen heb dat Hij de enige God is, dat Hij van alle eeuwigheid is, dat Hij mij uit liefde het bestaan heeft geschonken en uit liefde ook zijn Zoon gegeven heeft om mij en alle mensen weer op te heffen uit onmacht en zonde… Aan die God wil ik mij toewijden en zeggen dat ik Hem alleen wil dienen en alles en iedereen aan Hem ondergeschikt wil maken… Ik
doe dit omdat ik begrepen heb dat God liefde is en het goed met mij meent. Dat is het eerste wat Paulus hier zegt. En hij voegt er nog aan toe dat zijn christenen vanuit de hoge, van bij God Jezus verwachten, die voor ons zal opkomen in alle omstandigheden. Hij is door God uit de doden opgewekt. In Hem geloven wij en aan Hem, die zo solidair is geworden met ons in lijden en dood, als de goede herder die zijn leven geeft voor zijn schapen, aan Hem vertrouwen wij ons toe. Hij staat borg voor ons, mensen die toch steeds beneden de maat blijven. Hij heeft ons als het ware rein gewassen door zijn bloed, aan het kruis vergoten. Op Hem is onze hoop gericht. Niet op onze verdiensten, niet op onze prestaties. Wij gaan ons bij God niet beroepen op al het goede dat we misschien gedaan hebben. Wij schuilen bij Jezus, die voor ons alles heeft volbracht. Ondanks alles wat kan tegengaan in het leven, ook in het leven van een christen, kunnen wij, dankzij Jezus, toch de vreugde van de heilige Geest in ons hebben. Je weet niet hoe het komt, maar het is inderdaad zo, dat wie echt met Jezus verbonden blijft, wie echt zijn Naam in het hart en op de lippen heeft, dat die ook deel krijgt aan de weldoende invloed van de heilige Geest, die we ontvingen bij ons doopsel en vormsel, maar op wie we te weinig beroep doen… Ons
bekeren tot de levende en waarachtige God, Hem liefhebben en dienen met heel ons
leven en blij en vertrouwvol uitzien naar Jezus’ komst… het brengt diepe
vreugde en vrede in ons hart. Een kado van de heilige Geest. (Ben Van Vossel) JAAR A ZONDAG 29 (19 okt. 2008) Gods leven in ons: geloof - hoop - liefde De Liturgische teksten worden vandaag genomen uit Jes. 45,1.4-6 / Ps. 96 / Tess. 1,1-5b / Filipp 1,15-16 / Mt. 22,15-2 "en aan God wat God toekomt". In de eerste lezing van vandaag wijst God er op : Ik ben de Heer, en niemand anders. Inhet evangelie klinkt het zo: Geef aan de keizer wat de keizer toekomt en aan God wat God toekomst. De keizer mag gerust zijn belastingetje hebben, maar aan God moet je alles toewijden!... Straffe taal.
Maar
opnieuw zou ik een de catechese van Paulus naar voor willen schuiven. Dit keer
geen dankbetuiging aan zijn christenen, maar een dankbetuiging aan God omwille
van zijn christenen. Genade voor u en vrede. Het is waarschijnlijk een klassieke begroeting, maar het drukt toch uit dat je iemand het allerbeste wenst dat hem kan overkomen. Niet alleen “een goede gezondheid” zoals we dat met Nieuwjaar elkaar toewensen. Maar genade, nl. dat God u met zijn gunst zijn liefde zou omringen… En vrede: niets is zo belangrijk dat innerlijk in vrede te zijn: met jezelf, je medemensen, vrede met God. Vrede, zoals Jezus het elders zegt: mijn vrede, die de wereld u niet schenken kan. Dan begint Paulus zijn dankzegging aan God. Telkens wanneer ik uw naam noem in mijn gebeden, dank ik God voor u allen. Hoe komt dat? Ha, omwille van het leven van God in hen, God heeft hen doen delen in zijn eigen leven, heeft hen naar zich toegehaald! Het leven van God in hen? Wat is dat dan? Paulus schrijft: Onophoudelijk gedenken wij voor het aanschijn van God, onze Vader, uw werkdadig geloof, uw onvermoeibare liefde en uw standvastige hoop op onze Heer Jezus Christus. Geloof – Hoop – Liefde.
- God mogen kennen, beseffen dat Hij aan de oorsprong staat van ons leven en dat Hij onze bestemming is. Dat Hij ons liefheeft en ons dat getoond heeft doorheen heel zijn schepping, maar vooral doordat Hij ons zijn Zoon heeft gegeven om ons op te helpen uit onze ontoereikendheid en onze verkeerde keuzen; Jezus heeft alles volbracht dat nodig was om ons weer vrijuit met God te doen omgaan en zijn liefde waardig te beantwoorden.
- En dat we vanuit die liefde van God ook volop kunnen vertrouwen op Hem, nooit helemaal ten einde raad zijn en dat we mogen weten dat wij op Jezus mogen hopen en vertrouwen dat Hij ons leven tot voltooiing zal brengen volgens Gods verlangen. Daarom zien wij uit naar de definitieve vltooiing die Hij tot stand zal brengen.
- En God, die liefde is heeft ons gemaakt naar zijn beeld. Wij kunnen zijn liefde beantwoorden met de liefde die Hij in ons hart heeft uitgestort en naar zijn voorbeeld kunnen wij ook houden van onze medemensen. Echt van hen houden, niet gewoon uit instinkt, niet gewoon omwille van eigenbelang maar van anderen houden omwille van God, en omdat Hij ons bekwaam maakt om zo vanuit liefde te leven…
Een vraagje tussenin is dan natuurlijk in hoever ik reeds leef als kind van God: als iemand die reeds iets begrepen heeft van wie God is als mysterie, als iemand die in de zekerheid leeft van Gods liefde en als iemand die zich heeft laten bezielen door Gods liefde. Paulus schrijft ons vandaag: Onophoudelijk gedenken wij voor het aanschijn van God, onze Vader, uw werkdadig geloof, uw onvermoeibare liefde en uw standvastige hoop op onze Heer Jezus Christus… Geloof, hoop en liefde, goddelijke deugden die Gods Geest in ons bewerkt, het goddelijk leven in ons die geroepen zijn om te leven als kinderen van God. Kom, heilige Geest, vernieuw in ons dat goddelijk leven. (Ben Van Vossel) JAAR A ZONDAG 28 (12 okt. 2008) Zoek
uw kracht bij de Heer Ik
wil vandaag opnieuw Sint Paulus aan het woord laten al valt er natuurlijk wel
wat e zeggen over de weigering om in de gaan op de uitnodiging van God tot het
Bruiloftsfeest en op het niet hebben van het geschikte bruiloftskleed. Maar kom,
omwille van het Paulusjaar… Sint
Paulus schrifjt een korte danknota aan zijn christenen uit Macedonië. Ze hebben
hem gesteund in de ellendige toestand waarin hij zich bevindt (waarschijnlijk in
een tussentijdse gevangenschap te Efese). Kijk, zegt hij: ik weet wat armoede is
en wat overvloed is. Ik kan volop eten en ik kan honger lijden. Overvloed en
gebrek. Ik ben ermee vertrouwd… Mens
mens! Als we eens geen eten hebben op tijd, of de teevee is eens defect of de
verwarming, of er is geen elektriciteit… we vinden het geweldig vervelend.
Natuurlijk is het voor sommige personen een echte ramp, als daardoor hun
gezondheid bijvoorbeeld geschaad wordt. Maar
vaak zijn we – als verwende Westerse mensen – zo vlug uit ons lood geslagen.
Ik ga het nu even niet hebben over wat er op financieel gebied gebeurd is dezer
dagen… Voor
de alledaagse dingen die wat kunnen tegengaan, voor wat moeilijker tijden
schrijft Paulus: ik ben vertrouwd met overvloed en gebrek. En hij voegt er dit
aan toe: “Alles vermag ik in Hem die mij kracht geeft”. Vrienden, wie geeft
ons kracht? Vanwaar halen wij onze moed om voort te doen ondanks wat tegenslag?
Zelfs als christenen halen we die niet bij God, als we niet de gewoonte hebben
met Hem op weg te zijn… Dan klampen wij ons vast aan een paar dingetjes die
ons toch wat moed geven. Paulus, die heel zijn leven in dienst gesteld heeft van
Christus… leeft in sterke verbondenheid met Hem. En daarom put hij daar zijn
kracht. Daarom krijgt hij bemoediging vanuit Christus… Alles vermag ik in Hem
die mij kracht geeft… Straffe taal
hé? Spitstechnologie op geestelijk vlak! Maar
onmiddellijk daarna blijkt hoe heel menselijk Paulus ook kan zijn. Hij dankt
zijn mensen omdat zij hem geholpen hebben in zijn moeilijkheden. “Ge hebt er
goed aan gedaan mij te helpen”. Zelfs als hij in die hulp Gods hand, Gods
bijstand, hij ziet toch ook de gezichten, die concrete christengemeenschap die
hem geholpen heeft, en hij dankt hen. En
hij bidt om Gods zegen. Maarniet dat hun aandelen plots geweldig zouden stijgen
op de beurs, nee, hij blijft toch wel de apostel: “Mijn God zal met goddelijke
rijkdom (maar dat kan natuurlijk ook tijdelijk zijn), mijn God zal met
goddelijke rijkdom in al uw noden voorzien door u de heerlijkheid te schenken in
Christus Jezus”. De heerlijkheid
(de ‘doxa tou théou’), dat kan
van alles zijn, het is de nabijheid, de redding, de hulp die God aan zijn mensen
wil schenken; God die zijn liefde openbaart. En zo eindigt hij dan zijn dankwoord: Aan onze God en Vader zij de eer in de eeuwen der eeuwen. (Ben Van Vossel) JAAR A ZONDAG 27 (5 okt. 2008) Weest onbezorgd (en de beurscrisis dan?) De Liturgische teksten worden vandaag genomen uit Jes. 5,1-7 / tssz. Ps. 80,9 en 12, 13-14, 15-16, 19-20 / Filipp. 4,6-9 / Alleluiavers uit Joh. 15,6 / Mt. 21,33-43 De eerste lezing spreekt ons over een wijngardenier die alles gedaan heeft voor zijn wijngaard, een kostbaar bezit in het Midden-Oosten; hij doet zijn uiterste best voor die wijngaard, maar die levert in feite niets op. In het evangelie vertelt Jezus ook een gelijkenis over een wijngaardenier die zijn wijngaard verpacht maar de pachters mishandelen zijn dienaars en doden zelfs de zoon om de wijngaard zelf in handen te krijgen. en in het evangelie met de vergelijking van een wijngaardenier en zijn wijngaard of zijn pachters. In die twee lezingen wil Gods woord ons doen aanvoelen hoezeer God van de mens houdt, hoezeer Hij het geluk wil van de mens, maar de mens gaat zijn eigen wegen, wil niet van God weten en mishandelt zelfs zijn profeten en doodt Gods eigen Zoon. Deze lezingen zijn een oproep voor ons allen om echt te luisteren naar wat God ons leert in het diepst van ons hart en langsheen zijn mensen opdat we de weg naar het geluk niet mislopen… Luister heden naar zijn stem en verhard uw harten niet, zo waarschuwde ons reeds een psalm uit het Oude Testament. In dit Paulusjaar wil ik u toch ook even naar de tweede lezing leiden, uit de brief van Paulus aan de Christenen van een stad in Macedonië, Filippi. Het is goed mogelijk dat deze brief eigenlijk 3 verschillende brieven van Paulus bevat: een dankbrief (4,10-20), een nogal scherpe, vermanende brief (3,1b-4,1) en dan het gedeelte dat we hier krijgen en dat hij waarschijnlijk schreef toen hij gevangen zat in Efese, in Griekenland (1,1-3.3,1a en 4,2-9.21-23). Paulus roept ons op tot onbezorgdheid. Die oproep kan niet slechter aankomen natuurlijk. De wereldwijde beurscrisis, waaraan ook heel wat gewone, kleine beleggers een heel deel van hun spaarcentjes in waarde hebben zien verminderen, de enorme bedragen die verschillende nationale staten in banken hebben gepompt in een poging om het gewone spaargeld toch maar enige zekerheid te beiden en heel het monetair en economisch bestel niet op losse schroeven te zeggen… Wees onbezorgd, schrijft Paulus. Je zit in de zondagsmis en de lector leest dat onbewogen voor. “Zou hij ook aandelen gehad hebben bij Fortis of Dexia?” Wees onbezorgd, schrijft Paulus. Wees onbezorgd, leest de lektor… Gisteren heeft Nederland het Nederlandse Fortis genationaliseerd en bij ons twijfelt men nog een beetje, maar men heeft reeds vele miljarden in die twee banken gepompt. Wees onbezorgd… Dit neemt natuurlijk niet weg dat regeringen hun verantwoordelijkheid dienen te nemen en dat een goede huisvader op zijn niveau ook zo goed mogelijke beslissingen en maatregelen dient te nemen. Maar je zit niet heel de dag en dagen en weken aan een stuk alleen maar met geld en deviezen en aandelen bezig. Er zijn nog andere belangrijke zaken in het leven, zal Paulus ons zo dadelijk zeggen. Hij begint zó: “Laat al uw wensen bij God bekend worden in gebed en smeking… en nooit zonder dankzegging”. En hij eindigt met de woorden: “En de vrede van God, die alle begrip te boven gaat, zal uw harten en uw gedachten behoeden in Christus Jezus” De vrede van God, de innerlijke vrede die van God komt, zal uw harten en uw gedachten behoeden door uw relatie met Jezus. Om die innerlijke vrede te bereiken wijst hij op een levend contact met God: “Laat al uw wensen bij God bekend worden in gebed en smeking… en nooit zonder dankzegging”. Je moet spreken met God, zegt Hij, laat al uw wensen bij Hem bekend worden. Spreek Hem over alles in gebed en smeking… Ga met God heel vertrouwelijk om. Maar: nooit zonder dankzegging. Vergeet niet te danken! We kunnen iets leren van Jezus die God al dankte vóórdat Hij verhoord was toen Hij bij het graf van Lazarus stond: “JOH.11,41 Toen namen zij de steen weg. Jezus sloeg de ogen ten hemel en sprak: 'Vader, Ik dank U dat Gij Mij verhoord hebt. 42 Ik wist wel, dat Gij Mij altijd verhoort”. Nooit zonder dankzegging! Het is trouwens een geweldige bron van vreugde wanneer we in ons hart God kunnen danken om alles: we zijn in zijn liefde geborgen, en dat te weten brengt reeds vreugde in ons en die vrede, waarover de Bijbel zo vaak spreekt: vrede zij u! Maan ondertussen liggen we wakker van de aandelenkoers, van ons spaargeld… Dít zegt Paulus aan het einde van deze lezing: “FIL.4,8 Tenslotte, broeders, houdt uw aandacht gevestigd op al wat waar is, al wat edel is, wat rechtvaardig is en rein, beminnelijk en aantrekkelijk, op al wat deugd heet en lof verdient. 9 En brengt in praktijk wat u geleerd is en overgeleverd, en wat gij van mij hebt gehoord en gezien.” En hij voegt er fijntjes aan toe: “ Dan zal de God van vrede met u zijn.” (Ben Van Vossel) JAAR A ZONDAG 26 (28 sept. 2008) Zoals Jezus Gods verlangen doen Litugische teksten genomen uit : Ez. 18,25-28 / Psalm 25,4bc,6-7,8-9 / Filip. 2,1-11 / Joh. 10,27 / Mt. 21,28-32 In de
Filippenzenbrief roept Paulus ons op om samen te leven volgens de gezindheid van
Jezus. Hij heeft het dan vooral over de nederigheid, eensgezindheid, geen
ijdelheid of kliekjesgeest en om vooral de eenheid in de liefde te beleven. Het
zijn die zaken die ons op Jezus doen gelijken, ook in het sociale leven, ook in
de groepen en gemeenschappen van christenen. Je merkt dat in de eerste lezing waar Ezekiël waar God zelfs bereid is om onze zonden en tekortkomingen te vergeven en te vergeten als we tenslotte tot inzicht komen en ons afkeren van het kwaad. Jezus plaatst daar in het evangelie zelf een voorbeeld bij van twee zonen die door hun vader gevraagd worden om in de wijngaard te gaan werken. Ja, zegt de eerste, maar hij doet het niet. Nee, zegt de tweede, maar hij gaat toch. Uiteindelijk doet hij het verlangen van zijn vader en Jezus weet dat te appreciëren. Blijkbaar is Hij vlug tevreden… Hij wil de zogenaamde slechten, de tollenaars en de ontuchtige vrouwen nog een kans geven die uiteindelijk toch geloofden in de zending van Johannes de Doper en die ook blij waren met de verkondiging van Jezus, terwijl hogepriesters en de leiders van het volk niet geloofden in Johannes, noch in Jezus. Het is tenminste reeds een uitnodiging voor ons om mensen niet te vlug met de vinger te wijzen en ze geen kans meer te geven om dichter bij God te komen. We kennen toch allemaal personen die vroeger misschien nogal hard waren voor medemensen, en die later heel wat milder en zelfs vrijgevig geworden zijn… Er is echter nog iets heel anders. En daarvoor moeten we teruggrijpen naar de lezing uit de brief van Paulus maar ze dan toepassen op het evangelie. Paulus zegt daar dat onder ons de gezindheid zou moeten heersen die Christus bezielde. Natuurlijk was Jezus bezield met liefde voor de medemens, liefde voor de mensen die uitgestoten werden en die een etiket opgekleefd kregen waar ze niet meer van afgeraakten. Maar wat Jezus op de eerste plaats bezielde was het op dezelfde lijn staan als Gods verlangen. Hij voelde zich de “gezondene”. Heel zijn bestaan was de dienst van God, het verlangen van de Vader. “Mijn spijs is de wil te doen van Hem die Mij gezonden heeft en zijn werk te verrichten. Hier ligt het grote verschil tussen Jezus en die twee zonen. Zeker, hij kiest partij voor deze die wel nee zegt aanvankelijk, maar daarna toch de wil doet van zijn vader. Maar Jezus ging verder: zijn woord was Ja en zijn leven was Ja. Zijn spreken en zijn doen. En tenslotte worden ook wij daar toe uitgenodigd. Natuurlijk weten we dat we vaak gaan tekort komen, maar het moet ons streven zijn om Gods verlangen te doen. We mogen ons spiegelen aan Jezus. Wij moeten bidden om de heilige Geest, die ons moet helpen om niet onze al te aardse verlangens de baas te laten spelen, maar het verlangen om in Gods wil te staan. “Leef niet naar het vlees maar naar de Geest”, noemt Paulus dat. In dit Paulusjaar, dat loopt van juni 2008 tot juni 2009, mogen we ons ook eens speciaal door zijn inzichten laten leiden. Hoe sterk heeft hij zich verbonden gevoeld met Jezus, hoewel hij Hem wellicht nooit gezien en ontmoet had. Toch schrijft hij: “Voor mij is leven Christus” (Fil.1,21); ik wil niets anders kennen dan Christus, al de rest is mij niets waard (“Sterker nog, ik beschouw alles als verlies, want mijn Heer Christus Jezus kennen gaat alles te boven. Om Hem heb ik. alles prijsgegeven. Om Christus houd ik alles zelfs voor vuilnis…” FIL.3,8). Zo ver hebben wij het niet gebracht en misschien begrijpen we niet goed wat Paulus bedoeld. Als je je leven helemaal laat leiden door Christus, dan zal alles op de juiste plaats gezet worden en ga je inzien en volbrengen wat God van je verwacht, wat God je toont als de weg naar het echte geluk. Laten we dan opzien naar Christus, opdat we op de goede manier antwoord geven, met woord en daad, op het verlangen van God zoals het elke dag en elk moment op ons afkomt. Laten we voorhet leven kiezen, voor het echte leven. (Ben Van Vossel) JAAR A ZONDAG 25 (21 sept. 2008) Onze gedachten zijn niet Gods gedachten Lezingen genomen uit: Jes. 55,6-9 / PS. 145 / Fil. 1,20c-24.27a / Mt. 20,1-16a) Jezus vertelt een parabel over de werkers van het elfde uur. De werkers van het elfde uur, zo hebben wij deze parabel gedoopt. Maar in de eerste lezing, uit de profeet Jesaja, klonk dit andere woord op: “Uw gedachten zijn niet mijn gedachten”, en het ging in die lezing over de vergevingsgezindheid van God, die een mens toch altijd een nieuwe kans wil geven. “Zoals de hemel hoog boven de aarde is, zo hoog gaan mijn wegen uw wegen te boven en mijn gedachten uw gedachten”. Het is maar goed dat God anders denkt en oordeelt dan wij... Neem nu die parabel over de werkers van het elfde uur. Aan die mannen die maar één uur gewerkt hebben evenveel betalen als aan mannen die een hele dag gewerkt hebben in de volle hitte van de dag… Ik heb eens kasseileggers bezig gezien in de zomer, bij snikheet weder, in volle zon… Een van de mannen, met het gelaat druipend van het zweet, zei mij al lachend: “meneer pastoor, als er een God bestond, dan zou hij dit toch niet toelaten hé?” De zwaarte van een dag werken, en dan die mannen die hun handen nog niet eens vuil hebben moeten maken… Die evenveel geven, dat is niet ernstig meer. Maar wat Jezus wil duidelijk maken is weer zijn oude refreintje. Acht uzelf toch niet beter dan een ander, en ga zeker God niets verwijten. Want alles wat we hebben, is geschenk van Hem: het leven, je talenten, je verstand… Ga tegenover God niet zeggen: je had zo of zo moeten handelen. IK heb nog recht op dit of op dat! Dat zeg je niet tot God in wie we, zoals Paulus zegt: “in wie wij het leven hebben, het bestaan, ja alles”. God zegt tot die mensen die al eisend in het leven staan en niet goed kunnen verdragen dat een ander ook wat krijgt: “Ik wil aan degene die het laatst gekomen is evenveel geven als aan u. Mag ik soms met het mijne niet doen wat ik verkies of zijt ge kwaad, omdat Ik goed ben?” Eigenlijk is dat verhaal ook wat gericht tot bepaalde Joodse mensen die vonden dat alleen de Joodse mensen die strikt alle geboden van de Joodse wet onderhielden, goede gelovigen waren en dat zij dus recht hadden op een grote beloning, en de heidenen en de mensen die al die geboden niet konden onderhouden, maar recht hadden op een kleine aalmoes vanwege God… Jezus zegt: laat God God zijn. Als Hij aan die andere mensen evenveel wil geven, ga jij dan niet voor God spelen en zeggen wat die mogen hebben of niet. “Ik wil aan degene die het laatst gekomen is evenveel geven als aan u. Mag ik soms met het mijne niet doen wat ik verkies of zijt ge kwaad, omdat Ik goed ben?” Nu verstaan we beter wat Jesaja schrijft: “Uw gedachten zijn nu eenmaal niet mijn gedachten, mijn wegen niet uw wegen”. En als we verstandig zijn, dan trachten we wat te leren, van God, dan trachten we wat te leren van Jezus’ voorbeeld, dan trachten wij ons wat te laten leiden door de heilige Geest. We gaan dan niet jaloers zijn op anderen, we gaan andere mensen dan ook een plaatsje onder de zon gunnen, we gaan dan het goede leren zien in de ander, we gaan dan bidden opdat anderen ook mogen groeien in het leven volgens Gods verlangen… Maar wij gaan niet in de plaats van God treden. We gaan integendeel blij zijn, dat God zich ook over ons heeft ontfermd, ons omgeeft met zijn liefdevolle aandacht en ons roept om voor eeuwig bij Hem te zijn. (Ben Van Vossel) JAAR A KRUISVERHEFFING (14 sept. 2008) Aanbidding en dankbaarheid Lezingen: Num. 21,4-9 / Ps. 78 / Fil. 6-11 / Joh. 3,13-17
Voor ons is het dus opnieuw een gelegenheid om met dankbaarheid op te zien naar Jezus, die ons heeft liefgehad tot het uiterste. En het kruis blijft daarvan toch het allerduidelijkste teken. Het is voor ons een teken van Gods liefde; zozeer heeft Hij ons liefgehad dat Hij ons zijn enige Zoon heeft gegeven. Het is een feest om in aanbidding te gaan voor die onvoorstelbare liefde. Het is een Feest om onze dankbaarheid uit te zeggen. Een Feest, ditmaal zonder de treurige bijklank van een Goede Vrijdag, maar waarop we echt naar Jezus opkijken, de Levende, de Verrezene, van wie wij weten dat Hij dat levensoffer heeft volbracht. Wij mogen met een gelovig en dankbaar hart zingen: “Uw kruis, o Heer, bevrijdde mij, van al mijn angst en zondepijn; uw open hart genas ook mij. Alleluja!”
Het is een spijtig historisch gebeuren dat ridders en soldaten die het rode kruis op hun schilden en vaandels droegen, vrij gewelddadig zijn opgetreden in het Midden-Oosten, zodat tot op heden het kruis daar negatief bekeken wordt door de Moslims. In het Westen kenden we in Amerika de weinig liefdevolle houding van racisten die met brandende kruisen hun handtekening zetten onder hun gewelddadig optreden tegen de zwarte slavenbevolking… En juist het kruis is ons gegeven als teken van Gods liefde tot het uiterste. Laten we aanbiddend en dankend het kruis vereren. Het ook in onze woning en kamers een ereplaats geven. Het is niet gewoon een marteltuig uit de ruwe tijd van de Romeinen. Wij kunnen het kruis niet zien, zonder Christus die eraan gestorven is.
De prefatie van vandaag zegt het zo sterk: “Hemelse Vader, Het kruis waaraan uw Zoon gehangen heeft, hebt Gij gesteld tot het teken van ons heil; dat kruis waaraan Hij eens de dood gestorven is, werd onze levensboom. Daar op het kruis werden de machten van het kwaad gebonden, werd onze dood gedood, door Christus, onze Heer.” Op het altaar van het kruis, zo zegt de liturgie van vandaag, heeft Jezus’ levensoffer de zonde van de hele wereld weggenomen. Door zijn totale gave op het kruis heeft Jezus de deur tot de hemel geopend, de weg tot het hart van God, de weg tot het eeuwig heil.
[1] http://heiligeninkruissteek.50webs.com/helena.html?voornaam=Helena // Volgens Ambrosius (en de legende) zou de H. Helena 15 jaar eerder, in 320, ook op 14 september het H. Kruis teruggevonden hebben (3 kruisen en op één van deze genas een zieke vrouw; blijkbaar dus het echte kruis waaraan Jezus was gestorven) JAAR A ZONDAG 23 (7 sept. 2008) De
Jezusgemeenschap Je zou kunnen zeggen dat we vaak een goede bril hebben maar een slechte spiegel. We bemerken vaak het slechte, het vervelende en het verkeerde in anderen eerder dan in onszelf. Toch zegt ons vandaag zowel de lezing uit het Oude Testament als Jezus in het evangelie, dat we onze medegelovigen moeten helpen om de goede weg te gaan, om in overeenstemming te leven met Gods verlangen. De bedoeling is niet om de ander als een soort zedenmeester terecht te wijzen, maar – zo formuleert Gods Woord het “om je broeder te winnen, om je broeder te redden”. In het Oude Testament had je van dat soort profeten die de mensen maar naar de mond praatten, terwijl de echte profeten de mensen wel aanmoedigden maar ze ook terecht wezen. Wij zijn vast geen grote profeten, en van onszelf weten we dat we vaak niet veel beter zijn dan anderen, en toch vindt Jezus dat je je broeder, je medegelovige moet helpen, ook op geestelijk vlak. Er worden ons een paar voorbeelden gegeven zoals dat in de eerste christelijke gemeenschappen van pas kon komen. Zelf moeten wij zien hoe we, zonder pretentie en op een delicate manier, anderen kunnen helpen de goede weg te gaan. Door ons voorbeeld, door een delicate wenk en … vaak is het goed om ondertussen in je hart te bidden voor die persoon dat hij ontvankelijk zou zijn voor hetgeen in uw woorden echt van God komt. “Luistert hij naar u, dan hebt gij uw broeder gewonnen”, zegt Jezus. Natuurlijk, als iemand binnen de geloofsgemeenschap echt het slechte voorbeeld blijft geven, verkeerde zaken verkondigt, dan zullen de verantwoordelijken van de kerk ook hun verantwoordelijkheid moeten opnemen om de rest van de groep te beschermen. Herderlijke verantwoordelijkheid! Jezus was wel degelijk bezorgd over hoe het in zijn gemeenschap eraan toe moest gaan. Hij zag genoeg hoe kleingeestig het er tussen zijn eigen apostelen in feite aan toe ging. Ruzie maken, zichzelf de grootste wanen… En opdat we nooit
zouden vergeten dat we toch altijd zijn gemeenschap zijn, zijn mensen, met Hem
in het midden, mensen die zich altijd aan de Meester zelf moeten spiegelen,
mensen die naar Hem steeds moeten opkijken of hun leven nog aan zijn woord en
zijn wens beantwoordt… daarom zegt Hij ons ook: Waar er twee of drie (dat is
echt niet veel), waar er twee of drie verenigd zijn in mijn Naam – dus echt
als gelovige mensen, als bewuste christenen samen zijn – daar ben Ik in hun
midden”. Een fantastisch woord is dit, een Meester-woord, dat ons steeds moet
bijblijven wanneer we als gelovigen samenkomen. We zijn niet zomaar een groepje
vrome mensen bijeen, wij zijn verenigd rond Jezus. En dan gebeuren er
fantastische dingen. Niet noodzakelijk dingen die opvallen, waarmee je kan
uitpakken op de tv, maar er gebeuren innerlijk en ook wel in het gedrag van die
mensen zaken die ze uit eigen kracht niet konden opbrengen: hun geloof groeit,
hun vertrouwen, hun liefde… Ze kunnen getuigen hoe ze gegroeid zijn in geduld,
in innerlijke vrede, in zelfbeheersing, in trouw, in zachtheid tegenover elkaar
en anderen… in durf om te getuigen… Jezus doet ons hier bovendien een hefboom aan de hand waarmee we de wereld kunnen optillen, de wereld kunnen verbeteren en meer maken tot Gods wereld, tot Gods domein: “wanneer twee van u eensgezind op aarde iets vragen – het moge zijn wat het wil – zullen zij het verkrijgen van mijn Vader die in de hemel is”. En de reden waarom zij het verkrijgen heb ik daarjuist reeds aangegeven. “Want waar er twee of drie verenigd zijn in mijn Naam, daar ben Ik in hun midden”. Is dat niet prachtig! We staan er niet alleen voor. Wanneer we samen bidden, als echtpaar, in het gezin, in onze gebedsgroep, in onze parochie en eensgezind iets vragen, krijgen wij het van de Vader, want als we gelovig samen zijn is Jezus in ons midden. Hij, de Middelaar. Dit vraagt geloof. Het vraagt ook geloof om te blijven vertrouwen als we ons gebed niet verhoord zien. Ons geloof zegt ons dat we verhoord worden, dat God ons heil bewerkt op een manier die we vaak niet kunnen zien en begrijpen. Maar op dit woord van Jezus kunnen we bouwen: de Vader verhoort jullie als je gelovig samen bent in mijn Naam. (Ben Van Vossel) JAAR A ZONDAG 22 (31 aug. 2008) De
Gekruisigde aanvaarden en volgen Het zal je maar overkomen. Jezus heeft Petrus zo ongeveer de hemel in geprezen omdat hij zo’n mooie geloofsbelijdenis had uitgesproken. . Maar terug op de begane grond blijkt de Petrus geen kaas gegeten heeft van de lijdensvoorspelling van Jezus. “Heer. Zoiets mag U niet overkomen!” En dan krijgt Petrus, de man met de mooie geloofsbelijdenis, op zijn donder van Jezus. “Ga weg, Satan, terug! Gij zijt Mij een aanstoot, want gij laat u leiden door menselijke overwegingen en niet door wat God wil.” Wat is er gebeurd? Heeft Petrus iets miszegt? Ja. Zijn geloofsbelijdenis was niet volledig. In zijn geloofsbelijdenis kwam het kruis niet voor. “Die geleden heeft onder Pontius Pilatus, gekruisigd is, gestorven en begraven. En dan ook: die verrezen is op de derde dag volgens de Schriften…” Natuurlijk, Jezus was nog niet gekruisigd. Maar op voorhand wou hij het ook niet aanvaarden. Hij wou er geen plaats voor inruimen in het leven van Jezus. Het is om diezelfde reden dat Jezus vaak niet wil dat met Hem reeds Messias noemt, of Hem tot koning wil uitroepen… Het kruis is er nog niet geweest. En het kruis hoort bij Jezus, het is daar dat Hij de triomf behaalt op zonde en dood, op het van God verwijderd zijn door de opstand tegen God. De triomf die Jezus behaalt is in feite het resultaat van zijn leven, totaal in dienst van God. Op het kruis zal Hij kunnen zeggen: Alles is volbracht. “Mijn spijs is het de wil te doen van Hem die mij gezonden heeft en zijn werk te volbrengen”. In alles Gods wil volbrengen, Gods verlangen doen. Dat was de rode draad doorheen Jezus’ leven. Als iemand daar een stuk uit wil halen, wil Hij eigenlijk Jezus van zijn zending afhouden. Dat is de bedoeling van de Satan. De uitnodiging naar ons toe is natuurlijk om Jezus te zien met alles erop en eraan, ook en vooral met zijn weg doorheen het kruis. Maar de uitnodiging geldt ook ons eigen leven. Niet voor niets begint Jezus te spreken over “wie mijn volgeling wil zijn, moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en zijn kruis op te nemen”. Het komt erop aan Jezus te volgen. Dat vraagt wat zelfverloochening, dat vraagt ook volharden ondanks vervolging, ondanks spot, ondanks achteruitstelling omwille van je geloof in Jezus. En dat staat ook in ons leven, als we radicaal christen willen zijn. De maatschappij lacht vaak om u, de grote mensen van politiek en media, de kranten en weekbladen, zijn maken je geloof belachelijk, ze kleineren het, stellen het belachelijk voor als aftands, ouderwets… Wie mijn volgeling wil zij moet Mij volgen, door zichzelf te verloochenen en zijn kruis op te nemen. Wij mogen gerust eens denken dat het leven zo kort is en dat we hier en nu de juiste keuze moeten maken om later onthaald te worden door de verrezen Heer Jezus, die is en die was en die komt. En verder moeten we in het leven van elke dag en bij de moeilijkheden die zich kunnen voordoen, beroep doen op de heilige Geest, die ons inzicht en kracht wil schenken: de Bijstand, die Jezus ons beloofd heeft. (Ben Van Vossel) JAAR A ZONDAG 21 (24 aug. 2008) Ik
geloof ... Ik volg
Daarop volgt dan het woord van Jezus: Zalig zijt gij Simon, zoon van Jona, mijn Vader heeft u dit geopenbaard. Op mijn beurt zeg Ik: Gij zijt Petrus. Op deze steenrots zal Ik mijn kerk bouwen… We hebben dus eerst de geloofsbelijdenis van Petrus, die Jezus erkent als de Messias, de Gezondene van de Vader. En dan komt de aanstelling van Petrus door Jezus: aanstelling als de rots waarop de Kerk is gebouwd. Twee woorden: De geloofsbelijdenis: Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God. En de aanstelling: Gij zijt Petrus en op deze Rots zal ik mijn Kerk bouwen. Voor
het eerste Woord was de inspiratie van boven nodig. Voor het tweede woord wat
Gods Zoon aan het woord. Beide
woorden waren heel riskant. - Als Petrus in zijn geloofsbelijdenis zegt: “Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God” betekent dit dat hij het inzicht heeft gekregen dat Jezus het antwoord is op de eeuwenlange vraag van zijn Joodse volk om een bevrijder, een redder, die hen ook tot ommekeer zou brengen, het kwaad zou aanklagen en het goede promoveren. Uiteindelijk zou Jezus nog veel meer blijken te zijn, nl. de redder van de wereld. Maar als Petrus deze uitspraak doet houdt dit in dat hij dan ook Jezus zal moeten volgen, zich aan Hem vastklampen als aan het grote antwoord dat God nu eindelijk gegeven heeft op het eeuwenlang smachtend uitzien naar redding… Hij zal Jezus van nabij moeten volgen… Tot in het gerechtshof, waar men hem zal herkennen “Gij zijt toch ook van die groep van Jezus”. Hij zal Jezus moeten volgen “Hebt gij mij meer lief dan dezen… weid mijn schapen”. Hij zal Jezus moeten volgen tot in de gevangenis en het getuigenis voor het sanhedrin. Hij zal Jezus moeten volgen tot in Rome… en de marteldood. “Wat er met Johannes gaat gebeuren doet er niet toe, gij… volg Mij!” En dat allemaal door die geloofsbelijdenis: “Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God”. Wij zeggen hetzelfde. “Gij zijt de Redder. Gij zijt de Heer. Ik aanvaard U als de Heer van mijn leven”. De consequentie is dat wij ons dan ook in alles onder zijn heerschappij stellen. Om die genade bidden wij vandaag voor elkaar.
Laten ook wij vandaag ons geloof in Jezus hernieuwen en bidden om Gods Geest opdat we de consequentie van die geloofsbelijdenis met kracht en vreugdevol zouden beleven. (ben van vossel) JAAR A ZONDAG 20 (17 aug. 2008) Vertrouwvol
geloven in Jezus We kunnen het ons niet goed meer indenken: met zijn Joodse vrienden, gelovige mensen zoals omzeggens alle Joodse mensen daar in Palestina, met die Joodse vrienden trekt Jezus door de streek van Tyrus en Sidon, het huidige Libanon). En plots komt daar een Kananese vrouw, een niet Joodse, een ongelovige, luid roepend naar voor: “Heb medelijden met mij, Heer, Zoon van David”. Jezus, als gelovige Jood, wendt zich af van die vrouw, dat hoorde zo. Maar daarmee is het tafereel niet af.. Zowel die vrouw als Jezus hebben nog iets te zeggen. Die vrouw blijft maar roepen. Het is een moeder en haar dochter is van de duivel bezeten en wordt verschrikkelijk gekweld, zo zegt ze. Een moeder laat zich zomaar iet afschepen als het om haar kind gaat, haar kind dat zo verschrikkelijk afziet… Meester, zeggen zijn leerlingen, stuur die vrouw toch weg, ze blijft ons maar achterna roepen. Ik ben alleen tot de Joodse mensen gezonden, zegt Jezus. En nu treedt die moeder echt op de voorgrond, ze geeft niet op. Zelfs al zijn ongelovigen voor de Joden als honden, okay, laat dat zo zijn, maar de honden eten ook de kruimeltjes die van tafel vallen. Ja, daar kan Jezus niet tegenop en hier opent Hij dan de deur voor alle mensen: Vrouw, ge hebt een groot geloof! Uw erlangen wordt ingewilligd. En van dat ogenblijk was haar dochter genezen. Mensen een etiket opkleven. Mensen oordelen en veroordelen. Mensen uitsluiten, ze definitief afschrijven… Jezus geeft ons hier een scherp gestelde les. We kunnen er niet omheen. Wij mogen niet voor God spelen en een definitief oordeel vellen in zijn plaats. - De eerste les die in deze episode steekt is een die handelt over het geloof en het vertrouwen. Als je ziet hoe deze zogenaamd heidense vrouw in Jezus gelooft, dat Hij sterk met God verbonden is… dan moet je zeggen dat veel Joodse leiders en wellicht een heel deel van de Joodse mensen helemaal niet zo in Jezus geloofden. We kunnen dan niet anders dan deze vraag ook tot onszelf te stellen: ben ik gelovige? En in welke betekenis? Ik geloof in God. Ik geloof in Jezus als het Mensgeworden Woord van God… Maar stel ik mijn vertrouwen in God, in Jezus? Bouw ik mijn leven op God? Heeft dat geloof echte invloed op mijn leven? Bepaalt het mijn leven? - De andere les is gericht naar medemensen. Ik moet ophouden te oordelen. Dat betekent niet dat ik mijn overtuiging, mijn christelijke overtuiging naast mij moet neerleggen. Maar ik moet naar het goede zoeken in de ander, ik moet het geloof en de ernst van het geloof van bv. een moslim kunnen erkennen, en me er zelfs door laten uitnodigen om zelf ook wat vuriger te zijn. Ik moet zelfs in ongelovigen, atheïsten en zogenaamde agnosten (mensen die zogenaamd kiezen om zonder geloof door het leven te gaan), ik moet ook in hen het goede weten te ontdekken, zonder mij door hun relativerende gezindheid te laten beïnvloeden. Gods Geest waait overal. En God wil alle mensen roepen tot het heil. Hij nodigt alle mensen uit om op bepalende momenten van hun leven te kiezen voor wijn verlangen. Van die keuzes hebben wij vaak geen weet. Maar God kent het hart van de mensen. Als de apostelen die kananese vrouw vroeger zouden ontmoet hebben, zouden ze geoordeeld hebben, ‘kijk, daar loop nog zo’n ongelovige’. Maar in deze ontmoeting met Jezus blijkt dat het een gelovige vrouw is die haar volle vertrouwen stelt in Jezus. Laat ons dan zelf ons leven onder de heerschappij van Jezus plaatsen, ons vertrouwen op Hem stellen in alle omstandigheden en anderzijds ook het goede zien in medemensen en ons onthouden over het diepe oordeel over een mens, een oordeel dat alleen God toekomt. (ben van vossel) JAAR A ZONDAG 19 (10 aug. 2008) In
Contact blijven met Jezus We
horen vandaag het gerommel van de storm en het geschreeuw van de leerlingen
omdat ze menen een spook te zien en de vastberaden stem van Jezus: Wees gerust.
Ik ben het. Vrees niet. We
horen dan ook nog Petrus in zijn overmoed die ook over het water wil wandelen en
dan weer zijn kreet: “Heer, red mij” wanneer hij begint te zinken. Dan wee
Jezus: “Kleingelovige, waarom hebt ge getwijfeld?” Tenslotte de aanbidding
van de inzittenden met hun belijdenis: Waarlijk, Gij zijt de Zoon van God. Er
wordt dus heel wat gesproken in dit evangelie. En toch zou ik durven zeggen dat
de Kerk ons met dit evangelie … en met als richtingaangever de eerste
lezing… ons wil uitnodigen tot een diep besef van wie Jezus is en zo tot
stille aanbidding… In
de eerste lezing ontmoeten we de profeet Elia. Hij was werkzaam als profeet in
Israël, het Noordrijk, waar toen koning Achab regeerde die daarin gesteund door
zijn vrouw Izebel afgoden vereerde. Elia had zich gemeten met de priesters van
Baäl, had hen belachelijk gemaakt bij de bevolking en zijn werden gedood. Als
Izebel dat verneemt stuurt ze de profeet een doodsbedreiging: “Binnen de
vierentwintig uur ga je er aan”. Hij wordt bang en vlucht naar het Zuidrijk,
naar Juda. In het Horebgebergte hij
een grot binnen. Er komt een storm voorbij, een aardbeving vindt plaats, een
vuurgloed passeert en tenslotte een zachte bries… en daarin openbaart God zich
en bemoedigt Hij zijn profeet. In
het evangelie zien we de vissende leerlingen van Jezus ’s nachts op het meer.
Hun boot wordt geteisterd door de golven, er zat nogal wat tegenwind… En dan
komt Jezus tot bij hen… En
we mogen nu gerust een sprong van eeuwen maken, naar de kerk van vandaag en naar
ons eigen bestaan. Als we met God op weg willen gaan, worden we niet gevrijwaard
van tegenslagen, van vervolging, van bedreigingen… Christenen krijgen daar
voortdurend mee te maken in China, in Afrikaanse dictaturen en in culturen met
moslimextremisme, en door de agnostische en atheïstische vaandeldragers bij
ons, in onze media voornamelijk. Als we met God op weg willen gaan… Maar
de ontmoediging en de vrees komen vooral uit ons eigen hart. Omdat we te weinig
met God p weg zijn. Omdat we te weinig met Hem voor ogen leven. Omdat we teveel
kijken naar wat ons bedreigt, of wellicht ooit zou kunnen bedreigen… Je
kan het spijtig vinden dat uw kerk op zondag maar weinig volk trekt. Je kan het
betreuren dat er zo weinig jonge mensen aanwezig zijn bij godsdienstige
samenkomsten (we vergeten dan wel eens allerlei bezinningskampen en o.a. de
WereldJongerenDagen) … maar eigenlijk mag dat alles ons niet ontmoedigen. Als
we het oog gericht houden op Jezus (Je vindt die woorden in de Hebreeënbrief 12,2
en
Mgr. Vangheluwe van Brugge nam het als zijn bisschopsparool)… Als we het oog
gericht houden op Jezus, geregeld met Hem spreken in het gebed, ons door zijn
woorden laten vormen, samenkomen met zijn mensen… dan zal dat alles ons niet
echt uit het lood brengen. We
gaan dan wel zoeken hoe wij zelf getuigende christenen kunnen zijn, hoe wij
jonge mensen ook in contact kunnen brengen met het Goede Nieuws van Jezus…
maar wij gaan niet volledig onmoedigd raken doordat er wat tegenwind is, doordat
de golven ons wat bang maken… En
zeker moeten wij niet bang zijn van Jezus, wij moeten niet menen dat Hij een
verre God is die zich nauwelijks inlaat met ons bestaan, die er niet aan geïnteresseerd
is… “Wees gerust, Ik ben het, vrees niet”. Dit
is het woord dat ons vandaag mag bemoedigen. Zoals de profeet Elia bemoedigd
werd door Gods woord. Maar dit gebeurt vooral vanuit een persoonlijk contact met
de Levende God, de levende Heer… Zonder dat levendig contact, gaan we keer op
keer de moed verliezen, gaan we bij de pakken zitten, of erger nog, gaan we ons
helemaal afstemmen op de afgoden van deze tijd en laten wij God links liggen…
Een straatje zonder uitweg. Een leven dat de richting kwijt is. Een leven dat
bedreigd wordt door instorting. Trekken
wij ons dagelijks op in een levend contact met God. Praat met Hem. Heb geen
angst om over alles met Hem te spreken. En luister dan
diep in je hart. Laat je bemoedigen. En aanbid Hem die een nabije God is,
een God van mensen. En een God van heil. (ben van vossel)
JAAR
A ZONDAG 18 (3 aug. 2008) Van
de leerlingen die op die eenzame plek naar Jezus komen kunnen we niet zeggen dat
ze de nood van het moment niet zagen. Ze maken zich grote zorgen en ze zeggen
dan ook aan Jezus wat hun op het hart ligt: "Deze plek is eenzaam en het is
al laat op de dag. Stuur dus het volk weg om in de dorpen eten te gaan kopen."
Zij zijn realisten. De mensen moeten nog vlug naar de dorpen om eten te
gaan kopen. En als Jezus het zegt: “Het is niet nodig dat zij weggaan, geeft
gij hun maar te eten”, dan hebben ze daar direct als antwoord bij dat ze het
nagegaan hebben: “Wij hebben hier niet meer dan vijf broden en twee vissen”. Ze
krijgen dan van Jezus een nog onbegrijpelijker opdracht dat ze het volk gewoon
moeten laten neerzitten in het gras. Okay, en dan? De
broodvermenigvuldiging! Gaan we dan spreken over Jezus’ wondermacht? Gaan we
het hebben over de heilige Eucharistie, het hemels Brood dat Jezus wil geven aan
de mensen van de hele wereld waardoor onze diepste honger vervuld wordt “Allen
aten tot ze verzadigd waren”? Je zou ook vooral naar de leerlingen kunnen
kijken, hun realiteitszin ... maar anderzijds de uitnodiging van Jezus om Hem de
gelegenheid te schenken om de mensen eten te geven dat hen verzadigd. En
dat is wel de visie waarin de Kerk ons voorgaat als we naar de eerste lezing van
deze zondag luisteren. In Jesaja 55 nodigt God allen uit: Kom naar het water,
gij allen die dorst lijdt… Zelfs als ge geen geld hebt, ge hoeft niet e
betalen. Waarom geeft ge uw geld voor iets dat geen brood is, voor iets dat niet
voedt? Luister, luister naar Mij, dan eet gij wat goed is, dan verzadigt gij u
aan heerlijke spijs… In
plaats van de mensen weg te sturen zonder dit echte voedsel, breng ze bij Mij,
zegt Jezus. Kom zelf ook en wees niet teveel bezig met wat niet echt
verzadigt… Luister, luister… Treedt in in mijn woord, in mijn verlangen…
Je zou het ook kunnen verstaan zoals vorige zondag: Treed binnen in mijn
koninkrijk, stel u onder mijn heerschappij en ge zult het geluk vinden… dan
eet ge wat goed is, dan verzadigt gij u aan heerlijke spijs. “Allen aten tot
ze verzadigd waren”. En er is nog over, er zal altijd voedsel zijn voor wie
tot de Heer komt. Ook al is de plaats eenzaam en wordt het al donker… Naar
de Heer komen, Hem nabij weten, naar zijn verlangen vragen, zijn verlangen doen,
zijn heerschappij aanvaarden. Dàt verzadigt ons diepste verlangen… Denk aan
de verborgen schat, aan de kostbare parel van vorige week... Maar
vaak vluchten wij naar de dorpen en naar de eerste de beste bakker… Terwijl we
gewoon in het gras moeten gaan zitten en aanvaarden wat Hij ons aanbiedt. Dan
pas kunnen we echt gesterkt op tocht gaan. (ben van vossel) JAAR
A ZONDAG 17 (27 juli 2008) Een schattenjager, een koopman van kostbare parels, een visnet waaruit men enkel de goede vissen bewaart… Het zijn zo’n heel menselijke beelden die Jezus hier gebruikt om duidelijk te maken dat mensen zoeken naar het geluk. Naar iets dat in hun ogen werkelijk een uitzonderlijke waarde heeft, een waarde waar ze al het andere voor opofferen… We zouden andere voorbeelden, meer aangepast aan onze tijd, ernaast kunnen zetten, maar het is niet nodig: wat Jezus zegt is overduidelijk. Mensen zoeken naar het geluk en ze hebben er enorm veel voor over… Alleen… Jezus heeft het hier over het 'Koninkrijk van God', over het 'Rijk der hemelen' zoals Hij het noemt (Joodse mensen gebruikten vaak een omschrijving om de Naam van God niet te moeten uitspreken, die naam was al te heilig). Dat Rijk der hemelen waarover Jezus spreekt, is in zijn ogen het allerbelangrijkste en het aller-kostbaarste dat een mens op het oog kan hebben. Want dat Rijk der hemelen, het beantwoorden aan Gods verlangen met heel uw wezen, is het enige doel waar de mens de vervulling van zijn leven vindt. Daartoe is Hij geschapen. Al de rest is tweederangs of zelfs waardeloos… Welnu, zegt Jezus, voor dat Rijk der hemelen moet je alles veil hebben. Om God je leven binnen te laten, daar moet je al het andere pas op de tweede plaats laten komen. Ik zou het straffer moeten zeggen, sterker, radicaler, maar dan zou je me verkeerd kunnen verstaan. Je moet eerst voor God kiezen, je moet eerst kiezen om te doen wat binnen zijn verlangen valt, je moet eerst zijn wil doen… Dàt is zijn Rijk binnentreden, zijn koningschap, zijn Heerschappij aanvaarden… Daarmee zetten we echter ons gezin nog niet aan de deur, daarmee gooien we onze hobby’s niet buiten, laten we onze vrienden niet in de steek, steken we ons huis niet in brand enz… Maar wel moeten we eerst voor God kiezen. En in de taal van Jezus, die ook een profeet was, klinkt het nog radicaler: 'hij ging alles te gelde maken wat hij bezat en kocht die akker'… 'Toen hij een parel van grote waarde had gevonden, ging hij alles verkopen wat hijb ezat en kocht haar'… En uit dat sleepnet haalt men enkel de beste vissen, al de rest gooide men weg… Je kent toch ook die andere uitspraken van Jezus: 'Wie vader en moeder niet haat, is Mij niet waardig'… Wij vertalen juister door: wie Vader of moeder meer bemint dan Mij is Mij niet waardig… Okay, een profeet aan eht woord. Maar eigenlijk gaat het erover dat je God boven alles moet stellen. 'Messire Dieu premier servi!' 'God de Heer eerst'. Als je iets of iemand anders op de eerste plaats stelt, dan zit je daar met een afgod… En er is maar één God, die je boven alles moet liefhebben met heel je hart, heel je ziel, heel je verstand en uit al je krachten… Stel je je eigen willetje bv. op de eerste plaats, dan speel jijzelf voor God. Je zou best door dat godje je leven niet laten bepalen want dat loopt gegarandeerd slecht af. Hoe zit het
dan? Al de rest moeten we eerst aan zijn voeten neerleggen: 'Heer , Gij zijt de allerhoogste, Gij zijt de Enige God, U wil ik dienen met heel mijn wezen…' En dan, dan vertrouwt de Heer ons al de rest – of zo ongeveer – weer toe. Draag er zorg voor, zegt Hij, maar blijf opzien naar Mijn Gelaat. Want Ik ben uw God en Gij zijt mijn volk. Blij en dankbaar mogen we al de rest weer ontvangen uit zijn hand. (ben van vossel) JAAR
A ZONDAG 16 (20 juli 2008) Bezinning: Het evangelie van vandaag handelt over Gods barmhartigheid, over zijn geduld met ons en met allen “opdat we tot inzicht en tot ommekeer van leven zouden komen”. En er is nog meer. Omdat we Gods volk zijn, zijn kinderen, worden ook wij opgeroepen tot geduld met de medemens en tot barmhartigheid en vergevingsgezindheid. Jezus gebruikt wel een opvallend beeld om ons dit duidelijk te maken. Laat het onkruid maar opgroeien, trek het niet uit want je zou ook de tarwe mee kunnen uitrukken. Wacht tot de oogst, wacht tot het uiteindelijk oordeel om het goede van het kwade te scheiden. We moeten bij deze parabel niet denken aan het landbouwbedrijf, we moeten ook niet denken hoe aardse rechters moeten oordelen en hoe een samenleving moet omgaan met misdadigers, nl. ze allemaal maar vrij laten rondlopen tussen de hopelijk brave burgers… Dan komen we er niet uit. Hier blijkt nog maar eens hoe God de totaal andere is, de heilige. Hij heeft wel geduld met ons. Hij blijft ons barhartig telkens weer nieuwe kansen geven. Zelfs al komen we dagelijks te kort. Maar dan denken we bijna automatisch aan andere parabels, zoals deze waar een knecht wiens heer hem een grote schuld heeft kwijtgescholden een andere knecht een kleine schuld niet wil vergeven. En daarom leert Jezus zijn leerlingen bidden: Onze Vader … vergeef ons onze schulden gelijk ook wij vergeven aan onze schuldenaren… Diep in ons hart
weten we dat wijzelf ook maar mensen zijn. Wij hebben ook onze tekorten. En
wellicht hebben wij het geluk gehad in een goed gezin geboren en opgegroeid te
zijn, wellicht hebben we een vrij goede omgeving gehad, en wat geluk in het
leven… En wellicht hadden wij het goed, hebben we geen echte armoede gekend,
en hadden we in onze familie of in onze vriendenkring een al te slechte
voorbeelden van bedriegerij, diefstal, agressieve toestanden… JAAR
A ZONDAG 15 (13 juli 2008) Maar het evangelie van vandaag wil ons nog iets meer zeggen dan alleen maar dat God spreekt tot ons hart langsheen vele kanalen. Het evangelie nodigt uit om goede grond te zijn. Anders heeft Gods woord het moeilijk om echt vrucht te dragen, overvloedige vrucht. - Als we de goede woorden die God tot ons spreekt vernemen - in de zondagseucharistie of in ons hart - en we bezinnen ons daar niet over. Dan is dat woord zo weg. Het krijgt niet de minste kans om vrucht te dragen, om ons leven te beïnvloeden. Goed luisteren is al één goede beslissing. Een andere goede beslissing is: één woord, één korte zin, één gedachte mee nemen doorheen de dag en me afvragen: hoe ga ik daar vandaag en morgen iets mee doen met dat inzicht, met die gedachte. - Als we op harde grond of rotsgrond gezaaid zijn, schieten we geen wortel. Zelfs als we goed luisteren en blij zijn met een inzicht, maar het blijft bij een oppervlakkige vreugde en we bezinnen ons niet en we wensen dat woord niet op ons leven te leggen om te zien wat er eventueel moet veranderen… dan staan we niet sterk in ons geloof. Als men ons een uitlacht met ons christen-zijn, steken we ons weg en we gaan leven zoals de anderen, zij die niet geloven. - Wanneer we onze dagen zo vol laten lopen en er geen moment mee overschiet om eens met God en zijn goede woorden in contact te komen… of wanneer we zo met allerlei problemen en of geldbejag ons leven laten innemen… dan krijgt het geen kans tot ontwikkeling en draagt geen vrucht. Ons leven verandert niet… Een treurige zaak, eigenlijk… God spreekt zijn woord en in feite leven wij zo dat het geen vrucht kan dragen in ons. - Maar gelukkig zijn er ook momenten waarop we echt luisteren en… ja, gelukkig, ons over Gods woord bezinnen. Het kan ons hart raken uit eigen kracht, en als we ons dan in beweging laten zetten door wat de heilige Geest ons aanwijst, dan draagt het Woord van God vrucht: bij de een is de opbrengst honderdvoudig, bij een ander zestigvoudig en bij een ander dertigvoudig. (Ben Van Vossel) JAAR
A ZONDAG 14 (6 juli 2008) Dat woord van Jezus over God: Niemand kent de Zoon tenzij de Vader en nieuamnd kent de Vader, tenzij de Zoon en Hij aan wie de Zoon Hem wil openbaren". Dat woord ligt ondertussen al vastgelegd in onze geloofsbelijdenis die immers begint met de woorden: Ik geloof in God, de almachtige Vader, Schepper van hemel en aarde, en in Jezus Christus, zijn enige Zoon, onze Heer… Jezus geeft ons hier het alfabet van het geloof. We zitten wij Hem in de klas vandaag. Ik geloof in God, de almachtige en barmhartige Vader; ik geloof in Jezus, Gods enige Zoon. Dit is de basis, dit is het Christelijk geloof in zijn eenvoudigste vorm, beknopt. Maar daaraan weet je of iemand Christen is. Ik geloof in God, de almachtige Vader, Schepper van hemel en aard, en in Jezus Christus, zijn enige Zoon… Het is wat Jezus ons leerde en wat de Kerk ons steeds weer laat herhalen. Het is dan ook goed om dit vaak uit te spreken. Het is uw geloof! “Ik geloof in God, ik geloof in Jezus…” Het is goed om het vaak uit te spreken opdat het diep in u zou kunnen doordringen. Het wordt stilaan vlees en bloed, stilaan ga je ook meer leven van dat geloof. Bovendien is de geloofsbelijdenis een mooi gebed. Je drukt uit dat je in Jezus woorden geloof, in wat Hij ons is komen zeggen en wat de Kerk ons nu voorhoudt om te geloven… W e mogen ze vaak bidden. Naast dit basisgeloof, zegt Jezus ons vandaag iets heel belangrijks. Het geloof is maar echt vatbaar voor mensen die eenvoudig zijn. Zijn diepste wezen houdt God verborgen voor wijzen en verstandigen… Het gaat dan om meer dan het weten dat God bestaat en dat Hij zich heeft doen kennen in Jezus. Het gaat om de bekwaamheid om in te treden in dat geloof, om eruit te gaan leven, nl. uit die relatie met God. Een hoogmoedig iemand kan niet in de goede relatie staan tot God. Een kind en een eenvoudig mens kan zich overgeven, kan zich in handen geven van een God die ons overstijgt… We gaan niet zelf voor God spelen en denken dat alle goede gaven die we hebben dat dit eigen verwezenlijkingen zijn. JAK.1,17 “elke goede gave, elk volmaakt geschenk daalt neer van boven, van de Vader der hemellichten”… Tenslotte leert Jezus ons nog een diep geheim kennen. Als we echt geloven, als we ons echt in eenvoud aan Hem overgeven dan spreekt Hij tot ons die troostvolle woorden: “Komt allen tot Mij die uitgeput zijt en onder lasten gebukt, en Ik zal u rust en verlichting schenken. 29 Neemt mijn juk op uw schouders en leert van Mij: Ik ben zachtmoedig en nederig van hart; en gij zult rust vinden voor uw zielen, 30 want mijn juk is zacht en mijn last is licht” (MT.11,28-30). Jezus zorgt voor zijn mensen, in goede en kwade dagen blijft Hij hen nabij met zijn liefde, zijn zorg, zijn vrede, die de wereld ons niet kan schenken (ben van vossel) JAAR A ZONDAG 12 (22 juni 2008) Wees niet bang om te getuigen van Jezus Jer. 20,10-13 / Tsszang Psalm 69,8-10.14.17.33-35 / Rom.5, 12-15 / Mt. 10, 26-33 Pinksteren blijft de grote zendingsdag. Niemand van ons kan eraan ontkomen, ook niet op deze 12de zondag door het jaar. Gezonden zijn wij. Je zou er bijna kippenvlees van krijgen. Maar vandaag wil Jezus ons ook een hart onder de riem steken. Weest niet bang voor de mensen, zegt Hij. Weest niet bevreesd voor hen die wel het lichaam kunnen doden maar niet de ziel. Weest niet bevreesd, gij zijt toch méér waard dan een zwerm mussen… We staan in onze heidense maatschappij en midden half of niet gelovigen met eenzelfde klein hartje als de grote profeet Jeremia. De mensen zeiden: Daar heb je hem weer met zijn onheilsboodschap: “Meneer ontzetting-overal”, meneer de onheilsprofeet: pas op, mensen, God zal jullie straffen, hoor! Kunnen we hem niet aanklagen? Maar diep in zijn hart weet Jeremia: “De Heer is bij mij als een machtig strijder… Heer, ik heb mijn zaak in uw handen gelegd… Zint een lied, een lodlied voor de Heer, want Hij heeft het leven van de arme uit de macht van de boosdoeners gered” (Jer. 20). Zo zegt Jezus ook tot 3-maal toe: “Wees niet bang, wees niet bevreesd…”. Maar na al die geruststellende woorden, komt Jezus toch weer voor de pinnen met zijn zendingswoord, Hij wijkt er niet van af: “ieder die Mij bij de mensen belijdt, zal ook Ik als de mijne erkennen bij mijn Vader die in de hemel is. Maar ieder die Mij zal verloochenen tegenover de mensen, hem zal ook Ik verloochenen tegenover mijn Vader die in de hemel is”. (v. 33). En het alleluia-vers van vandaag zegt het overduidelijk: (Joh. 15,26b-27a) “De Geest der waarheid zal over Mij getuigenis afleggen, maar ook gij moet getuigen”. Vervelend hé ? We zouden dat liever niet willen horen, we zouden het liever niet weten. Maar als we nu eens echt van Jezus zouden houden, als we nu eens echt geloofden in Gods liefde en in zijn plan van heil met de mens, met elk mens? En als wijzelf een echt van onze medemensen hielden… zouden wij hen dan niet willen spreken over Gods liefde voor Hen? Zouden we dan de weg naar God, de weg naar Jezus, de redder niet willen tonen? Zouden we dan niet graag getuigen van wat de Heer voor ons gedaan heeft, hoe wij zijn liefde ooit mochten ervaren, en wat een vreugde en sterkte het is in Hem te geloven. Zouden we dan niet met meer aandrang bidden dat God gekend zou zijn door velen, door mensen die we kennen of ontmoeten, op straat, in de winkel, in de kliniek, in onze familie… Verkondig het van de daken! We moeten niet zwijgen over Gods liefde… Wees niet bevreesd, wees niet bevreesd, wees niet bevreesd!! Okay, maar… hoe begin je daar over? Ik zou niet weten hoe ik kan getuigen, buiten mijn manier van leven natuurlijk. Maar hoe spreek je over het geloof? Vooreerst twee voorname voorwaarden: ik moet er zelf van leven. En ten tweede: ik moet echt bezig zijn met die zending tot getuigen, ik moet bezeten zijn om vandaag met iemand over Gods liefde te spreken… De 3de voorwaarde is: ik moet bidden tot de H. Geest, ik moet Hem vragen dat Hij mij leidt, mij de gelegenheden geeft, mij de woorden in mijn hart legt… En ik mag mijn getuigenis zelfs wat voorbereiden: de omstandigheden die mij Gods liefde hebben doen ervaren. Met eenvoudige woorden mag ik spreken over Gods liefde voor mij. En dan moet ik er maar gewoon aan toevoegen: "Dat wil God ook voor u zijn, dat wil God ook voor u doen". (Ben Van Vossel) JAAR A ZONDAG 11 (15 juni 2008) Gezonden naar schapen zonder herder Mt.
9,36-10,8 Je
mag wel zeggen dat de Kerk ons in de liturgie van vandaag Jezus toont als de
herder, de goede herder, die bezorgd is om het geluk van de mensen. “In die
tijd werd Jezus bij het zien van de menigte mensen door medelijden bewogen,
omdat ze afgetobd neerlagen als schapen zonder herder”. Ik
ben zeker dat u dat soms ook heeft. “Ocharme, dat die mensen daar in Myanmar
zo aan hun lot worden overgelaten door die generaals”. Ocharme, dat zoveel
jonge mensen al aan de drugs zitten. Ocharme, dat veel zieke en bejaarde mensen
nog zo weinig bezoek krijgen van hun gezin en familie… Spijtig toch, dat er
zoveel slechts en immoreels door de media over ons volk wordt uitgestrooid,
spijtig dat vooraanstaanden het slechte voorbeeld geven, spijtig …” We,
Jezus werd ook door medelijden bewogen toen hij de menigte mensen zag… omdat
ze afgetobd neerlagen als schapen zonder herder… Schapen
zonder herder… Die zwerven maar wat rond. Moeten vaak met zeer weinig
tevreden, gewoon omdat ze niet meer naar weiden worden geleid waar echt voedsel
te vinden is… De grote misleiders van deze tijd zijn mensen in de media,
politiekers en politieke figuren, maar een hele hoop mensen in de
amusementsbusiness, maar ook heel wat ouders en opvoeders geven kinderen en
jonge mensen te weinig voedsel, voor hun hart en hun geest… Maar och, het is
zo gemakkelijk om stenen te gooien naar anderen. We moeten ons daar zelfs niet
mee bezig zouden, tenzij we er echt iets kunnen aan veranderen… Jezus
voelt als mens ook zijn onmacht, zijn beperktheid aan. Hij zal doen wat Hij kan
maar alleen kan Hij maar weinig bereiken om de zorg voor al die mensen op zich
te nemen. Daarom neemt Hij volgende
maatregelen: 1°
Hij vraagt aan zijn vrienden dat ze zouden bidden tot God om mensen die zich in
dienst willen stellen van Gods Rijk. 2°
Als tweede maatregel stuurt Hij 12 van zijn leerlingen uit om kwade geesten uit
te drijven en mensen te genezen van hun ziekten en kwalen. En in eerste
instantie worden ze gezonden naar de vele mensen uit hun eigen kring. Als
we ons door deze woorden van Jezus laten aanspreken, dan zullen we minstens wat
meer plaats moeten geven in ons gebed aan het ‘gebed om roepingen’: om
mensen die aandacht hebben voor de echte noden van de mensen, hun lichamelijke
noden, maar vooral de innerlijke leegte, het gebrek aan beleving van de echte
waarden… Dat God mensen zou aanraken en zenden om mensen weer de zin van het
leven te leen, om jonge mensen en kinderen weer in contact te brengen met wat
echt waardevol is en belangrijk in het leven. JAAR A ZONDAG 10 (8 juni 2008) Gezonden naar tollenaars en zondaars Een
liturgische viering die ons uitnodigt tot dankbaarheid omdat de Heer op zoek is
gegaan naar ons – naar mij – en ons gevonden heeft en ons – ondanks ons
tegenstribbelen – naar huis brengt. Een oefening dus om in de realiteit te
gaan staan en te groeien in nederigheid. Dank om zo’n geneesheer, om zo’n
redder… Om de ijver waarmee Hij op zoek is gegaan, om de stappen die Hij heeft
gezet om ons de schaapskooi binnen te leiden… Een dag van dankbaarheid en tot
uitdrukking brengen van onze liefdevolle genegenheid… Maar
het “weid mijn schapen” blijft ook doorklinken in het geweten van elk
christen. Pinksteren, het grote zendingsfeest ligt nog niet zo veraf. Naar wie
zullen wij gaan? Aan wie zullen we het Blijde Nieuws vertellen van onze eigen
redding en van de liefde die God voor ieder mens heeft? Niet aan de
rechtvaardigen, niet aan de gezonden… maar aan wie openstaat voor redding,
voor verdere groei in het besef van Gods liefde. We hoeven niet allen rond dat
kleine vijvertje te blijven zitten, hengelend naar enkele goudvisjes die het al
lang niet meer nodig hebben – en er soms ook niet op uit zijn – om gered te
worden… Naar de tollenaars en zondaars, naar de druggebruikers en mensen die
geen uitzicht meer hebben, naar de mensen die ondergaan in een samenleving van
welvaart en genotzoekerij, naar de jonge mensen die het gif van de media en de
samenleving in dodelijke dosis krijgen toegediend, terwijl hun hart tot zoveel
geroepen was… De
heilige Geest moge ons alert maken om op het juiste moment het juiste woord te
spreken, Hij make ons moedig en vol jeugdig Pinkstervuur om erop uit te trekken
en om wegen te zoeken waarlangs Gods Blijde Boodschap kan gebracht worden aan
hen voor wie het bestemd is… Kom,
heilige Geest. Neem bezit van ons, van ons hart, ons lichaam, onze gezindheid.
Maak ons soepel, gehoorzaam aan uw leiding en de zending die Gij ons
toevertrouwd. (ben van vossel) Vrienden,
we hebben mooie feesten gehad in de liturgie. Feesten die ons christelijk leven
mogen tekenen en bevruchten. Pasen en Hemelvaartsdag, en dan Pinksteren, het
Feest van de Drieëne God, feest van het heilig sacrament, feest van het heilig
hart met daarbij ook nog de gedachtenis van het Onbevlekt hart van Maria. Nu
zitten we weer in de gewone tijd door het jaar. We weten nu dat we op weg moeten
gaan en we zijn gesterkt door de heilige Geest, we worden gevoed door het heilig
sacrament, we mogen ons bewust zijn van de liefde van God voor ons doorheen de
liefde van Jezus heilig hart… We moeten op weg gaan en… getuigen,
evangeliseren. Het Blijde nieuws brengen aan de mensen om ons heen en veraf.
Alleen moeten we toch even onszelf bekijken, onszelf even in de spiegel nazien
en ons afvragen: ben ikzelf al een beetje geëvangeliseerd? Ben ikzelf wel al
onder het Blijde nieuws gaan staan, heb ik mezelf al wat laten doordringen, wat
laten beïnvloeden door het woord van God, door Jezus’ woord? Deze
9de zondag door het jaar stelt het aan ons voor in vrij sterke
bewoordingen: “Prent
mijn woorden in uw hart en in uw ziel, bind ze als een teken op uw hand en draag
ze als een band om uw voorhoofd… Daar hangt uw heil van af! Zo klonk het in
het Oude Testament. In
het evangelie zegt Jezus hoe je als gelovige je leven kunt laten standhouden of
hoe het ineenstuikt. Iemand die deze woorden van Mij hoort en ernaar handelt…
of er niet naar handelt. Een wijze of een dwaze. Aan ons de keuze.
Gods Geest wil ook jou vervullen en zenden! Het
zal je maar overkomen. Je was aangesloten bij een groep waarvan je dacht dat ze
echt iets kon betekenen voor de wereld, voor een betere wereld. De oprichter en
verantwoordelijke was een mens uit de duizend. Je keek ernaar op, zoals trouwens
heel wat mensen. Maar stilaan kwam er tegenwind. De invloedrijke en machtigen en
de nieuwsmakers beslisten er anders over. Zij dreven Jezus in het nauw. En
bovendien lag Hij na enige tijd ook minder goed in de markt; hij was teveel
begaan met marginalen, met mensen die niet zo uitblonken door hun levenswijze en
anderzijds had hij zo zijn kritiek op een hoop toestanden en … hij stelde wel
wat eisen aan wie meende beter te zijn dan anderen… Kortom. Jezus werd
uitgeschakeld met behulp van de bezettende overheid. En zijn kudde werd
verstrooid. Hij had dat wel eens voorzegd. Maar,
vrienden, dan wordt het Pinksteren. 50 dagen nadat Hij – volgens het zeggen
van sommigen – verrezen was. En die groep, zeg maar die Jezusgroep, kruipt
vanuit haar schuiladressen naar buiten. Niet aarzelend, niet bang, maar met
overtuiging, met een boodschap. En je merkt het direct. Er is aan die mensen
iets gebeurd. Nee, ze zijn zich niet te buiten gegaan aan zoete wijn. Petrus, de
voorganger haalt er het Oude Testament bij: wat er aan hen gebeurd is, het was
voorspeld in het boek Joël. God heeft zijn Geest gezonden en heeft deze mensen
toegerust om een nieuwe wind te doen waaien door het optreden van hen die nu bij
Jezus willen aansluiten. Wat
Petrus zegt over Jezus, zijn al weldoende rondgaan, zijn krachtig woord, zijn
verwerping en dood en zijn verrijzenis waarvan die Jezusgroep getuigt… het
komt zo overtuigend over dat velen zich aansluiten. En zo is de kerk, de
Jezusgemeenschap begonnen. En ze is nog springlevend tot op vandaag. Dank zij de
heilige Geest die haar bezielt, en leidt, en toerust met alle gaven die ze nodig
heeft – ook met kracht midden vervolgingen – opdat de wereld zich zou
vernieuwen, opdat het heil, dat Jezus bewerkt heeft, aan kracht mag winnen en veel
mensen aangrijpen… Och,
het is nog zo klein. Het is nog altijd maar wat groter dan een mosterdzaadje.
Het is wel als gist in de deeg, de boodschap van Jezus blijft klinken: God houdt
van jullie. God wil jullie heil. Beleef Gods droom in jullie leven opdat het nu
reeds open bloeit en vruchtbaar wordt … In
eenvoud mogen wij in die stroom gaan staan van mensen die Jezus volgen. In
eenvoud! Want hoewel er van onze kant enige inspanning wordt gevraagd, is onze
eigenlijke kracht de kracht van Gods Geest, die ons inspireert en die in ons aan
het werk is. Voortdurend mogen wij op Hem roepen: Kom, heilige Geest. In alle
omstandigheden. Als wij ons leven voor Jezus openen, radicaal en consequent, kan
Gods Geest voluit aan het werk gaan en zal ook ons leven vruchtbaar worden. Een
diepe vrede en stille zekerheid en vreugde zal ons bezielen… als wij
gehoorzaam zijn aan Gods heilige Geest, de Helper en Vertrooster, Gods werkzame
kracht in de nieuwe schepping. (ben van vossel) Jaar A Hemelvaartsdag 1/05/2008)
Over zingen en gezonden worden
Een
feest om blij te zijn en om Jezus te bezingen. Nog maar eens. Maar wat kan een
christen beter doen. De meimaand met de ontluikende natuur en het gezang van de
vogels inspireerden talrijke christelijke dichters en zangers om God te
bezingen, helemaal in de lijn van de psalmen, zoals: “Wanneer ik door de
velden ga en zon en hemel gadesla, dan weet ik, Heer, hoe groot Gij zijt en buig
mij voor uw majesteit: U zingt mijn ziel op blijde toon, mijn God Gij zijt
oneindig schoon!” Jezus
bezingen wiens verheerlijking wij vieren. Alles heeft Hij volbracht. Tot ons
heil. Hij heeft overwonnen. De Liefde heeft het gehaald. Wij weten dat alles
ooit goed komt, dat het goede het zal halen op het kwade en onvolmaakte…
ondanks alles wat we vorige week ook weer vernamen uit Oostenrijk, Bagdad, China
… en de onrust in eigen land. Onze Voorganger is a aangekomen,
en met Hem zijn we reeds geborgen in de hemel. Maar
ondertussen is het hier nog zwoegen en zweten, is er nog onvrede in de harten en
gebrek aan vrede in vele landen; is er nog achteruitstelling van de zwakken en
de onverschilligheid van zij die het goed hebben of die zich verliezen in
oppervlakkigheid en het zoeken naar genot. Want
ja, terwijl we opzien naar Christus, onze Heer, kijkt Hij uit over de wereld en
ziet alles wat er nog verder moet groeien, aan liefde, en vrede en inzet voor
een betere wereld, de wereld waar Hij van droomt. En daarom zendt Hij zijn
vrienden, zendt Hij ons om daaraan te werken. Om blij nieuws te brengen in onze
omgeving, om blij nieuws te brengen aan mensen-in-nood. Zijn die er nog? Bij
ons? O, hebben we de marginalen dan zo goed weggemoffeld dat ze niet meer te
zien zijn? Kijken we naast de verzamelpunten van wereldmissiehulp, hoorden we
niet van Caritas, van Oostpriesterhulp Kerk-in-nood? Ziekenzorg,
vrijwilligersdienst in de palliatieve afdelingen? Jezus
zendt ons. Op deze dag kunnen we niet enkel in lofprijzing zijn maar moeten we
de Heer ook vragen ons zijn Geest te zenden om ons hart te raken, om onze ogen
te openen, om ons met inspiratie en kracht en met veel liefde op weg te
zenden… opdat onze wereld een beetje meer ‘Gods domein’ zou worden, Gods
Rijk, waar Hij gediend wordt in de geringste van zijn broeders en waar de
Boodschap van Liefde, die Jezus bracht, niet enkel zou gehoord worden maar ook
ervaren door velen. Jezus’ Rijk van liefde, vrede, gerechtigheid en mededogen. Zalige
hoogdag van onze Heer Hemelvaart. Laat zijn Rijk van liefde groeien in uw hart.
(bvv)
Jaar A Zondag 6 Pasen (27/04/2008)
DE HEILIGE GEEST AAN HET WERK Handelingen
8:5-8,14-17 / 1
Petr. 3,15-18 / Joh.
14: 15-2 In de voorbereidende weken op Pinksteren horen we Jezus spreken over de heilige Geest. Als Hij niet meer zichtbaar bij hen zal zijn, zal de heilige Geest de Jezusgemeenschap leiden. “Hij woont in jullie en zal in jullie blijven”. Zijn dat lege woorden van iemand die voor een definitief afscheid staat en zomaar wat zegt om de mensen gerust te stellen? In de eerste lezing van vandaag mogen wij er getuige van zijn hoe Gods Geest inderdaad aan het werk is, en met kracht, je zou kunnen zeggen: met zichtbaar resultaat. De diaken Filippus begint in Samaria te preken. Jezus had daar tijdens zijn leven ooit wel eens een gesprek gehad met een Samaritaanse vrouw aan de put van Jacob en was dan door de mensen van het stadje Sichar uitgenodigd om een paar dagen bij hen te blijven en daar waren enkelen die in Hem geloofden. Hier zie je hoe na Jezus’ dood en verrijzenis de heilige Geest het werk van Jezus niet enkel voortzet maar het ver overtreft. Filippus doet wonderen in Samaria als illustratie bij zijn verkondiging dat Jezus de Messias is, de Gezalfde, de Christus. En wat gebeurt er dan verder? “Toen de apostelen in Jeruzalem hoorden dat de inwoners van Samaria het woord van God hadden aanvaard, stuurden ze Petrus en Johannes naar hen toe. Nadat ze waren aangekomen, baden ze dat ook de Samaritanen de heilige Geest mochten ontvangen, want deze was nog op niemand van hen neergedaald; ze waren alleen gedoopt in de naam van de Heer Jezus. Na het gebed legden Petrus en Johannes hun de handen op, en zo ontvingen ze de heilige Geest.” Het werk van Jezus gaat blijkbaar verder. Het is niet gestopt bij zijn dood. Hij had beloofd dat Hij de heilige Geest zou zenden van bij de Vader. En in dit voorval uit de Handelingen van de Apostelen krijgen wij een kleine illustratie aan de hand van de figuur van de diaken Filippus, die in de kracht van de heilige Geest woorden spreekt en wonderdaden verricht waardoor mensen zich bekeren. Ook de niet zo goede Joden ontvangen verder de heilige Geest, krijgen de kracht om het geloof in Jezus te gaan beleven in hun dagelijks leven… Dit staat hier zwart op wit geschreven … tot onze intentie. De heilige Geest is vandaag dezelfde zoals toen. Als wij ons echt naar Jezus toekeren, als we onze ogen openen dan stellen we twee zaken vast. Dan zien we dat een wereld zonder Jezus, een wereld zonder God zoals Hij door Jezus werd geopenbaard, een wereld is die naar de afgrond glijdt, dan zien we hardheid, dan zien we ontwrichting van het gezin en de samenleving, dan zien we de misdaad, de drugs, oppervlakkigheid en het uitstallen van het slechte en mensonterende door de media, het gebrek aan respect voor het menselijk leven in de moederschoot en aan het levenseinde… Kortom de mens die zichzelf tot god maakt en zelf bepaalt wat goed en wat slecht is, en die zich kompleet vergist. En dan zegt een normaal mens: dit is niet de goede weg, dit is geen weg naar het echte leven. En dan kijk je eens de andere richting uit. Dan kijk je eens naar wat Jezus leert en wat de oprecht christen tracht in praktijk te brengen. En dan ontmoet je zachtheid, vergevingsgezindheid, inzet voor mensen in nood, werken aan vrede in het klein en in het groot, respect voor ieder mensenleven van bij het begin tot op het einde; de lijdende mens nabij zijn in palliatieve zorg, het opkomen voor marginalen en nieuwe kansen geven aan wie faalde… En dan voel je: hier is Gods Geest aan het werk. En dan maak je zelf de keuze: ik wil ook die weg van het goede gaan, ik wil me afkeren van wat de mens omlaag haalt en van wat uiteindelijk naar de ondergang van de mens leidt en oorzaak is van zoveel miserie. Maar als je die keuze maakt, dan besef je meteen dat je die weg niet alleen kunt gaan… Je hebt medechristenen nodig, maar je hebt ook Gods heilige Geest nodig. En daar mogen we nu reeds om beginnen te bidden: “Heilige Geest, Gij zijt tot mij gekomen in mijn doopsel en vormsel. Ik heb u niet altijd gevolgd. Ik heb nu beslist om U aan het werk te laten in mijn leven en U te gehoorzamen. Vernieuw mijn geest en mijn ziel. Laat nieuwe kracht in mij komen, opdat ik de weg van Jezus zou kunnen gaan, in liefde en waarheid”. (bvv) Jaar A Zondag 5 Pasen (20/04/2008)
"Ik ben de weg naar het ware leven" Hand.
6,1-7 / Ps. 33?(32)
1-2. 4-5. 18-19 /
Lezing 1 Aanstelling diakens Lezing 2 Priesterschap van de gelovigen. Christus de Hoeksteen Evangelie Christus, de Weg naar het echte Leven In
de liturgie van vandaag horen we in de Woorddienst over wat wij eigenlijk zijn
en waar wij ons wat meer van bewust moeten worden, en ook over Wie en Wat Jezus
is en waarvan wij ons ook wat meer bewust zouden moeten zijn. We krijgen dus wat
vorming, wat bijscholing, maar de bedoeling is toch dat we gaan leven vanuit een
rijkere werkelijkheid. In
de lezing uit de Handelingen zien we dat de Jezusgemeeenschap, nu Jezus niet
meer in hun midden is, zich toch wat moet organiseren: de apostelen gaan zich
toeleggen op de verkondiging en het voorgaan in de liturgie, de diakens, een
nieuw ambt dat men opricht, zullen zich eerder bezighouden met de praktische
voorzieningen van de gemeenschap. Tenslotte is de kerk ook een menselijke
organisatie die zich wat moet structureren om goed te kunnen functioneren. Een
normale zaak. In
de tussenzang bezingen wij de Heer, op wiens woord wij kunnen vertrouwen want
Hij laat zijn mensen niet in de steek, Hij redt hen van de dood, zoals Hij in
Jezus verrijzenis heeft getoond. Petrus,
in zijn Paasbrief, heeft het dan over ons en over Jezus. Wij zijn de levende
stenen van de geestelijke tempel waarin God geëerd en gediend wordt; onze
lofprijzing is God aangenaam door Jezus Christus, die ons gered en geheiligd
heeft. Dat hebben we met Pasen gevierd. Jezus
zelf is de kostbare hoeksteen op wie wij kunnen bouwen. En wij die ons aan Hem
vasthouden zijn een heilig volk, een koninklijk priesterschap, want wij mogen in
naam van de hele mensheid het offer van onze lofprijzing brengen, God loven en
danken in naam van de hele mensheid. Wij hebben ook als grote roeping om te
getuigen van Gods liefde en van alles wat Hij voor mensen heeft gedaan en wil
doen. Wij moeten daarvan getuigen omdat wijzelf gered zijn uit de duisternis van
een verloren bestaan. Het
evangelie wil ons geruststellen, bemoedigen en ons opnieuw naar Jezus wijzen, de
Bron van ons heil. Geen andere Naam is ons gegeven waarin wij gered worden. “Laat
uw hart niet verontrust worden”, zegt Jezus. Johannes heeft die woorden
opgehaald uit zijn geheugen, omdat toen hij dit opschreef de christenen het
moeilijk hadden, vervolgd werden, zich afvroegen waar Jezus bleef. Komt Hij nu
terug of niet? “Laat uw hart niet verontrust worden, zegt Jezus, Gij gelooft
in God, gelooft ook in Mij, er is in het huis van mijn plaats voor velen. Ik ga
u een plaats voorbereiden…” Dan
stellen de apostelen twee vragen, waarvoor we hen dankbaar mogen zijn, want zo
krijgen we ook Jezus’ antwoord te horen. Tomas
zegt: “Heer, wij weten niet waar Gij heengaat, hoe moeten we dan de weg
kennen?”. Die nuchtere Tomas.
Jezus antwoordt hem heel gevat: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven”.
Een Semitisch naast elkaar plaatsen van woorden. We mogen het zo verstaan: Ik
ben de ware weg naar het leven. Of: Ik ben de weg naar het echte leven. Meer
zegt Jezus niet. Ook niet tot ons. Daar moeten wij mee voort. “Ik ben de ware
weg naar het echte leven”. Wil je het echte leven nu al binnengaan, klamp je
dan vast aan Jezus. Geloof in Hem. Roep Hem aan. Laat Hem uw leven binnentreden.
Ga een persoonlijke relatie aan met Hem. Spreek met Hem. Leef in voortdurend
contact met Hem. “Ik ben de weg naar het echte leven”. Maar
dan heeft de wat tragere Filippus ook nog iets te zeggen of te vragen: Heer,
toon ons de Vader, dat is ons genoeg”. En weer dat rustige en zelfbewust woord
van Jezus: “Filippus, wie Mij ziet, ziet de Vader”. Zo
is het. Wie Jezus ziet, wie zijn woorden hoort, wie naar zijn daden kijkt… die
hoort Gods woorden, die ziet God aan het werk, die verstaat wat God bedoelt, wat
God verlangt… Hij is het Beeld, de icoon, van de Onzichtbare God, lezen we in
de brief aan de christenen van Kolosse (Kol. 1,15).
Dit
betekent dat we naar Jezus mogen kijken, dat we over Hem mogen lezen in de
Schrift, naar Hem mogen luisteren, ons leven laten leiden door Hem. Dan zullen
we leven in Gods verlangen en ook kunnen leven vanuit Gods kracht. Zo zal ons
leven kunnen openbloeien, nu reeds, op het echte leven. Het is goed dat we dit
geloof mogen beleven met vele anderen. Dat bemoedigt ons, zoals Paus Benedictus
XVI door zijn bezoek aan Amerika ook daar de christenen, en niet alleen de
katholieke christenen, heeft bemoedigd en aangemoedigd om getuigen te zijn van
Gods liefde in deze wereld en in contact te blijven met Hem de de weg is naar
het echte leven. (ben van vossel)
Jaar
A Zondag 4 Pasen (13/04/2008) "Ik ben gekomen opdat zij leven in overvloed zouden bezitten" Hand.
2,14a.36-41 / Ps. 23 / Deze
zondag wordt door de Kerk de zondag van de Goede Herder genoemd. Ze bedoelt
daarmee de dag van allen die zich als herder, als verantwoordelijke in dienst
stellen van de Kerkgemeenschap. En ze bidt vandaag ook om roepingen: opdat er
altijd jonge mensen zouden zijn die zich als herders en als toegewijden in
dienst zouden stellen van de Heer, in dienst van de Jezusgemeenschap. Heel
onlangs verscheen in Tertio, een katholieke publicatie, een nogal rouwe schets
van het kleine aantal priesters voor uitgestrekte parochies, of voor een heel
aantal samengevoegde parochies… Hoelang kan dit nog doorgaan als zich geen
jonge mensen meer aanbieden voor het priesterschap? In onze streken en in het
grootste deel van West-Europa zijn inderdaad weinig roepingen. Dit heeft veel te
maken met de materialistische leefsfeer die ook de christelijke gezinnen en
instellingen in haar greep heeft gekregen. Daarenboven heeft het ook te maken
met de secularisatiegolf die ook in de priestergemeenschap en op de seminaries
is doorgedrongen; een pseudoantwoord op de uitdagingen van deze tijd.. Een
priester staat voor twee uitdagingen: hij moet enerzijds thuis zijn in de
mensenwereld, meeleven met de mensen, weten wat de mensen meemaken en de sfeer
waarin zij moeten leven… maar anderzijds is hij een man die getuige moet zijn
van een andere wereld, iemand die thuis moet zijn bij zijn God, iemand die,
zoals Paulus het getuigt, gegrepen is door Christus en die, terwijl hij toch
mens blijft, het woord en het gelaat van Christus oproept en uitstraalt. Hij
moet christen zijn, van Christus zijn in hart en nieren. Hij moet zich niet
schamen om de Heer ter sprake te brengen. Hij moet niet menen dat hij met wat
werelds gewauwel of enkel met wat sociaal engagement mensen gaat opentrekken
zodat ze ook open komen op de relatie met God. Dat is de grote uitdaging voor
ieder priester en voor de seminaries in deze tijd. Vanuit
de vaststelling dat sommige seminaries nog wel kandidaten aantrekken, niet enkel
wat vrome doetjes, en vanuit de vaststelling dat vooral nieuwe en vurige
gemeenschappen nog zichtbare aantrekkingskracht hebben ook naar jonge mensen,
vraagt het van de kant van de kerkgemeenschap toch wel een serieuze
vraagstelling of daar niet een sleutel ligt verborgen waar God zich van wil
bedienen om zijn kerk te voorzien van mensen die kunnen voorgaan in bediening
van het woord, in de toediening van de sacramenten en in de dienst aan de
mensen; dit laatste niet om louter sociale werker te worden maar om luisterend
en mededogend en dan ook met een christelijke duiding mensen nabij te zijn. De
seminaries moeten christelijke wetenschap bieden, maar moeten op de allereerste
plaats haarden van spiritualiteit zijn, van spiritualiteit in de oude betekenis
van het woord maar gericht op de wereld en de mensen van vandaag. Het
zal sommigen naïef voorkomen, maar wij moeten goed leren onderscheiden waar
rovers en huurlingen aan het werk zijn, of misschien gewoon al te voorzichtige
geestelijke leiders, en anderzijds leren vaststellen waar er herders zijn die
helemaal gegrepen zijn door de Heer en die Hem aanwezig brengen bij de kudde,
ook als die wat mondiger is geworden dan vroeger. Te pas en ten onpas zal een
priester het brood, het ongezuurde en onvervalste brood moeten breken voor het
hongerige volk, voor de schapen zonder herder, zodat ze weer door de Heer zelf
kunnen geleid worden naar de 'bronnen van het heil'. Dit zal niet kunnen door
louter menselijke bedenksels, kunstmatige woordenkramerij waarbij men zich
hooguit nog bedient van bijbelse ‘reminiscenties’. Enkel priesters en
voorgangers die zelf gegrepen zijn door de Heer, zullen in deze tijd mensen
kunnen verwijzen naar de Bron, die de Heer zelf is. Toegegeven,
het klinkt wat averechts, maar wij moeten ons zicht op dit alles laten
uitzuiveren door Gods Geest, ons gebed om roepingen moet zich richten op
heiliging van het gezin, heiliging van de jongerenwereld en van de wereld van de
grootouders, heiliging van de wereld van de opvoeders, heiliging van de
priestervoorgangers, van de bisschoppen, van de religieuze gemeenschappen en
dan… wel, dan moeten wij gewoon hoopvol en vertrouwvol de toekomst tegemoet
gaan. De Heer blijft zijn Kerk nabij. Dat is het goede nieuws van waaruit wij
aan het werk kunnen gaan, zonder bitterheid of ontmoediging, ongecomplexeerd.
Moge de Heer ons begeleiden. (Ben Van Vossel) Jaar
A Zondag 3 Pasen (6/04/2008) Lucas
24,35-48 We
hebben in de weken na Pasen al heel wat mensen ontmoet – in het evangelie –
met wie we ons best verwant kunnen voelen op onze weg als gelovigen. Maria
Magdalena en nog andere vrouwen die het eerst Jezus mochten ontmoeten. Dan
Petrus en Johannes die naar het graf liepen maar alleen maar een leeg graf
aantroffen. Johannes evenwel zag de lege lijkwade en hij geloofde. Dan zien we
Jezus bij zijn vrienden komen die samen zijn. Even later horen we de ongelovige
Thomas een ongelooflijk mooie geloofsbelijdenis uitspreken. Allemaal
verschillende manieren van tot geloof komen. En vandaag horen we nog maar eens
het verhaal van de 2 leerlingen op weg naar Emmaüs. Ontmoedigde
christenen lopen er ook vandaag rond. Mensen die vinden dat ze wel een sterk
geloof hadden, maar de laatste tijd is het wel zeer verzwakt. Belangrijke mensen
zeggen dat ze niet meer geloven, belangrijke mensen in de ogen van de wereld:
bekende schrijvers, mediafiguren van allerlei slag, politici en hier en daar een
wetenschapper… God en de kerk worden in de hoek geduwd. En wij dachten nog wel
dat Jezus de Messias was, dat Hij de wereld zou vernieuwen… Maar het gaat van
kwaad naar erger. Vrienden,
jullie gaan Jezus hier niet zien verschijnen. Vermoed ik althans. Maar wat Hij
die leerlingen van Emmaüs laat meemaken en wat Hij hen zegt… Dat kunnen wij
allen vandaag ook meemaken en horen zeggen. Ontmoedigde
christenen, gelovigen die hun geloof voelen verzwakken… Jezus heeft gezegd:
waar twee of meer in mijn Naam samenzijn, daar ben Ik in hun midden. Ik nodig
jullie uit eens even in te treden in de realiteit van dit woord. Jezus zegt: als
jullie hier echt als gelovige mensen samenzijn, dan ben Ik in uw midden. Jezus
is hier in ons midden. En
nu zegt Hij ons wat Hij aan die twee mensen zei: wat Mij is overkomen, dat moest
zo gebeuren, want het was voorzegd in het Oude Testament en daardoor krijg je
een reden te meer om in Mij te geloven… Er zijn zo een hele hoop
voorspellingen in het Oude Testament die je vervuld kunt zien in Jezus, ook in
zijn lijden en zijn dood en zijn verrijzenis. Als
we dat nog niet duidelijk genoeg zien en doorzien, dan mogen wij ook in alle
eenvoud maar met aandrang aan de Heer vragen dat Hij ons verstand zou verlichten
opdat we bij het lezen van de heilige Schrift zouden zien hoe heel wat woorden
uit het Oude Testament bijna naadloos op Jezus van toepassing zijn, in Jezus hun
vervulling vinden. Dat mag ons geloof opbouwen… Er
is méér. Wij mogen zoals de leerlingen van Emmaüs vragen van bij ons te
blijven, vooral als het donker wordt, als ons geloof verflauwt of op de proef
gesteld wordt… En
dan mogen wij ook vandaag in deze viering het teken vernieuwd zien van Jezus die
het Brood neemt en zegent en breekt en ons aanreikt… De Eucharistie wordt de
grote kracht waarin we Jezus mogen ervaren, zijn kracht, de vernieuwing van ons
geloof, onze hoop en onze liefde… Wanneer
we straks naar huis terugkeren zullen wij – als we deze viering gelovig
meemaakten – ook echt vernieuwd zijn in ons geloof en zullen wij zoals de
leerlingen van Emmaüs ook mogen getuigen aan anderen: Jezus is verrezen, Jezus
is de levende. Ik heb dat mogen ervaren in mijn hart. Ik heb zijn vrede mogen
ontvangen. Er is nieuwe vreugde in mijn hart gekomen. Ik ben anders dan toen ik
naar de viering kwam. (Ben Van Vossel) Jaar
A Zondag 2 Pasen Wij hebben wel eens de idee – in alle bescheidenheid natuurlijk – dat we heel wat slimmer, heel wat nuchterder, heel wat kritischer zijn en heel wat minder lichtgelovig zijn dan de mensen vroeger, en zeker dan de mensen uit Jezus’ tijd. Maar wellicht moeten we dan toch verwonderd kijken naar de figuur van Thomas, een apostel van Jezus, die, hoezeer hij zich ook verbonden voelt met de apostelgroep, toch zich niet door zijn vrienden laat overtuigen wanneer ze hem zeggen: Jezus is verrezen! Hij zegt niet: jullie nemen me in het ootje. Hij zegt gewoon: dat kan ik niet geloven. Dat moet ik zelf zien. Als dat niet kritisch is, als dat niet modern is. Maar natuurlijk, als wij ons op hetzelfde standpunt gaan zetten als Thomas: eerst zien en dan geloven, dat hebben we wel een serieus probleem. Ik vrees dat we met iets minder zullen verder moeten. Weinigen van ons zullen het meemaken dat ze als het ware zichtbaar of in een visioen of door een verschijning, zomaar direct getuige gaan zijn van de onzichtbare wereld. Ook tot ons klinkt het woord: Zalig die niet gezien en toch geloofd hebben! We kunnen ons heel die situatie trouwens goed indenken, de situatie van de eerste christenen, de situatie van de christenen uit de tweede generatie. Zij hoorden het getuigenis van de apostelen en van de eerste getuigen van de aanwezigheid van de verrezen Heer, maar zij, waar moesten zij het mee stellen? Enkel met het getuigenis van die eerste “getuigen”. Dat was dus al iets uit tweede hand. Je zou het toch wel liever anders hebben! Zalig die niet gezien en toch geloofd hebben. Geloven, is een stap in het duister (maar niet in het volledig duister), het is een stap in het vermoeden (maar niet een lichtvaardig vermoeden), het is een stap verder gaan met het beetje licht dat mij vandaag gegeven is, het is verder gaan vanuit een sterke ervaring. Want geloven, dat schenk je jezelf niet, geloven is gebaseerd op een God die zich openbaart. En dan wordt geloven verder opgebouwd door het getuigenis van mensen die Hem ook hebben mogen ervaren. En nog verder wordt het geloof sterker door de wijze waarop wij stappen zetten in het geloof en op weg gaan met het licht dat ons gegeven wordt, en door aandacht en tijd en energie te besteden aan het op weg gaan met de persoonlijke God die zich ook in ons leven openbaart en in het getuigenis van anderen. Geloven is niet naïef zomaar in een afgrond springen, maar het is wel vertrouwvol je toevertrouwen aan een liefdevolle God die zich ook aan jou openbaart… God die zich aan mij openbaart? Is dat niet wat àl te pretentieus? We moeten goed bedenken dat je met God niet flirt. God openbaat zich aan ons, opdat we op weg zouden gaan met Hem. Maar zo gemakkelijk, zo onoplettend, zo weinig gevoelig en zelfs ongemanierd, gaan wij onze weg, alsof we niets hebben ervaren van zijnentwege. Wij vergeten zoveel genaden, wij vergeten zoveel momenten en zoveel manieren waarop Hij zich aan ons heeft geopenbaard, zich heeft doen kennen… Wij worden afgeleid, nee, we laten ons afleiden door zoveel oppervlakkigheid, door het materiële dat we toch anders zouden moeten benaderen dan die diepste relatie die we mogen hebben met God, onze oorsprong, onze bestemming, Hij die ons draagt op elke moment… Wij laten Hem staan, en wij verharden ons hart, wij worden minder gevoelig voor zijn aanrakingen, zijn influisteringen, zijn bewijzen van zijn liefde en zijn bestaan… Geloven is niet zien, maar het is wel gevoelig zijn voor Gods openbaring, en ons leven afstemmen op die ontmoetingen met God. Zalig die niet gezien en toch geloofd hebben. (ben van vossel) Witte
Donderdag
2008 Het
is mogelijks de laatste keer dat wij hier als communiteit samen Witte Donderdag
vieren. Maar eigenlijk gaan we daar deze nacht niet van wakker liggen. Deze
avond gedenken we hoe Jezus voor de laatste maal samen was met zijn vrienden.
Zij waren wel onder de indruk van de geladenheid van die avond, maar blijkbaar
lagen ze er toch niet van wakker, toen ze na het paasmaal naar de olijfhof
getrokken waren. Zij waren moe en ze lagen daar te slapen terwijl hun Meester in
doodsangst verkeerde, water en bloed zweette en ongedurig heen en weer liep...
Jezus was een mens en de beschrijving die Lukas, een dokter, geeft van Jezus’
aangezicht, met bloederig zweet, kan ons alleen maar doen vermoeden wat die
doodsangst van Jezus is geweest, Hij die anders steeds zo koelbloedig en
beheerst was. Welk lijden heeft Hij toen reeds doorstaan? Maar
deze avond staat ook bol van sterke symboliek, sterke woorden en ook tekenen
waaraan wij tot op vandaag deel hebben. -
Er is eerst en vooral het samenzijn rond Jezus. Het zou goed zijn dat we
ons dat altijd diep realiseren: we komen hier niet zomaar samen omdat we op het
vlak van geloof zowat van dezelfde opvatting zijn. Wij komen hier samen rond
Jezus. Hij is in ons midden. En dat maakt de sterkte van deze avond uit en van
al ons samenkomen hier. Hij is hier, Hij, de Levende Heer, waar twee of meer in
zijn Naam samenzijn. Zoals op de avond van Witte donderdag. -
Ze vieren Pesach, het paasmaal van het Joodse volk om de bevrijding uit
Egypte te gedenken. Ze eten het paaslam. En dan staat Jezus op, neemt een kom
water en begint de voeten van zijn vrienden te wassen. Een slavendienst. Maar
dit toont ons een van de kernpunten van een christelijke geest: de nederigheid,
de dienstbaarheid, de broederliefde die iets kost. Een sterk teken dat we straks
even willen uitbeelden: nederigheid, dienstbaarheid, broederliefde die iets
kost. -
Ja, de broederliefde, de naastenliefde. Het nieuwe gebod dat Jezus aan
zijn gemeenschap toevertrouwt: heb elkaar lief, zoals Ik u heb liefgehad. Hoe
gaan wij de liefde van Jezus zichtbaar en tastbaar maken voor de mensen om ons
heen: zijn aandacht, zijn tederheid, zijn verlangen om hen echt gelukkig te
maken, vooral ook … op geestelijk vlak. Onze goedheid en liefde mogen we niet
beperken tot het materiële. Wij zullen ook bidden voor elkaar en getuigen van
het Blijde Nieuws. ‘Zoals Ik u heb liefgehad, hou zo ook van elkaar’. -
En dan is er de instelling van de Eucharistie. Het was een afscheidsmaal,
maar Jezus zal bij zijn vrienden blijven in dat teken van Brood en Wijn. Dit is
mijn Lichaam, dit is Mijn Bloed, dit ben Ik in uw midden. Blijf dit doen om Mij
te gedenken. Wij gedenken zijn leven, zijn lijden en dood, zijn verrijzenis en
verheerlijking. En zijn komst in heerlijkheid willen wij hoopvol verwachten. Wekelijks
komen wij samen om dat te vieren. -
Met de instelling van de Eucharistie wordt ons ook het sacrament van het
Priesterschap geschonken. Kwetsbare mensen mogen Jezus vertegenwoordigen in
de kerkgemeenschap, mogen woorden uitspreken waardoor Jezus aanwezig komt met
zijn heilvolle en helende aanwezigheid en werking. Dit
alles, vrienden, willen wij beluisteren en vieren in dit samenzijn. Wij willen
het na de dienst nog even laten bezinken in de aanbidding van het heilig
sacrament. En
we willen even mee intreden in die nacht waarin Jezus de verlatenheid, de
eenzaamheid ten diepste heeft aangevoeld en doorleefd. Onze verlossing heeft Hem
water en bloed gekost. Laat het tot uw hart spreken. Wakend en biddend. (ben van
vossel) Palmzondag
2008 De
vooravond van Palmzondag zal bij ons heel eenvoudig verlopen. Niet met grote
palmtakken en een processie achter het kruis dat met een rood doek versierd is,
zo naar voor in de kerk onder het zingen van “hosanna, hosanna, de Koning van
Israël…”. Ik herinner me hoe ik als kleine jongen met vele andere
zangertjes (onze onderpastoor-koorleider kon rekruteren uit 4 of 5
jongensscholen van de parochie) en de volwassen zangers in het portaal van onze
parochiekerk stonden, samen met onze koorleider en ook een deel misdienaars en
een onderpastoor met rode koormantel. Deze droeg het processiekruis en bonkte
met de voet van het kruis tegen een uitsteeksel onderaan de grote tussendeur van
het portaal. Drie keer moest hij het doen en daarop werd dan de deur geopend en
begon de koster het processielied te spelen… Dit
jaar zal het eenvoudiger verlopen… Overigens is palmzondag een geschikte dag
om stil te worden. Om stil te houden bij wat we vandaag vieren en wat we deze
week zullen vieren… Als je er even over nadenkt, het mysterie van Jezus leven
tot jou laat komen. Met die Blijde intocht vóór de mis en als evangelie het
Passieverhaal. “Vandaag is het ‘hosanna’ en morgen ‘weg met Hem’”
zingen we in een van onze liederen. Kortom, Jezus, gekomen voor het heil van de
mens, gekomen om het Blijde Nieuws van Gods liefde te brengen, wordt verworpen
door de leiders van zijn volk, het Uitverkoren volk, overgeleverd aan de
Romeinse bezetter en ter dood gebracht als een misdadiger, aan het kruis. Het
is het lot van slechts één mens. Ik las vandaag nog op kerknet hoe een
Pakistaans christen zonder rechtvaardig proces werd opgehangen. Eén mens. En er
zijn honderden en duizenden mensen die onrechtvaardig, onschuldig veroordeeld
worden, vervolgd, verknecht… Denk aan Irak, Oost-Kongo, Darfoer, Tibet en
zoveel andere landen. Het gaat over duizenden en duizenden mensen… Het moet
ons blijven raken. De verantwoordelijkheid van politici is hemelhoog om al het
mogelijke te doen om recht en gerechtigheid te blijven vragen … Maar
vandaag is het in de liturgie het lot van één mens. Van wie God getuigde:
“Dit is mijn Zon, mijn veelgeliefde in wie ik mijn welbehagen heb”. Paulus
zal deze week getuigen: “Hij die bestond in goddelijke majesteit, heeft zich
niet willen vastklampen aan zijn gelijkheid met God; Hij heeft zichzelf
ontledigd en het bestaan van een slaaf op zich genomen: Hij is aan de mensen
gelijk geworden…” Ja, en Hij heeft zich nog dieper vernederd, is gehoorzaam
geworden tot de dood, de dood aan het kruis… Dat
willen we deze week vieren en voor dat mysterie willen we ons buigen deze dagen:
dat Hij die Liefde is, die ons ten einde toe heeft liefgehad, dit voor ons heeft
willen doorstaan. De menswording, de dienst aan de mens-in-nood, de verwerping,
het lijden, de smadelijke dood… We
moeten deze dagen opzien naar het kruis en God vragen om ons binnen te voeren in
dit mysterie van de Lijdende Zoon van God, die ons heeft liefgehad tot het
uiterste… Wij
willen ons laten raken door dat mysterie van Gods liefde tot het uiterste, die
vriend die zijn leven geeft voor ons, voor ieder van ons… Want dat is wat er
gebeurd is, en geen moderne theologische theorieën over de verlossing kunnen
daar iets aan veranderen. Hij heeft zijn leven veil gehad voor ons. Dankbaarheid
moet in ons hart de vrucht van deze bezinning zijn voor het kruis. Maar nog iets
anders. Wij moeten knielen voor het kruis en ons leven toewijden aan Hem. We
zijn uit Gods hand gekomen en Hij is tot ons gekomen om ons weer op te helpen
uit zonde en verdwazing, Hij heeft dat gedaan met inzet van zijn leven. En
daarom behoren wij Hem toe. Wij moeten Hem ons leven in handen geven, want
alleen daar is het in goede handen. Hij zal ons ook vandaag ophelpen als wij
onze ogen op Hem gericht houden, als Hij de Heer van ons leven mag zijn, naar
wie wij luisteren, door wie wij ons laten leiden op elk moment van ons leven. Geef
het kruis van Christus een ereplaats in je woning, geef Hem de ereplaats in je
leven… Tenslotte
is Jezus niet in het graf gebleven maar is Hij door de dood, de dood op het
kruis, verheerlijkt door de Vader en aangesteld tot Heer van allen. Hem mogen
wij toebehoren. Zetten wij de stap naar Hem, om onder zijn koningschap te leven,
vandaag en alle dagen van ons leven. (Ben
Van Vossel) JAAR
A ZONDAG 5 VASTEN (9/03/2008) We
kunnen wel eens de 'verkeerde' indruk hebben dat geloof en christendom en kerk
wat te serieus zijn, en zelfs wat deprimerend. Dit lijkt soms zo vanuit een
beperkt en oppervlakkig zicht op wat zich in de wereld aandient. Wij kregen deze
week in de media echter weer allerlei uiteenlopende zaken gepresenteerd; dik in
de verf gezet bv. een schepen die aan een ongeneeslijke ziekte lijdt en
euthanasie pleegt (laat plegen), het nodige (?) geweld in Gaza,
vrouwenverkrachtingen in Oost-Kongo als middel tot militaire en economische
doelstellingen, een land in de greep van kleinzielige politieke intriges, maar
verder ook op kleinere schaal al het pijnlijke van scheidingen, van familiale
drama’s tot en met doodslag, de onveiligheid… Dat is toch de werkelijkheid,
nietwaar? Tegen
al dat triestige, vaak voortkomend uit egoïsme en uit een beperkt zicht op de
werkelijkheid klinkt de utopie vanuit het geloof: “Ik ga uw graven openen; in
massa’s zal Ik u uit uw graven wegvoeren en u brengen naar uw grond… Mijn
geest zal Ik over u uitstorten en gij zult leven…” Ondanks
al het treurige en spijtige in de wereld en ons eigen leven, zegt God dus: Ik
geef het niet op met u; ik bied u nieuw leven aan… Er
zijn mensen die het wel opgegeven hebben dat er nog iets aan te vangen is met de
mensheid, er zijn mensen die het opgegeven hebben om nog naar iets moois te
streven. Ik zag deze morgen in de krant hoe een paar reporters de vlag uithangen
van de pornografie: de bevrijding van de seksuele moraal van de kerk. Wat een
kortzichtigheid. Ze zouden eens moeten zien en diep beseffen wat er aangericht
is door al die vrijpostigheid, hoeveel levens er stukgemaakt worden, dagelijks,
door het egoïsme, door gebrek aan respect, door seksualiteit te verlagen tot
een consumptieartikel. Dit is de weg van deshominisatie, grote stappen
achterwaarts op de weg van de evolutie, die in het stadium van de mensheid zich
vooral op het vlak van de echte vrijheid en het geweten zou moeten
ontwikkelen… Reporters als valse profeten, met de jonge mensen en de vrouw als
grote slachtoffers… Paulus
zegt het ons vandaag in zijn brief aan de christenen van Rome: “zij die leven
volgens het vlees, kunnen God niet behagen”. Het
zijn spookrijders, ze rijden in tegen het verkeer, tegen de positieve
ontwikkeling van mens en samenleving. Ik begrijp dat een ongelovige
hiermee lacht. Die persoon kàn dat niet begrijpen, die persoon is niet in staat
om aan te voelen dat het echt mogelijk is stappen vooruit te zetten op de weg
van de geestelijke evolutie, die de roeping is van de mensheid. Paulus spreekt
over de Geest van God die in ons woont en die ons doet leven volgens Gods
verlangen. Vanuit ons beperkte en gekwetste menselijk bestaan (de kerk sprak dan
over de erfschuld) zijn wij eerder gericht naar egoïsme, naar gemakzucht,
genotzucht, hebzucht en al die andere leuke dingen… die ons als mens en
mens-met-anderen neerhalen en schade toebrengen aan onszelf en anderen. Hoe
Jezus’ Geest bij machte is ook uw leven te vernieuwen, zodat ge weer tot
“echt” leven komt? Je moet eraan beginnen om het te ervaren! Dat is zeker
een aspect van het evangelieverhaal over de opwekking van Lazarus. Er is geen
hoop meer, het laatste woord is gezegd, ik ben tot niets meer in staat, ik kan
niet opstaan uit zonde en verslaving, uit ruzie en egoïsme, uit ongeloof en
cynisme… Jezus zegt: Ik ben de verrijzenis en het leven. Wie in Mij gelooft,
zal leven…” En dan zegt Hij: “Lazarus, kom naar buiten, kom uit je
graf”. Als
wij wensen tot nieuw leven te komen, dan moeten wij door de knieën gaan voor
Jezus. Ons geloof (of ons verlangen om te kunnen geloven) uitdrukken en ons
openstellen voor wat Hij aan ons gaat doen. Dit is niet iets van één moment.
Wij moeten telkens en telkens weer zeggen: "Heer Jezus, ik geloof in U,
ontferm U over Mij, kom mij te hulp. Schenk mij nieuw leven”. Riskeer het om
met Jezus op weg te gaan als met een levende, de verrezen Heer, en ge zult zijn
levenskracht ook in uw leven en samenleven ervaren. Dàt is de uitdaging van het
geloof. God staat daar met zijn aanbod van nieuw leven, maar gij moet in
vrijheid de stap zetten naar Hem toe. Ga die uitdaging aan, met grote ijver, het
loont de moeite. (Ben Van Vossel) JAAR
A ZONDAG 4 VASTEN (2/03/2008)
In Wales, in de regio Bridgend hebben de voorbije maanden een heel deel jonge mensen van 16 tot vooraan in de 20 zich gezelfmoord. Een paar dagen geleden gaven ze op teevee interviews met enige ouders van zulke jonge zelfdoders. Een bepaalde moeder liet twee foto’s zien van haar zoon van 20. Kijk eens zegt ze, aan zijn ogen kan je zien wat een levenlustige jongen hij was, en kijk hier eens naar zijn ogen: zijn blik is uitgeblust, het is alsof hij innerlijk reeds dood was. En kort daarop heeft hij zich op zijn kamer van het leven beroofd. De ogen van een mens. Een geoefende oogarts kan erin lezen welke ziekten je hebt, zelfs dat een dreigend hartinfarct zich aankondigt, zelfs psychologische kwalen... Jezus zag in het voorbijgaan een man die blind was van zijn geboorte af… Wat hier verder gaat volgen mogen we niet enkel zien als een lichamelijk gebeuren, de genezing van een blinde, maar moeten we ook lezen als de blindheid van het ongeloof, en tot licht komen door het geloof. Wij – en dat is onze eigen fout, want eigenlijk zijn wij toch reeds gelovige mensen – wij zitten vaak als blinden te bedelen om wat klatergoud, om wat ersatz waardoor de leegte van ons hart en ons bestaan niet echt vervuld wordt. Wij zijn gelovigen, maar we leven niet echt van dat geloof. Wij komen een aantal uiterlijke zaken na, zoals de zondagsmis en dergelijke… maar het geloof is niet echt tot de ruggengraat van ons leven geworden. Zonde is dat. Spijtig voor onszelf en anderen. Daarom is dit evangelie ook voor ons geschreven. Misschien wel op de eerste plaats voor ons. Want de Farizeeën vonden dat zij wel ziende waren… maar tot geloof in Jezus kwamen ze niet. Het Licht van de wereld erkenden ze niet. Laten wij dus maar erkennen dat wij vaak nog in het duister leven. En laten wij maar bidden zoals een andere blinde in het evangelie: Heer, maak dat ik zien kan! (Mk.10,51) Vaak zien we niet meer wat de echte waarden zijn in het leven. We leven van de ene dag in de andere en het echt waardevolle gaat vaak aan ons voorbij. Wij lopen zaken na, wij vullen ons leven, onze aandacht en onze verlangens met zaken die soms bedenkelijk zijn en soms gewoon oppervlakkig. Ons leven wordt zo ook voor een heel deel oppervlakkig. Het verloopt zelfs voor een deel buiten de werkelijkheid, de echte werkelijkheid waar het geloof ons op wijst. Ook voor ons komt het er dus op aan te roepen op Jezus, de levende Heer: “Heer, maak dat ik zien kan!” (Mk.10,51) Jezus kan ons inderdaad andere ogen geven, een nieuw zicht op het leven, op de werkelijkheid; Hij leert ons zien wat echt waarde heeft en wat bijkomstig is, overbodig of zelfs schadelijk… Als Jezus ons zo doorheen zijn woord, doorheen de Kerk en door de werking van de heilige Geest de ogen geopend heeft… dan staat er ons nog wel iets te doen. Dan moeten wij ons verder richten naar Jezus, Hem aannemen als onze echte Gids. De reactie van de blinde, nadat Hij genezen is en tot geloof in Jezus is gekomen is de volgende: “Toen zei hij: ‘Ik geloof Heer’ (dat betekent: ik wil op U mijn leven bouwen). En hij wierp zich voor Hem neer.” Dit houdt in dat we ook verder Jezus willen volgen, zijn leiding. Dat wij ons willen richten naar wat Hij belangrijk vindt, naar wat Hij nodig vindt en dat wij ook luisteren wanneer Hij sommige zaken schadelijk vindt voor ons echte geluk en het geluk van de mensen om ons heen. We hebben wel wat schrik om ons zo helemaal te richten naar Jezus. Wat gaat Hij ons allemaal afnemen? Wat ga ik opzij moeten laten? We mogen ons door zulke bedenkingen niet laten misleiden. Jezus heeft ons ware geluk op het oog. Laten we daarom vandaag nog zeggen aan Jezus: Ik geloof Heer, laten wij ons voor Hem neerwerpen en Hem volgen daar waar Hij ons wil leiden. Heb geen angst: De Heer is onze Herder, Hij leidt ons naar de heldere bron van het leven. (ben van vossel) JAAR
A ZONDAG 3 VASTEN (24/02/2008) De lezingen van vandaag tonen ons Mozes die water doet stromen uit een rots, als teken dat God hen niet aan hun lot overlaat. In de Romeinenbrief wil Paulus onze ogen openen voor Gods grenzeloze liefde, die Hij toonde toen wij nog zondaars waren, want toen is Christus voor ons gestorven. En in het evangelie zit Jezus te wachten om een zondige Samaritaanse vrouw te leiden naar de bron van het heil, dat Hijzelf is. God laat niemand aan zijn lot over. God wil ieder mens binnenhalen in zijn liefde, in zijn heil. Staan wij daar voor open? De Veertigdagentijd glijdt door onze vingers door. Heeft God al de kans gekregen om wat meer vat te krijgen op ons hart? “… dit is een tijd van
meer toeleg op het bidden, Is er nieuwe
toeleg op het gebed gegroeid, de bron tot de persoonlijke relatie met de Heer? Het lijkt wel een gewetensonderzoek, maar wat zijn we met mooie principes als die in feite niets aan ons leven veranderen of aan onze relatie met God. Natuurlijk, godsdienst, het christelijk geloof is niet op de eerste plaats gefocust op onszelf, maar op God, op wat Hij is, op zijn plan van liefde en hoe Hij dat voltrekt. Maar aangezien godsdienst ook een dialoog is tussen God en ons, is er toch ook wel iets te doen. Geloven op de eerste plaats, geloven in zijn liefde die we overwegen in de veertigdagentijd en vooral in de lijdenstijd en in het grote mysterie van Jezus’ verrijzenis en de zending van de H. Geest. Maar er worden dan toch ook stappen verwacht van ons om ons onder de invloed te stellen. Bij de Samaritaanse vrouw weet je niet goed of ze nu echt Jezus erkent en aanvaard als de Redder die haar leven nieuw maakt. Ze ziet in Hem wel een profeet, en ze haalt wel de halve stad naar Hem toe… Op een gegeven moment laat Jezus zich kennen als de Messias… Maar dan komen juist zijn leerlingen erbij en de vrouw loopt dan naar de stad om haar medeburgers te halen… Hoe zit het met ons. Zijn wij al tot het besef gekomen dat Jezus inderdaad de enige is die ons op weg zet naar de echte waarheid, naar het echte heil, naar het echte leven? Erkennen en aanvaarden wij Hem als de door God gezonden Redder… En als wij Hem zo erkennen en aanvaarden, welke invloed heeft dat in ons leven? Gaan we dan meer op weg met Hem? Wordt Hij dan tot de vaste gezel in ons leven? Laten wij Hem dan ons leven leiden? En hoe doen we dat? Op het einde van dit evangelie horen we hoe in de stad Sichar veel Samaritanen in Jezus geloofden om het woord van de vrouw. Het gevolg was dat ze Jezus verzochten bij hen te blijven Hij blijft er nog twee dagen en door zijn woord kwamen er nog veel meer tot het geloof… Het is toch wel echt treffend dat die mensen Jezus verzochten bij hen te blijven. Ze maakten tijd voor Hem, boden Hem gastvrijheid aan, ze maakte plaats voor Hem in hun leven… Zodat ze achteraf aan de vrouw konden zeggen: “Niet langer geloven wij om wat gij gezegd hebt, want wij hebben Hem zelf gehoord en wij weten, dat Deze werkelijk de redder van de wereld is”. We moeten Jezus ons leven binnenlaten, met Hem omgaan, om Hen beter te leren kennen en tot het persoonlijke en vaste geloofsinzicht te komen dat Hij inderdaad de Heiland is, de Gezondene, de Redder. (Ben Van Vossel) JAAR
A ZONDAG 2 VASTEN (17/02/2008) In
de lezing uit het boek Genesis zien wij hoe Abraham zijn land en zijn volk
verlaat om naar een land te trekken dat God hem zal aanwijzen. Ik zal U zegenen
en gij zult tot zegen zijn voor alle geslachten op aarde… In
de 2de brief aan Timoteüs krijgen we vandaag de boodschap:
“Christus Jezus heeft de dood vernietigd en deed onvergankelijk leven
aanlichten door het Blijde Nieuws van het evangelie”. Dat
het echte heil langs Jezus tot ons komt verhaalt ons het evangelie. Maar het
evangelie verhaalt ons ook ten koste van welke prijs, Jezus Redder en verlosser
geworden is. Zijn leerlingen mogen Hem zien in zijn heerlijkheid. Mozes en Elia,
de wetgever en de grote profeet spreken met Hem. Petrus zou het voor altijd zo
willen houden, en ze horen en begrijpen dat Jezus Gods volle welbehagen heeft:
“Dit is mijn Zoon, de veelgeliefde, luistert naar Hem”. Wordt het geen tijd
dat we eens echt naar Jezus gaan luisteren? Naar zijn woord dat we hier elke
zondag mogen beluisteren? Wat doen we ermee? Jezus, de Zoon van God, de
heerlijke Messias… Maar
Jezus zegt hen in het afdalen van de berg, dat de volle heerlijkheid pas voor
later is. Hij had hun reeds voorspeld dat Hij zou verworpen worden en veel zou
moeten lijden en zelfs ter dood zou gebracht worden. Die verheerlijking had hen
moeten helpen om hun geloof niet te
verliezen… maar de schok van zijn gevangenneming en zijn lijden zou hun geloof
toch aan het wankelen brengen… Jezus
zal het hun later wel verwijten: Wist ge dan niet dat de Messias dat alles moest
lijden om zo zijn glorie binnen te gaan? Hoe
staat het met ons geloof? Zijn wij echt op weg met God? Laten wij Jezus aan het
woord in ons dagelijks leven? Het woord van Jezus om ons leven te leiden? Och,
er is zoveel te doen, het is zo druk dat zelfs politiekers over hun toeren
geraken, en er is het werk, het huishouden. Kardinaal Danneels had nochtans zijn
kerstbrief geschreven over de stress. Daarbij
komt nog dat we vaak de indruk hebben dat het leven en de media zoveel te bieden
hebben waar wij echt in opgaan, waarmee wij ons hart en onze tijd kunnen vullen.
Jezus woord schuiven we op de achtergrond, de rest is zoveel boeiender…
En anderzijds, als het ons slecht gaat of het gaat slecht in de wereld, dan
wankelt ons geloof en wij zeggen: waar is God nu? Ziet Hij dat niet? Waarom komt
Hij niet tussen?... De
apostelen hadden mirakelen gezien en nu deze verheerlijking van Jezus… en toch
waren ze niet voorbereid. Dit staat hier geschreven voor ons. Wij hebben God al
mogen ervaren in ons leven, als kind, als jonge mens, als volwassene… Maar ons
geheugen is zo kort, wij zijn zo’n verwende kinderen, dat we voortdurend
willen verwend worden… Maar ieder gelovige moet ook door het duister en moet
ook getuigen, zelfs als het soms minder gewaardeerd wordt. We lezen in de brief
aan Timoteüs: “dierbare, draag uw deel in het lijden voor het evangelie, door
de kracht van God want in zijn kracht en goedheid heeft Hij u gered en geroepen
door Jezus Christus”. Laten
wij ons vasthouden aan die momenten, aan die voorvallen waarin we Gods goedheid
en kracht hebben mogen ervaren. Die genaden moten ons helpen om niet af te
vallen wanneer het moeilijk is, en moeten ons ook kracht geven om ons niet
teveel te laten verleiden voor wat al te oppervlakkig en in feite waardeloos is.
Laten we wakkere christenen zijn en onze kracht zoeken bij God door ons
gebedsleven goed te verzorgen, dat persoonlijk contact met de levende God en
Jezus, onze Heiland. (Ben Van Vossel) JAAR
A ZONDAG 1 VASTEN (10/02/2008) De evangelielezing van vandaag, de eerste zondag van de Veertigdagentijd voor Pasen gaat over de bekoringen van Jezus. Jezus wordt ook voor de grote keuzen gesteld, de grote keuzen die zich ook voor ons stellen: wat stel ik boven alles in mijn leven? Eten, genot. Aanzien, succes bij de mensen ten koste van alles? Ga ik zelfs God achteruit stellen ten voordele van anderen, van andere zaken, van mezelf? Als je dit alles concreet gaat bekijken wat het kan betekenen in ons eigen persoonlijk leven, dan treft het ons hoezeer ook wij te maken krijgen met dat soort bekoringen, en dan is het goed naar Jezus op te kijken en te bidden om genade, om bijstand, om wijsheid en kracht om de goede keuze te maken. Eigenlijk begint dit evangelie met een wonder woord: Jezus wordt door de Geest naar de woestijn gevoerd om door de duivel op de proef gesteld te worden. Jezus laat zich leiden door God. Hij heeft geen angst, zelfs niet daar in de woestijn. Integendeel, bij het begin van zijn zending wil Hij zich harden, Hij wil zich voorbereiden, zich gereed maken voor de grote opgave: te leven als Zoon van God midden een door het kwaad gekwetste mensenwereld. Juist omdat ieder mens te maken krijgt met dat soort verzoekingen, hoort het thuis in de wil van God dat Jezus ook geconfronteerd wordt met die bekoringen. Om de mens te redden moet Hij vanuit de situatie van de mens de mensheid vrijmaken, ze ophelpen uit haar opstand tegen God. Als Zoon van God gaat Jezus de strijd aan, die Hem het leven zal kosten maar waardoor Hij de mens ook vrij gaat maken; wie op Hem beroep doet wordt meegetrokken in de overwinning, meegetrokken naar de vrijheid toe, meegetrokken om ook zoon of dochter van God te zijn, overwinnaar met Christus over zonde en dood. Welke zijn die bekoringen waaraan Jezus wordt blootgesteld en waar ook wij mee te maken krijgen, vroeg of laat? De eerste verzoeking die Mattheüs vermeldt is het inzetten van Jezus wondermacht voor eigen voordeel. “Als Gij de Zoon van God zijt, beveel dan dat deze stenen hier in brood veranderen”. Dat is toch simpel: waarom naar de bakker lopen als je de wondermacht die God u gegeven heeft kunt aanwenden om u van brood te voorzien? Simpel toch? In zijn antwoord relativeert Jezus het hongergevoel, er zijn zaken die belangrijker zijn in het leven, met name wat God wil. Dàt moet op de eerste plaats komen, Hij moet zich niet laten leiden door zaken van tweede of derde rij. Eigenlijk liggen die andere bekoringen ook op dat vlak. En laten we dan maar direct naar onszelf de vraag stellen: Waar gaat uw aandacht naar uit? Ook wij, christenen zijn zo door onze heidense samenleving en speciaal door de media zo bewerkt en beïnvloed dat we zelf als heidenen zijn gaan leven. Paulus sprak zijn christenen nog aan met het woord: “Heiligen”, dat wil zeggen: mensen die wat anders leven dan de anderen, dan die heidense samenleving waarin zij leefden. Als christenen moeten wij anders leven, anders ingesteld zijn. Onze eerste bekommernis moet niet zijn: hoe kan ik in leven blijven, hoe kan ik voor mijn huisgezin zorgen, hoe kan ik promotie maken of minstens mijn job behouden, hoe kan ik aan een job geraken… Onze eerste bekommernis moet zijn: Hoe kan ik in het verlangen van de Heer zijn vandaag? Wat wil God van mij vandaag? Hoe ziet zijn liefdeplan eruit met betrekking tot mijzelf, mijn gezin, mijn klasgroep, mijn werk en mijn plaats in dat werkmidden? Wat zou God graag hebben? Dàt moet onze eerste bekommernis zijn en onze eerste streving moet zijn om dat plan goed in te vullen voor zover wij het kennen en voor zover het van ons afhangt. WANT dààr ligt het echte geluk, dat is de poort naar het echte heil. Wees maar gerust: als we een wat door het evangelie en de kerk gevormd geweten hebben, dan zullen we bij het ingaan op Gods verlangen het echte geluk van de mens, van onszelf en onze huisgenoten en omgeving niet tekort doen. We zullen integendeel juist heil brengen, vreugde en vrede in de harten. Natuurlijk, zoals in het leven van Jezus zal niet iedereen akkoord gaan met de manier waarop Hij het aanpakt. Men verdraagt niet altijd dat je wat anders leeft, dat je niet aanbidt wat vele anderen aanbidden, dat je niet doet wat anderen zich permitteren, dat je ook aandacht hebt voor het geestelijke, voor wat God zegt. We moeten voor onszelf radicaal zijn, serieuze keuzen maken, zelfs al weten we dat we zwak zijn, vaak struikelen en vallen. Gisteren stelde de kerk ons in het morgengebed een litaniegebed voor met als telkens weerkerende vraag: “Heer, sta ons bij met uw genade”. Heer, sta ons bij met uw genade, dan zullen wij moedig deze heilige veertigdagentijd aanvatten, met uw genade, naar Pasen toe, het Feest van uw overwinning, het feest van onze bevrijding. (Ben Van Vossel) ZONDAG
4 DOOR HET JAAR A (3/02/2008) Het Woord van God, in de lezingen van vandaag, strijkt ons wat tegen onze haren in. Het zegt zaken die we niet graag horen, althans niet als het ons goed gaat, als het ons voor de wind gaat. We hebben gisteren nog het feest van Lichtmis gevierd, de "opdracht van Jezus in de tempel". Een gebeuren dat wat naar voor gehaald wordt omdat het een symbool is van Jezus’ leven dat helemaal aan God was toegewijd; maar het was een heel gewoon, zelfs vrij arm echtpaar dat hun klein, kwetsbaar Kind aan God kwam toewijden, zoals de wet van Mozes het voorschreef. Een klein kind, broos, zwak, onderworpen aan de wet van Mozes… Het Woord van God van vandaag spreekt ook over de ootmoedigen, het tegendeel van hoogmoedigen, het spreekt over een bescheiden volk dat zijn toevlucht zoekt bij God. Paulus laat er in zijn Korinthiërsbrief ook geen twijfel rond bestaan dat zijn christenen over het algemeen niet machtig waren, niet van hoge afkomst, maar zegt hij: “wat voor de wereld van geringe afkomst is en onbeduidend, heeft God uitverkoren"… Wij kunnen alleen maar groot gaan… op de Heer, alleen op Hem kunnen wij ons beroemen. En het eerste woord van de zaligsprekingen, de troonrede van Jezus klinkt als volgt: “Zalig de armen van geest”… dat betekent wel niet zalig de onnozelen, zalig de achterlijken… maar toch gaat het in tegen de wereld die de invloedrijken gelukkig acht, de rijken, de bekende Vlamingen, de sterren, de VIP’s, de belangrijke personen… Gods Woord lacht met die stelling alsof dàt de gelukkigen zouden zijn, de mensen met toekomst, de mensen die echt iets betekenen voor (het heil van) de wereld. Gods Woord zegt: Zalig die op God vertrouwen, zalig de zachtmoedigen, zalig die verlangen volgens Gods verlangen te leven, zalig die lijden omdat de wereld nog zo ver van Gods verlangen leeft, zalig die barmhartig zijn, zalig die een rechte weg gaan en niet marchanderen met God of de mensen, zalig die vrede brengen, ja, zalig wanneer men u het leven lastig maakt omdat je Gods verlangen tracht te doen en Jezus wilt volgen… Misschien vrienden, misschien vinden we dat sympathiek van Jezus om zo'n dingen te zeggen, sympathiek, maar wel gedurfd in de wereld van vandaag… En dan nog: hoe gaan we dat beleven? Hebben we al eens getracht om volgens die zaligsprekingen te leven? Gaat dat niet ten koste van ons inkomen, onze bankrekening? Ten koste van de achting die je vanwege collega’s ondervindt wanneer je je aanpast aan de geldende normen? Want, God op de eerste plaats stellen en trachten te leven als Jezus… dat heeft zijn gevolgen voor je leven van alledag. Het betekent natuurlijk niet dat je achterste voren op je fiets gaat zitten of je kop koffie onderste boven gaat houden, je blijft een gewoon mens, maar je bezieling en ook wel wat stellingsnames veranderen. De liefde, de vreugde, de hoop, je positieve gerichtheid naar mensen moeten dan het tegengewicht vormen voor wat er in je leven en je gedrag wat ‘anders’ zou zijn. Voor iemand die dan echt mens is, die zal uw leven als een getuigenis zien van iets waardevols, iets diepers, dat hij aanvoelt, en als het authentiek is, het misschien ook wil leren kennen… De zaligsprekingen worden dan vruchtbaar … in alle bescheidenheid. (Ben Van Vossel) ZONDAG
3 DOOR HET JAAR A (27/01/2008) Jes.
8, 23b-9,3 / Ps 27, 1, 4, 13-14 De Heer is mijn licht en mijn leidsman / 1 Kor.
1, 10-13. 17 Laat geen verdeeldheid zijn onder u / Mt. 4,12-23 Bekeert u, volg
Mij De mensen in Jezus’ tijd, daar in Palestina, leefden in de verwachting van iets nieuws. De waren dan door de ene dan door de andere natie onderdrukt, door eigen koningen uitgebuit, de samenleving bood ook heel wat lelijks te zien, uitbuiting van weduwen en wezen, hardheid in de handel, de sterksten en rijken die de armen verdrukten; de mensen ervaarden zelfs in zichzelf heel wat negatiefs: hoogmoed, jaloersheid, egoïsme. De mensen zagen uit naar een vernieuwing van de samenleving en van het menselijk hart. Ze voelden zich als het ware in het duister, zonder veel uitzicht, alleen een groot verlangen naar vernieuwing, genezing, bevrijding… Maar ondertussen moest je natuurlijk leven, en werken voor je dagelijkse boterham en voor je gezin… Midden die donkerte in de samenleving en in hun hart, midden de drukte van het werk, breekt plots licht door en klinkt een stem: Bekeert u, want het Rijk der hemelen is nabij. En sommigen horen hoe die stem tot hen zegt: Komt, volg Mij; Ik zal u vissers van mensen maken. Dat waren Petrus en zijn broer Andreas. En even verder ziet Jezus ook nog twee andere broers; Jacobus en Johannes. Hij riep ook hen en zij volgden Hem. Wij kunnen nu wel denken: ja, dat waren de eerste apostelen, mensen die na Jezus de kerk zouden moeten leiden. Maar zo maken wij ons te vlug af van dit evangelie. Jezus verkondiging luidt: Bekeert U, want het Rijk der hemelen is nabij. “Bekeren”, dat weten we wel, betekent: omkeren, veranderen van ingesteldheid. Voor ieder van ons betekent dit dat we alles opnieuw op de juiste plaats zetten. En dat betekent dat we het Rijk van God op de eerste plaats zetten. Hij is onze oorsprong en naar Hem leven we toe. Het betekent dat we ons leven gaan inrichten volgens het verlangen van God. Je kunt soms denken: ja maar, dat is wel gevaarlijk, want wat wil God? De ene zegt dit, de andere zegt dat, er zijn zelfs mensen die in naam van God andere mensen doden, zichzelf laten ontploffen en andere onschuldige mensen mee de dood insleuren, omdat God dat zogenaamd zou willen… Maar zo heeft Jezus ons God niet leren kennen. God is liefde. En wie God op de eerste plaats stelt, zal zijn leven, zijn spreken en denken en handelen ook moeten doordesemen met liefde. Zo gaan we leven in het Rijk van God, zo laten we God koning zijn in ons leven. Zo komt er licht in ons leven en kunnen wij, op onze kleine plaats, ook een beetje licht brengen in de wereld. En Jezus zegt ook tot ieder van ons: Kom, volg Mij. Moeten wij dan ook ons werk en ons gezin in de steek laten. Dat zal zeker niet voor ieder van ons de betekenis zijn van dit woord. Maar als we Gods verlangen willen doen, dan zullen we nauw bij Jezus moeten aansluiten, dan moeten we Hem bij ons leven betrekken, met Hem een persoonlijke relatie aangaan, met Hem spreken, om zijn hulp vragen, zijn gedacht over alles, over onze plannen, onze manier van leven… Ja, we moeten Hem echt bij ons leven betrekken, volg Mij. Blijf in contact met Mij. Spreek met Mij. Voed u met mijn woorden, voed u met het Brood dat Ik voor u bestemd heb. Wees Mij ook nabij in de nood van je medemensen, want wat je aan de geringste van mijn broeders hebt gedaan, dat heb je voor Mij gedaan. Vrienden. Bekeert u, zegt Jezus, en volg Mij. Om de nieuwe weg te gaan waartoe Hij ons roept zullen we inderdaad vaak met Hem in contact moeten treden, door gebed, door heel even aan Hem te denken, met Hem te spreken, door Hem te ontmoeten in de heilige Eucharistie, door de dienst aan medemensen, door zijn woorden in de heilige Schrift… Kom, volg Mij. Laten we Jezus’ woord in praktijk brengen, Hem de vreugde gunnen om ons naar het licht, naar het echte geluk te brengen. (Ben Van Vossel) ZONDAG
2 DOOR HET JAAR A (20/01/2008) Jesaja
49,3.5-6 De Dienaar Gods / 1
Kor.1,1-3 tot heilig leven bestemd / Jesaja
had vastgesteld dat de Perzische heerser Kuros het volk naar hun land had laten
terugkeren. Dat is de Gezondene van God, dacht hij. Maar spoedig ziet hij in dat
hij zich vergist, want Kuros herstelde de afgodendienst. Zo begrijpt Jesaja dat
hijzelf door God gezonden wordt om het volk terug te voeren naar de dienst van
de ene ware God en dat hij zelfs voor heidenen een licht wordt. Zo
ziet Johannes de Doper ook Jezus: Het Lam Gods dat de zonde van de wereld
wegneemt. Jezus ontvangt de kracht
van de heilige Geest om het volk te leiden, Hij is de echte dienaar van God, de
Zoon van God. Ook
vandaag mogen wij ons nog door de woorden van Johannes laten leiden: ga naar
Jezus, in Hem worden al je zonden vergeven en Hij leidt je naar het echte leven.
Hij geeft je de heilige Geest om die weg naar het ware geluk ook te kunnen gaan. Het
is treffend dat Paulus de Korintiërs die midden een heidense en wulpse
samenleving als christenen moesten leven zegt dat ze bestemd zijn tot een heilig
leven, samen met allen die allerwegen de naam aanroepen van Jezus Christus, hun
Heer. Ook
wij leven in een heidense wereld, en langs alle kanten worden wij op straat en
in de media overspoeld met dwaze en genotzieke en vaak mensonwaardige
voorbeelden. Maar evenzeer als de Korintiërs die in soortgelijke en nog
moeilijker omstandigheden moesten leven, zijn ook wij bestemd tot een heilig
leven. Tot een leven dat afwijkt van de rest van onze omgeving maar dat gericht
is op God. Een leven dat geïnspireerd is door Jezus, die ons heeft verlost van
de zonde en ons helpt op de weg naar het leven. En daarom deelt Hij ons de
heilige Geest mee, om die nieuwe weg te kunnen gaan. Laten
we dus even helder nadenken: als we ons, zonder enige verdediging laten beïnvloeden
door de tijdsgeest, door het gepraat van de gewonen mens en van mediafiguren,
van kranten en tijdschriften en allerlei programma’s op radio en teevee… dan
gaat die vaak heidense en vaak anti-christelijke geest ons inderdaad beïnvloeden.
We gaan ons niet meer zo zeker voelen in ons christenzijn, en normaal gaat ons
christelijk leven daar ook negatieve invloed van ondervinden. We gaan wat
meedoen met die oppervlakkigheid en heidense ideeën en zelfs gedragingen tot de
onze maken. We verwijderen ons van Christus en zijn levensweg. We
gaan ons dus moeten wapenen tegen die kwade beïnvloeding. Onze voornaamste
verdediging is hierin gelegen, dat wij onze persoonlijke relatie met Christus
verstevigen. Maak uzelf niets wijs. Om te groeien in de relatie tot Christus
moet je tijd vrijmaken om met Hem in contact te komen. We zouden van ’s
morgens vroeg ons al op Hem moeten richten: een soort van morgengebed, van korte
samenspraak met Hem; dat kan een formulegebed of een heel persoonlijk gebed
zijn. Maar dat contact is er nodig, anders verflauwt onze relatie met Hem en
worden we meer beïnvloedbaar door de geest van de heidense omgeving. Die
relatie met Christus wordt best in de loop van de dag nog opgefrist door even
met Hem te praten over wat je beleefd hebt of over het werk dat je aan het doen
bent, of de situatie waarin je je bevindt. En je mag Hem ook spreken over je
gezin, over mensen die je nauw aan het hart liggen en met wie het niet zo goed
gaat. Dat weet Hij allemaal al? Inderdaad, maar Hij wil het wel graag eens van
jou vernemen. Zo zijn vrienden. Zo is de Heer. Jouw Heer. Geheiligd door Jezus Christus ben je tot een heilig leven bestemd. Maar je staat niet alleen in die roeping, want allerwegen zijn er die de naam aanroepen van Jezus Christus, hun Heer en de onze. Wees dus niet bang. De Heer is met Jou. En samen met velen over de hele wereld willen wij elkaar helpen om een heilig leven te leiden en vastberaden de weg te gaan die naar het echte leven leidt. (Ben Van Vossel) DOOP
VAN O.H. JEZUS CHRISTUS Jes. 42,1-4.6-7 / Ps. 29 / Hand. 10,34-38 / Mc 9,8 / Mt. 3,13-17 Dit is mijn Zoon, mijn veelgeliefde, in wie Ik welbehagen heb. In Jezus’ leven werd het woord bevestigd dat hier door Matteüs zo scherp uitgedrukt staat: “Dit is mijn Zoon, mijn veelgeliefde, in wie Ik welbehagen heb”. Jezus zal later ook zeggen: “Ik en de Vader, wij zijn één”. Eén band van liefde, van eenheid, van hetzelfde willen, hetzelfde plan hebben… In het menselijk leven van Jezus zien we dan ook hoe die eenheid zich uitdrukt: Zoals hier in het antwoord van Jezus aan Johannes die Hem wil beletten van zich te laten dopen: “Laat het nu zijn; want zo past het ons al wat is vastgesteld te volbrengen”. Alle grote vrienden van God zijn mensen geweest die nauwgezet luisterden en trachten aan de weet te komen wat God verlangden, en die even nauwgezet dat verlangen van God in praktijk te brengen. Gods wil, Gods verlangen, dat wat geschreven staat, dat wat is vastgesteld… dàt volbrengen! In feite geeft Jezus hier bij het begin van zijn publiek optreden een korte proclamatie van wat zijn leven zal zijn: In alles het verlangen doen van de Vader en zijn werk te volbrengen. Een ander verlangen heeft Hij niet. En het verlangen van God was blijkbaar dat Hij hier in alle nederigheid in de rij ging staan van mensen die wilden gereinigd worden van al wat hen van God verwijderd had, of waar ze bekenden dat zij en hun voorvaderen zondige mensen waren en zich voornamen een weg van bekering, van ommekeer te gaan. Van de kant van de Vader wordt tenvolle erkend wat Jezus is, wie Hij is: “Dit is mijn Zoon, mijn veelgeliefde, in wie Ik welbehagen heb”. Op een of andere manier moet Jezus deze bevestiging vernomen hebben vanwege God. Dat zijn beslissing om in alles Gods verlangen te doen, dat Hem dat in de liefde van de Vader bevestigde, een teken was van het samenvallen van zijn verlangen met Gods verlangen. Het was het ineenvloeien van zijn hart en alles wat daarin leefde met het hart van God en alles wat daarin leefde. “Dit is mijn Zoon, mijn veelgeliefde, in wie Ik welbehagen heb”. Gods verlangen, Gods wil die alleen maar ons heil op het oog heeft en het heil van al wat Hij heeft doen ontstaan, Gods verlangen helpen gebeuren dat is het verlangen van de grote heiligen, ook van mensen uit onze eigen omgeving die tot het inzicht waren gekomen. Zo zei Priester Poppe ooit eens: “Heiligheid is doen wat God wil op elk ogenblik”. Hij had begrepen dat wat God wil altijd het beste is voor ons, altijd ons heil op het oog heeft: wanneer wij op elk ogenblik die wil van God doen, bewerken wij ons echt heil, onze heiligheid, staan we helemaal aan de kant van God. Het is een inzicht dat men eens moet krijgen en dat men dan met inzet van alle kracht die men krijgt wil verwezenlijken. Dan mogen wij ook Gods stem horen: “Dit is mijn Zoon, die is mijn dochter, mijn veelgeliefde, in wie Ik welbehagen heb”. Het is de stem, de waardering van God die we in het boek Genesis kunnen lezen: En God zag dat het goed was. (ben van vossel)
|