|
|
|
-
HET GOTISCH KERKRAAM Gedicht van Willy Verschaetse Alleen
de onderlijnde artikelen werden op deze bladzijde opgenomen
ACTIVITEITEN - BAGDAD - BEZINNINGEN - BIJBEL - BOEKEN - CHRISTEN in de WERELD - CHRISTELIJKE VORMING - CHRISTUS EN DE ISLAM - DIAPRESENTATIES - EVANGELIE-LEZING - GEBED - GEBEDSGROEP - GETUIGENISSEN - GEZIN - ICONEN - INHOUD - JEZUS - JONGEREN - KERK en GELOOF - KERK WERELDWIJD - Figuren uit de KERKGESCHIEDENIS - KINDEREN - KUNST - LITURGIE - MEDIA -- MARIA - MARIA-KEFAS - MORAAL - NADENKERTJES - NIEUW - NUMMERS - PARAY L.M. - PINKSTERSPIRITUALITEIT - PREKEN - ROEPING - SOCIALE INZET - SPIRITUALITEIT - THUISPAGINA - UITZICHT - VERHALEN - VERVOLGING - WETENSCHAP - ZENDING - ZONDAGSEVANGELIES in diapresentaties
Een
onbesliste veldslag? De
Guldensporenslag zal onze lezers wel voldoende bekend zijn uit de ‘Vaderlandse
geschiedenis’ en door het feit dat het de Feestdag is van de Vlaamse
Gemeenschap; misschien hebben sommigen nog wel een oude of vernieuwde versie
‘de Leeuw van Vlaanderen’ van Hendrik Conscience gelezen. Na de ‘Brugse
Metten’, de nacht waarin Brugse Poorters een bloedbad hadden aangericht onder
de met de Franse bezetter meeheulende Leliaards, kwam een Frans ridderleger de
Vlamingen eens mores leren. Het draaide echter anders uit. Op de
Groeninghe-kouter te Kortrijk leed dat ridderleger een zware nederlaag. We
schrijven 11 juli 1302. Honderden gulden riddersporen van de verslagen Franzosen
werden in de Onze-Lieve-Vrouwekerk gehangen uit dankbaarheid vanwege de
Vlamingen voor die overwinning. Hun vreugde was van korte duur. De onlusten
vanwege het gemeenteleger ontwikkelden zich tot een plaag en in augustus 1304
werd de Vlaamse vloot verslagen door Hollandse (!) en Franse schepen. En alsof
dat nog niet genoeg was greep op 18 augustus (1304) Koning Filips de Schone de
Vlamingen zelf stevig bij de keel nabij de stad Dowaai, langs de grote baan naar
Lille (Rijsel). ‘Bij de keel grijpen’ is wel wat overdreven, want eigenlijk
verliep die strijd heel verward, tot de duisternis inviel. Gentse, Ieperse en
Kortrijkse milities waren al naar huis vertrokken omdat ze meenden dat ze toch
weer aan het winnen waren (of omdat ze van hun vrouwen op tijd thuis moesten
zijn en niet in de herbergen mochten blijven plakken). Ene Filips van Tiëdi
evenwel en Willem van Gulik (die in 1302 ook al van de partij was) wisten van
geen ophouden en bleven maar doorvechten, samen met groepen uit Brugge, Rijsel
en Aalst. De geschiedenis zal de overwinning wel toekennen aan Filips de Schone,
voor anderen bleef de veldslag onbeslist.
Vanwaar
nu onze titel over de "Brugse Belofte"? Die
Philips van Tiëdi kreeg tijdens dat klappen uitdelen op een gegeven moment toch
wel kippenvlees (figuurlijk dan) toen hij zijn mannen in het nauw gedreven zag.
Samen met zijn Brugse strijders beloofde hij dat zij – op voorwaarde
natuurlijk dat ze goed en wel thuis konden geraken bij vrouw en kinderen –
ieder jaar een kaars van welgeteld
Goede
gewoonten in ere houden En
zo ging ook in 2007 te Brugge op 15 augustus om 9 uur een processie van
Blindekens (de kapel van O.-L.-Vrouw-van-de- Blindekens)
naar de Potteriekapel. Onze Lieve Vrouw kreeg opnieuw de beloofde kaars van de
reeds eeuwenlang bestaande broederschap van Onze-Lieve-Vrouw-van-de-Blindekens.
Na de stadsomroeper en een aantal Vlaamse en Brugse vlaggen, droegen 12 meisjes
de grote kaars; Brugse vrouwen en kinderen volgden biddend en zingend terwijl
achter hen het versierde miraculeuze Mariabeeld werd meegedragen. Folklore
misschien, maar toch een her-innering van het diepgewortelde geloof van onze
Vlaamse voorouders. GEESTELIJK
LEVEN EN DE MEDEMENS Bezinning
vanuit het boek “Leven van
Anna-Katarina Emmerich (1774-1824)” door pater Pacificus Declercq Trappist
Abdij Westvleteren. In
het eerste deel van zijn “Leven van Anna-Katarina Emmerich (1974, Deel I blz.
85-89) behandelt p. Pacificus in een kapitteltje
over haar “Buitengewone Naastenliefde”.
Een
gelovige moeder De
gestigmatiseerde Anna-Katarina Emmerich werd op 8 september 1774 geboren in
Duitsland, niet zover van de Nederlandse grens, in het boerengehucht Flamschen,
in de nabijheid van Koesfeld en zo'n
Een
begenadigd kind Van
kindsafaan had Anna-Katarina (in haar omgeving sprak men van Anntrinchen, Anna
Katarieneke) een diep innerlijk leven en kreeg ze visioenen (o.a. Het leven van
Jezus), die ze pas later als zodanig erkende; ze dacht namelijk dat iedereen
zo'n beelden kreeg. Vrij vroeg voelde ze zich ook aangetrokken tot het
kloosterleven. De ouders hadden aanvankelijk
wel moeite met die speciale begenadiging en behandelden haar een tijdlang nogal
ruw. Later werd ze evenwel hun
lievelingskind. Schoolgaan kwam er niet veel aan te pas voor Anntrinchen:
catechismus of godsdienst en wat leren lezen, ja, maar schrijven heeft ze daar
nauwelijks geleerd. Ze trachtte haar vriendinnetjes de aandacht voor de
geestelijke werkelijkheden bij te brengen tijdens processiespelen en ging in
tegen ruzies. Op
12 jaar moest ze gaan werken als dienstmeid bij boer Zeller Emmerich, maar drie
jaar later bleek dat het zware werk haar gezondheid echt ondermijnde. Na een
tijd van rustiger werk thuis werd ze uitbesteed bij een naaister (Elisabet
Krabbe). Twee jaar van rustiger leven.
Aandacht
voor de materiële nood van anderen Van
haar 17de tot haar 20ste jaar woonde zij te Koesfeld bij een andere vrome en
bescheiden naaister. Haar ouders hoopten dat ze door dat werk de gedachte aan
het kloosterleven uit haar hoofd zou zetten. Dat was een misrekening want
Anntrinchen zag dit werk juist als
een kans om wat geld te verdienen, nodig om te kunnen intreden in het klooster.
Maar ook dat was dan weer een misrekening. We zouden soms denken dat heel
godsdienstige mensen zo met God en het geestelijke bezig zijn dat ze de mensen
wat uit het oog verliezen. Bij Anna-Katarina was dat niet het geval. Het geld
dat ze verdiende verdween door haar menslievendheid steeds weer naar mensen die
in nood waren. Dit ligt wel helemaal in de lijn van wat de Mystieker Tauler
schrijft: "Uit de hoogte van de goddelijke vereniging dalen mystieke zielen
weer naar beneden om zich de noden van de gehele christenheid aan te trekken;
zij behartigen in heilig gebed en met brandend verlangen alle belangen, waarvoor
God wil dat men bidt, de belangen van hun vrienden, van de arme zondaars, van de
zielen in het vagevuur, van de geestelijke Overheden, van het christenvolk, enz.
en zij rekenen het zich tot plicht alle noden van de kerk, in zover het hun
mogelijk is, door alle middelen te verhelpen". En
nood was er genoeg in haar streek: de franse revolutie met in haar zog de
Napoleontische oorlogen, de doortrekkende en inkwartierende troepen, de 7-jarige
oorlog (1756-1763) waarbij Koesfeld verwoest werd hadden voor grote armoede
gezorgd. Als kind gaf ze reeds kledingsstukken weg die ze zelf kon gebruiken.
Haar loon gaf ze nu bijna onmiddellijk weg. Soms leende ze zelfs om te kunnen
weggeven, nog voor ze haar loon ontvangen had, getuigt haar geestelijke leider,
P. Reckers.
Haar
zorg voor de geestelijke nood Haar
vriendinnen getuigden later dat zij er steeds op uit was om hen te onderrichten
in de geloofsleer en hoe ze als christenen moesten leven (moraal). "Ons
gesprek liep altijd over de godsdienst, die zij me nader verklaarde; zij
onderrichtte me waarin de plichten van een christen bestaan en vertelde mij veel
uit de levens van heilige nonnen ..." Soms
bracht ze haar christelijk getuigenis voor een hele groep
personen: "Voor de huizen waar ze naaiwerk verrichtte heeft zij 's
avonds, na volbrachte dagtaak, aan de mensen allerhande onderrichtingen gegeven;
zij vertelde hun dan ook het schone dat zij gelezen had en las het hun ook wel
voor". Soms
bleef er na die groepssamenkomst wel eens een of andere jongen of meisje na om
raad te vragen. De jongeren die ze op die manier bereikte, nodigde ze uit om 's
zondagsnamiddag mee de kruisweg te gaan op weg
naar Koesfeld en zij bad daarbij voor. Zo werd ze tot ziel van een groep echt
christelijke jongeren. Dit soort 'apostolaat'
zal vandaag wellicht niet op dezelfde wijze kunnen uitgeoefend worden als in dat
rurale midden. Toch blijft het een soort van uitdaging voor ons om onze
verantwoordelijkheid voor het 'geestelijk heil' van onze naasten in concrete
situaties op te nemen. Voorafgaandelijk moeten wij waarschijnlijk bidden dat
Gods Geest ons innerlijk zou vernieuwen opdat we bezield zouden zijn met een
vernieuwde geest van evangelisatie waartoe paus Joannes-Paulus ons opriep. Een
speciale zending kreeg ze om te vragen dat zij het lijden van anderen zou mogen
dragen, zelfs de straffen die verdiend waren voor alle zonden, waarvan zij op
natuurlijke of bovennatuurlijke wijze
kennis kreeg. Voor
personen die in een zondige situatie leefden had zij ook een groot mededogen.
Zij bad ervoor en onderging vaak allerlei vervolgingen van de Kwade.
Geen
kwaad spreken Een
andere blijk van oprechte naastenliefde en respect voor de medemens lag in haar
grote zorg om geen kwaad te spreken van mensen. Iemand getuigde later: "Zij
dacht over iedereen goed en ze duldde niet dat men in gesprekken de gebreken van
anderen te berde bracht... zij gaf ons hieromtrent dikwijls goede vermaningen...
Zij sprak van iedereen goed en vermaande ook haar vriendinnen om niets dan goed
van de naaste te denken en te zeggen... Zij sprak nooit kwaad van anderen en
drukte me dikwijls op het hart zoiets nooit te doen...".
...
En? Ging
het haar nu niet méér ter harte dat ze in het klooster kon treden dan dat ze
een deel armen kon helpen? Ze rekende er op dat God haar wel in de gelegenheid
zou stellen in te treden. Dit vertrouwen en die verwachting werden inderdaad
beloond... al zou ze nog jarenlang moeten wachten. EEN
MOSLIMLERAAR WEENT OM ZIJN VRIEND-PRIESTER Naar
‘Joyeux dans l’Espérance’ / Bulletin d’ amitié (Mémorial-Kongolo)
n° 123 (2007/3)
Antifoon
bij de Uitnodiging van de daglezing, Zaterdag Week 4
- Een bezinning. Het
leven van een gelovige christen is een permanente groei naar meer eenvormigheid
met ‘de wil van God’. Ik bedoel
hiermee een christen die zich ook echt op weg begeeft in zijn geloof, iemand die
zijn leven afstemt op het geloof, niet enkel voor wat de uiterlijke
verplichtingen betreft maar zich met heel zijn hart en zijn wezen betrokken
voelt in zijn gelovige relatie met God. Je zal misschien menen: zo iemand ben ik
vast niet. Maar misschien ben je dat toch wel. Alleen heb ik het nogal
ingewikkeld gezegd. Dat gebeurde trouwens vroeger ook wel eens teveel... “De
heilige wil van God”. Generaties religieuze mensen hadden het daar voortdurend
over en het werd aan de novicen ingepompt. In alles de Wil van God doen, de Wil
van God! Zo kon het op de duur gebeuren dat die “wil” een beetje een eigen
leven ging leiden, bijna los van God. Of nog, het kon voorvallen dat die “wil
van God” gezien werd als een vrij triestig of zelfs bedreigend iets dat een
gelovig mens boven het hoofd hing. Inderdaad, die “wil” werd bijna gezien
als een domper op de vreugde waartoe een christen toch geroepen is, een domper
op de vrede die Jezus zijn volgelingen bij herhaling toewenst… Wat was er aan
de hand? Dit
was er gebeurd, dat men achter ‘de wil van God’ niet meer het liefdevolle
gelaat van de Vader zag, de daadwerkelijke heilswil (nl. het verlangen van God
om de mens gelukkig te maken), de liefde tot het uiterste van Jezus, onze
redder, de zachte uitnodigingen en sterke stuwing van de heilige Geest om de weg
naar het echt geluk te gaan… En natuurlijk, als je bijna tegenover iets hard
en hardvochtig staat, dan zou je er bijna angst voor krijgen. Gelukkig waren
echte gelovigen en de grote heiligen er zo rotsvast van overtuigd dat God liefde
is, dat ze geen schrik hadden van zijn “wil”. Ook
voor ons blijft het een opdracht om tot een persoonlijke relatie te komen met
God, met de Verrezen Heer, met de heilige Geest van God en te begrijpen dat God
alleen maar ons geluk wil. Dan durven wij vragen om die wil te kennen, zelfs als
die een andere richting zou wijzen dan onze ‘goestingskes’, ons egoïsme,
onze al te beperkte menselijke bedenksels… We moeten misschien meer vragen aan
de heilige Geest dat Hij ons weer de smaak zou geven om Gods wil te doen, vanuit
de zekerheid dat het voor ons en velen die met ons verbonden zijn de weg is naar
het echte, ja, naar het enige heil. Een
bedenking naar aanleiding van “Why I know there is a God” van Fulton
Oursler, Auteur van: The greatest story ever told (‘Het mooiste verhaal ooit
verteld’), Modern Parables, The greatest book ever written (Permabooks,
Doubleday, New York).
God
niet nodig Nogal
wat mensen in onze tijd hebben het opgegeven te geloven in God, zelfs in een
‘hoger Wezen’. Onze tijd en het leven hebben immers zoveel te bieden. Waarom
je nog bezighouden met het al of niet bestaan van een God? Je hebt je werk, je
hebt een gezin (al of niet nieuw samengesteld), je hebt wat collega’s, een
vriendenkring, je gezondheid is niet slecht, je inkomen evenmin; de avonden
krijg je gevuld, geen probleem, geen overmatige verveling… Overigens zorgen de
media ervoor dat je niet te klagen hebt, dat je wordt weggevoerd in de waas van
een imaginaire (ingebeelde) wereld van entertainment (de mensen amuseren, en
daarvoor voeren ze in hun programma’s zelfs politici, dokters en allerlei
soorten mensen op die menen zichzelf of hun waar op die manier wat naar het
groot publiek te kunnen brengen) spannende, emotievolle of erotische
programma’s volgens je verlangen van dat moment. Je kan zappen of het later
nog eens bekijken… Er is muziek, aangepast aan jouw gemoedsgesteltenis van dat
moment en… er is ook nog internet, en allerlei snoepjes die je het – nou ja
– volmaakte geluksgevoelen geven: drugs in overvloed, al of niet getolereerd
en gelegaliseerd.
In
de plaats komt de leegte Maar
dit is een leugen! En op sommige ogenblikken voel je dat aan. Je hebt misschien
wel je hart met zijn oneindige verlangens ingebetoneerd als met een
Tsjernobil-sacofaag. Nochtans bevatte je het geen levensdodende inhoud, maar het
getuigde van een werkelijkheid die je wellicht nu monddood hebt gemaakt. Je
maakt je wijs dat je gelukkig bent, dat je geen andere wensen hebt… En na
enige tijd geloof je het ook. Maar
er zijn – gelukkig voor de moderne westerse mens – momenten waarop hij
ongecontroleerd zijn hallucinerende bril afzet en zijn leven en zijn omgeving en
de wereld ziet, zonder de verdwazende waas van de overconsumptie. Hij ziet …
de leegte in zijn eigen hart. Hij ziet … de verschrikkelijke gevolgen van de
Westerse draaimolen in dolle levensvulling van volwassenen en jonge mensen, hij
ziet … een Westerse wereld, een Westerse ‘beschaving’ (?) zonder
uitzicht… Gelukkig
waren de franse revolutiekreten “Liberté - Egalité - Fraternité” nog wat
gevuld met christelijke inhoud, zelfs tot op onze dagen, maar als de vrijheid,
de gelijkheid en de broederlijkheid (‘kameraden’, citoyens) uitgehold worden
en enkel nog gevuld met egoïsme langs alle kanten, dan sta je voor een
ijzingwekkende kilte. En leegte. En
dan zegt men: ’t Is wél geweest. Euthanasie dus. Want ik kan het niet meer
opbrengen, niet voor anderen en niet voor mezelf. En God hebben we dood gemaakt.
Nee, eigenlijk alleen maar monddood, hoor. En zelfs dat is nog niet absoluut.
Want als je de stoppen uit je oren neemt, hoor je Hem af en toe toch nog. Hij
heeft zo’n compassie met de moderne mens, al doet die al het mogelijke om Hem
uit te schakelen of minstens uit te bannen… Hij wil zich ook vandaag nog doen
horen om de mens wat licht en vrede te brengen… Een wondere God, onze God.
Een
Amerikaan beweert dat Hij God kent Fulton
Oursler was zo’n oververzadigde moderne mens, een Amerikaan, eertijds bekend
publicist. Reeds
als kind had hij vragen omtrent het bestaan van God en deze zoektocht naar God
verliet hem niet meer. Kun je echt weten dat God bestaat? Er was eens een
Russisch astronaut, ik meen zelfs dat het maar een kosmonaut was, die bij zijn
terugkomst op aarde zei: “Kameraden, het heelal is leeg. Er is geen God”.
Hij had inderdaad maar een sprongetje gemaakt tot even buiten onze dampkring –
een kosmonaut dus toch – zo’n paar keer rond de aarde draaien, en hij
beweerde dat er geen god was. Nou, als je weet wat de aarde maar betekent in dat
onmetelijke heelal, dan was dat een fameuze grootspraak. Bovendien mocht hij nog
heel wat verder gaan kijken, God zou hij niet zien. Vast niet. En ondanks die
(niet) vaststelling zijn er toch heel wat mensen die elke dag als morgengebed
zeggen: “Ik geloof in God, de almachtige Vader, schepper van hemel en
aarde…”. Het aloude ‘symbolum des geloofs’ dus, de ‘twaalf artikelen
van het geloof’ of de christelijke ‘geloofsbelijdenis’ Maar als je
vrienden je zeggen: “We weten dat je gelooft, akkoord, maar kun je echt weten
dat dat wat je gelooft ook wààr is?”. Hierop antwoordde Oursler: “Ik weet
inderdaad dat het waar is. Het Oude Testament zegt reeds: Wees stil en weet: Ik
ben uw God”. Geloof moet zichzelf niet bewijzen. Zalig die geloven zonder
gezien te hebben, kreeg de apostel Thomas te horen. De blinde uit Galilea
geloofde alvorens hij het zicht kreeg. Wij krijgen het licht eens we tot geloof
komen. Een goddelijke paradox. Die transcendentale ervaring zal men een illusie
noemen, toch is het een sublieme werkelijkheid. Het is niet omdat we bv. doof
zijn dat Beethovens 5de symfonie een illusie is. Maar ook als we doof zijn,
kunnen we toch de stem van de hemelse Vader vernemen. Dat is hier het grote
verschil. We zeiden het al: zo groot, zo verheven is het menselijk hart, dat het
God kan kennen. Maar... tegenwoordig
lijkt dat niet meer het geval te zijn, althans in onze ‘ontwikkelde’ landen.
Zijn
er verwijzingen naar God? Misschien
is ‘God bewijzen’ trouwens een verkeerde uitdrukking. Fulton Oursler
verwijst naar twee ‘sleutels’ die ons wellicht kunnen helpen om ons open te
stellen voor het meest spannende levensmysterie.
Door
redenering Je
kan bv. beroep doen op je verstand, logisch redeneren. Ik meende dat de
wetenschap toch ook gelooft in dingen die ze niet kan waarnemen, maar waarvan ze
veronderstelt dat ze er zijn, bv. atomen. Heeft u soms al een atoom gezien? Maar
als je dan ziet wat het splitsen van atomen heeft teweeg gebracht in Hiroshima
en Nagasaki kan je niet langer twijfelen. Of als men een ster ontdekt gewoon
door sterren-rekenkunde, dus zonder dat men ze ooit gezien heeft – zo iets
gebeurt geregeld in de astronomie – dan weet men dat ze er is. Het kan best
zijn dat men ze later met speciale telescopen toch gaat waarnemen, maar men wist
op voorhand dat ze er was. En zo zijn er mensen die ons allerlei
‘godsbewijzen’ voorschotelden. God heeft zich geopenbaard in zijn schepping
en men kan zijn sporen opsporen, je kan als het ware vaststellen dat Hij
voorbijgekomen is. Het is zoals de wind die je ook niet ziet, maar waarvan je
wel de resultaten ziet: het buigende riet, de ritselende bladeren, de frisse
zucht op je gelaat, het golven van het water…
Door
persoonlijke ervaring Maar
al die wetenschappelijke bewijzen of verwijzingen, redeneringen rondom de
tekenen die naar God kunnen verwijzen maakten niet zo’n sterke indruk op
Oursler. Hij wou eerstehands kennis. Boeken lezen over zwemmen en het water door
en door kennen betekent toch maar heel weinig tot wanneer je zelf in het water
duikt en zwemt: een heerlijke ervaring, lichter en vrijelijk bewegen, de vreugde
van je in een ander element te bewegen… Persoonlijke ervaring. Dat was voor
hem de tweede weg om God te kennen. Hij
had het (geluk en het licht) gezocht in Boeddhisme, een Westerse vertaling ervan
in de zogenaamde Theosofie, Bahaïsme en Zoroastrisme en veel tussenstations.
Hopen religieuze conferenties en seances van Spiritisme… tot hij op zijn
dertigste gewoon een agnost was geworden zoals er tegenwoordig twaalf
in een dozijn zijn. Maar hij zat in een soort inwendige depressie. Geen
nood. Er waren dokters, psychiaters en yogi’s. Tevergeefs! En midden heel die
mentale kilte vond hij het. Wat juist? Hij hoorde het ware verhaal van een
schrijver die door de Gestapo achtervolgd werd en op zeer wondere wijze
ontsnapte aan de Nazi’s, hij trekt heel Frankrijk door maar wordt door de
Spaanse politie teruggestuurd naar Frankrijk. Te Lourdes in de Pyreneeën doet
hij als ongelovige een belofte aan Maria: “Als ik met mijn vrouw gered wordt
en naar de Verenigde Staten kan trekken zal ik voor heel de wereld het verhaal
schrijven van deze plaats (Lourdes)". Na dit gebed was hij zo kalm als wat.
En deze Frans Werfel – die een week later inderdaad kon ontkomen – schreef
als zijn eerste werk in Amerika: “Het lied van Bernadette”. Vóór zijn dood
getuigde hij nog aan Oursler dat hij midden die angst van gevat te worden, God
had leren kennen en daarna nooit meer het besef van Gods aanwezigheid had
verloren.
En
dan doet Oursler zijn eigen verhaal. Hij zat dus mentaal aan de grond, zijn
omgeving maakte zich zorgen over hem. En dan komt in hem het besef op dat hij
ook maar gewoon aan God moet voorleggen waar hij mee zit. Er ging op de Fifth
Avenue juist een optocht door. En hij ging plots een kapel binnen terwijl hij
vroeg om de gave van het geloof… Hij zei er nog iets bij: “Over tien minuten
ga ik misschien andere gedachten hebben, maar nu ben ik op mijn best en nu vraag
ik u: als Gij werkelijk hier zijt, help me dan”. In zijn hart was er nog geen
diepe vrede maar wel een wonder gevoel van hoop. Er deden zich een hele reeds
eenvoudige gebeurtenissen voor die maakten dat hij na 14 dagen geen enkel
ernstig probleem meer had. Ieder gebed wordt gehoord, maar niet altijd verhoord.
Het antwoord kan immers ook ‘nee’ zijn. Bij hem was het dus ‘ja’.
Wij
mogen ons tot God wenden zoals een gevoelig kind een gunst vraagt aan zijn
vader. Wij vragen God om gunsten voor anderen en voor onszelf en wij danken Hem
er ook voor. Maar we mogen ook, wanneer we in gebed zijn en in nauw contact met
de Vader, vragen om de vreugde van Hem te kennen. Want door het gebed weten wij
dat er een God is, door het gebed kennen wij Hem, als Vader en als vriend. En
toen ongelovige vrienden hem zeiden dat zij God niet kenden en hij hun naar het
gebed verwees bleven ze toch sceptisch. Maar, in Godsnaam, als je door het gebed
God kan kennen, waarom willen ze dat dan niet door eigen ervaring
experimenteren? “Voer Hem eens voor mij op”, zei hem de ongelovige. Dat kon
hij niet voor die agnost doen. Die moest zelf de deur openen en God binnenlaten.
En dan gebeurt – overigens op een eenvoudige manier midden het gewone leven
van elke dag – het grote wonder van de diepe vrede in je hart en het tot
evenwicht komen van je leven. Daarna wil God je hele leven stilaan weer
opbouwen: de hongerigen gaan voeden, de dorstigen laven, de zieke bezoeken, de
weduwe en de wees tot steun zijn, de naakte kleden, een woning zoeken voor de
thuisloze… je inzetten in de Naam van God. Zonder je te bruskeren gaat God
zijn weg met jou, door je telkens weer aan te moedigen tot een volgende stap.
Wil iemand God vinden, dan moet hij nederig vragen om een kans om te
geloven en een stap zetten naar mensen die het moeilijk hebben. Als je je hart
opent voor anderen staat het ook opener om God binnen te laten die bij jou wil
blijven.
Bemerking
achteraf: valt
God te bewijzen? Het
is een traditionele kerkelijke leer – gegrond op Bijbelse gegevens – dat een
mens God kan kennen, steunend op wat in de schepping te bespeuren valt. We
spreken dan niet van het ‘bewijzen van God’, in de zin van wetenschappelijk
bewijs, want dan zou de kennis van God ‘vanzelfsprekend’ zijn, en zou er
eigenlijk geen geloof meer nodig zijn. Het zijn eerder aanwijzingen, tekenen
waarin God zich heeft uitgedrukt, zich laat kennen, laat zien dat Hij daar
voorbijgekomen is. Het lijkt wat haarklieverij, maar ‘geloof’ en
‘wetenschappelijk bewijs’ zijn duidelijk twee onderscheiden zaken. De
theologie (godgeleerdheid) heeft trouwens ook een heel andere ingesteldheid dan
de filosofie (wijsbegeerte). Deze laatste kan alleen bevestigen dat er een
‘eerste en vrije Oorzaak’ is aan alles, nl. dat er een ‘hoger Wezen’ aan
de oorsprong staat van alles. Meer niet. De theoloog kan dan misschien wel doen
alsof ook hij van niets vertrekt, maar niets is minder waar: hij gelooft reeds,
en wat hij doet is in feite trachten te begrijpen wat door de Openbaring
aangereikt wordt. Dit
sluit echter niet uit dat de mens een natuurlijke kennis van God kan hebben. De
openbaring veronderstelt zelfs die natuurlijke kennis. Als de mens immers open
bloeit op een zekere kennis van een God, die spreekt of zich zwijgend doet
kennen, dan kan hij ook de openbaring zien als het opheffen van een geheim en
dus als resultaat van een vrij initiatief van God (anders zou er geen Openbaring
zijn) en anderzijds als een vrij en gratis geschenk (anders zou ze niet
bovennatuurlijk zijn). DE
EERSTE MISSIEVLUCHT NAAR KONGO (32) DE
PIJNLIJKE WEG VAN OUD NAAR NIEUW VERBOND naar
Dom Célestin Charlier Dat
is wat veel gevraagd In
zijn boek, La lecture chrétienne de la Bible, beschrijft Dom Célestin Charlier
het spannende moment waarop de eerste volgelingen van Jezus, Joodse mensen,
aanvankelijk niet buiten de Joodse gemeenschap worden gesloten, maar hoe er zich
voor henzelf wel een serieus probleem stelt wanneer ook heidenen christen
worden. Wat moesten zij, Jood-christenen, met die mensen aanvangen? Worden die
gewezen heidenen, die niet behoorden tot het Uitverkoren Volk ook erfgenamen van
de rijkdom van de Thora? Erfgenamen van de Belofte? Allee zeg! Erfgenamen van
het Verbond tussen God en zijn Volk? Nee toch!
Al
heel wat meegemaakt Toegegeven,
het Jodendom had al aanzienlijke avonturen overleefd en had al geweldige
transfiguraties ondergaan in de loop van zijn geschiedenis. Denk maar even aan
de hongersnood die hen naar Egypte had gedreven en even later de verdrukking in
dat land. Daar trokken ze dan ook maar weg – een lange weg die ze als een
machtig epos zagen van de doortocht door de rode zee, het lange verblijf in de
woestijn waar ze echt Gods volk werden, maar dan toch wel vaak een weerspannig
en morrend volk … en uiteindelijk de aankomst in het land Kanaän, het
Beloofde Land. Ja, maar hoe moet je dat allemaal bekijken: een relatief kleine
nomadenclan, die in Egypte zich aanzienlijk uitbreidt en bij zijn inval in het
land Kanaän zich ontpopt tot een vrij krijgzuchtig volk dat een hoop steden en
kleine koningen weet te overmeesteren. Ze zien zich nog wel als afzonderlijke
stammen, maar af en toe spannen ze samen om een of andere koning of vreemde stam
te bevechten. Ergens bezielt hun toch wel een godsdienstige gedachte, nl. dat ze
het volk van God zijn, een God die zich niet laat opsluiten in een stierenbeeld
of materiële gestalte, maar die met hen meetrekt en hen uit de nood helpt ...
als ze maar helemaal op Hem vertrouwen. Ze krijgen koningen, krijgen een zeker
aanzien tussen de volkeren, maar dan laten ze – overmoedig - God wel eens in
de steek en zowel het noorden (Israël) als later het Zuiden (Juda) gaan in
ballingschap naar Babel, naar Assyrië tot de Perzen hen tenslotte weer naar
huis laten vertrekken. Even later is er dan weer Griekenland en de Helleense
beschaving, en Rome, dat de wereld organiseert en … leegrooft.
Tweede
kans om Jezus te aanvaarden Ondertussen
is Jezus' korte optreden in Judea tot een dramatisch einde gekomen met zijn
kruisdood. Dramatisch want zijn Joodse apostelen hadden Jezus gezien als de
Joodse Messias die hun volk zou verlossen van de buitenlandse vijanden en hen
zelfs tot zijn ministers zou maken, zetelend op 12 tronen. Die droom was
stukgeslagen met de kruisiging van hun geliefde Meester. Hoewel. Na Pasen en nog
meer na Pinksteren beginnen ze toch weer te hopen dat alles nog okay gaat komen
bij de aanstaande Parousie, de schitterende terugkomst van Jezus, de Messias.
Tegelijk zou heel het Joodse volk ook nog een herkansing krijgen, want hun
eerste kans om Jezus als Messias te erkennen hadden ze stukgeslagen door hem
over te leveren aan de vreemde macht, Rome. Maar nu, na zijn verrijzenis krijgen
ze nog een tweede kans… Wat
een ontgoocheling wanneer het officiële jodendom dan toch niet terugkomt op
zijn fout van het jaar 30 (de verwerping van Jezus) zodat de jonge christelijke
gemeenschap zich – misschien wat al te vlug – gaat nestelen in de
overtuiging dat hun Joodse volksgenoten voor een groot deel niet beter zijn dan
de vreemde bezetters die Hem kruisigden.
Heidenen
nemen de erfenis graag over En
dan gebeurt er dit, dat er – en stilaan steeds meer – juist heidenen zijn
die Jezus wèl gaan aanvaarden als ‘redder’. Misschien is het op dat
ogenblik voor hen nog niet duidelijk wat dat ‘redder zijn’ juist betekent.
Maar er is nog méér: een van de Joodse christenvervolgers, Saulus van
Tarsus, wordt zelf christen en juist hij wordt groot voorstander van opneming
van de bekeerde heidenen als volwaardige leden van de christengemeenschap.
Een
echte aardverschuiving Ja,
goed, maar, hoe moet een rasechte gelovige Jood hiermee omgaan? Natuurlijk, er
waren wel de ‘godvrezenden’ of ‘proselieten’, heidenen die wel het
Joodse geloof aanvaarden: in God geloofden, de Joodse wetten en voorschriften
onderhielden maar… niet besneden waren. Ze waren in zekere zin buren, maar
waren toch nog buitenstaanders van het uitverkoren Godsvolk. Het is duidelijk
dat gelovige Joden onvoldoende doorhadden dat God een plan had met ‘de goïm’,
de ‘(niet-joodse) volken’. In de psalmen 2 en Maar
dit gebeuren, dat openstellen van het heil voor een heiden, voor iemand die niet
echt ‘Jood’ was… het was als een aardverschuiving, een aardbeving waar je
als Joodse gelovige van duizelde. De heiden was immers als een onaanraakbare: je
ging zijn huis niet binnen, je nodigde hem niet bij jou aan huis…
Hoe
omgaan met 'Joden' zowel als 'heidenen'? Hoe
moet men deze nieuwe situatie nu aanpakken? Je gaat Joodse christenen toch niet
vragen van om te gaan met heidenchristenen! En er stellen zich nog andere
problemen: “Hoe ga je aan de heidenen de termen “Messias”,
“Verlossing”, “Zonde”, “Verbond”, “Belofte” uitleggen zonder hen
eerst in te leiden in de organisatie van het Joodse leven, hun geschiedenis en
tradities, kortom, zonder hen eerst tot Joden te maken”? Paulus
was afkomstig uit Tarsus, uit een Farizeeërfamilie, dat wel, maar hij had toch
midden een heidense kultuur geleefd, had heel wat opgesnoven van de Helleense
beschaving … Hij gaat nu duidelijk stellen dat Jezus niet gewoon maar een
'sluitsteen' is op een Joods gebouw, maar de 'hoeksteen' van een nieuw gebouw
waarvan het oude (Verbond) enkel de voorbereiding en de voorafbeelding was.
Natuurlijk ruzie in het kamp van de Joodse christenen. Totdat op het concilie
van Jeruzalem Paulus de zegen krijgt van de andere apostelen om dit soort
‘blijde Boodschap’ te verkondigen. We
hadden het hierboven reeds even over ‘andere problemen’ die zich stelden.
Het probleem met die nieuwe verkondiging was dat de Blijde Boodschap van Jezus
eigenlijk toch wel in het verlengde lag van het Jodendom en dus maar echt goed
kon begrepen worden… in het licht van het Jodendom! Nu ging men dus Jezus
verkondigen aan heidenen, maar daartoe moest men hellenistische termen gebruiken
om toch de Joodse formuleringen uit de Bijbel over te brengen naar die
christenen uit het heidendom. Men ging dus de christelijke boodschap, die
aanvankelijk binnen een Joodse cultuur was verkondigd, omzetten in voor de
Grieks-Latijnse wereld verstaanbare taal. U kan zich inbeelden dat dit alles
niet zo eenvoudig was. Vooral de Joodse gemeenschappen in de Verstrooiing (de
diaspora nl. buiten Judea, buiten Palestina) konden een beetje als overgang
dienen. Maar af en toe kwamen er hardliners uit Jeruzalem, en dan kwam er weer
nieuwe onrust in de heidenchristelijke of gemengde christengemeenschappen.
Oud
en Nieuw Testament niet scheiden Er
waren nu twee bekoringen voor het jonge christendom: ofwel zich laten opslorpen
door het Jodendom, ofwel zich teveel laten opslorpen door de heidense wereld, in
een soort pregnosticisme. Dat laatste was geen kleine bekoring natuurlijk:
sommige heidense mensen waren nog maar oppervlakkig bekeerd tot het christendom
en leefden nog volop midden een door en door heidense beschaving en cultuur. De
brieven van Paulus getuigen zowel van de strijd tegen de verleiding om van de
heidenen Joden te maken als van de pasbekeerden opnieuw syncretisten te maken,
een allegaartje te maken van christelijk geloof en van verschillende heidense
godsdiensten. Zowel
Paulus als het 4de evangelie (Evangelie volgens Johannes) aanvaarden geen breuk
met de ontwikkeling van de geschiedenis van het Volk van God: Jezus staat in het
verlengde daarvan. Oud en Nieuw Testament mag je niet van elkaar scheiden, ze
horen bij elkaar. Sint Jan blijft ook ons zeggen dat als het Oud Testament
slechts betekenis heeft door het Nieuw Testament, het Nieuw Testament slechts
bestaat dank zij het volle begrijpen van het Oud Testament. Een blijvende opgave
voor de kerk van alle tijden. CURSUS
ICOON SCHILDEREN VOOR BEGINNERS
Waarom
Moeder Gods van “het teken”? De
icoon toont ons Maria, die recht voor zich uit kijkt en voor haar staat in een
ronde mandorla Jezus afgebeeld, niet zozeer als een kleine baby maar als de
Emmanuel, de God-met-ons”. In Rusland noemt men deze icoon de “Moeder Gods
van het Teken”.
Deze
benaming slaat op de profetie van in het Oudtestamentische boek Jesaja, waar we
lezen: “Ook
dit liet Jahwe (door de profeet Jesaja) tot (koning) Achaz zeggen: 11 `Vraag
Jahwe, uw God, om een teken, hetzij uit de diepte van de onderwereld of uit de
hoogte daarboven.’ 12 Maar Achaz antwoordde: `Dat doe ik niet, ik stel Jahwe
niet op de proef.’ 13 Toen zei de profeet: `Luister, huis van David! Is het u
niet genoeg mensen te tergen, dat gij ook nog mijn God moet tergen? 14 Daarom
geeft de Heer zelf u een teken: Zie de jonge vrouw is zwanger, en zal een zoon
ter wereld brengen, en gij zult hem de naam Immanuel geven” (Jes.7,10 -14).
De
vervulling van een profetie Over
de concrete situatie heen, de aankondiging van een kind voor Achaz, als een
hoopvol teken, ging deze profetie uit het Oude Testament in vervulling op de dag
van de Aankondiging van de Heer en de instemming van Maria als ze haar Fiat
uitspreekt: “Zie het dienstmeisje van de Heer; mij geschiede naar uw
woord”(Lc.1,38). “Aan mij mag geschieden volgens uw woord”... Het zijn
zo’n eenvoudige woorden, je zou er bijna óver lezen. Maar het is op dat vrije
antwoord dat God heeft gewacht om zijn plan van liefde in vervulling te laten
gaan. In deze icoon ligt uitgedrukt wat we in onze geloofsbelijdenis uitspreken:
“Geboren, niet geschapen, één in wezen met de Vader en door Wie alles
geschapen is. Hij is voor ons mensen, en omwille van ons heil uit de hemel
neergedaald. Hij heeft het vlees aangenomen door de heilige Geest uit de maagd
Maria, en is mens geworden”. In
onze bijbelvertalingen is er sprake over ‘de jonge vrouw’ als directe
toepassing op de vrouw van Achaz. Twee eeuwen vóór Christus werd echter een
Griekse Bijbelvertaling gemaakt door zo’n 70 schriftgeleerden ; deze vertaling
noemt men de ‘Septuagint
(‘septuaginta’in het Grieks betekent 70 ). Deze Griekse vertaling van de
Hebreeuwse Bijbel was in de tijd van de evangelisten de gebruikelijke
Bijbeltekst en het is wel opvallend dat de Septuagintvertaling in plaats van
‘jonge vrouw’ het (Griekse) woord ‘partenos’ heeft, wat maagd, ongehuwde
vrouw betekent en zo heeft Matheüs het ook gebruikt (1,23). De drie sterren op
Maria's voorhoofd en haar borst staan symbool voor haar maagdelijkheid vóór,
tijdens en na de geboorte van Jezus.
Mijn
hart prijst hoog de Heer Nadat
ze haar ja-woord heeft gegeven op de uitnodiging van God, de Machtige, de
Heilige, en in vrije overgave gebogen heeft voor zijn heilsplan, is Maria naar
Elisabeth getrokken, die in haar zesde maand was en die Maria’s
"sjalom" beantwoordde (verlicht door de heilige Geest) met de woorden:
“Gij zijt de gezegende onder de vrouwen en gezegend is de vrucht van uw
schoot. Zie, zodra uw groet mijn oor bereikte sprong het kind van vreugde op in
mijn schoot”. In
deze woorden wordt Maria begroet als de uitverkoren vrouw en wordt ook het kind
dat zij verwacht reeds geprezen. Op de icoon ‘Moeder Gods van het Teken’
wordt Maria, als uitverkorene en Moeder Gods met edelstenen en parels versierd
en wordt Jezus in een dubbele gouden mandorla met stralenkrans in het centrum
van de icoon geplaatst (zoals zijn naam ook in het midden van ons Weesgegroet
staat); en beide figureren tegen een achtergrond van bladgoud: de schoonheid en
het mysterie van God. En het is de kleine Johannes die in feite als een kleine
profeet (maar door Jezus zal hij de grootste genoemd worden) de vervulling van
de profetie van Jesaja en de nabijheid van de Messias heeft aangevoeld. Onder
meer daarom is het zo treffend wanneer Lucas in de lofzang van Zacharias
optekent: “En gij, kind, zult profeet zijn van de Allerhoogste, want gij gaat
voor de Heer uit om zijn weg te banen”. Na
de woorden van Elisabeth die Maria’s roeping en zending bevestigen, plaatst
Lucas het Loflied van Maria, dat wij kennen als het ‘Magnificat’: “Mijn
hart prijst hoog de Heer, 47 van vreugde juicht mijn geest om God mijn redder:
48 daar Hij welwillend neerzag op de kleinheid zijner dienstmaagd. En zie, van
heden af prijst elk geslacht mij zalig 49 omdat aan mij zijn wonderwerken deed
Die machtig is, en heilig is zijn Naam” (Lk. 1,46c-49). Maria
in gebedshouding mogen we daarom wellicht niet enkel zien als de voorsprekende
Moeder Gods, maar als de lofprijzende Maagd en Moeder, die ons wil voorgaan in
de lofprijzing en dankzegging. Dat mogen we ook leren vanuit deze icoon.
Onze
grote vergissing Al
dat goud en die kleuren, die heerlijke profetie die vervuld wordt, de
aankondiging van de engel en de wondere begroeting door Elisabeth,
vinden we wel mooi en wonder, maar we voelen ons daar heel kleine mensen
bij, zwak en zondig. Het is iets dat zich ver boven en buiten ons eigen kleine
bestaan situeert, het overstijgt ons hemelhoog… Stop! We
begaan hier een zware vergissing. Deze icoon, waarin we Gods heerlijk heilsplan
bezingen en de uitverkiezing van Maria en de vreugdevolle komst van Jezus in ons
midden… deze icoon mogen wij ook beschouwen met een hoopvol hart, een hart vol
verlangen. Want ook ons vraagt God of we zijn heilige tempel willen zijn, waarin
Hij gediend en geloofd en aanbeden wordt. In het doopsel zijn wij tempel
geworden van de Drieëne God. En als christen zijn wij geroepen om steeds meer
te gelijken op Jezus, icoon, beeld te zijn van onze Heer en Heiland. Door
Jezus gelovig te aanvaarden als onze Heer en Redder en door Hem met liefde te
ontvangen in de Eucharistieviering neemt Hij verblijf in ons. De Theotokos (de
Moeder Gods) met het Christuskind leert ons een fundamentele waarheid van de
kerk: dat Christus in ieder van ons woont. De heilige Ambrosius drukte het goed
uit: “Iedere gelovige ziel ontvangt en geeft geboorte aan het Woord van God;
Christus is, door het geloof de vrucht van ons allen, dus zijn we allen moeders
van Christus”. Dezelfde
Christus die nederdaalde om te verblijven in de schoot van de Maagd Maria komt
ook om geboren te worden in ons, zodat ook wij mogen zeggen, zoals Sint Paulus
het deed: “Ik leef niet langer, maar Christus leeft in mij; en het leven dat
ik nu leef in het vlees leef ik door het geloof in de Zoon van God” (Gal.
2,20).”
Een
aanbod. Een passend antwoord? Wel
moeten we goed beseffen dat het opnieuw een vrij aanbod is van de liefdevolle
God. ‘Maar allee zeg, hoe zal dit geschieden, ik ken toch mezelf een beetje,
ik weet wat een klein en zwak mens ik ben?… God zegt: “De heilige Geest zal
over u komen en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen…”. Op het
liefdevolle aanbod van God, op de genade van het heilig Doopsel kunnen wij
slechts een gepast antwoord geven met de kracht van de heilige Geest. U kent
wellicht dat woord van de vroegere bisschop van Brugge, Mgr. De Smedt tot zijn
vormelingen: “Onthou heel uw leven deze drie woorden en zeg ze zeer dikwijls:
Kom, heilige Geest; kom heilige Geest”. Laten wij dit dan maar doen, trouw, in
het besef dat we het uit eigen kracht niet kunnen opbrengen om Jezus uit te
stralen, om vanuit zijn gezindheid te leven, om zijn woord in praktijk te
brengen. God ziet genadig neer op onze kleinheid en wil ook aan ons grote dingen
doen, Hij is nog altijd de Machtige en Heilige bij Wie niets onmogelijk is. Deze
icoon verkondigt Gods wonderwerk en verwijst ook naar ónze
roeping! SMAKELIJK,
MONSEIGNEUR BOEKENMAND DURRWELL,
François-Xavier -, Christus, de mens en de dood. Uitgaven Abdij Bethlehem,
B-2820 Bonheiden. Reeks Schrift en Liturgie nr 21, 1995, 108 blz., € 7.40. SMEETS,
Wiel -, Verleiden tot God. Jongeren inwijden in christelijke spiritualiteit.
Lannoo 2007, 202 blz., € 16.95. ECHO
UIT EVANGELISATIESCHOOL EMMANUEL TE ROME POPULAIRSTE
BIJBELVERZEN OP INTERNET ‘Zoveel
immers heeft God van de wereld gehouden, Dit
vers uit het Johannesevangelie 3,16 is het populairste Bijbelvers op internet.
Dat blijkt althans uit een onderzoek uitgevoerd voor de lancering van een
website die het opzoeken van Bijbelverzen moet vereenvoudigen. Hoe
is men tewerk gegaan om tot die conclusie te komen? Volgens ‘The Christian
Post’ werden 37 miljoen Bijbelverwijzingen teruggevonden op internet. Die
werden netjes gerangschikt in volgorde van populariteit en daarna werd een top
100 samengesteld. 87
procent van de honderd populairste Bijbelverzen blijken afkomstig uit het Nieuwe
Testament. De drie populairste stammen uit het evangelie van Johannes. Naast
bovengenoemd vers zijn dat ook nog de twee volgende bijbelverzen:
Joh.
1,1 “In het begin was het Woord en het woord was bij God en het Woord was
God”. Joh.
14,6 “Jezus antwoordde hem: Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand
komt tot de Vader tenzij door Mij”. De
meest geciteerde Bijbelboeken op het internet zijn de brieven aan de Efeziërs,
de brief van Jacobus en de brief aan Titus. De
meest geciteerde Bijbelhoofdstukken zijn 2 Petrus 1, Psalm 1 en Johannes 1 zijn
.
-
IN
DE VREDE VAN DE HEER: Onze overledenen
-
7
WEKEN VERNIEUWINGSCURSUS
|