|
|
|
GELOOF
EN LEVEN Jg 112 (2007) nr 3 GESPREK
MET DE DRIEËNE GOD MARIA
IN DE VISIE VAN LOUIS-MARIE GRIGNION DE MONTFORT GEZINSWEEKEND
TE BONHEIDEN OUD-TESTAMENTISCHE
CHRISTOLOGISCHE TYPOLOGIEÊN (4) NOACH Ben Van Vossel LIEVE
JEZUS GETUIGENIS
OVER BRUSSEL ALLERHEILIGEN 2006 Jeanne
Verhelst- GMK DE
EERSTE MISSIEVLUCHT NAAR KONGO CARDIJN
GOES INTERNATIONAL OEKRAÏNE,
DANKBAAR JEGENS BELGISCHE REDEMPTORISTEN 40
JAAR POPULORUM PROGRESSIO
naar Pastorale brief van de Nederlandse Bisschoppen HEER
MAAK MIJ TOT WERKTUIG VAN UW VREDE
Heilige Franciscus van
Assisi PAUS
OVER SELECTIE VAN BABY’S ICONENCURSUS
Verslag van een cursist MEDEDELING
van de Fraterniteit van Maria ENGAGEMENTEN
IN DE GEMEENSCHAP MARIA-KEFAS GEZINSDAG
ZONDAG 16 SEPTEMBER 2007 BOEKENNIEUWS CASEY,
Michael -, Naar God. Inleiding tot de praktijk van het gebed. IN
DE VREDE VAN DE HEER GEBED
TOT JEZUS GG SAMEN
OP WEG IN HET GEZIN Alain Raick BRUGSE
MADONNA VAN MICHELANGELO GERED UIT ZOUTMIJN MYSTERY
IN GHENT Father John and the Just
Judges door Neb Singleberg
MARIA
IN DE VISIE VAN LOUIS-MARIE GRIGNION DE MONTFORT Priester
de Montfort was 39 jaar. Maar zijn onafgebroken missionariswerk in
West-Frankrijk vooral in de volksmissies, met daarbij een leven van (in onze
ogen overdreven) versterving (vasten, geseling en boetepraktijken), hadden zijn
krachtig gestel ondermijnd; misschien nog het meest de vermoedelijke
vergiftigingspoging door Hugenoten die het succes van de missiearbeid van de
missionaris niet konden verkroppen. Volgens de meeste biografen van de Montfort
is deze vergiftigingspoging de echte oorzaak van zijn voortijdige dood. Dit is
nu niet meer te achterhalen. In juli 1712 was hij ten einde krachten (na zijn
missiearbeid in het bisdom Luçon / Vendée) en kwam hij wat rusten in La
Rochelle (meer naar het zuiden tussen Nantes en Bordeaux aan de Atlantische
oceaan in de Charentes). Van
persoonlijke beleving tot publicatie Eerst
preekt hij daar nog een retraite in het Sint-Lodewijkziekenhuis, waarbij ook
heel wat buitenstaanders naar de avondsermoenen komen luisteren. Maar na enkele
weken trekt hij zich terug in zijn kluis van Sint-Eligius. Hij wil nu
neerschrijven waar hij van leefde en wat het geheim was achter zijn vruchtbaar
missiewerk: ‘De volmaakte Godsvrucht tot de Maagd Maria’. Het moet vlug
gaan, want in september moet hij weer volop aan de slag. Met zijn ganzenpen
schrijft hij 158 bladzijden vol. In zijn jeugd had men hem de godsvrucht tot de
‘Onbevlekte’ bijgebracht (o.m. zijn moeder) en tijdens zijn seminarietijd in
Saint-Sulpice (Parijs) was daarop voortgebouwd. Maar aan de universiteit had hij
geleerde doctoren van de Sorbonne een heel ander lied horen zingen:‘Dat volkse
gedoe doet tekort aan de ernst van het christelijk geloof’. Maar Grignion de
Montfort had in zijn verlangen naar Christus (de Gekruisigde, de Goddelijke
Wijsheid), de weg ontdekt die hem op de meest volmaakte en eenvoudige wijze kon
verenigen met het goddelijk Hart van Jezus: een tedere godsvrucht tot de heilige
Maagd. Wij kunnen ons nog moeilijk indenken hoe sterk de gelovige omgang is
geweest van Grignion met Maria. In zijn biografie is vaak sprake van onschuldige
kinderen of eenvoudige gelovige mensen die getuige waren van zijn gesprek met
“de wondermooie Witte Dame”. De
ontdekking van Maria’s permanente opdracht in het heilswerk deelde hij ook
graag mee aan de mensen om zich heen. Maar “Opdat (de ware vereerder van
Maria) voortaan niet meer zo zeldzaam zou zijn, heb ik de pen ter hand genomen,
om op papier te zetten wat ik, in ’t openbaar en in ’t bijzonder, vele jaren
lang, met vrucht in mijn missies verkondigd heb”. Hij
heeft het boek niet zelf gepubliceerd. Hoe dat kwam? Tot zijn dood in 1716 heeft
hij onafgebroken moeten rondtrekken om te preken; bovendien voorzag hij dat het
boekje en zij die het zouden lezen zouden aangevallen worden maar dat het vrucht
zou dragen “in gevaarvolle tijden, die meer dan ooit op komst zijn”. Maar
ook zijn opvolgers gaven het niet uit. In 1793 werd het samen met andere
kostbare documenten in een kist gesloten en onder de grond verstopt. Na de
terreur op het einde van de 18de eeuw (Omwenteling en Franse Revolutie) kwam het
weer boven water, maar nog werd het niet gepubliceerd. In 1842 tenslotte werd
het opnieuw ontdekt, nog net op tijd om ingebracht te worden met de stukken die
voor zijn zaligverklaring moesten dienen. De
Ware Godsvrucht tot de heilige Maagd Maria In
zijn kluis van Sint Eligius schrijft hij over de volmaakte godsvrucht tot Maria.
Hij valt echt met de deur in huis als hij schrijft: “Door de allerheiligste
Maagd Maria is Jezus ter wereld gekomen, door haar moet Hij ook in de wereld
regeren” (nr.1). Over het eerste deel van die zin zal weinig discussie zijn.
Het tweede deel leidt hij hieruit af dat de rol in het heilsplan die aan Maria
werd gegeven niet van haar werd afgenomen. Eigenlijk
berust heel zijn betoog daar op. In nr. 49 klinkt het juist hetzelfde: “Door
Maria is het heil van de wereld begonnen, door haar moet het ook voltooid
worden”. Maar vooraleer te gaan
steigeren bij zo’n uitspraak, alsof Jezus’ plaats als redder en enige
Middelaar tussen God en de mens wordt aangevallen, moeten we luisteren naar zijn
bedoeling: God heeft Maria willen nodig hebben om tot ons te komen (en dit
kunnen we opnieuw niet ontkennen) dan is zij in feite voor de mens noodzakelijk
om tot hun einddoel te komen. We stellen dan de vraag waarom dat zo is, waarom
de Godsvrucht tot Maria zo belangrijk (hij zegt ‘noodzakelijk’) is? Zijn
antwoord: omdat ze een onfeilbaar middel is om de vereniging met Jezus te
bereiken. Dat klinkt ook weer iets te radicaal (sommigen zullen zeggen,
‘onjuist’, ‘geforceerd’, ‘godslasterlijk’) maar hij dwaalt echt niet
af van de grote christelijke visie: “Jezus Christus, onze Verlosser, waarlijk
God en waarlijk mens, moet het laatste doeleinde zijn van al onze devoties.
Indien wij ijveren voor een degelijke godsvrucht tot de allerheiligste Maagd, is
dit enkel en alleen … om Jezus Christus volmaakt te vinden, teder te beminnen
en getrouw te dienen (nr. 62). Immers, wij behoren helemaal aan Jezus toe, die
ons met zijn kostbaar bloed heeft gekocht (nr. 68). Zoals we slaaf waren van het
kwaad, willen we nu helemaal aan Jezus toebehoren. Welnu, “datzelfde doet men
door deze devotie tot Maria; wij verzaken aan de kwade, aan de wereld, aan de
zonde en aan onszelf en wij geven ons geheel aan Jezus Christus door de handen
van Maria” (nr. 126). “Het is Jezus die ons verlost, die ons ophelpt naar de
Vader; we steunen helemaal op de verdiensten van Jezus” (nr. 84). Maar in het
volgend nummer klinkt het opnieuw: “Door Maria is Jezus Christus tot ons
gekomen, door haar moeten wij tot Hem gaan” (nr. 85). “Hoe meer een ziel aan
Maria is toegewijd, des te meer zal zij aan Jezus Christus toegewijd zijn”
(nr. 120). Aan
Maria toegewijd Daarom
zal Louis-Marie Grignion de Montfort in zijn “Gebed van toewijding” heel
zijn persoon aan Maria toewijden, lichaam en ziel, alles wat hij bezit of zal
bezitten, en alle inwendig en geestelijk goed (goede werken, deugden en
eventuele verdiensten), op elk moment en voor de eeuwigheid tot meerdere eer en
glorie van God. Deze
spiritualiteit van Louis-Marie Grignion de Montfort hebben wij in de praktijk
beleefd gezien bij een paar mensen die we ons nog herinneren door hun
voorbeeldig en vruchtbaar leven: de zalige priester Edward Poppe van Temse
(‘Door Maria tot Jezus’, ‘Een kind van Maria gaat nooit verloren’),
pater Kolbe en paus Johannes-Paulus II (de Poolse paus Karol Vojtyla), wiens
wapenspreuk deze van Grignion de Montfort zelf was: ‘Totus tuus ego sum’,
‘Ik ben geheel van U’. Met
profetische en wat bombastische woorden beschreef de Montfort de mensen die zich
helemaal aan Maria zouden toewijden: “Zij zullen het tweesnijdend zwaard van
Gods woord in de mond houden, de bebloede standaard van het kruis op hun
schouder dragen, het kruisbeeld in de rechter-, de rozenkrans in de linkerhand,
de heilige namen van Jezus en Maria in het hart en de zedigheid en versterving
van Jezus Christus in heel hun gedrag… Zij zullen opstaan op bevel van de
Allerhoogste en Maria zal hen vormen om Gods rijk over dat van de goddelozen uit
te breiden” (nr. 59). ENIGE
OUD-TESTAMENTISCHE CHRISTOLOGISCHE TYPOLOGIEÊN (4) Samenstelling:
Ben Van Vossel 4
NOACH, DE RECHTSCHAPENE In
Genesis 6 lezen we dat God spijt kreeg “dat Hij de mens op de aarde gemaakt
had, en Hij was er zeer verdrietig om. 7 En Jahwe zei: `Ik ga de mens, die Ik
geschapen heb, van de aardbodem wegvagen, zowel de mens als het vee en de
kruipende dieren en de vogels in de lucht, want het spijt Mij dat Ik ze gemaakt
heb.’ 8 Alleen Noach vond genade in de ogen van Jahwe. 9 Dit is de
geschiedenis van Noach. Noach was een rechtschapen man; hij bleef te midden van
zijn tijdgenoten een onberispelijk leven leiden en hij richtte zijn schreden
naar God” (Gen.6,6-9). Dit
artikel geeft maar weinig echte typologie maar eerder een bezinning rond de
figuur van Noach (de Noë uit onze 'Gewijde Geschiedenis' van vroeger). Bijbelverhaal? Je
zou kunnen zeggen dat het verhaal van Noach geen origineel Bijbels verhaal is.
Verhalen over overstromingen, tsunami’s en zelfs over ‘zondvloeden’, die
als straf voor menselijke tekortkomingen door God of door de goden over de mens
losgelaten worden, tref je in verschillende versies aan bij de oude volkeren in
het Tweestromengebied. Zo in het Gilgamesh-epos, dat tot ons gekomen is in
verschillende versies, o.a. een versie uit de bibliotheek van Assjoerbanipal van
Ninive (7de eeuw voor Christus). Op de 11de van de 12 schrijftafeltjes vertelt
een van de voorvaderen van Gilgamesj, Oet-napisjtim (een soort Babylonische
Noach), hem het verhaal van de zondvloed en geeft hem een legendarisch kruid dat
onsterfelijkheid zou verlenen; een slang ontrooft hem echter dat kruid en hij
ziet in dat de onsterfelijkheid niet voor de mens is weggelegd. Toch mag je
zeggen dat het verhaal van Noach en de zondvloed een Bijbels verhaal is, omdat
het zich zo echt in de Bijbel heeft ingepast. De thematiek van het verhaal van
de zondvloed is overigens niet onder één noemer te brengen. Een
verhaal over zonde en haar kwalijke gevolgen Op
de voorgrond van het Noach-verhaal staat natuurlijk het zondige leven van een
groot aantal mensen; de zondvloed wordt dan als straf voor hun zondig leven
geduid. Dit was een diepe overtuiging bij de latere Joodse mensen: zonde brengt
onheil, zonde voert naar de ondergang van de individuele mens en van de
mensheid. Zonde gaat in tegen het goede plan dat God met zijn schepping en met
de mens in het bijzonder heeft. Zonde brengt daar wanorde in en is een opstand
tegen God. We
staan met dit verhaal duidelijk in een reeks verhalen over zonde en straf. Eerst
de zondeval van Adam en Eva met de verdrijving uit het Paradijs, dan de
broedermoord en het zwerversleven van Kaïn, en nu dit verhaal over de
slechtheid van de mens met daarop volgend de zondvloed. Het was blijkbaar een
vaststelling van de latere Joodse mensen dat de zonde bijna ingeboren lijkt in
de mens. Nog later zal Paulus in zijn Romeinenbrief niet veel enthousiaster doen
over de mensheid die zich van God afkeert. Niet te verwonderen dat we zijn gaan
spreken over de erf-zonde. Maar is ónze ervaring zoveel anders dan die van de
mensen uit die tijd? Uit die primitieve tijd? En wij werden nochtans eeuwenlang
beïnvloed door de christelijke boodschap! Toch zijn er de eeuwen door spijtige
dingen gebeurd, in het groot en in het klein… Spijtige dingen. Zonde! God
wordt in het verhaal van de zondvloed ook heel menselijk voorgesteld; Hij speelt
als het ware mee in dat schouwtoneel. Hij vindt het ook allemaal zo spijtig. Hij
bedoelde het zo goed met zijn schepping, Hij had de mens zo groot gemaakt dat
Hij Hem met een vrije wil geschapen had… Maar daar lag nu juist de oorsprong
van het probleem. Doordat Hij de mens zo groot maakte, met een vrije wil, had
Hij hem de mogelijkheid geschonken om ‘ja’ maar ook … om ‘nee’ te
zeggen tegen God, om m.a.w. in te gaan tegen Gods bedoeling met zijn eigen leven
en met zijn daden… Een
verhaal over hoop en vrede -
Maar zoals in die vorige zonde- en bestraffingsverhalen, is er ook in dit
verhaal van de zondvloed een klein hoopvol lichtje. Niet heel de mensheid gaat
ten onder. Een man en zijn gezin worden gered. -
Die man, Noach wordt ‘rechtvaardig’ genoemd, een mens die beantwoordt aan
Gods droom over de mens. En door die man wordt ook de schepping gered. En
uiteindelijk komt er licht. Zelfs een regenboog met de belofte dat God de mens
nooit helemaal laat vallen. -
De duif met haar takje dat ze de tweede keer aanbrengt is ook symbool van vrede
geworden, vrede in dit geval tussen God en de mens. In
deze enkele aandachtspunten uit het Noachverhaal kunnen we ook het gelaat van
Jezus herkennen (zie verder). Verwijzingen
naar Jezus? Waar
liggen nu de typologische toepassingen naar Jezus toe? Er zijn weinig strikt
Nieuwtestamentische verwijzingen, wel heel wat andere vergelijkingspunten,
sommige vanuit de liturgie, of de kerkvaders of overwegingen vanuit de Bijbel. Afstammeling Als
Lucas de stamboom van Jezus geeft, langsheen de stamboom van Jozef, stellen we
vast dat daar wel allerlei zondige mensen in voorkomen, maar ook Noach wordt er
vermeld, Noach, de rechtvaardige, in die lijn is het niet moeilijk om Jezus te
situeren. “Deze Jezus nu was bij zij optreden ongeveer dertig jaar. Hij was,
‘in de opvatting der mensen’, de zoon van Jozef, de zoon van Eli, de zoon
van Mattat, de zoon van Levi, de zoon van Melchi, de zoon van Jannai, de zoon
van Jozef, Lk.3,25 de zoon van Mattatias (…) Sem, de zoon van Noach, de zoon
van Lamech, 37 de zoon van Metuselach, de zoon van Henoch, de zoon van Jered, de
zoon van Mahalalel, de zoon van Kenan, 38 de zoon van Enos, de zoon van Set, de
zoon van Adam, de zoon van God” (Lk.3,23-25.37-38). Heraut
van gerechtigheid In
2 Petrus 2,5 krijgen we dan een omschrijving van Noach: “Evenmin heeft
Hij (God) de wereld van de voortijd gespaard; Hij heeft alleen Noach, de heraut
der gerechtigheid, met zeven anderen behoed, toen Hij de zondvloed bracht over
die wereld van goddelozen”. Heraut
of verkondiger van de gerechtigheid lijkt hier dan te betekenen dat hij, in zijn
persoon en zijn manier van leven een levende uitbeelding was van hoe je
eigenlijk zou moeten leven als je aan Gods droom wilt voldoen.
Dat wordt kort gezegd in deze andere tekst uit het boek Genesis:
“Alleen Noach vond genade in de ogen van Jahwe. 9 Dit is de geschiedenis van
Noach. Noach was een rechtschapen man; hij bleef te midden van zijn tijdgenoten
een onberispelijk leven leiden en hij richtte zijn schreden naar God” (Genesis
6,8-9). ‘Heraut
van de gerechtigheid’. Hierbij
sluit het thema aan van “leven volgens Gods verlangen”. Dan wordt duidelijk
hoe Noach als een soort voorafbeelding van Jezus is op dat vlak. “Noach
was een rechtschapen man; hij bleef te midden van zijn tijdgenoten een
onberispelijk leven leiden en hij richtte zijn schreden naar God” (Gen. 6 ,9). Ten
overstaan van de Joodse leiders die hij in tegenwoordigheid van de overspelige
vrouw overtuigt van hun schuld (Joh. 8,7-9) durft Jezus zeggen: “Wie van u kan
aantonen dat Ik zonde gedaan heb? Als Ik waarheid spreek, waarom gelooft gij Mij
dan niet? ” (Joh. 8,46).
De
volgzaamheid -
Een opvallende gelijkenis (ik durf hier niet spreken van typologie) tussen Noach
en Jezus is de “gehoorzaamheid”, de volgzaamheid, het ingaan op God
verlangen wat ons ook doet denken aan het geloof van Abraham. Over de reactie
van Noach op de wat absurd lijkende opdracht die hij te doen krijgt, lezen we “Noach
deed dit; alles wat God hem geboden had, voerde hij uit” (Gen. 6,22) en ook in
een volgend vers uit Genesis: “En Noach deed alles wat Jahwe hem geboden
had” (Gen. 7,5). Hoe sterk vinden we die volgzaamheid niet terug bij Jezus in
zeer veel Bijbelteksten en hoe Hij die volgzaamheid ook aan zijn leerlingen
leert (bv. in het Onze Vader: ‘Uw wil geschiede op aarde als in de Hemel’): Over
de bedoeling van al wat Hij doet zegt Hij: “Ik kan niets uit Mijzelf: Ik
oordeel naar wat Ik hoor en mijn oordeel is rechtvaardig, omdat Ik niet mijn
eigen wil zoek, maar de wil van Hem die Mij zond” (Joh. 5,30). Wat
was trouwens zijn eigenlijke levensdoel: “Ik ben immers uit de hemel
neergedaald, niet om mijn eigen wil te doen, maar de wil van Hem die Mij
gezonden heeft” (Joh. 6,38) En
dit allesomvattende woord: “Mijn spijs is, de wil te doen van Hem die Mij
gezonden heeft en zijn werk te volbrengen” (Joh. 4,34). Het
noeste verlossingswerk Ik
las nog een mooie toepassing van de arbeid van Noach aan de ark en het
verlossingswerk van Jezus. “Stuk na stuk, nagel na nagel, plank na plank kwam
de ark stilaan tot stand. Op dezelfde manier wordt het verloste volk van God in
Jezus samengebracht, man na man, vrouw na vrouw, gelovige na gelovige,
berouwvolle zondaar na berouwvolle zondaar.
Zoals Noach Gods ark bouwde, zo bouwt Jezus een verlost huisgezin voor
God. Deze vergelijking is niet zo ver gezocht omdat in de Hebreeënbrief
hetzelfde gezegd wordt van Mozes: “Hij (Jezus) is groter eer waardig gekeurd
dan Mozes, voor zover namelijk de bouwer meer waard is dan het huis dat hij
bouwt. Ieder huis wordt door iemand gebouwd en de bouwheer van alles is God.
Mozes was inderdaad getrouw in heel Gods huis, maar als dienaar, om te getuigen
van de woorden die God zou spreken. Christus echter is getrouw als zoon,
aangesteld over het huis van God. En dat huis zijn wijzelf, als wij tenminste
ons vertrouwen en de hoop, die onze trots is, ongeschokt bewaren tot het
einde” (Hebr.3,3-6). In
de patristiek (de studie van de oudere Kerkvaders) wordt de ark van Noach,
waardoor mensen gered werden van de watervloed, soms vergeleken met het hout van
het kruis, waardoor wij gered werden. Bespotting Wij
weten niet hoe de menigte gereageerd heeft op het schijnbaar zinloos werken van
Noach aan een grote ark hoog op droge grond. In het Oude testament wordt het
niet met zoveel woorden gezegd. De Koran (Qur’an) heeft het verhaal
kleurrijker uitgeschilderd met een zeer menselijk detail : “38 En hij was de
ark aan het bouwen en steeds wanneer de leiders van zijn volk hem voorbijgingen,
bespotten zij hem. Hij zeide: “Als gij ons bespot, zullen wij u (later)
bespotten zoals gij (ons) nu doet, 39 Dan zult gij weten wie het is, over wie
een vernederende straf komt en op wie een blijvende straf zal rusten” (Soera
11,38-38). Was
het inderdaad geen absurd iets, een grote boot bouwen op het droge, terwijl er
helemaal geen dreiging van water was in de wijde omtrekt? Het is natuurlijk geen
echt Bijbelse typologie maar een interessante toepassing van de bespotting die
Jezus overkwam. Toen Hij aan het kruis hing en zwoegend zijn reddingswerk
(zoals Noach zwoegde aan de constructie van de ark), krijgt ook Hij met
de spot van het volk te maken: “In dezelfde geest zeiden de hogepriesters met
de schriftgeleerden en oudsten spottend: Anderen heeft Hij gered, maar zichzelf
kan Hij niet redden. Hij is toch de koning van Israel. Laat Hem nu van het kruis
afkomen, dan zullen we in Hem geloven. Hij stelt vertrouwen in God; laat Die Hem
nu bevrijden, als Hij behagen in Hem heeft. Hij heeft immers gezegd: Ik ben de
Zoon van God!’ Zelfs de rovers, die samen met Hem gekruisigd waren, voegden
Hem soortgelijke beschimpingen toe” (MT.27,41-44). Gelovig
vertrouwen In
de Hebreeënbrief wordt als voorbeeld van gelovigen ook Noach vermeld: “Door
het geloof heeft Noach, na door God te zijn gewaarschuwd voor wat nog niet te
zien was, met grote zorg de ark gebouwd, om zijn huisgezin te redden. Door zijn
geloof heeft hij de wereld veroordeeld en zelf de gerechtigheid van het geloof
verworven” (Hebr.11,7). Die
grote zorg voor het huisgezin van God drukt Jezus sterk uit in de gelijkenis van
de Goede Herder: “Ik ben gekomen, opdat zij leven zouden bezitten en wel in
overvloed. Ik ben de goede herder. De goede herder geeft zijn leven voor zijn
schapen.” (Joh. 10,10-11). In Jezus vinden we dat gelovig vertrouwen op de
Vader het sterkst uitgedrukt in zijn lijden en sterven, vooral in dat laatste
woord: “Toen riep Jezus met luider stem: ‘Vader, in uw handen beveel Ik mijn
geest’ ” (Lk. 23,46). ‘Ondanks alles, ondanks de vaststelling dat heel
mijn levensproject op niets lijkt uit te lopen, ondanks de verwerping door mijn
eigen volk … vertrouw Ik mij helemaal toe aan U’. De
ark als het graf – de nieuwe aarde als de opstanding Een
gelijkenis, zonder daarom thuis te horen de “typologie” is het lange tijd
opgesloten zijn van Noach en zijn familie in de ark en hun wedergeboorte op een
opgefriste, gezuiverde aarde en anderzijds Jezus opgesloten zijn in het graf en
zijn opstanding ten leven waarin Hij allen betrekt die bij Hem aansluiten. Dit
is geen typologie zoals de figuur van Jona die 3 dagen opgesloten zat in de buik
van het zeemonster, waarop Jezus zelf zinspeelt in Mt. 12,39: “Zoals namelijk
Jona drie dagen en drie nachten verbleef in de buik van het zeemonster, zo zal
de Mensenzoon drie dagen en drie nachten verblijven in de schoot van de
aarde”. “Doelend
op Hem toch zegt David: De Heer had ik voor ogen, altijd door, Hij is aan mijn
rechterhand, opdat ik niet zou wankelen; daarom is er blijdschap in mijn hart en
jubelt mijn mond van vreugde; ja, ook mijn lichaam zal rust vinden in hoop,
omdat Gij mijn ziel niet over zult laten aan het dodenrijk en uw heilige
geen bederf zult laten zien. Wegen ten leven hebt Gij mij doen kennen, Gij zult
mij met vreugde vervullen voor uw aanschijn” (Handelingen 2,25-28). Opgeheven
uit de vloed Zoals
de ark de vloed te boven kwam, zo wordt Jezus de redder die toekomst geeft aan
het volk van God : “Veertig dagen lang hield de vloed over de aarde aan. Het
water steeg en tilde de ark op, tot hoog boven de aarde. Het water nam toe en
kwam hoog boven de aarde te staan, en de ark dreef op het water” (Genesis
7,17-18). Wellicht zagen de eerste
christenen hierin een parallel : “… eerst zullen de doden die in Christus
zijn verrijzen; daarna zullen wij die nog in leven zijn tegelijk met hen in een
oogwenk op de wolken in de lucht worden weggevoerd, de Heer tegemoet. En zo
zullen wij voor altijd samen zijn met de Heer” (1Tess.4,16c-17 ) Met
Hem gestorven en verrezen in het doopsel, geroepen tot een nieuw leven In
de christelijke traditie wordt het water van de zondvloed wel eens vergeleken
met het water van de doop, waar het kwaad wordt vernietigd en we nieuw leven
krijgen. De dubbele werkzaamheid van het water komt daarin naar voor: zijn
vernielende (cfr. tsunami en vloedgolven, verdrinking, scheepsramp) én
levenbrengende (dorstlessend, vruchtbaarheid van de regen en bevloeiing) kracht.
Ook hier kunnen we dan een parallel zien met de ark van Noach en het kruis van
Christus. “In
de doop zijt gij met Hem (Jezus) begraven, maar ook met Hem verrezen, door uw
geloof in de kracht van God die Hem uit de dood deed opstaan. Ook u die dood
waart ten gevolge van uw zonden en uw morele onbehouwenheid heeft God weer
levend gemaakt met Hem. Hij heeft ons al onze zonden vergeven.
Hij heeft de oorkonde met haar bezwarende bepalingen, die tegen ons
getuigde, verscheurd. Hij heeft haar vernietigd en aan het kruis genageld.
Hij heeft de heerschappijen en de machten ontwapend en publiek ten toon
gesteld. Hij heeft over hen getriomfeerd door het kruis” (Kol.2,12-15). In
de Paasbrief van Petrus wordt alles wat samengebracht: Christus’ lijden en
dood die de zonde doodde om ons tot God te brengen. Zijn opstanding… en de
uitnodiging om als gedoopten nu ook een nieuw leven te leiden. “Ook Christus
heeft eens voor al geleden voor de zonden, de rechtvaardige voor de
onrechtvaardigen, om u tot God te brengen. Gedood naar het vlees, werd Hij ten
leven gewekt naar de Geest. Zo ging Hij heen en predikte voor de geesten in de
kerker, die eertijds, in de dagen dat Noach de ark bouwde, weerspannig waren
geweest, terwijl God in zijn lankmoedigheid geduld oefende. In de ark bleven
slechts enkelen, niet meer dan acht personen, behouden te midden van het water.
Dit was een voorafbeelding van het doopwater, waardoor gij nu gered wordt. De
doop beoogt niet de verwijdering van lichamelijke onreinheid, maar de
verbintenis met God van een goed geweten, krachtens de opstanding van Jezus
Christus, die ten hemel gevaren zetelt aan Gods rechterhand, nadat engelen en
machten en krachten aan Hem onderworpen zijn” (1Petr.3,18-22). Blijvend
teken van Gods reddende genade Toen
het water was weggetrokken stond daar de regenboog als een teken van het verbond
tussen God en de mens dat de mens niet zal weggeveegd worden van voor het
aangezicht van God (Gen. 9,14-15). Het doet denken aan de verzen uit Jesaja:
“Zal een vrouw haar zuigeling vergeten, een liefhebbende moeder het kind van
haar schoot? En zelfs als die het zouden vergeten, Ik vergeet u nooit! Zie, in
mijn handpalmen heb Ik u geschreven, en uw muren staan Mij voortdurend voor
ogen” (Jes.49,15-16). Zoals
die regenboog garant is voor het behoud van de mensheid tot het uiteindelijk
oordeel, zo heeft Jezus ook een teken gesteld van een nieuw en eeuwig verbond,
in de nacht dat Hij werd overgeleverd, op het moment dat Hijzelf de duisternis
van zijn lijden en dood zou ingaan, heeft Hij brood genomen, het dankgebed
gezegd, het brood gebroken terwijl Hij zei: “Dit is mijn lichaam voor u. Doe
dit tot mijn gedachtenis”. En evenzo heeft Hij de beker genomen na de maaltijd
en gezegd: “Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed. Doet dit, elke
keer dat gij hem drinkt, tot mijn gedachtenis” (1 Kor. 11,23). Het
behoud van de schepping We
staan waarschijnlijk al in de allegorie in plaats van in de typologie wanneer we
een aantal punten van gelijkenis gaan maken (of vaststellen) tussen Jezus en de
figuur van Noach, zoals: Terwijl
Jezus bezig is mannen en vrouwen tot Zich te trekken, blijft ondertussen het
oordeel uit. Evenzo was er geen teken van de grote vloed die zou komen terwijl
Noach de laatste hand aan het werk legde om zijn huisgezin te redden. Het
Noachverhaal laat ook zien hoe zijn werk er niet enkel op gericht was om
menselijk leven te redden maar ook een massa vogels, dieren, reptielen… Ook in
het nieuwe testament is er sprake van dat de schepping zal delen in de redding
en verheerlijking van de kinderen van God: “Ook de schepping verlangt vurig
naar de openbaring van Gods kinderen. Want zij is onderworpen aan een zinloos
bestaan, niet omdat zij het zelf wil, maar door de wil van Hem die haar daaraan
onderworpen heeft. Maar zij is niet zonder hoop, want ook de schepping zal
verlost worden uit de slavernij der vergankelijkheid en delen in de glorierijke
vrijheid van de kinderen Gods” (Rom. 8,19-21). ” Het
oordeel van de zondvloed en Christus’ wederkomst “Temidden
van zijn tijdgenoten leidde Noach een onberispelijk leven”… Die paar woorden
zeggen veel over die figuur van Noach, gesitueerd in een samenleving waar we men
zich van God en zijn gebod weinig of niet aantrok. In de tweede Petrusbrief
wordt die parallel duidelijk gelegd tussen die ongelovige tijdgenoten van Noach
en de mensen die niet geloven in de terugkomst van Christus als teken van het
definitief oordeel dat God over het mensenleven uitspreekt: “Gij moet vooral
weten dat er in de laatste dagen spotters zullen komen, mensen die leven volgens
hun eigen begeerten, en die honend vragen: `Waar blijft nu de wederkomst die Hij
heeft toegezegd? Onze vaderen zijn al gestorven, maar alles blijft zoals het van
het begin der schepping geweest is.’ Zij gaan met opzet voorbij aan het feit
dat er lang geleden een hemel en een aarde bestonden, door Gods woord gevormd
uit water en door middel van water, en
dat die toenmalige wereld vergaan is, verzwolgen door het water. Maar de hemel
en de aarde van nu zijn door hetzelfde woord opgespaard voor het vuur en bewaard
voor de dag van het oordeel en de ondergang der goddelozen” (2 Petr. 3,3-7). Een
verwittigd man… Jezus
was ook een profeet, iemand die vanwege God belangrijke zaken te vertellen
kreeg. Hij deed dat ook wel eens in apocalyptische beelden, met de
overtuigingskracht van een donderpredikant. Zo maakt Hij zelf die vergelijking
met de tijd van Noach en Lot: “En zoals het was in de dagen van Noach, zo zal
het ook zijn in de dagen van de Mensenzoon. Zij aten en dronken, huwden en
werden ten huwelijk gegeven tot op de dag waarop Noach de ark binnenging en de
zondvloed kwam, die allen verdelgde. (…) zo zal het ook zijn op de dag waarop
de Mensenzoon zich openbaart” (Lk.17,26-27.30 vgl. Mt. 24,37-39). Een
dringende oproep tot bekering om de barmhartigheid en het heil vanwege God niet
te mislopen. Vredevorst Maar
het Noachverhaal is inderdaad niet louter bedreigend. Een klein gelijkenispunt
gaat dan over de ‘symbolen’ van de regenboog en de duif met de olijftak,
symbolen van vrede en nieuw verbond tussen God en de mensen. ‘Vrede’
het is de hartenwens van de mensheid, van de gewone mensen die keer op keer door
de heb- of heerszucht van sommigen dooreen worden geschud en bedreigd in hun
leven, hun hebben en houden, hun gezinnen… Hoe blij waren de Joodse mensen
wanneer ze een koning hadden die hen uiteindelijk vrede kon brengen. In de
Kerstnachtmis wordt in de liturgie nog altijd het beeld opgeroepen van het kind
dat een vredevorst zal zijn: “Want alle dreunend stampende laarzen en met
bloed doordrenkte mantels worden verbrand en verteerd door het vuur. Want een
kind wordt ons geboren, een zoon wordt ons gegeven. De heerschappij rust op zijn
schouders; men noemt hem: Wonder van beleid, Sterke God, Vader voor eeuwig,
Vredevorst” (Jesaja 9,4-5) In
vorig nummer zagen we reeds hoe pater Calme duidelijk bewijst dat de zogenaamde
broers van Jezus geen kinderen waren van Maria, de moeder van Jezus. Nu gaan we
nog even verder met zijn betoog waaruit blijkt dat ze helemaal geen broers waren
van Hem. Hun
vader is niet de ‘vader’ van Jezus In
onze zoektocht zou het dus betekenen dat de vader van de 4 gebroers Klopas zou
zijn. Op geen enkele plaats wordt Maria, Jezus’ moeder, de vrouw van Klopas
(of van Alpheüs) genoemd, wel de vrouw van (sint) Jozef, de timmerman, de
‘vader’ van Jezus. Die ‘andere Maria’, een van Jezus’ tantes langs
Jozefs kant, wordt wèl de vrouw van Klopas geheten; Klopas moet m.a.w. van de
generatie van Sint Jozef geweest zijn. Maar
wordt ergens duidelijk de link gelegd tussen Klopas zelf en de 4 broers?
Daarvoor moeten we even onderduiken in het Aramese taalgebruik. Jakobus
de mindere (de jongere of de kleine), zoon van de ‘andere Maria’ en van
Klopas, bevindt zich tussen de apostelen, maar wordt daar 4 keer vermeld als
‘zoon van Alpheüs’. Volgens pater Carle zijn Halphaios en Klopas Griekse
omzettingen van een en dezelfde Hebreeuwse of Aramese voornaam met een dubbele
geschreven vormvariante : Halphai en Kolphai. Sommigen menen daarom dat Alfeüs
en Klopas twee vormen zijn van dezelfde voornaam (Kolphai). Doorgedreven recente
studies van Semitische talen toonden trouwens aan dat de beginletter ‘h’
(‘hêt’) van Halphai en de beginletter ‘k’ (‘kap’) van Kolphai vaak
hetzelfde worden uitgesproken zowel in het Aramees als in het Hebreeuws. Alfeüs
en Klopas zijn dan in feite eenzelfde persoon. En dan kunnen we begrijpen hoe
het komt dat Jakobus in de opsomming van de apostelen vermeld wordt als zoon van
Alfeüs. Overigens was Alfeüs een vrij veel voorkomende naam want ook Levi
(Mattheüs) is zoon van een Alfeüs. Mt.10,2-3
Dit zijn de namen van de twaalf apostelen: als eerste, Simon die Petrus wordt
genoemd, met zijn broer Andreas; Jakobus, de zoon van Zebedeus, met zijn broer
Johannes; Filippus en Bartolomeus,
Tomas en Matteus de tollenaar, Jakobus, de zoon van Alfeus … Mk.3,16-18
Hij wees dus deze twaalf aan; aan Simon gaf Hij de naam Petrus; 17 verder
Jakobus de zoon van Zebedeus en Johannes de broer van Jakobus, aan wie Hij de
naam Boanerges gaf, wat betekent: zonen van de donder; 18 vervolgens Andreas,
Filippus, Bartolomeus, Matteus, Tomas, Jakobus de zoon van Alfeus … (vgl.
Lucas 6,14-15 en Handelingen 1,13) De
houding van de ‘broers’ tegenover hun neef Jezus vóór Pinksteren Als
neven van Jezus hebben de gebroers het blijkbaar lastig gehad om zomaar direct
te geloven dat Jezus (met wie ze daar in Nazaret geravot hadden, kattekwaad
hadden uitgestoken en gevochten) zomaar plots de Messias zou zijn. Als
Jezus er dan ook op uittrekt, en de zorg voor zijn moeder mogelijk op hun rug
terecht komt als neven, (Jozef, Jezus’ ‘vader’, was waarschijnlijk al
overleden aangezien Jezus die aanvankelijk de ‘zoon van de timmerman’ wordt
genoemd, in Markus 6,3 ‘de timmerman, de zoon van Maria’ wordt geheten), als
Jezus bovendien de rabbi begint uit te hangen, volgelingen rond zich verzamelt,
een overspannen kliek die het soms zo druk heeft dat men zelfs vergeet te eten,
ja, dan is de maat vol natuurlijk en komen de neven opzetten omdat ze menen dat
Hij niet goed meer bij zijn verstand is. De familie mag geen slechte naam
krijgen en hij (Jezus) moet zelf maar voor zijn moeder zorgen… Enigszins te
begrijpen. Later
evenwel, na Pasen draaien ze bij en treffen wij de meesten van hen aan bij de
jonge kerkgemeenschap. Bovendien
moeten we hier onderscheid maken tussen 3 van de “broers” en Jakobus de
Mindere, over wie wij het hier nu eerst gaan hebben. Jakobus
We
zagen reeds dat de vier broers (uit Mattheüs en Markus) echt samen horen. Zelfs
de ‘zussen’ worden samen met de broers vermeld (telkens met het ‘en’
‘en’ (kai … kai in het Grieks) gewoon op één lijn, bij elkaar horend). Jakobus
en Joses (Jozef) worden wel eens samen als kinderen van ‘de andere Maria’
vernoemd, de echtgenote van Klopas. Zoals gezegd, als eretitel bij de naam van
hun moeder. -
Jakobus, de eerstgenoemde, is dus waarschijnlijk de oudste van de vier zonen van
Klopas. Hij wordt ‘de kleine’ genoemd in het evangelie, ‘ho mikros',
waarschijnlijk een bijnaam omdat hij wellicht vrij klein van gestalte was. Wij
zeggen meestal ‘de mindere’ om hem te onderscheiden van Jakobus ‘de
meerdere’, de zoon van Zebedeüs; deze laatste wordt de eerste martelaar van
de apostelen, kort voor het Paasfeest van 44, onder Herodes Agrippa I. Jakobus
‘de kleine’, de oudste van de 4 gebroers, wordt als eerste vermeld bij het
derde groepje apostelen (die in drie groepen worden opgesomd) en
Carle besluit hieruit dat Jakobus dus niet zomaar een bijlopertje was. De
verrezen Heer verschijnt later ook aan hem persoonlijk (1 Kor. 15,7). Hij wordt
de eerste bisschop van Jeruzalem na het vertrek van Petrus (Hand. 12,17) en
speelt een voorname rol bij het op één lijn krijgen van de Jood-christenen na
de baanbrekende toespraak van Petrus en het getuigenis van Barnabas en Paulus
rond de vraag of heiden-christenen heel de Joodse wet moeten onderhouden
(Hand.15,13). Samen met Petrus en Johannes is hij volgens Paulus een van de
kolommen van de kerk (Gal. 1,19). Later ontvangt hij van Paulus (die hem in Gal.
1,19 ook ‘broer van de Heer’ noemt) de bijdrage van de heiden-christenen
voor hun Joodse medechristenen die in nood zijn; op dat ogenblik lijken echter
de andere apostelen verdwenen te zijn uit Jeruzalem. Jakobus zal niet kunnen
beletten dat Paulus gevangen genomen wordt. Vermoedelijk schrijft hij in de
zomer van 56 de ‘Brief van Jakobus’, een heel Palestijns aandoend geschrift,
nauw verwant met de ‘Bergrede’ en in de lijn van de sociaalvoelende profeet
Amos en ook met parabelen in de trant van deze van zijn neef Jezus (bv. over de
‘spiegel’ in 1, 22-25). Hij zal wel gebruik gemaakt hebben van een goede
Grieks-beheersende secretaris. In de aanhef van de brief zegt hij eenvoudig:
Jakobus, dienaar van God en van de Heer Jezus, aan de 12 stammen van de
‘Diaspora’ (de Joodse christenen waren inderdaad ‘verspreid’ over het
hele Romeinse rijk). Meer hoefde hij niet te zeggen, men wist dat hij de
‘broeder’, een verwant van Jezus was. Volgens Flavius Josephus werd hij door
de mensen van Jeruzalem gestenigd tijdens een vacuüm tussen de plotse dood van
de procurator Porcius Festus en voor het aantreden van zijn opvolger Albinus.
De christen, Hegesippos, verhaalt dat ook wel maar last ook heel wat
legendarische details in over Jakobus. Een
vraag die nog voor de hand ligt: was onze neef-apostel ook zo kritisch tegenover
Jezus als zijn 3 broers? Volgens pater M.-J. Lagrange waarschijnlijk wel vóór
zijn aanstelling tot apostel. Maar de aanstelling van de apostelen zal
waarschijnlijk vrij vlug na het begin van Jezus’ openbaar leven gebeurd zijn
en dan kan je moeilijk
veronderstellen dat hij van dan af Jezus niet van harte zou volgen. Pater
Calme besluit zijn betoog door samenvattend te zeggen dat de zogenaamde broers
van Jezus geen kinderen waren van Jozef noch van Maria, maar zonen van 'de
andere Maria', de vrouw van Klopas. Op een of andere wijze waren ze wel verwant
met Jezus als zijn neven, waarschijnlijk langs Jozef. (Over
de andere 'broers' berichten we nog even in volgend nummer) Een
kleine terugblik en een droom Ben
Van Vossel Kardinaal
Jozef Cardijn stichter van de “Katholieke ArbeidersJeugd” (K.A.J.) was een
man van grote ideeën, weidse gebaren, grote getallen (soms nogal overdreven in
het vuur van het betoog) en van concrete situaties, die jonge arbeiders
uitnodigde om vanuit een grote visie (jullie zijn kinderen van God, waardevol in
zijn ogen) hun lot en de toekomst van hun lotgenoten in eigen hand te nemen.
Vanuit een klare visie, een scherpe beoordeling van de situaties, werken aan
concrete verwezenlijking: zien – oordelen – handelen. Het
was wel klein begonnen: zijn gerichtheid op en interesse voor de werkende
volksklasse kon hij reeds volop uitleven als onderpastoor te Laken, een wel
drukke, levendige parochie; met de neus gedrukt worden op een hoop wantoestanden
waarvan de jonge arbeid(st)ers de dupe waren. Hij ging de arbeiders opzoeken,
liep tegenstroom als ze naar hun werk trokken en had korte gesprekken. Klein
begonnen, ja, maar het werd een wereldbeweging, jonge arbeiders die zelf thuis
waren in de arbeidsplaatsen en daar iets van menselijkheid, menswaardigheid en
christelijke geest konden brengen en beleven. Het wondere is dat die levendige
onderpastoor en later stichter van die internationale beweging van jonge
arbeiders ook in goede relatie stond met de verschillende pausen. Pius XII,
Johannes XXIII en Paulus VI (kardinaal Montini, lang voordat hij paus werd).
Cardijn was in de wolken bij het verschijnen van Populorum Progressio (26 maart
1967!). Het was dan ook een belangrijke encycliek die duidelijk liet uitschijnen
dat de Kerk, tot in haar hoogste geledingen, echt geïnteresseerd was in het wel
en wee van de wereld en van de arme volkeren op de weg van de (economische,
kulturele en sociale) ontwikkeling. Zo belangrijk is deze encycliek dat de
Nederlandse bisschoppen hem voor hun vastenbrief (van 2007) nadrukkelijk en
uitgebreid ter sprake brachten. Cardijn
was in de wolken, ja, maar dat wil niet zeggen dat hij de trappers kwijtraakte.
Zijn realistische blik deed hem reeds lezen over de tekst heen. En hij richt dan
aan de paus ook een korte bedenking: “Eens
dat het onderricht van de encycliek gekend zal zijn, stelt zich een vraag –
misschien de allerbelangrijkste – die me voortdurend voor de geest komt. Deze
vraag heeft twee aspecten die nauw met elkaar verbonden zijn: 1
Hoe gaat men de arbeiders (in het bijzonder de jonge arbeiders) inlichten,
vormen en geestdriftig maken met het oog op de zending tot ontwikkeling die hun
eigen is: het probleem van de solidaire ontwikkeling van alle mensen, van alle
volkeren en van de hele mensheid zoeken, ontdekken en oplossen? 2
Wie moet deze voorbereiding, deze vorming verdelen met het oog op een engagement
in de integrale ontwikkeling, tenzij de geestelijkheid? En hoe moet die op haar
beurt voorbereid worden, en wel zodanig dat zij de arbeiders, zoals de encycliek
het zegt, daadwerkelijk kan helpen om zelf het voornaamste deel op zich te nemen
van de verantwoordelijkheid van hun ontwikkeling?...” De
schrijvers van het boek ‘Cardijn’ wijzen in onderstaande notitie op de
praktische zin van Cardijn en tevens op de waardering die Paulus VI voor hem en
zijn inzichten had: “De
stichter van KAJ ontwikkelt eens te meer de vereisten van een in het concrete
leven verankerd apostolaat en wenst dat in de Kerk een meer inductieve theologie
zou worden ontwikkeld, gevoed door het contact met de waarden van het
dagdagelijkse leven. Hij treedt in detail en gaat er zelfs toe over aan de paus
zijn waardering te geven omtrent een tijdschriftartikel dat het onderwerp
positief behandelt; en Paulus VI verzekert, met een vertrouwvolle eenvoud, dat
hij er nog diezelfde avond kennis van zal nemen. OEKRAÏNE,
DANKBAAR JEGENS BELGISCHE REDEMPTORISTEN Onlangs
ontving ik 2 dvd’s over de beginnende Oekraïense provincie van de
Redemptoristen. De provinciale overste van de toenmalige Belgische provincie der
Redemptoristen gaf gehoor aan de vraag van een Canadees bisschop die niet in de
mogelijkheid was om de pastorale zorg op te nemen voor de vele Oekraïense
inwijkelingen die een andere taal spraken en gewoon waren aan een andere
liturgie dan de Romeinse ritus; toch waren het christenen van de
Grieks-Katholieke ritus die met Rome verbonden waren. Pater Delaere werd naar
Canada gezonden en er werd contact gezocht met het Oekraïense thuisland en
patriarch (graaf) Andrei Cheptitzky. De
dankbaarheid van de Oekraïners ten overstaan van die Belgische Redemptoristen
die hen ter hulp zijn gekomen in Canada (waar ze uitgeweken waren omwille van de
armoede) en daarna in Galicië (in het toenmalige Polen en het huidige
West-Oekraïne) is werkelijk ontroerend. En ook hetgeen ze over die
Redemptoristen vertellen: hun geloof, hun mariale godsvrucht, hun verbondenheid
met het Oekraïense volk, hun toeleg op de Oekraïense taal, hun durf tegenover
de Duitse (lees nazistische) en Russische (lees: communistische) bezetters, hun
bekwaamheid in het onderwijs, hun gedrevenheid bij de volksmissies… Het heeft
de Oekraïners diep geraakt en de getuigenissen zijn echt ontroerend. Het
werk dat ze tot stand gebracht hebben: het volledig doen herleven van het geloof
in een volk, bij de kinderen en de volwassenen (zodat de oude mensen die deze
paters als kind nog gekend hebben er nog niet kunnen over zwijgen) heeft volgens
mijn inzicht te maken met de vreugde die deze paters hadden om die zending op
zich te nemen, de bekwame inzet en trouwe toeleg op het werk dat zich aan hen
presenteerde, het diepe geloof en de doorleefde godsvrucht die een onuitwisbare
invloed uitoefende op die eenvoudige bevolking. De figuur van pater Schrijvers
(een man om zalig te verklaren) had zowel de bekwaamheid van een bestuurder als
van een geestelijke leidsman. Het is echt te betreuren dat dit diepe geloof dat
op dit ogenblik nog steeds verder leeft in de Oekraïense kerk niet op zijn
beurt naar hier kan georiënteerd worden om een tegengewicht te vormen tegen de
kanker van het geseculariseerde geloof van het Westen. naar
een Pastorale brief van de Nederlandse Bisschoppen Zijn
we soms iets vergeten? Geraakt het ooit opgelost? We
mogen leven in een zich razendsnel ontwikkelende wereld. Althans wanneer je er
vanuit het Westen naar kijkt. Op veel gebieden, ook en vooral op het vlak van
het menselijk samenleven, de alledaagse samenleving gebeuren er week na week,
maand na maand zaken die je niet meer alle kan bevatten, waar mensen ook niet zo
heel lang bij stil blijven staan. Er is weer wat anders aan het gebeuren.
En nu is er weer dat… Ik
vernoem wat – alledaags geworden – zaken: echtscheiding, abortus als
voorbehoedmiddel, pornografie langs de teeveezenders, leegloop van de kerken, de
gsm, de gps, het internet, de problemen van het chatten van kinderen, de
WTC-torens, het drama Irak (Afghanistan ligt iets verderaf), de multiculturele
samenleving, het wereldwijde terrorisme, het drugprobleem bij de jongeren, het
tekort aan plaats in gevangenissen… Veel van die zaken gaan met heel wat van
onze tijd en onze aandacht lopen. In een en ander winden wij ons wel eens op. En
dan is er het gigantisch probleem van de armoede in de wereld. Bestaat dat nog?
Is dat nu nog niet opgelost? Hoelang doen we al aan 11.11.11, hoelang reeds
Broederlijk Delen… Hoelang zijn er reeds grootschalige geldinzamelingen en
bewustmakingsprogramma’s… En
als we nu eens zouden delen en de ontwikkeling stimuleren? 40
jaar geleden (40 jaar!) publiceerde Paus Paulus VI zijn encycliek Populorum
Progressio, ‘Over de ontwikkeling van de volkeren’ (26/03/67). “In
dit baanbrekende document over de ontwikkeling van de volken stelt hij het
onrecht aan de kaak, dat voortkomt uit de tegenstellingen tussen arm en rijk. De
paus roept de wereldburgers op tot een eerlijke verdeling van welvaart en noemt
ontwikkeling het nieuwe woord voor vrede. Ontwikkeling
van de hele menselijke persoon begint bij praktische solidariteit. Dat is het
elkaar kansen geven op een beter leven, door te zorgen voor voedsel, kleding,
een dak boven je hoofd. Als
tweede stap is algemene ontwikkeling nodig omdat mensen daardoor in staat zijn
zelf een beter leven op te bouwen. Volgens de paus zijn dit belangrijke
voorwaarden om te komen tot een blijvende vrede tussen de volkeren. De
kernwoorden in de encycliek zijn Justitia et Pax – gerechtigheid en vrede. Dat
is ook de naam van de Pauselijke en Bisschoppelijke Commissies die sindsdien
actief zijn. Door aan ontwikkeling te werken maken we onze liefde tot God en tot
de naasten concreet, naar het voorbeeld dat Jezus ons gegeven heeft.” Solidariteit
als navolging van God “Uit
de brief spreekt optimisme. De ontwikkeling van de afzonderlijke mens, van hele
volken en van de mensheid ligt binnen de mogelijkheden van de menselijke inzet.
Wij mensen zijn geroepen tot internationale solidariteit. Tegelijk zijn wij ons
bewust van de dubbelzinnigheid van ons menselijk hart. Maar in de kracht van
Gods Geest zijn wij tot veel in staat. Met
solidariteit bedoelt paus Paulus VI de hulpverlening van de rijkere landen aan
de armere landen. Solidariteit is de strijd tegen de honger. Het opbouwen van
een wereld waarin iedereen, zonder onderscheid van ras, godsdienst of
nationaliteit, een menswaardig leven kan leiden. Solidariteit betekent een
stijging van de productie en het delen van overschotten. Solidariteit verwijst
naar de uitbouw van hulpprogramma’s en de oprichting van een wereldfonds tot
hulpverlening aan misdeelde volkeren. De paus verwijst naar bilaterale en
multilaterale overeenkomsten, en een dialoog die leidt tot oplossing van de
schuldenlast (Populorum progressio, 45-55).” In
hun Pastorale brief wijzen de Nederlandese Bisschoppen er op hoe solidariteit en
verbondenheid (‘Geen mens is een eiland’) hun basis vinden in de wijze
waarop God zich geopenbaard heeft in Jezus Christus. Wie bij Jezus hoort moet
zich betrokken voelen bij het lief en vooral ook bij het leed en het tekort van
zijn medemens. “Wij
hebben lief, omdat Hij ons het eerst heeft liefgehad.
Maar als iemand zegt dat hij God liefheeft, terwijl hij zijn broeder haat
(= over hoofd ziet), is hij een leugenaar. Want als hij zijn broeder die hij
ziet niet liefheeft, kan hij God niet liefhebben die hij nooit heeft gezien.
Dit gebod hebben wij dan ook van Hem gekregen: wie God liefheeft moet ook
zijn broeder liefhebben.” (1 Joh.4,19-21) Barmhartigheid
en ... gerechtigheid “Paus
Benedictus XVI werkt in zijn eerste Encycliek Deus caritas est – God is liefde
– die band tussen barmhartigheid en gerechtigheid uit (nr. 25a en b). De
liefde tot de naasten is verankerd in de liefde tot God. De diaconie is een
wezenskenmerk van de Kerk, samen met de bediening van de sacramenten en de
verkondiging van het woord. Die diaconie strekt zich over de grenzen van de Kerk
heen uit tot allen die gebrek lijden. De politiek en de staat hebben de opdracht
om de maatschappij rechtvaardig te structureren. De Kerk heeft de taak om zich
in de strijd om de gerechtigheid te mengen langs de weg van de argumentatie.
Gerechtigheid vraagt om offers en de Kerk bevordert het opwekken van de
geestelijke en morele kracht die daarvoor nodig is. Daartoe inspireert de Kerk
de gelovigen en roept ons op actief te zijn in het openbare leven. De Kerk stelt
daartoe haar caritatieve organisaties ter beschikking (nr. 28a en b en 29).” Zien
we het nog zitten of geven wij het op? Paulus
VI was zeer optimistisch in zijn encycliek. Het was bemoedigend, hoopvol. Maar
als wij even wegkijken van onze computer, onze gsm even uitzetten, het
ontspanningsprogramma op de teevee uitschakelen, dan worden wij misschien
opnieuw bewust van de enorme noden van mensen over de hele wereld (dicht bij ons
niet uitgesloten). Welnu,
in 2000 hebben de regeringsleiders van 189 landen, waaronder Nederland en België,
een aantal afspraken gemaakt: de ‘Millenniumdoelen’. Vóór 2015 worden de
belangrijkste wereldproblemen van extreme armoede en uitsluiting, epidemieën,
milieubederf, gebrek aan voedsel, water, onderwijs en huisvesting aangepakt. Elk
land heeft zich ethisch verplicht om zich op zijn manier in te zetten om die
doelen in 2015 te bereiken. (…) “Internationale
spiritualiteit en solidariteit vragen om internationale soberheid. We kunnen
grenzen stellen aan de eigen groei, voorspoed en welvaart. We zullen sober
moeten zijn en meer moeten delen met anderen.” Ben
IK bereid? Wie
van ons is daartoe bereid? Of gaan we zeggen: Is het nu nog niet genoeg? Betaal
ik nu nog niet voldoende belasting? Mag ik me echt geen nieuwe PC, geen nieuwe
TV, geen nieuwe frigo, geen nieuwe auto permitteren? Hier staan we met ons
geweten. En als we nadenken weten we dat het zo niet verder kan. De bisschoppen
spreken van een “economie van het genoeg”. Eens kunnen zeggen: Ik heb dat
(op dit ogenblik) niet nodig. En dan aan solidariteit doen. Delen met die velen
die samen met mij aan de lange tafel zitten die over de hele wereld staat
opgesteld, en waar een hongerige wereld naar mijn overvol bord zit te staren… De
vasten is al lang voorbij. Populorum Progressio is 40 jaar oud. Is mijn geweten
ook verschrompeld of nog steeds gevoelig en heb ik nog een warm hart?
Met wie ga ik rond deze problematiek eens spreken en wat ga ik hiermee
aanvangen? HEER
MAAK MIJ TOT WERKTUIG VAN UW VREDE Heilige
Franciscus van Assisi Heer,
maak van mij een werktuig van uw vrede. Laat
me liefde brengen waar haat overwoekert. Laat
me vergeving brengen waar beledigd werd. Laat
me eendacht brengen waar tweedracht heerst. Laat
me waarheid brengen waar mensen dwalen. Laat
me geloof brengen waar getwijfeld wordt. Laat
me hoop brengen waar gewanhoopt wordt. Laat
me licht brengen waar duisternis heerst. Laat
me vreugde brengen waar droefheid is. En
moge ik bij dit alles zoeken, niet
zozeer om getroost te worden, dan
wel te troosten, niet
zozeer begrepen te worden, dan
wel te begrijpen, niet
zozeer bemind te worden, dan
wel te beminnen. Want
het is door te geven dat men krijgt, door
zichzelf te verliezen dat men vindt, door
te vergeven dat men vergeving bekomt en
door te sterven dat men verrijst tot eeuwig leven.
Paus
veroordeelt selectie ‘designer’ baby’s uit:
Site van Katholiek Nederland en
Reuters/AFP 25/02/2007 Paus
Benedictus XVI is op 24 februari fel van leer getrokken tegen kunstmatige
inseminatie, prenataal onderzoek en eugenetica. Dat deed hij in zijn toespraak
tot de Pauselijke Academie voor het Leven, een internationaal gezelschap van
medici, biowetenschappers, filosofen en moraaltheologen.
Zoeken
naar perfecte kind “In
ontwikkelde landen groeit de belangstelling voor het meest geavanceerde
biotechnologische onderzoek voor de introductie van verfijnde en extensieve
eugenetische methoden geschikt voor de obsessieve zoektocht naar het ‘perfecte
kind’”, aldus de paus.
Prenataal
onderzoek Benedictus
XVI veroordeelde de groeiende praktijk van zwangere vrouwen om hun vrucht te
laten onderzoeken op mogelijke afwijkingen. Volgens de paus
genereert prenataal onderzoek een eugenetische mentaliteit waarbij enkel
nog gezonde “designer baby’s” geboren mogen worden.
Aanvallen
op leefrecht De
paus riep de katholieken op zich te weren tegen alle praktijken die de “waarde
van het menselijk leven” bedreigen. Volgens de Heilige Vader wordt het
fundamentele recht op leven steeds vaker en heviger aangevallen. Die aanvallen
“nemen steeds nieuwe vormen aan”. Verslag
van een cursist
Voor
de 3e keer hebben we ons aangemeld om de iconencursus te volgen. Je kunt wel
zeggen dat we in de ban van iconen zijn geraakt. Vroeg opstaan om vanuit
Zeeuws-Vlaanderen op tijd in de Voskenslaan te arriveren waar we stipt om 8 uur
verwacht worden voor de Lauden. Het is heerlijk samen al biddend de dag te
beginnen. Vervolgens met z’n allen te ontbijten en ondertussen uitleg te
krijgen over de icoon en hoever we moeten geraken die dag. De nieuwelingen
krabben eens achter hun oor bij zoveel informatie en kunnen alles nog niet
overzien. Iedereen wordt gerustgesteld dat het allemaal goed komt en daar
vertrouwen we dan ook op. Al snel gaan we aan de slag, iedereen achter zijn
eigen tafel met spullen, en worden de dragers (planken) die al voorbewerkt zijn
geschuurd met verschillende soorten papier. Trots zijn we dat hij zo glad als
een spiegeltje aanvoelt. De volgende stap is het overbrengen van het voorbeeld
op de drager. Ook al hebben we dit eerder voorhanden gehad, het blijft toch een
precisiewerkje. Hier en daar hoor je wat zuchten en steunen en dit is nog maar
het begin!! Gelukkig kunnen we even om te ontspannen een kop koffie drinken en
krijgen we daarna een onderricht van pater Ben waar we iedere keer veel van
leren en ook met andere ogen de iconen bekijken. Zo leren we waarom een icoon er
niet “werelds” uitziet en waarom de mantels en het kleed van een bepaalde
kleur moeten zijn en waarom de ene keer het kindje Jezus naar zijn moeder kijkt
en de andere keer niet. Zo wordt elk aspect behandeld en motiveert het ons
opnieuw aan de slag te gaan. Soms kun je een speld horen vallen, er hangt een
sfeer van concentratie en eerbied voor hetgeen waarvoor en waarmee we bezig
zijn. Op de achtergrond klinkt religieuze muziek die mede de sfeer bepaalt. De
Eucharistie is het hoogtepunt van de dag om daarna van de heerlijke
zelfgemaakte soep van Linda te genieten. Helemaal hersteld van de
inspanning van de ochtend gaan we stevig aan de slag want de leiding is strak en
we moeten aan het eind van de dag klaar zijn met onze opdracht. Tussendoor nog
een half uur aanbidding en natuurlijk maken we tijd om af en toe de spieren te
strekken, wat te eten en te drinken en er wordt ook wel eens gelachen. De
innerlijke mens moet toch ook in conditie blijven. Aan het einde van de
inspannende dag slaat de vermoeidheid een beetje toe, zetten we alle iconen bij
elkaar op een rij en bekijken we het resultaat. Na gebed en Zegen vertrekken we
huiswaarts voldaan tevreden en dankbaar. Naarmate
de cursus vordert en we resultaat beginnen te zien van hoe het zal worden,
ontspannen we wat meer en wordt de groep hechter. De 6e en laatste dag is heel
speciaal. We mogen een uurtje langer slapen en worden pas om 10 uur verwacht. Na
de Lauden, het onderricht en de H. Mis worden we verrast met een etentje en
foto’s van de afgelopen cursusdagen. ’s Middags worden onze iconen elk
afzonderlijk gewijd, wat voor ons allemaal een heel plechtig moment is. Vol
vreugde, dankbaarheid en alle eer aan Hem maar ook een klein beetje trots
op onszelf mogen we eindelijk onze icoon mee nemen en een mooie centrale plaats
geven in ons huis. (Marleen) Alain
Raick verantwoordelijke
Gemeenschap Maria-Kefas Meinummer
2007 'Samen op Weg'
“I
had a dream!” Wie kent deze uitspraak niet van Martin Luther King? Een droom
waarin mensen van alle rassen en kleuren in vrede kunnen leven. Wie heeft geen
dromen? Ik hoop alleszins dat jullie nog dromen hebben. En omdat we geschapen
zijn naar Gods beeld en gelijkenis, moet dus ook God dromen hebben! Ik
heb dit in vorig nummer (van 'Samen op Weg) al aangehaald en in Bonheiden hebben
we het uitgediept: volgens Johannes-Paulus II had God inderdaad een droom voor
het echtpaar. In Genesis 1, 27 staat er “En God schiep de mens als zijn beeld;
als het beeld van God schiep Hij hem; mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen.” Onze
vorige paus was een zeer biddend mens, met een grote liefde voor het echtpaar en
het gezin, en als jonge priester in Polen heeft hij honderden koppeltjes
begeleid en daarbij veel nagedacht, gebeden en ervaring opgedaan. Zijn
pontificaat heeft hij geopend met de woorden: “Wees niet bang” en dat geldt
ook als je kennis maakt met Gods droom voor man en vrouw. Gods droom is namelijk
overweldigend, de lat lijkt zo hoog te liggen dat de wereld eerder geneigd is er
onderdoor te wandelen. Maar… jullie zijn in de wereld, maar niet van de
wereld! Wat
Gods droom is, haalt Karol Wojtyla (Jo.-Paulus II) uit Genesis 2, 18-26. Je moet
het helemaal lezen, maar de sleutels zijn wel: “Toen zei de mens: Eindelijk,
dit is been van mijn gebeente en vlees van mijn vlees!” en ook: “Daarom zal
een mens zijn vader en zijn moeder verlaten en zich hechten aan zijn vrouw, en
die twee zullen één zijn.” Het
eerste in het hebreeuws betekent de hele mens, lichaam en geest, en het tweede
gaat over het één zijn van man en vrouw in het huwelijk, naar Gods droom en
volledig in het verlangen van de mens, die eindelijk de andere gevonden heeft
die bij hem past. Anders
dan de engelen hebben we een lichaam en zijn zo zichtbaar in de wereld. Gods
droom voor het echtpaar is dat de twee-eenheid van man en vrouw een zichtbaar
beeld is van de drie-eenheid van de Vader, de Zoon en de H. Geest. Ik
zei toch dat het overweldigend is, maar Adam en Eva hadden er in het begin
blijkbaar geen moeite mee, want: “Ze waren beiden naakt, de mens en zijn
vrouw, maar ze voelden geen schaamte voor elkaar.” Die naaktheid moet je
begrijpen, zowel naar lichaam als naar het innerlijke, er was harmonie, geen
dominantie van de een op de ander. Het
probleem is dat door de zondeval de mens niet alleen deze harmonie, maar ook het
begrijpen van deze droom verloren is. Lap,
zie je wel, eerst het goede nieuws, en dan is alles kapot, wat hebben we daar nu
aan? Jezus
was begaan met het huwelijk en kende Gods droom. Deze brief is te kort om hierop
dieper in te gaan, maar het goede nieuws is dat Jezus alles heeft hersteld. Na
zijn Verrijzenis en Hemelvaart zendt Hij de H. Geest, de Helper die ons alles
zal doen herinneren wat Hij aan zijn apostelen geleerd heeft. Aan de Kerk heeft
hij de sacramenten toevertrouwd als de nodige middelen op weg naar God. Beste
vrienden, God geeft ons de kracht om te streven naar zijn droom. Door het
Doopsel zijn we zijn kinderen geworden, door het Vormsel ontvingen we nogmaals
zijn Geest in ons hart, door het huwelijkssacrament geeft God ons zijn genade om
die droom waar te maken. In elke eucharistieviering wordt hernieuwde kracht
gegeven. Natuurlijk beantwoorden we hier niet altijd aan en ook maar in het
klein, maar zoveel als we willen kunnen we Hem om vergiffenis en nieuwe kracht
vragen. Naar Pinksteren toe kunnen we vragen om de H. Geest opnieuw in ons te
laten doorbreken, want de H. Geest woont in ons hart en als we naar Hem
luisteren en ons hart voor Hem open stellen, zullen we die zachte roepstem van
God horen en weten wat Hij ons vraagt. Hij leert ons stilaan weer Gods droom
kennen: hoe we door de liefdevolle eenheid van man en vrouw, weer God aan de
wereld kunnen tonen. Ik
zie dat heel concreet: de tederheid tussen man en vrouw is beeld van God, de
trouw doorheen goede en kwade dagen is beeld van God, de liefdevolle blik naar
je echtgenoot is beeld van God, vergiffenis geven is beeld van God, een
stralende vrouw die zich bemind weet is beeld van God, … je mag dit zelf
aanvullen. Omwille
van dit alles, is het thema van de Gezinsdag (ingericht door de Gemeenschap
Maria-Kefas en hoger reeds aangekondigd
in dit nummer van 'Geloof en Leven) op 16 september 2007: WaterWordtWijn.joh2.
Een verwijzing naar Kana, waar Jezus het huwelijksfeest redde en al een
voorsmaakje gaf van Gods vrijgevigheid. We willen de gehuwden nogmaals de
vaardigheden en houdingen aanreiken die van het huwelijk een mooi avontuur
kunnen maken en een weg om samen af te leggen, met anderen. Gastspreker is Hilde
Kieboom, stichteres van de Sint-Egidiusgemeenschap van België en een begenadigd
spreekster. U mag nu al inschrijven. Met
alle zussen en broers van de Gemeenschap Maria-Kefas, één in gebed. BRUGSE
MADONNA VAN MICHELANGELO GERED UIT ZOUTMIJN Het
is nu eens echt oud (goed) nieuws, maar vaak aan weinigen bekend. Een mooi
beeldhouwwerk van Michelangelo, Madonna met Kind, bevindt zich op het altaar in
de zuidelijke zijbeuk van de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Brugge (De Romaanse kerk
werd in 1116 door brand verwoest; de huitdige Gotische kerk is een hoogtepunt
van deze kunststijl). Het
beeld is Tijdens
de Franse revolutie, die zich wel eens uitte in fanatieke vernielingszucht, werd
de Brugse Madonna bedreigd, maar Brugse burgers hebben het beeld op vindingrijke
wijze weten te verbergen voor de vernielers van kerkelijke kunst. Tijdens
W.O.II konden ook de Duitsers hun
handen niet afhouden van dit kunstwerk. Terwijl de geallieerden oprukten
beslisten ze om o.a. deze Madonna van Michelangelo niet "in handen te laten
vallen van Amerikaanse Joden" en ze over te brengen naar de zoutmijn in
Alt-Ausse in Oostenrijk. Een 'Kriegsverwaltungsrath' Ludwig Seiterich,
kunstminnaar, katholiek en anti-nazi, trachtte het bisdom nog op de hoogte te
brengen van dit plan maar de povere maatregelen die men nam volstonden niet om
het Duitse plan te beletten. In de nacht van 6 op 7 september 1944 werd het
beeld 'geëvacueerd' door Duitse mariniers. In een vrachtwagen van het Rode
Kruis ging het naar Antwerpen, dan per
boot over de Schelde langs Nederland en Duitsland naar de zoutmijn nabij
Salzburg. Het Opperbevel van de Wehrmacht schreef in een brief aan Bisschop
Lamiroy dat 'Duitsland Europa niet had kunnen redden maar wel zijn kunstschatten'.
De mijntoegang werd wel gedynamiteerd. In 1945 ontdekten Amerikanen de
bergplaats met o.m. de madonna (zie foto blz. 85). |