INHOUD - ACTIVITEITENGRIEKSE KERK BAGDAD - BEZINNINGEN - BIJBEL - BOEKEN - CHRISTEN in de WERELD - CHRISTELIJKE VORMING - CHRISTUS EN DE ISLAM -  DIAPRESENTATIES - EVANGELIE-LEZING - GEBED GEBEDSGROEP - GETUIGENISSEN - GEZIN GEZONDHEID HAHAHA - INFO - ISLAM - JEZUS (Isa al Masih) - JONGEREN - KERK en GELOOF - Figuren uit de KERKGESCHIEDENIS - KINDEREN - KUNST - LITURGIE - MEDIA - - MARIA - MARIA-KEFAS - MORAAL - NADENKERTJES - NIEUW - NUMMERS - PARAY L.M. - PINKSTERSPIRITUALITEIT - PREKEN - ROEPING - SOCIALE INZET - SPIRITUALITEIT THUISPAGINA UITZICHT - VERHALEN -  WETENSCHAP - ZENDING

JEZUS CHRISTUS

- Diapresentatie + Lied Sheila Walsh: "Jezus, wat een Redder bent U"
- Episoden uit het leven van Jezus (Christine / pps 2MB)
- De Dienaar van Jahwe (Alf. Leenders / pps 3 MB)
- Grondslagen van ons geloof: De Verrijzenis (kard. Danneels) uit: 'Samen'
- Gedachten vóór de Goede Week 
- Jezus opnieuw onder vuur: De Jezus Dynastie 
- Jezus (Isa al Masih) voorgesteld aan Moslims
(Wel uit wat fundamentalistische christelijke hoek)  
- De Da Vinci Code 
- Een Jezus-illusie 
- De Christelijke geloofsbelijdenis over Jezus Christus -
- Het Lijden van Jezus (Jezus in zijn verlatenheid - Passieverhaal - veroordeling - kruisweg - kruisiging - begrafenis) -
- Hij is verrezen! (Verrijzenis - Opstanding - betekenis van de Paasverhalen - verschijningen van Jezus - het lege graf - betekenis van Jezus verrijzenis voor de mensheid en de kosmos)
- Link naar film "Passie", over het Lijden van Jezus.

DE GRONDSLAG VAN ONS GELOOF: DE VERRIJZENIS[1]

Niet te geloven

Waarom geloven we uiteindelijk? Omdat Jezus uit de doden is verrezen en leeft! Met die boodschap zijn de predikers uitgetrokken in heel het Middellandse Zeegebied: Korinthe, Rome en wellicht zelfs tot in Spanje. Zo’n boodschap is uniek: geen enkele andere godsdienst beweert zoiets. Het boeddhisme zegt zoiets niet over de Boeddha en de Koran niet over Mohammed. Alleen christenen belijden dat Jezus uit de dood is opgestaan.

Vanaf het begin is het geloof in Christus’ verrijzenis hetgeen christenen van alle andere religieuze mensen onderscheidt. Zelfs Festus, een Romeinse ambtenaar en de opvolger van Pilatus (60-62), die Paulus voorstelt aan een paar gasten, bevestigt dat.

Paulus is een gevangene ‘die het had over een zekere Jezus, die dood is maar van wie Paulus beweert dat hij leeft’ (Hand 25, 19). Tot in onze dagen is het nog zo: alleen christenen spreken over de verrijzenis. In geen enkele andere religie wordt er melding van gemaakt.

Ook in de Griekse wereld van die tijd was zo’n affirmatie ongehoord. Paulus werd gewoon weggestuurd toen hij erover begon op de Areopaag te Athene. “We zullen je daarover wel een andere keer eens horen,” (Hand. 17, 32) zeiden ze. Dat mythische goden — Isis en Osiris — verrezen, dat wel, maar dat dit werd beweerd over een concrete historische mens, nee, dat kon niet.

Het christendom vond veel gehoor bij de heidenen, vooral wanneer het sprak over de liefde en de broederschap tussen mensen en de zorg voor armen en kleinen. De opstanding van een lichaam dat gestorven was, dat stond haaks op de mentaliteit van toen. Trouwens het lichaam genoot toen niet al te veel waardering. ‘Soma is sema,’ zeiden ze: een lichaam is een gevangenis. Je doet er best aan, er zo vlug mogelijk uit te stappen. Eenmaal eruit: dan zeker niet meer er terug in. Toch heeft deze boodschap van de verrijzenis, die loodrecht staat op de verlangens van die tijd, het gehaald. Het is weinig minder dan een wonder dat dit heeft kunnen gebeuren.

Is het wel waar?

Is het wel waar dat Jezus na zijn dood is opgestaan tot een nieuw leven, dat de dood niet meer kent? Daarmee staat of valt ons hele geloof. Als het niet zo is, dan valt niet alleen één artikel van het Credo weg, maar het hele gebouw stort in. Paulus schrijft: ‘... als Christus van de doden niet is opgewekt, is onze verkondiging zonder inhoud en uw geloof zinloos ...‘ (1 Kor. 15, 14). Waar halen we een bewijs?

Misschien zouden we kunnen zeggen: in alle tijden hebben sommige christenen een persoonlijke ervaring gehad van het feit dat Jezus leeft en voor hen staat: Levend! We kennen het woord van Paul Claudel bij zijn bekering in de Notre Dame van Parijs (1886): “En Gij waart plots Iemand levend voor mij.” Zoiets is respectabel en geloofwaardig. Maar is het voldoende?

Er zijn tekenen die er op kunnen wijzen dat Christus leeft: bekeringen zoals die van Charles de Foucauld, Franciscus, Augustinus en van vele anderen. Of de getuigenissen van levende gemeenschappen waar grote dingen gebeuren, vroeger en nu, of de wonderbare genezingen in heiligdommen en op bedevaartplaatsen. Voor sommigen is de convergentie van die vele en uiteenlopende tekenen bepalend voor hun geloofsstap.

Eigenlijk is er maar één aanwijzing die voldoende stevigheid biedt: het eenvoudige en constante getuigenis van de apostelen die allen eensgezind stellen: ‘Wij hebben met Hem gegeten en gedronken nadat Hij uit de doden was opgestaan’ (Hand. 10, 41). De stevigste bodem voor ons verrijzenisgeloof zijn de Paasverschijningen van Jezus aan zijn leerlingen en hun getuigenissen.

Er zijn verschijningen… en verschijningen…

Niet alle verschijningen zijn van dezelfde aard. Die van de apostelen zijn uniek. Er bestaan verschijningen die men van het mystieke type kan noemen. Er zijn er ontelbaar vele geweest in de loop van de geschiedenis: Bernadette te Lourdes, Marguerite-Marie Alacoque te Paray-le-Monial, Theresa van Avila ... Ook het Nieuw Testament kent ze: de verschijning aan Paulus voor de poorten van Damascus en zijn andere extases. Al die ervaringen zijn van hetzelfde type: de ziener wordt uit deze wereld weggerukt en in een andere wereld gebracht: hij weet niets meer van deze wereld en is ongevoelig voor wat daar gebeurt. Zo voelde Bernadette niet eens de brandende kaars onder haar hand tijdens de verschijning.

De verschijningen aan de apostelen zijn heel anders: de apostelen worden niet weggerukt uit hun dagelijkse leefwereld. Ze blijven op hun voeten staan aan de oevers van het meer van Galilea en verhuizen niet naar een ‘derde hemel’ zoals Paulus ervaart (2 Kor. 12, 2). De Paasverschijningen zijn al evenmin wat Petrus, Johannes en Jacobus overkwam tijdens de transfiguratie op de berg. Na Pasen komt Jezus uit eigen beweging bij hen, daar waar ze zijn. Hij laat Zich aanraken, zet Zich aan tafel met hen en laat Thomas de vinger in zijn Zijde leggen. ‘Hij laat Zich zien ...’ beweert het evangelie. Dat zal trouwens maar korte tijd duren: het loopt voorgoed af op Hemelvaart.

Natuurlijk kunnen we nooit een sluitend historisch bewijs hebben van Jezus’ aanwezigheid bij die verschijningen. Na de verrijzenis behoort Jezus immers niet meer tot de geschiedenis. Wat wel historisch kan nagegaan worden, is het getuigenis van de apostelen die erover spreken: hebben zij dat gezegd? Wat hebben ze gezegd? Waren ze betrouwbaar? Dat alles is wel bereikbaar voor de historicus.

Het getuigenis van de apostelen

Is hun getuigenis te vertrouwen? Vooreerst: het is zeer oud. We vinden het vroegste getuigenis al bij Paulus in de Korinthiërsbrief . Hij zegt: ‘Het belangrijkste dat ik u heb doorgegeven, heb ik op mijn beurt ook weer ontvangen: dat Christus voor onze zonden is gestorven, zoals in de Schiften staat, dat Hij is begraven en op de derde dag is opgewekt, zoals in de Schriften staat en dat Hij is verschenen aan Kefas en vervolgens aan de twaalf leerlingen. Daarna is Hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders en zusters tegelijk waarvan sommigen gestorven zijn maar anderen nog leven. Vervolgens is Hij aan jakobus verschenen en daarna aan alle apostelen. Pas op het laatst is Hij ook aan mij verschenen, aan het misbaksel dat ik was’ (1 Kor. 15, 3-8).

Die brief dateert van het jaar 57. Reeds in 51 had Paulus dat alles bij zijn eerste bezoek tegen de Korinthiërs gezegd. Maar de boodschap is nog veel ouder, want uit die tekst blijkt dat Paulus hier woorden gebruikt die niet van hem zijn: ze zijn hem overgeleverd. De formulering komt dus niet van hem. Ze werd hem overhandigd zoals hij zelf aangeeft. Dan moet dat al gebeurd zijn tussen 36 en 39. Dat is nog geen tien jaar na de feiten. Zo kort na Jezus’ dood en verrijzenis werd dit dus al algemeen verkondigd en geloofd: ‘Christus is verrezen! Hij leeft!’

Of waren de apostelen fanatici die na de dood van Jezus onder elkaar afspraken samen te zeggen dat Jezus was verrezen? Dat is moeilijk te aanvaarden: hoe zouden ze hebben kunnen afspreken? In elk geval: één was er nog niet bij om af te spreken, namelijk Paulus. Hij was toen eerder een kerkvervolger dan een kompaan. Daarenboven is de korte omslag van de gemoedstoestand bij de apostelen — van diepe verslagenheid naar uitbundige vreugde — niet verklaarbaar zonder een tussenkomst van buitenaf. De apostelen lijken trouwens helemaal geen intriganten of vervalsers te zijn. Ze zijn in al wat ze beweren zeer oprecht en sober. Het aantal bladzijden over de verrijzenis in de evangeliën is zeer gering. Welnu, wie uitvindt, is veelal breedsprakerig en veel omstandiger. Ze zeggen ook niets over het ‘hoe’ en het ‘wanneer’ van Jezus verrijzenis. De apocriefen, zoals het evangelie van Petrus (van rond het jaar 120) hebben veel meer fantasie. De echte evangelieverhalen zijn uiterst sober: ze beginnen niet met een triomferende proclamatie, maar met verschijningen aan vrouwen. Men herkent Hem aanvankelijk zelfs niet; Hij lijkt een visser of een tuinman. Het kan dus moeilijk om verbeelding of projectie gaan. Het is altijd Jezus die binnenkomt en het initiatief neemt.

De verschijningen gelijken in niets op de verblindende manifestatie van God op de Sinaď, zelfs niet van die op de Tabor. Jezus treedt gewoon binnen in de kleine leefwereld van de leerlingen. Een indrukwekkend decor en elke enscenering zijn totaal afwezig.

Verder is er nog het lege graf. Op zich is dat natuurlijk geen dwingend bewijs. De leerlingen kunnen Jezus hebben weggenomen. De joden ook, om de postume verering onmogelijk te maken. Toch is dat alles weinig waarschijnlijk. Als het graf vol geweest zou zijn, zou de verificatie door de Joden zeker niet zijn uitgebleven: het was dus wel degelijk leeg.

De verrijzenis is geen historisch constateerbaar feit. Er zal altijd geloof nodig zijn om erin te geloven. Dat geloof is ook het werk van de Geest: ‘Niemand kan zeggen: Jezus is de (verrezen) Heer, dan in de heilige Geest’ (1 Kor. 12, 3). Wat we zelf wel kunnen zeggen is dat het geloof van de christenen berust op die heel bijzondere ervaring opgedaan door ‘enkele getuigen die Jezus vooraf had gekozen’ (Hand. 1, 8). Die verkondigen met recht over wat ze gezien en gehoord hebben vanaf zijn doopsel door Johannes tot aan zijn Hemelvaart. Ons geloof berust op betrouwbare bronnen, zoals Lucas al zegt bij het begin van zijn evangelie ‘na me ernstig te hebben geďnformeerd schrijf ik’ (Luc 1, 1-4). Het geloof zelf volgt niet dwingend vanuit die betrouwbare informatie: het is de vrucht van Gods genade en van onze vrije instemming.

+ Godfried Kard. Danneels Aartsbisschop van Mechelen-Brussel


[1] Uit: Samen, 22ste jaargang, nr 4, april 2007.

 

GEDACHTEN BIJ DE GOEDE WEEK

Wij willen de Heer begroeten met onze palmtakken,  onze lofzang en onze vernieuwde toewijding aan Hem, die voor ons de duistere diepte van lijden en dood is binnengetreden, ten einde toe. We willen diep ontroerd en dankbaar aanzitten aan de tafel van Witte Donderdag. Kijken naar de Heer die zijn vrienden dient als een knecht; maar het is een liefdedienst, zoals heel zijn leven. En dan willen wij Eucharistie vieren. Die tafel, die maaltijd, waarin we heel zijn gegeven bestaan vieren en zijn opstanding. Hoe dierbaar moet die offertafel ons zijn. De innige omarming met Hem die voor ons ‘alles’ heeft gegeven. “Gij neemt ons op in uw goddelijk leven”! 

Moge het ons aanzetten tot een wereldwijde solidariteit met hen wie het meest noodzakelijke ontbreekt om als mens te kunnen leven. Broederlijk delen een heel jaar door.

Wij worden stil midden het geroep en getier van Goede Vrijdag. Wij zien op naar zijn verminkte lichaam, urenlang leegbloedend op het kruis; wij luisteren naar de paar woorden die zijn vrienden van zijn lippen hebben gelezen. Tot “Het is volbracht”. “Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest”. Dankbaar aanbiddend neerknielen…

En ook hier mogen wij ons lijden, en dat van de vele zieken en uitgestotenen, dat van de uitgehongerden , vervolgden en gemartelden naar het lijden van Jezus toe brengen… Wenen met hen die wenen… Bedenken hoe wij Veronica, Simon van Cyrene (de vader van Alexander en Rufus), de (nabije) Moeder van Smarten, Johannes of Maria Magdalena kunnen zijn voor hen die lijden zoals Hij.

Een hele Stille Zaterdag willen wij beleven wat ons leven zou zijn ‘zonder Hem’, zonder het antwoord van de verrijzenis.

Maar het wordt Pasen. Zoveel is zeker. Wordt het echt Pasen? Gaan wij verzaken aan de duisternis en aan alles wat ons ernaar toetrekt? Gaan wij ons engagement, onze verbondenheid met Hem vernieuwen? Ons in Hem onderdompelen? Bezorgen wij Hem de vreugde ons het heil te brengen? Want alleen in Hem is ons heil, ons leven en verrijzenis door wie verlost en bevrijd zijn. Daarom is het kruis nu omgeven met het wit van de verrijzenis. “Laat u door Jezus verlichten, Hij wil ook uw Heiland zijn. Gods liefde is als het zonlicht!”  Laat ons er samen van leven en getuigen.

 

FILM OVER HET LIJDEN VAN JEZUS

Acteur, producent en regisseur, Mel Gibson, heeft recentelijk een film genaamd PASSIE voltooid. De film is een levendige beschrijving van de laatste 12 levensuren van Jezus Christus. Jezus wordt gespeeld door de Amerikaanse acteur James Caviezel en Maria van Magdala door de Italiaanse actrice Monica Bellucci. Om meer te leren over de film, bezoek de website:
http://www.passion-movie.net/nederlands/
Je kunt de trailer bekijken, zie foto's en lees het nieuws over de film. Je kunt de release van PASSIE in een bioscoop bij jou in de buurt ook helpen ondersteunen door de STEUN PASSIE sectie van de website in te vullen.

DE JEZUS DYNASTIE
Jezus en het Christendom weer eens onder vuur

Opnieuw de ultieme sensationele onthulling
Nog maar pas is – zelfs in uitzendingen op de T.V. – de DaVinci Code van Dan Brown ontrafeld en uitgerafeld tot puur amusementsmaterie en het ‘Evangelie van Judas’ heeft eigenlijk nauwelijks de headlines gehaald, of daar is de volgende publicatie die Jezus en het christendom definitief van hun sokkel wil halen. Inderdaad. Jezus zou het kind zijn van een Romeins of Joods-Romeins soldaat, helemaal niet de Heiland of de Zoon van God. Hij heeft zelfs nooit een nieuwe godsdienst in het leven willen roepen maar had wel serieuze politieke bedoelingen (haha? dat wisten we niet. nvdr) en daar heeft de Romeinse macht een stokje voor gestoken door Hem te kruisigen. Toch is zijn “dynastie” verder gegaan langs Jacobus, zijn ‘broer’, maar die bracht er niet erg veel van terecht. Jezus is dus niet de stichter van het christendom; dat is Paulus, die zowat zijn eigen interpretatie van het christendom wist door te drukken en door het wegvallen van de Jood-Christenen (na de Joodse oorlogen o.m. met Bar Kochba) daar alle kans toe kreeg. Het christendom is trouwens niet veel meer dan menselijke geboden. De kern van het geloof is (tenminste volgens Dominique Trachet[1] in Weekblad Primo TVgids van 4-10 november 2006) ‘het mededogen voor de medemens, het bewustzijn van de eenheid der dingen’. Trachet zet daar trouwens een citaat bij: “Van dat mysterie doordrongen zijn, dat is geloven”, zeggen zij (die ‘velen‘ dus nvdr). “Niet het al dan niet accepteren van de bewering dat er zoveel eeuwen geleden iemand is geweest die zichzelf heeft uitgeroepen tot redder van de mensheid”.

Hoe zwaar weegt dit alles nu weer?
Ik heb het nu even niet over het boek dat Trachet wil opvoeren (De Jezus Dynastie – De Verborgen Geschiedenis van Jezus en het Ontstaan van het Christendom - van James D. Tabor) maar om de goedkoop gezaaide bemerkingen van Trachet zelf. Nadat hij de vraag stelt (en in het midden laat) “Heeft James D. Tabor gelijk of niet?”, geeft hij zijn eigen opinie. Hij schrijft: “Dat de meeste christelijke dogma’s niet meer zijn dan menselijke geboden, was ook al vóór Tabors verhaal duidelijk (o ja? nvdr). Of Jezus zoals we (wie is we? nvdr) hem kennen echt heeft bestaan of niet, is ook allang niet meer de kern van het verhaal, vinden velen (wie zijn dat? nvdr). Wat telt is de kern van het geloof: het mededogen voor de medemens, het bewustzijn van de eenheid der dingen”. Tot zover de mening van deze D. Trachet.

Misschien toch het evangelie nog eens lezen!
Nou, deze wouldbe-theoloog gaat hier toch even zijn boekje te buiten. Sinds jaar en dag verkondigt de  kerk dat het in het christendom op de eerste plaats gaat om een persoon en niet om een ‘moraal’ van ‘wees goed voor de mensen en dat is alles’. Er is blijkbaar nog iets meer dat telt. Als je eens ernstig het evangelie leest – ik heb het dan niet over de geschriften van Paulus of die vroeger aan Paulus werden toegeschreven – dan lezen wij bij een christen uit de heidenen (zoals Lucas) dat Jezus door God tot Heer en Heiland is aangesteld (Petrus’ Pinksterpreek in Handelingen 2). Maar ook in het meer Joods getinte evangelie volgens Mattheüs ga je zien hoe buiten Jezus het Goede Nieuws niet echt vernomen wordt. “Ik ben het Licht van de wereld”. En wat Hij verkondigt is de verborgen schat, de kostbare parel… Van het begin tot het einde druipen de evangelies van Mattheüs en Marcus (Marcus die een tijdlang leerling van Paulus was maar toch ook vooral gezel van de Jood Petrus-Kefas) van de noodzaak om Jezus te volgen, niet enkel zijn leer maar Hem zelf, en niet als politiek leider maar als Zoon van de Vader…

En  – och, ik neem zo maar één citaatje hoor, uit het evangelie volgens Johannes, een echte Joodse christen – hoe zou Trachet dit ene zinnetje verstaan waar Jezus zegt in het beeld van de wijnstok: “Los van Mij, kunt gij niets”? Johannes was niet bekeerd door Paulus, hoor! Van zichzelf zegt Johannes dat hij gerust heeft aan het hart van Jezus, hij heeft geluisterd naar wat Jezus ten diepste ter harte ging (dus niet naar wat Paulus verkondigde). Dit evangelie kun je gewoon niet indenken zonder die sterke relatie tot Jezus, de Messias (wiens rijk trouwens niet van deze wereld is!), de Redder van de mens. Toch nog iets anders dan alleen maar op je knieën liggen voor moraal die zich zou beperken tot filantropie.

Weer zo'n detective-romannetje?
Trachet zou zich beter houden aan wat hij citeert van D. Tabor: “Ik baseer mij op feiten en op de rede gestoelde veronderstellingen. Maar ik pretendeer niet dé waarheid te verkondigen. Als iemand mij de nodige wetenschappelijke argumenten en bewijzen van een andere waarheid wil overtuigen, zal ik dat zeker in overweging nemen”. Met zo’n uitspraak kan ik leven. Maar natuurlijk moeten de feiten dan ook echte feiten zijn. En daar knijpt toch weer het schoentje. De uitleg over ontdekking en verdwijning en al of niet vervalsing van de gevonden grafkisten en eventuele maar ondertussen verdonkeremaande documenten daaromtrent, roepen bij een modern lezer toch weer opnieuw iets op van heel het kluwen van het politiefeuilleton of detectiveroman van Dan Brown en de opgeklopte sensatie rond het gnostieke Judasevangelie. James Tabor pretendeert niet dé waarheid te verkondigen. Dat is wijs. Als wetenschapper is hij zich bewust dat heel zijn zaak op feiten berust én interpretaties gesteund op de rede… Jawel, maar interpretatie maak je  niet tot de ruggengraat van een wetenschappelijke redenering want dan situeer je je in het gezelschap van Dan Brown. 

Mč hiel Antwaarpe, moar nie mee maa
Hij mag me dan ook niet kwalijk nemen dat ik ondertussen heel zijn betoog en zijn Jezusdynastie rustig de tijd laat om haar plaats in te nemen bij de Slegte en ik zie al uit naar het volgende boek met weer een andere ‘sensationele, wereldschokkende, verbijsterende onthulling’ over Jezus, het christendom, Opus Dei, eventueel nog de Jezuďeten e.d. maar ik laat het wijselijk aan anderen om de zakken van die sensatieschrijvers en hun uitgevers te vullen. Ik loop ook af en toe eens in een muizenval, maar niet heel de tijd door. Sorry hé!.


[1] D. Trachet treffen we nogal aan in ‘Dag Allemaal’ (redacteur en adjunct hoofdredacteur) en publiceert ook wel in wat kranten.

 

De Christelijke Geloofsbelijdenis betreffende Jezus

1. Uit het zogenaamde "SYMBOLUM VAN DE APOSTELEN"

Ik geloof in God...
en in Jezus Christus
zijn enige Zoon, onze Heer,
die ontvangen is van de heilige Geest,
en geboren uit de Maagd Maria;
die geleden heeft onder Pontius Pilatus,
gekruisigd is, gestorven en begraven;
die neergedaald is 'ter helle',
de derde dag verrezen uit de doden;
die opgevaren is ten hemel,
en zit aan de rechterhand van God, zijn almachtige Vader;
vandaag zal Hij komen oordelen
de levenden en de doden.
Ik geloof in de heilige Geest...

2. De geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel

Ik geloof in één God....
en in één heer, Jezus Christus,

eniggeboren Zoon van God,
voor alle tijden geboren uit de Vader.
God uit God, Licht uit Licht,
ware God uit de ware God.
Geboren, niet geschapen,
één in wezen met de Vader,
en door Wie alles geschapen is.
Hij is voor ons, mensen, en omwille van ons heil

uit de hemel neergedaald.
Hij heeft het vlees aangenomen door de heilige Geest
uit de Maagd Maria en is mens geworden.
Hij werd voor ons gekruisigd.
Hij heeft geleden onder Pontius Pilatus
en is begraven.
Hij is verrezen op de derde dag volgens de Schriften.
Hij is opgevaren ten hemel:
zit aan de rechterhand van de Vader.
Hij zal wederkomen in heerlijkheid
om te oordelen levenden en doden
En aan zijn Rijk komt geen einde.
Ik geloof in de heilige Geest...

"VERLATEN"  

Bezinning bij het lijden van Jezus)

(zie op het einde: inhoud / Vragen + antwoorden van deelgroepen)

- Kaart met de plaatsen van het Passieverhaal uitvergroot: cenakel - Olijfberg - Kajafas - Antoniaburcht - Paleis van Herodes - weg naar Golgotha - mogelijke plaats(en) van het graf
- Afbeelding van gelaat van lijkwade
- CD met mooie muziek (Cantate Domino) bij het binnenkomen, tijdens pauze en zelfs achteraf
- Tijdens het onderricht diamontage over passie (dit kwam goed over en bevorderde het inleven in het passieverhaal); Ik heb permanent geprojecteerd tijdens het onderricht  (met behulp van een lange impulsgevende draad), nl. af en toe een dia die illustreert wat er gezegd wordt

Uiteenzetting

Deze tweede sessie van onze vormingsreeks tijdens de Veertigdagentijd, gaat over iets heel anders dan de eerste.  Toen hadden we het over de ontmoeting tussen Maria en Elisabeth rond het mysterie van Gods genadig ingrijpen in Jezus.  Vandaag nemen we ook weer de Bijbel en laten we ons begeleiden door het Woord van God, maar nu gaat het over Jezus in zijn verlatenheid.

Ik bekijk die verlatenheid in verscheidene episoden als het ware.  Ik volg daarbij het evangelieverhaal en geef er een paar bezinnende gedachten bij.

1. Cenakel - Bovenzaal 

(Verraad voorspeld.  Instelling Eucharistie.  Verloochening voorspeld)

Als de leerlingen vragen waar ze dat jaar het Paasmaal gaan vieren, stuurt Jezus hen naar een grote bovenzaal, voorzien van rustbedden en al het nodige; daar moeten ze alles maar gereedmaken (Mk. 14,12-16).

In die bovenzaal viert Jezus ’s avonds het paasmaal.  In de loop van de maaltijd, als ze aan tafel aanliggen, zegt Jezus: “Een van jullie zal Mij overleveren, een die met Mij eet” (Mk. 14,18).  De leerlingen zijn verbijsterd: wat zegt de Meester daar, een van ons gaat Hem uitleveren?  Droefheid en onrust grijpt hen aan.  De een na de ander begint te vragen: “Ik ben het toch niet?” (Mk.14,19).  Ze kunnen het gewoon niet geloven.  Maar Jezus herhaalt dat een van de tafelgenoten Hem zal overleveren.  Zo op weg geweest zijn met de Heer en dan Hem overleveren.  Het zou beter geweest zijn als zo iemand niet geboren was, noteert de evangelist.  Maar wat moet het voor Jezus betekend hebben dat een van zijn 12 vertrouwelingen zijn verrader wordt.  Hij wordt al zó door vijanden in het nauw gedreven, dat dit er ook nog eens moet bijkomen.

Hoeveel christenen is dat niet overkomen tijdens de communistische dictaturen van vorige eeuw, waar vrienden en zelfs huisgenoten elkaar gingen overdragen, kinderen hun ouders, zoals hun was geleerd in de communistische jeugdbeweging en op school. Tijdens de Nazi-tijd was het al niet veel beter.

Maar hoe vaak wordt Christus niet in de steek gelaten door zijn liefste vrienden die kiezen voor heel andere waarden, voor afgoden allerlei, voor eigen planning, voor eigen verlangens…

Op diezelfde plaats, tijdens diezelfde avond nog stelt Jezus een bijzonder teken van zijn liefde en zijn verlangen om bij zijn vrienden te blijven, bij zijn vrienden van alle tijden.  Hij wil niet vergeten worden, Hij wil dat zijn totale gave blijvend herinnerd zal worden čn dat het tot een voorbeeld wordt hoe zijn volgelingen zich te gedragen hebben.  “Neem, dit is mijn lichaam.  Dit is mijn bloed dat vergoten wordt voor velen”.  Zo kort zegt het Marcus.

Tevens zegt Hij dat dit het afscheid is.

Dan zingen zij het grote hallel, de grote lofzang met de allelujapsalmen op het einde van het boek der psalmen.

Onderweg naar de Olijfberg (Mk. 14,27) voorspelt Jezus weer dat ze allen ten val zullen komen, als schapen zullen ze verstrooid worden.  Zelfs Petrus, de onversaagde krijgt de ontnuchterende woorden te horen: Voorwaar, Ik zeg u: nog heden, nog deze nacht, voordat de haan tweemaal kraait, zult juist gij Mij driemaal verloochenen.  Dat laat Petrus zich niet gezeggen en de anderen evenmin.

Maar het is gezegd, en met die ontnuchterende woorden van Jezus wordt het volgende tafereel van het drama reeds op een kier gezet

2 Getsemane

(Doodsangst - verraad - arrestatie - in de steek gelaten)

We zijn in Getsemane, een landgoed waar Jezus wel vaker heen ging met zijn vrienden.  Dit wordt een van de droevigste en aangrijpendste verhalen uit het evangelie.

Jezus wil gaan bidden.  Hij voelt dat zelfs zijn twaalf vrienden hem niet kunnen helpen op dit ogenblik.  Hij moet terugvallen op zijn Vader.  Toch neemt Hij enige menselijke nabijheid mee: Petrus en de twee zonen van Zebedeüs: Johannes en Jakobus. 

“Hij begon bedroefd en beangst te worden” Mt. 26,37.  Wat een menselijke diepte spreekt uit deze woorden.  “Bedroefd en beangst”.  Depressief en bang.  De wereld stuikt in elkaar, zijn leven: één groot fiasco.  Zijn dromen stukgeslagen en zijn leven bedreigd.  Als een opgejaagd dier, een opgejaagde mens, binnen dit en een paar uur is hij in de macht van zijn vijanden.  Niemand redt hem dan nog.  Niemand!  Zeker niet die paar mannen om Hem heen.  Hij kent ze.  Hun goed hart en ook hun kwetsbaarheid.

“Bedroefd en beangst”.  Wat een menselijke diepte in deze paar woorden.  Maar waarschijnlijk is hier nog meer aan de hand.  Hij voelt dat zijn zending vanwege God mislukt is.  Hij wordt niet aanvaard als de gezondene van de Vader.

Hier kan Hij alleen nog met God over praten.

“Blijf hier en waak.  Waak met Mij”.

Wat verder werpt Hij zich plat ter aarde.  Hij siddert van angst.  Een kille wanhoop drukt hem tegen de rotsgrond.  Zuchtend en kermend komt het er uit: “Mijn Vader, als het mogelijk is, laat deze beker Mij voorbijgaan.”  Deze beker van het lijden schrikt Hem mateloos af.  Hij is mens.  En wellicht gaat het over het lijden van de Zoon van God, het lijden dat Hij vrij op zich neemt, de zonden van de wereld, de ontrouw, de opstand tegen God, de zonden tegen de menselijkheid, de verwerping van het aangeboden heil…

“Vader, als het mogelijk is”.  Zo bidt Hij eerst.  Daarna bidt Hij: “Vader, als het niet mogelijk is dat die beker voorbijgaat zonder dat ik hem drink: dat dan uw wil geschiede”.

Het woord is er uit.  Hij zal zijn leven beëindigen onder hetzelfde gesternte waaronder het gestart was en waaronder het verlopen was: “Ik ben gekomen, God, om uw wil te doen” (Hebr.10,7).  “Mijn spijs is de wil te doen van Hem die mij gezonden heeft en zijn werk te volbrengen”. (Joh.4,34)  “Alles is volbracht - Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest” (Joh. 19, ).

Tussendoor beschrijft Lucas, een medicus waarschijnlijk, hoe het echt een panische angst geweest is die in al zijn gruwelijkheid over Jezus was gekomen.  Jezus gelaat zag eruit alsof het bloed uit de poriën van zijn huid was geperst; een fenomeen dat zich enkel bij uiterste panische angst voordoet en dat de huid over het lichaam uiterst gevoelig maakt voor elke aanraking.  Het verdere lijden van Jezus wordt tot een gruwel.

Ook tussendoor was Hij nog steun gaan bedelen bij zijn drie beste vrienden.  Ze slapen.  Hij staat er helemaal alleen voor.  Zelfs zijn vermaning dat ze moeten waken en bidden om niet in de bekoring te vallen van Hem in de steek te laten, heeft geen effect.

Tot Hij de verrader nabij weet.  Dan nodigt Hij hen uit om op te staan.

Hier gebeurt het inderdaad dat een van zijn vriendenkring, een van zijn volgelingen een vijandelijke groep aanvoert, een groep, gezonden door de hogepriesters en de oudsten, de leiders van het volk. 

Het is zelfs een vriendschapsteken dat teken van het verraad wordt.  “Hij ging recht op Jezus af en zei: 'Gegroet Rabbi', en hij kuste Hem” (Mt. 26,49).

Jezus wordt vastgegrepen.  Een van zijn vrienden onderneemt nog een wanhoopspoging met een zwaard, maar krijgt van Jezus te horen dat Hij geen beroep wil doen op een militaristische ingreep.

Jezus verwijst naar zijn Vader en legioenen engelen.  Maar dat komt niet ter sprake, de Schriften moeten vervuld worden die zeggen dat het zo moet gebeuren.

Nu nog beter!  Dus niet bidden tot God om in te grijpen?  De Schrift laten geschieden?  Welke Schrift?  Welk woord uit de Schrift?

Dat zwaard had nog kunnen helpen.  Maar de Schrift, wat kan je daar mee aanvangen in de gegeven situatie? 

“Toen lieten alle leerlingen Hem in de steek, schrijft Mattheüs, en ze namen de vlucht”.  Jezus staat er dus alleen voor.  In een kort zinnetje wordt er nog aan toegevoegd dat Petrus Hem op een afstand bleef volgen.  Jezus van ver volgen.  Dat gaat slecht aflopen in de derde perikope.

3  De rechtszitting

(Annas - Kajafas - Petrus verloochent Jezus - de veroordeling - Judas pleegt zelfmoord)

De rechtszitting

Kajafas, die eigenlijk Jozef heette, was hogepriester van 18 tot 36 na Christus.  Hij volgde zijn schoonvader Annas op  die van 6 tot 15 hogepriester was en die titel nog bleef behouden.  Johannes verhaalt (Joh. 18,13) hoe Jezus toch eerst voor Annas moet verschijnen; waarschijnlijk had hij nog steeds de touwtjes in handen.

Kajafas deed het sanhedrin eerder al het besluit nemen om Jezus te doden (Joh. 11,50) en hij leidde later de raadszitting waarin Jezus ter dood werd veroordeeld (Mt. 26,57-68).

Blijkbaar werd er diezelfde nacht een rechtszitting bijeengeroepen in het huis van Kajafas waarvoor de schriftgeleerden en oudsten waren bijeengekomen.

Wat nu opvalt in heel dat proces is dat er eerst een aantal schijngetuigenissen komen omdat men geen echte wettelijke reden heeft tot een doodsvonnis.  De getuigen spreken elkaar tegen.  Tenslotte wordt er naar verwezen hoe Jezus de tempel van God - en dus God zelf - beledigd heeft door te beweren dat Hij die tempel in 3 dagen weer kan opbouwen.  Jezus antwoordt niet op die beschuldiging tot de hogepriester hem vraagt:

'Ik bezweer U bij de levende God ons te zeggen of Gij de Christus zijt, de Zoon van God.' 64 Jezus gaf hem ten antwoord: 'Gij zegt het. Maar Ik zeg U: vanaf nu zult ge de Mensenzoon zien zitten aan de rechterhand van de Macht en komen op de wolken des hemels.' 65 Toen scheurde de hogepriester zijn kleed en riep uit: 'Hij heeft God gelasterd; waartoe hebben wij nog getuigen nodig? Gij hebt nu toch de godslastering gehoord! 66 Wat denkt gij daarvan?' Zij antwoordden: 'Hij verdient de doodstraf.' (Mt. 26,63-66). 

Jezus komt er voor uit dat Hij de Messias is en dat Hij aan de rechterhand van God zal zitten en zal komen op de wolken van de hemel.  Zichzelf uitroepen tot Messias en jezelf al op de troon van God zien zitten.  Godslastering.  Hij verdient de doodstraf!

Bespotting

Mattheüs verhaalt hoe ze Jezus dan bespuwen en hem met de vuist slaan en met een stok en Hem uitdagen om te raden wie Hem geslagen heeft.  Marcus zegt dat ook de knechten Hem slagen toebrachten.  Maar eigenlijk lijkt het eerder een beledigen van een Godslasteraar door de aanwezigen; tonen hoe verontwaardigd men wel is en niet ten achter willen blijven bij de anderen.  De wat ouderen onder ons herinneren zich nog zulke beelden uit de repressie: niet eens zo’n goede patriotten die toch haantje de voorste waren bij het beledigen en vernederen van al of niet echte incivieken.

Op niemand moet Jezus nog rekenen.  Hij zit daar in de situatie die we in een van de psalmen beschreven zien:  ‘Woedende stieren omringen mij…’

Verloochening door Petrus

Dat hij werkelijk op niemand moet rekenen krijgt zijn bevestiging in de figuur van Petrus, de moedige, de impulsieve, die niet alleen niet durft zeggen dat hij bij Jezus hoort, maar bij hoog en bij laag beweert en zweert dat Hij “die Mens” niet kent.

Er kraait een haan.  En nog eens.  Het slaat als een alarmsignaal in Petrus’ oren, het duizelt in zijn hoofd.  Bij Lucas wordt het nog echt in scčne gezet: “En de Heer keerde zich om en zag Petrus aan.  En Petrus herinnerde zich het woord van de Heer, hoe Hij tot hem gezegd had: Vóórdat een haan heden kraait, zult gij Mij driemaal verloochenen.

Petrus ging naar buiten en weende bitter” (Luc. 21,61-62).

“Ik kan je spijtig genoeg niet helpen”.  Ik heb mijn huishouden”.  “Ik moet nog dringend die taak volbrengen.  Ik kan nu niet bij jou blijven”.   Het kan allemaal heel terecht zijn.  Wij moeten ons in oprechtheid voor de Heer durven stellen.  Jezus is in een heel bijzondere situatie.  Hij is volledig aan zijn lot overgelaten.  Hij gaat naar de dood toe.  Dit zijn bijzondere omstandigheden.  Hier moeten we ons uiterste best doen om mensen nabij te zijn.  Dat is niet altijd mogelijk.  Maar we moeten zo eerlijk zijn om te zien wat wčl mogelijk is.  Elisabeth Kübler Ross, toch een autoriteit op het vlak van wat stervenden meemaken, mensen voor wie het leven zich spoedig gaat sluiten, zegt hoe enorm belangrijk en zinvol het is van speciaal voor die mensen nabij te zijn met aandacht, met menselijke nabijheid, met genegenheid en tederheid.  Stervende mensen staan voor een enorm belangrijke stap.  Wij hebben daar een enorm belangrijke taak te vervullen.

Op weg naar Pilatus

De hele vergadering stond op (Lk 23,1) en geboeid (Mt 27,2) wordt Jezus van het sanhedrin naar de Antoniaburcht gevoerd waar Pontius Pilatus, de Romeinse goeverneur verbleef.

Als een misdadiger geboeid door de straten gevoerd worden, met een roepende menigte rondom Hem en achter Hem aan.  Het volk staat erop te kijken.  Jezus Van Nazareth is nu definitief verworpen en uitgestoten uit de gelovige gemeenschap.

De totale verlatenheid wordt ook hier tot de ultieme vernedering voor een rechtvaardig mens:  te worden aanzien als een misdadiger die het misprijzen verdient van de hele gemeenschap.

Judas’ einde

Ondertussen leidt Jezus nog een andere nederlaag.  Zijn mededogen met Judas Iskarioth belet niet dat deze, door wroeging bewogen, de dertig zilverlingen naar de hogepriesters en ouderlingen brengt maar er niet in slaagt hen af te brengen van hun moordplan.  Zijn reactie is er een van wanhoop: hij smijt de zilverlingen in de tempel, loopt weg en pleegt zelfmoord.  Met het geld wordt een stuk land aangekocht om vreemdelingen te begraven: hakeldama of  ‘de bloedakker’.  Een treurig einde voor een van de nauwe vrienden van Jezus.  Voor zover Jezus er op dat ogenblik een aanvoelen van heeft gehad, kan het alleen het gevoel van mislukking maar vergroot hebben.

4  Het Romeinse proces  (De zwakke rechter - de geseling)

De zwakke rechter

Ook voor Pilatus vallen de beschuldigingen maar mager uit.  Zelfs als Jezus toegeeft Koning der joden te zijn, zegt Pilatus aan de hogepriesters en de volksmenigte dat hij geen schuld vindt in Jezus.  Maar allee, roepen ze hem toe, “vanuit Galilea is hij ook hier onrust komen stoken”.

Dat nieuws kwam Pilatus goed uit.  Herodes, die verantwoordelijk was voor Galilea, verbleef namelijk juist in Jeruzalem en daarom laat Pilatus Jezus daarheen brengen.  Herodes is content van Jezus eens te zien.  Maar Jezus antwoordt op geen enkel van zijn vragen.  De hogepriesters en de schriftgeleerden stonden er bij en putten zich uit in beschuldigingen tegen Hem”.  Samen met zijn soldaten bespot Herodes Jezus en met een schitterend gewaad om zijn schouders, zendt hij Hem terug naar Pilatus.  Lucas voegt er nog aan toe (Luc. 23,12) dat op diezelfde dag Herodes en Pilatus elkaars vrienden werden; tevoren leefde zij namelijk in onderlinge vijandschap.

Het eigenlijke proces voor Pilatus kunnen we relatief kort samenvatten aan de hand van het Lucasevangelie.  Na de onderbreking bij Herodes “riep Pilatus de hogepriesters, de overheidspersonen en het volk bijeen  en zei tot hen: ' Gij hebt deze man voor mij gebracht als iemand die het volk tot opstand aanzet; welnu: ik heb Hem in uw bijzijn verhoord maar ik heb in deze man niets kunnen ontdekken van al datgene waar gij Hem van beschuldigt.  Herodes evenmin, want hij heeft Hem naar ons teruggezonden. Het is duidelijk, dat Hij niets heeft bedreven wat de doodstraf zou rechtvaardigen.  Ik zal Hem daarom een tuchtiging laten toedienen en dan vrijlaten. '  Ze begonnen allen tegelijk te schreeuwen:  ' Weg met Hem! Laat ons Barabbas vrij’” (Luc. 23,13-18).  Pilatus biedt nog even weerwerk, maar hun geschreeuw gaf de doorslag.  Hij besliste dat zou gebeuren wat zij eisten; hij liet de man die zij opvorderden los, al zat hij wegens oproer en moord in de gevangenis, maar Jezus leverde hij over aan hun willekeur (v.24-25).

De romein, die niet al te zacht omsprong met de Joden als ze wat moeilijkheden maakten, hij zwicht hier voor geroep en geschreeuw van een door de hogepriesters en volksleiders opgezweepte menigte.   Hij wast zijn handen in onschuld.  Hij wou de dood niet van deze man, een ongevaarlijke dweper volgens hem, maar hij ging zich voor deze man ook niet al te zeer compromitteren. 

Verraden, overgeleverd, verloochend en door zijn vrienden in de steek gelaten, uitgestoten en gebrandmerkt door de leiders van zijn volk, gedagvaard bij de hoge raad en ter dood veroordeeld; maar ook bij de bezettende of uiteindelijk beslissende overheid vindt Jezus geen steun.  Pilatus laat hem vallen om zijn eigen huid te redden.  Het Romeinse recht, zo hoog geprezen om zijn vaak heel wijze beginselen, wordt hier omgebogen uit zwakheid en eigenbelang.

De geseling

Jezus was tussendoor in de handen gevallen van wat Syrische huurlingen die die Joodse koning eens terdege hebben toegetakeld, zodanig dat Hij nog nauwelijks staande kan blijven: hij is zwaar gegeseld over heel zijn lichaam - dat reeds overgevoelig was door de doodsstrijd -  en met een doornenkroon is ook zijn hoofd ernstig toegetakeld.  Pilatus dacht nog even daarmee het medelijden van de menigte op te wekken, maar het haalde niets uit.

5  De kruisweg

Na de definitieve uitspraak trekt men Jezus weer zijn kleren aan en voert Hem weg naar de plaats van terechtstelling, net binnen of net buiten de stadsmuur.

Onderweg komen toch een paar menselijke details heel deze onmenselijke behandeling enigszins verzachten.  Simon van Cyrene en de wenende vrouwen.  De figuur van Veronika, die we bij onze kruiswegdevotie aantreffen, heeft waarschijnlijk nooit bestaan.  Vera - ikon betekent: ware afbeelding, authentieke afbeelding van Jezus’ gelaat. 

Het is wel treffend hoe het beknopte Markusevangelie spreekt over Simon, een sterke boer, afkomstig uit Cyrene, die daar juist van zijn veld kwam en misschien tussen de toeschouwers had plaats genomen.  Zij vorderden een voorbijganger die van het veld kwam, Simon van Cyrene, de vader van Alexander en Rufus, tot het dragen van het kruis” (Mk 15,21).  Ik noem dit treffend omdat twee zonen van Simon blijkbaar tot de bekenden van Markus en de eerste christengemeenschap gerekend worden en er waarschijnlijk ook toe behoorden.  Simon van Cyrene was misschien zelfs geen gelovige Jood aangezien hij zijn kinderen heidense namen had gegeven.  Dat ze later christenen worden maakt van het dragen van Jezus’ kruis in feite een genadevol gebeuren voor het gezin van Simon.

Aan een veroordeelde mocht je geen sympathie betuigen.  Maar er bestond een genootschap van liefdadige vrouwen, “chaburat ir”, die geschenken gaven bij besnijdenissen, verlovingen en huwelijken.  Ze deelden ook geld uit en weeklaagden wanneer arme gezinnen door de dood werden bezocht.  Wellicht konden ze de miserie van Jezus niet aan en, nadat één haar tranen niet kon bedwingen, begonnen ze allemaal te wenen[1].

6  Golgotha

Tussen misdadigers en vijanden

Ze komen aan de plaats Golgotha, de schedelplaats, een kale rots net buiten of net binnen de stadswal.  Men ontdoet Jezus van zijn kleren en kruisigt Hem.  Links en rechts van hem worden twee misdadigers gekruisigd.  Markus noteert: “Zo ging in vervulling dit Schriftwoord: Hij is onder de booswichten gerekend” (Mk.15,28).  Bij de profeet Jesaja staat immers te lezen over de Dienaar van God, de Ebed Jahwe : “Toch is hij uit het land der levenden weggerukt, geslagen om de weerspannigheid van mijn volk.  Men gaf hem een graf bij de boosdoeners, en bij de rijken een laatste rustplaats, hoewel hij geen onrecht heeft begaan en er in zijn mond geen bedrog is geweest.  Maar het heeft Jahwe behaagd hem ziek te maken en te breken. Waarlijk, als een zoenoffer gaf hij zijn leven” (Jes 53,8-10).  In ieder geval is het in de beleving van Jezus opnieuw die schok dat hij in de ogen van de mensen niets beter is dan die twee misdadigers die met hem gekruisigd worden.

De verlatenheid en uitzichtloosheid worden vervolledigd door een paar korte beschrijvingen:

De soldaten die zijn kleren verdelen onder elkaar en dobbelen om zijn kleed dat uit een stuk was geweven; misschien nog het werk van zijn moeder.

Dan zijn er de voorbijgangers die het hoofd schudden en Jezus toeroepen: “Gij daar, die de tempel afbreekt en in drie dagen weer opbouwt, kom van dat kruis af en red Uzelf” (Mk 15,29).  Het zijn misschien zelfs uitroepen van mensen die een tijdlang in Jezus hebben geloofd, maar die nu zwaar in Hem ontgoocheld zijn; hun profeet, hun Messias blijkt een machteloze bluffer te zijn die hier op schandelijke manier aan zijn einde komt.  Van zo iemand keer je je best zo vlug mogelijk af, voor het te laat is.

En dan is er nog een groep die zich in de handen wrijft: “De hogepriesters en schriftgeleerden zeiden spottend onder elkaar: ‘Anderen heeft Hij gered - dat geven ze hier openlijk toe - maar zichzelf kan Hij niet redden.  Die Messias, die koning van Israël, laat Hem nu van het kruis afkomen; dan zullen we zien en geloven!’  In het Mattheüsevangelie wordt er verwezen naar he feit dat Jezus zich de Zoon van God had genoemd.

Tenslotte nog als laatsten: “Zelfs die samen met Hem gekruisigd waren voegden Hem beschimpingen toe” (Mk 15,32).

Vrome toetsen op het schilderij

Lucas, de vrome, de menslievende arts, legt Jezus nog een gebed om vergeving voor zijn beulen in de mond en een woord tot de ‘goede moordenaar’.  Een gebed om vergeving : “Vader, vergeef hun, want ze weten niet wat ze doen”.  (Luc. 23,34).

Dan volgt nog een kort gesprek, want als de ene misdadiger Jezus hoont: “Zijt Gij niet de Messias? Red dan uzelf en ons'” wordt hij door de andere afgestraft:  ' Heb zelfs jij geen vrees voor God, terwijl je toch hetzelfde vonnis ondergaat?  En wij terecht, want wij krijgen wat we door onze daden verdiend hebben; maar Hij heeft niets verkeerds gedaan.' Daarop zei hij: 'Jezus, denk aan mij, wanneer Gij in uw Koninkrijk gekomen zijt '.  En Jezus sprak tot hem: Voorwaar, Ik zeg u: Vandaag nog zult gij met Mij zijn in het paradijs” (Luc 23,39-43).  Deze laatste woordenwisseling kan je zo verstaan dat zelfs die moordenaar had ingezien dat Jezus geen kwaad had gedaan.  Anderzijds is het misschien maar een bedenkelijk iets als enkel een moordenaar je voorgoed houdt, als je enkel in die kring gewaardeerd wordt en dŕŕr je advocaat, je voorspreker moet gaan zoeken.

In het Johannesevangelie wordt een mooi, bijna liturgisch tafereel geschilderd met aan de ene kant de rovers, de soldaten, de menigte en de hogepriesters en schriftgeleerden en aan de andere kant Maria, Jezus moeder, Maria, samen met de leerling die Jezus liefhad, de vrouw van Klopas en Maria Magdalena.  Daar komt dan ook de episode waar Jezus zijn moeder aan de leerling toevertrouwt en de leerling verwijst naar Maria, als zijn moeder.  We horen dan nog de woorden van Jezus: “Ik heb dorst” en tenslotte: “Het is volbracht”. 

Het einde

Bij Mattheüs staan de woorden dat omstreeks het negende uur Jezus met luide stem uitroept: “'Eli, Eli, lema sabaktani? dat wil zeggen: 'Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?'  Enkelen van de omstanders die het hoorden, zeiden: 'Hij roept om Elia!'  Onmiddellijk daarop ging een van hen een spons halen, stak ze op een rietstok en bood Hem te drinken.  Maar de anderen zeiden: 'Laat dat! Wij willen eens zien of Elia Hem komt redden.' Jezus slaakte andermaal een luide kreet en gaf de geest (Mt 27,46-49).

“Aangezien het voorbereidingsdag was (voor het Paasfeest) en de Joden niet wilden dat de lichamen op sabbat aan het kruis bleven - het was bovendien een grote sabbat - vroegen zij aan Pilatus verlof de benen van de gekruisigden te breken en hen weg te nemen.  Daarom kwamen de soldaten en sloegen zowel bij de ene als bij de andere die met Hem was gekruisigd, de benen stuk.  Toen zij echter bij Jezus kwamen en zagen dat Hij reeds dood was, sloegen zij Hem de benen niet stuk,  maar een van de soldaten doorstak zijn zijde met een lans; terstond kwam er bloed en water uit” (Joh. 19,31-34).

Jozef van Arimatea krijgt van Pilatus de toelating om Jezus lichaam van het kruis te halen.  Hij begraaft Jezus in een graf dat in de rots was uitgehouden en men rolde er een zware steen voor.

Epiloog

Dit is het einde van het Lijdensverhaal.  Het is ook het einde van deze sessie over Jezus’ verlatenheid. 

In het verleden hebben veel christenen dit verhaal tot hun hart laten spreken.  Het was voor hen een indringende illustratie van Gods liefde tot het uiterste voor de mensheid.  Het woord uit het Johannesevangelie en de eerste brief van Johannes “Zozeer heeft God de wereld liefgehad” kon geen duidelijker uitdrukking krijgen.

Het beschouwen van het kruisbeeld, of van de lijdensmysteries zal voor ieder christen een aangewezen weg zijn tot groei in geloof in Gods liefde, groei in wederliefde, groei in navolging, groei in consequent christelijk leven. 

De zon die hier is afgebeeld (diapositief) kan je zien als een zonsondergang over Jezus’ leven.  In het licht van wat we volgende week zullen bespreken mag het ook een zonsopgang zijn en een lofzang op Gods eeuwige trouw.

 Inhoudsoverzicht

1. Cenakel - Bovenzaal: Verraad voorspeld - Voetwassing - Instelling Eucharistie - Verloochening voorspeld 
2. Getsemane: Doodsangst - verraden - gegrepen - in de steek gelaten door de leerlingen - 
3.  Annas - Kajafas - De rechtszitting
- Bespotting - Verloochening door Petrus - Op weg naar Pilatus - Judas’ einde
4  Het Romeinse proces: De zwakke rechter - De geseling
5  De kruisweg
6  Golgotha: Tussen misdadigers en vijanden - Vrome toetsen op het schilderij - Het einde

 

ANTWOORDEN (van 2 deelgroepen op dond. + vrijdag 14/15 maart 2002) 
BIJ DE VRAGEN:

1 Welk soort lijden, gemis of verlies valt mensen het zwaarst?

GROEP A
- Depressie
- in de steek gelaten worden door mensen op wie je vertrouwde
- ouders die een kind verliezen
- psychisch ziek zijn, waan, hallucinaties.
- gemis van lotgenoten in het lijden; geen luisterend oor, geen begrijpende mensen om je heen
- geen zin meer zien in het leven en zo tot zelfmoord komen.  Wanhoop
- gemis aan liefde
- je kinderen aan drugs;
- dreiging van een drugverslaafd kind met zelfmoord
- werk verliezen; zaak verliezen, veestapel moeten uitroeien
- het plotse besef dat je alleen staat of met lijden geconfronteerd wordt
- mensen die gekwetst werden door medemensen
- pesterijen op school

GROEP B
- een kind verliezen
- je eigen gemis… dŕt is altijd het zwaarst;nadien zie je wel dat er nog groter verdriet is.
- soms lijden mensen zwaar onder een bagatel, daar gaan ze op kapot
- als je een relatie met God behouden kunt, schijnt er nog licht
- bejaarde die zijn kennissenkring kwijt is, nu dementerend, maar niet aanhoudend en waar niemand meer bij komt: “Men komt hier niet meer omdat ik ze niet allemaal meer op een rij heb”, nl. op goede momenten realiseren die mensen zich dat.  Ook het alleen sterven van die mensen
- kinderen die niet meer op bezoek komen, of die gewoon een cadeau of bloemen laten bezorgen maar er zelf geen moeite meer voor doen om te komen.
- niet het snijden maar het afgesneden zijn, zegt een dichteres (Gazales?)
- niet aanhoord worden, luisteren brengt immer niets op
- kinderen die moeten leven in een thuis waar geen vrede is, of waar man en vrouw uiteen zijn
- als men vals beschuldigd werd
- zijn werk verliezen
- zonder geloof sta je vaak voor een muur; vanuit je geloof kan je gemakkelijker iets loslaten (mensen, zaken, gezondheid…)
- vertrouwen dat bedrogen werd, weggestoken worden, verlaten zijn…

2 Als het jouw lijdensverhaal was geweest, op welk moment zou jij je het meest verlaten hebben gevoeld?

GROEP A

- verloochening door Petrus; hij zou immers voor Jezus door het vuur gegaan zijn ‘Heer, naar wie zouden wij gaan…”
- Mijn God waarom hebt Gij Mij verlaten?  Hij had zijn vertrouwen volledig op de Vader gesteld.  Verlatenheid door God zelf.
- de doodsstrijd als geestelijk lijden.  De verlatenheid in de dood (smekende blik van stervende vader)
- kus van de verrader, nl. van een vriend

GROEP B
- mijn God, min God, waarom heb Je Mij verlaten
- zin van het leven kwijt zijn
- dat zijn boodschap niet aansloeg ‘de duisternis nam het niet aan’
- Hof van Olijven, doodsstrijd
- de eerste ervaring van alleen te staan… De rest is het vervolg en het geloof kan dan nog een houvast zijn
- durven we die strijd nog wel aan?  Soms moet je een hele tijd durven strijden, niet vluchten in weemoedigheid…  We komen er niet door omdat we het niet echt ‘afgeven’ (cfr Viktor Frankl)

3 Omwille van welke redenen (oorzaken) wordt Jezus door zijn vrienden in de steek gelaten?  Hoe groeit zoiets?  Wat is de diepste reden? 

GROEP A
- meewillen zijn met de massa
- schrik omdat ze niet opkonden tegen de rest, anders waren ze er misschien ook aan
- ontgoocheling, moedeloosheid
- slaap, vermoeidheid
- hebzucht (Judas)
- egoďsme, eerst aan jezelf denken
- twijfel nl. Jezus was in hun ogen van zijn voetstuk gevallen

GROEP B
- schrik, angst (Petrus)
- geen geloof
- ontgoocheling
- die ontgoocheling is gegroeid vanuit een soort onvoldaanheid, cfr later na de veriujzeni: ‘Ga je nu het Koninkrijk herstellen?’
- verschil tussen Petrus en Johannes bij verrijzenis: Johannes, zag en geloofde

4 Welke zouden de voornaamste redenen zijn waarvoor mensen hier in het Westen God in de steek laten?  Kan je je daartegen wapenen?  Hoe?

GROEP A

- welvaart, alles kunnen hebben
- een nieuwe cultuur
- egoďsme
- zelfvoldaanheid, gemakzucht, we hebben alles
- rede die alles kan verklaren; enkel het zichtbare is werkelijkheid
- we hebben God niet meer nodig
- geen zin meer zien en zo in zware depressie komen
- de waarde van het geestelijke niet meer zien
- de politiek en de media hebben God dood verklaard en geloof belachelijk en uit de tijd verklaard
- contact met andere culturen en je daar voldaan voelen.
- sommigen verklaren dat ze volkomen gelukkig zijn zonder God (je moet wel het leven zien op enige afstand en over een bepaalde periode, nl hoe spreken ze dŕn?)
- oppervlakkigheid

HOE ONS WAPENEN?

- onthechting kan een wapen zijn, je niet vastklampen, maar eerder in God opgaan; ondertussen toch blij zijn met wat Hij geeft, maar het over- of afgeven als het het moment is van loslaten.
- gebed kan de relatie met God sterk maken
- standvastig zijn, o.m. door de eucharistie trouw te zijn
- samenkomen met christenen, zoals deze avond
- kleine kernen van hoop werken aanstekelijk
- standvastigheid wordt gewaardeerd
- praten over het contact met God (getuigen)
- vroeger was er veel armoede maar er was ook veel geloofssamenkomen
- ook de lofprijzing kan onze relatie met god sterk maken
- van God houden om echt van mensen te houden, en omgekeerd

GROEP B

- ze hebben God niet meer nodig, leven in een welvaartsstaat
- ik  kan het zelf aan
- we zijn te rijk, hebben te veel comfort
- anderzijds loopt men naar kwakzalvers, waarzeggers…
- individualisme
- realisme (maar anderzijds blijven er veel onzekerheden, de wetenschap legt niet alles uit
- er zijn vooral velen die niet pratikeren, nl. niet naar de kerk komen.  Er moet misschien opnieuw een sociaal weefsel gecreëerd worden
- geestelijke luiheid
- veel tegenwind in het westen
- New-age waarin je jezelf moet verlossen, want ‘eigen schuld, dikke bult’
- het geloof staat niet ver bij de mensen, ze kunnen er niet veel van verliezen want ze hebben het omzeggens nooit echt gehad; iemand in de steek laten die je niet ken, onwetendheid omtrent God…

5 Welke indruk maken op u de woorden van Jezus: “Herinnert u wat Ik gezegd heb: een dienaar staat niet boven zijn heer. Als ze Mij vervolgd hebben, zullen ze ook u vervolgen” (Joh.15,20)? “Wie mijn volgeling wil zijn, moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en zijn kruis op te nemen. Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Maar wie zijn leven verliest om Mijnentwil zal het vinden” (Mt.16,25)?  Is dit geen reden om bijtijds onze kar te keren?

GROEP A
- de eerste reactie is: dat kŕn niet, dat mŕg niet.  Daarna vraag je om kracht en ga je doorlang bij de Heer te zijn en met zijn woord op weg te gaan kracht vinden
- ‘onverdiende slagen’.  Juist bij vervolging en beproeving moeten we met die woorden (van het lijdensverhaal) bij de Heer gaan zitten.

GROEP B

- je kan door een crisis gaan en er sterker doorheen komen, bv. door lectuur, door in een bevestigende groep te komen zodat je nog sterker gaat geloven.
‘Ik zal u de Geest zenden’, ‘Ik blijf met u tot het einde der tijden’.  De hulp van de Heer is er ook.  ‘Je hoeft niet voor je eigen verdediging te zorgen’
- Leven verliezen: de vraag is dan: waar zit ik nog aan vast waardoor ik het echte leven voorbijloop (teveel opgaan in mijn werk…)  Ik moet groeien naar juiste verhoudingen in mijn leven ivm mijn werk, geloofsbeleving…

 

3  "VERREZEN"

In de bezinning van vandaag hebben wij het over de verrijzenis van Jezus Christus[1]. 
Het kan ons geloof versterken in de levende aanwezigheid van de verrezen Heer en de hoop op verrijzenis voor ieder van ons. 
Omdat we in een veranderde wereld leven, waarin de wetenschap, ook de godsdienstwetenschappen niet stil hebben gestaan en vele mensen nagedacht hebben over het hoe of wat van de verrijzenis, kan het wel zijn dat we soms andere zaken horen vertellen die wat buiten ons eigen denkraam vallen, er niet helemaal in passen.  Nochtans kan het ook een verrijking zijn voor de manier waarop wij aanzien tegen de Verrijzenis van Jezus en die van ons denken kan het geloof ook verhelderen en verrijken.
Tussendoor wordt dit geconfronteerd met wat de Kerk ons daaromtrent leert.
Sluit de idee van de verrijzenis aan bij een menselijk verlangen?   Kan de mens instaan voor zijn eigen verrijzenis of een soort van eeuwig leven?  Dat bekijken we in een eerste paragraaf.

§ 1. DE MENS EN HET EEUWIG LEVEN

1. Liefde schreeuwt om te blijven[2]

In onze geloofsbelijdenis zeggen we: “op de derde dag verrezen uit de doden”.  Dit “Jezus Christus is verrezen” drukt uit dat de mooie droom van “liefde die sterk is als de dood” echt waar is!  Het is een tekst uit het Hooglied op de liefde in het Oude Testament.  En daarin ligt uitgedrukt dat de liefde schreeuwt om oneindig te zijn.  De liefde tussen ons moest nooit voorbijgaan!  Mijn liefde voor jou blijft eeuwig!  Het is echter meer een wens, dan een werkelijkheid die we zouden kunnen realiseren.  Want uiteindelijk staat de dood in ieders bestaan.  Er komt een dag waarop de geliefde sterft of waarop ikzelf er niet meer ben.  Liefde verlangt oneindigheid, maar ze kan ze niet geven.  Verrijzenis is wanneer de liefde sterker is ten opzichte van de dood.  Ik zou me kunnen troosten dat ik nog besta in de ander die nog overeind staat als ik ben ineengestort[3].  Maar die geliefde blijft ook niet eeuwig overeind.  Uiteindelijk stuiken we allen neer.  Men maakt een kruis over ons.

2. Menselijke pogingen om eeuwig te leven

De mens is een wezen dat zelf niet eeuwig leeft, hij heeft het niet in zich om te blijven bestaan, hij kan dat niet aan zichzelf geven.  Hij kan enkel voortbestaan in een ander, door een ander.  De zonde waarover de heilige Schrift spreekt in Genesis betekent in feite dat de mens ‘op eigen poten’ wil gaan staan, wil ‘zijn als God’ (‘autarchie’ betekent zelf-standigheid, zelf het stuur in handen nemen) maar daardoor valt hij juist ten prooi aan de dood zoals Gods Woord ons leert in de eerste bladzijden van de heilige Schrift; de mens valt dan immers weg uit Degene die hem boven zijn grenzen kon uittillen.

Natuurlijk probeerden mensen dan om toch verder te leven.  Men ondernam allerlei pogingen.  We willen die even bekijken:

2.1. Voortleven in zijn kinderen

 Men wou voortleven in zijn kinderen.  Ongehuwd zijn of kinderloos blijven gold dan ook als een vreselijke vloek bij natuurvolkeren.  Vandaar de vele vruchtbaarheidsrituelen, de eredienst voor de godinnen van vruchtbaarheid (overigens niet enkel voor de vruchtbaarheid van de mens maar ook voor de akkers en de vruchten).  Onvruchtbaarheid, geen kinderen hebben betekende voor hen in feite een definitieve dood.  Niemand zou nog over jou spreken.  Omgekeerd betekent een groot kindertal de grootste kans om voort te leven.  Je mocht hopen dat je dan verder leeft in de gedachten van je kinderen en kleinkinderen; en in hun manier van doen herkennen mensen misschien nog iets van jou.

2.2. Vlucht in de roem of prestaties

Een andere reactie was de vlucht in de roem.  Je leefde voort in iets dat je zelf schiep en dat de eeuwen kon trotseren; je kon dan lange tijd voortleven in de gedachten van anderen.  Iets scheppen dat blijft, iets tot stand brengen: kunst, uitvindingen en publicaties… 

Maar juist zoals het voortleven in je kinderen ben jij het toch niet zelf die voortleeft als bewust wezen; het is maar een echo van jou, een schaduw.  Het is maar een magere troost, eigenlijk geen troost dat men nog over je spreekt, maar dat je er zelf niet meer bent en er dus ook geen weet van hebt of je er over kunt verheugen.  Die zelfgeschapen werkelijkheid is eigenlijk meer niet-zijn dan er echt zijn. 

2.3. Andere pogingen

 Er zijn natuurlijk ook andere pogingen.  Tot voor enige jaren konden heel rijken zich laten invriezen (we hoorden er nog van in het nieuws - woensdag 13/03/02 - over een rijke dokter die zijn vrouw ingevroren bewaarde en zijn zoon had opgedragen hemzelf ook te laten invriezen) in de hoop dat men hen later tot leven zou wekken op een ogenblik dat men weer wat nieuwe wetenschappelijke inzichten heeft verworven om mensen wat langer, en wie weet - veel langer - te doen leven.

Er zijn zelfs wetenschappelijk theorieën - soms is het ook wel eens wishful thinking - dat men er ooit zal in slagen de mens met natuurlijke middelen eeuwig te doen leven.  Maar men heeft het dan o.m. wel over het gebruik van materiaal dat door gekweekte foetussen geleverd wordt, enzovoort.  Je kan jezelf ook zo laten samenstellen met allerlei vervangstukken dat er op de duur niet zoveel meer overblijft van jezelf.  In zijn boek ‘Leven in tijden van godsverduistering’ vermeldt Mark Eyskens[4] deze en andere technieken waarvan men zich mogelijk gaat bedienen om het menselijk leven nog te verlengen zoals genetische manipulatie en engineeringen; dankzij geavanceerde biotechnologie worden bestaande eigenschappen gewijzigd, hersteld of genezen.  “Met het genen-kanon worden minuscule goudbolletjes, bekleed met DNA, in de cellen binnengeschoten tot genezing van erfelijke ziekten, zoals bepaalde vormen van dementie” ([5]). Hij spreekt zelfs over het reproductief klonen.  Dat is iets anders dan enkel therapeutisch klonen om een bestaande mens te voorzien van vervangstukken, waarbij zich ook ethische problemen stellen als de stamcellen gehaald worden uit menselijke embryo’s en niet uit weefsels); reproductief klonen echter bedoelt een identiek wezen voort te brengen waarin je als het ware voortleeft…

Maar laten wij het op dit ogenblik echter houden bij die twee manieren om voort te leven, die we bij het begin hebben aangegeven, namelijk het voortleven in je kinderen en het voortleven door je prestaties als geleerde, sportman, kunstenaar, oprichter van dit of dat, kortom je verleden als bekend persoon.  Maar uiteindelijk vallen deze twee samen in de veronderstelling dat je voortleeft in de gedachte van de anderen.  Juist maar dat.  Maar eigenlijk kunnen andere mensen niet instaan voor een echt voortbestaan.  Het gaat erover dat de ander die zogezegd mijn ‘zijn’ na mijn dood in stand zou moeten houden, dit absoluut niet kan.  Hij is alleen een echo, een nagalm.  Ik zei het al: de ander aan wie ik mijn voortbestaan toevertrouwde stort even later ook in elkaar[6].

3. Enkel Hij schenkt mij het aan-zijn

Daaruit volgt dat ik alleen maar werkelijk, niet op een vage manier en tijdelijk , kan voortbestaan wanneer Hij die ‘is’ - die niet wordt en niet vergaat maar die eeuwig blijft -  mij houvast biedt.  Ik heb het dan over de ‘God van de levenden’, zoals Jezus Hem noemt, die niet enkel de schaduw of de echo van mijn ‘zijn’ bezit.  Zijn gedachte aan mij is geen nabootsing van de werkelijkheid, zijn gedachte aan mij doet mij ontstaan!  In Hem ben ik in waarheid mezelf meer nabij dan wanneer ik enkel poog bij mezelf te zijn.

Ik hoop dat dit niet te filosofisch klinkt.  Ik kan mezelf geen eeuwig leven geven, en ik kan ook niet vluchten in de herinnering van anderen om eeuwig te bestaan, want dat ben ikzelf niet echt.  Maar Hij, door wiens gedachte, door wiens liefde en wil ik leef, Hij kan me blijvend leven schenken.  Niet enkel ‘leven’ maar ‘blijvend leven’.  Daarvan is Jezus het hoopvolle teken.

§ 2.  GODS INGRIJPEN IN HET MENSELIJK ONVERMOGEN

1. Leven met de fataliteit van de dood?

Toen ik kleine jongen was hoorde ik mensen een nogal vulgair stapliedje zingen dat soldaten uit de oorlog of uit hun kazernes hadden meegebracht: “En als we dood zijn groeit er gras op onze buik”.  We gaan dood, zand erover en je bent er geweest.  Gedaan ermee.  Voorbij.  Es geht alles vorüber, es geht alles vorbei.  Was dat gemeend?  Drukte men daarmee een onchristelijk fatalisme uit?  Of trachtte men gewoon wat stoer te doen tijdens de oorlog?

Van bij het begin van het bewuste menselijke leven hebben mensen aandacht gehad voor het leven en de voortplanting, de dagelijkse strijd om in leven te blijven, maar ook voor de dood en voor het leven over de dood heen.  De paleontologie erkent skeletten of beenderen overduidelijk als afkomstig van reeds ontwikkelde menselijke wezens zo gauw ze in de omgeving van die skeletten iets aantreft van geloof in een hiernamaals, offergaven voor overledenen, cultus voor de voorouders…  Dan is men volstrekt zeker dat het menselijke wezens waren.

“Er zijn of er niet zijn” klinkt het in Hamlet van Shakespeare.

Verrijzenis is geen klein nieuwsje.  Je kan natuurlijk als agnosticus altijd blijven zeggen: het interesseert me niet want dat geloof ik niet, het  kŕn immers niet dat iemand verrijst.  “Wetenschappelijk niet verantwoord”, zou Adhemar zeggen, de zoon van de stripfiguur Nero.

2. Een onbegrijpelijke oversteek (doorsteek) van dood naar leven

Het leven van Jezus was op een vernederende wijze geëindigd[7].  De ontgoocheling daarover spreekt nog uit de ontmoediging van de Emmaüsgangers.  Het zou nog wel eventjes duren vooraleer de kerk in haar liturgie Paulus (Gal. 6,14) zou parafraseren: “Wij roemen in het kruis van onze Heer Jezus Christus, in Hem is ons heil, ons leven en verrijzenis; door Wie wij verlost en bevrijd zijn”.

Toch heeft vrij spoedig na dat overduidelijke fiasco een aaneensluiting van de Jezusgemeenschap en een verkondiging van Jezus over het Romeinse Rijk plaats gevonden.  En wat er verkondigd wordt is: “De Heer is werkelijk verrezen, Hij is aan Simon verschenen”.  Paulus herinnert in zijn 1ste Korinthiërsbrief aan een heel oude belijdenis:

“In de eerste plaats dan heb ik u overgeleverd

wat ik ook zelf als overlevering heb ontvangen,

namelijk dat Christus gestorven is voor onze zonden,  volgens de Schriften,

en dat Hij begraven is,

en dat Hij is opgestaan op de derde dag, volgens de Schriften,

en dat Hij is verschenen aan Kefas  en daarna aan de Twaalf.” (1 Kor. 15,3-5)

Met andere woorden: God heeft Jezus, die concrete mens die aan het kruis was geslagen, niet in de steek gelaten.  Even later zal Lucas het getuigenis van Petrus geven op Pinksteren: “Deze Jezus heeft God doen verrijzen en daarvan zijn wij allen getuigen” (Hand. 2,32).  Het gaat over een concrete mens, die aan het kruis geslagen was op bevel van een concrete Romeinse gouverneur; het gaat ook over het getuigenis van concrete mensen uit de omgeving van Jezus.  Getuigen die uit zichzelf vast niet op zo’n idee zouden gekomen zijn binnen het vijandige klimaat dat toen naar hun groep toe heerste.

3. Verrijzenis overstijgt de menselijke geschiedenis

We spreken over historische figuren zoals Jezus en die getuigen, maar de verrijzenis van Jezus, dat sterke ingrijpen van God kunnen we niet zonder meer een historische gebeurtenis noemen in de gewone zin van het woord, een gebeurtenis die algemeen vastgesteld kan worden en ontleed en verstandelijk uitgelegd.

Als christenen geloven we dat Jezus’ verrijzenis in tijd en geschiedenis heeft plaatsgevonden maar ze ligt niet op hetzelfde vlak als bijvoorbeeld de opwekking van de jongeling van Naďn of het dochtertje van Jaďrus.  Deze personen treden als het ware weer het gewone leven binnen.  Jezus evenwel treedt binnen in de niet met de zintuigen waarneembare en niet aan de tijd gebonden wereld van God[8]. De gekruisigde Jezus wordt door een daad van God met zijn lichamelijkheid opgenomen in de heerlijkheid van God; Hij leeft bij God.  Over het historisch karakter van de verrijzenis van Jezus hebben wij het straks nog even.

Volgens het jodendom zou God een rechtvaardige nooit langer dan drie dagen aan zijn lot overlaten.  Op de derde dag is Jezus opgewekt.  Dit feit dat de dood werd gedood gaat de hele geschiedenis te boven.

4. Goddelijke garantie voor een hoopvolle toekomst voor de persoon, de mensheid, de kosmos

Zonder het verleden te minimaliseren is vanuit de verrijzenis de blik meer op de toekomst gericht en ze is een inspiratie en energiebron voor de inzet in het heden.  De verrijzenis van Jezus is het goddelijk garantiesstempel dat “het leven zal zegevieren over de dood, de waarheid over de leugen, de gerechtigheid over het onrecht, de liefde over de haat en zelfs over de dood”[9].  De verrijzenis van Jezus is de grondslag van de hoop op onze eigen verrijzenis tot eeuwig leven.  En het betreft dan niet alleen onze ziel en onze geest; “het is hoop op een verandering en omvorming ook van ons lichaam en van de hele kosmos.  Niets is uitgesloten van deze hoop, behalve het kwaad.  Deze hoop leert dus, dat ook de bedoeling en het handelen van de mens - als het maar uit liefde gebeurt, ook al mislukt het in de geschiedenis - een blijvende plaats krijgt in de definitieve werkelijkheid van de nieuwe schepping (vgl GS 39)”[10].  In de latere katholieke Paasliturgie horen we het Maria Magdalena zingen: “Christus, mijn hoop, is verrezen!”.  Paulus drukt het heel sterk uit:

“Want als de doden niet verrijzen, is ook Christus niet verrezen, en als Christus niet is verrezen, is uw geloof waardeloos en zijt gij nog in uw zonden. Dan zijn ook zij die in Christus ontslapen zijn verloren. Indien wij enkel voor dit leven onze hoop op Christus hebben gevestigd, zijn wij de beklagenswaardigste van alle mensen. Maar zo is het niet! Christus is opgestaan uit de doden, als eersteling van hen die ontslapen zijn” (1 Kor. 15,16-20).

En dan dit profetische woord uit de Romeinenbrief waar ook Teilhard de Chardin zoveel uit puurde:

“19 Ook de schepping verlangt vurig naar de openbaring van Gods kinderen. 20 Want zij is onderworpen aan een zinloos bestaan, niet omdat zij het zelf wil, maar door de wil van Hem die haar daaraan onderworpen heeft. Maar zij is niet zonder hoop, 21 want ook de schepping zal verlost worden uit de slavernij der vergankelijkheid en delen in de glorierijke vrijheid van de kinderen Gods. 22 Wij weten immers, dat de hele natuur kreunt en barensweeën lijdt, altijd door. 23 En niet alleen zij, ook wij zelf, die toch reeds de eerstelingen van de Geest hebben ontvangen, ook wij zuchten over ons eigen lot, zolang wij nog wachten op de verlossing van ons lichaam” (Rom. 8,19-23).

§ 3  HOE DE VERRIJZENISVERHALEN VERSTAAN?

1. De verrijzenis van Jezus

Voor wat de verrijzenisverhalen aangaat heb ik hierboven er reeds op gewezen dat:

* enerzijds het leven van de Verrezene niet binnen de bios-historie ligt, binnen onze menselijke geschiedenis, maar daarbuiten en daarboven.

* maar anderzijds is het “zeker dat dit nieuwe leven zich IN de historie gemanifesteerd heeft en zich ook manifesteren moest omdat het juist VOOR haar bestaat.  De christelijke verkondiging is in de grond niets anders dan het doorgeven van dit getuigenis, dat liefde hier de doorbraak door de dood tot stand bracht en aldus ons aller situatie fundamenteel veranderd heeft”[11].

Die twee aspecten samen maken het niet zo heel gemakkelijk om over de verrijzenis van Jezus te spreken en over de verschijningsverhalen.  Vooreerst zijn er geen getuigen geweest van de verrijzenis van de Heer, hoe vaak dat ook wordt uitgebeeld op christelijke schilderijen en iconen.  Enkel is er de beschrijving door Matteüs[12] van de aardbeving, de engel, de wachters-buiten-westen, maar niet van de verrijzenis van Christus.

 “Hij is verschenen aan Kefas en daarna aan de Twaalf”, antwoordt het Nieuwe Testament.  Er staat letterlijk: “Hij liet zich aan hen zien’, of “Hij openbaarde zich aan hen”.  Er staan soms concrete gegevens bij, maar de wezenlijke inhoud is dat “het gaat om persoonlijke ontmoetingen en om openbaringsgebeurtenissen waarin de Heer die door God tot het nieuwe leven is opgewekt en is opgenomen in Gods heerlijkheid en heerschappij, zich te kennen geeft aan zijn leerlingen”[13].

Maar het moet voor ons ook duidelijk zijn, zoals we reeds zegden, dat Christus bij zijn verrijzenis niet gewoon is teruggekeerd tot zijn vroegere aardse leven.  Hij is verrezen tot het definitieve leven[14].

Hij is niet meer onderworpen aan de chemische en biologische wetten en kan dus niet meer sterven.  Hij is in die werkelijkheid die de liefde is. 

2. De verhalen rond de verrijzenis van Jezus 

Daarom zijn de ontmoetingen met Hem eigenlijk “verschijningen”.  En daarom wordt Hij - met wie men twee dagen daarvoor nog aan tafel zat - zelfs door zijn beste vrienden niet herkend en blijft Hij hun vreemd ook nadat Hij herkend is: alleen als HIJ het zien geeft, wordt Hij gezien.  HIJ verschijnt aan hen.  Alleen als Hij hun de ogen opent en als het hart zich openen laat, kunnen ze midden in onze wereld-van-de-dood het aanschijn herkennen van de eeuwige liefde die triomfeert over de dood, en in die liefde kan men de wereld van de komende tijd zien.

Dat is de reden waarom het de evangelisten zo moeilijk valt de ontmoetingen met de Verrezene te beschrijven.  Eigenlijk is het onmogelijk.  Daarom stamelen ze als ze erover spreken en ze schijnen zichzelf tegen te spreken als ze deze ontmoetingen weergeven.  Maar in werkelijkheid zijn de evangeliën verrassend gelijkluidend in de dialectiek van hun mededelingen (in de schijnbaar tegenstrijdige en in feite toch openbarende beschrijvingen), in het gelijktijdig ‘aanraken en niet aanraken’, ‘herkennen en niet herkennen’, volledige identiteit tussen ‘Gekruisigde en Verrezene’ en volkomen verschil.  Men herkent de Heer en herkent Hem toch weer niet; men raakt Hem aan en toch is Hij de onaanraakbare; Hij is dezelfde en toch totaal anders.  Deze dialectiek is, zoals gezegd, steeds dezelfde; alleen de stijlmiddelen waarmee ze onder woorden worden gebracht, wisselen.[15]

Neem bv. de geschiedenis van de Emmaüsgangers.  Het lijkt erop alsof men Jezus, de verrezen Heer, weer helemaal binnen de aardse geschiedenis plaatste.  Maar eigenlijk is dit niet zo.  Hij verschijnt op wondere wijze en Hij verdwijnt op geheimzinnige wijze.  Voor normale ogen blijft Hij onherkenbaar, men kan niet constateren dat Hij het is, “Hij wordt ontdekt in het kader van het geloof: door zijn uitleg van de Schrift beginnen de harten van de twee wandelaars te branden en door het breken van het brood opent Hij hun de ogen.  Hun ogen gaan in feite maar open - zo zou je kunnen zeggen - wanneer Hij uit hun ogen is verdwenen.  Het is een verwijzing naar de beide grondelementen van de vroegchristelijke eredienst, die bestaat uit de woorddienst (Schriftlezing en -uitleg) en de eucharistische breken van het brood.  Op deze manier maakt de evangelist duidelijk dat de ontmoeting met de verrezene o een heel nieuw vlak ligt; hij tracht het onbeschrijflijke te beschrijven met de tekenen van de liturgische gegevenheden: men ontmoet de Verrezene in woord en sacrament.  In de liturgie komt de verrezen Heer tot ons, in de liturgie kunnen wij Hem aanraken en herkennen als de levende Heer”[16]

Maar hier moeten we direct bij aanmerken dat dit en de andere verrijzenisverhalen iets anders zijn dan opgesmukte liturgische taferelen: “Ze getuigen van een weten dat niet voortkwam uit de harten van de leerlingen, maar hen van buiten aangreep en TEGEN hun twijfel in overmeesterde en de zekerheid gaf: de Heer is waarlijk verrezen.  Hij die in het graf lag, is niet meer daar, maar Hij -werkelijk Hijzelf - leeft.  Hij die veranderd was en overgegaan naar de andere wereld van God, toonde zich toch machtig genoeg om hun op tastbare wijze duidelijk te maken, dat Hijzelf weer tegenover hen stond, dat in Hem de macht van de liefde zich werkelijk sterker getoond had dan alle macht van de dood”[17].

Dit moeten we blijven zeggen want anders zijn we niet trouw aan het getuigenis van het Nieuw Testament en speelt dit getuigenis geen rol in de wereldgeschiedenis.  Als we op de grondslag van de bijbelse boodschap willen blijven staan, dan moeten we ook geloven in het mysterie van Gods machtig handelen in deze wereld.  “Het christelijk geloof overstijgt de grenzen van het loutere verstand.  Hij die gelooft zal steeds meer ontdekken, dat de belijdenis van die liefde welke de dood overwonnen heeft, verstandelijk volkomen gemotiveerd is”[18].

3. Waarachtige getuigen

3.1. Getuigen, geen bedriegers

“Deze Jezus heeft God doen verrijzen en daarvan zijn wij allen getuigen”, zegt Petrus op Pinksteren, na de neerdaling van de heilige Geest (Hand.2,32 ) en eerder al had Petrus de tien apostelen uitgenodigd om een opvolger te kiezen voor Judas uit de mannen die Jezus gevolgd waren vanaf zijn doopsel in de Jordaan tot Hij van ons werd weggenomen “om getuige te zijn van zijn verrijzenis” (Hand.1,22).   Maar daarmee zegt hij niet dat zij getuige geweest zijn van het gebeuren van de verrijzenis.  In geen enkel evangelie wordt de verrijzenis van Jezus verhaald.  In de oude Paashymne van de Paasnacht zingt de christelijke liturgie: “O waarlijk heilige nacht, de enige die tijd en uur mocht kennen waarop Christus uit de doden verrees!”.  Die nacht is de enige getuige.  En meteen hebben we weer een waarborg dat de evangelies geen werk van vervalsers zijn.  Bedriegers zouden immers die verrijzenis tot in de details verhaald hebben.  Hoe duidelijk spreekt God hier in deze stilte.  De evangelies hebben geen schildering gegeven zoals op schilderijen en iconen van de verrijzenis van de Heer Jezus.  Hun zwijgen is een waarborg van hun oprechtheid, een garantie voor het waarheidsgehalte van wat ze getuigen.

Geen visuele getuigen dus van de verrijzenis die de loop van onze geschiedenis heeft gewijzigd.  Toch zegt Petrus: God heeft deze Jezus doen verrijzen en daarvan zijn wij allen getuigen.  Welnu, de prediking van de apostelen is gebaseerd op het lege graf en de verschijningen.

3.2. Het lege graf[19] 

Op Paasmorgen komt men bij het graf en het wordt leeg aangetroffen.  Dat wordt in alle vier de evangelies verhaald.  Toch kun je op grond van dit lege graf niet gaan bewijzen dat Jezus verrezen was.  Immers, de eerste de beste zou kunnen antwoorden: “Ja maar, ze zijn het lichaam komen stelen”.  Een verklaring die ook Maria Magdalena direct door het hoofd schoot (Joh. 20,2)  Dus eigenlijk bewijst het lege graf niets, maar het verwijst wel naar het mysterie “Hij is niet hier, niet in het graf, niet hier als dood lichaam” (Mt 28,6).  De openbaring door een engel is een geestelijk feit, opdat men in het feit van het lege graf een teken zou zien, geen bewijs, maar een teken.  Dit indirecte teken krijgt maar zijn volle draagwijdte in het licht van de verschijningen.  Als er alleen maar het lege graf geweest was, dan zou er nooit een echt Paasgeloof geweest zijn.  Maar, als het graf niet leeg was geweest, dan zouden die verschijningen waarschijnlijk niet geloofwaardig geweest zijn.  Het lege graf schept openheid voor de verschijningen.

3.3. De verschijningen

En wat die verschijningen betreft: Jezus’ volgelingen waren nog niet bekomen van hun verbazing om het lege graf of er is reeds de tastbare aanwezigheid van de Verrezene.  Maria Magdalena hoort zich bij naam noemen en antwoordt: “Rabboeni”.  Het is de Heer, fluistert Johannes tot Petrus.  Wij hebben de Heer gezien, delen de Emmaüsgangers mee.  De Heer is verrezen, Hij is aan Petrus verschenen, antwoorden de anderen…  Of ze herkennen Hem bij het breken van het brood, of aan de wondetekenen.

Het gaat hier niet om een spookbeeld, een geest zonder lichaam.  “De twee Maria’s, zo schrijft pater Rey-Mermet, konden zijn voeten omklemmen.  De verbijsterde apostelen konden hun ogen niet geloven “en meenden een geest te zien”; Jezus helpt ze uit die waan en zegt: “Kijkt naar mijn (doorboorde) handen en voeten: Ik ben het zelf.  Betast Mij en kijkt: een geest heeft geen vlees en beenderen, zoals ge ziet dat Ik heb” (Lk. 24,37 vv).  Hij zegt Thomas zijn littekens te onderzoeken (Joh 20,27); Hij eet samen met hen (21,10vv).  Hij is wel degelijk aanwezig in de klaarblijkelijke werkelijkheid van zijn lichamelijkheid.  MAAR wel heel anders dan vroeger”[20].

Hij komt en verdwijnt plotseling.  Maar in feite is Hij altijd bij hen.  Jezus als de verrezene, is de nieuwe schepping in ons midden, schrijft Rey-Mermet, de nieuwe wereld.  Zijn verschijningen zijn tekenen van zijn altijddurende aanwezigheid.  Wie aandacht geeft aan zijn Woord, aan het breken van het Brood, die herkent Hem.  Maar als zodanig is de verrezen Jezus onzichtbaar voor onze aardse ogen.

4. Geen menselijk geloofsgebeuren maar een daad van God

Er valt overigens nog iets anders op te merken.  Sommige moderne exegeten hebben blijkbaar een wat etherische opvatting omtrent de verschijningsverhalen: zij spreken van geloofsgebeuren, een zeer vaag begrip.  Als we echter naar de teksten kijken dan zien we dat de verrijzenis helemaal zijn oorsprong niet heeft in het geloof van de leerlingen van Jezus.  Als de apostelen de vrouwen horen vertellen over het lege graf en over wat de engel zegde, dan “leek hun dat beuzelpraat en zij geloofden haar niet”.  Als Jezus zich in eigen persoon in hun midden vertoont “konden zij het van verbazing niet geloven” (Luc.24,11.41) lezen we twee keer bij Lucas.  Thomas gelooft helemaal niet totdat het tastbare feit zelf hem omzeggens dwingt om zich over te geven.  Overigens ontmoeten we bij Paulus, voor zijn ontmoeting met de verrezen Heer bij Damascus ook geen spoor van geloof, integendeel.  “We moeten nuchter vaststellen dat Jezus het onweerlegbaar feit van zijn verrijzenis juist opgedrongen heeft aan mensen die zeer zeker door Hem waren uitgekozen maar die niet geloofden, en die, toen ze Hem voor zich zagen, aanvankelijk aan dit feit twijfelden (vgl. Mt 28, 17; Mar. 16,14)”[21].

BESLUIT : BETEKENIS VAN Jezus’ VERRIJZENIS VOOR DE MENSHEID

1. Het overdonderend blijde nieuws van Jezus verrijzenis

Toch blijft het geen klein nieuws als je het christelijk nieuws hoort: “Op Goede Vrijdag heeft Jezus door zijn dood, de dood gedood.  In Hem en in ons.  In Hem voor ons.  Hij is verrezen en wij zullen na Hem verrijzen zoals Hij, door Hem”.  Dŕt is nu het evangelie.  Er zijn op de wereld uiteindelijk maar twee echte machten: die van de dood en die van Jezus Christus.

Tot op dit eigenste moment staan de biologen nog machteloos tegenover de dood.  Wel kan de medische wetenschap het menselijk leven al heel wat rekken.  Hopelijk is dit steeds zinvol en menswaardig.  Mensen trachten lang te leven.  verzorgen zich op veel gebieden, trachten er zo lang mogelijk jong uit te zien…  Maar eigenlijk is het uitstel van executie.  Het is heel wat gemakkelijker te doden, zelfs op grote schaal, dan de dood uit te schakelen.

En daarom is de verrijzenis van Jezus zo’n goed Nieuws.  God doet leven, door Jezus Christus.  De dood is overwonnen, wij zijn daar getuigen van, zeggen de apostelen.  De dood is echt, definitief, universeel overwonnen door Jezus Christus! (Joh. 11,25-26).

Jezus Christus is verrezen en wij zijn daar getuigen van, wij christenen.

Jezus had het aangekondigd en Hij heeft zich laten zien aan de broeders, zelfs aan 500 tegelijk.  Het is rond de verrezen Christus dat de Kerk zich heeft verzameld, nu reeds 2000 jaar lang.  En samen mogen wij het naar de wereld uitroepen: Christus heeft de dood van de wereld overwonnen.

Wat de Kerk samenbrengt is geen westerse of andere cultuur, gaan latijn of een andere taal, geen thomistische of andere filosofie, maar wel de God-Mens: Jezus en een feit: Hij was dood en Hij leeft, om allen die niet weigeren in Hem te geloven, eeuwig leven te geven.

Geen enkele cultuur, levenskunst of filosofie is een boodschap voor iedereen.  Zij hebben hun eigen cultuur…  Maar het feit van Jezus overwinning op de dood interesseert ieder mens.  Het feit dat er geen dood meer is, zal immers iedereen interesseren.  Voor de christen betekent het moment van de dood het verlaten van dit leven “zoals een wegvliegende vogel zijn schaduw verlaat”[22], of zoals iemand anders zei: men dooft de kaars als de dageraad is aangebroken.

2. ‘Hij leeft!’

Het tijdschrift van de Franse Emmanuelgemeenschap heet: ‘Il est vivant’.  In navolging daarvan heet het Vlaamse tijdschrift van de Katholieke Charismatische Vernieuwing: ‘Jezus leeft!’.  Die benamingen spreken niet op de eerste plaats over het hoopvolle nieuws, dat ons leven geroepen is om te blijven, om voor eeuwig open te bloeien bij God, dankzij Jezus.  Op de eerste plaats gaat het om de apostolische belijdenis dat Jezus Christus, de gekruisigde, werkelijk verrezen is! 

3. De Levende in ons midden

Rond die verrezen Heer komen wij samen als Jezusgemeenschap over heel de wereld, volgens de eigen cultuur.  “Want waar er twee of drie verenigd zijn in mijn Naam, daar ben Ik in hun midden.” (Mt.18,20).  Wanneer we vanuit dat verrijzenisgeloof samenzijn, weten we dat onze samenkomsten ook sterk en gezegend zullen zijn.  De Levende heer zal zich manifesteren in harten die genezen worden van ongelovige resten, van angsten, zondige banden van verkeerde hartstochten, koppigheid, kwaadheid, verslaving worden verbroken, mensen worden innerlijk en zelfs lichamelijk genezen, er stroomt licht de geesten binnen…

4. ‘Mijn Heer en mijn God’ (Joh.20,28)

Ook in ons persoonlijk bestaan zal het geloof in de verrezen Heer oorzaak worden van gemeende lofprijzing en dankgebed maar ook een bron van heil door de liefdevolle aanwezigheid van Jezus, de Bron van alle heil. Wij mogen dat ervaren en beleven (in dorheid of in helder weten) tijdens onze gebedstijd en gedurende heel de dag, telkens we met geloof en liefde naar Hem opzien, de gekruisigde en verrezen Heer.  Ook in ons persoonlijk bestaan zal het geloof in de verrezen Heer oorzaak worden van gemeende lofprijzing en dankgebed maar ook een bron van heil door de liefdevolle aanwezigheid van Jezus, de Bron van alle heil.  Wij mogen dat ervaren en beleven (in dorheid of  in helder weten) tijdens onze gebedstijd en gedurende heel de dag, telkens we met geloof en liefde naar Hem opzien, de gekruisigde en verrezen Heer.  “Zij zullen opzien naar Hem die zij hebben doorstoken” (Joh.19,37b).  Ben Van Vossel cssr 2002

[1] Voor deze bezinning deed ik beroep op:

* De Geloofsbelijdenis van de kerk.  Katholieke Katechismus voor volwassenen.  In opdracht van de Belgische bisschoppenconferentie.  Met een voorwoord van Kard. Danneels en Kard. Simonis.  Brepols 1986/ Vert. Uit het Duits (1985).  Verder aangeduid met KKV

* T. REY-MERMET (1976/1979) “Ik geloof.  Handreiking voor geloofsherbronning”

* Kathechismus van de katholieke Kerk (1993/1995). Verder aangeduid met KKK.

* Joseph RATZINGER, De kern van ons geloof.  Hedendaagse verworvenheden en nieuwe inzichten.  Met een ten geleide van L.J. Kardinaal SUENENS.  Uitg. Lannoo, 1970

Ik nam ook kennis van wat er op Internet zoal gepubliceerd wordt rond Verrijzenis en Opstanding.

[2] RATZINGER, pp. 252-260.

[3] RATZINGER, p. 252.

[4] MARK EYSKENS, Leven in tijden van Godsverduistering.  Mens- en wereldbeeld in de kennismaatschappij. Lannoo 2001, p. 208-218.

[5] MARK EYSKENS, op. cit. p. 209.

[6] RATZINGER, op.cit. p. 254s

[7] KKV p. 198 vg.. 

[8] KKV,  p. 199.

[9] KKV, p. 204.

[10] KKV, p. 205.

[11] Ratzinger, op.cit. p. 257

[12] 1 Na de sabbat, bij het aanbreken van de eerste dag der week, kwamen Maria Magdalena en de andere Maria naar het graf kijken. 2 Plotseling ontstond er een hevige aardbeving en een engel van de Heer daalde uit de hemel, kwam naderbij, rolde de steen weg en zette zich daarop neer. 3 Hij straalde als een bliksemschicht en zijn kleed was wit als sneeuw. 4 De bewakers begonnen van schrik voor hem te beven en het leven scheen uit hen geweken. 5 De engel sprak de vrouwen aan en zei: 'Gij behoeft niet bevreesd te zijn; ik weet dat gij Jezus zoekt, de gekruisigde. 6 Hij is niet hier. Hij is verrezen zoals Hij gezegd heeft; komt zien naar de plaats waar Hij gelegen heeft. 7 Gaat nu terstond aan zijn leerlingen zeggen: Hij is verrezen van de doden, en nu gaat Hij u voor naar Galilea; daar zult gij Hem zien. Dat had ik u te zeggen” (Mt. 28,1-7).

[13] KKV, p. 199.

[14] Ratzinger, op.cit. p. 258

[15] Ratzinger, op.cit. p. 258

[16] Ratzinger, op.cit. p. 259

[17] Ratzinger, op.cit. p. 260

[18] Ratzinger, op.cit. p. 260

[19] Ik neem hier wat tot leidraad: Théodule Rey-Mermet, Ik geloof.  Handreiking voor geloofsherbronning.  1979 (1976) D.A.P. Reinaert Uitgaven Zele / Uitg. Altiora Averbode. p. 188 vv

[20] Rey-Mermet, Ik geloof, p. 189-190.

[21] Rey-Mermet, op. cit. p. 190.

[22] Vrij naar: Rey-Mermet, op.cit. p.193-195.

INHOUD - ACTIVITEITEN - NIEUW - KINDEREN - BIJBEL - DIAPRESENTATIES - GEBEDSGROEP - PARAY L.M. - MARIA-KEFAS - PREKEN - REDEMPTORISTEN - THUISPAGINA - NADENKERTJES - NUMMERS - LITURGIE - ROEPING - GEZIN - JONGEREN - GETUIGENISSEN - ETHIEKHAHAHA - BOEKEN - MARIA - VORMING - ZENDING - KERK - CHRISTENUITZICHT - INFO - MEDIA - GEZONDHEID - SPIRITUALITEIT - PINKSTERSPIRITUALITEIT - VERHALEN - KUNST - BEZINNINGEN -   GRIEKSE KERK BAGDAD -  WETENSCHAP - JEZUS -

 


[1] Notitie over Simon en de wenende vrouwen: Jim Bishop, De Dag dat Jezus stierf.  Westland/Merksem (Fontein/Utrecht) p. 270.

 

INHOUD - ACTIVITEITEN - NIEUW - KINDEREN - BIJBEL - DIAPRESENTATIES - GEBEDSGROEP - PARAY L.M. - MARIA-KEFAS - PREKEN - REDEMPTORISTEN - THUISPAGINA - NADENKERTJES - NUMMERS - LITURGIE - ROEPING - GEZIN - JONGEREN - GETUIGENISSEN - ETHIEKHAHAHA - BOEKEN - MARIA - VORMING - ZENDING - KERK - CHRISTENUITZICHT - INFO - MEDIA - GEZONDHEID - SPIRITUALITEIT - PINKSTERSPIRITUALITEIT - VERHALEN - KUNST - BEZINNINGEN -   GRIEKSE KERK BAGDAD -  WETENSCHAP - JEZUS -