PREKEN UIT 2007

(preken uit 2010 - preken uit 2009 - preken uit 2008 - preken uit 2006 - preken uit 2005)

ACTIVITEITENGRIEKSE KERK BAGDAD - BEZINNINGEN - BIJBEL - BOEKEN - CHRISTEN in de WERELD - CHRISTELIJKE VORMING - DIAPRESENTATIES - EVANGELIE-LEZING - GEBED GEBEDSGROEP - GETUIGENISSEN - GEZIN INHOUD - JEZUS (Isa al Masih) - JONGEREN - KERK en GELOOF - Figuren uit de KERKGESCHIEDENIS - KINDEREN - KUNST - LITURGIE - MEDIA -- MARIA - MARIA-KEFAS - MORAAL - NADENKERTJES - NIEUW - NUMMERS - PARAY L.M. - PINKSTERSPIRITUALITEIT - PREKEN - ROEPING - SOCIALE INZET - SPIRITUALITEIT THUISPAGINA UITZICHT - VERHALEN -  WETENSCHAP - ZENDING

- Jaar A 1ste zondag na Kerstmis: Feest vd H. Familie 
- Jaar A  Advent 4 (23/12/2007) Het Teken van Maria, Maagd en Moeder 
- Jaar A Advent 3 (16/12/2007) Vertrouwen maakt ziende 
- Jaar A Advent 2 (9 dec. 2007) Schep ruimte voor God die Liefde is! 
- Jaar A Advent 1 (2 dec. 2007) Jezus' komst voorbereiden 

- Jaar C Zondag 33 (18 nov. 2007)   In de eindtijd leven als nieuwe mens 
- Jaar C Zondag 32  Een God van levenden 
- Allerheiligen 2007  Aan God en het Lam behoort de overwinning 
- Jaar C Zondag 30 (28/10/2007) Bidden als een bedelaar, dankbaar als een kind 
- Jaar C Zondag 29 (21/10/2007) Bidden vanuit een gelovige relatie met God (Missiezondag)
- Jaar C Zondag 28 (14/10/2007) Dankbaarheid: het geheugen van het hart 
- Jaar C Zondag 27 (7/10/2007) Leef in dankbaarheid en vertrouwen 
- Jaar C Zondag 25  Opkomen voor armen en zwakken 
- Jaar C Zondag 24 (16/09/2007) Goede herder zoals God 
- Jaar C Zondag 24(2) Jezus, Herder en Bruidegom (Gezinsdag Maria-Kefas)

- Jaar C  Zondag 22 (2/09/2007) Blijf bescheiden 
- Jaar C Zondag 21 (26/08/2007) Gaan leven in de werkelijkheid 
- Jaar C zondag 20 (19/08/2007)  Ondanks het kruis: geloven en getuigen 
- Jaar C zondag 19 (12/08/2007) Een onuitputtelijke schat in de hemel 
- Jaar C zondag 18 (5/08/2007) Christenen maken tijd voor God 
- Jaar C zondag 17 (29/07/2007) God, de barmhartige Vader 
- Jaar C zondag 16 (22/07/2007) Martha en Maria 
- Jaar C zondag 15  Wie is mijn naaste? 
- Jaar C zondag 14 Ook jij bent gezonden om te getuigen 
- Jaar C zondag 13 Maak de goede keuze
- Geboortefeest van Johannes de Doper (24/06/2007) Bekeert u. Keert u tot de Heer 
- Jaar C Zondag 11 Ik heb tegen de Heer gezondigd (17/06/2007) 
- Jaar C Zondag 10 Leven vanuit vertrouwen (10/06/2007 Zalige Priester Poppe)
- Feest van de H. Drievuldigheid (3/06/2007) Opgenomen in Gods gezin 
- PINKSTEREN (27/05/2007) Nieuw leven door de Geest! 
- Jaar C 6de Paaszondag (13/05/2007) De H.Geest zal u alles leren 
- Jaar C 5de Paaszondag (6/05/2007) ... Zoals Ik u heb liefgehad 
- Jaar C 4de Paaszondag (29/04/2007) Luister naar Jezus. Hij geeft eeuwig leven! 
- Jaar C 3de Paaszondag (22/04/2007) Bemint gij Mij ? Weid mijn schapen.
- Jaar C 2de Paaszondag (15/04/2007) Mijn Heer en mijn God 
- Jaar C Zondag 5 Veertigdagentijd  Gods genade en onze inzet (tot bekering)
- Jaar C Zondag 4 Veertigdagentijd Toeleven naar het geluk doorheen bekering 
- Jaar C Zondag 3 Veertigdagentijd  Geloof - Vertrouwen - Geduld - Bekering 
- Jaar C Zondag 2 Veertigdagentijd Dit is mijn Zoon. Luistert naar Hem 
- Jaar C  Zondag 1 Veertigdagentijd God eren, beminnen en dienen 
- Jaar C Zondag 7 (18/02/2007) Vergevingsgezind zoals uw Vader 
- Jaar C Zondag 6 (11/02/2007) Vertrouw op God
- Jaar C Zondag 5 (4/02/2007) Ik wil je vormen en zenden
(wonderbare visvangst)
- Jaar C Zondag 4 (28/01/2007) Hem aanvaarden en navolgen 
- Jaar C Zondag 3 (21/01/2007) Nu klinkt het Woord van het heil 
- Jaar C Zondag 2 (14/01/2007) Doe maar wat Hij u zeggen zal 
- Jaar C Openbaring van de Heer (Epifanie) 7/01/2007 Hem zoeken en dienen 
- Jaar C Feest van de Moeder Gods (1/01/2007) Maria, kortste weg naar Jezus 

JAAR A 1ste ZONDAG NA KERSTMIS
Fe
est van de heilige Familie (2007)
Jezus Sirach 3,2-7.12-14 / Psalm 128 (1-5) / Kol. 3,12-21 / Mt. 2,13-15.19-23

’t Zijn drukke dagen voor de mensen in deze eindejaarstijd. Vooral de inkopen, feest voorbereiden, de juiste kadokes voorzien, voor sommigen staat er zelfs nog het inpakken voor een reis op het menu… Wel, ook in de liturgie is het druk. De Adventstijd was een gezegende tijd, met mooie teksten die ons hebben voorbereid op het Kerstfeest. Voor sommigen was er de biechtviering. Voor sommigen de nachtmis of de viering van het Kerstmis, een paar dagen na de zondag reeds. Vandaag Feest van de heilige Familie. En overmorgen het Feest van de Moeder Gods, op 1 januari. Sommigen zullen op de vooravond zelfs een tijdje komen aanbidden of zelfs de nachtmis meevieren…  Drukke tijden.

In een huishouden kan het er soms ook druk aan toegaan. Zeker als er wat kinderen zijn. Zeker als het wat drukke kinderen zijn. Maar zelf kunnen wij het leven ook zo druk maken als we willen…

Misschien is het goed dat we ons door de Kerk, onze Moeder, eens laten kijken naar het gezin van Nazareth: Jezus, Maria, Jozef. Lang, zeer lang geleden. In een cultuur die echt de onze niet is. En we weten er zo weinig over. Een paar woorden hebben Matheüs en Lucas ons erover gezegd. Wellicht had Maria er wat over verteld aan Lucas…

We noemen het de ‘heilige Familie’. En dit heeft alles te maken met Jezus. Gods Zoon is mens geworden en als mens, ik zou zeggen als ‘gewoon mens’, heeft zijn moeder hem in haar schoot gedragen, is Hij geboren, heeft hij als baby en als kind alle gewone zorgen gekregen vanwege zijn moeder en de vader aan wie Hij was toevertrouwd. Als kind, als een gewone jongen is Hij daar in Nazaret opgegroeid. We noemen dit de heilige Familie omdat ze er was omwille van de Mensgeworden Zoon van God, de Redder van de mens. Onze eigen christelijke gezinnen, en eigenlijk alle christelijke groepen en gemeenschappen zouden bewust moeten zijn van hun roeping om verenigd te zijn rond Jezus. In de kern van onze gezinnen, onze gebedsgroepen en christelijke gemeenschappen moet Jezus de kern zijn. Rond Hem komen we samen, Hij is het die ons samenbrengt en ons samenhoudt. In alle christelijke gezinnen hing er vroeger een kruisbeeld, nog wel op de ereplaats, en de huizen van christenen werden meestal ingezegend, en soms werd een heilig Hart er geïntroniseerd, dat wil zeggen: wij onthalen Jezus als de Heer, de koning van ons gezin.

Zaak is niet dat we ons schuldig voelen wanneer ons gezin daar op dit moment niet helemaal aan beantwoordt. Zaak is dat we er werk van maken opdat het wel zo zou zijn. Niet door anderen te dwingen, maar door zelf, persoonlijk Jezus te onthalen in ons hart en Hem te vragen dat Hij koning wil zijn van mijn hart, van mijn leven. En misschien kan er dan eens van gedachten gewisseld worden binnen het gezin. Met takt, met respekt voor de ander… Zie wat kan.

Een gezin rond Jezus. En dan heb je Maria. Terwijl ze zorgt voor haar Kind, heeft ze zich ook helemaal opengesteld voor Jezus. Heeft ze plaats gemaakt voor Hem, zoals een moeder en vader plaats maken voor kinderen. En op een gegeven moment moet ook de vader zijn rol spelen in het leven van het kind, de navelstreng moet als het ware een tweede keer doorgeknipt worden opdat moeder en kind wat loskomen van elkaar, opdat het kind zijn eigen persoonlijkheid kan ontwikkelen en niet meer één persoon moet vormen met de moeder. Het moet zichzelf worden, zijn eigen weg gaan. Zelfs tegenover vader moet het zijn eigen persoonlijkheid uiten. ‘Wist ge niet dat Ik in het huis van mijn Vader moest zijn’. Maria wou Hem aan haar hart blijven koesteren, maar Jezus’ most zijn eigen weg gaan, in dienst van de Vader in de hemel.

Je voelt de zorg aan van Maria en Jozef. In het stukje evangelie dat we hoorden merken wij vooral hoe Jozef zijn verantwoordelijkheid van vader op zich neemt. Steeds in overeenstemming met God, die ook Hij ziet als een vader, tegenover wie Hij verantwoording verschuldigd is en op wie hij zich dan ook afstemt. Als mens heeft Jezus gedeeld in de dienende houding van Maria tegenover God: Ik ben het dienstmeisje van de Heer, mij geschiede naar zijn woord. Jezus zou ooit zeggen: “Mijn voedsel is het de wil te doen van Hem die Mij gezonden heeft en zijn werk te verrichten”, of nog: “Niet mijn wil maar uw wil geschiede”. Van Jozef heeft Jezus zeker die totale beschikbaarheid geleerd ten dienste van het plan van God. Ook Hij was echt “dienaar van de Heer”, dienaar van het liefdeplan van God.

Wat een verantwoordelijkheid van ouders om zelf in dienst te staan van God, in heel hun wezen en werken.

Je kan je afvragen waar ouders – ook en vooral tegenwoordig – de kracht vinden om er totaal te zijn voor elkaar en voor hun kinderen en die kinderen – en elkaar – te helpen op de echte weg naar het geluk… Oprechte en trouwe liefde voor elkaar en voor hun kinderen, dit alles vraagt ook heel wat zelfvergeten. De eeuwige bron van de liefde vinden we bij God. Moeder Teresa van Calcutta had als slagzin voor het gezin: een gezin waar men samen bidt (= waar God in het centrum staat), blijft ook samen. Misschien dat een of ander punt dat de Kerk ons vandaag aanwijst, heel belangrijk is voor ons en ons gezin. Maar zelfs al voelen we ons teleurgesteld over een en ander, God blijft ons met zijn liefde omgeven en wil ons vandaag helpen om, ondanks teleurstellingen en zelfs spijtige kronkels, met moed voort te leven en te bouwen aan een zo goed mogelijke toekomst voor onszelf en de mensen die aan ons zijn toevertrouwd. (bvv)  

JAAR A ZONDAG 4 ADVENT
Het Teken van de Maagd
Jaar A  Zondag 4 Advent  (Jes.7,10-14 - Rom. 1,1-7 - Mt. 1,18-24)

We vragen ons  soms wel eens af: waarom die lezingen uit het Oude Testament in de Eucharistieviering, ze zijn ons zo vreemd, ze staan zo ver af van onze leefwereld? Dat heeft een paar eenvoudige redenen. Maar één van die redenen wordt vandaag heel duidelijk, doordat het Nieuwe Testament, het Evangelie in dit geval, zelf een duidelijke lijn trekt vanuit het Oude Testament naar het Nieuwe, naar de Persoon van Jezus.

En in de Romeinenbrief waaruit ook wordt voorgelezen vandaag, zegt sint Paulus bovendien dat het Blijde nieuw dat hij brengt aangekondigd is door de profeten in de heilige geschriften. En hij preciseert dat het de boodschap is over Gods Zoon, die naar het vlees geboren is uit het geslacht van David en naar de heilige Geest is aangewezen als Zoon van God: Jezus Christus, onze Heer.

Maar nemen we de eerste lezing: Koning Achaz vertrouwt meer op hulp vanuit Assyrië dan op God om zich te verdedigen tegen zijn vijandelijke buren. Hij wil dan ook geen teken vragen aan God. Maar de profeet Jesaja zegt tot Achaz: “Luister, de Heer geeft u ook ongevraagd een teken: Zie, de jonge vrouw zal ontvangen en een zoon baren, en zij zal hem noemen ‘Emmanuël’: ‘God-met-ons’”.

En dat is nu juist het woord dat Mattheüs, in de vertaling van die tijd, de tijd van het Nieuwe Testament aanhaalt, als commentaar bij het vredebrengende woord van de engel tot Jozef die voor een dilemma stond bij de zwangerschap van Maria. Mattheüs schrijft: “Dit alles is geschied, opdat vervuld zou worden wat de Heer gesproken heeft door de profeet, die zegt: Zie, de maagd zal zwanger worden en een zoon ter wereld brengen, en men zal Hem de naam Emmanuël geven.” Dit is in vertaling: God met ons.

Jozef laat zich gelovig leiden door het teken van het Oude Testament, de Maagd die zal ontvangen en een zoon ter wereld brengen: God met ons. Hij buigt zich voor dat mysterie van God die in ons midden komt, in dat kind dat uit Maria wordt geboren.

Wij mogen ons ook in aanbidding buigen voor dat plan van Gods doorbraak in onze mensenwereld, die goddelijke invasie waartegen de duisternis uiteindelijk machteloos zal blijken, die goddelijke invasie die ons in staat zal stellen ons te begeven op de weg van Gods verlangen, de weg van heil, die Jezus heeft opengetrokken en waartoe zijn Geest ons verder toerust.

We mogen in dankbaarheid door de knieën gaan, deze dagen voor Kerstmis. De Drieëne God aanbidden, het Kind aanbidden, Gods Zoon, en de ogen van ons hart openen voor elke openbaring van God, elke manier waarop Jezus ons wil ontmoeten, in zijn Woord, in het geheimnisvolle teken van de Eucharistie en … in de nood van onze medemensen, vooral van de minder bedeelden, minder bedeeld op welk vlak ook.

Laten wij dankbaar zijn voor het teken van de Maagd die haar kind baart, en  voor elk teken waarin dat Kind zich aan ons aandient. Hem onthalen in dankbare wederliefde. (ben van vossel)

 JAAR A ZONDAG 3 ADVENT 
Vertrouwen maakt ziende

Jesaja 35,1-6a.10 -  Jak. 5,7-10  -  Mat. 11,2-11

Johannes de Doper zit in de gevangenis en laat aan Jezus vragen: “Zijt Gij de Komende, of hebben wij een ander te verwachten?” Johannes zit in het donker. Men had toen nog geen luxe-gevangenissen, maar zelfs al zou dat zo geweest zijn: je zit vast. En Johannes kon verwachten dat het niet te best zou aflopen met Hem. En toch laat hij aan Jezus vragen of Hij de beloofde Messias is of dat ze moeten uitzien naar nog een ander. Jezus zegt tot de leerlingen van Johannes: 'Gaat aan Johannes zeggen wat gij hoort en ziet: blinden zien en lammen lopen, melaatsen genezen en doven horen, doden staan op en aan armen wordt de Blijde Boodschap verkondigd. Gelukkig is hij die aan Mij geen aanstoot neemt'  (Mt.11,5-6). Daar moet Johannes het mee doen. Hij moet nu zelf maar uitmaken of Hij in Jezus blijft geloven of niet, of Hij zijn leven wil blijven bouwen op Jezus als de door God gezondene…  Gaat Hij trouw blijven aan wat Hij eens gezegd had over Jezus: ‘Hij moet groter en ikzelf kleiner worden’?  Hij werd in ieder geval een kopje kleiner gemaakt. Maar met Jezus zou het niet veel beter aflopen. Waar Ik ben, daar zal ook mijn dienaar zijn.

Hoe zit het met ons? Voelen wij soms ook de twijfel knagen aan ons geloof? Beginnen wij ons soms ook allerlei zaken af te vragen? Is het wel waar? Is Jezus wel echt de Redder? … Zouden wij soms ook aan Jezus willen vragen: Zijt Gij de komende of hebben wij een ander te verwachten?

Maar wat Jezus antwoordde, zou Hij dat in onze tijd ook nog antwoorden? Want veel mensen waren getuige van wat Jezus deed. Maar… wat zien wij van dat reddende ingrijpen van Jezus? blinden zien en lammen lopen, melaatsen genezen en doven horen, doden staan op en aan armen wordt de Blijde Boodschap verkondigd. Gelukkig is hij die aan Mij geen aanstoot neemt'.

Mooi gezegd. Ik veronderstel dat er toen bij Jezus heel wat mensen waren die een en ander hadden meegemaakt van de wonderbare genezingen die Jezus verrichtte en waaraan men kon zien dat God met Hem was, ja, dat HIJ de Gezondene was, de Messias, de Gezalfde…  Maar anderzijds waren er ook heel wat, zelfs van de vooraanstaanden en geleerden, die niet in Hem geloofden… Blijkbaar waren dat dan toch niet allemaal sluitende bewijzen.

Hoe gaat het bij ons? We kunnen van alles meemaken. We maken van alles mee. En dus ook kleine en grote ontgoochelingen, kleine en grote beproevingen, korte en lange onzekerheid en twijfel…

En het enige goede antwoord dat we kunnen geven is: ons vertrouwen. Radicaal in het water springen van het geloof. Je zult dan tekenen krijgen. “Dank U, Vader dat Gij Mij verhoort. Ik wist wel dat Gij Mij altijd verhoord”, zo bidt Jezus. Maar ook op het kruis, in die meest uitzichtloze situatie, bidt Hij nog: “Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest”. Aan U blijf ik me toevertrouwen. En … heeft God gered? Heeft God Hem van het kruis gehaald? Nee, de diepste duisternis, het donker van de dood is Hij doorgegaan. En op de derde dag, wanneer géén mens nog iets kan veranderen, heeft God ingegrepen…

Jezus zag de tekenen van Gods Bijstand, de nabijheid van God omdat Hij in totaal vertrouwen leefde op de Vader. Wij zullen de nodige tekenen krijgen dat Jezus de Gezondene is, de Heiland, wanneer wij met vertrouwen intreden in de relatie met Hem… Spring in het verkwikkende water van de radicale persoonlijke relatie met de Heer, de Levende, die is en die was en … die komt. Nu en in de eeuwen der eeuwen. (ben van vossel)

 

JAAR A ZONDAG 2 ADVENT 
Schep ruimte voor God die Liefde is.

Jesaja 11,1-1-10 *  Rom. 15,4-9  *  Mat. 3,1-12

In de tijd van Johannes de Doper vonden de vooraanstaanden hem maar een zonderling, die ze bovendien niet zo gaarne bezig hoorden, met zijn kritiek op de uiterlijke godsdienstbeleving zonder dat het hart naar God was toegewend… maar heel wat gewone mensen, die hun eigen leven in vraag durfden te stellen en de woorden van Johannes op waarde wisten te schatten, hadden grote eerbied voor hem; ze kwamen ook in groot getal naar hem toe om zich door hem te laten dopen, een doopsel van boetvaardigheid, om te tonen dat ze hun leven in overeenstemming wilden brengen met Gods verlangen.

Stel je nu eens voor dat er in onze eigen streek zo een raar iemand post vat, allerlei godsdienstige zaken vertelt over God en wat God van ons verwacht, iemand die heel verwaarloosd gekleed loopt en niet bang is om christelijke, islamitische en andere godsdienstige en ook burgerlijke instanties tegen de schenen te stampen door naar de kern van het geloof te wijzen en de eisen die het geloof stelt ook in het alledaagse leven…

Zouden daar veel mensen naartoe gaan, en er naar luisteren? En hun leven ernaar richten? Zou uzelf naar zo iemand gaan? Zou u uw leven veranderen?

Toegegeven, in de tijd van Johannes de Doper was men echt gespannen aan het uitzien naar een komende Messias en dan past het natuurlijk dat Johannes oproept om de weg voor de Heer te bereiden… Maar is ons probleem niet dat wij zo ondergedompeld zijn in de drukte van ons moderne leven, in de roes om van alles wat mee te nemen… en dan is er niet zoveel tijd voor God. Een bekend politica van een ‘christelijke’ partij meende enige maanden terug nog te moeten poneren dat ze liever ging joggen dan naar de Eucharistieviering gaan. Tijd voor God ? Dat maakt je niet rijker. Ik zou geneigd zijn om te zeggen dat het je ook niet gezonder maakt, al zijn er een paar studies die aangeven dat gelovigen wel gezonder zijn dan niet-gelovigen omdat ze zich diep in hun hart gedragen weten door een ‘hogere Macht’. Dat brengt vrede in het hart, een betere hartwerking enz… Vermoedelijk is dat toch maar het geval bij mensen die dan wel echt geloven, die echt op stap willen gaan…

Johannes roept ons op tot bekering. Ommekeer. Om ons leven in overeenstemming te brengen met ons geloof. Als je in God gelooft, moet je je leven ook op Hem bouwen. Inderdaad, dan moet je leen volgens zijn verlangen en niet volgens uw goestingetjes. Maar het voornaamste is toch dat je dan een persoonlijke relatie met Hem aangaat, dat je op Hem vertrouwt, dat je – om het eens raar te zeggen – dat je met Hem wandelt, met Hem door het leven gaat en niet enkel met je gsm, je krant, je teevee, je huisgenoten en de personen op je werk. Met Hem, met God op de eerste plaats. En al je andere relaties moeten zich van daaruit regelen.

Wat zeg je? Godsdienstfanatisme? Dan vergeet je dat de God van het christendom niet Iemand is die het leven van je medemens in gevaar brengt, niet Iemand is die vraagt dat je de mensen naast jou aan zijn lot overlaat, of die gaat dwingen tot dit of dat. De God van het christendom, de God die Zich in Jezus heeft doen kennen is een God van mensen van Wie Johannes zegt: “God is liefde”. Zo heeft God zich geopenbaard en dat mysterie vieren wij onder meer op Kerstmis.

Oop weg naar Kerstmis op deze tweede zondag van de Advent willen wij ons wat meer afstemmen op die God van liefde, willen wij wat meer op Hem gelijken en willen we daartoe wat meer met Hem in contact zijn doorheen deze Eucharistie, maar ook doorheen ons dagelijks spreekuurtje (het mag ook wat korter zijn dan een uur) en onze daadwerkelijke aandacht voor Hem, zoals Hij zich aan ons vertoont in de nood van onze naasten en de minder bedeelden.  Nog een heilige Adventstijd. (Ben Van Vossel)

JAAR A ZONDAG 1 ADVENT 
Jezus' komst voorbereiden

Beste jongens en meisjes, beste vrienden. Eerst en vooral proficiat voor de mooie Adventskransen. Misschien hebben sommigen van jullie er ook thuis al een gemaakt. Het is goed dat we ook thuis wat meeleven met wat er leeft in de grote kerkgemeenschap. De kleine huiskerk werkt in op de grote kerk en anderzijds is het goed dat we ook wat meenemen van de geestelijke rijkdom, van de mooie teksten, de bezieling, het geloof, de hoop en de liefde van de grote kerk naar ons thuis.

Wij beginnen vandaag met de Adventstijd. Advent, dat moet ik u al niet meer uitleggen betekent komst, de aankomst. Jezus is aan het komen. Dat vieren we in de Advent. Nog voor de komst van Jezus zag het Joodse volk al uit naar de Messias. De Messias die vanwege God gezonden werd. Sommigen dachten: die gaat ons van de vreemde bezetter verlossen. Nee, daarvoor zou Hij niet komen. Hij zou komen om de mensen terug te voeren naar God, om de harten van de mensen weer en zuiverder op God te richten: niet op allerlei materiële voordelen, maar op God zelf.

Al een maand lang trachten de winkels en grootwarenhuizen de kinderen aan te sporen maar veel te vragen aan Sinterklaas, de heilige bisschop Nicolaas. Dat moet wel een vriendelijke bisschop geweest zijn dat die nu nog altijd opgevoerd wordt om iets van Gods goedheid duidelijk te maken, ook voor arme kinderen, eigenlijk voor alle kinderen. Dat is wel een grote les voor ons allemaal. Leren meedelen aan allen die vaak achteruit gesteld worden. Dat is trouwens een van de grote lessen van de Adventstijd: draag ook zorg voor de mensen in je eigen omgeving, in je eigen gemeenten en steden, mensen die het moeilijk hebben. Ken je zo mensen uit je omgeving? Doe ze eens een pleziertje. En steun de Adventsactie Welzijnszorg.

We zien uit naar Jezus, naar zijn komst. Hij zegt ons: ‘wat je voor een van deze geringsten van mijn broeders en zusters hebt gedaan, dat heb je voor Mij gedaan’. Als je iets wil doen voor Jezus, doe dan iets voor zijn zussen en broers, dat wil zeggen, voor de mensen om je heen, vooral voor de armsten.

Maar onthaal Jezus ook zoals Hij tot jou wil komen. Maak wat tijd om met Hem te spreken. Dank Hem dat Hij gekomen is uit liefde voor jou. Vertel Hem wat meer over alles wat je meemaakt. Hij heeft dat graag. Hij is je beste vriend en wil jou in alle omstandigheden helpen. Jezus wil jou ook ontmoeten in de heilige Eucharistie: Want Hij wil jou kracht geven om Hem te volgen en Gods verlangen te doen. Te doen wat God, onze Vader, graag zou hebben. En wat wil God, onze Vader graag? Dat wij gelukkig zijn. En we vinden het geluk als we doen wat Hij graag heeft. En als je het dan nog niet weet: dan moet je maar kijken naar Jezus, hoe Hij leefde. Dan moet je maar vragen aan Jezus wat je moet doen. En als je vaak met Jezus spreekt, als je Hem vaak ontmoet in de Eucharistie met heel je hart, met aandacht: dan leert Hij jou van binnenuit wat God graag heeft en dan geeft Hij jou de kracht om de wil te doen van de Vader, met heel je hart, ook als het moeilijk is. Ik wens jullie een heilige Adventstijd. Op weg naar Kerstmis, Jezus’ komst in onze mensengeschiedenis.  (Ben Van Vossel)

JAAR C ZONDAG 33 
In de eindtijd leven als nieuwe mens

Maleachi 5,19-20a / Ps 98 Rechtvaardig bestuurt de Heer de wereld, de volken met billijkheid /  2 Tess 3,7-12 / Lucas 21,5-19

Je ziet het niet enkel aan de rode neuzen, je voelt het niet enkel aan koude handen, de wel erg frisse lucht, ook in de liturgie voel je aan dat het einde van het jaar nadert. Maar het einde ligt in de liturgie dicht bij een nieuwe begin, soms valt het er bijna mee samen.

De profeet Maleachi zegt dat de dag van het oordeel, de dag van de grote schifting nabij komt. Het slechte wordt verteerd door het vuur, voor hen die God dienden en naar zijn verlangen leefden, gaat de zon op die genezing brengt. De Kerk wil ons op het einde van het kerkelijk jaar doen opzien naar wat gaat komen. En wat komt is het einde, het uiteindelijk oordeel over alles en allen. Als zwakke mensen rekenen wij op Gods barmhartigheid en tegelijk trachten wij ons meer af te stemmen op zijn verlangen, zijn heilige wil. Dat is niet de wil van een strenge meester die wil dat de zaken in orde zijn en volgens strakke lijnen gebeuren, het is het verlangen van een goede vader die er alles aan wil doen dat zijn kinderen gelukkig worden en dat ze vrij de weg kiezen naar het echte heil.

Jezus waarschuwt ons echter in het evangelie.  Je moet je niet te vlug laten ongerust maken door allerlei onheilsprofeten, mensen die zeggen dat het einde van de wereld er is. Als het zover is, zul je het wel merken. Geloof ook niet allerlei profeten die zich nog zouden aanmelden als nieuwe messiassen. Loop niet achter hen aan.

Anderzijds zegt Jezus dat het leven van een christen toch niet altijd over rozen loopt, maar duidelijk ook doorheen dorens. Als je tracht te leven volgens Gods verlangen, als je ervoor uitkomt dat je christen bent, zal dat niet altijd in dank worden aangenomen. Men zal je soms belachelijk maken, soms zelfs vervolgen. Dat belachelijk maken gebeurt hier volop in onze streken, zelfs publiek in de media; het daadwerkelijk vervolgen hebben we meegemaakt onder de Nazi- en de Sovjetdictaturen. Sommige rechtse en linkse personen lijken zeer kort van geheugen. Echte vervolging van christenen gebeurt nu nog in rabiate communistische landen zoals China, en zeer courant in moslimlanden met weinig verdraagzaamheid waar men nog altijd niet heeft ingezien dat God dienen vanuit angst en onder dwang, niet Gods wil is en een mens devalueert tot een marionet. Ondanks alles vraagt Jezus dat christenen standvastig zouden zijn. Wie echt op Hem bouwt zal zijn nabijheid ondervinden.

Paulus, in zijn tweede brief aan de christenen van Saloniki, waarschuwt tegen christenen die zo gegrepen zijn door de nabijheid van Christus wederkomst, dat ze geen poot meer uitsteken, werkeloos rondhangen en op de kosten van de andere christenen leven. Deze godsdienstfanatici vinden in zijn ogen geen genade. Zelfs terwijl we uitzien naar de terugkomst van Christus, dan moeten we ons ondertussen toch volop inzetten voor ons werk op deze wereld. En hij wijst naar zichzelf: terwijl hij de zorg droeg voor heel wat christelijke gemeenschappen deed hij ook materieel werk om aan de kost te geraken en niet op de kap van anderen te moeten leven. Worden wekken, voorbeelden trekken.

Vrienden, laten wij ons inzetten voor onze taak op deze wereld, zelfs als die op latere leeftijd wat beperkter is geworden. Laten wij in het leven van elke dag Gods verlangen doen, van ganser harte en ondertussen blijven verlangen naar het nieuwe dat God nog in petto heeft, waaraan we zelf mogen bouwen maar waarvan Hij de onverwachte voltooiing zal brengen. Zoals Paulus schrijft aan de christenen van Korinthe: “Dit zijn de dingen waarvan de Schrift zegt: Geen oog heeft ze gezien, geen oor heeft ze gehoord, geen mens kan het zich voorstellen, al wat God bereid heeft voor die Hem liefhebben”. (1Kor.2,9) (Ben Van Vossel)

JAAR C ZONDAG 32 
Een God van Levenden

2 Makk. 7,1-2.9-14 / Psalm 17,1,5-6,8b en 15 / 2 Tess. 2,16-3,5 / Lc. 20,27-38

Herfstweer, stilaan naar het jaareinde, Allerzielen pas achter de rug… Het is niet zo wonder dat een mens ook eens denkt aan later, aan oud en ziek worden, zoals de bladeren die geel en rimpelig zijn geworden en bij massa’s van de bomen zijn geraakt. De stormwind heeft er korte metten mee gemaakt… We denken terug aan onze doden, en misschien denken we ook wel eens dat wijzelf geen levensverzekering hebben tegen onze eigen dood. Je laten invriezen is een nogal kille aangelegenheid, trouwens, wat dan?

Och ja, we kunnen wel eens wat cynisch doen, er wat mee lachen, maar het is ook goed de dood, onze dood, ernstig op te nemen. En ook de vragen die zich daar rond stellen.

De kerk is daar niet afkerig van. Integendeel, zij beschouwt de dood als een belangrijke stap in het leven. Een stap die we niet zelf uitlokken, maar een stap die we wel te zetten hebben. We willen weten wat de dood is, en vooral: Is er nog iets na de dood? En hier zegt de kerk, zich steunend op het Woord van God: ongetwijfeld! Met het boek van de Makkabeeën in de hand belijden ook wij: wij mogen vertrouwen op Gods belofte dat Hij ons weer zal laten verrijzen. Dat is het Oude Testament een paar eeuwen voor Christus. Daarop volgt vandaag in de liturgie die mooie psalm: “ik ben rechtschapen en mag U aanschouwen, uw aanblik verzadigt mij als ik ontwaak”. Paulus schrijft het dan ook aan zijn Christenen van Tessalonika: God onze Vader heeft ons zijn liefde betoond en ons in zijn genade eeuwige troost en blijde hoop geschonken.

Dat is nu juist de kern van de zaak als we het hebben over het einde van ons leven en over eventueel leven over de dood heen. Het heeft met God te maken, met Gods liefde en trouw. Vroeger zongen we nogal vaak het lied: “Zing voor de God van liefde en trouw”. Gods liefde en zijn trouw. Daar krijgen onze vragen over oud worden en ziek en over sterven en dood, daar krijgen onze vragen hun antwoord, het enige antwoord dat je als mens kan geven: God is liefde, God is trouw. Hij heeft aan ieder van ons zijn liefde geschonken, Hij heeft ons in het leven geroepen, Hij is met ons een relatie van liefde begonnen… Hij blijft ons trouw. Hij laat ons niet in het niets verdwijnen, laat ons niet vallen als een eendagsvlieg over wie niet meer gesproken wordt. Jezus verrijzenis staat daar garant voor. Zelfs al vergeten wij onze dierbare overledenen, zelfs al vergeten wij ons grootouders en zelfs onze ouders… Uit Gods aandacht en liefde zijn ze niet verdwenen. Hij blijft zijn liefde trouw. Niet gewoon zoals wij soms zeggen: ze leven voort in mijn herinnering. Daar zijn ze niets mee als ze er niet meer zijn, als ze niet meer bestaan. God heeft ons in het leven geroepen en blijft dat doen. Voor eeuwig.

Jezus kreeg in zijn leven te maken met lastige mensen, met vervelende tegenstanders. Vandaag staan er Sadduceeën rond hem en met een belachelijk probleem komen ze hem op de zenuwen werken, zoals sommige onderhandelaars bij de regeringsvorming. De Sadduceeën geloven niet in leven over de dood heen. Jezus gaat niet in op hun belachelijke kwestie.  Hij gaat direct naar de kern van de zaak. Het huwelijk als fysisch gegeven behoort tot de aarde, maar de liefde blijft.  Ook Gods liefde. Mozes noemde God: de God van Abraham, de God van Izaak en de God van Jakob. Als die mensen niet meer bestaan, als Hij die mensen zomaar heeft laten vallen, die mensen met wie Hij een verbond sloot, mensen die met Hem op weg gingen en op Hem vertrouwden… Wat een God zou dat zijn! God is geen God van doden, maar van levenden. Voor Hem zijn allen levend.

Vrienden, wij mogen op Jezus’ woord en het getuigenis van Gods Woord vertrouwen. God is een God van levenden. Hij laat de mens niet vallen, ook niet wanneer ons hart het leven niet meer dragen kan en onze hersenen alle activiteit opgeven. Hij blijft tot ons zeggen: leef! Hij blijft tot ons zeggen: Met een eeuwige liefde heb Ik u lief. Elke morgen, en ook de morgen na onze dood mogen wij zeggen: uw aanblik verzadigt mij als ik ontwaak. (Ben Van Vossel)

 

Allerheiligen 2007
Aan God en het Lam behoort de overwinning! 

Veel zullen het er zijn die samen zijn om God te loven in eeuwigheid om zijn liefde zonder grenzen, om zijn liefde zonder maat. Veel zullen het er zijn. Johannes in zijn boek van de Openbaring spreekt van 144.000.  Een symbolisch getal. Heel veel. En eigenlijk daarnaast nog een ontelbare menigte uit alle rassen en stammen en volken en talen. Veel zullen het er zijn. In witte gewaden en palmtakken in de hand. Symbolen, tekenen. Johannes schrijft: Het zijn degenen die komen uit de grote verdrukking, die hun gewaden hebben wit gewassen in het bloed van het Lam.

 

Ze hebben overwonnen, daarvan zijn die palmtakken het symbool. Zij zijn gered, zij hebben geleefd volgens Gods verlangen. Maar het is niet gewoon hun overwinning, het is niet gewoon hun prestatie. Johannes schrijft: zij hebben hun gewaden wit gewassen in het bloed van het Lam. Ze zijn als het ware de vruchten van Jezus’ verlossend lijden en sterven en verrijzen. De vrucht van zijn heilbrengende komst in onze mensengeschiedenis. En daarom staat zij voor de troon en voor het Lam. En zij riepen allen luid: Aan onze God die op de troon is gezeten en aan het Lam behoort de overwinning. Ja, het is niet hun overwinning, het is niet hun prestatie. Gods genade heeft zich geopenbaard in Jezus, Jezus heeft in zijn totale gave de overwinning behaald en mensen verworven voor God, onze Vader. In Hem zijn ze door God aanvaard, in Hem zijn hun zonden vergeven, in Hem hebben zij de kracht gevonden om God te behagen, om te leven naar Jezus voorbeeld…

 

Jezus’ voorbeeld. Jezus was die arme die in alles zijn vertrouwen stelde op de Vader. Jezus vond het spijtig dat er nog zoveel donkerte was in de wereld en in de mensenharten. Jezus was de zachtmoedige die mensen niet forceerde, mensen niet bang maakte, mensen niet wou dwingen of overheersen. Jezus hongerde en dorste om in alles de Vader te behagen. Hij was de barmhartige Samaritaan die zijn leven inzette voor het geluk van de mensen en die vergiffenis schonk, tot op het kruis. Zo toonde en beleefde Hij Gods barmhartigheid. Jezus was nooit achterbaks, maar rechtuit; zijn liefde voor de mensen en voor de Vader kwam recht uit zijn hart en bestond niet enkel uit mooie woorden. De vrede, de sjalom die Hij bracht bedoelde het echte heil van de hele mens. En toen Hij vervolgd werd, gehoond, uitgelachen… is Hij niet achteruit geweken maar bleef Hij trouw aan zijn zending.

 

Naar dat beeld worden wij geoordeeld. Naar dat beeld moeten wij toegroeien. Wij verwachten ook vandaag dat Hij ons bij de hand neemt en meetrekt in zijn overwinning, op zonde en dood, op halfheid en oppervlakkigheid… Zoals Hij reeds zovelen heeft meegetrokken in zijn overwinning en hen als trofee heeft samengebracht rond de troon van God. “Aan onze God die op de troon is gezeten en aan het Lam behoort de overwinning”. (Ben Van Vossel)

Jaar C Zondag 30 (28/10/2007)
Bidden als een bedelaar, dankbaar als een kind

Sir. 35, 15b-17.20-22a / Ps. 34,2-3, 17-18, 19 en 23 / 2 Tim. 4,6-8.16-18 / Lc. 18,9-14

 

Vorige zondag toonde het Woord van God ons reeds hoe wij tot God mogen bidden, vertrouwvol, met volharding, Hij hoort en verhoort, Hij is met mensen begaan als zij zijn koninkrijk binnentreden, met Hem op weg gaan in hun leven… Vandaag voert de kerk ons dieper binnen in de geest van het gebed. Het moet het gebed van de arme zijn, van een mens die beseft dat hij alles te ontvangen heeft, dat hij zelf zo weinig in handen heeft, zo weinig vermag op het niveau van zaken die er echt toe doen. Het boek Jezus Sirach leert ons zelfs dat het van belang is dat we in ons leven ook respect moeten hebben voor de arme, dat we mensen met weinig maatschappelijke invloed toch stem moeten geven, dan zal ook ons gebed God aangenaam zijn en gehoor vinden. “Wie anderen bijstaat wordt welwillend ontvangen, en zijn gebed verheft zich tot de wolken toe…

Ik weet niet of de typering uit het evangelie van vandaag nog actueel is. De Farizeeër en de tollenaar die beiden komen bidden in de tempel. De ene met opgeheven hoofd en wat grootsprakerig, wat hoogmoedig ten opzichte van de tollenaar die hij voor een slechte gelovige houdt. En anderzijds de tollenaar die nederig alleen maar weet te stamelen: “God, wees mij zondaar genadig”.

Is het nog actueel? Ik stem me die vraag omdat in onze streken en in onze tijd er nog zo weinig biddende mensen zijn, dat je al content mag zijn dat die weinigen nog samenkomen en komen bidden. Het is misschien niet zo het moment om die bidders dan nog eens onder de loupe te nemen of hun bidden we echt beantwoordt aan de hoge eisen van wat een gebed moet zijn…

Laten we dus gewoon maar naar onszelf kijken. En laten we uit dit evangelie dit onthouden: tegenover God moet ik staan als een bedelaar, met lege handen vragend om genade, om mededogen, om heling. Maar ook voorbede hoort daarin thuis, want zo leeg zijn onze handen, zo weinig hebben wij te bieden naar anderen toe, tenzij misschien wat van ons materieel bezit, onze aandacht, ons getuigenis, dat we toch ook mogen vragen aan God om onze armoede aan te vullen, zodat zijn genade ook anderen kan bereiken.

En wat dan met de lofprijzing en het dankgebed? Dat leerden we nog enige zondagen terug met die 10 melaatsen die genezen waren. Als we als bedelaars dan toch iets ontvangen, als we verhoord worden, als we gelovig weten dat God geen gebed zomaar laat verloren gaan, dan is onze lofprijzing daar een gepaste reactie op.

Wij mogen God prijzen als de gever van alle goed, als die heerlijke God die barmhartig is en liefdevol, bij wie we altijd terecht kunnen, die ons eeuwig leven aanbiedt en toegankelijk maakte door de gave van zijn Zoon.

En wij mogen dankbaar zijn voor al het goede dat we elke dag uit zijn hand mogen ontvangen, ook die geestelijke goederen van vertrouwen, van vrede, van sterkte; de gave van zijn heilige Geest die in ons woont en ons vormt naar Jezus’ gestalte. (bvv)

Jaar C Zondag 29 (21/10//2007)
Bidden vanuit een gelovige relatie met God

Zond. 29 Jaar C  / Ex. 17,8-13 Mozes biddend // 2 Tim. 3,14-4,2  Blijf trouw aan traditie en aan Woord van God // Lk. 18,1-8 De onrechtvaardige rechter en de weduwe

Vandaag is het Missiezondag. Wij willen onze missionarissen een plaats geven in ons gebed en waar we kunnen hun missiewerk ook van harte daadwerkelijk steunen.

Misschien kent u nog uit de heilige Schrift, de gewijde geschiedenis zoals we die vroeger noemden, de episode waarin het Uitverkoren volk het moet opnemen tegen Amelek en zijn leger. Mozes gaat als een volleerde generaal op een afstand staan op een heuvel. Maar hij zit vandaag niet met zijn verrekijker na te gaan hoe de zaken evolueren, hij doet iets wat waarschijnlijk niet al te veel generaals zullen doen: hij bidt, met de handen omhoog geheven. En blijkbaar gaat het goed met zijn manschappen, ze zijn aan de winnende hand. Maar zodra hij de armen laat zakken, worden zijn mannen achteruit geslagen. Zijn twee assistenten, de priester Aaron en Chur, zijn vertrouweling halen dan een steen waarop Mozes kan gaan zitten en zelf ondersteunen ze zijn armen zodat hij kan blijven bidden. Een wat eenvoudig verhaal waarmee de Schrift ons toch wil oproepen tot vertrouwvol en aandringend gebed. God is met ons begaan.

Dit ging om het voortbestaan van het uitverkoren volk. In het evangelie trekt Jezus het gebed meer naar het persoonlijke leven toe: Een weduwe werd onrechtvaardig behandeld. Ze gaat naar de rechter maar die is in haar zaak niet geïnteresseerd. Ze blijft echter aandringen, blijft hem lastig vallen met haar vraag, tot de rechter de bedenking maakt: “Al bekommer ik mij om God noch gebod, toch zal ik die weduwe recht verschaffen om niet langer geplaagd te worden door haar eindeloze bezoeken”. En Jezus zegt dan: Je moet eens horen wat die onrechtvaardig rechter daar zegt. Menen jullie niet dat God geen recht zal verschaffen aan zijn uitverkorenen die dag en nacht tot Hem roepen.. Maar: zal de Mensenzoon bij zin komt het geloof op aarde vinden?

Dat laatste zinnetje hangt er precies zo maar wat bij, alsof het met het voorgaande niet veel te maken heeft. Maar het is juist van het allergrootste gewicht.

Ons gebed is vaak een gebed zonder veel geloof. Geloof is immers niet alleen aannemen dat er een God bestaat, en dus ook al eens iets aan Hem vragen. Geloof is een persoonlijke relatie hebben met God, met de levende Heer Jezus die voor ons gekomen is, voor ons zijn leven heeft gegeven, aan ons de weg naar het echte leven gewezen heeft… en die verrezen is. Een persoonlijke relatie betekent dat die persoon, in dit geval God, ook een echte plaats heeft in ons leven. Dat we met Hem praten, met Hem overleggen, vragen wat zijn verlangen is en natuurlijk, spontaan dat ook onze noden bij Hem ter sprake brengen als bij een goede vriend, een vertrouweling… In dit geval onze vragen voorleggen aan onze Vader, aan Jezus, onze Redder die voor ons alles heeft overgehad, aan Maria, de moeder van onze Heer, aan een of andere heilige, een vriend van God die  reeds op zijn bestemming is aangekomen bij de Heer…  Geloof is een persoonlijke relatie beleven met God. Geloof is dus niet stilstaan bij het materiële, bij de uiterlijke gebeurtenissen, maar ook leven vanuit de geestelijke werkelijkheid.

Men zegt tegenwoordig wel eens dat je die twee gescheiden moet houden: je moet leven alsof God er niet was, alsof die geestelijke werkelijkheid er niet was, of in ieder geval alsof er geen beïnvloeding mogelijk is vanuit die geestelijke, onzichtbare wereld. Dat noemen ze dan secularisatie. Beroep doen op het geestelijke wordt dan een vlucht uit de werkelijkheid genoemd. Maar dat is het echt niet. Leven met God voor ogen is leven vanuit de echte werkelijkheid. Je gebruikt God niet als passe-partout, als een joker die je overal kan inzetten waar je zelf tekort schiet, iemand die dan maar wat mirakeltjes of zoiets uit zijn mouw moet toveren… Nee, het gaat wel om een persoonlijke relatie met God. En we spreken Hem ook over onze noden, de noden van de wereld, van ons gezin, onze vrienden, geestelijke en materiële of psychische noden. We houden God daar niet buiten. En vanuit de dat contact met God gaan we de goede houding vinden om het uit te houden in deze wereld, met alles wat erbij komt zien. En dat God ons de vrede geeft vanuit dat vertrouwen op Hem, dat is gewoon een logisch gevolg; en dat we vrede zullen hebben in ons hart maar ook met onze omgeving, dat is ook een logisch gevolg, en dat die vrede een positieve invloed heeft in allerlei situaties, daar hoe je geen ingewikkelde psychologische trainingen voor doen, dat hoort gewoon bij deze vertrouwvolle relatie met God.

Laten wij ons geloof deze week herbronnen. Ben ik nog echt op weg met de Heer. Betrek ik Hem bij mijn leven of hou ik Hem overal buiten. “Zal de Mensenzoon bij zijn komst het geloof op aarde vinden?” (Lc 18,8). (bvv)

Jaar C Zondag 28 (14/09//2007)
Dankbaarheid: het geheugen van het hart

2 Kon. 5,14-17 / Ps. 96,1,2-3ab, 3cd-4 / 2 Tim. 2,8-13 / Lc 17,11-19

 

De eerste lezing en het evangelie handelen vandaag over de dankbaarheid die aan God moet bewezen worden. Zelfs zaken die we langsheen mensen ontvangen – zoals in de eerste lezing de genezing van Na¨man door de profeet – moeten in laatste instantie ook nog aan God worden toegeschreven, die aan mensen de macht en de gaven geeft om goedheid te tonen en hulp te bieden aan mensen. Uiteraard ontslaat dit ons niet om onze dankbaarheid uit te drukken naar mensen toe. “Dankbaarheid is het geheugen van het hart”, was ooit een spreuk van de Bond zonder Naam. Maar als gelovig men en als christen voelen wij ons gesteld tegenover God. Leven wij ons leven in zijn aanwezigheid en zien wij hoe ons leven geborgen is in zijn hand. Wat ons ook mag overkomen. Het sterkst vinden wij deze levenshouding uitgedrukt in Jezus, onze voorganger en ons voorbeeld. Op het moment van zijn  uiterste beproeving, wanneer het leven Hem uit de handen glijdt, midden uiterste pijn en verlatenheid, bidt Hij: “Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest” – Vader, aan U blijf Ik mij toevertrouwen.

Als wij zo naar Jezus konden opkijken, als wij dit van Hem konden leren: ons leven helemaal zien in relatie tot God, ons leven zien al geborgen in God… dan zouden wij ook mensen van dankbaarheid worden. Ons leven is immers niet een voortdurend kruis, al kan er heel wat op ons wegen, en in sommige perioden van ons leven wellicht meer dan in andere. Er zijn ook mooie momenten. En als we onze ogen ook konden richten op al het mooie van de natuur, op het spontane van kinderen en jonge mensen, op de goedheid en liefde van mensen, hun inzet voor het goede en voor mensen die het minder goed hebben… als we, bezield door Jezus’ geest Gods goede gaven konden zien in onszelf en in andere personen, dan zou ons hart echt geboren worden op de liefde en dankbaarheid tegenover God…

Hebben wij de goede ogen? Heeft ons hart voldoende geheugen? Tien zijn er genezen en maar één keert terug om te danken. En het is dan nog maar een halve gelovige. Maar hij is wel dankbaarheid en hij drukt die dankbaarheid ook uit.

U heeft het wellicht goed gadegeslagen wat die Samaritaan doet. “Hij verheerlijkte God met luider stem. Vol dankbaarheid wierp hij zich voor Jezus’ voeten neer”.  Jezus was voor hem een profeet die wonderen deed maar hij drukte ook zijn dank uit tegenover God, van wie alle goede gaven komen”. En zo ziet Jezus het ook wanneer Hij vraagt: “Is er niemand teruggekeerd om aan God eer te brengen?” Jezus aanvaard de dankbaarheid van die man, in alle nederigheid, maar Hij vindt het vooral belangrijk dat die man eer brengt aan God.

Wat kunnen we hiervan leren? Dat we echt dankbare mensen worden, dankbaar tegenover mensen. Zelfs als die voor hun dienst betaald worden, toch je dankbaarheid uitdrukken. Maar vooral als mensen je voorthelpen, of voortgeholpen hebben: je ouders, familieleden, vrienden, mensen die in toevallige ontmoetingen goed voor je waren… Dankbaarheid is een mooie bloem die vanuit ons hart naar anderen toe moet gaan.

Maar uit de schriftteksten mogen we ook leren dat een gelovig mens ook altijd eer wil brengen aan God, voor alle goede gaven, voor alle goedheid, zelfs als die langsheen mensen tot ons komt…

Je wordt mooier mens en vollediger mens wanneer je je hart volop het lied van de dankbaarheid laat zingen, een lied dat gehoord wordt door God en de mensen. De wereld en jijzelf worden er beter van. (Ben Van Vossel)

Jaar C Zondag 27 (7/09//2007)
Leef in dankbaarheid en vertrouwen 
Habakuk 1,2-3; 2,2-4 / Psalm 95 Luister heden naar Gods stam / 2 Tim. 1,6-8.13-14 / Lc. 17,5-10

Misschien zijn sommigen van u nog geïnteresseerd aan politiek. Misschien hechten sommigen van u nog geloof aan wat politiekers zeggen, vooral in de aanloop naar de verkiezingen en de regeringsvorming. Jezus roept ons in het evangelie ook op tot geloof, maar dan wel het vertrouwvol geloof van iemand die echt met God op weg is en zijn leven helemaal afstemt op God… Dat is evenwel maar een kort stukje in het evangelie van vandaag.

Jezus heeft het daarna over de ministers. Dat wil zeggen over de  dienaars. Minister betekent immers ‘dienaar’, ‘knecht’, iemand die zich in dienst heeft gesteld, iemand die door een hogere in dienst is genomen voor een bepaalde taak. En nu gaat het hier niet op de eerste plaats over federale of regionale ministers, nee, het gaat over ons.

Wij zijn door God in dienst genomen, wij hebben God aanvaard als baas. Het kan een belangrijke dienst zijn die we te doen hebben. En, om eerlijk te zijn, zelfs de eenvoudigste dienst is belangrijk als het een dienst is voor God, een dienst die Hij van ons vraagt: de zorg voor de kinderen thuis, een verantwoordelijk post in de samenleving, het leggen van telefoonkabels, het programmeren van computernetwerk voor je firma…

Maar nu moet je goed opletten wat Jezus ons vandaag wil leren. Jezus had vaak te doen met mensen die opgevoed waren door farizeeën. En die dachten altijd dat het volstond om een hoop voorschriften goed te doen, en dat je dan bij God kon aankomen om je loon omzeggens op te eisen…  Keer op keer op keer wil Jezus duidelijk maken dat God zo vol goedheid is, maar ook zo verheven is, dat je bij Hem niet kunt aankomen om iets te eisen… Hij heeft je zelfs het leven geschonken uit pure genade, uit gratische liefde, Hij houdt je vandaag in leven, Hij wil over de dood heen je opvangen in zijn liefde, Hij heeft jou zijn enige Zoon gegeven om je leven weer op het goede spoor te zetten … Ga dus nooit tot God om je loon te eisen… Hij heeft alles gratis gegeven, zoals ouders zich gans inzetten voor hun kinderen. Gaat een kind dat ’s avonds even aan moeder vragen, geef me zoveel Euro want ik heb mee de vaat gedaan…

Eis niet dit en dat van God. Geef God je hart. Geef God je dankbaarheid, je liefde. Dat is de enige prestatie die je voor God te doen hebt. En eis niets van Hem. Hij heeft jou reeds heel zijn hart gegeven… doorheen zoveel genaden. Leef in dankbaarheid en lofprijzing. Leef vanuit vertrouwen. (bvv)

Jaar C Zondag 25 (25/09//2007)
Opkomen voor armen en zwakken 

Amos 8,4-7 / Psalm 113, 1-2, 4-6, 7-8 Verheerlijk de Heer, die de armen opbeurt / 1 Tim. 2,1-8 / Lc. 16,1-13

Over het evangelie van vandaag kunnen we wel even dubben en onze mening zeggen: die onrechtvaardige rentmeester die met het geld van zijn baas zich vrienden tracht te maken; de kinderen van het licht zouden ook met wat meer overleg moeten handelen. Anderzijds waarschuwt Jezus dat je rechtvaardig moet zijn en dat je niet aan het geld verslingerd moogt zijn: je kan niet God dienen en de geldduivel… Het zijn dus nogal heel verschillende woorden. Daarom is het wellicht goed eens naar de eerste lezing te kijken om de bedoeling van de kerk te ontdekken met het thema van deze zondag. De profeet Amos, een zeer sociaal ingesteld iemand, laat God daar zeggen: “Luister eens goed, gij die de armen verdrukt en de misdeelden in het land verdelgt, gij die allerlei plannen hebt om nog meer te verdienen op de kap van de kleine man en hem tot uw slaaf maakt: de Heer heeft gezworen bij zijn heerlijkheid: Geen van hun daden zal ik ooit vergeten!”

Dat zijn de woorden die de Heer ons presenteert samen met ons zondagse krentenboterhammen.

Dat, zeggen de profeten is wat een gruwel is in Gods ogen: armen, misdeelden, weduwen en wezen, marginale mensen uitbuiten om ze helemaal te gebruiken voor je eigen egoïstische plannen…

Eigenlijk, vrienden, vinden wij dat zelf ook. Ook wijzelf vinden het afschuwelijk dat rijken en machtigen, dat mensen en groepen die over politieke en militaire macht beschikken, de zwakken, kinderen en armen nog verder uitbuiten en dienstbaar maken aan hun eigen egoïsme en machtsdromen. Laat ons hopen dat wijzelf nooit in die valstrik lopen om de invloed die we eventueel hebben te misbruiken om kinderen en financieel of psychisch zwakken uit te buiten…

Misschien, vrienden, moeten we ook verder durven nadenken over onze verantwoordelijkheid. Volg ik een beetje de gang van zaken in mijn eigen omgeving, mijn eigen buurt of stad, ons eigen land… Wat vind ik daarvan, vooral voor wat die kleinen en marginalen betreft… En als ik onrecht zie, denk ik dan eens na wat ik daaraan zou kunnen doen, desnoods samen met enige anderen of met actiegroepen te ondersteunen die iets aan dat onrecht of die achteruitstelling iets kunnen doen?

En … als we naar de wereld kijken… De gruwel in Darfoer, in Oost-Kongo en op zoveel plaatsen in de wereld. We moeten ons niet laten ontmoedigen dat het allemaal nog bestaat in onze moderne wereld. We moeten het durven onder ogen zien en ons afvragen: wat kan mijn kleine bijdrage zijn om er iets aan te doen? Welke organisatie kan ik steunen die op dat vlak werken? Welke politieke partijen zie ik hun verantwoordelijkheid nemen in het werk van grotere gerechtigheid in de wereld en verdediging van de kansarmen, de verdrukten… Ken ik geen politieker die ik mijn mening kan laten weten met betrekking tot die problematiek?

Och, vrienden, de meesten van ons hebben maar weinig in de pap te brokken. Maar dat kleine brokje mogen we toch wel aanbrengen. Voor de rest ons eigen hart zuiver houden van geldzucht, vaak de bron van zoveel onrecht en slechtheid, en … dat we niet vergeten bidden, in onze voorbeden de noden van zoveel mensen ook onder ogen brengen van God en vragen dat Hij zijn geest zendt in ons hart en over de wereld opdat het meer mag worden tot zijn wereld en een wereld waarin ook de kleinste en zwakste mag delen in het goede van deze aarde. (Ben Van Vossel)

Jaar C Zondag 22 (16/09//2007)
Herder zoals God, zorgend en barmhartig
Exodus 32,7-11.13-14 / Ps. 51,3-4, 12-13, 17 en 19 / 1 Tim. 1,12-17 /Lk. 15,1-32

 

Vrienden, vandaag is het de zondag van de verloren zoon of de barmhartige Vader, of van de herder die één schaap mankeerde en de 99 achterlaat om op zoek te gaan naar dat ene dat op de dool; ofwel die gelijkenis die Jezus vertelt over een vrouw die één zilverstuk kwijt is en heel het huis overhoop zet om dat ene te vinden… En dan telkens de vreugde van degene die zijn schaap, of haar geldstuk, of … zijn zoon terugvindt.  We kunnen ons die menselijke situaties min of meer indenken, en we kunnen best eens denken aan momenten waarop we zelf iets terugvonden dat we kwijt waren en dat ons nauw aan het hart lag. Onze onrust, ons zoeken en dan de vreugde van de terugvinding. We weten echter dat het in die drie voorbeelden van Jezus gaat over God, die op zoek is naar ons, bezorgd om ons geluk, en wat een vreugde wanneer Hij ons terugvindt om ons te overladen met zijn barmhartige liefde… Ja, God is barmhartig, vergevingsgezind, telkens opnieuw, omdat Hij zo bezorgd is om ons heil, ons geluk… We vergeten het maar al te gemakkelijk dat Jezus daarvoor gekomen is: “voor ons, voor ons heil”.

Paulus schrijft het ook aan Timoteüs vandaag dat hijzelf door God opgevist werd, hoewel hij een godslasteraar was, een vervolger en geweldenaar.  En hij plaatst er een slagzin bij: “Christus is in de wereld gekomen om zondaars te redden” Niemand moet nog vrezen dat hij te zwaar gezondigd heeft, te ver van God is afgedwaald. God staat gereed om ons vergiffenis te schenken, wij hebben alleen die stap te zetten naar Hem toe.

Uit de lezing uit het Oude Testament kunnen we bovendien nog iets anders leren: God schenkt vaak ook zijn genade aan mensen omdat anderen voor die mensen ten beste spreken. Jezus heeft zich zo voor ons gegeven en Hij pleit nog permanent voor ons ten beste. Maar ook wij mogen mensen die we kennen bij God brengen in ons gebed, ook mensen die zijn afgedwaald van God, mensen die God niet of niet meer kennen of erkennen. We mogen bidden, of beter: wij hebben als opdracht te bidden voor mensen van ons gezin, van onze familie, mensen uit onze buurt en voor vele anderen… We zouden ervan opkijken als we zouden zien hoe machtig ons gebed is voor anderen, voor hun heil, hun eeuwig heil. Dat is geen ouderwets zicht op de realiteit. Dat is gewoon het mysterie van de gemeenschap der heiligen. Wij mogen voor elkaar opkomen, ook voor onze broeders en zusters die uit de boot zijn gestapt of die God nooit op de goede manier hebben leren kennen. We zien hoe Mozes – in het Oude Testament – opkomt voor zijn volk dat zich van God had afgewend om een afgodsbeeld te aanbidden en hoe God ervan afzag om het volk te laten vallen.

Laten wij telkens en telkens weer tot God terugkeren als er iets is misgelopen in onze relatie met Hem of als we Hem geraakt hebben door zijn kinderen, de mensen, tekort te doen. En laten wij op onze beurt ook ten beste spreken voor allen met wie God ons verbonden heeft. Zo mogen wij herders zijn die verloren schapen terugbrengen naar de schaapstal door ze onder de invloed van Gods genade te plaatsen door ons voorbedegebed. Wij zijn verantwoordelijk voor het geluk, ook voor het eeuwig geluk van elkaar. Een dringende maar mooie opdracht die God ons vandaag geeft door het woord van de Schrift. (Ben Van Vossel)

Jaar C Zondag 22 (16/09//2007)
Jezus, Herder en Bruidegom
Exodus 32,7-11.13-14 / Ps. 51,3-4, 12-13, 17 en 19 / 1 Tim. 1,12-17 /Lk. 15,1-32 / Joh. 2,1-12

Gezinsdag Gemeenschap Maria-Kefas

Een herder die op zoek gaat naar het ene verloren schaap van zijn kudde, en zijn vreugde als hij het heeft weergevonden. Hetzelfde bij een vrouw die een zilverstuk verloren had en zorgvuldig haar duistere rotswoning uitveegt tot zij het hoort rinkelen en van vreugde haar buren het goede nieuws gaat melden; tenslotte die vader wiens zoon is weggelopen, zijn ongeluk tegemoet… maar die zijn zoon voluit vergiffenis schenkt en vol vreugde een welkomstfeest aanricht…  Het gaat over God, zijn grote bezorgdheid voor ieder mens en zijn hart vol liefdevolle vergevingsgezindheid…

Het lag reeds aangekondigd in het Oude Testament, waar Mozes God om vergeving bidt voor het ontrouwe volk… en God die vergeving schenkt… Hoeveel te meer nu Jezus voor ons alles weer goedmaakt als wij ons oprecht tot God willen keren, bekeren, om vergeving bidden, “Heer, ontferm U”… Want nu draait alles rond Jezus. Ook het evangelie van vandaag.

Hebt u zich nooit afgevraagd wie dat echtpaar zou geweest zijn op de bruiloft te Kana? Maria was er uitgenodigd en ook Jezus en zijn vrienden waren aanwezig. Er zal wel zoiets geweest zijn van een bruiloft waar ze wat te weinig voorzieningen hadden getroffen, of waar er meer feestvierders waren dan verwacht. En Jezus is op voorspraak van Maria wat ter hulp gekomen. Wie was de bruidegom? Wie was de bruid. Het interesseert Johannes eigenlijk niet meer. Wat hem interesseert is: dat Jezus hier zijn eerste teken verrichtten en… zo schrijft hij: zijn leerlingen geloofden in Hem.

Jezus stelt een teken. Doet iets wat een diepere betekenis heeft. De diepere betekenis is dat Hij mensen ter hulp komt die gebrek aan vreugde hebben, die niet tot het volle geluk, of het echte geluk komen. Nochtans: Hij kan overvloed van vreugde schenken, de allerbeste wijn. Hij wordt in feite de Gastheer, de Bruidegom die overvloed van vreugde schenkt en die iedereen uitnodigt op zijn bruiloftfeest. Zijn bruid, hier vertegenwoordigd door Maria, is in feite de Kerk of zelfs de hele mensheid voor wie Hij zijn leven geeft en die Hem totaal is toegewijd.

Jullie hadden al 5 kruiken gekregen op deze gezinsdag. Hier krijg je de 6de kruik, met de beste wijn.

God heeft jullie, als afsluiting van de Gezinsdag uitgenodigd op het bruiloftsfeest van zijn Zoon die met zijn bloed het eeuwig verbond sluit met de mens. In Jezus’, in zijn bloed worden wij door God aanvaard, wordt al onze schuld weggeveegd en sluit God ons in zijn armen. Doe maar wat Hij u zeggen zal, zegt Maria. En Jezus zegt: Doe dit tot mijn gedachtenis. Neem en eet. Neem en drink.. Dit is mijn Lichaam, dit is mijn bloed van het nieuwe en altijddurende verbond tot vergeving van de zonden… In de deelname aan dit heilig gastmaal krijgen echtgenoten het grote voorbeeld en de bron van hun verbond met elkaar. Hier vieren wij hoe Jezus en zijn Kerk één worden in gegevenheid aan elkaar. Hier ontvangen echtgenoten de kracht om elkaar ook trouw te zijn, vergevingsgezind, inspiratie, vernieuwing van hun liefde… Deze 6de kruik bevat het grote geheim van de liefde, van Jezus totale gave tot op het kruis waar Hij zich een Bruid heeft verworden die Hij heiligt… en trouw blijft… Leer ons liefhebben, Heer… Gij die ons tot het uiterste hebt liefgehad, Gij die U ook vandaag aan ons geeft in dit heilig sacrament. Wees onze levensbron, onze bron van liefde die blijft… (Ben Van Vossel) Gezinsdag 16/09/2007

 

Jaar C Zondag 22 (2/09//2007)
Blijf bescheiden
Sir. 3,17-18.20.28-29 / Ps. 68, 4-5ac, 6-7ab, 10-11 / Hebr. 12, 18-19.22a / Lk 14,1.7-14

Vandaag strijkt het Woord van God ons tegen de haren. Het is totaal tegengesteld aan de wereldse verlangens van een mens: succes te hebben, de grootste te zijn, je beter te achten dan de ander, je niet laten kleineren, anderen trachten voor te komen, je doen gelden. Het klinkt natuurlijk niet zo sympathiek, maar in dat bedje zijn we allemaal een beetje ziek.

Het Woord van God leert ons vandaag de nederigheid. Het Woord van God leert ons vandaag ons te verootmoedigen tegenover God in plaats van ons als sterke, zelfingenomen, hoogmoedige mens God bijna als gelijke te benaderen. Wat mag God toch blij zijn dat Hij mij heeft: zo’n zuivere, deugdzame, geestelijke mens die het door eigen kracht – en misschien ook wel een beetje met de steun van God – zover heeft kunnen brengen. Je moet eens horen wat het Woord Gods zegt: “Voor de kwaal van een hoogmoedige is er geen genezing, want het kwaad wortelt in zijn hart”.

Hoogmoed of eenvoud in de relatie met God. En dan ook tegenover mijn medemensen. Ook daar zegt het Woord van God: Blijf bescheiden, zelfs als ge rijk zijt, dan zult ge meer geliefd worden dan iemand die geschenken uitdeelt. Overigen vindt ge maar genade bij God als ge u vernedert.

Dat betekent gewoon: uw plaats kennen. Weten dat je alles gekregen hebt. Dat ge er maar zijt omdat God je gewild heeft. Dat je er ook vandaag maar bent, omdat Hij je in leven houdt. En al je goede gaven? Schrijf te gerust aan jezelf toe, maar dan vergis je je grondig. Dan weet je niet hoe juist de hoogmoed de basis vormt van de verwijdering van God.

Herinneren wij ons het sterke woord van Jezus: “Laat die kinderen toch bij Mij komen en houdt ze niet tegen, want aan hen die zijn zoals zij, behoort het Koninkrijk Gods. Voorwaar, Ik zeg u: wie het Koninkrijk Gods niet aanneemt als een kind, zal er zeker niet binnengaan.” (Lk.18,16-17).

Een hoogmoedig mens, of hij nu van de domme soort is die te pas en te onpas over zichzelf spreekt, zijn capaciteiten, zijn verwezenlijkingen, zijn bezit, of de meer geraffineerde die op een meer verdoken manier zichzelf maar steeds in de kijker wil plaatsen of anderen met bewondering naar zich doet opkijken.. beide soort stoten in feite af. Het zijn geen gezellige mensen, omdat ze zich in feite boven hun medemensen willen plaatsen en de anderen alleen maar nodig hebben voor het applaus.

In het koninkrijk Gods zijn we allen broeders en zusters, kinderen van dezelfde Vader. Hij is de grote referentie, we staan allen in relatie met Hem. De onderlinge verschillen tussen ons, zijn kleinigheden, totaal onbelangrijk. Het grote is: wij zijn zijn kinderen. De vergelijking en het de grootste willen zijn, hoort thuis in de nog niet bekeerde wereld, maar niet in het Rijk van God, niet in de gemeenschap van Jezus.

En nog dwazer is het van niet in een nederige, dankbare houding te staan tegenover de Vader, tegenover Jezus, tegenover de immer werkzame Geest van God.

Wie zich verheft zal vernederd worden. In de gemeenschap van Jezus is het zelfs zo dat omgekeerde woorden gehanteerd worden. In plaats van in de achting te staan bij hooggeplaatsten, invloedrijken die u op hun beurt zullen uitnodigen en van wie je nog wat kunt verwachten… heb aandacht voor armen en misdeelden, die het u wellicht niet kunnen vergelden. Je Vader ziet met liefde naar je manier van handelen. Hij heeft zich ook ontfermd over alwie hulp, bevrijding, vergiffenis nodig had. Het voorbeeld van Jezus’ leven en werken is daarvan de illustratie. Wij mogen Hem hier ontmoeten in zijn Woord, in deze samenkomst met zijn broeders en zusters, en in het heilige maal; zie er verlangend naar uit om zijn gezindheid in je hart te laten binnenstromen. (Ben Van Vossel)

Jaar C Zondag 21 (26/08/2007)
Gaan leven in de realiteit 
J
esaja 66,18-21 / Ps. 117 Gaat uit over de hele wereld en verkondigt het evangelie aan heel de schepping / Hebr. 12,5-7.11-13 / Lc 13,22-30

Als het er echt op aankomt

Jezus is op weg naar Jeruzalem. Hij voorziet dat het daar niet zo goed gaat aflopen met Hem. Maar vatberaden gaat Hij die weg, Hij heeft altijd gedaan en gezegd wat de Vader wilde, en nu gaat Hij niet versagen. Deze kritieke tocht brengt met zich mee dat Hij ook naar de leerlingen radicale woorden spreekt als men Hem vraagt: zij er veel die gered worden? Stel niet zo’n vrijblijvende vragen: Span je in tot het uiterste om door de nauwe deur binnen te komen… En, alstublieft, stel uw bekering niet te lang uit; het zou kunnen zijn dat het doek over je leven gevallen is en dat je geen stappen meer kunt ondernemen om je leven anders in te richten.

Het zal je niet helpen dat je Mij gekend hebt, dat je lid was van mijn beweging. Je moet gerechtig zijn: aan God geven wat Hem toekomt en je medemens beminnen en goeddoen, kortom: nu moet je het verlangen doen van je Vader die in de hemel is. Trouwens, beroem je niet op je afkomst, je familie, je ras… Gods rijk staat open voor iedereen die Gods verlangen doet.

 

Gods heerschappij of mijn plannetjes

We mogen Jezus dankbaar zijn dat Hij ons, hier bijna als een donderpredikant, wakker roept om ons tot het uiterste in te spannen om in het Rijk van God te komen. Daarin slagen we niet gewoon door dat te willen, maar door metterdaad, met heel ons leven, ons onder de heerschappij van God te plaatsen: zijn wil te doen in alles. Dit is inderdaad een opgave die het uiterste vraagt van ons, een radicale omwenteling, heroriëntering van ons leven. We geven God de touwtjes in handen, Hij mag beslissen, naar Hem richten wij ons. Dat maakt ons leven niet saai en triestig. Het legt in ons hart de diepe vrede die de wereld ons nooit kan schenken.

 

De werkelijkheid in de ogen zien

Maar het is geen wereldvlucht, geen vlucht uit de werkelijkheid. Juist integendeel: we worden uitgenodigd om ons leven ernstig op te nemen en ermee rekening houden dat de tijd die ons hier gegeven is uiteindelijk beslissend is voor eeuwig. Als christenen geloven we niet in de reïncarnatie alsof we nog enkele keren kunnen herkansen als dit leven ten einde loopt. Het huidige leven moeten we volledig ernstig opnemen. Dat leven wordt dan door God op zijn waarde gemeten. Niet dat je enorm belangrijke zaken moet gedaan hebben, menselijk bekeken. Maar of je leven de richting had die God graag wou. En van ieder wordt niet evenveel gevraagd, want aan ieder is niet evenveel gegeven. Het oordeel behoort aan God. Maar ieder van ons, zeker als we christen zijn, wordt opgeroepen om te leven in geloof en vertrouwen en liefde. In geloof in God, dat Hij je gewild heeft en van je houdt, in vertrouwen dat Hij van je blijft houden ondanks alles wat het leven ons soms biedt, en in liefde voor die God van liefde en in liefde voor je medemens, naar het voorbeeld van God, ons aller Vader.

Heer – Ontferm U
Het lijkt eenvoudig. Maar wij maken het heel ingewikkeld omdat we enerzijds onze eigen plannen hebben en anderzijds te veel rekenen op louter menselijke krachten en te weinig beroep doen op God. De les uit deze evangelielezing is in dat geval dat we de keuze maken om ons onder Gods heerschappij te stellen en dan ook meer bidden “Heer, ontferm U”, dat wil zeggen: met onze tekortkomingen naar God komen en Hem vragen om kracht. (Ben Van Vossel)

Jaar C Zondag 20 (19/08/2007)
Ondanks het kruis: geloven en getuigen! 
Jer. 38,4-6.8-10 / Ps 40 / Hebr. 12,1-4 / Lk 12,49-53

We worden vandaag als christenen opgeroepen om met moed onze weg als christen te gaan, radicaal, zonder omwegen, zonder te verzwakken. De Hebreeënbrief verwijst ons naar Jezus, de aanvoerder en voltooier van ons geloof. Je moet naar Hem opzien, zegt deze brief, “in plaats van de vreugde die Hem toekwam heeft Hij een kruis op zich genomen en Hij heeft de schande niet geteld: nu zit Hij aan de rechterzijde van Gods troon”. Maar voor zo’n radicale weg schrikken we wel eens terug. Trouwens, als we dan toch naar Jezus moeten opzien: in het evangelie van vandaag horen we Hem zeggen: Ik moet een doopsel ondergaan, en hoe beklemd voel Ik mij totdat het volbracht is. Als mens schrikt Jezus terug voor dat doopsel van het lijden. Maar er is in Hem dat onblusbaar verlangen om een vuur te brengen op aarde, het vuur van harten die op God gericht zijn en die het verlangen van de Vader willen volbrengen. Wanneer je als mens, als christen echt aan God wil toebehoren en zijn verlangen wil doen, staat ook het kruis, het lijden op je weg. De profeet Jeremia die ons in de eerste lezing wordt voorgesteld, heeft het ook ondervonden en hij werd in de modder van een vergeetput geworpen waaruit hij ternauwernood gered werd.  

Dit zijn de gegevens en voorbeelden uit de woorddienst van deze zondag, de dag van de verrijzenis van de Heer. Als zijn Gemeenschap zijn wij hier samen, volgelingen van de Gekruisigde en Verrezen Heer. Als christen, levend in deze wereld van verleiding, zwakheid, hoogmoed, wrok …, maar met deze wereld ook in ons eigen hart, zitten wij vaak gewrongen. We leven in een soort van vervolging, beproeving, verzoeking en lijden. We ervaren onmacht en ook vrees om radicaal christen te zijn. Zou Jeremia het zo interessant gevonden hebben in de modder van die vergeetput? Zou het kruis zulk een aangenaam iets geweest zijn voor Jezus? Wat hen beiden gebonden hield was hun radicale gegevenheid aan God en aan zijn wil, aan de zending die Hij hun had toevertrouwd…

Dat we terugschrikken, dat we een gemakkelijker leven, dat we een aantal verlokkingen soms zouden verkiezen, het is heel menselijk. Maar we weten dat we tot een hoger leven geroepen zijn. En … dit is onze troost: dat we er niet alleen voor staan. We mogen opkijken naar Jezus. Dat zeker. Maar we mogen zijn Naam ook aanroepen. Wij mogen voortdurend op Hem beroep doen, zoals de Kerk ons dat voordoet: Heer ontferm U. Lam van God, ontferm U over ons. Gij die wegneemt de zonden der wereld, ontferm U over ons. Wees onze kracht, Gij die ons door uw heilig kruis hebt verlost.

Misschien, vrienden, blijven wij zulke halve christenen omdat we het teveel op eigen kracht willen proberen en dan vaststellen dat het onze kracht te boven gaat, we doen zelfs de moeite niet meer om radicaal christen te zijn. De oplossing van dit ter plaatse trappelen of van dit lakse christelijk leven is: roepen om hulp. “Heer, red ons, wij vergaan”, of zoals Petrus: “Heer, red mij”. “Jezus, Zoon van God, ontferm U over mij”.

Laten wij de Naam van Jezus wat vaker in de mond nemen en vanuit ons hart met veel geloof op Hem roepen, opdat Hij ons helpt in zijn spoor te gaan om wat meer licht uit te kunnen stralen in deze wereld. (ben van vossel)

Jaar C Zondag 19 (12/08/2007)
Een onuitputtelijke schat in de hemel
Wijsh. 18,6-9 / Ps. 33, 1 en 12, 18-19,  20 en 22 / Hebr. 11,1-2.8-19 / Lc. 12,32-48

In de eerste lezing gaat het over de nacht van de Uittocht door het volk van de Israëlieten dat in Egypte verdrukt werd en als slaven behandeld. Ze hadden de belofte ontvangen vanwege God dat Hij hen zou redden. En daarom hadden ze zich daar innerlijk en door het offermaal op voorbereid en zongen ze reeds hun oude liederen…

In de tweede lezing bezingt de Hebreeënbrief het geloof van Abraham die zonder de minste materiële zekerheid toch durfde vertrouwen op God en zijn beloften. En zeer veel anderen zijn hem in dat geloof op God gevolgd. Ze zijn gestorven zonder dat ze het openbloeien van dat heil en die beloften hebben gezien. Ze hebben enkel vanuit de verte gezien. Ze voelden zich als vreemdelingen en passanten op aarde. Ze wilden niet terugkeren naar het land dat ze verlaten hadden, maar ze hadden heimwee naar een ander en beter vaderland: het hemelse.

Op die beloften en op die manier van leven gaat Jezus verder in wanneer Hij aan de mensen die Hem willen volgen zegt: “Weest niet bevreesd, kleine kudde; het heeft uw Vader behaagd aan u het koninkrijk te schenken.” Maar, dan komt de kat aan de koord. Je moet het zwaartepunt van je leven dan ook verleggen. Je moet de zekerheid van je leven, je laatste zekerheid en de dragende kracht en inspiratie en je houvast niet leggen in materieel bezit en aardse zekerheden. Zorg dat je een geldbeurs hebt, die niet verslijt en verwerf u een onuitputtelijke schat in de hemel…

Ja, wat! Alles uit handen geven? Onze ogen niet gewoon gericht houden op de meest recente beursberichten? Niet voortdurend begaan zijn om onze contacten te onderhouden om geen opdrachten mislopen of om toch in de aandacht te blijven van de baas en allerlei waardevolle relaties?  Jezus zegt het nogal cru, zonder omhaal: “waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn”. Wat Jezus hier zegt zat er al aan te komen vorige zondag met die man die Jezus vroeg om te bemiddelen in een erfeniskwestie. “Pas op voor alle hebzucht, zei Jezus. En dan het verhaal van iemand die meent een grote slag te hebben gedaan, maar aan wie God zegt: nog deze nacht komt men je leven van je opeisen. Zo gaat het met iemand die schatten vergaart voor zichzelf, maar niet rijk is bij God”. (Lk 12,21). Ik heb een rijkdom voor vele jaren, zei die man die geluk had in zijn zaken. “Dwaas”, zegt God. Met al je plannen ben je geweldig kortzichtig. Het ligt in de lijn van wat de Hebreeënbrief ons vandaag zegt: “Het geloof is een vaste grond van wat wij hopen, het overtuigt ons van de werkelijkheid van onzichtbare dingen” (Hebr. 11,1).

Jezus nodigt ons vandaag uit om concreet op weg te gaan met God voor ogen. Om ons leven te laten verlopen onder Gods oog. Je moet niet zeggen: och, God ziet mij niet. Och, het leven is nog lang, ik zal er nu maar wat van profiteren, zonder rekening te houden met God en mijn medemensen…  Dwaas. Je leeft buiten de werkelijkheid. Er is maar één werkelijkheid. De werkelijkheid waarin God aanwezig is. Als je God buitensluit uit je aandacht, buiten je relaties houdt, buiten je zakendoen, buiten je ontspanning, buiten je werk… dan leef je in de scherts, in de onwerkelijkheid, dan maak je je illusies.

Die aanwezigheid van God moet heel ons leven doordringen. Het is geen aanwezigheid die het leven triestig maakt, maar die ons leven een diepere dimensie geeft, een herscheppende kleur die van binnen uitstraalt… Om te leven vanuit die aanwezigheid van God moeten we elke dag wat tijd maken om bij God te zijn. Van daaruit zal zijn gelaat duidelijker gaan stralen, zullen we ons meer en meer bewust worden van zijn aanwezigheid in ons leven, van zijn aandacht voor alles wat we doen. Wij zullen stilaan de vrede in ons hart aanwezig voelen, doordat we onze ogen niet meer zo gericht houden op wat niet de moeite waard is, maar op wat niet vergaat; de gezindheid waarmee we alles, ook de meest materiële zaken doen, is dan immers verankerd in God en zijn verlangen. Laat ons naar Jezus opzien hoe Hij het deed en laten wij ons voeden aan zijn aanwezigheid in deze heilige Eucharistie waarin Hij ons zijn Woord en het Brood van zijn aanwezigheid aanreikt. (Ben Van Vossel)

Jaar C Zondag 18 (5/08/2007)
Christenen maken tijd voor God
                  Wijsh. 18,6-9 / Ps. 33, 1 en 12, 18-19, 20 en 22 / Hebr. 11,1-2.8-19 Lc. 12,32-46

Ik had de tijd niet om het artikel in de weekendkrant serieus door te nemen, maar de titel trof mij toch: “Christenen hebben geen tijd meer voor God”.  Ik meen me te herinneren dat het over de Verenigde Staten ging Maar ik meen dat ik ook de naam van de Filippijnen zag.  Christenen die geen tijd hebben voor God. Kom dat tegen! Och, we moeten niet verwonderd doen. Je komt dat, je komt die heel vaak tegen. We moeten zelfs niet verder kijken dan onszelf. Christenen die geen tijd hebben voor God. Wel, we gaan niet overdrijven. We proberen zo wat te leven volgens de christelijke moraal, we trachten  een halfuurtje in de week aan God te wijden – tenzij als het te druk is met vakantie nemen of zo – en we doen ook wel eens een goed werk, althans we hebben compassie met mensen die in nood zijn – al we eraan denken en we tijd hebben storten we ook wel eens iets voor een karitatief werk en als het ons goed uitkomt gaan we ook wel eens een ziek familielid bezoeken, zo eens heel vlug…

Vrienden, als ik het evangelie van vandaag naast dat krantenbericht leg, dan besef ik dat we iets niet gesnapt hebben. In dat evangelie nodigt Jezus ons uit tot een hemelhoog perspectief, en wij lijken niet verder te zien dan onze neus lang is. Een heel beperkt zicht dus. Opgaand in het onmiddellijke. Ooit noemde een christelijk filosoof, Kierkegaard dat: de scherts. Je laten opeten door het onmiddellijken. We mogen eraan toevoegen: je laten opeten door het materiële, door het bezigzijn, door de drukte. In plaats van alles ook eens te bekijken vanuit de echte werkelijkheid, vanuit het zicht van God.

Da lijkt wat wereldvreemd, maar het is het enig juiste perspectief. Dat vervreemdt ons niet van de wereldproblemen, noch van onze alledaagse problemen en onze alledaagse taak en de alledaagse mensen waarmee we te maken krijgen. Maar er is een ander zwaartepunt. Misschien menen we nu dat we het zwaartepunt in onszelf gelegd hebben, maar dat is niet zo: we zijn van onszelf vervreemd als we ons laten leiden door het onmiddellijken, het materiële, datgene dat zich aandient, zonder dat we te rade gaan bij de kern van onszelf, daar waar God is. We moeten thuiskomen bij onszelf, bij ons diepste zelf, thuiskomen bij God om alles op de juiste manier te kunnen beschouwen en beoordelen, op zijn juiste manier naar waarde te schatten, naar belangrijkheid…

Wanneer we zo bij God thuiskomen, wanneer we opnieuw God vinden, hervinden we ook onszelf en kunnen wij op de goede manier in het leven staan. Sommige zaken zullen we direct doen, andere zullen we wat uitstellen of zelfs schrappen. Thuiskomen bij God.

Ieder van ons moet dan nog de vraag stellen aan zichzelf: wat betekent dat voor mij: tijd maken voor God? Het is mijn diepe overtuiging dat we – elk volgens eigen levensstaat en levensomstandigheden – werkelijk tijd, letterlijk tijd moeten maken om de relatie met God te cultiveren.  Zelfs als ik niet goed kan bidden, als ik niet weet hoe dat eigenlijk moet. Dat moet ik daar toch nog gaan zitten, mijn werk opzij leggen, echt opzij leggen, en tijd vrij maken (!) voor God. “Heer, hier ben ik. Ik zou nog van alles moeten doen, ik zou nog van alles willen doen, maar hier ben ik, Heer, alleen voor U. Zoals Gij er de hele tijd zijt voor mij. Ik dank U, Heer.”

Christenen hebben geen tijd meer voor God. Vrienden, spreek die krantentitel tegen, niet door een “brief aan de redactie”, maar door de brief van uw leven. Zoals de Bijbel en het leven van Jezus een liefdesbrief is aan ons (kijk eens terug naar de preek van vorige week), maak zo van uw leven en van de expliciete gebedstijd een liefdesbrief aan God. (Ben Van Vossel)

 

Jaar C Zondag 17 (29/07/2007)
God, de barmhartige Vader

Gen. 18,20-32 / Ps. 138, 1-2a, 2bc-3, 6-7ab, 7c-8 / Kol. 2,12-14 / Lucas 11,1-13

Enige ideeën

De Woorddienst van vandaag gaat over God. Over de barmhartige, vergevingsgezinde liefde van God. Het gaat over de Vader die zich in Jezus geopenbaard heeft als de barmhartige. Ook in de Islam krijgt God de telkens weer herhaalde naam: "barmhartige Erbarmer". Inderdaad een van de grootste eigenschappen van God. Die dan ook een eigenschap van zijn kinderen moet zijn, een voorname eigenschap van gelovige mensen. Abraham mag een voorbeeld zijn voor alle gelovigen: nadat Hij God heeft onthaald  in zijn tent, nadat God Hem een grote gunst heeft gegeven en hem nu in vertrouwen neemt omtrent de straf die de zondige steden boven het hoofd hangt, gaat hij voor die steden ten beste spreken. In plaats van de verwoesting van die slechte, die ongelovige steden te wensen, gaat Abraham een beroep doen op de barmhartigheid, de vergevingsgezindheid van God. Een verre voorafbeelding van Jezus die door de Vader gezonden is om de zonde van de wereld op zich te nemen en de mensheid met God te verzoenen. Wie God echt kent, wie op God wil gelijken weert de jaloersheid, de hardheid, de wraakzucht uit zijn hart en wil het geluk van alle mensen mee bewerken.

 

Maar het gaat hier over meer dan deze morele toepassing. Het gaat hier over God. Als we God niet echt kennen, zijn onvoorwaardelijke liefde, dan zullen wij het inderdaad moeilijk hebben om radicaal en consequent onvoorwaardelijke liefde te schenken aan mensen. Kijken wij dus naar God zoals Hij ons in de eerste lezing wordt afgeschilderd. Een bovenmate barmhartige God, die tot het uiterste gaat in het vergiffenis schenken van steden die zich totaal van zijn verlangen hadden afgewend en een schandvlek geworden waren op Gods schepping. We vragen ons misschien af: maar waarom moeten er nog tien rechtvaardigen zijn? God heeft de mensheid zijn vrijheid gegeven, zijn vrije wil waardoor hij zelfs tegen God kan kiezen. In dit verhaal wordt ook die openheid nog gelaten dat een mens Gods liefde echt kan weigeren, dat men echt tegen de liefde kan kiezen… Dat gaatje toont ons het risico van onze vrijheid.

In het evangelie gaat Jezus zijn leerlingen leren bidden. Zij hadden gezien en gehoord hoe Jezus bad en zij hadden er weet dat Johannes de doper zijn volgelingen ook leerde bidden. En Jezus doet leert het hun. “Wanneer ge bidt, zegt dan: "Vader”. Zeg dan: Vader... Een vader staat aan zoals de moeder aan de oorsprong van het leven. Een vader staat voor de zorg en geborgenheid van het kind. Een vader draagt het kind in zijn zwakheid. Een vader berispt het kind om het in de goede richting te wijzen. Een vader schenkt vergeving want hij blijft van zijn kind houden. Een vader… Maar het gaat hier over God “naar wie alle vaderschap. in de hemel en op aarde genoemd wordt” zoals de brief aan de Efesiërs zegt (Ef. 3,15). Barmhartige liefde is zijn handelsmerk zoals ook in de brief aan de Kolossenzen gezegd wordt: “Hij heeft al onze zonden vergeven. Hij heeft de oorkonde verscheurd die met haar bezwarende bepalingen tegen ons getuigde, Hij heeft haar vernietigd en aan het kruis genageld” (2de lezing uit Kol.2,13c-14).

 

Jezus spreekt ons verder over God, die met overvloed van gaven en genaden gereed staat voor de mens. Maar zijn wij er gereed voor? Is de mens voldoende op God gericht om die goede gaven te willen ontvangen? Jezus leert ons dat we naar God moeten opzien, dat we Hem bij de mauw moeten durven trekken. Zoals een kat met haar miauwen de aandacht op zich wil trekken als ze iets nodig heeft, zo moeten wij, als kinderen van de Vader, tot Hem gaan en onze noden kenbaar maken. We moeten meer in contact treden met de Vader. We moeten de gewoonte hebben Hem meer te spreken over wat ons op het hart ligt, meer onze gewone noden kenbaar maken, naast onze vreugden en dankbaarheid. “Vraagt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt en er zal worden opengedaan. Want al wie vraagt, verkrijgt; wie zoekt, vindt; en voor wie klopt, wordt opengedaan (Lk 11,9-10).

 

Dit evangelie gaat dus niet enkel over God, zijn onmetelijke, barmhartige liefde. Het gaat ook over ons, onze relatie tot God, die een kinderlijke, vertrouwvolle relatie moet zijn. Een relatie tot de Vader van Jezus Christus die Hij ons heeft leren kennen als een vergevingsgezinde Vader, een Vader voor armen en weduwen, dat wil zeggen voor alle zwakken en hulpelozen en voor allen die zich gewoon bewust zijn van hun beperktheid als mens en naar Hem toe komen. Laten wij ons dan met heel ons wezen begeven in die vader-kind-relatie, laat ons met vertrouwen tot de Vader gaan, in alle openheid, wetend dat we in Jezus rechtstreeks toegang hebben tot het hart van die Vader, die ons bovendien zijn geest wil schenken opdat we op onze beurt ook barmhartige liefde zouden kunnen zijn in onze kille wereld. (Ben Van Vossel)

Jaar C Zondag 16 (22/07/2007)
De juiste keuze maken 
Genesis 18,1-10a / Ps. 15, 2-5 / Kol; 1,24-28 / Lc. 10,38-42

Het is eigenlijk een heel sterke woorddienst die de Kerk ons laat doormaken vandaag. Opvallend is vooral de sterke parallel tussen de eerste lezing uit het Oude Testament en de Lezing uit het evangelie. In beide gevallen gaat het over mensen die hun leven openstellen voor God. Ze onthalen God, ze scheppen ruimte voor God en vinden het echt de moeite waard om Hem zo goed mogelijk te onthalen. Abraham die op het heetst van de dag bij de ingang van zijn tent zit en met Oosterse gastvrijheid God onthaalt en het beste wat hij heeft voorzet. En in het evangelie hebben we de twee zussen Martha en Maria, die Jezus onthalen. Ze doen het elk op hun eigen manier. Martha, de huismeesteres, doet het vooral door Jezus als gast te onthalen op allerlei lekkere spijzen… Maria, zit aan Jezus’ voeten en luistert naar Hem. Begrijpelijk dat Martha er eens een moment komt bijstaan en Jezus vraagt dat Hij Maria zou zeggen dat ze ook wel wat mag meehelpen. Och, Martha,  je moet niet zo bezorgd zijn om al dat materiële. Één gerecht is genoeg. Maria heeft het beste deel gekozen en het zal haar niet ontnomen worden.

We kennen dat verhaal en we hebben zo onze ideeën over Martha, de dienstbaarheid in persoon en anderzijds die Maria, die geen hand uitsteekt en gewoon wat bij Jezus zit en Hem zijn verhaal laat vertellen, een verhaal waar je zelf ook deugd aan hebt.

We moeten hier niet zitten afwegen wat het belangrijkste is: dienstbaarheid of godsdienstigheid.

Maar we moeten toch echt eens luisteren naar wat Jezus zegt. Hij is er niet afkerig van dat men Hem iets voorzet.  Hij weet dat Hij daar welkom is, en dat potje thé of een voedzaam maal, goed. Maar Jezus wil nog op een andere manier bij mensen komen. Jezus wil op een andere manier bij ons komen. Wij kunnen wel denken: ik moet nog dit, ik moet nog dat, ik moet allerlei dingen doen om bij Jezus in de smaak te vallen, om Hem te dienen…

De vraag is of Hij dat allemaal wel wil, of Hij dat alles wel vraagt. Hij is met zo weinig tevreden. Hij heeft zo weinig nodig. Maar Hij vraagt vooral dat we openheid scheppen in ons hart en in ons leven. Dat we inzien dat Hij ons veel meer te geven heeft dan wij Hem kunnen aanbieden. Wij willen Hem soms volproppen met onze prestaties, maar Hij wil dat we genieten van zijn aanwezigheid. Hij wil dat we gewoon wat bij Hem komen zitten. “Ja maar, dat is mijn natuur niet.” Kijk, Jezus vraagt het ons vandaag: kom wat bij Mij zitten. Laat mij eens uitspreken. Laat mij eens spreken tot je hart. Luister eens naar wat Ik je te zeggen heb. En jij mag ook alles zeggen wat je op je hart hebt… En je mag ook gewoon maar zwijgen en in mijn nabijheid zitten”. Dat is het beste deel…

Vrienden, Jezus strijkt ons met deze woorden tot Martha wat tegen de haren in. Is dienstbaarheid dan niet belangrijk? Vorige week heeft Jezus ons nog gewezen op de hulp aan onze naaste. Hoe wijzelf de naaste moeten zijn van elke mens op onze weg. Inderdaad, maar dat was ook weer het tweede gebod. Het eerste was: Hou van de Heer uw God met heel uw ziel en heel uw verstand, met heel je hart en al je krachten. Dat is het eerste en voornaamste gebod. Het tweede is: Hou van je naaste zoals van jezelf”. Juist, zei Jezus, doe dat en je zult het echte leven kennen. Maar het eerste eerst.

Weten dat wij God meer nog hebben dan Hij ons nodig heeft. En daarom tijd maken voor God. En onze naaste dan? Vanuit het luisteren met ons hart naar wat de Heer ons te zeggen heeft, zullen wij wel tot de mensen gezonden worden. Jezus zal ons tonen hoe wij naaste kunnen zijn voor onze naasten. Maar we moeten de zaken niet omkeren. Eerst inspiratie en kracht opdoen, ons hart laten evangeliseren, ons hart laten vormen door de Heer in het gebed, in de ontmoeten met de Heer in de Eucharistie, en dan zullen wij Hem ook kunnen dienen in de mensen die Hij op onze weg zendt. (ben van vossel)

 

Jaar C Zondag 15 (15/07/2007)
Wie is mijn naaste? 
Deut. 30,10-14 / uit Ps 69 / Kol. 1,15-20 /Lk 10,25-37

Wat moet ik doen om door God aanvaard te worden? De vraag is wat te algemeen, is zelfs in Jezus opvatting een beetje te pretentieus, omdat Gods liefde gratis is. Maar als je wil weten hoe je als kind van God moet leven, wel, wat staat daarover in de heilige Schrift? Wat komt daar naar voor als het wezenlijke, het belangrijkste? God de Heer liefhebben met heel je wezen en je naaste zoals jezelf. Zo eenvoudig is het. En wie andere zaken naar voor schuift of zaken die echt ingaan tegen die twee wezenlijke geboden, die bevindt zich op een dwaalweg, die voor henzelf en vaak voor vele anderen een weg van onheil is, van mensontwaarding, van terrorisme, van uitbuiting en verdrukking door de machtigen van kinderen en economisch of psychisch zwakken, van bevolkingsgroepen die niet aan de bak komen enz.…

Probeer dus die twee geboden, die twee wegwijzers naar het echte leven in praktijk te brengen en God zal met welgevallen naar jou kijken.

Maar wie is mijn naaste? De vraag was eigenlijk overbodig. Die man die overvallen werd en in ellendige toestand werd achtergelaten was natuurlijk de naaste van ieder die daar voorbijkwam.

Wie is mijn naaste? Och, eigenlijk weten wij dat zeer goed. Het christendom – wat onze politiekers en aftandse mediamensen ook mogen beweren – het christendom heeft ons nog wel zo diep beïnvloed dat heel goed weten dat ieder die onder onze aandacht komt, dat ieder met wie we te maken krijgen, direct of langsheen allerlei berichtgeving… onze naaste is. Mijn naaste is.

Een andere vraag is natuurlijk wat ik voor die naaste kan doen? Als we daar wat meer over nadenken gaan we daar bijna als vanzelf een antwoord op vinden. Wat kan ik doen voor de mensen in Darfoer? Wat voor de uitgebuite Congolezen, uitgebuit door eigen politiekers en buitenlandse mijnbouw?  Wat kan ik doen voor zoveel problemen in allerlei landen? Ik persoonlijk meestal zeer weinig. Soms kan ik langsheen een of andere drukkingsgroep, langs een of andere handtekeningenactie onze politiekers wat mee stuwen in de richting van aandacht en hulp voor verdrukten…

Wie is mijn naaste? We vragen ons wellicht soms af: maar waarom bidden we in de voorbeden zo vaak voor allerlei wereldproblemen? Wij geloven dat ons gebed, zeker als het ook gepaard gaat met daadwerkelijke inzet of acties, invloed heeft voor de groei naar meer menselijkheid. Het heeft ook een directe invloed op onze interesse voor die problemen, het maakt ons innerlijk meer mens, een mens met wereldwijde interesses.

Maar wie is mijn naaste? Laten we maar eens goed om ons heen kijken. Dat mag hier, maar dat moet vooral bij ons thuis, in onze buurt, op ons werk, onze vereniging, als ik op bezoek ga in het ziekenhuis… Naast mijn zieke ligt ook nog een andere, die misschien nooit bezoek krijgt. Een glimlach, een vriendelijk of belangstellend woord gaat die naaste ook deugd doen.

Mijn naaste? “Wat ge voor de geringste van mijn broeders hebt gedaan hebt ge voor Mij gedaan”. Ja, het kan gaan om de helft van je mantel zoals bij de heilige Martinus, het kan gaan om wat broederlijk delen, het kan gaan om een kleine dienst, om een dagelijkse inzet, om trouwe opvoeding van de kinderen, om hen meedelen wat het allerbelangrijkste is: je geloof, je liefde. Niet opdringerig, niet flauw. Opvoeding durft ook eisen stellen naar de kinderen, maar je mag hen het mooiste niet onthouden: je geloof. Dat kan je niet opdringen, maar je leeft het voor, je getuigt ervan in alle eenvoud en je helpt je kind dat geloof te beleven, ook doorheen de dienstbaarheid aan mensen om je heen en hulp aan mensen veraf.

Wie is mijn naaste? Laten we het vandaag toch nog maar eens vragen aan de levende Heer in ons midden, de Heer die ons leven wil richten naar het echte leven. En luister in je hart, ook in de loop van deze week. En handel ernaar. Het laatste woord van het evangelie was een zending, een oproep tot actie: “Ga, en doe gij evenzo”. Woord van uw Heer. (ben van vossel)

Jaar C Zondag 14 (8/07/2007)
0ok jij bent gezonden om te getuigen
Jesaja 66,10-14c / Psam 66,1-3a.4-5.6-7a.16 en 20 / Gal. 6,14-18 / Lk. 10,1-12.17-20

Vorige week handelde de woorddienst over het maken van een keuze, de uitnodiging tot radicale keuze om de Heer te volgen en je in dienst te stellen van zijn Rijk. Misschien hebben we daar met heel ons wezen ‘Ja’ op gezegd. Vandaag worden we dan gezonden, in dienst van Jezus’ Rijk, om het Goede Nieuws te brengen aan de wereld.  Goed Nieuws, Blij Nieuws. Vrede en welvaart, zo klinkt het in de lezing uit het Oude Testament. In het evangelie worden door Jezus 72 van zijn leerlingen uitgezonden, twee aan twee, om zijn komst voor te bereiden: om zieken te genezen, en te verkondigen dat Gods Rijk, Gods koningschap nabij is…. De leerlingen gaan op weg en vol blijdschap keren ze terug: In Jezus’ naam hebben ze zelfs duivels kunnen uitdrijven. Ze vinden dat fantastisch. Jezus zegt hun: wees vooral blij omdat uw namen staan opgetekend in de hemel…

We hebben wel eens gedacht dat priesters en missionarissen vooral, uitverkoren waren om het Blijde Nieuws, het evangelie te verkondigen. Dat is ook vandaag zo, maar we zijn ondertussen ook gaan inzien dat eigenlijk ieder gedoopte geroepen en gezonden is om het Blijde Nieuws te verkondigen. Misschien dan niet van op de preekstoel, maar zin de dagelijkse omgang met mensen, door een goed woord waarin een christelijk getuigenis steekt, en vooral ook door onze manier van leven, van omgaan met mensen…

Toch is het goed ons scherper bewust te worden van die roeping en zending. Sedert mijn doopsel en vormsel ben ik door God geroepen en gezonden om zijn getuige te zijn, om te getuigen dat God de eerste plaats moet hebben in ons leven, om te getuigen hoe heerlik het is God als Heer te  hebben in je leven, hoe heerlijk het is je door God te laten leiden en hoe goed het zou zijn als over heel de wereld er wat meer naar God geluisterd werd en we ons wat meer zouden gedragen volgens Gods verlangen… Natuurlijk niet naar een zogenaamd verlangen van God zoals sommige extremisten en terroristen Hem in hun kraam hebben ingepast. Maar het verlangen van God dat het heil van de mens, van ieder mens op het oog heeft.

Ons door God laten zenden. Mij door God laten zenden. Ben ik mij daarvan bewust? Ga ik daarmee akkoord? Hoe ga ik vandaag van God getuigen? Hoe ga ik vandaag trachten een of andere persoon te spreken over de schoonheid van het christelijk leven? Hoe ga ik vandaag door mijn leven, mijn dienstbaarheid, mijn eerlijkheid, mijn verdraagzaamheid, mijn bereidheid tot verzoening… getuigen van wat God in mensen kan doen, hoe ga ik tonen en hoe het er in God Rijk aan toegaat?

Vandaag wordt ieder van ons uitgenodigd om aan Jezus te zeggen: “Heer, ik heb voor U gekozen. Ik wil in uw dienst staan. Toon mij hoe ik vandaag kan getuigen van U en van het Blijde Nieuws dat Gij gebracht hebt. Leer mij ook hoe ik mij kan voorbereiden op dat getuigenis”.

In de Eucharistieviering van vandaag willen wij bidden voor al onze missionarissen. Ook voor de vele lekenmissionarissen die zich vandaag reeds inzetten over heel de wereld, voor een beperkte of langdurige tijd of levenslang, voor de nieuwe gemeenschappen die door de Geest zijn gewekt om op een aangepaste wijze en met vernieuwde ijver en dynamisme en creativiteit het Blijde Nieuws van het evangelie verkondigen aan de mensen van deze tijd. Moge Gods Geest hen allen bezielen, sterken, bemoedigen en toerusten met alle gaven die ze nodig hebben om in deze tijd het evangelie te verkondigen. Blij  om wat ze mogen doen, blij omdat ze door God bemind zijn met bijzondere genegenheid. (ben van vossel)

Jaar C Zondag 13 (30/06/2007)
Maak de goede keuze ! 
1 Kon. 19,16b.19-21 / Ps. 16,1-2a en 5. 7-8.9-10.11 / Gal. 5,1.13-18 / Lc. 9,51-62

 Boven deze zondag zouden we kunnen zetten: zondag van de keuze. Niet van de verkiezingen. In zekere zin wel van de uitverkiezingen. Elisa, een landbouwer, wordt uitgekozen om Elia, de grote profeet,  op te volgen. Maar hij blijft vrij om ja te zeggen of om die uitverkiezing te beantwoorden en profeet te zijn: het volk te zeggen waar het op aankomt, waar ze moeten op letten om het echte geluk niet voorbij te lopen… Een echte hondenstiel, want mensen hebben niet graag dat je hun zegt, pas op, dat moet je niet doen, of, let op, zie dat je dat niet vergeet want het is belangrijk. Ik weet zelf wel wat ik te doen en te laten heb. Ik wil vrij zijn en me niet laten betuttelen. Profeet, een hondenstiel.  En veel profeten hebben het aan de lijve ondervonden. Vooral de echte profeten. Valse profeten die de mensen maar naar de mond praten, die werden gerust gelaten. Maar een echte profeet, die zijn mond durft openen en durft zeggen waar het op aankomt en waar de wil van God ligt, hij moet op zijn tellen letten.

Keuzevrijheid. God laat ons vrij, God heeft ons geroepen om te leven als vrije mensen… Ja, zegt Paulus in zijn brief aan de Galaten, maar niet om de zelfzucht in te volgen, dat leidt tot ongebondenheid en dus in feite tot onvrijheid… Je laat je dan in feite opnieuw het slavenjuk opleggen, je bent gebonden door je driften, door je zelfzucht; je blijft dan onder de maat van je roeping als mens en je maakt ondertussen ook  anderen ongelukkig. Denk maar aan de gevolgen van uitbuiting op kleine en grote schaal, de kwalijke gevolgen voor de armen; denk aan het egoïsme in het huwelijk, in de zakenwereld, in allerhande beroepen… Eigenlijk zou het allemaal tot opbouw moeten dienen van een meer humane samenleving, maar het wordt hard tegen onzacht als we allen alleen maar aan onszelf denken. In feite wordt een maatschappij ontwricht als ze God buitensluit of als ze de medemens buitensluit… Zo’n maatschappij vertoont dan allerlei uitwassen, kwalijke gezwellen, etterbuilen… Vlak vóór de zaak Dutroux gingen er reeds stemmen op om de pedofilie te promoten, niet meer strafbaar te stellen… Op het vlak van euthanasie, abortus bepaalt de Westerse samenleving haar eigen grenzen, of een absoluut recht om het recht in eigen hand te nemen… Het is als een donkere wolk die zich uitspreidt over het leven van de mens, over de zwakke, de allerzwakste in de moederschoot, de bejaarde die het niet meer ziet zitten en die in een maatschappij zonder Godsbesef ook de menselijke mantelzorg niet meer radicaal wenst op zich te nemen. De zwakke, de beproefde staat in de kou en wil dan maar wegzijn… Begrijpelijk dat Paulus zegt: Leef naar de Geest, dan zult ge niet uitvoeren wat de zelfzucht – of een al te menselijk begrepen humanisme – dicteert.

Het is een radicale keuze. Maar zo gaat het wanneer je echt voor Christus kiest. Dan is er geen aarzeling, dan i er geen “ja, maar”, of: “wacht nog even Heer, ik wil eerst nog een tijdje zelf de baas spelen, baas in eigen buik, baas over het leven, baas over mijn financiële en andere plannen… zonder mij te laten gezeggen door wat God wil.  Jezus volgen vraagt een onderwerping van heel ons leven aan wat God ervan vindt: van mijn plannen, van mijn manier van leven en denken en spreken… Wat vindt God ervan? En dat is het enige wat telt. Natuurlijk kan ik met een verkeerd Godsbeeld zitten, en dan is het ook gezond om je af te vragen: dient dit de mens? Is dit mensopbouwend? Of is dit een dienst aan mijn egoïsme, aan mijn gemakzucht, aan een te binnenwereldse opvatting waar God geen zeg in mag hebben?

Het is goed dat we bij dat alles ook luisteren naar wat de kerk in te brengen heeft aan wie de Heer Jezus een zeker gezag heeft toevertrouwd om te bepalen wat goed is, zeer goed en volmaakt, maar ook om te zeggen wat verkeerd is of ingaat tegen Gods verlangen. We mogen gerust eens luisteren nar de stem van de straat en de media en desnoods zelfs naar de politiek, maar die stem van ons geweten, de stem van de Kerk, de stem van God moeten we ook goed, zeer goed laten doorklinken. Zalig die Gods woord horen én ernaar handelen. Dat is de enige goede keuze. (ben van vossel)

 

HOOGFEEST GEBOORTE JOHANNES DE DOPER (24/06/2007)
Bekeert u! Keert u tot de Heer
Jes 49,1-6 / Ps. 139,1_3.13-14a.14c-15 / Hand. 13,22-26 / Lk 1,57-66.80

Heel lang geleden leerden de moeders hun kinderen nog het liedje zingen over ‘Jezus en sint Janneken, die speelden met een lammeken’… Zo bleven Jezus en Johannes de Doper nog wat ter sprake komen. Maar als we in de Schrift lezen dan ontmoeten we Johannes vooral als hij die de weg van Jezus voorbereidt door de mensen op te roepen tot bekering. Hij geeft geen zachte, wollige conferenties, hij schreeuwt het u in het gezicht, rouw en ongezouten: "Bekeer u, verander van levensstijl of je loopt het rijk van God voorbij! Ik ben zelf de Messias niet. Die komt na mij en zal u onderdompelen in de heilige Geest". Zo schreeuwt Johannes. En in het evangelie legt men hem nog woorden over Jezus in de mond: Zie het Lam Gods dat de zonden van de wereld wegneemt…

Johannes was zoon van Zacharias, een van die talrijke Joodse priesterfamilies die om beurten dienst deden in de tempel. Zels is Johannes een streng leven gaan leiden in de woestijn. Een leven met God. Misschien was de Esseense gemeenschap inspirerend geweest voor hem. Maar bij hem ging het niet op de eerste plaats over die of die kalender, over die of die priesterlijke afstamming: hij wou dat mensen eerlijk stonden tegenover God, Hem op de eerste plaats stelden en hun leven daarop afstelden ook in hun relatie tot de medemensen: eerlijk en met respect en met aandacht voor de armen.

Hij schreeuwde het de mensen in het gezicht. Hij ijverde voor God. Maar tegelijk had hij het heil, het geluk van de mensen op het oog en een mensengemeenschap naar Gods droom… Hij erkende dat Hij de Messias niet was. Een verdere boodschap geeft ons het Woord van God niet in de Woorddienst van vandaag, tenzij dat woord van Johannes dat in de Handelingen wordt aangehaald: “Wat ge meent dat ik ben, ben ik niet; maar na mij komt iemand wiens schoeisel ik niet waard ben los te maken…”

Met dat woord moeten we het vandaag doen in de woorddienst. Maar we vieren vandaag ook Eucharistie. En daar zit Jezus aan tafel en geeft zichzelf als voedsel van eeuwig leven, als bezegeling van het Nieuwe, altijddurende verbond tussen God en zijn mensen. De Vader reikt aan zijn kinderen het voedsel van eeuwig leven, Hij geeft ons ook vandaag Jezus opdat wij, door onze eenheid met Jezus zouden kunnen leven als kinderen van God, midden deze wereld waarin wij gezonden zijn en waarin we – vanuit de kracht van de Geest – licht mogen zijn en licht mogen brengen.

 We zijn wel zo realistisch om te weten dat we zelf maar zwakke mensen zijn, er is op ons veel aan te merken. We zijn bang om te getuigen van ons geloof. We blijven vaak zelf ver onder de maat. Ons leven beantwoordt niet altijd aan het christelijk ideaal. Het is goed voor ons ook gehoor te geven aan de oproep tot bekering door Johannes de doper, door Jezus en door de kerk. Bekeert u, want het Rijk Gods is nabij.

Ons bekeren, dag na dag, telkens bij God komen en beroep doen op zijn barmhartigheid, maar dan ook ons toekeren naar Jezus. Heer, zonder U kan ik niet leven zoals U. Leef in Mij. Wees Heer van mijn leven. Neem uw heilige Geest niet van mij weg, maar laat Hij mij leiden, mij genezen, mij bevrijden… Johannes doopte met water, maar Gij doopt ons met de heilige Geest.

Vernieuw ons, Heer, vernieuw uw kerk, bekeer ons, trek ons tot U en laat uw heilige Geest ons leven leiden. (Ben Van Vossel)

JAAR C ZONDAG 11 (17/06/2007)
Ik heb gezondigd tegen de Heer
2 Samuël 12,7-10.13 / Psalm 32 / Gal. 2,16.19-21 / Luc. 7,36-8,3

Het is goed samen te komen rond de Heer en ons door de Vader te laten voeden met het Woord en het Voedsel dat ons door Jezus wordt aangereikt. God zorgt voor zijn gezin. Zelfs voor zijn kinderen die van huis waren weggelopen en weer zijn teruggekeerd… Het is wel wenselijk dat wij in nederigheid tot God komen, zoals de heilige Kerk ons dat leert. De schuldbelijdenis aan het begin van de Eucharistieviering. Het Onze Vader met de vraag om vergeving. Het Lam Gods waarin we ook vragen aan Jezus dat Hij zich over ons zou ontfermen, Hij die de zonden van de wereld wegdraagt.

Nederigheid. Het bewustzijn van onze schuld.  

Na de verkiezingen hebben we sommige verliezers horen zeggen dat ze zich geroepen voelden tot nederigheid. Anderen wilden de realiteit niet zien, bleven het hoge woord voeren en dat stond niet zo sympathiek; eigenlijk wat lachwekkend zelfs, omdat iedereen duidelijk zag wat de feiten waren… Maar dat is politiek.

Hier bij ons wekelijks samenkomen in de Eucharistieviering leren we hoe wij ons best gedragen tegenover God. Dat is met nederigheid. Gewoon al omdat wij kleine schepselen zijn die voor de Allerhoogste treden. Maar ook omdat wij, door God uitverkoren tot zijn kinderen, ons vaak niet gedroegen als zijn kinderen, in gedachte, woord of gedrag…

Omdat in ons hart juist hoogmoed aanwezig was, alsof we zelf God waren of alsof we zonder God wel eentjes voort konden, heel de week voort konden en God best wat konden missen… Zo gaf ons leven het getuigenis van een feitelijk leven zonder God. Niet bepaald een leven als kind van God. Of er was te weinig vertrouwen in ons hart. Veel te veel onrust, we lieten de zorgen woekeren zonder beroep te doen op God, zonder ze ook toe te vertrouwen aan het hart van Onze Vader… Is God voor ons dan een verre God? Is God geen Persoon met wie we mogen spreken en die we kunnen vertrouwen?  Er is blijkbaar reden om God om vergeving te vragen, en niet enkel omdat we Hem over het hoofd zagen, maar ook omdat we medemensen over het hoofd zagen, of niet hielpen, of zelfs hard behandelden…

Vergeving vragen dus, omdat we de relatie met God en zijn kinderen en zijn schepping niet de plaats gaven die de juiste was. Bij dat vragen om vergeving komt nog een andere houding: de houding van vertrouwen op Gods barmhartige liefde. Toen koning David na zijn gemene daad tot de profeet Natan zei: “Ik heb tegen de Heer gezondigd”. Antwoordde de profeet: “Dan heeft de Heer u deze zonde vergeven: gij zult niet sterven”. En in het evangelie horen we Jezus over de overspelige vrouw zeggen: “Haar zonden zijn haar vergeven, al zijn ze nog zo talrijk, want zij heeft veel liefde betoond”.

Kijk, dat is essentieel in onze relatie met God: liefdevol vertrouwen, als tegenhanger van Gods barmhartige liefde.

Dat God vergeving schenkt is voor ons geen reden tot vermetel vertrouwen. Ik zondig maar  lustig verder, want God vergeeft toch altijd. Integendeel: wanneer we meer van God gaan houden, gaan we minder ingaan tegen zijn plan van liefde en we gaan ook vaker beroep doen om de kracht van zijn heilige Geest die ons helpt leven naar het voorbeeld van Jezus.  Het noemen van Jezus’ Naam, het persoonlijk gebed, de ontmoeting met Jezus in de heilige communie, het vertrouwvol beroep doen op het gebed van Maria… het zijn even zovele middelen om te groeien in de gezindheid van Jezus, de gezindheid van een kind van God.

Laten wij ons vaak buigen om Gods ontferming af te smeken en moge de ontmoeting met de Levende God een bron van kracht zijn om zijn wegen trouwer te gaan. (Ben Van Vossel)

 

JAAR C ZONDAG 10 
Leven vanuit vertrouwen

Zondag 10 door het Jaar C    (10/06/2007) Feest van zalige Priester Edward Poppe
1 Kon. 17,17-24 / Psalm 30, 2 en 4. 5-6. 11.12a.13b / Gal. 1,11-19 / Luc. 7,11-17

 

Er was dezer dagen een gebedsgenezer in Ledeberg bij Gent. Drie avonden na elkaar hield hij een gratische gebedssamenkomst waarin hij mensen genas ‘in de Naam van Jezus’. Er waren getuigenissen van mensen die genezen waren. Anderen bleven uiteraard op hun honger; dat voelde soms wel wat tragisch aan, mensen die zo in uiterste nood daarheen waren gekomen, zich vastklampend aan die laatste strohalm…  Van Jezus zijn er een overvloed van evangelische getuigenissen dat Hij heel wat mensen heeft genezen, dat ontkenden zelfs zijn vijanden niet. Er zijn een paar verhalen dat hij ook doden heeft opgewekt. Het dochtertje van Jaïrus, de zoon van de weduwe van Naïm, en Lazarus… De wonderverhalen omtrent Jezus moeten wij toch altijd zien als tekenen die we krijgen, als voorbeelden en geloofsgetuigenissen dat Hij zaken doet waaruit we kunnen zien wat God met de mens voorheeft. Jezus maakt voor ons zichtbaar en tastbaar, hoorbaar, wat God voor ons wil zijn: een God van heil, van heelheid, van leven, trouw, barmhartig, met aandacht voor al het gekwetste en verdrukte, een God die alles nieuw wil maken, vol, af. Het laatste boek van de Schrift, het boek van de Openbaring van Johannes of Apocalyps, vat het op het einde nog eens samen: “En Hij zal alle tranen van hun ogen afwissen, en de dood zal niet meer zijn; geen rouw, geen geween, geen smart zal er zijn, want al het oude is voorbij.' En Hij die op de troon is gezeten, sprak: `Zie, Ik maak alles nieuw.'” (Apoc. 21,4-5)

We zijn mensen en we willen alles nu reeds volmaakt hebben. Onze politiekers hebben ons dat deze dagen dan ook allemaal nog eens willen uittekenen, hoe zij die volmaakte maatschappij willen maken en hoe zij omzeggens ieder van ons in dat algemene welgevoelen willen laten delen. We laten dat op hun rekening… Wij willen dat het onszelf goed gaat, en onze dierbaren. En op onze betere momenten willen wij ook anderen in de welvaart en het welzijn laten delen, zelfs mensen waar we niet zo direct mee in contact komen… Maar wij zouden onszelf het wel wat wijsmaken, als een politieker voor de verkiezingen, dat er niets mee kan mislopen, dat ons leven en dat van onze dierbaren alleen maar over een pad van rozenblaadjes zou gaan. Nee. Wij moeten weten dat ons leven breekbaar blijft, dat het broos is. Dat het eindig is, dat we geschokt kunnen worden …

Als christenen kunnen wij op moeilijke momenten roepen op de Heer, dat Hij eens even alles komt rechtzetten. Dat hij aan een dierbare overledene zegt: “Wordt weer levend, sta op”… Of aan een dierbare zieke: “Wees genezen”. Of dat Hij een weggelopen kind of een dat aan de drugs zit weer naar huis brengt… Enzovoort. Het is niet verkeerd om dat te doen. Wij mogen de Heer op al dat spijtige wijzen zoals we Hem ook laten delen in onze vreugden, door ons lof- en dankgebed. Maar wat we doorheen en middenin als het harde en spijtige en bijna niet te dragen lotgevallen van het leven zouden moeten doen is: ons vertrouwen bewaren, onze hoop, onze overgave aan God. Blijven geloven in zijn liefde. Blijven geloven dat Hij het laatste woord heeft en dat het dat woord is uit de Apocalyps: Hij zal alle tranen van hun ogen afwissen, en de dood zal niet meer zijn; geen rouw, geen geween, geen smart zal er zijn, want al het oude is voorbij.

Het jongetje van de weduwe van Sarepte of Sarefat wordt door Elia ten leven opgewekt, maar later is die jongen toch overleden, de zoon van de weduwe van Naïm wordt door Jezus opgewekt, maar is ongetwijfeld later toch overleden… Het zijn maar tekenen die ons uitnodigen om te geloven, te vertrouwen dat Gods liefde eeuwig duurt, dat Hij een God van leven is, van heelheid, van overwinning op zonde en dood.

Ook in ons eigen leven krijgen wij tekenen, kleinere tekenen ongetwijfeld, maar toch.  Als wij in allerlei omstandigheden ons vertrouwen stellen op God en Hem onze zorgen toevertrouwen, met groot vertrouwen, zullen wij zonder de minste twijfel mogen vaststellen dat ons vertrouwen niet ijdel is, niet leeg blijft, maar vervuld wordt. En dat moet dan aanleiding zijn tot groter en voortdurend vertrouwen.

In deze Eucharistie reikt de Vader ons het Eucharistisch Brood aan, het voedsel voor zijn gezin, om te groeien in geloof, vertrouwen en liefde, om vanuit Jezus’ inspirerend en verlossend leven en door de kracht van de Geest als hoopvolle mensen te kunnen leven, opgerichte mensen, nu reeds tot ook wij het woord mogen horen: zie: Ik maak alles nieuw. (Ben Van Vossel)

Feest H. Drievuldigheid 3 juni 2007
Opgenomen in Gods gezin

 Spreuken 8,22-31 / Psalm 8,4-5.6-7.8-9 / Rom. 5,1-5 / Joh. 16,12-15

Het Nieuw Testament staat vol van die toespelingen op de H. Drievuldigheid, die liefdesgemeenschap die God is: Vader – Zoon en heilige Geest. In de korte lezing uit de Romeinenbrief komen de drie personen aan bod, het mysterie van H. Drie-eenheid; En ook in het korte stukje uit het Johannes-evangelie  heeft Jezus het over zichzelf als de Zoon, over de heilige Geest en over de Vader…

Soms vragen wij ons af, waarom is het christelijk geloof zo gecompliceerd? Als je in één God gelooft, zeg dat dan gewoon, maar begin niet te zeggen dat er in God drie personen zijn, de Vader, de Zoon en de heilige Geest. Waarom het zo ingewikkeld maken.

Ik begrijp dat men dat zo eens kan zeggen. Maar als God zich aan ons doet kennen als een liefdesgemeenschap van drie personen, zouden wij eigenlijk blij moeten zijn dat Hij ons die rijkdom van zijn wezen wilde openbaren, wilde doen kennen. God is geen verre God willen zijn. Hij heeft zijn eigen innerlijk wezen aan ons willen ontsluieren. Zijn eenheid, want er is maar één God, maar tegelijk dat Hij gemeenschap is in volmaakte eenheid.

En eigenlijk heeft God nog iets anders willen openbaren: Hij heeft ons niet enkel zijn wezen doen kennen, maar heeft ook zijn verlangen uitgedrukt om ons binnen te halen in die intieme gemeenschap.

Zoals op de mooie Drievuldigheidsicoon van Roeblev, met de drie personen in een volmaakt cirkel, is er aan onze kant toch nog een plaats vrijgehouden. En wij weten dat God ons, kleine wezens, heel zijn liefde heeft willen geven. Zozeer heeft God de wereld liefgehad, schrijft Johannes, dat Hij zijn Enige Zoon heeft gezonden, niet om de wereld te oordelen, maar opdat de wereld gered zou worden… Op een andere plaats zegt Jezus: als je naar mijn woord luistert, zal de Vader U liefhebben, en we zullen tot je komen en verblijf bij je nemen… En na zijn verrijzenis zegt Jezus dat de apostelen moeten uitzien naar de grote belofte van de Vader, de heilige Geest, die hen verder zal begeleiden doorheen de tijd…

Vrienden die grote beloften zijn ook voor ons. God wil Vader zijn voor ons. Hij sluit met ons een verbond, Hij neemt ons op in zijn familie, in zijn gezin. Zijn wij ons daarvan bewust? Door God met liefde omringd te worden.! Wat een vreugde! Wat een sterkte en vrede voor heel ons bestaan!

En Jezus, Gods Zoon die ons zozeer heeft liefgehad dat Hij zijn leven gaf opdat wij het echte leven zouden kennen. En Gods Geest die ons wil bezielen en leiden naar het echte geluk… als wij het willen en dat ook tonen. (bvv)

"Wij hebben het doopsel ontvangen in de Naam van God de Vader, in de Naam van Jezus Christus, die mens werd, gestorven is en verrezen, laten we ons ook herinneren dat het doopsel het zegel is van het eeuwige leven en de nieuwe geboorte in God, zodat wij geen zonen meer zijn van sterfelijke mensen, maar van de eeuwige God; laten we ons ook herinneren dat God het eeuwig Wezen is en dat Hij verheven is boven alles wat geschapen is, dat alles onder Hem gesteld is ..."

Ireneüs van Lyon (Demonstratio 3)

 

PINKSTEREN 
(himera pentekosta 27/05/2007)
Nieuw leven door de Geest

Vooravond: Genesis 11,1-9 / Exodus 19,3-8a.15-20b / Ezekiël 37,1-14 / Joël 3,1-5 / Psalm 104,1-2a.24.35c.27-28.29bc-30 / Romeinen 8,22-27Johannes 7,37-39 //
Pinksteren: Handelingen 2,1-11 /Psalm 104, 1ab.24ac.29bc-30.31.34 / 1korintiërs 12,3b-7.12-13 / Johannes 20,19-23

Dit zou een preek over Pinksteren moeten zijn. Ik was echter zo verbaasd dat de Kerk, onze moeder, op de vooravond van Pinksteren een hele hoop lezingen bij elkaar heeft gebracht waaruit je er enkele kon kiezen, dat ik daar even naar wil verwijzen. Het kwam mij voor alsof de Kerk haar kinderen wou wijzen op het allesovertreffend ingrijpen van de Geest in de schepping, in de Kerkgemeenschap, het gezin van God dat door Jezus’ leven en dood en verrijzenis verlost is en tot nieuw leven geroepen. De Kerk wou er als het ware op wijzen dat we de stille kracht van de heilige Geest niet kunnen missen. Ik verwijs even naar die overvloed van lezingen op de vooravond van dit feest:

Het verhaal van de toren van Babel, waar mensen God als het ware willen overtroeven maar doordat ze God niet willen erkennen komt er ook in de mensengemeenschap een totale wanorde, ontreddering, een ‘babelse’ verwarring. Een andere lezing handelt over het verbond dat God wil sluiten met het volk in de woestijn na de doortocht door de Rode zee. Hij wil mensen binnenvoeren in zijn leefgemeenschap, hij wil mensen doen behoren tot zijn gezin; een roeping waar wij allen toe zijn geroepen: deel uitmaken van het gezin van God, dat is dat wondere verbond dat God met ons wil sluiten en dat Hij heeft bezegeld door ons Jezus te zenden, zijn Zoon. Een andere lezing, uit de profeet Ezekiël toont ons de Geest van God als de levenschenkende en leven-herschenkende kracht, die verdorde beenderen, die een verslagen volk en aan de grond geraakte mensen en een ontmoedigd gelovig volk weer kan doen herleven. De grote belofte van Pinksteren die we in feite zien gebeuren wanneer de bang weggekropen leerlingen van Jezus plots op straat verschijnen en publiek beginnen te verkondigen dat Jezu de grote hoop is voor de wereld en voor ieder mens. Een volgende lezing uit het derde hoofdstuk van het boek Joël is een profetie over de laatste dagen, waarin God zijn geest wil zenden niet over die of die, maar over ieder lid van Gods volk: alwie de naam van de Heer aanroept zal gered worden. Het is een profetie waar Petrus in zijn preek op Pinksteren ook naar zal verwijzen. En dan krijgen we een woord van de apostel Paulus uit de brief aan de Romeinse christenen over de heilige Geest die ons gebed van binnenuit zal bezielen; wij kunnen niet zo goed bidden, maar in ons bidt de heilige Geest en God verstaat zijn bidden, ook als trekt ons eigen bidden op niet veel, maar God luistert er graag naar.  En tenslotte verwees de Kerk ons naar Jezus zelf, die op de laatste en grootste dag van het Loofhuttenfeest in Jeruzalem, midden heel de symboliek van overvloedig en levenschenkend water luid roept: “Als iemand dorst heeft hij kome tot Mij. Wie in Mij gelooft hij drinke! Het zal zijn zoals de schrift ergens zegt: Stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien”; En Johannes merkt er verduidelijkend bij op: Jezus bedoelde de Geest die zij die in Hem geloofden zouden ontvangen… Jezus roept de mensen, Jezus roept ieder van ons naar zich toe, kom tot Mij als je volop wil leven, ik zal jullie de heilige Geest schenken die u overvloed van leven zal geven, vers bloed, nieuwe levensvreugde, nieuwe liefdekracht…

Kijk, vrienden, zo heeft onze Moeder de Kerk ons voorbereid op deze hoogdag, Pinksteren, de 50-ste dag na Pasen. Laten wij ons hart openstellen, ons naar Jezus keren en vragen dat Hij ons hart en ons leven vrij zou maken van alles wat er teveel is, en dat Hij zou heersen in ons hart en in ons leven; en dat Hij ons dan wil vervullen met de heilige Geest opdat we het nieuwe leven waartoe we met Pasen de aanzet hebben gekregen ook voluit kunnen beleven en dat we in woord en leven kunnen getuigen van de grote dingen die Jezus ook vandaag aan Gods volk doet, en van de grote weldaad van het geloof: te mogen behoren tot het gezin van God en vanuit zijn kracht te mogen leven, de kracht van de heilige Geest die werkzaam is doorheen het gebed, doorheen het woord van de Schrift, doorheen de sacramenten, doorheen  de kerkgemeenschap. Kom nu tot Jezus en laat u bezielen door Gods Geest. (ben van vossel)

 

Jaar C Zondag 5 Pasen
De Helper, de heilige Geest zal u alles leren
Hand. 15,1-2.22-29 / Ps. 76,2-3.5-6.8 / Apoc. 21,10-14.22-23 / Joh. 14,23-29

Vorige zondag kregen wij van Jezus het nieuw gebod: dat wij elkaar moesten liefhebben zoals Hij ons heeft liefgehad. Hoe prachtig dat gebod ook is, en hoezeer het de droom van het mensenhart is en van heel de mensheid, we ervaren in ons eigen hart en gedrag en in wat er in de wereld zoal gebeurt, dat het een bijna onmogelijkheid is, dat we vaak tekort schieten op het vlak van de echte liefde… De Kerk laat ons vandaag de woorden van Jezus horen die radicaal blijven: als we Hem liefhebben, als we ons leven op Hem willen bouwen, onderhouden we zijn geboden… En in één adem spreekt Hij over de H. Geest, de Helper die de Vader in Jezus’ Naam zal zenden. “Hij zal u alles in herinnering brengen wat Ik u gezegd heb”.  

De vertrooster, de Bijstand, de Helper zal ons Jezus’ woorden in herinnering brengen. Telkens opnieuw. Die woorden mogen wij ook vandaag nog horen. Ondermeer dat gebod van de christelijke broederlijkheid.  Als de paus deze dagen in Brazilië woorden tot dat volk spreekt, die wij met ons Westerse decadente mentaliteit, niet meer weten te waarderen, dan zijn dat toch woorden waarin Gods Geest dat volk op de juiste weg wil zetten, Jezus’ woorden in herinnering wil brengen, aangepast aan die Zuid-Amerikaanse situatie. Het zijn geen politieke maar evangelische woorden…

En wij, vrienden, wij moeten bidden, als Vlaamse kerkgemeenschap en als individueel christen, dat wij Jezus’ woorden nog zouden vernemen, met onze oren en in ons hart. Dat we zouden inzien wat Jezus aan ons te zeggen heeft. Wat heb ik vandaag te doen? Waar moet ik me bekeren? Waar moet ik me meer engageren? Waar heb ik te weinig vertrouwen en ben ik te weinig hoopvol? Waar leef ik te oppervlakkig? Hoe moet ik meer getuigen? En dan moet ik het allemaal niet te ver zoeken… De verrezen Heer is ons heel nabij, daar waar we leven. Daar spreekt Hij. Daar zendt Hij zijn Geest van bij de Vader…

Soms kan alles nog wat onduidelijk zijn, nog niet klaar omlijnd. Dat was in de beginnende kerk soms ook zo. Men heeft dan veel gebeden om de heilige Geest en in eenheid naar Gods wil gezocht. Zo kon men dan op weg gaan.

In ons hart moet de zekerheid leven van Gods liefde en aandacht. Wij hebben met Pasen opnieuw de zekerheid gekregen dat de verrezen Heer bij ons is en met ons op weg gaat naar het hemelse Jeruzalem, naar de toekomst bij God. Dat moet de zekerheid zijn van ons hart. Op weg naar God, met de verrezen Heer in de kracht en met de Bijstand van de heilige Geest. Moge in deze Meimaand, onze toegewendheid naar de Moeder Gods ons helpen om vanuit die hoop te leven, vanuit het geloof in de nabijheid van Jezus, haar Zoon, en in de positieve gezindheid van de christelijke broederlijke liefde. (Ben Van Vossel)

 

Jaar C Zondag 5 Pasen
Gij moet elkaar liefhebben zoals Ik u heb liefgehad

Hand. 14,21-27 / Ps. 145, 8-13b / Apoc. 21,1-5a / Joh. 13,31-33a.34-35

Vandaag krijgen we een bijna noodzakelijk sluitstuk op hetgeen Jezus te vertellen had aan zijn vrienden, zijn vrienden van toen, zijn vrienden van vandaag. Om zijn woordverkondiging te bekronen. Vlak voor de bekroning door zijn kruisgang, zijn dood en verrijzenis, moesten deze woorden nog gezegd worden. Eigenlijk hoefde al bijna niet meer. Het was al duidelijk geworden als je naar zijn leven keek, naar zijn woorden luisterde en zijn weldoende rondgaan gewoon maar tot je liet komen… Ja, al je geluisterd had naar de woorden waarmee Hij zijn leerlingen opleidde, hen de zachtmoedigheid leerde, de nederigheid in plaats van te twisten om wie de voornaamste was, waardig om de ereplaatsen naast de Meester te bezetten… En zopas had hij zijn bovenkleren afgelegd en als een slaaf had hij de voeten gewassen van zijn leerlingen… Ik, de Heer en Meester heb u een voorbeeld gegeven opdat gij zoudt doen zoals Ik u heb gedaan…

En nu was Judas weggegaan en daarmee begon de laatste episode van het zichtbaar optreden van Jezus. Nog maar kort zou Hij bij zijn vrienden zijn. Daarom geeft Hij hun nu zijn Testament, woorden om nooit te vergeten, woorden waar omtrent wij ons vaak zouden moeten bezinnen, ons afvragen of we nog in die richting leven, of zijn onze omgang met elkaar nog bezielen…

“Kindertjes…”  Het klinkt echt als een vader of moeder die nog een laatste dringend woord wil zeggen aan de kinderen. “Een nieuw gebod geeft Ik u: gij moet elkaar liefhebben”. Een schitterend woord, zo afwijkend van sommige tot wraak en oorlog oproepende gedachtestromingen.

Maar Jezus zegt nog zoveel meer: “Zoals Ik u heb liefgehad, zo moet ook bij elkaar liefhebben”. Dat vraagt van ons weer een nauwgezette bevraging van het evangelie. Een uitnodiging om Jezus te volgen in het evangelie en in zijn bejegening van zijn leerlingen. Wat stak er als bedoeling achter? Waartoe was Hij eigenlijk gekomen? Om ons en ons heil! In onze geloofsbelijdenis staat het zo kernachtig uitgedrukt. Uit liefde! Voor ons geluk! Welnu, “zoals Ik u heb liefgehad, zo moet ook gij elkaar liefhebben”.

En er steekt nog een derde beweging in dat woord. Die broederliefde, gemodelleerd naar Jezus liefde en engagement heeft ook haar gevolgen: “Hieruit zullen allen kunnen opmaken dat gij mijn leerlingen zijt: als gij de liefde onder elkaar bewaart”. Ben ik een leerling van Jezus? Blijkbaar volstaat het niet om voor Hem gekozen te hebben, om Hem je leven binnen te laten als “Heer en Heiland”. Je moet Hem ook volgen, en vooral volgen op de weg van de liefde. “Hieruit zullen allen kunnen opmaken dat gij mijn leerlingen zijt: als gij de liefde onder elkaar bewaart”.

Waar vind je zulk een volmaakte, bewonderenswaardige boodschap? Dit gaat veel verder dan een positieve ingesteldheid, of dan ‘geen kwaad doen aan een ander’. Het gaat hier om een liefde en een positieve toegewendheid naar de ander, naar het voorbeeld van Jezus die ons Gods liefde aanschouwelijk maakte.

Wij doen er goed aan om deze weken Jezus woord en voorbeeld dicht naar ons toe te halen. Wij doen er goed aan om in het persoonlijk gebed en in de Eucharistieviering ons te verenigen met Hem die ons tot het uiterste heeft liefgehad, en in deze tijd vóór Pinksteren ook met groot verlangen uit te zien naar de Heilige Geest, die ons alles in herinnering wil brengen, naar ons hart wil brengen, wat Jezus ons geleerd heeft en die ons eens te meer wil toerusten met zijn inspiratie en kracht… om lief te hebben in het concrete leven van elke dag, in ons spreken en doen, thuis en elders en in de zorg voor de wereld, voor het samenleven van mensen en volkeren, in een wereld die nog leef- en bewoonbaar is voor de generaties van nu en later. (Ben Van Vossel)

 

Jaar C  4de Paaszondag 2007 
Luister naar Hem, Volg Hem, Hij geeft eeuwig leven
(29/04/2007)

De liturgische lezingen van vandaag zijn zowel afschrikkend als vertrouwen scheppend.

Het afschrikkende kan je aanvoelen in het feit dat Paulus en Barnabas bij hun verkondiging niet door iedereen aanvaard worden en dat in Antiochië hun prediking voor een grote menigte geïnteresseerden afgunstig bekeken wordt en met beschimpingen onthaald. Niet zo prettig voor die kersverse missionarissen. In de tweede lezing, uit de Apocalyps, horen we dat de geweldig grote menigte die zich voor de troon van God en voor het Lam bevindt, dat die bestaat uit mensen die hun komen uit de grote verdrukking… Het deugddoende in die twee lezingen is dat Paulus en Barnabas juist enorm veel gehoor vinden bij heidense mensen die zich tot Jezus willen bekeren; en in de Apocalyps lezen we dat al die mensen die het moeilijk gehad hebben bij het leven vanuit het geloof in Jezus, dat zij mogen thuiskomen bij God: “zij zullen nooit meer honger of dorst lijden, geen zonnesteek of woestijngloed zal hen treffen, want het Lam in het midden van de troon zal hen weiden en hen voeren naar de waterbronnen van het leven en God zal alle tranen van hun ogen afwissen” (Apoc. 7,16-17).

Vindt u het moeilijk om te geloven. Natuurlijk is het wel vaak opboksen tegen de heersende mentaliteit, tegen de negatieve sfeer vanuit media of politiek, tegen de materialistische en agnostische sfeer binnen onze westerse samenleving. Het is goed van wat steun te zoeken bij medegelovigen, niet weg te blijven uit de wekelijkse Eucharistievieringen en andere deugddoende ontmoetingen met medechristenen in gebedsgroepen, Bijbelgroepen, gezinsgroepen e.d.. En ja, het gebeurt ook wel eens dat je rechtstreeks wordt aangepakt over het geloof. Soms kan je – liefst niet al te opgewonden – een passend antwoord geven, of vragen om respect voor je overtuiging, soms moet je het verdragen, zonder je evenwel te schamen. ‘Kijk, dit is mijn overtuiging. Ik ken niet alle antwoorden, maar ik vind in het geloof voldoende waarden om er mijn leven op te bouwen’.

Ik mag niet voorbijgaan aan het evangelie van deze zondag, uit het tiende hoofdstuk van Johannes, waar Jezus zichzelf de Goede Herder noemt. We hoorden het reeds in de Apocalyps hoe Jezus zijn mensen leidt naar de waterbronnen van het leven. Naar het echte leven, waar de mens echt openbloeit naar de droom van God, zoals God de mens bedoeld heeft…

Dit korte stukje evangelie bevat echter ook een opdracht. Jezus zegt: “Mijn schapen luisteren naar mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij. Ik geef hun eeuwig leven…”. Jezus zegt het daar nogal met zekerheid dat die schapen niet verloren zullen gaan en dat niemand ze zal wegroven. Ik wil dat graag geloven. Maar het eerste zinnetje is ook van belang: “Mijn schapen luisteren naar mijn stem”.

Ik heb geen schapen, maar ik ben zeker dat velen van jullie die een of ander huisdier hebben reeds opgemerkt hebben hoezeer die dieren uw stem herkennen; misschien hangt dat samen met het feit dat ze van u eten krijgen, of dat ze weten dat je te vertrouwen bent, dat ze niet bang moeten zijn… Ze luisteren naar je stem, ze kennen u en in veel gevallen zullen ze u ook volgen… Maar … wij zijn geen huisdieren. Wij zijn vrije mensen, toch tot op zekere hoogte. Hebben wij reeds gekozen om te luisteren naar de stem van Jezus? Naar zijn woord van leven? Kennen wij Hem? Volgen wij Hem?

Ja, dat zouden wij ons eerst moeten afvragen: Ken ik Jezus? Heb ik reeds ingezien en me diep gerealiseerd dat Hij mij het echte voedsel geeft dat ik nodig heb om te leven? Heb ik reeds ingezien en me diep gerealiseerd dat Hij te vertrouwen is, ja, dat Hij de diepste grond is van mijn vertrouwen, zelfs over de dood heen? Heb ik ingezien dat ik mijn leven op Hem kan bouwen, dat Hij mij voedsel geeft om van te leven, om eeuwig te leven… dan zal ik gemakkelijker geneigd zijn, ja, er op uit zijn om zijn stem te horen, zijn woorden te vernemen, zelfs te luisteren in mijn hart: wat zegt de Heer? Wat wil de Heer? Wat moet ik nu doen? Welke weg moet ik nu gaan?

En dan ga ik ook met groot verlangen en met aandrang vragen dat Hij me voedsel en kracht in leiding zou geven in het leven van elke dag.

Met Pasen hebben wij onze doopbeloften vernieuwd. Wat breng ik terecht van mijn geloof in God, mijn vertrouwen op Jezus, mijn gehoorzaamheid aan de heilige Geest? En ben ik er nog altijd op uit te weerstaan aan het kwaad, en als christen te leven en mijn geloof uit te stralen doorheen mijn dagelijks bezig zijn?

Vrienden, laten wij op weg gaan met deze korte zin uit het evangelie van vandaag: Mijn schapen luisteren naar zijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij. Ik geef hun eeuwig leven”. Luister naar Jezus. Volg Hem. Hij leidt je naar het echte leven! (Ben Van Vossel)

 

Jaar C  3de Paaszondag 2007 
Werp het net uit, rechts van de boot
(22/04/2007)

Johannes 21,1-19

‘Ik ga vissen’, zegt Petrus tot die paar leerlingen die na de dood en verrijzenis van Jezus samen waren. Ja, als je een serieuze crisis hebt meegemaakt, dan heb je wel een tijd nodig om te bekomen, een tijd dat je wel eens in je schelp kruipt, je stilhoudt, uit het gewoel; en deze groep mensen waren ook geslagen en hielden zich ook stil, waren wat weggekropen… Tot je dan op een bepaald moment denkt, zo kan ik toch niet verder blijven treuren, hier maar zitten, doen alsof er geen toekomst meer is… In dit gezelschap staat Petrus recht en zelf een visser zegt hij tot zijn makkers die ook vissers geweest waren: ‘Ik ga vissen’. Wat actie, weer voelen dat je nog leeft, dat je nog iets kan, samen in actie komen…  ‘Dat is een goed idee, we gaan met u mee’. Goed, die eenheid.

Zo gezegd zo gedaan dus…  Een hele nacht doorgewerkt. En dan stelt zich het probleem: ‘Zij vingen die nacht niets’. En zo brak de nieuwe dag aan. ’t Was een vruchteloze nacht geweest. Althans wat de visvangst betreft. En als er nog zo een paar nachten zouden volgen, zou het enthousiasme en de samenwerking daar wel gaan onder lijden…

Blijkbaar moeten mensen die zich totaal aan Jezus verbonden hebben, niet alleen meer op eigen kracht, eigen initiatief, erop uittrekken, zelfs als ze het samen doen. Zij moeten zich nu bewust worden dat ze in dienst staan van de verrezen Heer en van Hem moeten zij hun zending ontvangen…

Jezus gaat hen er wat bij helpen. Om hun leven op de goede basis te funderen. Hij vertrekt natuurlijk vanuit hun actuele situatie. Als het wat licht begint te worden staat Hij aan het strand, maar ze weten niet dat het Jezus is, de verrezene. En met zijn enige vraag maakt Hij hen omzeggens sprakeloos, of beter, doet Hij hun de situatie, hun situatie duidelijk inzien. Ze zijn ten einde. Amen en uit. “Vrienden, hebben jullie soms wat vis”. “Neen”, antwoorden ze. Ik zou wel eens willen gehoord hebben op welke toon ze dat zeiden. Kortaf? Berustend? Verontschuldigend dat ze dat soort van gastvrijheid of mededeelzaamheid niet konden bewijzen. Nee, wij, ervaren vissers, wij hebben de hele nacht gevist, en om eerlijk te zijn, we hebben niets gevangen.

Met gezag zegt Jezus hun: “Werpt het net uit, rechts van de boot, daar zult ge iets vangen”. Ze doen het, en jawel ze vangen iets, en niet zomaar iets; met verenigde krachten moeten ze de geweldige vangst achter de boten aanslepen…

De beminde leerling zegt dan: “Het is de Heer”. In zo’n uitzichtloze situatie zo’n uitkomst geven. Het is de Heer. En dan is er weer Petrus voortvarende reactie. In feite is Hij degene die de Heer bemint, die de Heer helemaal is toegewijd, uitgenomen wanneer hij wat teveel op eigen kracht bouwt…

En dan krijgt ieder van ons nog die vragen van Petrus te horen. Bemint ge Mij? Misschien dat we de 3de keer ook wat meer nederig antwoorden en ons bewust zijn dat we de liefde voor de Heer ook nog van de Heer moeten vragen. Tussen Pasen en Pinksteren is het een uitgelezen tijd om dat te doen. Immers, hoe lauw is ons hart, hoe traag onze inzet voor Hem, voor zijn mensen, voor zijn kerk, voor zijn rijk. “Zend uw Geest, Heer Jezus, zend uw Geest. Ied’re dag, ieder uur, door de kracht van ’t Pinkstervuur. Zend uw Geest, Heer Jezus, zend uw Geest”. (Ben Van Vossel)

 

Jaar C  2de Paaszondag 2007 
Mijn Heer en mijn God
(15/04/2007)

Hand 5,12-16 / Ps 118, 2-4. 22-24. 25a-27a / Apoc. 1,9-11a.12-13.17-19 /Joh. 20, 19-31

Geen lezing uit het Oude Testament. Wel uit de Handelingen van de apostelen en we zien er een succesrijke groep Jezusmensen, die juist zoals Jezus een zegen zijn voor de mensen, genezing brengen naar ziel en lichaam. In de lezing uit de Apocalyps zien we de verheerlijkte Jezus “Ik was dood en zie Ik leef in de eeuwen der eeuwen. Ik heb de sleutels van de dood en het dodenrijk”.

In het evangelie krijgen wij, moderne, kritisch ingestelde mensen, een twijfelaar en kritische gelovige voorgesteld. Thomas. Tot hij het zelf meemaakt en knielt voor de verrezen Heer. Als je de evangeliën leest, met het onbevangen getuigenis – ook van de vrouwen – dan kunnen ook wij alleen maar knielen voor wat God aan Jezus heeft gedaan en voor wat Jezus voor ons heeft verricht: de weg gebaand om ons leven zinvol en waardevol te laten zijn in Gods ogen.

Wij kunnen van onszelf wel menen dat we nog zo slecht niet zijn, wij kunnen wel menen dat God wel verplicht is ons goed te keuren, ons te laten delen in zijn heerlijkheid… maar Gods woord getuigt dat het dankzij Jezus is dat God zich naar ons toewendt, dat we door Hem aanvaard worden en dat ons leven – enkel door Jezus – kan openbloeien in Gods liefde en nabijheid, zoals God het gedroomd had. “Zozeer heeft God ons liefgehad” dat Hij die droom van geluk voor ons heeft laten verwezenlijken door zijn geliefde Zoon, die in alles Gods verlangen heeft gedaan. Zo heeft Hij de weg weer opengemaakt die afgesloten was door het nee van de mens naar God toe.

Het is wel opvallend dat de wondetekenen in Jezus handen en voeten en zijn zijde, een herkenningsteken worden voor de apostelen… Dan kan er voor Thomas geen twijfel meer bestaan. Het is wel degelijk Jezus. Het is wel degelijk de Goede Herder die zijn leven heeft gegeven voor de schapen. Het is wel degelijk Hij, die ons tot het uiterste heeft liefgehad, Hij die “alles heeft volbracht”.

Wat zeg je dan, eens dat je je dat alles goed realiseert? Je knielt neer en je fluistert vanuit het diepst van je hart, nederig, berouwvol, dankbaar, met liefde: “Mijn Heer en mijn God”. Dat zegt de “ongelovige Thomas”. En dat willen wij bij het beluisteren van dit evangelie ook zeggen: Mijn Heer en mijn God! Laten wij heel ons hart leggen in die geloofsbelijdenis en dat geloofsgetuigenis. (Ben Van Vossel)

 

 

Jaar C Zondag 5 Veertigdagentijd
Gods genade en onze medewerking
25/03/200

Jesaja 43, 16-21 / Psalm 126, 1-6 / Fil. 3,8-14 / Joh. 8,1-11

De houding van Jezus tegenover de aanklacht tegen de overspelige vrouw kan een uitnodiging zijn tot diepzinnige sociale en zelfs psychoanalytische beschouwingen. Als we echter naar het geheel van de liturgische teksten kijken van deze zondag, staan we met beide voeten opnieuw in de Veertigdagentijd met als kern: de uitnodiging tot bekering. Net als vorige zondag worden wij vandaag  opnieuw uitgenodigd om echt versteld te staan over de zachtmoedigheid van God, over zijn verlangen om ons met zich verzoend te zien, opdat we open bloeien op ons echte geluk. Zowel de eerste lezing als het evangelie spreken dat ten overvloede uit. God oordeelt niet zoals een mens. God is liefde, God is genade, geeft nieuwe kansen. “Denk niet meer aan het verleden en sla geen acht op wat reeds lang voorbij is: Ik onderneem iets nieuws…”  

Wel klinkt in het evangelie als laatste zin een oproep naar ons toe: “Ook Ik veroordeel u niet; ga heen en zondig van nu af niet meer”.

 

Sint Paulus heeft ook duidelijk ingezien dat we enkel leven en als verloste mensen kunnen leven uit genade, door het geloof in Christus, niet door eigen gerechtigheid. Maar, zo schijnt hij te zeggen, ik moet nog heel wat groeien, en daar wil ik me met volle inzet aan wijden. “Ik vergeet wat achter me ligt, ik storm af op het doel: de prijs van Gods heerlijke roeping”.

Is er dan geen tegenspraak tussen enerzijds het geloof dat alleen God ons kan goedkeuren, ons kan goed maken, en anderzijds de persoonlijke beslissing om ons daar ten volle voor open te stellen, en dan ook ons best te doen om als verloste mens te leven? Die persoonlijke inspanning is bij Sint Paulus geen zelfoverschatting. Hij wil zich enkel op Jezus richten, al het andere beschouwt hij als afval, als niets waard. Hij wil met Jezus verbonden zijn en zo leven.

Dat is inderdaad geen zelfoverschatting, dat is gewoon zich ervan bewust zijn dat enkel Jezus de weg naar het echte leven is. Dat we in Hem aanvaard worden door God. Dat alleen in eenheid met Hem ons leven zijn volle ontplooiing, zijn vervulling of voltooiing vindt.

 

Maar, vrienden, wat een afstand kan er zijn tussen dit inzicht, zelfs als we het heel bewust aanvaarde, en anderzijds ons dagelijks op weg gaan doorheen de sleur of de drukte en het opgaan in de bezigheden van elke dag? Leven we dan niet grotendeels met alleen maar aardse bekommernissen en staat ons geloof in Jezus daar niet helemaal los van?  

Bezig zijn met het aardse is zeker niet verkeerd; sterker nog: ieder van ons heeft hier een opdracht te vervullen. Maar … bezinning moet er zijn. Er moeten momenten zijn waarop we nadenken over ons leven, zien van waaruit en waarom we ons leven zo of zo inrichten en dan en ons leven in de juiste richting oriënteren. Laten we eerlijk zijn: als we ervan overtuigd zijn dat alleen Jezus de moeite waard is, dat dankzij Hem ons leven waardevol is en dat we dankzij Hem in het licht kunnen leven, volgens Gods verlangen... Dan moeten we al het andere een plaats geven, die in die hoofdkeuze past. Dan moeten wij ons geregeld bezinnen hoe we bezig zijn en of Jezus nog wel de centrale plaats inneemt in ons leven.

Misschien is dat de opdracht waarmee wij ook naar huis gezonden worden. Jezus zegt aan ieder van ons: “Ook Ik veroordeel u niet. Ga heen en zondig voortaan niet meer. Breng wat orde in je leven. Je hebt Mij leren kennen, je weet dat Ik je nabij ben. Ga met Mij op weg, haal Mij erbij als het moeilijk is, vraag Mij om raad en om hulp… Ga heen en leid een leven volgens Gods verlangen”.

(Ben Van Vossel)

 

Jaar C Zondag 4 Veertigdagentijd
Toeleven naar het geluk doorheen bekering
18/03/2007
Jozua 5,9a.10-12 / Psalm 34,2-3.4-5.6-7 / 2 Korintiërs 5,17-21 / Lucas 15,1-3.11-32

Vandaag loopt het Eerste Testament inderdaad wat voor op het Tweede. In de lezing van Jozua komen de Israëlieten reeds aan in het Beloofde Land en genieten ze reeds van wat dat land opbrengt. In de tussenzang klinkt de redding door God eveneens door. In de andere lezingen gaat het eerder over verzoening en aanvaarding door God met daarbij de uitnodiging tot bekering. We zijn immers nog steeds in de veertigdagentijd, en wij kunnen nog wat bekering goed gebruiken…

Bekering betekent niet – zoals buitenstaanders wel eens menen – een kunstmatig in het leven gehouden schuldcomplex, je voortdurend afgewezen of aangeklaagd weten door God, de Kerk of je geweten. Bekering heeft te maken met het verlangen om je manier van leven in overeenstemming te brengen met Gods verlangen. Gods verlangen valt samen met ons geluk, met de gedroomde bestemming van ons leven. Bekering kost wel moeite. Het oppervlakkige Ik in ons, heeft niet altijd ons echte geluk op het oog, maar een onmiddellijke bevrediging van onze verlangens. Het is goed dat we ons in deze veertigdagentijd laten vormen door Gods Woord, door wat de Kerk ons leert, door wat we diep in onszelf ook aanvoelen als Gods verlangen. Bekering kost wel eens moeite, het gaat wel eens in tegen dat oppervlakkige Ik, maar wij mogen ons laten vormen door Gods Woord en wij mogen beroep doen op zijn kracht door ons vaak in gebed tot Hem te wenden. Ook deze Eucharistieviering wil ons diepe Zelf vormen, zodat het zich gemakkelijker inpast in onze weg naar het echte geluk.

Wij zijn echter nog vaak weerspannig. Ons verlangen en ons gedrag doet soms het geluk van anderen tekort, wij laten God wel eens links liggen, wij denken wel eens uitsluitend aan onszelf, verliezen onszelf wel eens in een oppervlakkige manier van leven…

Dan klinkt die uitnodiging tot inkeer, tot ommekeer, om tot bezinning te komen, tot rede, en om de stap naar God toe te zetten. Vergeving te vragen en op te zien – met groot vertrouwen – naar die barmhartige, warmhartige Vader. De weg naar zijn vaderhart, naar zijn vergeving heeft Jezus voor ons geopend. Onbevreesd mogen we tot Hem komen. We mogen zeker zijn van zijn liefdevol onthaal.

Daarna blijft voor ons de weg van de persoonlijke vriendschapsrelatie met God. We willen niet meer van Hem weglopen. Wij bidden Hem – ook met groot vertrouwen – dat Hij ons nabij wil zijn met de kracht van de heilige Geest, opdat we in het spoor van Jezus op weg gaan, als nieuwe mensen. Telkens is het dan Pasen. De overwinning van Gods liefde. We laten Jezus overwinnen in ons wanneer we Gods barmhartige liefde over ons laten komen en beroep doen op zijn kracht om van dag tot dag met Hem verbonden te leven. Als zijn vrienden die Hij naar het echte geluk voert. (Ben Van Vossel)

Jaar C Zondag 3 Veertigdagentijd
Geloof - Vertrouwen - Geduld - Bekering 
11/03/2007
Exodus 3,1-8a.13-15 / Psalm 103 / 1 Kor. 10,1-6.10-12 / Luc. 13,1-9

Wanneer je als christen het min of meer ernstig meent met je christelijk leven, met God en het geloof, dan ben je af en toe ontmoedigd. Ik ben nu al zolang christen, ik ga nu al zolang naar de zondagseucharistie, ik doe mijn best om als christen te leven en toch ervaar ik af en toe dat ik niet echt vooruit ga. Niet echt vooruitgang maak in het christelijk leven. Ik voel mezelf maar een heel matig, een heel ‘middel’matig christen. En dat is wat ontmoedigend.

We krijgen vandaag een paar wijze raadgevingen om met die ervaring om te gaan. De eerste en vrij sterke raadgeving is eeuwenoud. God openbaart zich aan Mozes in de brandende braamstruik. O, wees gerust, je gaat vandaag waarschijnlijk geen brandende braamstruik zien, je gaat je sandalen niet moeten uittrekken en je gaat God niet horen spreken met de lichamelijke oren. Overigens, weet je als christen dat je die bepaalde plaats daar in de woestijn van Midjan (het zal wel in de lente geweest zijn want dan kan het in sommige woestijnen echt mooi zijn van fris gras en bloemen), dat je die plaats daar niet echt nodig hebt om God te ontmoeten. Als christen hebben wij geleerd dat God overal is, op elke plaats, overal waar we zijn IS HIJ. Wat is dan die eerste raadgeving?

"Ik ben er"
“Weet dat God daar is waar jij bent”. Mozes was weggevlucht naar Midjan omdat hij in Egypte een misdaad had begaan, een Egyptenaar had gedood om enige van zijn volksgenoten te verdedigen. Daar in de woestijn woog het lot van zijn volk nog altijd op hem en hij zal er wel vaak met God over gesproken hebben. En dan had hij moeten weten: God hoort wat ik Hem zeg. God hoort wat gij Hem zegt, vrienden. Als gij bidt, zegt God: Hier ben Ik. En dan mogen wij in aanbidding knielen voor Hem, de levende God. De God die mensen van alle tijden nabij is: de God van Abraham, de God van Isaäk, de God van Jakob. De God van levende mensen. En dan past het ons van te zeggen: Heer, ik geloof in U. Ik aanbid U. Ik bemin U. En in de stilte van het gebed, maar dat kan gerust op de tram zijn of onderweg in de stad, zegt God u dat Hij met u begaan is en dat Hij u zal helpen. Ik ben Degene die helpend nabij is. Dat is de naam die God aan zichzelf geeft. Maar laat God dan op zijn manier werken, dwing Hem niet om zo of zo te doen, Hij is uw slaafje niet. Hij is God. Van ons wordt ‘geloof’ verwacht en… vertrouwen!

Vertrouwen!
Als we dan luisteren naar wat Paulus aan de Korintiërs schrijft (1 Kor. 10,1-6.10-12) begrijpen wij dat het Godsvolk in de woestijn gewoon gebrek aan vertrouwen had en tegen God in opstand kwam. Dat is niet de weg om echt heil te ervaren. Geloof, vertrouwen, geduld tot het uur waarop God zijn heil wil doen ervaren. Paulus schrijft: “Wat hen overkwam werd te boek gesteld als een waarschuwing voor ons”.

Oproep tot bekering
Van geduld gesproken. Wij moeten wat geduld hebben met onszelf, zoals we trouwens ook heel wat geduld moeten hebben met onze medemensen. Maar God heeft nog heel wat meer geduld met ons. Voortdurend worden wij opgeroepen tot bekering. Deze veertigdagentijd is zo één grote oproep om wat meer met het wezenlijke bezig te zijn, om alles wat op de juiste plaats te zetten in ons leven, op de plaats die God zou willen: onze teevee, onze ontspanning, ons werk, onze aandacht voor onze gezinsgenoten. Dan valt ons leven in de goede plooi. Maar de bedoeling van Gods geduld is niet dat we altijd maar blijven verder doen zonder ons te bekeren. God roept ons op tot bekering. Om na te denken over de weg die we aan het gaan zijn. In welke richting wij ons leven hebben gestuurd. En om hier en daar wat op orde te zetten in ons leven. Wat kan dat zijn voor mij? Voor u? Wij moeten geen roekeloos vertrouwen hebben dat God ons leven wel zal goedkeuren. Dat betekent niet dat we met angst voor God moten leven. Maar wel dat we ons leven ernstig moeten opnemen. Dàt is de beste waarborg voor een gelukkig leven, een leven waarover God tevreden is en waarvan Hij met veel goedheid de minder kanten wat zal afronden en voltooien, dankzij Jezus’ levensoffer, Hij de goede bewaker van de Wijngaard die Hem is toevertrouwd en voor wie Hij zijn bloed heeft vergoten.

Vrienden, God is aanwezig wanneer ge u tot Hem wendt. Hij vraagt geloof en vertrouwen een roept U op om door bekering toe te groeien naar het echte geluk voor uzelf en je medemensen. (Ben Van Vossel)

 

Jaar C Zondag 2 Veertigdagentijd
Dit is mijn Zoon. Luistert naar Hem 
4/03/2007
Gen. 15,5-12.17-18 / Ps. 27  / Fil. 3,17-4,1 /  Lk 9,28b-36

De 2de zondag in de Vasten is een zondag met hevige emoties en sterke, existentiële gedachten en gebeurtenissen.

Het boek Genesis verhaalt ons van het verbond tussen God en Abram. Een diepgaand verbond op leven en dood. Er komen geslachte dieren aan te pas, waarbij de partijen van het verbond zeiden: dit mag ook met mij gebeuren als ik mijn woord niet hou. God heeft bot gevangen bij de mensheid, keer op keer: Adam, Kaïn, de zondvloed…  Hij gaat zich nu beperken tot één volk, een klein volk, al belooft Hij Abram een talrijk nageslacht. En langs dat volk, waarmee Hij speciaal op weg zal gaan, gaat Hij zijn heil voorbereiden dat in Jezus zal openbloeien, in de komst van zijn Zoon in het vlees. U moet dat stukje nog maar eens lezen in Genesis 15.

Paulus weent over de mensheid en zelfs over de lauwe christenen die meeheulen met de oppervlakkige en zondige wereld. Zij hebben hun zinnen gezet op het aardse. En hij zwaait dan met een belofte opdat ze stand zouden houden in de Heer, met Jezus op weg zouden blijven gaan. “Ons vaderland is in de hemel en uit de hemel verwachten wij onze verlosser, de Heer Jezus Christus die ons zal herscheppen naar zijn eigen verheerlijkte gestalte.

De veertigdagentijd is de tijd van de grote keuzen, veel meer dan een boterhammetje meer of minder; maar ook dat kan er mee te maken hebben.

En dan is er het evangelie. Dit keer niet in de woestijn, maar op de berg Tabor. Jezus gaat er bidden, vergezeld van zijn uitverkoren trio: Petrus, Johannes, Jacobus. En tijdens het gebed zien zij Jezus verheerlijkt, naast Mozes en Elia, ook verheerlijkt: Mozes de grote wetgever,d ie de lijn aangaf voor het volk, en Elia, de grote profeet.  Het gesprek met deze twee grote mannen uit het Oude Verbond gaat over “Jezus’ heengaan dat Hij in Jeruzalem zou voltrekken”. Zijn uur, het grote uur voor de mensheid. Het uur van de verlossing dat reeds beloofd was in het aards paradijs na de zondeval en waarvan de draad weer was opgenomen met Abraham en zijn tocht weg uit het veelgodendom. “In u zullen alle geslachten der aarde worden gezegend”.  Dat bloeit nu open in Jezus, hier een moment verheerlijkt, en vooral in zijn uur, zijn totale overgave aan de Vader en zijn verrijzenis uit de dood. Petrus en zijn vrienden voelen aan de God hier sterk aanwezig is; zij hebben het uitgedrukt in het teken van de wolk. En zij vernemen Gods woord over Jezus: Dit is mijn Zoon, de Uitverkorene, luistert naar Hem.

Het staat er zo kort, zo zonder veel omhaal al kunnen de symbolen ons wat misleiden of afleiden:
Dit is mijn Zoon, de Uitverkorene. Luister naar Hem, de grote leraar en profeet, die door zijn heengaan in Jeruzalem, zijn verhoging aan het kruis en zijn verheerlijking in de verrijzenis door God aanvaard en verhoogd is tot Heer en Redder van allen.

Voor ons is het de oproep om vanaf vandaag opnieuw voor Jezus te knielen, Hem te aanvaarden als de Gids en de enige Redder en om ons door zijn woord te laten leiden.  Hier is meer dan Mozes, hier is meer dan Elia. Hier is de Zoon, de Uitverkorene. De nieuwe wetgever, die nieuwe profeet die van Godswege spreekt en richting geeft. Hij leidt ons zonder dwaalwegen naar onze thuis, onze bestemming. We moeten ons afkeren van valse profeten, van ontmoediging en de zwaarte van ons lichaam om ons vastberaden onder zijn woord te stellen en te vertrouwen op zijn kracht. (Ben Van Vossel)

 Jaar C Zondag 1 Veertigdagentijd

God eren, beminnen en dienen 
15/02/2007
Deut. 26,4-10 / Psalm 91 /Rom. 10,8-13 / Lk 4, 1-13

De Kerk laat er in de liturgie van de vastentijd geen twijfel over bestaan wat in het leven van de mens en zeker in het leven van de christen op de eerste plaats moet komen. De eerstelingen van alles moest de Joodse gelovige aan God toewijden. “Gij moet die voor de Heer uw God neerleggen en u voor Hem neerbuigen”. Het eerste gebod komt het eerst. En het eerste gebod is dat wij ons ervan bewust moeten zijn dat wij het bestaan uit Gods hand hebben ontvangen, dat wij door zijn heilige scheppingswil in het bestaan zijn gekomen. Wij zijn geborgen in zijn blijvende scheppingsliefde. Hij houdt ons in het bestaan.  En ook onze bestemming in bij God. Heel ons leven is omspannen door zijn liefdevolle toegewendheid.

Hoe moeten wij dan leven? Wij horen het in de woorden van Jezus, Gods Zoon, die ons is komen voorleven hoe een mens zou moeten leven.

Je moet niet alleen leven voor het materiële. Heb oog voor God!

Je moet geen mens geen dier geen dingen aanbidden. Alleen God moet je dienen en aanbidden.

Je moet God niet gebruiken in uw dienst, voor uw eigen eer en glorie maar Hem God laten zijn.

Wij mensen zijn toch rare wezen. Zelfs wanneer wij “gelovig” zijn, ik zet dat “gelovig” tussen aanhalingstekens, want we zijn het vaak maar heel halfslachtig. Zelfs wanneer wij “gelovig “zijn, beginnen wij onze dag vaak zonder God, zonder die dag aan Hem toe te wijden en te zeggen dat we voor Hem willen leven, willen leven volgens zijn verlangen; wij leven vaak heel de dag zonder enige gedachte aan God en kruipen tenslotte in ons bed zonder dankzegging, zonder vraag om vergeving, ja, echt, zonder enige gedachte aan God.

Dat kan toch niet, vrienden!

Laten wij in deze veertigdagentijd ons toch eens herpakken.  Laten wij een beetje meer gelovig worden. Weet je, herinner je die woorden uit de oude catechismus: wij zijn op de aarde om God te eren, te dienen, te aanbidden… Dat was rap gezegd. Maar dat moeten wij nu doen. En we mogen Hem dat ook wel eens zeggen: Heer God, met mijn leven wil ik U eren, U dienen en aanbidden.

Ik wil deze dag voor U leven, ik wil doen wat Gij graag zou hebben. Ik wil blij zijn omdat Gij mij het leven hebt geschonken, ik wil blij zijn omdat Gij er zijt, omdat Gij mijn toekomst zijt…

Ik dank U voor de mensen die ge mij als medemensen geeft, ik dank U voor de taak die Gij mij toevertrouwt, ik wil ze zo goed mogelijk verrichten… Ik wil mij inzetten voor het geluk van wie Gij mij hebt toevertrouwd, want Gij zijt liefde en ik ben uw kind…

Ik wil mijn talenten niet gebruiken enkel en alleen voor eigen glorie, maar in het bewustzijn dat ik alles uit uw hand heb ontvangen. Door mijn spreken en werken, door mijn gedrag wil ik U groot maken, U eer brengen. U, mijn schepper en mijn God.

Ik dank U voor de genade van deze 40-dagentijd omdat ik de kans krijg mijn leven weer op het goede spoor te zetten, het opnieuw in de juist richting te plaatsen.

Dank U dat ik door de genade van de Eucharistie de kracht krijg om me in de goede richting te begeven. Roep mij op om af en toe met U contact te nemen, met U te spreken, naar U op te kijken. Laat uw heilige Geest mij begeleiden. Ik wil mij bekeren, veranderen van oppervlakkigheid en van de wereldse geest. Ik wil toeleven naar Pasen en door Jezus’ voorbeeld en door de kracht van zijn heilig lijden en dood omkeren van gezindheid. Wees Gij de zon die boven mijn leven staat. Ik dank U, Vader. Laat uw goede woorden en de woorden van Jezus mijn voedsel zijn. Laat mij geen valse goden aanbidden, mijn leven niet vullen met enkel maar het materiële en het zoeken van genot, maar laat mij U de eerste plaats laten. Ik stel mijzelf in uw dienst en vraag U mij te tonen waar Gij mij hebben wilt en wat Ge van mij verlangt. Want Gij zijt mijn Heer en mijn God. Ik wil U eren, beminnen en dienen. (bvv)

 

Jaar C Zondag 7 doorheen het Jaar

Barmhartig zoals uw Vader 
18/02/2007
Lk. 6, 27-38

Het evangelie dat we vandaag horen is geweldig revolutionair in zijn eisen: bemin uw vijanden, doe goed en leen uit zonder er op te rekenen iets terug te krijgen…  En dit evangelie is ook revolutionair in zijn motivaties, in de beweegreden waarom je dan wel zo tegendraads zou handelen. Jezus zegt: “dan zal uw loon groot zijn, dan zult ge kinderen zijn van de Allerhoogste.” Zo? En waarom dan wel?  “Omdat de Allerhoogste ook goed is voor ondankbaren en slechten. Wees barmhartig, zoals uw vader barmhartig is. Oordeel niet, dan zult ge niet geoordeeld worden (door God). Veroordeelt niet, dat zult ge niet veroordeeld worden. Spreek vrij, dan zult ge vrijgesproken worden…”

 

Ik zou hier een sterk beeld kunnen opbouwen van hoe het er in de wereld aan toegaat; ik zou kunnen verwijzen naar de haat en wraakzucht op wereldvlak, tussen volkeren en staten en tussen bevolkingsgroepen… Dagelijks horen we van bloedbaden, van volkerenmoord. Hoe handelen trouwens onze eigen politiekers om hun tegenstander een voetje te lichten wanneer ze er de kans toe krijgen, een echte of opgeklopte reden… Maar dit zou eigenlijk stof zijn voor een soort “politiek avondgebed”. Ik denk dat we het beter voor onszelf kunnen toepassen op ons eigen midden leven, onze relaties in ons werkmidden, ons gezin, de mensen die we dagelijks ontmoeten, de personen met wie we dagelijks te maken krijgen…

 

Het is naar ons toe dat Jezus zegt: “Bemin uw vijanden. Doe wel aan die u haten. Zegen die u vervloeken. Bid voor hen die u mishandelen.” 

Volgt u nog? Kunt u zo’n taal nog verdragen? O, ik weet wel, ook het boeddhisme heeft in sommige van zijn richtingen de vergevingsgezindheid. Maar hier is het zo ruim gezien, breed en tevens heel concreet waar te maken. Bovendien krijgen we als motivatie, als doelstelling dat we op God zelf moeten gelijken en dat we door Hem zullen beloond worden.

 

Gaan we dit evangelie deze week ernstig opnemen, gaan we trachten het te leven, het te beleven. En dan toch met de nederige smeekbede dat God zijn Geest zou zenden opdat we wat op Jezus zouden gelijken.

 

Verder gaat het evangelie nog over de radicaliteit van de liefde. Hoe we barmhartig moeten zijn, hoe we moeten leren delen, hoe we ons moeten onthouden van het oordelen en veroordelen van anderen, hoe we moeten leren vrijspreken, mensen nieuwe kansen moeten kunnen geven…

We moeten daar  niet naïef in zijn, maar anderzijds toch durven intreden in de radicaliteit van het evangelie.  Wees barmhartig zoals uw Vader barmhartig is. Ook hier krijgen we die hoge norm voorgesteld: te gelijken op God, onze Vader. Hoe is dat in Godsnaam te verwezenlijken. Als kinderen van God mogen wij beroep doen op de Geest van God, op zijn kracht, op zijn raadgevingen, zijn ingevingen… En er is Gods Woord dat ons blijft uitnodigen. En er zijn de sacramenten van de Eucharistie en het sacrament van de verzoening die ons sterken en doen groeien in de gezindheid van Jezus, de geliefde Zoon.

 

We moeten de hoge norm niet ontvluchten, maar in alle nederigheid op weg gaan. Telkens weer. Gods Woord ons laten wakker houden. Blijven opkijken naar Jezus. En ons met vertrouwen op weg begeven. “Vrede zij U. Zoals de Vader Mij zond, zo zendt Ik u. Ontvang mijn Geest”. Deze woorden van Jezus zijn ons geheime wapen op de weg door het leven als kinderen van God. (Ben Van Vossel)

 

Jaar C Zondag 6 doorheen het Jaar

Vertrouw je op God of op het menselijke? 
11/02/2007
Jer. 17,5-8 / Psalm 1 / 1kor. 15,12.16-20 / Lk. 17.20-26

Een mens moet altijd wat houvast hebben in het leven. Als je de grond onder de voeten kwijt geraakt, val je in een zwart gat, zoals  men het uitdrukt, in een diepte waarin je je verloren voelt. Bevestigd en bemoedigd worden lijkt onontbeerlijk voor een kind, opdat het later kan uitgroeien tot een min of meer evenwichtig mens, die ook nog medemens kan zijn, die op zijn beurt anderen kan bemoedigen, opdat ze mens kunnen zijn of worden.

Mensen zijn onontbeerlijk voor mensen. Menselijke bevestiging, menselijke liefde, menselijke bemoediging. Misschien maakt ons dat juist zo God-gelijkend, dat we anderen liefhebben, bemoedigen, bevestigen.

In het andere geval helpen we een ander niet echt vooruit. Zijn we geen betrouwbaar iemand, geen trouw iemand, maar een huurling, een profiteur die anderen gebruikt, of een rivaal, of een valse gids, of iemand die anderen meetrekt in zijn eigen egoïstisch web van materialistische bedoelingen op de kap van anderen.

Als we daarbij bedenken dat een mens toch nog altijd heel broos is, en toch enkel maar voor de korte tijd van ons leven garant kan staan voor ons geluk, dan kunnen we verstaan wat Jeremia schrijft: Vervloekt is hij die alleen op mensen bouwt en zich afkeert van de Heer. Paulus schenkt uit hetzelfde vaatje: als we enkel voor dit leven onze hoop op Christus hebben gevestigd, zijn wij de beklagenswaardigste van alle mensen. En Jezus geeft ons in het begin van de bergrede dan ook de diepe spiritualiteit, die aan zijn eigen leven getoetst is: Hij vertrouwt radicaal op God, zoals een kind op zijn ouders, en daarom leeft Hij in het rijk van God, in Gods invloedssfeer en onder zijn hoede. Hij had honger naar een leven volgens Gods verlangen. Mijn voedsel is het de wil van de Vader te doen. Het ging Hem naar het hart dat er nog zoveel duister, zoveel hardheid, zoveel pijn was onder de mensen. Maar na zijn verrijzenis bracht Hij enkel vreugde en vrede die van Hem uitstraalden. Hij is vervolgd omdat Hij Gods verlangen deed doorheen alles en Hij is niet achteruit gegaan. Het antwoord van de Vader was de verrijzenis.

Jezus vermaant ons ook om niet te bouwen op macht en rijkdom en invloed en relaties… We hebben dan van God niets meer te verwachten. Als we ons wentelen in oppervlakkigheid en egoïsme, als onrecht en duisternis in de wereld ons niets meer doen, als we daar zo gewoon aan geworden zijn, komt er een tijd dat we weel zullen klagen en wenen. En als mensen ons over heel de lijn gerust laten en je in uw gedrag u helemaal hebt aangepast aan de wereld en aan het wereldse denken… het is teken dat je Gods waarheid niet meer uitstraalt.

Harde woorden? Nee! Liefdevolle woorden van Jezus, enkel met de bedoeling om ons op de echte weg naar het leven te geleiden. Spiegelen wij ons aan Jezus. Spreek deze week vaak uw vertrouwen uit in God. Laat een groot verlangen je bezielen om elk moment Gods verlangen te doen, het is de enige weg naar het echte geluk. Zie het verkeerde in de wereld, het spijtige en tracht er iets aan te doen. En wees consequent christen. Leef vanuit je verbondenheid met de Heer Jezus en vraag dat de heilige Geest je mag begeleiden en sterken. (Ben Van Vossel)

Jaar C Zondag 5 doorheen het Jaar

Ik wil je vormen en zenden 
4/02/2007
Jes. 6,1-2a.3-8 / Psalm 138 / 1 Kor. 15,1-11 / Lucas 5,1-11

In de lezing van Jesaja met een zicht in de hemel en in het evangelie met Jezus' verkondiging en een wonderbare visvangst, worden mensen geconfronteerd met het heilige, het bovenmenselijke, het bovennatuurlijke. Als je in de lezing uit de 1ste Korinthiërsbrief dan nog overgoten wordt met het kernmysterie van het christendom, de opstanding van Jezus, dan sta je helemaal buiten wat een doorsnee-mens van vandaag eigenlij interesseert en kan bevatten…

Komen wij nog in contact met “het Heilige”? Of met bijzondere manifestaties of openbaringen vanwege God? Gaan onze gedachten soms nog uit naar “een persoonlijk voortbestaan over de dood heen”?

Je leest soms cijfers alsof een aantal katholieke christenen die niet meer zouden geloven in zo'n persoonlijk voortbestaan. Hoe zou de apostel Paulus zich daarbij voelen die ooit schreef: “En als wij verkondigen dat Christus uit de doden is opgestaan, hoe kunnen dan sommigen onder u beweren, dat er geen opstanding van de doden bestaat?  Als er geen opstanding van de doden bestaat, is ook Christus niet verrezen. En wanneer Christus niet is verrezen, is onze prediking zonder inhoud en uw geloof eveneens” (1Kor.15,12-13). Toch wel heel sterke woorden, die we zeker niet zomaar naast ons kunnen neerleggen.

Ontmoeten wij God soms nog? Zien wij tijdens een gewone week soms bijzondere zaken waaruit wij een wonder ingrijpen van God kunnen zien?

Wat gebeurt er voor speciaals in het evangelie? Jezus staat aan de oever van het meer van Gennesaret terwijl de mensen op Hem aandrongen om het woord Gods te horen. In dit lijkt al een eerste voorwaarde te zijn om iets vanwege God mee te maken: dat je op Jezus aandringt, dat je met groot verlangen naar Hem toekomt, uitziet naar zijn woord. Dit is toch wel een echte uitdaging voor ons: zien wij echt uit naar iets vanwege God? Zijn wij echt begerig om Jezus ' Woord te horen?

Laat ons ook even naar iemand anders kijken: naar Petrus. De mensen drongen zozeer op Jezus aan, dat hij in een vissersbootje moet stappen dat aan Simon-Petrus toebehoort. Jezus vervolgde zijn onderricht vanuit de boot. Petrus zat meteen op de eerste rij. De woorden die Jezus sprak, bereikten op de eerste plaats Petrus' oren en hart. Uit het vervolg van dit verhaal kunnen we opmaken dat de woorden van Jezus sterke indruk hebben gemaakt op hem.

Als wij Jezus' woorden lezen of horen, geven wij zijn dan de kans om diep in ons hart vrucht te dragen?

Wanneer Jezus ons dan iets vraagt, ons uitnodigt om verder in zee te steken, dan zullen wij niet aarzelen. "Vader naar het diepe", zegt Jezus. Petrus doet het onmiddellijk. De wanneer Jezus eraan toevoegt: "Gooi uw netten uit voor de vangst", dan heeft Petrus, de visser toch wel een vraag te stellen, of minstens een kleine opmerking te maken:" Meester, de hele macht hebben wij gezworen zonder iets te vangen; maar (voegt hij eraan toe) op uw woord zal ik de netten uitgooien".

Laten wij nu eerlijk zijn: Gehoorzamen wij in die mate God? Wanneer wij ons aangesproken weten door God, door een woord van Jezus, een woord uit de heilige Schrift, door een uitnodiging vanwege de kerk ... gaan wij daar dan op in? Desnoods na enige uitleg?

Petrus en zijn metgezel een doen het. En het resultaat is opmerkelijk. Zo is duidelijk hun ervaring geweest: wanneer we ingaan op een uitnodiging van de Heer, dan is ons leven vruchtbaar, meer dan wanneer wij onze eigen wil doen.

De reactie van Petrus op dit gebeuren is: hier heb ik iets vanwege God mogen ervaren, hier ben ik in contact geweest met de heilige God, hier kan ik dan ook maar alleen knielen in aanbidding, in dankbaarheid, in gebed om vergeving.

En het antwoord van God is dan: wees niet bevreesd, ik wil ook u gebruiken in mijn dienst, om mensen het heil te brengen. (Ben Van Vossel)

  Jaar C Zondag 4 doorheen het Jaar

Hem aanvaarden en navolgen

Jer. 1, 4-5.17-19 / Ps 71, 1-2; 3-4a, 5-6ab, 15ab en 17 Mijn tong zal uw rechtvaardigheid prijzen / 1 Kor. 12,31-13,13 / Lk 4, 21-30

De  profeet Jeremia en andere profeten, echte Godsgezanten hebben het moeten ondervinden dat ze zware tegenstand kregen van mensen die niet wilden aannemen dat ze vanwege God, niet steeds zo’n prettige aanmerkingen maakten op de manier van leven van hun tijdgenoten. Een Abbé Pierre, een Franse priester die nog in het verzet had gezeten tijdens W.O. II heeft na de oorlog een veldtocht ondernomen tegen de onverschilligheid van zoveel mensen tegenover de nochtans overal heersende armoede, de onverschilligheid tegenover de problemen van de daklozen, de thuislozen. Deze kritiek op de samenleving werd hem niet steeds in dank afgenomen. Maar hij bleef oproepen tot aandacht voor de marginalen. Jezus komt in zijn vaderstad, Nazaret. Stad. ’t Was niet veel meer dan een dorp. En de mensen kenden hem daar nog. Zijn neven en nichten heel de familieclan had daar zijn wortels. Terwijl Jezus even tevoren nog liet uitschijnen dat Hij de door God gezonden Messias zou zijn, die licht zou brengen in het leven van de mensen, die hen zou genezen van alles wat op hen drukte, die Gods plan van heil zou inleiden… Mooi gezegd, zeggen de mensen, maar kom, ’t is toch maar de zoon van Jozef hé. Toch maar gewoon een jongeman van bij ons. Laat Hem op zijn plaats blijven…

Jezus was inderdaad een jonge man uit hun midden. Hij ging inderdaad door voor de zoon van Jozef. Maar Hij was de Zoon van God. Hij zou de wereld ophelpen uit het van God verwijderd zijn. Hij zou de mens genezen van die afstand van God, de mens in staat stellen weer tot God te naderen… Weet je wat, Jezus. Doe hier ook eens een mirakeltje, zoals je in Kafanaüm hebt gedaan…

Lukas heeft in zijn evangelie echter nog niets verteld over Kafarnaüm. Dat zal pas komlen na dit gebeuren in Nazaret. Wel heeft hij in één zinnetje samenvattend gezegd: “Hij trad nu op als leraar in hun synagogen en werd algemeen geprezen (Lk.4,15).  In ieder geval weten ze wat Jezus gedaan heeft. Maar echt geloof is er in hun hart niet gekomen. Zij willen wel eens komen kijken naar zijn kunsttoeren, zijn goocheltrucs. Hier is geen echt geloof aanwezig. En Jezus wordt daar weggejaagd. Het is een voorafbeelding van wat later in Jeruzalem zal gebeuren. Weggehoond. Weggejaagd. Weg met Hem! Schakel Hem uit.

Daarom zal Johannes later schrijven in zijn evangelie: Hij kwam in het zijne, maar de zijnen namen Hem niet aan.

Vrienden, dat brengt ons nu ook tot de vraag of wij Hem wel aanvaarden? Hebben wij onvoldoende nagedacht over het leven? Hebben wij onvoldoende contact gezocht met Jezus, de Levende? Lieten we het gebed achterwege? Hebben wij ons laten besmetten door de oppervlakkigheid van de praat van de mensen, de praat van de media en te weinig bezig geweest met het woord van God, het woord van de kerkgemeenschap? Is een leven als dat van Abbé Pierre, van pater Damiaan en pater Kolbe, van Moeder Teresa voor ons minder aantrekkelijk dan dat van de eerste de beste film- of Teeveester?

Dan is het onze eigen fout wanneer we de genade aan ons zien voorbijgaan, wanneer we geen vreugde meer vinden in ons geloof, ons laten ontmoedigen door de achteruitgang van het geloof in onze streken… Wij zijn niet doorgestoten naar een persoonlijke relatie met de Levende. Afkomstig uit zo’n verloren hoek als Nazaret? Afkomstig uit zo’n klein land en dan nog onder Romeinse bezitting? Iemand die als een misdadiger aan het kruis is gestorven? Iemand die juist maar wat vissers en wat eenvoudigen rond zich wist te verzamelen? Ja! Zozeer heeft God van de wereld gehouden, zo groot was Gods liefde, dat Hij ons niet aan ons lot heeft overgelaten maar ons zijn Enige Zoon heeft gezonden, mensgeworden, zomaar een mens… En daar moeten wij ons bij neerleggen. Daar moeten wij aanbiddend knielen, zoals we het bij de kribbe hebben gedaan, zoals wij het doen bij het ontvangen van het stukje brood waarover Hij sprak: Dit is mijn Lichaam voor u…

Dankbaar knielen, aanbiddend voor die overgrote liefde.

En dan naar huis gaan, naar ons werk en naar onze straten, naar onze buurt en beseffen dat wij op God moeten gelijken omdat Hij door Jezus zijn heilige Geest in ons heeft gezonden: de Geest van liefde. Liefde, de grootste gave. Want God is liefde. (Ben Van Vossel)

 

Jaar C Zondag 3 doorheen het Jaar

Nu klinkt het Woord van het heil

Nehemia 8,1-4a.5-6.8-10 / Ps. 19,8,9,10,15 : 1Kor. 12,12-30 / Lukas 1,1-4; 4,14-21

Het is een heel menselijke wijsheid dat je beter aan de kant kunt staan van de machtigen, de mensen met invloed en met geld, dan aan de kant van de armen, de eenvoudigen, de sukkelaars, de mensen die geen stem hebben… Tenzij je natuurlijk van mening zou zijn dat veel kleintjes ook een groot maken… Maar deze redeneringen zijn niet deze die Jezus heeft gehanteerd.

Bij zijn troonreden als het ware in Nazaret zegt Hij kort en goed dat Hij door God gezonden is en toegerust met de heilige Geest om blij nieuws te brengen aan de armen. Dat zijn juist de eenvoudigen, de mensen die het niet voor het zeggen hebben maar die in eenvoudig vertrouwen zich tot God wenden en hun leven op Hem willen bouwen. Aan die kleinen, die eenvoudigen, die mensen die op God willen bouwen en niet op macht en zekerheid… aan die mensen wil Hij het Goede Nieuws verkondigen, het blijde en verheugende nieuws dat God van hen houdt. Aan de mensen die met hun blindheid, hun gebrokenheid, hun melaatsheid tot Hem komen wil Hij genezing, ondersteuning, bevrijding brengen.

En dan denken wij natuurlijk aan de vele wonderen die Jezus gedaan heeft, de vele mensen die Hij genezen heeft… maar dat is te ver weg gedacht, dat is teveel in het verleden gedacht. Jezus leeft! En de woorden die Hij spreekt zijn tot ons gericht, willen ons iets duidelijk maken.

Wat wil Hij ons zeggen? Het volgende. Als je jouw zekerheid en je geluk wil beperken tot je geld, tot het zoeken van voorbijgaand geluk of in je relaties met invloedrijke mensen, in de zekerheid van een vast job… als je verlangens niet verder gaan, dan kan ik je niet helpen. Ik ben gezonden tot mensen die zich bewust zijn van het beperkte van hun kunnen, het beperkte van dit leven, het voorbijgaande van zoveel klatergoud en geluk dat in feite het mensenhart niet helemaal kan vervullen… Ik ben gekomen voor mensen die innerlijk vrij willen zijn, die zelfs midden hun beperktheid en ziekte en tegenslagen ook uitzien naar blijvend geluk, naar diepere waarden, naar een houvast dat het louter menselijke overstijgt… Voor die mensen ben Ik gekomen. Ik wil hun hart genezen, Ik wil hen innerlijk vrij maken, Ik wil hun ogen en oren openen voor de echte waarheid, voor het echte blijde nieuws, ik wil hun hart vullen met echte vrede en vreugde… Als ze tot Mij komen zullen ze het heil ervaren dat God hen wil geven, de innerlijke vrede…

Mensen zoeken het tegenwoordig in allerlei therapieën, in allerlei esoterische richtingen, in allerlei soorten godsdiensten, of meer in geld en in zoveel glinsterende verworvenheden van het moderne leven: de computer, de teevee, de dvd, de gsm en chatbox om te ontsnappen aan de eenzaamheid…

Maar als Christus de Heer van ons leven mag zijn, als we ons hart voor Hem openen en voor Hem geknield hebben en Hem gevraagd hebben dat Hij ons leven zou leiden… dan vult Hij ons inderdaad met vrede, maar bovendien geeft Hij ons inzicht en kracht om zijn weg te gaan: een weg waar we in contact blijven met God, maar waar we ook naar mensen toegaan, allerlei mensen en vooral ook de mensen die medemensen nodig hebben: zieken, eenzamen, onderdrukten, vergetenen… Verwaarloosde kinderen – en dat zijn vaak ook kinderen die bedolven worden onder stapels speelgoed maar geen echte liefde krijgen… Als we maar vaak met Jezus spreken, vaak met Hem in contact blijven, dan worden we innerlijk nieuwe mensen, dan gaan we veel zaken vervelend vinden of oppervlakkig, waar de media nu de moderne consumptiemens mee verdoven en egoïstisch maken.

Vandaag is een uitgelezen dag om naar Jezus te luisteren, om naar Jezus toe te gaan en ons leven door Hem te laten uitzuiveren, vernieuwen en vervullen. Laat deze dag van heil niet voorbijgaan zonder die stap naar Hem te zetten. (Ben Van Vossel)

 

 

Jaar C Zondag 2 doorheen het Jaar

Doe maar wat Hij u zeggen zal

 

Jesaja 62,1-5 / Psalm 96 / 1Kor. 12,4-11 / Joh. 2,1-12

We horen vandaag het wijnwonder op de bruiloft van Kana. Het is als een visioen dat Johannes ons hier voorstelt. Jezus openbaarde er zijn heerlijkheid, schrijft hij. De Kerk helpt ons om nog dieper te kijken naar de betekenis van Jezus voor de mensen. En daarom stelde ze als voorbereiding op dit evangelie een tekst voor uit het boek Jesaja.  De mensen die Gods verlangen willen doen en die Hem willen toebehoren, zij kunnen van alles tegenkomen, zij kunnen vervolgd worden, veel moeten verduren vooral ook als ze ontrouw zijn aan hun toewijding aan God, maar… zij moeten niet wanhopen. Gij zijt kostbaar voor God. Met een nieuwe naam zal God u noemen: mijn welbehagen en zoals een bruidegom zich verheugt in zijn bruid, zo zal God zich verheugen in u.

In het evangelie is er ook een bruid die wat in de penarie komt, er is geen wijn meer. De mensen zullen haar in de steek laten, het feest zal stilvallen, er zal gelachen en gespot worden… Een beetje zoals de wereld – zeker hier in het Westen – spot met mensen die nog geloven. Maar dan is er Jezus die zich over het volk van God ontfermt en zorgt dat er weer overvloed van vreugde is…

            We mogen ons evenwel niet vergissen. Wij kunnen ons inspannen om te zorgen dat de wereld rondom ons weer gelovig wordt. Dat is prachtig. Maar dit gaat niet lukken. Er moet eerst iets anders gebeuren. Wij moeten kunnen erkennen dat wij het alleen niet meer klaar spelen. Die daad van ootmoedigheid, van nederige erkenning moeten wij stellen, die stap moeten wij zetten. Dat is het erkennen dat wij waarschijnlijk hier en daar wel wat schuld aan hebben, dat ons te weinig hebben ingespannen om zelf het voorbeeld van een radicaal christelijk leven te geven, dat we te weinig gebeden hebben voor een christelijke samenleving… Dat is een daad van bekering en vraag om vergeving. Maar er moet ook in positieve zin een stap gezet worden: wij moeten tot Jezus gaan en ons opnieuw aan Hem toewijden. Hem op de eerste plaats stellen en niet ons eigen willetje en onze eigen goesting, ons eigen plezier, ons materialisme, ons druk bezigzijn… Wij moeten opnieuw gaan bidden, met vertrouwen, voor onszelf dat we opnieuw echt christen zouden worden; en bidden voor onze omgeving, voor ons volk, voor de wereld…

            Je moet eens zien wat Maria doet op die bruiloft, en zij staat daar ook als beeld van de Kerk: zij spreekt bij Jezus ten beste èn … zij verwijst de mensen naar Jezus. “Doe maar wat Hij u zeggen zal”. Want uiteindelijk is Jezus de Heiland, de Redder, door God, de Vader gezonden tot heil van de mensen.

Het is ook Jezus die zal voorzien in alle goede gaven die zijn volk nodig heeft en die Hij ons schenkt door de heilige Geest.

Van bij het begin van het nieuwe jaar wijst de Kerk ons naar Jezus. Laat ze Maria naar Jezus wijzen. En verwijst ze ook naar de heilige Geest, die onszelf en heel het volk van God wil leiden en toerusten voor de taak die ieder van ons te vervullen heeft in de Kerk en de wereld. Denk niet klein over de taak die God u heeft toebedeeld. Maar erken in nederigheid dat ge uit eigen kracht niet kunt beantwoorden aan Gods verlangen en de zending die Hij u toevertrouwt. Laat Maria u bij Jezus brengen en doe maar wat Hij u zeggen zal. Doe het “in de kracht van de heilige Geest”. (Ben Van Vossel)

 

Jaar C  OPENBARING VAN DE HEER
7 januari 2007 (Driekoningen)
Hem zoeken en dienen

Mt. 2,1-12

’t Is ons feest vandaag, het Feest van de Openbaring van Jezus, de Messias, aan alle volkeren. Wij hebben het al gevierd met Kerstmis natuurlijk, maar daar werd Jezus vooral bekend gemaakt aan Joodse mensen, aan herders, aan het volk Israël. Vandaag is het het feest van de Epifanie, Jezus die bekend gemaakt wordt aan alle volkeren. En daar maken ook wij deel van uit.

Misschien ontroert dit feest ons minder, misschien zijn we die kerstdagen al door, maar vandaag mogen wij opnieuw horen dat Gods Zoon ook voor ons is mens geworden. Gisteren las ik in de krant nog dat onze premier, respect heeft voor mensen die nog geloven en nog bidden, een respect dat je voor alle mensen moet hebben, maar dat hem dat niets zegt. Toch heeft Gods liefde zich aan alle mensen willen openbaren. In het verhaal van Driekoningen – het waren er geen drie en het waren geen koningen maar wijzen uit het Oosten, zo verhaalt Matteüs in zijn evangelie – in het verhaal van driekoningen komen mensen uit verre landen, wijze mensen, zoeken naar de Redder die geboren moet zijn. Geholpen door de Joodse wijzen – die niet op weg gaan maar in Jeruzalem blijven zitten samen met hun politieke leiders – gaan deze wijze mannen uit het Oosten verder op zoek tot ze het doel van hun tocht bereiken: “En zie, de ster die zij in het oosten gezien hadden, ging voor hen uit totdat zij boven de plaats waar het Kind zich bevond stil bleef staan. 10 Op het zien van de ster werden zij vervuld van overgrote vreugde. 11 Zij gingen het huis binnen, zagen er het Kind met zijn moeder Maria en op hun knieën neer vallend betuigden zij het hun hulde. Zij haalden hun schatten te voorschijn en boden het geschenken aan: goud, wierook en mirre. 12 En in een droom van Godswege gewaarschuwd niet meer naar Herodes terug te keren, vertrokken zij langs een andere weg naar hun land”.

Zij erkennen in dat kleine Kind, in die kleine koning de grote Koning voor wie zij die verre toch hebben ondernomen. Op hun knieën neervallend betuigden ze hen hun hulde. En in de gaven die ze geven willen ze in feite zichzelf geven, zichzelf aan Hem toewijden. En dan gaan ze verder op weg naar hun thuisland, langs een andere weg, veranderd, Hem toegewijd.

Wat zijn onze politieke zwaargewichten toch kleine mensen, dwaze mensen, wanneer ze met heel hun zelfverzekerdheid niet aanvoelen hoe broos ze zijn, hoe breekbaar; een verstopte ader, een bloedvaatje in de hersenen dat het begeeft, een kanker die zich openbaart, een boom of tegenligger in de weg, een breuk in de relatie, een politieke afgang… En je hebt niets meer in de hand. Maar och, waarom kijken naar de zogenaamde groten in ons midden. Dit evangelie is er voor ons, is er voor mij die deze woorden lees of hoor voorlezen.

Het is natuurlijk al een genade wanneer je je uitgenodigd voelt om op zoek te gaan. Naar Hem. Vaak vanuit de breekbaarheid van het bestaan, vanuit een soort onvoldaanheid, soms als resultaat van een zoektocht die heel wat heeft geopenbaard maar waar je toch een nog groter mysterie achter vermoedt. En dan stappen zetten. Op zoek gaan. Je laten leiden door Zijn ster. Niet door de sterren van de teevee, de media die nog maar af en toe hun rol vervullen en die vaak afleiden van het licht en van het doel van het mensenleven. Je niet laten leiden door politici en schrijvers die het menselijk leven hebben ingekapseld binnen hun eigen beperkte visie die zich afgesloten heeft van het mysterie. Op weg gaan. Luisterend. Je geest rein houdend. Vaak je afschermend van het lawaai – niet van de nood – van het moderne leven. Fijngevoelig. Je laten leiden door Zijn Geest, Zijn Woord, zijn mensen – vaak zeer kleine, eenvoudige, zelfs gekwetste mensen. Uitkomen bij Hem. Het vervult je. Maar je merkt ook zijn armoede. De geur van de mensen die zich rond Hem bewegen. Zijn kerkgemeenschap die ook heel wat gebreken vertoont. Maar je buigt je voor Hem, je aanbidt Hem. En je wijdt u aan Hem toe. Je kiest er voor om je door Hem te laten leiden. Ja, je stelt je in zijn dienst… En je wordt gezonden. Dat is vervelend. Langs een andere weg – veranderd – moet je weer terug naar jouw standplaats. Je thuis, je buurt, je werkmidden, je vrienden…  Mens toch! Moet ik in dat midden christen gaan zijn? Moet ik daar Zijn licht uitstralen? Hoe moet ikd aar aan beginnen?

Ik voel dat ik er nood aan heb me geregeld terug te trekken in die stal, waar ik Hem heb aangetroffen en waar ik mijn geschenken heb achtergelaten – och, geen goud, wierrook en myrre – maar ik wil rouw zijn aan mijn toewijding aan Hem, ik wil Hem zeggen dat Hij ook vandaag mijn Heer mag zijn, dat ik Hem ook vandaag wil dienen. Maar Hij moet mij nabij blijven. Mij toerusten met zijn Geest. Zijn Moeder, Maria, moet mij helpen Hem in mij te dragen en Hem door te geven. Och, ik ben maar een kleine wijze en nog niet eens uit het Oosten.

"Moeder van de Herder en het Lam,

hoed de kudde ... leid ons bij de hand".

(Ben Van Vossel)

Jaar C  FEEST VAN DE MOEDER GODS
1 januari 2007
Maria, kortste en zekerste weg naar Jezus

Getallen 6,22-27 / Gal. 4,4-7 / Luc. 2,16-21

Men zegt wel eens: In de beperking toont zich de meester. Iemand die in een paar woorden iets duidelijk kan maken, die weet waar hij over spreekt, die draait er niet omheen. Ik moet zeggen dat de Kerk het meestal ook kort en duidelijk kan zeggen, vooral in de Romeinse liturgie. Maar nu, met het kerstgebeuren heeft ze toch naar adem moeten snakken. ’t Wat teveel om het in één zin uit te spreken. Met kerstmis had ze er een kerstwake, maar dan vooral de nachtmis, de dageraadsmis en de dagmis voor nodig om zo toch het een en het ander te zeggen over het Kerstgebeuren, over het mysterie van Jezus’ menswording en geboorte. Misschien paste ze zich ook wat aan ons aan, opdat we toch enigszins zouden bevatten waarover het gaat.

De Menswording, 9 maand eerder in de schoot van Maria, dat was allemaal nog vrij verborgen gebleven.  Juist Elisabeth en de kleine Johannes die van vreugde bewoog in de schoot van zijn moeder, hadden het aangevoeld: Gezegend zijt gij onder de vrouwen en gezegend is de vrucht van uw schoot. Waar heb ik het verdiend dat de moeder van mijn Heer naar mij toekomt?

Maar met de geboorte is de epifanie, het verschijnen van de Heer, echt zichtbaar geworden voor mensenogen. Daar ligt een babytje in de kribbe.

- In de nachtmis kregen we te horen hoe Maria en Jozef naar Bethlehem trokken en dat daar, in een schapenstal het Kind geboren wordt enr aan de herders wordt bericht dat er een redder geboren is, Christus, de Heer. 

- In de dageraadsmis zagen we de herder dan naar de stal trekken en om het Kind te zien dat Redder en Messias en Heer wordt genoemd.

- In de dagmis zegde Johannes het onomwonden dat het Woord, dat van alle tijden bij God was nu vlees is geworden, mens van vlees en bloed en tussen ons is komen wonen. Zoveel woorden en og veel meer had de Kerk nodig om dat mysterie een beetje naar ons hart te brengen, dat onbegrijpelijke dat een mens zich zelfs niet kon ingebeeld hebben: Gods Zoon die mens wordt, die ons bestaan komt delen om ons op te helpen, om Gods droom over ons werkelijkheid te doen worden: een wereld die zich wil openstellen voor het echte geluk, een leven volgens Gods verlangen.

De Kerk zal trouwens nog andere zondagen nodig hebben om duidelijk te maken hoe Gods Zoon in ons midden is gekomen en dat Hij redder is: de wijzen die Hem komen huldigen, het Woord van de Vader bij zijn doopsel in de Jordaan, hoe Hij zijn heerlijkheid toont bij de bruiloft te Kana…

En ook vandaag wil de kerk ons het mysterie van de Menswording en geboorte verder laten beschouwen. En ze betrekt er vandaag met nog meer nadruk Maria bij op dit Feest van de Moeder Gods.

 

Maria is er van heel dichtbij bij betrokken, meer nabij kon niet. Hij is de vrucht van haar schoot. Haar Ja-woord aan God heeft dit mogelijk gemaakt. Wij mogen aan de heilige Geest vragen ons vandaag het mysterie dat Maria is, aan ons te openbaren. Zij heeft ons Jezus mogen geven, onze Heer, onze Redder, de Messias. Dat was de opdracht die God van haar vroeg, en daar heeft ze JA op gezegd. Zij is Moeder geworden van Gods Zoon die in haar schoot mens van vlees en bloed is geworden en die uit haar geboren is.

Wij mogen vandaag Maria verheerlijken omdat zij Moeder Gods is. De Heilige Schrift geeft ons daarvan het voorbeeld in de Begroeting van de engel en de woorden van Elisabeth en het loflied van Maria zelf… Wij moeten niet menen dat we daardoor God tekort doen of dat we van Jezus worden afgeleid.

 

Integendeel: vrees niet om Maria bij u in huis te nemen, de vrucht van haar schoot is van de heilige Geest, is Gods Zoon. Jozef nam Maria bij zich in huis. En de door Jezus beminde leerling doet het ook, na Jezus woord op het kruis: Ziedaar uw moeder. Vanaf dat ogenblik nam hij haar bijzich in huis.

Wij mogen dat vandaag ook doen: Maria binnenlaten in ons gezin, haar binnenlaten in ons geestelijk leven. Want zij draagt Jezus, zij is de zekerste en kortste weg naar Jezus. Zij helpt ons om Jezus in ons gezin, in ons leven binnen te laten, zij helpt ons om het rijk van God in ons te beschermen en te verdedigen.  Maria trekt in haar eenvoud en haar absolute ‘Ja’ de heilige Geest tot zich. Zij wil ook ons helpen om helemaal open te komen voor de werking van de heilige Geest. En de vrucht van de Geest is dat wij op Jezus gaan gelijken, toegewijd aan God, onze Vader, toegewijd aan de mensen, van nu af aan Jezus’ broers en zussen. (Ben Van Vossel)