GELOOF EN LEVEN Jg 112 (2007) nr 4

 

STILTE  Willy Verschaetse cssr  
DE DROOM VAN MARIA
  Libanese kerstvertelling

KERSTMIS 1942 IN DACHAU

DE “BROERS” VAN JEZUS (3)

ADVENTSKRANSEN MAKEN: een uitnodiging!

OUDEJAARSAVOND 2007: een uitnodiging!

BIJBELSE POËZIE OVER MARIA IN DE SYRIAC-TRADITIE

MEEGEDEELD VANWEGE DE MARIA-KEFASGEMEENSCHAP

VAN JOODSE ATHEÏST TOT VERVOLGDE CHRISTEN - WÜRMBRAND

IRENEÜS VAN LYON, EEN STRIJDVAARDIGE VREDESDUIF Vergaard door Ben Van Vossel

BOEKENPLANK (1)

DE EERSTE MISSIEVLUCHT NAAR KONGO (31)

HEILIGENVERERING : VERKEERD OF PRIJZENSWAARD?

PRETENTIE BIJ DE VERKONDIGING  Abt Theodorus

GEBEDSBRIEF ARAB VISION

IN DE VREDE VAN DE HEER

BOEKENPLANK (2)

OVER ‘SPREKEN EN LUISTEREN’ (voor toekomstige schrijvers) George Gernaert

“MYSTERY IN GHENT” (3)  Father John and the Just Judges Ben Van Vossel

 

   ACTIVITEITEN BAGDAD - BEZINNINGEN - BIJBEL - BOEKEN - CHRISTEN in de WERELD - CHRISTELIJKE VORMING - CHRISTUS EN DE ISLAM -   DIAPRESENTATIES - EVANGELIE-LEZING - GEBED GEBEDSGROEP - GETUIGENISSEN - GEZINICONEN - INHOUD - JEZUS - JONGEREN - KERK en GELOOF - KERK WERELDWIJD - Figuren uit de KERKGESCHIEDENIS - KINDEREN - KUNST - LITURGIE - MEDIA -- MARIA - MARIA-KEFAS MORAAL - NADENKERTJES - NIEUW - NUMMERS - PARAY L.M. - PINKSTERSPIRITUALITEIT - PREKEN - ROEPING - SOCIALE INZET - SPIRITUALITEIT  THUISPAGINA UITZICHT - VERHALEN - VERVOLGINGWETENSCHAP - ZENDING -  ZONDAGSEVANGELIES in diapresentaties -

STILTE

Willy Verschaetse cssr

DE DROOM VAN MARIA  Libanese kerstvertelling


Jozef, ik had een droom deze nacht.  Ik begrijp hem niet helemaal,

maar ik denk dat hij ging over een verjaardagsviering voor onze Zoon.

Tenminste, ik denk dat het toch dàt was waar het over ging.

De mensen hadden er zich al minstens 4 weken op voorbereid.

Zij hadden hun woning versierd en kostbare kleren gekocht.

Zij hadden verscheidene keren gewinkeld om uitgelezen en kostelijke geschenken te kopen.

Maar, ’t is eigenlijk wonder, deze geschenken leken mij echt niet aangepast voor onze Zoon. Zij hadden ze wel mooi ingepakt en versierd met mooie linten. Zij hadden ze op een hoop onder een soort boom gelegd.

Ja, Jozef, een boom midden hun woning. En ook deze boom hadden ze versierd. De takken hingen vol veelkleurige bollen, slingers en alle soorten blinkende versiering...

O, ’t was echt heel mooi! Iedereen lachte en was gelukkig. Zij waren heel verrukt door deze versieringen en door de geschenken, die zij met elkaar uitwisselden.

Maar, Jozef, … er was niets bij voor onze Zoon. Ik denk zelfs dat ze Hem niet schenen te kennen. Zij hebben zijn Naam trouwens geen enkele keer uitgesproken. Is dat niet wonder? Heel deze drukte om de verjaardag te vieren van iemand die men niet kent?

Ik had het vreemde gevoelen dat indien onze Zoon zou deel genomen hebben aan dit feest, zij Hem als een indringer zouden beschouwd hebben.

Alles was zo mooi, Jozef,  echt, maar toch had ik zin om te wenen. Ik was bedroefd voor Jezus. Zelf niet uitgenodigd zijn op Zijn eigen verjaardag!

Ik ben blij dat het maar een droom was.  Hoe triest zou het geweest zijn, Jozef, indien het werkelijkheid was geweest.

 

KERSTMIS 1942 IN DACHAU

 

DE “BROERS” VAN JEZUS (3)


Nadat we vorige keren pater Calme o.p. hebben laten uiteenzetten dat de 4 broers niet de kinderen zijn van Jozef en niet de kinderen van Maria, hebben we dat daarna geconcretiseerd aan de figuur van de meest opvallende ‘broer’, Jacobus. Vandaag kijken we nog even naar de 3 andere broers-neven van Jezus: Joses (Jozef), Judas en Simon.

 

De tweede ‘broer’, Joses of Jozef

(in het Frans vertaalt men wel eens ‘José’ en ‘Joseph’) wordt maar één keer vermeld in de broederlijst van Mattheüs en Markus. Het zou best kunnen dat hij vroeg overleden is, want nergens anders in de Kerk van ‘na Pasen’ komt hij nog voor en Hegesippos in de volgende eeuw zou het zeker vermeld hebben als dit wel het geval zou zijn geweest. Of zou hij totaal vervreemd zijn van de groep die zich (minstens na Pinksteren) tot Jezus bekende? We weten het eigenlijk niet. Zelfs Hegesippos verhaalt ons verder niets over hem.

 

De derde broer-neef, Judas (of Juda)

Deze derde zogenaamde 'broer'  is nog moeilijker na te trekken aangezien er al twee apostelen waren die ook zo heetten: Judas, de apostel (zoon van Jakobus) en Judas (zoon van Simon Iskarioth zoals  hij 3 keer wordt genoemd door Johannes. Deze Judas Iskarioth is de enige Judeeër van de 12 apostelen, geen Galileeër, zoals de 11 anderen; hij wordt de verrader van Jezus.

Judas, de derde ‘broer’ is schrijver van de korte brief die ook opgenomen is in het Nieuw Testament; de laatste van de zogenaamde ‘katholieke brieven’. Hij noemt zichzelf “Judas, dienstknecht van Jezus Christus en broeder van Jakobus” en hij schrijft aan “de geroepenen, die leven in de liefde van God de Vader en onder de bescherming van Jezus Christus” (1,3). Hij onderscheidt zichzelf van de apostelen van Jezus door de woorden: “…vrienden, herinnert u wat door de apostelen van onze Heer Jezus Christus voorspeld is” (1,17 ). De brief bevat maar 25 verzen en is een korte waarschuwing tegen ‘zogenaamde’ christenen die zich beroepen op Gods genade maar ondertussen een losbandig leven leiden. De brief zou dateren uit de jaren 68-69 en vertoont een typisch Joods-christelijke problematiek. Hij eindigt met een mooie geloofsbelijdenis : “Aan Hem die bij machte is u voor struikelen te behoeden en onberispelijk en vreugdevol voor zijn heerlijkheid te doen verschijnen, aan de enige God, die ons redt door Jezus Christus onze Heer, zij heerlijkheid, majesteit, kracht en macht, voor alle eeuwigheid en nu en in alle eeuwigheid! Amen” (Judas.1,24-25 ). 

Eerlijkheidshalve moeten we hierbij aanstippen dat volgens moderne Bijbelgeleerden de brief hier en daar verwijst naar het einde van de eerste eeuw of het begin van de tweede eeuw na Christus. Het tijdperk van de apostelen lijkt echt voorbij. Dat zou dan met zich meebrengen dat “Judas” hier een pseudoniem is, “een naam die in combinatie met die van Jakobus aan het geschrift het nodige gezag moet verlenen”.

In feite doet deze bemerking niet veel af van de quasi zekerheid dat men Judas zag als de broer van Jakobus en een (late) volgeling van Jezus.

 

En Simon, de vierde broer?

Die moeten we natuurlijk onderscheiden van Simon-Petrus uit Betsaïda en van Simon, de IJveraar.  Simon, de 4de van de gebroers krijgt wel wat aandacht vanwege Hegesippos, een tijdgenoot van Sint Justinus en een bedachtzame getuige van de Joods-Christelijke kerk uit de 1ste eeuw; Hegesippos was een tot het christendom bekeerde Jood die rond 180 na Chr., na zijn verblijf in Rome de Joods-Christelijke kerk in Palestina vervoegt.  Hij beschrijft hoe Simon, 8 jaar na de tragische steniging van zijn oudste broer, diens bisschopsambt voor heel wat jaren overneemt. In tegenstelling tot zijn oudste broer, Jakobus de Kleine, wordt Simon nooit apostel genoemd. Hij zou op vergevorderde leeftijd gekruisigd worden in 107. Mogelijks was hij de jongste van de broers.

 

Besluit

Hoger hebben wij erop gewezen dat de broers-neven  wel wat afstandelijk stonden tegenover Jezus (uitgenomen Jakobus) maar in de Handelingen van de apostelen worden zij samen met Jezus’ moeder vermeld als aanwezig in het cenakel (Hand. 1,14), samen met de apostelen. Hun moeder, de schoonzus van Maria langs Jozef, was trouwens reeds eerder nauw betrokken bij Jezus, aangezien wij haar aantreffen bij de kruisiging en bij het lege graf. Uit de notities van Hegesippus en Eusebius blijkt dat haar zonen, de zogenaamde “broers van Jezus” hoog in aanzien stonden in het milieu van de Joods-christenen in Jeruzalem. Uit de uiteenzetting van pater Carle, gebaseerd op de nieuwtestamentische teksten en andere bronnen, blijkt echter overduidelijk dat zij niet de broers waren van Jezus, maar enkel zijn neven langs Jozef.

 

ADVENTSKRANSEN MAKEN: een uitnodiging!

OUDEJAARSAVOND 2007: een uitnodiging!

 

BIJBELSE POËZIE IN DE SYRIAC-TRADITIE

 

In de christelijke traditie was de bijbel steeds een goed startpunt voor de predikatie en het onderricht. Een sterke vertegenwoordiger hiervan is trouwens de heilige bisschop Ireneüs, die we onlangs als onderwerp namen in de cursus ‘Iconen schilderen voor beginners’. In de Syriac-traditie ging dat – heel typisch - vaak gepaard met poëzie, waarbij vooral de heilige diaken Efrem (373 na Chr.), Narsai (500 na Chr.) en Jacob van Serough (521 na Chr.)  zich onderscheidden. Ter illustratie citeer ik – met betrekking tot Maria’s maagdelijk moederschap - volgende anonieme verzen (de meeste van deze preekgedichten zijn trouwens anoniem).

 

Omtrent de boodschap aan Maria (een dialoog tussen de engel en Maria)

In deze poëzie wordt de verwondering en de angst van Maria uitgedrukt tegenover het mysterie van de Maagdelijke ontvangenis.

De engel richtte zich tot de Maagd en sprak,

vrede zij u, o moeder van mijn Heer,

gezegend zijt gij, kind,

en gezegend is de Vrucht die in u is.

 

En Maria zei, wie bent u, heer?

en wat brengt gij hier tot uiting?

Wat gij hier zegt staat ver van mij

en wat het betekent begrijp ik niet.

 

Engel

De Vader heeft mij geopenbaard, wat ik nu aan u openbaar,

dit mysterie dat besproken werd tussen Hem en zijn Zoon

toen hij me zond om te zeggen

dat Hij vanuit u wil uitstralen over de werelden.

 

Maria

Ik ben bang, u te onthalen

want toen Eva, mijn moeder, de slang onthaalde

die tot haar sprak als vriend,

werd zij weggerukt van de heerlijkheid van haar Schepper.

 

Deze ontmoeting met u en uw aanwezigheid hier

zijn zeer mooi indien de natuurlijke orde van de zaken

mij niet zouden verontrusten om twijfels te hebben omtrent uw komst

zoals: hoe er een vrucht kan zijn in de schoot van een maagd.

 

Engel

Ik werd door de Vader gezonden om u deze boodschap te brengen,

dat zijn liefde Hem zozeer dwong

dat zijn Zoon zou verblijven in uw schoot,

en op u zal de heilige Geest rusten.

 

Maria

In dat geval, o Engel, zal ik niet opnieuw antwoorden;

en als de heilige Geest tot mij zal komen,

dan ben ik zijn dienstmeisje en hij heeft het gezag;

laat het aan mij gebeuren volgens uw woord.

 

 

De dialoog tussen Jozef en Maria

Ook treffend is het preekgedicht over de ontmoeting tussen Jozef en Maria. Maria heeft aan Jozef meegedeeld dat ze zwanger is en hoe dat gekomen is, een uitleg die hem heel onwaarschijnlijk overkomt. Het doet een beetje denken aan het proto-evangelie van Jakobus (ook wel genoemd ‘De geboorte van Maria’), een van de apocriefe evangelieën, die – gelukkig - niet door de Kerk in de canon werden opgenomen.

Op de meeste Oosterse iconen van de geboorte van Jezus zit Jozef ook te dubben en wordt hij zelfs door de Satan, in de gedaante van een oude herder, bekoord om het mysterie van Jezus’ maagdelijke geboorte in twijfel te trekken. Het is geïnspireerd op die paar zeer sobere woorden uit het evangelie: “Omdat Jozef, haar man, rechtschapen was en haar niet in opspraak wilde brengen, dacht hij er over in stilte van haar te scheiden.  Terwijl hij dit overwoog, verscheen hem in een droom een engel van de Heer die tot hem sprak: ‘Jozef, zoon van David, wees niet bevreesd Maria, uw vrouw, tot u te nemen; het kind in haar schoot is van de heilige Geest’” (Mt.1,19-20).

 

Jozef:

Ik sta verbijsterd bij wat je zegt:

hoe kan ik jouw woorden aanhoren?

Maagden zijn gewoon niet zwanger

totdat ze gemeenschap hebben of huwen.

 

(In een lange dialoog laat Jozef zich stilaan overtuigen)

 

Jozef:

Er zijn twee mogelijkheden, en beide verontrusten mij:

als wat je zegt waar is, is het voor mij beangstigend,

maar als het ontrouw is, is het een bron van leed.

Hoezeer zou ik wensen aan de twee te ontkomen!

Maria:

Nu zal ik mijn woorden helder maken

en mij richten tot mijn Zoon, verborgen in mijn schoot;

Hij zal jou openbaren dat ik geen andere kinderen zal hebben

en dat dit me niet zal beroven van jouw gezelschap.

 

(slotvers)

Jozef sliep, en de engel kwam,

en openbaarde hem hoe het mysterie had plaats gevonden.

Jozef stond vroeg op en knielde vol bewondering

in gebed voor Maria, die niet gelogen had.

 

 

MEEGEDEELD VANWEGE DE MARIA-KEFASGEMEENSCHAP

 

VAN JOODSE ATHEÏST TOT VERVOLGDE CHRISTEN


Kerk-in-Nood/Oostpriesterhulp heeft na de nederlaag van Nazi-Duitsland  niet enkel de uit het Oostblok verdreven Duitsers geholpen in hun materiële en morele nood maar heeft zich ook ingezet voor de materiële en geestelijke nood van mensen in de ontwikkelingslanden en voor christenen die vervolgd werden. Ook en vooral voor de door de Communisten vervolgde christenen in de Oostbloklanden die toen onder de terreur leefden van de Sovjets en met de Sovjets verbonden regimes. Pater Werenfried Van Straeten stond met zijn organisatie de vervolgde christenen steeds zo nabij mogelijk.

 

Uit de diepten roep ik, Heer

Het is normaal dat we als Rooms-katholieke christenen vooral op de hoogte zijn van het lijden van mensen uit onze eigen kerkgemeenschap. Er zijn ook bij andere christelijke genootschappen heel wat slachtoffers gevallen van de communistische staatsterreur. Een van de meest bekenden is de Richard Wurmbrand, een predikant uit de Lutherse kerkgemeenschap in Roemenië. Wat we hier verhalen komt uit een oud boekje van hem “De ondergrondse kerk”. Van Joodse afkomst was hij opgegroeid zonder enige godsdienst. Vroeg wees geworden werd hij een verbitterde jongen en toen hij 14 was, was hij een overtuigde, verbitterde atheïst die de godsdienst schadelijk vond voor de menselijke geest. Het is een wondere werking van de Voorzienigheid dat zo’n jongen zich toch aangetrokken voelde tot kerkgebouwen. Hij hunkerde ernaar dat in het centrum van het heelal toch zoiets als een liefhebbend hart zou zijn waarin hij dan ook nog zou mogen rusten. Hij leed er eigenlijk onder dat “dit” niet bestond. Hij knielde in een katholieke kerk en hoorde de mensen Weesgegroeten bidden, hij bad ze achterna, hij keek op naar het beeld van Maria… maar er gebeurde niets. Het bedroefde hem. Op zekere dag bad hij: God, ik weet wel dat U niet bestaat. Maar als U nu toch zou bestaan, wat ik betwist, dan is het niet mijn plicht om in U te geloven, maar dan is het Uw plicht U aan mij te openbaren”.

 

Bekering en zending

In een van de toenmalige 12.000 dorpen van Roemenië was er een arme, oude en zieke timmerman die aan God om de genade vroeg een Jood te ontmoeten in zijn dorp om die op de weg naar Christus te leiden. Richard Wurmbrand voelde zich gedreven naar dat dorp, hoewel hij daar niets te zoeken had. Met een ongelooflijke genegenheid werd hij door die oude timmerman opgevangen, die hem spoedig een bijbel gaf. Later getuigde die ouderling dat hij samen met zijn vrouw urenlang had gebeden voor de bekering van zijn Joodse gast. Wurmbrand kon nauwelijks in die bijbel lezen, hij kon slechts zitten schreien als hij zijn eigen slechte leven vergeleek met het leven van Jezus, zijn eigen onreinheid vergeleek met Jezus’ reinheid, zijn eigen haat vergeleek van Jezus’ liefde. Jezus raakte zijn hart. Wurmbrand bekeerde zich en kort daarna bekeerde zich ook zijn vrouw. Zij bracht ook anderen tot Christus en die anderen leidden ook weer anderen tot de Heer. En zo ontstond in de Roemenië een nieuwe soort Lutherse gemeenschap.

 

Naziterreur en communistische dictatuur

De Nazitijd kwam eraan. Extreem Orthodoxe christenen vervolgden protestanten en joden. Arrestaties, brutale behandeling, rechtszaken. Maar eigenlijk was het een voorbereiding op de latere folteringen onder de Communistische dictatuur. Op 23 augustus 1944 trok een miljoen Russische soldaten Roemenië binnen. De nachtmerrie begon. Op een bevolking van 18 miljoen telde de communistische partij slechts tienduizend leden, toch kregen de communisten de macht in handen. En Amerika en Engeland steunden de machthebbers die tegen de Nazi’s hadden gevochten.

Nogal wat priesters en bisschoppen van allerlei kerken wilden hun gemeenschappen redden en op het congres van alle christelijke kerken in het parlementsgebouw werd Jozef Stalin door de vierduizend priesters en predikanten tot erevoorzitter van het congres gekozen. Krankzinnig! Orthodoxe en protestantse kerkelijke leiders wedijverden in het zwichten voor het communisme. Noem me geen ‘Monseigneur’ meer maar ‘kameraad bisschop’. Bisschop Rapp van de lutherse Kerk in Roemenië ging in het seminarie onderrichten dat God drie openbaringen had gegeven: één door Mozes, één door Jezus, en een derde door Stalin, waarbij de laatste telkens hoger was dan de vorige.

 

Evangeliseren tijdens de dictatuur

Samen met anderen begon Wurmbrand een ondergrondse kerk die verder aan evangelisatiewerk zou doen, wat streng verboden was. Als dekmantel was hijzelf predikant van de Noorse Lutherse Zending en tegelijk vertegenwoordiger van de Wereldraad van kerken in Roemenië (waarvan hij niet vermoedde dat die ooit met de communisten zou samenwerken).

Hij en zijn medestanders werkten dan aanvankelijk vooral onder dat 1 miljoen Russische soldaten waarvan een groot deel atheïstisch opgevoed waren. De Roemeense christenen lieten hun kinderen naar de soldaten gaan; dezen gaven hen chocola of snoep, en de kinderen gaven Bijbels en Evangelies. Zelf trachtte hij te evangeliseren op treinen of waar dan ook. Hij was enorm vindingrijk in het scheppen van kansen om over Jezus te getuigen. Hij heeft er ook wondere ontmoetingen. “Eens vroeg ik aan een Baptist: ‘Hoe komt het dat u geen vreugde kent?’ Hij antwoordde: ‘Hoe zou ik blij kunnen zijn als ik voor de dominee van mijn kerk verborgen moet houden dat ik een ernstig christen ben, dat ik een biddend leven leid, dat ik zielen tracht te winnen? De dominee van mijn kerk is een verklikker van de geheime Politie. Bij ons wordt de één door de ander bespioneerd en het zijn de herders, die de kudde verraden. Heel diep in ons hart is er de vreugde van het heil, maar die uitwendige blijdschap die u bezit, die kunnen wij niet meer hebben” (blz. 22).

De ondergrondse kerk werkte ook  onder de Roemenen zelf. Maar ze moesten uiterst voorzichtig zijn. Daarom zetten ze soms op de voorpagina van de boekjes die ze uitgaven een afbeelding van Karl Marx, de grondlegger van het communisme en als titel ‘Godsdienst is opium voor het volk’. De eerste bladzijden gaven dan citaten uit Marx, Lenin of Stalin, maar daarna werden die tegengesproken en ging het over Jezus en wat Hij leerde. Wurmbrand en zijn medestanders kwamen bijeen in particuliere huizen en bespraken hoe ze aan straatprediking konden doen. Ze hielden dat zingen en getuigen tijdens de straatevangelisatie wel kort, zodat ze al weg waren wanneer de politie ter plaatse kwam.

 

Christenen in communistische gevangenissen

Op 29 februari 1948 werd  Wurmbrand tenslotte opgepakt door de geheime politie, op een zondag, op weg naar de kerk. In de gevangenis zitten in Roemenië betekende in die tijd ook gemarteld worden. Die martelingen zijn verschrikkelijk geweest. In een ander boek “Christus in communistische gevangenissen” heeft hij daarover meer verteld. De vindingrijkheid van de communistische beulen was ongelooflijk. De ouderen onder ons hebben nog iets gehoord over Breendonk, wat de Nazi-beulen daar de mensen hebben aangedaan. Dat en nog wat bovenop deden de communisten de christenen aan. “Ik heb communisten bezig gezien met het folteren van christenen, terwijl het gezicht van de folteraars straalde van uitbundige vreugde. Onder het martelen van de christenen riepen ze uit: ‘Wij zijn de duivel’” Heel wat leden van de ondergrondse kerk werden ontdekt en gevangen gezet. “Ook wij hadden onze ‘Judassen’, die rapporteerden aan de geheime politie. Door ze te slaan, door ze bedwelmende middelen toe te dienen, door dreiging en chantage probeerden de communisten predikanten en gemeenteleden te vinden, die bereid waren over hun broeders te rapporteren”.  Ondanks het gruwelijke dat hij gezien en zelf doorgemaakt heeft in de communistische gevangenissen getuigt Wurmbrand dat de ondergrondse kerk de kerk is, die teruggekeerd is tot haar eerste liefde: “Voordat ik de gevangenis binnenkwam, had ik Christus hartelijk lief. Nu, nadat ik de ‘bruid van Christus’ gezien heb, zijn geestelijk lichaam, daar in de gevangenis, nu zou ik willen zeggen, dat ik de ondergrondse kerk evenzeer liefheb als ik Christus Zelf liefheb. Ik heb de schoonheid gezien der ondergrondse kerk, haar geest van opoffering”.

Ook zijn vrouw kwam in de gevangenis terecht en zo in een van de werkkampen voor vrouwen. De christenvrouwen waren er nog slechter aan toe dan de mannen. Hun zoon van negen jaar moest gaan zwerven. Twee jaar later mocht hij zijn moeder eens bezoeken. “Ze was vuil, mager, haar handen waren vereelt en ze droeg haveloze gevangeniskleren. Hij herkende haar nauwelijks. Haar eerste woorden waren: ‘Mihai, geloof in Jezus!’” Razend van woede werd ze weggetrokken door de bewakers, maar voor de jongen, wiens geloof in crisis was, betekende dit zijn definitieve bekering tot een radicaal christelijk leven hoewel hij dan ook veel heeft moeten verduren...  

Liefde...

14 jaar zat Wurmbrand gevangen. Hij kwam tenslotte vrij ter gelegenheid van een algemene amnestie, o.m. wegens de publieke opinie in Amerika. Hij mocht op een klein parochietje van 35 leden dominee spelen, maar mocht geen enkele (!) bekering verrichten. Hij ging dan maar weer ondergronds werken. Dankzij Joods-Christelijke organisaties die een hoge losprijs betaalden mocht hij in 1965 Roemenië verlaten. Hij ging daarmee akkoord omdat hij op die manier wereldwijd kon getuigen van wat het communisme in Roemenië de christenen aandeed. “Ik haat het communistisch stelsel, maar ik heb de mensen lief”. Hij getuigt hoe de liefde van Christus in zijn hart was uitgestort van bij zijn bekering. Hij heeft dat ook bij anderen gezien, mensen die gefolterd waren en toch voor hun vijanden baden omdat hun hart vol was van liefde voor de levende Heer Jezus.

 

Onze vervolgde broeders en zusters niet alleen laten

Het getuigenis van Richard Wurmbrand is dat christenen tot op onze dagen worden vervolgd en gefolterd, maar dat de Westerse wereld het vaak teveel op een koopje wil gooien met de regimes. We zien vaak wel terreur op straat bij sommige regimes, maar wat er in de gevangenissen gebeurt – ook de Chinese gevangenissen – dat kan niet in de kranten komen. En naast de fysieke en maatschappelijk vervolging is er vaak ook nog die andere: die sistemen vervalsen het denken van de mensen, ze vergiftigen de kinderen en de jeugd. Ze plaatsen hun eigen mensen op belangrijke plaatsen in de kerken om de christenen te leiden en de kerken te verderven. Hoe moet een christenmartelaar zich gevoelen als hij na jaren opsluiting thuiskomt en met verachting wordt onthaald door zijn kinderen , die intussen tot militante atheïsten zijn opgevoed? Zijn boeken zijn daarom een oproep tot liefde voor die vijandige regimes. Maar deze liefde mag niet ophouden met het geven van voedsel wanneer die regimes zelf in nood komen, maar ook door hen de Blijde Boodschap van Christus te brengen. En bovendien mag de liefde voor de vijand, de vervolger, nooit betekenen dat wij de vervolgden vergeten. Als christelijke organisaties voedsel sturen aan vijandige of verdrukkende regimes omdat hun bevolking in nood is, dan moet er ook gezocht worden (en geëist!) dat op de eerste plaats de verdrukten, de gevangen christenen kunnen geholpen worden, vrijgekocht worden, gevoed worden…

 

Liefde... èn waarheid

Een diep inzicht van deze man die zoveel heeft doorstaan is enerzijds zijn verlangen om nog dieper verbonden te zijn met Jezus, de Mensgeworden Liefde, en anderzijds de ‘andere’ gevangenen te bevrijden: de communisten, de verdrukkers, de folteraars: “Christus heeft de communisten lief en begeert hen van het communisme te verlossen, gelijk Hij alle zondaars liefheeft en begeert hen te verlossen van de zonde. Sommige Westers kerkelijke leiders stellen in de plaats van deze enige juiste houding een andere: toegeeflijkheid jegens het communisme. Zo begunstigen ze de zonde, zij helpen het communisme naar de overwinning en verhinderen daardoor het behoud (de redding) zowel van de communisten als van hun slachtoffers”.

Daarom voelde hij zich geroepen om niet alleen heel braafjes Christus te prediken maar ook om het communisme publiek en nadrukkelijk te veroordelen, zoals ook Johannes de Doper niet alleen zei: “Bekeert u, want het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen”, maar ook zei: “Herodes, u deugt niet!”. Misschien moet dit niet enkel gezegd worden tot de communisten, maar tot allen die in naam van welke ideologie dan ook mensen stukmaken, christenen vervolgen of broodroven, het geweten van kinderen en volwassenen misvormen en hun geest misleiden… En niet de slachtoffers vergeten die onder die misleiding bezwijken.

Wat doen wij voor de kindsoldaten in het gebied van de grote meren? Wat doen wij voor de vervolgde christenen in Darfour? Wat doen wij voor de uitgeweken Irakese christenen in Jordanië en Syrië? Wat doen wij voor de jonge mensen van bij ons die door allerlei media, organisaties en zelfs politici een mensonwaardige moraal en wereldvisie krijgen ingepompt? Wat doen wij op onze eigen kleine plaats?

 

IRENEÜS VAN LYON, EEN STRIJDVAARDIGE VREDESDUIF

Vergaard door Ben Van Vossel


'Eirenaios” klinkt nogal Grieks. Het is ook Grieks en betekent: ‘vredelievende’. Het is de eigenlijke naam van een heilige bisschop uit de tweede Eeuw, Ireneüs, zoals men hem in het Latijn is gaan noemen. In onze taal spreekt men wel eens (op zijn Frans) van Irené (vrouwelijk: Irène), namen die ook teruggaan op dat Griekse eirenei: vrede. Hij is echt geen onbekende voor de katholieken. Tot de 4de eeuw was hij zeer goed gekend. Daarna minder tot Erasmus hem weer opdiepte en zelfs sprak van ‘mijn Ireneüs'. Paus Benedictus XVI citeert hem een paar keer in zijn  recent boek over Jezus van Nazareth (Lannoo 2007). Zijn icoon siert de voorpagina van dit nummer van ‘Geloof en Leven’.

 

Allochtoon in een kosmopolitische stad

Hoewel men hem meestal Ireneüs van Lyon noemt, werd hij rond 130 in Klein-Azië geboren en was Griekstalig. Hij had christelijke ouders wat op dat moment nog wel een uitzondering was in de Kerk. Hij groeide waarschijnlijk op in Smyrna in de omgeving van de heilige Polycarpus (°70 +156) die daar bisschop was; Smyrna was de antieke naam van de Turkse stad Izmir. Over Polycarpus, een van zijn leermeesters, deelt Ireneüs mee dat deze nog “gesproken heeft met de heilige Johannes en andere getuigen van de Heer”.  Met Ireneüs staan we dus nog bij de heel jonge kerk en leren we op welke manier de H. Schrift werd doorgegeven in het jonge christendom.  Naast zijn vertrouwdheid met de heilige Schrift was Ireneüs ook een gecultiveerde ‘Griekstalige’ die de verschillende filosofen had bestudeerd; te Rome had hij mogelijks onderricht gekregen van de heilige martelaar Justinus; we weten dat toen Ireneüs rond 155 in Rome was, de heilige Justinus daar onderricht gaf. In 170 wordt Ireneüs te Rome priester gewijd. In 177 of 178 volgt hij bisschop van Lyon op, Pothinus, ook een Griekstalige bisschop die de christenvervolging in Lyon niet overleefde.   

Lyon

Die vervolging van 177 onder de regering van de zogenaamd humanistische keizer Marcus Aurelius (was Romeins keizer van 160-180) was eigenlijk geëist door de heidense bevolking van Lyon. Er waren al zoveel onlusten geweest sedert Germaanse horden waren binnengevallen (166), een verschrikkelijke besmettelijke ziekte en het uitroepen van een tegenkeizer… het kon niet anders of de goden waren vertoord. En wie was daar de oorzaak van?  Och, een zondebok vind je altijd: de christenen, want deze andersdenkenden wilden de Romeinse goden niet vereren. En dus wreekte de bevolking van de Rhônestad zich op die Griekstalige christengemeenschap van Lyon Ireneüs zelf ontkwam aan die vervolging, hoewel hij toen reeds behoorde tot de geestelijkheid van Lyon.

 

Naar Rome gezonden

Vlak voor die vervolging, waarbij zo’n 49 christenen gedood werden, zendt men Ireneüs als afgevaardigde naar Rome met een brief voor paus Eleutherius vanwege de Lyonese ‘belijders’. Het is wel opvallend dat tijdens die vervolging die Griekstalige kerk van Lyon nog bedacht was op de juiste leer en de eenheid van de kerk. Hun brief handelde immers over het Montanisme in Azië en de maatregelen die men tegen hen had genomen. De Lyonese christenen (het grote deel van de clerus was in de kerker opgesloten) vroegen aan de paus om zo vlug mogelijk de vrede ‘tussen de kinderen van de kerk’ te herstellen. Wie kon men beter met deze brief naar Rome zenden dan Ireneüs “zeer gedreven voor het testament van Christus” en wiens naam (Eirènei) etymologisch ‘vrede’ betekende.   

“Wij groeten u in God duizend en duizend keer, vader Eleutherius. Wij hebben onze broeder en metgezel Ireneüs opgedragen u deze brief te brengen en wij vragen u hem goed te achten, als ijveraar van het testament van Christus. Want als wij zouden weten dat de rang zou bijdragen ter rechtvaardiging van iemand, dan is het als presbyteros (op dat moment nog ‘bisschop’) van de kerk, functie waarmee hij bekleed is, dat wij hem eerst en vooral zouden aanbevolen hebben” (Eusebius Kerkgesch. V,4,2)

 

Met die brief is wel iets speciaals aan de hand, aangezien (nog steeds volgens de Dictionnaire de Spiritualité) er eerst de handtekeningen op staan van de Belijders van Wenen, mogelijks omdat Ireneüs al bisschop was van (de Griekssprekende kerkgemeenschap van) Wenen en pas daarna de handtekening van de belijders van Lyon. Het is evenwel mogelijk dat Ireneüs op het ogenblik van de brief ook reeds bisschop was van Lyon, want bij het begin van de vervolging te Lyon was de 90-jarige bisschop Photinus gestorven in de gevangenis en die vervolgde gemeenschap kon niet lang zonder leidsman blijven. Mogelijks was Ireneüs dus reeds bisschop toen hij met die brief naar Rome vertrok.

De brief was ook weer verzoenend van opzet, omdat hij de bisschop van Efese wou ontlasten van de beschuldigingen die tegen hem waren ingebracht. Waarschijnlijk bereikte Ireneüs met deze ‘brief van de martelaren van Lyon’  zijn vredebrengend doel bij paus Eleutherius. 15 jaar later zal hij weer zo’n soort verzoenende stap ondernemen bij paus Victor. Ireneüs, de vredelievende.

 

Bisschop te Lyon

Ireneüs verbleef niet al te lang in Rome en spoedig na het eind van de vervolging daar vertrok hij naar Lyon waar bisschop Pothinus gestorven was. Vanuit Lyon heeft Ireneüs als bisschop bijgedragen aan de kerstening van het toenmalige Gallië (Frankrijk). Wanneer hij juist gestorven is en hoe is ons niet bekend. De heilige Hiëronymus en anderen stellen dat hij als martelaar is gestorven onder keizer Septimus Severus (202), maar over deze overlevering bestaat geen zekerheid. In ieder geval wordt de heilige Ireneüs in de Rooms-katholieke Kerk gevierd op 28 juni als bisschop èn martelaar. Op de icoon die we met de Fraterniteit van Maria schilderden draagt hij dan ook de rode martelaarsmantel. Volgens sommigen is hij niet officieel erkend als kerkleraar (noch als kerkvader), misschien omdat hij het millenarisme was toegenegen, een overigens wijd verspreide overtuiging in die eerste eeuwen, mede onder invloed van het ‘duizendjarig rijk’ zoals het ook in de Openbaring van Johannes voorkomt (Apoc. 20,1-7).

 

Verzoener

In Rome was op dat ogenblik alles wat rustiger en toen Ireneüs terugkeerde te Lyon was er ook daar geen vervolging meer. Ofwel was Ireneüs toen reeds bisschop van Lyon ofwel werd hij nu door de christenen van Lyon tot hun bisschop gekozen. Hij lijkt verder Lyon niet meer te hebben verlaten. Over zijn leven is ons verder niet zoveel bekend, maar des te meer kennen wij hem als schrijver, met name als bestrijder van allerlei ketterijen en als (daar overigens mee samenhangend) vurig verdediger van het primaatschap van de bisschop van Rome. Omdat de eenheid van de Kerk voor hem en zijn geloofsverdediging zo belangrijk leek, trachtte hij te bemiddelen tussen paus Victor I en de Oosterse kerken omtrent de datum van het Paasfeest waarbij hij de paus vroeg om toch niet te streng op te treden (de paus stond op het punt om de Oosterse kerken in de ban te slaan, hetgeen dus gelukkig – mede dankzij de tussenkomst van Ireneüs - niet gebeurde). Wij zagen hierboven reeds dat hij – waarschijnlijk naar aanleiding van het Montanisme – verzoenend mocht optreden bij paus Eleutherius.

 

Verdediger van de Kerk en de christelijke leer

Ireneüs mag het dan al in zich hebben om verzoening te brengen, hij bracht de spreuk in praktijk die in de 2de Johannesbrief terloops vermeld wordt: “waarheid én liefde”, de twee! Dit betekent dat hij wel liefdevol was en op verzoening gericht, maar dat hij anderzijds - uit liefde voor de waarheid en voor de volgelingen van Jezus - de strijd aanbond voor de waarheid en dus tegen dwaalleraren en ketters die de ware leer van Jezus verdraaiden.

Van de twee werken die ons van Ireneüs bekend zijn is ligt vooral het eerste in die lijn.

1° Te Lyon schreef hij inderdaad zijn groot werk “Tegen de ketters” (Adversus haereses), dat eigenlijk uitsluitend tegen allerlei gnostieke invloeden gericht is. De hele titel luidt: Ontmaskering en weerlegging van de valselijk genoemde Kennis. Het boek werd in het Grieks geschreven, een taal die toen nog zowel in het Oosten als in het Westen door wie gestudeerd had ook begrepen werd; het werk noemt dan soms ook met het Griekse beginwoord: “Elenchos”.

2° In het begin van de 20ste eeuw werd van Irenaeus nog een klein traktaat in Armeense vertaling teruggevonden en gepubliceerd “Over het bewijs van de apostolische verkondiging” (“epideixin” of “demonstratio”). De oorspronkelijke Griekse tekst hebben we dus niet meer. In dit werkje, een soort catechese, verklaart en staaft hij de voornaamste christelijke dogma’s aan de hand van het Oude Testament.

 

“Adversus haereses” - “Tegen de ketters”

Dit werk werd in het Grieks geschreven, misschien omdat die taal hem het best lag en deze taal begrepen werd zowel in het Oosten als het Westen door ieder die wat gestudeerd had; maar bovendien schreef Ireneüs toch vooral voor de eigen en dus Griekstalige christenen van zijn gemeenschap, die het meest bedreigd werden door de leraars van het zogenaamde christelijk gnosticisme. Als bisschop had hij minder schrik van de mysteriegodsdiensten maar vreesde hij eerder de opvattingen van zogenaamde christenen die het gnosticisme een christelijk sausje hadden gegeven. Zo was er o.m. Marcus de Magiër, een verstandig maar ook geniepig gnostische leraar, die niet vies was van allerlei vormen van demagogie. Hij kende bv. trucks om bij de consecratie de wijn een dieprode kleur te geven. Vooral deze goocheltrucs en dan ook zijn theorie dat je niet je energie mocht verkwisten door de strijd tegen je sexuele driften maar dat het beter is je op tijd en stond over te geven aan seksuele uitspattingen zodat je al je krachten kon besteden om op te stijgen naar de geestelijke sferen, de echte Kennis (of Gnosis), dit soort zaken viel wel in de smaak van een aantal mensen. Hij zocht zijn waar vooral aan  te brengen bij wankelmoedige gelovigen en bij rijke dames. Uit het boek blijkt dat Ireneüs de leer van Marcus goed kende, zodat hij hem ook met kennis van zaken van antwoord kon dienen en ook diens volgelingen en de christenen die zich door zijn volgelingen lieten verleiden.

Uit zijn “Tegen de Ketters” blijkt dat hij de Schrift door en door kent en hij neemt ze als basis bij zijn weerlegging van het gnosticisme. Hij is er zich evenwel van bewust dat ook de ketters vaak beroep deden op de Schrift maar ze dan echter verdraaiden om hun eigen stellingen te onderstutten.

Waarop kan je dan het geloof laten berusten? Op de geloofszin, zegt Ireneüs, de ‘sensus fidei’, ‘le sens de la foi’. De heilige Geest werkt in het gelovige volk en als gelovige, als christen voel je aan waar de ware geloofswaarheid ligt. Als bovendien dit aanvoelen van het gelovige volk ook nog ondersteund wordt door de bisschoppen, dan mag je zeker zijn dat dit ook Gods woord is.

En ook hier is er een ‘maar’. Ireneüs had er weet van dat sommige  priesters en zelfs bisschoppen afwijkende leerstellingen verdedigden en zo de gelovigen misleidden.

Dan ben je natuurlijk nergens meer veilig. Waar moet je dàn nog zekerheid vinden? Waar vind je dàn nog de veilige baken waarnaar je je overtuiging kunt richten? Eigenlijk is dit ook een hedendaagse vraag nu allerlei echte of would-be theologen en ook priesters soms afwijkende leerstellingen verkondigen, en sommige bisschoppen – denk aan Mgr. Lefèbvre  - zich zelfs tegen de paus en het concilie keren. Maar ook als priesters en bisschoppen – ik zwijg dan nog over (Renaissance-) pausen – helemaal geen christelijke levenswandel leiden? Wat moet je dan doen? Naar wie moet je je dan richten? Waar heeft Ireneüs naar een oplossing gezocht voor deze problematiek?

 

De apostolische traditie

Ireneüs is dan gaan zoeken naar de ‘bron van ons geloof’ en hij heeft het over de ‘apostolische traditie’, nl. wat de apostelen hebben doorgegeven, dàt is het fundament van de geloofstraditie en daar moet je steeds naar terugkeren. Jezus heeft immers gezegd: “Wie naar jullie luistert, luistert naar Mij, en wie jullie afwijst, wijst Mij af” (Lk.10,16). Over heel de bekende wereld hebben de apostelen het geloof uitgedragen. Ireneüs verwoordt het als volgt: “Zij gingen tot de uiteinden van de aarde en verkondigden het goede ons door God geschonken en de vrede van de hemel voor de mensen. Zij hadden allen in gelijke mate en ieder afzonderlijk deel aan het evangelie van God”.

De al wat oudere Ireneüs zal verder ook dankbaar terugdenken aan de wijze waarop hijzelf het geloof heeft overgeleverd gekregen. Hij vertelt dit bijna emotioneel in een brief aan Florinus, een jeugdvriend die op het ketterse spoor was geraakt:

“Ik herinner mij beter zaken van vroeger dan hetgeen pas geleden gebeurd is. Het is zelfs zo dat ik nog de plaats kan aanwijzen waar de eerbiedwaardige Polycarpus ging zitten om met ons te praten (…). Hoe hij vertelde over zijn relaties met Johannes en met de anderen die de Heer hadden gezien, hoe hij hun woorden overbracht en wat hij van hen gehoord had over de Heer. (…) In één woord, hoe Polycarpus de traditie had doorgekregen van degenen die met eigen ogen het leven van het Woord hadden gezien. (…) Door Gods welwillende goedheid luisterde ik er aandachtig naar en ik schreef het niet op papier, maar in mijn hart, en met Gods genade overweeg ik het nog steeds bij mezelf”. Hier stoten wij op het diepe inzicht van Ireneüs. De apostelen hebben Jezus gekend, beluisterd, aanvaard en in de kracht van de heilige Geest hebben zij hem over heel de (toen gekende) wereld verkondigd. Zij die hen gelovig aanhoord hebben (zoals Polycarpus die Johannes nog gekend heeft), die hebben op hun beurt weer aan anderen het Blijde Nieuws van het Koninkrijk verkondigd  (zoals Polycarpus aan Ireneüs). Het is dus van belang dat je kunt opklimmen tot de eerste bron van de verkondiging.

 

De waarheid van de kerkelijke leer zit in de wereldwijde eenheid…

Ireneüs schuift dan nog een ander argument naar voor. Hij wijst er in zijn werk op dat over heel de wereld de christenen een en dezelfde geloofsregel hebben. En hij somt dan de artikels van dat geloof kort op: één God, de almachtige Vader; één Jezus Christus, Zoon van God die mensgeworden is voor ons heil; de heilige Geest die door de profeten de plannen van God heeft aangekondigd; de Menswording, de maagdelijke ontvangenis, het lijden, de verrijzenis en de hemelvaart van Jezus Christus onze Heer en tenslotte zijn terugkomst om alles te herstellen en de opstanding van het vlees van het menselijk geslacht.

Kijk, zegt Ireneüs, dat geloof is over heel de wereld hetzelfde. Dit is voor hem niet gewoon een vaststelling, maar een argument, een reden om te geloven. Iedere christen gelooft dit alles immers vanaf zijn doopsel. De kerk mag dan wel verschillende talen spreken, deze overlevering is overal dezelfde.

 

… en de apostolische opvolging!

We moeten er evenwel altijd van overtuigd blijven dat de eenheid en katholiciteit maar menselijke realisaties zouden zijn als het onderricht van de profeten, van de Heer en van de apostelen niet de bron zou zijn van het geloof.  In elke kerk, als men maar even de ogen wil openen, ontmoet men de traditie en de leer van de apostelen, écht verklaard door de actuele bisschoppen die teruggaan tot bij de apostelen door een voortdurende en waarachtige opeenvolging. Die apostolische overlevering zie hij het duidelijkst gegarandeerd in de opvolging van Petrus door de Romeinse bisschop in de gemeente van Rome. Dit argument slingert hij de gnostische dwaalleraren in het gezicht. Naar aanleiding hiervan heeft Ireneüs ons ook de oudste Romeinse bisschopslijst overgeleverd Kijk, zegt Ireneüs, het zou me te ver brengen om de bisschopslijsten van alle kerken op te sommen, maar het volstaat de lijst in herinnering te roepen van een kerk, de grootste, de oudste, de meest gekende, gebaseerd op de twee glorierijke apostelen, Petrus en Paulus: de kerk van Rome. En inderdaad, nadat de gelukzalige apostelen die kerk gesticht en georganiseerd hadden, hebben ze het bestuur overgelaten aan Linus, die opgevolgd werd door (Ana)cletus. De derde na de apostelen was Clemens, die de apostelen nog gezien en gesproken heeft, die de klank van hun prediking nog gehoord heeft en hun overlevering onder ogen heeft gehad. Clemens werd opgevolgd door Evaristus, dan Alexander, daarna Sixtus, dan Telesphorus die als martelaar stierf. Dan kwam Hyginus, Pius, Anicetus en dan Soter. En vandaag (zo getuigt Ireneüs) heeft Eleutherius tenslotte het bisschopsambt van Rome als 12de opvolger van de apostelen.

Omdat dit het argument is waarop Ireneüs zo sterk steunt gaven we hierboven de lijst van de opvolgers van Petrus op de bisschopsstoel van Rome (zie noot 40).

Ireneüs is hierbij zo wijs om te vermelden dat deze apostolische opeenvolging en het leiderschap in de verkondiging vergezeld zouden moeten gaan van een echt christelijk getuigenis en pastorale bewogenheid.

Wij stellen inderdaad vast hoe in de tijd van de Renaissancepausen sommigen van hen een schandelijke levenswandel geleid hebben en misschien nooit een ketterij verkondigd; zij zijn op dat moment allesbehalve een voorbeeld zijn geweest voor de kudde en hebben de kerk wellicht meer kwaad berokkend dan sommige ketterse bisschoppen.

Toch schrijft Ireneüs: “Wegens een sterkere belangrijkheid moet iedere kerk, de gelovigen van overal, overeenstemmen met deze kerk (van Rome) door welke band de apostolische overlevering altijd door de gelovigen van overal bewaard is gebleven”. Het is dus goed om op te kijken naar Rome en de figuur van haar bisschop. Adversus haereses blijft een belangrijk werk.

 

Het ‘bewijs van de apostolische verkondiging’

Over zijn kleiner werk “Over het bewijs van de apostolische verkondiging” (“epideixin” of “demonstratio”) willen we kort zijn. Het is eerder een “Samenvatting” of een “Ter herinnering” zoals hij zegt: “nuttig voor zij die zich bekommeren om hun heil (§ 1). Het is gericht aan een vriend, die we verder niet kennen, Marcianus. Het is zeer vlot geschreven, maar toch kunnen wij na de aanhef 2 delen onderscheiden: de uiteenzetting (2 tot 42)en het bewijs (42 tot 97), gevolgd door een korte aansporing (98-100).

De uiteenzetting of samenvatting van de apostolische verkondiging vertrekt van de Ongeschapen God, Vader, Zoon, Heilige Geest, roept dan de schepping voor de geest, herinnert aan Adam en zijn val, en onthult dan de feiten van het Oude Testament waar doorheen  de het werkplan of heilsplan (“economieën”) van God zich vertoont. Voor wat het bewijs betreft: dit steunt op de teksten van de Schrift die als om strijd bewijzen dat de apostolische prediking over de Zoon van God gekruisigd, verrezen en Redder waarachtig is omdat zij eenvormig is aan wat de profeten reeds hadden aangekondigd.

In dit werkje ontmoeten wij verder ook thema’s die reeds in  de Adversus Haereses ontwikkeld werden.

“Dit is onze geloofsregel, het fundament van het gebouw en hetgeen stevigheid geeft aan ons gedrag:

God Vader, ongeschapen, die niet bevat wordt, onzichtbaar, één God, de schepper van het heelal; dat is het allereerste artikel van ons geloof.

Maar als tweede artikel: het Woord van God, de Zoon van God, Christus Jezus onze Heer, die is verschenen aan de profeten volgens het soort van profetie en volgens de staat van het Heilsplan van de Vader, door wie alles geschapen is; Die, bovendien, aan het einde van de tijden, om alles te recapituleren, mens geworden is tussen de mensen, zichtbaar en tastbaar, om de dood te vernietigen, het leven te doen verschijnen en een eenheid (communio) tot stand te brengen tussen God en mens.

En als derde artikel: De heilige Geest door wie de profeten geprofeteerd hebben en de Vaders geleerd hebben wat God betreft en de rechtvaardigen geleid werden op de weg van de gerechtigheid en die, op het einde de tijden, over onze mensheid is verspreid geworden op een nieuwe manier om de mens te vernieuwen op heel de aarde met het zicht op God”.

Een ander klein citaat  waaruit een diepe vreugde en gelovig christelijk bewustzijn spreekt wijst ons op onze verheven staat (en roeping) als kinderen van God:

“Wij hebben het doopsel ontvangen in de Naam van God de Vader,

in de Naam van Jezus Christus, die mens werd, gestorven is en verrezen. Laten we ons ook herinneren dat het doopsel het zegel is van het eeuwige leven en de nieuwe geboorte in God, zodat wij geen kinderen meer zijn van sterfelijke mensen, maar van de eeuwige God. Laten we ons ook herinneren dat God het eeuwig Wezen is en dat Hij verheven is boven alles wat geschapen is, dat alles onder Hem gesteld is ...”

 

BOEKENPLANK (1)

JAMISON, Christopher, O.S.B. Worth (Sussex, Engeland), Levenslessen van een abt. De 7 stappen naar een leven volgens Benedictus.  Lannoo 2007, 220 blz, 14,95 EUR.

 

DE EERSTE MISSIEVLUCHT NAAR KONGO (31)

 

HEILIGENVERERING : VERKEERD OF PRIJZENSWAARD?

 

Dom Columba Marmion, een bekende geestelijke bezieler, wiens geestelijke conferenties werden gebundeld in enkele volumes, werd in 1858 geboren te Dublin (vader was Ier, zijn moeder Française). Hij  werd priestergewijd te Rome maar in 1886 vroeg hij om benedictijn te worden in de Abdij van Maredsous in Wallonië. In 1899 zond men hem van daaruit als prior en theologieprofessor naar de abdij Keizersberg te Leuven waar hij tien jaar bleef tot hij in 1909 tot abt gekozen werd in zijn abdij van Maredsous. Daar overleed hij in 1923.  Hij werd unaniem erkend als meester en leraar van het geestelijk leven. Mgr. Szepticky, patriarch en aartsbisschop van Lwiw (Lemberg) in Oekraïne (die zo blij was met de Belgische Redemptoristen om hun hulp aan de verdrukte Geünieerde kerk van Oekraïne) kreeg van paus Benedictus XV de goede raad : "Dat moet je lezen : het is de zuivere leer van de Kerk". Uit een verzamelwerk met bezinningen voor elke dag van het jaar citeren we een bezinning rond de heiligenverering. Waarom vereren we eigenlijk de heiligen ? Is Allerheiligen alleen maar een accapareren van het heidense feest van 'alle' goden?

De Heiligen zijn de verheerlijkte leden van het mystieke lichaam van Jezus ; Christus is reeds "gevormd in hen "; zij hebben "hun volheid bereikt ". Door hen te loven, verheerlijkt men Christus in hen. "Loof Mij, zei de Redder tot de heilige Mechtildis, want ik ben de kroon van alle heiligen." En de moniale zag heel de schoonheid van de uitverkorenen zich voeden aan het bloed van Christus en schitteren van de deugden die Hij in praktijk had gebracht.  Gevolg gevend aan de goddelijke oproep loofde ze met al haar krachten de allerheiligste en aanbiddingwaardige Drie-eenheid "omdat Deze voor de heiligen hun diadeem en hun wonderbare waardigheid wou zijn."

Het is inderdaad aan de Drie-eenheid dat de Kerk nog altijd haar lof offert wanneer ze de heiligen viert. Iedere heilige is een zichtbaar worden (een manifestatie) van Christus en draagt in zich de trekken van het ‘goddelijk model’, maar op een speciale en onderscheiden manier. Het is een vrucht van de genade van Christus, en het is tot de glorie van deze genade dat de Kerk er behagen in vindt haar triomferende kinderen te verheffen : In laudem gloriae gratiae suae (tot lof van de heerlijkheid van zijn (= Gods) genade).

Zo is de vorm van de kerkelijke vroomheid ten aanzien van de heiligen : de voldoening (welbehagen, complaisance). Zij is fier over deze legioenen uitverkorenen, die de vruchten zijn van haar vereniging met Christus en die reeds deel hebben aan het Rijk van haar Bruidegom in de schittering van de hemelen.

Zij viert Christus in hen, hernieuwt de herinnering van de vreugde die hun zielen overspoelt wanneer zij ingetreden zijn in de hemelen, zij bezingt de deugden en verdiensten van haar apostelen, van haar martelaren, haar pausen, haar belijders, haar maagden, en stelt  aan hun broeders hier beneden hun voorbeeld voor om na te volgen en als motief tot lofprijzing. Zij beveelt zich ook aan hun voorspraak aan. Schendt ze daarmee de oneindige macht van Jezus ? Hoegenaamd niet ! Christus stelt er behagen in, niet om zijn actie te verminderen, maar om haar uit te breiden, om de heiligen te aanhoren die de prinsen zijn van het hemels hof en om ons langsheen hen de genaden te geven die wij afsmeken. (uit : Le Christ, Vie de l’âme, pp. 394-395).

De gelukzaligen in de hemel zijn de verheerlijkte leden van het Lichaam van Christus : zij zijn aan de voltooiing van hun eenheid met God gekomen. Onze verering tot hen moet een van de meest volmaakte vormen aannemen, deze van het welbehagen en de dankzegging. Dit zal erin bestaan hen te feliciteren met hun heerlijkheid, ons met hen te verheugen, en met hen God te danken voor de plaats die Hij hen toekent in het Rijk van zijn Zoon.  (uit : Le Christ, Vie de l’âme, pp. 444)

 

PRETENTIE BIJ DE VERKONDIGING

Abt Theodorus

Uit: De levens van de heilige Vaders der woestijnen van het Oosten. In het vlaamsch overgebracht door eenen Pater Trappist. DL 2. Gent 1859, p. 232

 

GEBEDSBRIEF ARAB VISION

 

IN DE VREDE VAN DE HEER

 

BOEKENPLANK (2)

RATZINGER, Joseph – BENEDICTUS XVI, Jezus van Nazareth. Deel I Van de doop in de Jordaan tot de gedaanteverandering. Lannoo, 2007, 378 blz., € 29,95

 

OVER ‘SPREKEN EN LUISTEREN’ (voor toekomstige schrijvers)

George Gernaert

 

“MYSTERY IN GHENT” (3)  Father John and the Just Judges

By Neb Singelberg