|
|
|
GELOOF EN LEVEN Jg 112 (2007) nr 4
STILTE
Willy Verschaetse cssr KERSTMIS
ADVENTSKRANSEN
MAKEN: een uitnodiging! OUDEJAARSAVOND
2007: een uitnodiging! BIJBELSE
POËZIE OVER MARIA IN DE SYRIAC-TRADITIE MEEGEDEELD
VANWEGE DE MARIA-KEFASGEMEENSCHAP VAN
JOODSE ATHEÏST TOT VERVOLGDE CHRISTEN IRENEÜS
VAN LYON, EEN STRIJDVAARDIGE VREDESDUIF Vergaard door Ben Van Vossel BOEKENPLANK
(1) DE
EERSTE MISSIEVLUCHT NAAR KONGO (31) HEILIGENVERERING
: VERKEERD OF PRIJZENSWAARD? PRETENTIE
BIJ DE VERKONDIGING Abt Theodorus GEBEDSBRIEF
ARAB VISION IN
DE VREDE VAN DE HEER BOEKENPLANK
(2) OVER
‘SPREKEN EN LUISTEREN’ (voor toekomstige schrijvers) George Gernaert “MYSTERY
IN GHENT” (3) Father John and the
Just Judges Ben Van Vossel
STILTE Willy
Verschaetse cssr DE
DROOM VAN MARIA Libanese
kerstvertelling
maar
ik denk dat hij ging over een verjaardagsviering voor onze Zoon. Tenminste,
ik denk dat het toch dàt was waar het over ging. De
mensen hadden er zich al minstens 4 weken op voorbereid. Zij
hadden hun woning versierd en kostbare kleren gekocht. Zij
hadden verscheidene keren gewinkeld om uitgelezen en kostelijke geschenken te
kopen. Maar,
’t is eigenlijk wonder, deze geschenken leken mij echt niet aangepast voor
onze Zoon. Zij hadden ze wel mooi ingepakt en versierd met mooie linten. Zij
hadden ze op een hoop onder een soort boom gelegd. Ja,
Jozef, een boom midden hun woning. En ook deze boom hadden ze versierd. De
takken hingen vol veelkleurige bollen, slingers en alle soorten blinkende
versiering... O,
’t was echt heel mooi! Iedereen lachte en was gelukkig. Zij waren heel verrukt
door deze versieringen en door de geschenken, die zij met elkaar uitwisselden. Maar,
Jozef, … er was niets bij voor onze Zoon. Ik denk zelfs dat ze Hem niet
schenen te kennen. Zij hebben zijn Naam trouwens geen enkele keer uitgesproken.
Is dat niet wonder? Heel deze drukte om de verjaardag te vieren van iemand die
men niet kent? Ik
had het vreemde gevoelen dat indien onze Zoon zou deel genomen hebben aan dit
feest, zij Hem als een indringer zouden beschouwd hebben. Alles
was zo mooi, Jozef, echt, maar toch
had ik zin om te wenen. Ik was bedroefd voor Jezus. Zelf niet uitgenodigd zijn
op Zijn eigen verjaardag! Ik
ben blij dat het maar een droom was. Hoe
triest zou het geweest zijn, Jozef, indien het werkelijkheid was geweest. KERSTMIS
De
tweede ‘broer’, Joses of Jozef (in
het Frans vertaalt men wel eens ‘José’ en ‘Joseph’) wordt maar één
keer vermeld in de broederlijst van Mattheüs en Markus. Het zou best kunnen dat
hij vroeg overleden is, want nergens anders in de Kerk van ‘na Pasen’ komt
hij nog voor en Hegesippos in de volgende eeuw zou het zeker vermeld hebben als
dit wel het geval zou zijn geweest. Of zou hij totaal vervreemd zijn van de
groep die zich (minstens na Pinksteren) tot Jezus bekende? We weten het
eigenlijk niet. Zelfs Hegesippos verhaalt ons verder niets over hem. De
derde broer-neef, Judas (of Juda) Deze
derde zogenaamde 'broer' is nog
moeilijker na te trekken aangezien er al twee apostelen waren die ook zo
heetten: Judas, de apostel (zoon van Jakobus) en Judas (zoon van Simon Iskarioth
zoals hij 3 keer wordt genoemd door
Johannes. Deze Judas Iskarioth is de enige Judeeër van de 12 apostelen, geen
Galileeër, zoals de 11 anderen; hij wordt de verrader van Jezus. Judas,
de derde ‘broer’ is schrijver van de korte brief die ook opgenomen is in het
Nieuw Testament; de laatste van de zogenaamde ‘katholieke brieven’. Hij
noemt zichzelf “Judas, dienstknecht van Jezus Christus en broeder van
Jakobus” en hij schrijft aan “de geroepenen, die leven in de liefde van God
de Vader en onder de bescherming van Jezus Christus” (1,3). Hij onderscheidt
zichzelf van de apostelen van Jezus door de woorden: “…vrienden, herinnert u
wat door de apostelen van onze Heer Jezus Christus voorspeld is” (1,17 ). De
brief bevat maar 25 verzen en is een korte waarschuwing tegen ‘zogenaamde’
christenen die zich beroepen op Gods genade maar ondertussen een losbandig leven
leiden. De brief zou dateren uit de jaren 68-69 en vertoont een typisch
Joods-christelijke problematiek. Hij eindigt met een mooie geloofsbelijdenis :
“Aan Hem die bij machte is u voor struikelen te behoeden en onberispelijk en
vreugdevol voor zijn heerlijkheid te doen verschijnen, aan de enige God, die ons
redt door Jezus Christus onze Heer, zij heerlijkheid, majesteit, kracht en
macht, voor alle eeuwigheid en nu en in alle eeuwigheid! Amen” (Judas.1,24-25
). Eerlijkheidshalve
moeten we hierbij aanstippen dat volgens moderne Bijbelgeleerden de brief hier
en daar verwijst naar het einde van de eerste eeuw of het begin van de tweede
eeuw na Christus. Het tijdperk van de apostelen lijkt echt voorbij. Dat zou dan
met zich meebrengen dat “Judas” hier een pseudoniem is, “een naam die in
combinatie met die van Jakobus aan het geschrift het nodige gezag moet
verlenen”. In
feite doet deze bemerking niet veel af van de quasi zekerheid dat men Judas zag
als de broer van Jakobus en een (late) volgeling van Jezus. En
Simon, de vierde broer? Die
moeten we natuurlijk onderscheiden van Simon-Petrus uit Betsaïda en van Simon,
de IJveraar. Simon, de 4de van de
gebroers krijgt wel wat aandacht vanwege Hegesippos, een tijdgenoot van Sint
Justinus en een bedachtzame getuige van de Joods-Christelijke kerk uit de 1ste
eeuw; Hegesippos was een tot het christendom bekeerde Jood die rond 180 na Chr.,
na zijn verblijf in Rome de Joods-Christelijke kerk in Palestina vervoegt.
Hij beschrijft hoe Simon, 8 jaar na de tragische steniging van zijn
oudste broer, diens bisschopsambt voor heel wat jaren overneemt. In
tegenstelling tot zijn oudste broer, Jakobus de Kleine, wordt Simon nooit
apostel genoemd. Hij zou op vergevorderde leeftijd gekruisigd worden in 107.
Mogelijks was hij de jongste van de broers. Besluit Hoger
hebben wij erop gewezen dat de broers-neven
wel wat afstandelijk stonden tegenover Jezus (uitgenomen Jakobus) maar in
de Handelingen van de apostelen worden zij samen met Jezus’ moeder vermeld als
aanwezig in het cenakel (Hand. 1,14), samen met de apostelen. Hun moeder, de
schoonzus van Maria langs Jozef, was trouwens reeds eerder nauw betrokken bij
Jezus, aangezien wij haar aantreffen bij de kruisiging en bij het lege graf. Uit
de notities van Hegesippus en Eusebius blijkt dat haar zonen, de zogenaamde
“broers van Jezus” hoog in aanzien stonden in het milieu van de
Joods-christenen in Jeruzalem. Uit de uiteenzetting van pater Carle, gebaseerd
op de nieuwtestamentische teksten en andere bronnen, blijkt echter overduidelijk
dat zij niet de broers waren van Jezus, maar enkel zijn neven langs Jozef. ADVENTSKRANSEN
MAKEN: een uitnodiging! OUDEJAARSAVOND
2007: een uitnodiging! BIJBELSE
POËZIE IN DE SYRIAC-TRADITIE In
de christelijke traditie was de bijbel steeds een goed startpunt voor de
predikatie en het onderricht. Een sterke vertegenwoordiger hiervan is trouwens
de heilige bisschop Ireneüs, die we onlangs als onderwerp namen in de cursus
‘Iconen schilderen voor beginners’. In de Syriac-traditie ging dat – heel
typisch - vaak gepaard met poëzie, waarbij vooral de heilige diaken Efrem (373
na Chr.), Narsai (500 na Chr.) en Jacob van Serough (521 na Chr.)
zich onderscheidden. Ter illustratie citeer ik – met betrekking tot
Maria’s maagdelijk moederschap - volgende anonieme verzen (de meeste van deze
preekgedichten zijn trouwens anoniem). Omtrent
de boodschap aan Maria (een dialoog tussen de engel en Maria) In
deze poëzie wordt de verwondering en de angst van Maria uitgedrukt tegenover
het mysterie van de Maagdelijke ontvangenis. De
engel richtte zich tot de Maagd en sprak, vrede
zij u, o moeder van mijn Heer, gezegend
zijt gij, kind, en
gezegend is de Vrucht die in u is. En
Maria zei, wie bent u, heer? en
wat brengt gij hier tot uiting? Wat
gij hier zegt staat ver van mij en
wat het betekent begrijp ik niet. Engel De
Vader heeft mij geopenbaard, wat ik nu aan u openbaar, dit
mysterie dat besproken werd tussen Hem en zijn Zoon toen
hij me zond om te zeggen dat
Hij vanuit u wil uitstralen over de werelden. Maria Ik
ben bang, u te onthalen want
toen Eva, mijn moeder, de slang onthaalde die
tot haar sprak als vriend, werd
zij weggerukt van de heerlijkheid van haar Schepper. Deze
ontmoeting met u en uw aanwezigheid hier zijn
zeer mooi indien de natuurlijke orde van de zaken mij
niet zouden verontrusten om twijfels te hebben omtrent uw komst zoals:
hoe er een vrucht kan zijn in de schoot van een maagd. Engel Ik
werd door de Vader gezonden om u deze boodschap te brengen, dat
zijn liefde Hem zozeer dwong dat
zijn Zoon zou verblijven in uw schoot, en
op u zal de heilige Geest rusten. Maria In
dat geval, o Engel, zal ik niet opnieuw antwoorden; en
als de heilige Geest tot mij zal komen, dan
ben ik zijn dienstmeisje en hij heeft het gezag; laat
het aan mij gebeuren volgens uw woord. De
dialoog tussen Jozef en Maria Ook
treffend is het preekgedicht over de ontmoeting tussen Jozef en Maria. Maria
heeft aan Jozef meegedeeld dat ze zwanger is en hoe dat gekomen is, een uitleg
die hem heel onwaarschijnlijk overkomt. Het doet een beetje denken aan het
proto-evangelie van Jakobus (ook wel genoemd ‘De geboorte van Maria’), een
van de apocriefe evangelieën, die – gelukkig - niet door de Kerk in de canon
werden opgenomen. Op
de meeste Oosterse iconen van de geboorte van Jezus zit Jozef ook te dubben en
wordt hij zelfs door de Satan, in de gedaante van een oude herder, bekoord om
het mysterie van Jezus’ maagdelijke geboorte in twijfel te trekken. Het is geïnspireerd
op die paar zeer sobere woorden uit het evangelie: “Omdat Jozef, haar man,
rechtschapen was en haar niet in opspraak wilde brengen, dacht hij er over in
stilte van haar te scheiden. Terwijl
hij dit overwoog, verscheen hem in een droom een engel van de Heer die tot hem
sprak: ‘Jozef, zoon van David, wees niet bevreesd Maria, uw vrouw, tot u te
nemen; het kind in haar schoot is van de heilige Geest’” (Mt.1,19-20). Jozef: Ik
sta verbijsterd bij wat je zegt: hoe
kan ik jouw woorden aanhoren? Maagden
zijn gewoon niet zwanger totdat
ze gemeenschap hebben of huwen. (In
een lange dialoog laat Jozef zich stilaan overtuigen) Jozef: Er
zijn twee mogelijkheden, en beide verontrusten mij: als
wat je zegt waar is, is het voor mij beangstigend, maar
als het ontrouw is, is het een bron van leed. Hoezeer
zou ik wensen aan de twee te ontkomen! Maria: Nu
zal ik mijn woorden helder maken en
mij richten tot mijn Zoon, verborgen in mijn schoot; Hij
zal jou openbaren dat ik geen andere kinderen zal hebben en
dat dit me niet zal beroven van jouw gezelschap. (slotvers) Jozef
sliep, en de engel kwam, en
openbaarde hem hoe het mysterie had plaats gevonden. Jozef
stond vroeg op en knielde vol bewondering in
gebed voor Maria, die niet gelogen had. MEEGEDEELD
VANWEGE DE MARIA-KEFASGEMEENSCHAP VAN
JOODSE ATHEÏST TOT VERVOLGDE CHRISTEN
Uit
de diepten roep ik, Heer Het
is normaal dat we als Rooms-katholieke christenen vooral op de hoogte zijn van
het lijden van mensen uit onze eigen kerkgemeenschap. Er zijn ook bij andere
christelijke genootschappen heel wat slachtoffers gevallen van de communistische
staatsterreur. Een van de meest bekenden is de Richard Wurmbrand, een predikant
uit de Lutherse kerkgemeenschap in Roemenië. Wat we hier verhalen komt uit een
oud boekje van hem “De ondergrondse kerk”. Van Joodse afkomst was hij
opgegroeid zonder enige godsdienst. Vroeg wees geworden werd hij een verbitterde
jongen en toen hij 14 was, was hij een overtuigde, verbitterde atheïst die de
godsdienst schadelijk vond voor de menselijke geest. Het is een wondere werking
van de Voorzienigheid dat zo’n jongen zich toch aangetrokken voelde tot
kerkgebouwen. Hij hunkerde ernaar dat in het centrum van het heelal toch zoiets
als een liefhebbend hart zou zijn waarin hij dan ook nog zou mogen rusten. Hij
leed er eigenlijk onder dat “dit” niet bestond. Hij knielde in een
katholieke kerk en hoorde de mensen Weesgegroeten bidden, hij bad ze achterna,
hij keek op naar het beeld van Maria… maar er gebeurde niets. Het bedroefde
hem. Op zekere dag bad hij: God, ik weet wel dat U niet bestaat. Maar als U nu
toch zou bestaan, wat ik betwist, dan is het niet mijn plicht om in U te
geloven, maar dan is het Uw plicht U aan mij te openbaren”. Bekering
en zending In
een van de toenmalige 12.000 dorpen van Roemenië was er een arme, oude en zieke
timmerman die aan God om de genade vroeg een Jood te ontmoeten in zijn dorp om
die op de weg naar Christus te leiden. Richard Wurmbrand voelde zich gedreven
naar dat dorp, hoewel hij daar niets te zoeken had. Met een ongelooflijke
genegenheid werd hij door die oude timmerman opgevangen, die hem spoedig een
bijbel gaf. Later getuigde die ouderling dat hij samen met zijn vrouw urenlang
had gebeden voor de bekering van zijn Joodse gast. Wurmbrand kon nauwelijks in
die bijbel lezen, hij kon slechts zitten schreien als hij zijn eigen slechte
leven vergeleek met het leven van Jezus, zijn eigen onreinheid vergeleek met
Jezus’ reinheid, zijn eigen haat vergeleek van Jezus’ liefde. Jezus raakte
zijn hart. Wurmbrand bekeerde zich en kort daarna bekeerde zich ook zijn vrouw.
Zij bracht ook anderen tot Christus en die anderen leidden ook weer anderen tot
de Heer. En zo ontstond in de Roemenië een nieuwe soort Lutherse gemeenschap. Naziterreur
en communistische dictatuur De
Nazitijd kwam eraan. Extreem Orthodoxe christenen vervolgden protestanten en
joden. Arrestaties, brutale behandeling, rechtszaken. Maar eigenlijk was het een
voorbereiding op de latere folteringen onder de Communistische dictatuur. Op 23
augustus 1944 trok een miljoen Russische soldaten Roemenië binnen. De
nachtmerrie begon. Op een bevolking van 18 miljoen telde de communistische
partij slechts tienduizend leden, toch kregen de communisten de macht in handen.
En Amerika en Engeland steunden de machthebbers die tegen de Nazi’s hadden
gevochten. Nogal
wat priesters en bisschoppen van allerlei kerken wilden hun gemeenschappen
redden en op het congres van alle christelijke kerken in het parlementsgebouw
werd Jozef Stalin door de vierduizend priesters en predikanten tot erevoorzitter
van het congres gekozen. Krankzinnig! Orthodoxe en protestantse kerkelijke
leiders wedijverden in het zwichten voor het communisme. Noem me geen
‘Monseigneur’ meer maar ‘kameraad bisschop’. Bisschop Rapp van de
lutherse Kerk in Roemenië ging in het seminarie onderrichten dat God drie
openbaringen had gegeven: één door Mozes, één door Jezus, en een derde door
Stalin, waarbij de laatste telkens hoger was dan de vorige. Evangeliseren
tijdens de dictatuur Samen
met anderen begon Wurmbrand een ondergrondse kerk die verder aan
evangelisatiewerk zou doen, wat streng verboden was. Als dekmantel was hijzelf
predikant van de Noorse Lutherse Zending en tegelijk vertegenwoordiger van de
Wereldraad van kerken in Roemenië (waarvan hij niet vermoedde dat die ooit met
de communisten zou samenwerken). Hij
en zijn medestanders werkten dan aanvankelijk vooral onder dat 1 miljoen
Russische soldaten waarvan een groot deel atheïstisch opgevoed waren. De
Roemeense christenen lieten hun kinderen naar de soldaten gaan; dezen gaven hen
chocola of snoep, en de kinderen gaven Bijbels en Evangelies. Zelf trachtte hij
te evangeliseren op treinen of waar dan ook. Hij was enorm vindingrijk in het
scheppen van kansen om over Jezus te getuigen. Hij heeft er ook wondere
ontmoetingen. “Eens vroeg ik aan een Baptist: ‘Hoe komt het dat u geen
vreugde kent?’ Hij antwoordde: ‘Hoe zou ik blij kunnen zijn als ik voor de
dominee van mijn kerk verborgen moet houden dat ik een ernstig christen ben, dat
ik een biddend leven leid, dat ik zielen tracht te winnen? De dominee van mijn
kerk is een verklikker van de geheime Politie. Bij ons wordt de één door de
ander bespioneerd en het zijn de herders, die de kudde verraden. Heel diep in
ons hart is er de vreugde van het heil, maar die uitwendige blijdschap die u
bezit, die kunnen wij niet meer hebben” (blz. 22). De
ondergrondse kerk werkte ook onder
de Roemenen zelf. Maar ze moesten uiterst voorzichtig zijn. Daarom zetten ze
soms op de voorpagina van de boekjes die ze uitgaven een afbeelding van Karl
Marx, de grondlegger van het communisme en als titel ‘Godsdienst is opium voor
het volk’. De eerste bladzijden gaven dan citaten uit Marx, Lenin of Stalin,
maar daarna werden die tegengesproken en ging het over Jezus en wat Hij leerde.
Wurmbrand en zijn medestanders kwamen bijeen in particuliere huizen en bespraken
hoe ze aan straatprediking konden doen. Ze hielden dat zingen en getuigen
tijdens de straatevangelisatie wel kort, zodat ze al weg waren wanneer de
politie ter plaatse kwam. Christenen
in communistische gevangenissen Op
29 februari 1948 werd Wurmbrand
tenslotte opgepakt door de geheime politie, op een zondag, op weg naar de kerk.
In de gevangenis zitten in Roemenië betekende in die tijd ook gemarteld worden.
Die martelingen zijn verschrikkelijk geweest. In een ander boek “Christus in
communistische gevangenissen” heeft hij daarover meer verteld. De
vindingrijkheid van de communistische beulen was ongelooflijk. De ouderen onder
ons hebben nog iets gehoord over Breendonk, wat de Nazi-beulen daar de mensen
hebben aangedaan. Dat en nog wat bovenop deden de communisten de christenen aan.
“Ik heb communisten bezig gezien met het folteren van christenen, terwijl het
gezicht van de folteraars straalde van uitbundige vreugde. Onder het martelen
van de christenen riepen ze uit: ‘Wij zijn de duivel’” Heel wat leden van
de ondergrondse kerk werden ontdekt en gevangen gezet. “Ook wij hadden onze
‘Judassen’, die rapporteerden aan de geheime politie. Door ze te slaan, door
ze bedwelmende middelen toe te dienen, door dreiging en chantage probeerden de
communisten predikanten en gemeenteleden te vinden, die bereid waren over hun
broeders te rapporteren”. Ondanks
het gruwelijke dat hij gezien en zelf doorgemaakt heeft in de communistische
gevangenissen getuigt Wurmbrand dat de ondergrondse kerk de kerk is, die
teruggekeerd is tot haar eerste liefde: “Voordat ik de gevangenis binnenkwam,
had ik Christus hartelijk lief. Nu, nadat ik de ‘bruid van Christus’ gezien
heb, zijn geestelijk lichaam, daar in de gevangenis, nu zou ik willen zeggen,
dat ik de ondergrondse kerk evenzeer liefheb als ik Christus Zelf liefheb. Ik
heb de schoonheid gezien der ondergrondse kerk, haar geest van opoffering”. Ook
zijn vrouw kwam in de gevangenis terecht en zo in een van de werkkampen voor
vrouwen. De christenvrouwen waren er nog slechter aan toe dan de mannen. Hun
zoon van negen jaar moest gaan zwerven. Twee jaar later mocht hij zijn moeder
eens bezoeken. “Ze was vuil, mager, haar handen waren vereelt en ze droeg
haveloze gevangeniskleren. Hij herkende haar nauwelijks. Haar eerste woorden
waren: ‘Mihai, geloof in Jezus!’” Razend van woede werd ze weggetrokken
door de bewakers, maar voor de jongen, wiens geloof in crisis was, betekende dit
zijn definitieve bekering tot een radicaal christelijk leven hoewel hij dan ook
veel heeft moeten verduren...
Liefde... 14
jaar zat Wurmbrand gevangen. Hij kwam tenslotte vrij ter gelegenheid van een
algemene amnestie, o.m. wegens de publieke opinie in Amerika. Hij mocht op een
klein parochietje van 35 leden dominee spelen, maar mocht geen enkele (!)
bekering verrichten. Hij ging dan maar weer ondergronds werken. Dankzij
Joods-Christelijke organisaties die een hoge losprijs betaalden mocht hij in
1965 Roemenië verlaten. Hij ging daarmee akkoord omdat hij op die manier
wereldwijd kon getuigen van wat het communisme in Roemenië de christenen
aandeed. “Ik haat het communistisch stelsel, maar ik heb de mensen lief”.
Hij getuigt hoe de liefde van Christus in zijn hart was uitgestort van bij zijn
bekering. Hij heeft dat ook bij anderen gezien, mensen die gefolterd waren en
toch voor hun vijanden baden omdat hun hart vol was van liefde voor de levende
Heer Jezus. Onze
vervolgde broeders en zusters niet alleen laten Het
getuigenis van Richard Wurmbrand is dat christenen tot op onze dagen worden
vervolgd en gefolterd, maar dat de Westerse wereld het vaak teveel op een koopje
wil gooien met de regimes. We zien vaak wel terreur op straat bij sommige
regimes, maar wat er in de gevangenissen gebeurt – ook de Chinese
gevangenissen – dat kan niet in de kranten komen. En naast de fysieke en
maatschappelijk vervolging is er vaak ook nog die andere: die sistemen vervalsen
het denken van de mensen, ze vergiftigen de kinderen en de jeugd. Ze plaatsen
hun eigen mensen op belangrijke plaatsen in de kerken om de christenen te leiden
en de kerken te verderven. Hoe moet een christenmartelaar zich gevoelen als hij
na jaren opsluiting thuiskomt en met verachting wordt onthaald door zijn
kinderen , die intussen tot militante atheïsten zijn opgevoed? Zijn boeken zijn
daarom een oproep tot liefde voor die vijandige regimes. Maar deze liefde mag
niet ophouden met het geven van voedsel wanneer die regimes zelf in nood komen,
maar ook door hen de Blijde Boodschap van Christus te brengen. En bovendien mag
de liefde voor de vijand, de vervolger, nooit betekenen dat wij de vervolgden
vergeten. Als christelijke organisaties voedsel sturen aan vijandige of
verdrukkende regimes omdat hun bevolking in nood is, dan moet er ook gezocht
worden (en geëist!) dat op de eerste plaats de verdrukten, de gevangen
christenen kunnen geholpen worden, vrijgekocht worden, gevoed worden… Liefde...
èn waarheid Een
diep inzicht van deze man die zoveel heeft doorstaan is enerzijds zijn verlangen
om nog dieper verbonden te zijn met Jezus, de Mensgeworden Liefde, en anderzijds
de ‘andere’ gevangenen te bevrijden: de communisten, de verdrukkers, de
folteraars: “Christus heeft de communisten lief en begeert hen van het
communisme te verlossen, gelijk Hij alle zondaars liefheeft en begeert hen te
verlossen van de zonde. Sommige Westers kerkelijke leiders stellen in de plaats
van deze enige juiste houding een andere: toegeeflijkheid jegens het communisme.
Zo begunstigen ze de zonde, zij helpen het communisme naar de overwinning en
verhinderen daardoor het behoud (de redding) zowel van de communisten als van
hun slachtoffers”. Daarom
voelde hij zich geroepen om niet alleen heel braafjes Christus te prediken maar
ook om het communisme publiek en nadrukkelijk te veroordelen, zoals ook Johannes
de Doper niet alleen zei: “Bekeert u, want het koninkrijk der hemelen is nabij
gekomen”, maar ook zei: “Herodes, u deugt niet!”. Misschien moet dit niet
enkel gezegd worden tot de communisten, maar tot allen die in naam van welke
ideologie dan ook mensen stukmaken, christenen vervolgen of broodroven, het
geweten van kinderen en volwassenen misvormen en hun geest misleiden… En niet
de slachtoffers vergeten die onder die misleiding bezwijken. Wat
doen wij voor de kindsoldaten in het gebied van de grote meren? Wat doen wij
voor de vervolgde christenen in Darfour? Wat doen wij voor de uitgeweken Irakese
christenen in Jordanië en Syrië? Wat doen wij voor de jonge mensen van bij ons
die door allerlei media, organisaties en zelfs politici een mensonwaardige
moraal en wereldvisie krijgen ingepompt? Wat doen wij op onze eigen kleine
plaats? IRENEÜS
VAN LYON, EEN STRIJDVAARDIGE VREDESDUIF Vergaard door
Ben Van Vossel
Allochtoon
in een kosmopolitische stad Hoewel
men hem meestal Ireneüs van Lyon noemt, werd hij rond
Lyon Die
vervolging van 177 onder de regering van de zogenaamd humanistische keizer
Marcus Aurelius (was Romeins keizer van 160-180) was eigenlijk geëist door de
heidense bevolking van Lyon. Er waren al zoveel onlusten geweest sedert
Germaanse horden waren binnengevallen (166), een verschrikkelijke besmettelijke
ziekte en het uitroepen van een tegenkeizer… het kon niet anders of de goden
waren vertoord. En wie was daar de oorzaak van?
Och, een zondebok vind je altijd: de christenen, want deze
andersdenkenden wilden de Romeinse goden niet vereren. En dus wreekte de
bevolking van de Rhônestad zich op die Griekstalige christengemeenschap van
Lyon Ireneüs zelf ontkwam aan die vervolging, hoewel hij toen reeds behoorde
tot de geestelijkheid van Lyon. Naar
Rome gezonden Vlak
voor die vervolging, waarbij zo’n 49 christenen gedood werden, zendt men Ireneüs
als afgevaardigde naar Rome met een brief voor paus Eleutherius vanwege de
Lyonese ‘belijders’. Het is wel opvallend dat tijdens die vervolging die
Griekstalige kerk van Lyon nog bedacht was op de juiste leer en de eenheid van
de kerk. Hun brief handelde immers over het Montanisme in Azië en de
maatregelen die men tegen hen had genomen. De Lyonese christenen (het grote deel
van de clerus was in de kerker opgesloten) vroegen aan de paus om zo vlug
mogelijk de vrede ‘tussen de kinderen van de kerk’ te herstellen. Wie kon
men beter met deze brief naar Rome zenden dan Ireneüs “zeer gedreven voor het
testament van Christus” en wiens naam (Eirènei) etymologisch ‘vrede’
betekende.
“Wij groeten u in God duizend en duizend keer, vader Eleutherius. Wij hebben onze broeder en metgezel Ireneüs opgedragen u deze brief te brengen en wij vragen u hem goed te achten, als ijveraar van het testament van Christus. Want als wij zouden weten dat de rang zou bijdragen ter rechtvaardiging van iemand, dan is het als presbyteros (op dat moment nog ‘bisschop’) van de kerk, functie waarmee hij bekleed is, dat wij hem eerst en vooral zouden aanbevolen hebben” (Eusebius Kerkgesch. V,4,2)
Met
die brief is wel iets speciaals aan de hand, aangezien (nog steeds volgens de
Dictionnaire de Spiritualité) er eerst de handtekeningen op staan van de
Belijders van Wenen, mogelijks omdat Ireneüs al bisschop was van (de
Griekssprekende kerkgemeenschap van) Wenen en pas daarna de handtekening van de
belijders van Lyon. Het is evenwel mogelijk dat Ireneüs op het ogenblik van de
brief ook reeds bisschop was van Lyon, want bij het begin van de vervolging te
Lyon was de 90-jarige bisschop Photinus gestorven in de gevangenis en die
vervolgde gemeenschap kon niet lang zonder leidsman blijven. Mogelijks was Ireneüs
dus reeds bisschop toen hij met die brief naar Rome vertrok. De
brief was ook weer verzoenend van opzet, omdat hij de bisschop van Efese wou
ontlasten van de beschuldigingen die tegen hem waren ingebracht. Waarschijnlijk
bereikte Ireneüs met deze ‘brief van de martelaren van Lyon’
zijn vredebrengend doel bij paus Eleutherius. 15 jaar later zal hij weer
zo’n soort verzoenende stap ondernemen bij paus Victor. Ireneüs, de
vredelievende. Bisschop
te Lyon Ireneüs
verbleef niet al te lang in Rome en spoedig na het eind van de vervolging daar
vertrok hij naar Lyon waar bisschop Pothinus gestorven was. Vanuit Lyon heeft
Ireneüs als bisschop bijgedragen aan de kerstening van het toenmalige Gallië
(Frankrijk). Wanneer hij juist gestorven is en hoe is ons niet bekend. De
heilige Hiëronymus en anderen stellen dat hij als martelaar is gestorven onder
keizer Septimus Severus (202), maar over deze overlevering bestaat geen
zekerheid. In ieder geval wordt de heilige Ireneüs in de Rooms-katholieke Kerk
gevierd op 28 juni als bisschop èn martelaar. Op de icoon die we met de
Fraterniteit van Maria schilderden draagt hij dan ook de rode martelaarsmantel.
Volgens sommigen is hij niet officieel erkend als kerkleraar (noch als
kerkvader), misschien omdat hij het millenarisme was toegenegen, een overigens
wijd verspreide overtuiging in die eerste eeuwen, mede onder invloed van het
‘duizendjarig rijk’ zoals het ook in de Openbaring van Johannes voorkomt
(Apoc. 20,1-7). Verzoener In
Rome was op dat ogenblik alles wat rustiger en toen Ireneüs terugkeerde te Lyon
was er ook daar geen vervolging meer. Ofwel was Ireneüs toen reeds bisschop van
Lyon ofwel werd hij nu door de christenen van Lyon tot hun bisschop gekozen. Hij
lijkt verder Lyon niet meer te hebben verlaten. Over zijn leven is ons verder
niet zoveel bekend, maar des te meer kennen wij hem als schrijver, met name als
bestrijder van allerlei ketterijen en als (daar overigens mee samenhangend)
vurig verdediger van het primaatschap van de bisschop van Rome. Omdat de eenheid
van de Kerk voor hem en zijn geloofsverdediging zo belangrijk leek, trachtte hij
te bemiddelen tussen paus Victor I en de Oosterse kerken omtrent de datum van
het Paasfeest waarbij hij de paus vroeg om toch niet te streng op te treden (de
paus stond op het punt om de Oosterse kerken in de ban te slaan, hetgeen dus
gelukkig – mede dankzij de tussenkomst van Ireneüs - niet gebeurde). Wij
zagen hierboven reeds dat hij – waarschijnlijk naar aanleiding van het
Montanisme – verzoenend mocht optreden bij paus Eleutherius. Verdediger
van de Kerk en de christelijke leer Ireneüs
mag het dan al in zich hebben om verzoening te brengen, hij bracht de spreuk in
praktijk die in de 2de Johannesbrief terloops vermeld wordt: “waarheid én
liefde”, de twee! Dit betekent dat hij wel liefdevol was en op verzoening
gericht, maar dat hij anderzijds - uit liefde voor de waarheid en voor de
volgelingen van Jezus - de strijd aanbond voor de waarheid en dus tegen
dwaalleraren en ketters die de ware leer van Jezus verdraaiden. Van
de twee werken die ons van Ireneüs bekend zijn is ligt vooral het eerste in die
lijn. 1°
Te Lyon schreef hij inderdaad zijn groot werk “Tegen de ketters” (Adversus
haereses), dat eigenlijk uitsluitend tegen allerlei gnostieke invloeden gericht
is. De hele titel luidt: Ontmaskering en weerlegging van de valselijk genoemde
Kennis. Het boek werd in het Grieks geschreven, een taal die toen nog zowel in
het Oosten als in het Westen door wie gestudeerd had ook begrepen werd; het werk
noemt dan soms ook met het Griekse beginwoord: “Elenchos”. 2°
In het begin van de 20ste eeuw werd van Irenaeus nog een klein traktaat in
Armeense vertaling teruggevonden en gepubliceerd “Over het bewijs van de
apostolische verkondiging” (“epideixin” of “demonstratio”). De
oorspronkelijke Griekse tekst hebben we dus niet meer. In dit werkje, een soort
catechese, verklaart en staaft hij de voornaamste christelijke dogma’s aan de
hand van het Oude Testament. “Adversus
haereses” - “Tegen de ketters” Dit
werk werd in het Grieks geschreven, misschien omdat die taal hem het best lag en
deze taal begrepen werd zowel in het Oosten als het Westen door ieder die wat
gestudeerd had; maar bovendien schreef Ireneüs toch vooral voor de eigen en dus
Griekstalige christenen van zijn gemeenschap, die het meest bedreigd werden door
de leraars van het zogenaamde christelijk gnosticisme. Als bisschop had hij
minder schrik van de mysteriegodsdiensten maar vreesde hij eerder de opvattingen
van zogenaamde christenen die het gnosticisme een christelijk sausje hadden
gegeven. Zo was er o.m. Marcus de Magiër, een verstandig maar ook geniepig
gnostische leraar, die niet vies was van allerlei vormen van demagogie. Hij
kende bv. trucks om bij de consecratie de wijn een dieprode kleur te geven.
Vooral deze goocheltrucs en dan ook zijn theorie dat je niet je energie mocht
verkwisten door de strijd tegen je sexuele driften maar dat het beter is je op
tijd en stond over te geven aan seksuele uitspattingen zodat je al je krachten
kon besteden om op te stijgen naar de geestelijke sferen, de echte Kennis (of
Gnosis), dit soort zaken viel wel in de smaak van een aantal mensen. Hij zocht
zijn waar vooral aan te brengen bij
wankelmoedige gelovigen en bij rijke dames. Uit het boek blijkt dat Ireneüs de
leer van Marcus goed kende, zodat hij hem ook met kennis van zaken van antwoord
kon dienen en ook diens volgelingen en de christenen die zich door zijn
volgelingen lieten verleiden. Uit
zijn “Tegen de Ketters” blijkt dat hij de Schrift door en door kent en hij
neemt ze als basis bij zijn weerlegging van het gnosticisme. Hij is er zich
evenwel van bewust dat ook de ketters vaak beroep deden op de Schrift maar ze
dan echter verdraaiden om hun eigen stellingen te onderstutten. Waarop
kan je dan het geloof laten berusten? Op de geloofszin, zegt Ireneüs, de
‘sensus fidei’, ‘le sens de la foi’. De heilige Geest werkt in het
gelovige volk en als gelovige, als christen voel je aan waar de ware
geloofswaarheid ligt. Als bovendien dit aanvoelen van het gelovige volk ook nog
ondersteund wordt door de bisschoppen, dan mag je zeker zijn dat dit ook Gods
woord is. En
ook hier is er een ‘maar’. Ireneüs had er weet van dat sommige
priesters en zelfs bisschoppen afwijkende leerstellingen verdedigden en
zo de gelovigen misleidden. Dan
ben je natuurlijk nergens meer veilig. Waar moet je dàn nog zekerheid vinden?
Waar vind je dàn nog de veilige baken waarnaar je je overtuiging kunt richten?
Eigenlijk is dit ook een hedendaagse vraag nu allerlei echte of would-be
theologen en ook priesters soms afwijkende leerstellingen verkondigen, en
sommige bisschoppen – denk aan Mgr. Lefèbvre
- zich zelfs tegen de paus en het concilie keren. Maar ook als priesters
en bisschoppen – ik zwijg dan nog over (Renaissance-) pausen – helemaal geen
christelijke levenswandel leiden? Wat moet je dan doen? Naar wie moet je je dan
richten? Waar heeft Ireneüs naar een oplossing gezocht voor deze problematiek? De
apostolische traditie Ireneüs
is dan gaan zoeken naar de ‘bron van ons geloof’ en hij heeft het over de
‘apostolische traditie’, nl. wat de apostelen hebben doorgegeven, dàt is
het fundament van de geloofstraditie en daar moet je steeds naar terugkeren.
Jezus heeft immers gezegd: “Wie naar jullie luistert, luistert naar Mij, en
wie jullie afwijst, wijst Mij af” (Lk.10,16). Over heel de bekende wereld
hebben de apostelen het geloof uitgedragen. Ireneüs verwoordt het als volgt:
“Zij gingen tot de uiteinden van de aarde en verkondigden het goede ons door
God geschonken en de vrede van de hemel voor de mensen. Zij hadden allen in
gelijke mate en ieder afzonderlijk deel aan het evangelie van God”. De
al wat oudere Ireneüs zal verder ook dankbaar terugdenken aan de wijze waarop
hijzelf het geloof heeft overgeleverd gekregen. Hij vertelt dit bijna emotioneel
in een brief aan Florinus, een jeugdvriend die op het ketterse spoor was
geraakt: “Ik
herinner mij beter zaken van vroeger dan hetgeen pas geleden gebeurd is. Het is
zelfs zo dat ik nog de plaats kan aanwijzen waar de eerbiedwaardige Polycarpus
ging zitten om met ons te praten (…). Hoe hij vertelde over zijn relaties met
Johannes en met de anderen die de Heer hadden gezien, hoe hij hun woorden
overbracht en wat hij van hen gehoord had over de Heer. (…) In één woord,
hoe Polycarpus de traditie had doorgekregen van degenen die met eigen ogen het
leven van het Woord hadden gezien. (…) Door Gods welwillende goedheid
luisterde ik er aandachtig naar en ik schreef het niet op papier, maar in mijn
hart, en met Gods genade overweeg ik het nog steeds bij mezelf”. Hier stoten
wij op het diepe inzicht van Ireneüs. De apostelen hebben Jezus gekend,
beluisterd, aanvaard en in de kracht van de heilige Geest hebben zij hem over
heel de (toen gekende) wereld verkondigd. Zij die hen gelovig aanhoord hebben
(zoals Polycarpus die Johannes nog gekend heeft), die hebben op hun beurt weer
aan anderen het Blijde Nieuws van het Koninkrijk verkondigd
(zoals Polycarpus aan Ireneüs). Het is dus van belang dat je kunt
opklimmen tot de eerste bron van de verkondiging. De
waarheid van de kerkelijke leer zit in de wereldwijde eenheid… Ireneüs
schuift dan nog een ander argument naar voor. Hij wijst er in zijn werk op dat
over heel de wereld de christenen een en dezelfde geloofsregel hebben. En hij
somt dan de artikels van dat geloof kort op: één God, de almachtige Vader;
één Jezus Christus, Zoon van God die mensgeworden is voor ons heil; de heilige
Geest die door de profeten de plannen van God heeft aangekondigd; de
Menswording, de maagdelijke ontvangenis, het lijden, de verrijzenis en de
hemelvaart van Jezus Christus onze Heer en tenslotte zijn terugkomst om alles te
herstellen en de opstanding van het vlees van het menselijk geslacht. Kijk,
zegt Ireneüs, dat geloof is over heel de wereld hetzelfde. Dit is voor hem niet
gewoon een vaststelling, maar een argument, een reden om te geloven. Iedere
christen gelooft dit alles immers vanaf zijn doopsel. De kerk mag dan wel
verschillende talen spreken, deze overlevering is overal dezelfde. …
en de apostolische opvolging! We
moeten er evenwel altijd van overtuigd blijven dat de eenheid en katholiciteit
maar menselijke realisaties zouden zijn als het onderricht van de profeten, van
de Heer en van de apostelen niet de bron zou zijn van het geloof.
In elke kerk, als men maar even de ogen wil openen, ontmoet men de
traditie en de leer van de apostelen, écht verklaard door de actuele
bisschoppen die teruggaan tot bij de apostelen door een voortdurende en
waarachtige opeenvolging. Die apostolische overlevering zie hij het duidelijkst
gegarandeerd in de opvolging van Petrus door de Romeinse bisschop in de gemeente
van Rome. Dit argument slingert hij de gnostische dwaalleraren in het gezicht.
Naar aanleiding hiervan heeft Ireneüs ons ook de oudste Romeinse bisschopslijst
overgeleverd Kijk, zegt Ireneüs, het zou me te ver brengen om de
bisschopslijsten van alle kerken op te sommen, maar het volstaat de lijst in
herinnering te roepen van een kerk, de grootste, de oudste, de meest gekende,
gebaseerd op de twee glorierijke apostelen, Petrus en Paulus: de kerk van Rome.
En inderdaad, nadat de gelukzalige apostelen die kerk gesticht en georganiseerd
hadden, hebben ze het bestuur overgelaten aan Linus, die opgevolgd werd door
(Ana)cletus. De derde na de apostelen was Clemens, die de apostelen nog gezien
en gesproken heeft, die de klank van hun prediking nog gehoord heeft en hun
overlevering onder ogen heeft gehad. Clemens werd opgevolgd door Evaristus, dan
Alexander, daarna Sixtus, dan Telesphorus die als martelaar stierf. Dan kwam
Hyginus, Pius, Anicetus en dan Soter. En vandaag (zo getuigt Ireneüs) heeft
Eleutherius tenslotte het bisschopsambt van Rome als 12de opvolger van de
apostelen. Omdat
dit het argument is waarop Ireneüs zo sterk steunt gaven we hierboven de lijst
van de opvolgers van Petrus op de bisschopsstoel van Rome (zie noot 40). Ireneüs
is hierbij zo wijs om te vermelden dat deze apostolische opeenvolging en het
leiderschap in de verkondiging vergezeld zouden moeten gaan van een echt
christelijk getuigenis en pastorale bewogenheid. Wij
stellen inderdaad vast hoe in de tijd van de Renaissancepausen sommigen van hen
een schandelijke levenswandel geleid hebben en misschien nooit een ketterij
verkondigd; zij zijn op dat moment allesbehalve een voorbeeld zijn geweest voor
de kudde en hebben de kerk wellicht meer kwaad berokkend dan sommige ketterse
bisschoppen. Toch
schrijft Ireneüs: “Wegens een sterkere belangrijkheid moet iedere kerk, de
gelovigen van overal, overeenstemmen met deze kerk (van Rome) door welke band de
apostolische overlevering altijd door de gelovigen van overal bewaard is
gebleven”. Het is dus goed om op te kijken naar Rome en de figuur van haar
bisschop. Adversus haereses blijft een belangrijk werk. Het
‘bewijs van de apostolische verkondiging’ Over
zijn kleiner werk “Over het bewijs van de apostolische verkondiging”
(“epideixin” of “demonstratio”) willen we kort zijn. Het is eerder een
“Samenvatting” of een “Ter herinnering” zoals hij zegt: “nuttig voor
zij die zich bekommeren om hun heil (§ 1). Het is gericht aan een vriend, die
we verder niet kennen, Marcianus. Het is zeer vlot geschreven, maar toch kunnen
wij na de aanhef 2 delen onderscheiden: de uiteenzetting (2 tot 42)en het bewijs
(42 tot 97), gevolgd door een korte aansporing (98-100). De
uiteenzetting of samenvatting van de apostolische verkondiging vertrekt van de
Ongeschapen God, Vader, Zoon, Heilige Geest, roept dan de schepping voor de
geest, herinnert aan Adam en zijn val, en onthult dan de feiten van het Oude
Testament waar doorheen de het
werkplan of heilsplan (“economieën”) van God zich vertoont. Voor wat het
bewijs betreft: dit steunt op de teksten van de Schrift die als om strijd
bewijzen dat de apostolische prediking over de Zoon van God gekruisigd, verrezen
en Redder waarachtig is omdat zij eenvormig is aan wat de profeten reeds hadden
aangekondigd. In
dit werkje ontmoeten wij verder ook thema’s die reeds in
de Adversus Haereses ontwikkeld werden. “Dit
is onze geloofsregel, het fundament van het gebouw en hetgeen stevigheid geeft
aan ons gedrag: God
Vader, ongeschapen, die niet bevat wordt, onzichtbaar, één God, de schepper
van het heelal; dat is het allereerste artikel van ons geloof. Maar
als tweede artikel: het Woord van God, de Zoon van God, Christus Jezus onze
Heer, die is verschenen aan de profeten volgens het soort van profetie en
volgens de staat van het Heilsplan van de Vader, door wie alles geschapen is;
Die, bovendien, aan het einde van de tijden, om alles te recapituleren, mens
geworden is tussen de mensen, zichtbaar en tastbaar, om de dood te vernietigen,
het leven te doen verschijnen en een eenheid (communio) tot stand te brengen
tussen God en mens. En
als derde artikel: De heilige Geest door wie de profeten geprofeteerd hebben en
de Vaders geleerd hebben wat God betreft en de rechtvaardigen geleid werden op
de weg van de gerechtigheid en die, op het einde de tijden, over onze mensheid
is verspreid geworden op een nieuwe manier om de mens te vernieuwen op heel de
aarde met het zicht op God”. Een
ander klein citaat waaruit een diepe
vreugde en gelovig christelijk bewustzijn spreekt wijst ons op onze verheven
staat (en roeping) als kinderen van God: “Wij
hebben het doopsel ontvangen in de Naam van God de Vader, in
de Naam van Jezus Christus, die mens werd, gestorven is en verrezen. Laten we
ons ook herinneren dat het doopsel het zegel is van het eeuwige leven en de
nieuwe geboorte in God, zodat wij geen kinderen meer zijn van sterfelijke
mensen, maar van de eeuwige God. Laten we ons ook herinneren dat God het eeuwig
Wezen is en dat Hij verheven is boven alles wat geschapen is, dat alles onder
Hem gesteld is ...” BOEKENPLANK
(1) JAMISON,
Christopher, O.S.B. Worth (Sussex, Engeland), Levenslessen van een abt. De 7
stappen naar een leven volgens Benedictus. Lannoo
2007, 220 blz, 14,95 EUR. DE
EERSTE MISSIEVLUCHT NAAR KONGO (31) HEILIGENVERERING
: VERKEERD OF PRIJZENSWAARD? Dom
Columba Marmion, een bekende geestelijke bezieler, wiens geestelijke
conferenties werden gebundeld in enkele volumes, werd in 1858 geboren te Dublin
(vader was Ier, zijn moeder Française). Hij
werd priestergewijd te Rome maar in 1886 vroeg hij om benedictijn te
worden in de Abdij van Maredsous in Wallonië. In 1899 zond men hem van daaruit
als prior en theologieprofessor naar de abdij Keizersberg te Leuven waar hij
tien jaar bleef tot hij in 1909 tot abt gekozen werd in zijn abdij van
Maredsous. Daar overleed hij in 1923. Hij
werd unaniem erkend als meester en leraar van het geestelijk leven. Mgr.
Szepticky, patriarch en aartsbisschop van Lwiw (Lemberg) in Oekraïne (die zo
blij was met de Belgische Redemptoristen om hun hulp aan de verdrukte Geünieerde
kerk van Oekraïne) kreeg van paus Benedictus XV de goede raad : "Dat moet
je lezen : het is de zuivere leer van de Kerk". Uit een verzamelwerk met
bezinningen voor elke dag van het jaar citeren we een bezinning rond de
heiligenverering. Waarom vereren we eigenlijk de heiligen ? Is Allerheiligen
alleen maar een accapareren van het heidense feest van 'alle' goden? De
Heiligen zijn de verheerlijkte leden van het mystieke lichaam van Jezus ;
Christus is reeds "gevormd in hen "; zij hebben "hun volheid
bereikt ". Door hen te loven, verheerlijkt men Christus in hen. "Loof
Mij, zei de Redder tot de heilige Mechtildis, want ik ben de kroon van alle
heiligen." En de moniale zag heel de schoonheid van de uitverkorenen zich
voeden aan het bloed van Christus en schitteren van de deugden die Hij in
praktijk had gebracht. Gevolg gevend
aan de goddelijke oproep loofde ze met al haar krachten de allerheiligste en
aanbiddingwaardige Drie-eenheid "omdat Deze voor de heiligen hun diadeem en
hun wonderbare waardigheid wou zijn." Het
is inderdaad aan de Drie-eenheid dat de Kerk nog altijd haar lof offert wanneer
ze de heiligen viert. Iedere heilige is een zichtbaar worden (een manifestatie)
van Christus en draagt in zich de trekken van het ‘goddelijk model’, maar op
een speciale en onderscheiden manier. Het is een vrucht van de genade van
Christus, en het is tot de glorie van deze genade dat de Kerk er behagen in
vindt haar triomferende kinderen te verheffen : In laudem gloriae gratiae suae
(tot lof van de heerlijkheid van zijn (= Gods) genade). Zo
is de vorm van de kerkelijke vroomheid ten aanzien van de heiligen : de
voldoening (welbehagen, complaisance). Zij is fier over deze legioenen
uitverkorenen, die de vruchten zijn van haar vereniging met Christus en die
reeds deel hebben aan het Rijk van haar Bruidegom in de schittering van de
hemelen. Zij
viert Christus in hen, hernieuwt de herinnering van de vreugde die hun zielen
overspoelt wanneer zij ingetreden zijn in de hemelen, zij bezingt de deugden en
verdiensten van haar apostelen, van haar martelaren, haar pausen, haar
belijders, haar maagden, en stelt aan
hun broeders hier beneden hun voorbeeld voor om na te volgen en als motief tot
lofprijzing. Zij beveelt zich ook aan hun voorspraak aan. Schendt ze daarmee de
oneindige macht van Jezus ? Hoegenaamd niet ! Christus stelt er behagen in, niet
om zijn actie te verminderen, maar om haar uit te breiden, om de heiligen te
aanhoren die de prinsen zijn van het hemels hof en om ons langsheen hen de
genaden te geven die wij afsmeken. (uit : Le Christ, Vie de l’âme, pp.
394-395). De
gelukzaligen in de hemel zijn de verheerlijkte leden van het Lichaam van
Christus : zij zijn aan de voltooiing van hun eenheid met God gekomen. Onze
verering tot hen moet een van de meest volmaakte vormen aannemen, deze van het
welbehagen en de dankzegging. Dit zal erin bestaan hen te feliciteren met hun
heerlijkheid, ons met hen te verheugen, en met hen God te danken voor de plaats
die Hij hen toekent in het Rijk van zijn Zoon.
(uit : Le Christ, Vie de l’âme, pp. 444) PRETENTIE
BIJ DE VERKONDIGING Abt
Theodorus Uit:
De levens van de heilige Vaders der woestijnen van het Oosten. In het vlaamsch
overgebracht door eenen Pater Trappist. DL 2. Gent 1859, p. 232 GEBEDSBRIEF
ARAB VISION IN
DE VREDE VAN DE HEER BOEKENPLANK
(2) RATZINGER,
Joseph – BENEDICTUS XVI, Jezus van Nazareth. Deel I Van de doop in de Jordaan
tot de gedaanteverandering. Lannoo, 2007, 378 blz., € 29,95 OVER
‘SPREKEN EN LUISTEREN’ (voor toekomstige schrijvers) George
Gernaert “MYSTERY
IN GHENT” (3) Father John and the
Just Judges By
Neb Singelberg
|