GELOOF EN LEVEN Jg 112 (2007) nr 3

 

GESPREK MET DE DRIEËNE GOD

MARIA IN DE VISIE VAN LOUIS-MARIE GRIGNION DE MONTFORT

GEZINSWEEKEND TE BONHEIDEN

OUD-TESTAMENTISCHE CHRISTOLOGISCHE TYPOLOGIEÊN (4) NOACH Ben Van Vossel

LIEVE JEZUS

GETUIGENIS OVER BRUSSEL ALLERHEILIGEN 2006  Jeanne Verhelst- GMK

DE EERSTE MISSIEVLUCHT NAAR KONGO

DE “BROERS” VAN JEZUS (2)

CARDIJN GOES INTERNATIONAL

OEKRAÏNE, DANKBAAR JEGENS BELGISCHE REDEMPTORISTEN

40 JAAR  POPULORUM PROGRESSIO     naar Pastorale brief van de Nederlandse Bisschoppen

HEER MAAK MIJ TOT WERKTUIG VAN UW VREDE      Heilige Franciscus van Assisi

PAUS OVER SELECTIE VAN BABY’S

ICONENCURSUS     Verslag van een cursist

MEDEDELING van de Fraterniteit van Maria

ENGAGEMENTEN IN DE GEMEENSCHAP MARIA-KEFAS

GEZINSDAG ZONDAG 16 SEPTEMBER 2007

BOEKENNIEUWS

CASEY, Michael -, Naar God. Inleiding tot de praktijk van het gebed.
LUBICH, Chiara -, Wijsheid van Chiara Lubich. 365 teksten voor elke dag van het jaar

IN DE VREDE VAN DE HEER

GEBED TOT JEZUS  GG

SAMEN OP WEG IN HET GEZIN   Alain Raick

BRUGSE MADONNA VAN MICHELANGELO GERED UIT ZOUTMIJN

MYSTERY IN GHENT  Father John and the Just Judges  door Neb Singleberg


  ACTIVITEITEN BAGDAD - BEZINNINGEN - BIJBEL - BOEKEN - CHRISTEN in de WERELD - CHRISTELIJKE VORMING - CHRISTUS EN DE ISLAM -   DIAPRESENTATIES - EVANGELIE-LEZING - GEBED GEBEDSGROEP - GETUIGENISSEN - GEZINICONEN - INHOUD - JEZUS - JONGEREN - KERK en GELOOF - KERK WERELDWIJD - Figuren uit de KERKGESCHIEDENIS - KINDEREN - KUNST - LITURGIE - MEDIA -- MARIA - MARIA-KEFAS MORAAL - NADENKERTJES - NIEUW - NUMMERS - PARAY L.M. - PINKSTERSPIRITUALITEIT - PREKEN - ROEPING - SOCIALE INZET - SPIRITUALITEIT  THUISPAGINA UITZICHT - VERHALEN - VERVOLGINGWETENSCHAP - ZENDING -  ZONDAGSEVANGELIES in diapresentaties

 

MARIA IN DE VISIE VAN LOUIS-MARIE GRIGNION DE MONTFORT

 

Priester de Montfort was 39 jaar. Maar zijn onafgebroken missionariswerk in West-Frankrijk vooral in de volksmissies, met daarbij een leven van (in onze ogen overdreven) versterving (vasten, geseling en boetepraktijken), hadden zijn krachtig gestel ondermijnd; misschien nog het meest de vermoedelijke vergiftigingspoging door Hugenoten die het succes van de missiearbeid van de missionaris niet konden verkroppen. Volgens de meeste biografen van de Montfort is deze vergiftigingspoging de echte oorzaak van zijn voortijdige dood. Dit is nu niet meer te achterhalen. In juli 1712 was hij ten einde krachten (na zijn missiearbeid in het bisdom Luçon / Vendée) en kwam hij wat rusten in La Rochelle (meer naar het zuiden tussen Nantes en Bordeaux aan de Atlantische oceaan in de Charentes).

 

Van persoonlijke beleving tot publicatie

Eerst preekt hij daar nog een retraite in het Sint-Lodewijkziekenhuis, waarbij ook heel wat buitenstaanders naar de avondsermoenen komen luisteren. Maar na enkele weken trekt hij zich terug in zijn kluis van Sint-Eligius. Hij wil nu neerschrijven waar hij van leefde en wat het geheim was achter zijn vruchtbaar missiewerk: ‘De volmaakte Godsvrucht tot de Maagd Maria’. Het moet vlug gaan, want in september moet hij weer volop aan de slag. Met zijn ganzenpen schrijft hij 158 bladzijden vol. In zijn jeugd had men hem de godsvrucht tot de ‘Onbevlekte’ bijgebracht (o.m. zijn moeder) en tijdens zijn seminarietijd in Saint-Sulpice (Parijs) was daarop voortgebouwd. Maar aan de universiteit had hij geleerde doctoren van de Sorbonne een heel ander lied horen zingen:‘Dat volkse gedoe doet tekort aan de ernst van het christelijk geloof’. Maar Grignion de Montfort had in zijn verlangen naar Christus (de Gekruisigde, de Goddelijke Wijsheid), de weg ontdekt die hem op de meest volmaakte en eenvoudige wijze kon verenigen met het goddelijk Hart van Jezus: een tedere godsvrucht tot de heilige Maagd. Wij kunnen ons nog moeilijk indenken hoe sterk de gelovige omgang is geweest van Grignion met Maria. In zijn biografie is vaak sprake van onschuldige kinderen of eenvoudige gelovige mensen die getuige waren van zijn gesprek met “de wondermooie Witte Dame”.

De ontdekking van Maria’s permanente opdracht in het heilswerk deelde hij ook graag mee aan de mensen om zich heen. Maar “Opdat (de ware vereerder van Maria) voortaan niet meer zo zeldzaam zou zijn, heb ik de pen ter hand genomen, om op papier te zetten wat ik, in ’t openbaar en in ’t bijzonder, vele jaren lang, met vrucht in mijn missies verkondigd heb”.

Hij heeft het boek niet zelf gepubliceerd. Hoe dat kwam? Tot zijn dood in 1716 heeft hij onafgebroken moeten rondtrekken om te preken; bovendien voorzag hij dat het boekje en zij die het zouden lezen zouden aangevallen worden maar dat het vrucht zou dragen “in gevaarvolle tijden, die meer dan ooit op komst zijn”. Maar ook zijn opvolgers gaven het niet uit. In 1793 werd het samen met andere kostbare documenten in een kist gesloten en onder de grond verstopt. Na de terreur op het einde van de 18de eeuw (Omwenteling en Franse Revolutie) kwam het weer boven water, maar nog werd het niet gepubliceerd. In 1842 tenslotte werd het opnieuw ontdekt, nog net op tijd om ingebracht te worden met de stukken die voor zijn zaligverklaring moesten dienen.

 

De Ware Godsvrucht tot de heilige Maagd Maria

In zijn kluis van Sint Eligius schrijft hij over de volmaakte godsvrucht tot Maria. Hij valt echt met de deur in huis als hij schrijft: “Door de allerheiligste Maagd Maria is Jezus ter wereld gekomen, door haar moet Hij ook in de wereld regeren” (nr.1). Over het eerste deel van die zin zal weinig discussie zijn. Het tweede deel leidt hij hieruit af dat de rol in het heilsplan die aan Maria werd gegeven niet van haar werd afgenomen.  Eigenlijk berust heel zijn betoog daar op. In nr. 49 klinkt het juist hetzelfde: “Door Maria is het heil van de wereld begonnen, door haar moet het ook voltooid worden”.  Maar vooraleer te gaan steigeren bij zo’n uitspraak, alsof Jezus’ plaats als redder en enige Middelaar tussen God en de mens wordt aangevallen, moeten we luisteren naar zijn bedoeling: God heeft Maria willen nodig hebben om tot ons te komen (en dit kunnen we opnieuw niet ontkennen) dan is zij in feite voor de mens noodzakelijk om tot hun einddoel te komen. We stellen dan de vraag waarom dat zo is, waarom de Godsvrucht tot Maria zo belangrijk (hij zegt ‘noodzakelijk’) is? Zijn antwoord: omdat ze een onfeilbaar middel is om de vereniging met Jezus te bereiken. Dat klinkt ook weer iets te radicaal (sommigen zullen zeggen, ‘onjuist’, ‘geforceerd’, ‘godslasterlijk’) maar hij dwaalt echt niet af van de grote christelijke visie: “Jezus Christus, onze Verlosser, waarlijk God en waarlijk mens, moet het laatste doeleinde zijn van al onze devoties. Indien wij ijveren voor een degelijke godsvrucht tot de allerheiligste Maagd, is dit enkel en alleen … om Jezus Christus volmaakt te vinden, teder te beminnen en getrouw te dienen (nr. 62). Immers, wij behoren helemaal aan Jezus toe, die ons met zijn kostbaar bloed heeft gekocht (nr. 68). Zoals we slaaf waren van het kwaad, willen we nu helemaal aan Jezus toebehoren. Welnu, “datzelfde doet men door deze devotie tot Maria; wij verzaken aan de kwade, aan de wereld, aan de zonde en aan onszelf en wij geven ons geheel aan Jezus Christus door de handen van Maria” (nr. 126). “Het is Jezus die ons verlost, die ons ophelpt naar de Vader; we steunen helemaal op de verdiensten van Jezus” (nr. 84). Maar in het volgend nummer klinkt het opnieuw: “Door Maria is Jezus Christus tot ons gekomen, door haar moeten wij tot Hem gaan” (nr. 85). “Hoe meer een ziel aan Maria is toegewijd, des te meer zal zij aan Jezus Christus toegewijd zijn” (nr. 120).

 

Aan Maria toegewijd

Daarom zal Louis-Marie Grignion de Montfort in zijn “Gebed van toewijding” heel zijn persoon aan Maria toewijden, lichaam en ziel, alles wat hij bezit of zal bezitten, en alle inwendig en geestelijk goed (goede werken, deugden en eventuele verdiensten), op elk moment en voor de eeuwigheid tot meerdere eer en glorie van God.

Deze spiritualiteit van Louis-Marie Grignion de Montfort hebben wij in de praktijk beleefd gezien bij een paar mensen die we ons nog herinneren door hun voorbeeldig en vruchtbaar leven: de zalige priester Edward Poppe van Temse (‘Door Maria tot Jezus’, ‘Een kind van Maria gaat nooit verloren’), pater Kolbe en paus Johannes-Paulus II (de Poolse paus Karol Vojtyla), wiens wapenspreuk deze van Grignion de Montfort zelf was: ‘Totus tuus ego sum’, ‘Ik ben geheel van U’.

Met profetische en wat bombastische woorden beschreef de Montfort de mensen die zich helemaal aan Maria zouden toewijden: “Zij zullen het tweesnijdend zwaard van Gods woord in de mond houden, de bebloede standaard van het kruis op hun schouder dragen, het kruisbeeld in de rechter-, de rozenkrans in de linkerhand, de heilige namen van Jezus en Maria in het hart en de zedigheid en versterving van Jezus Christus in heel hun gedrag… Zij zullen opstaan op bevel van de Allerhoogste en Maria zal hen vormen om Gods rijk over dat van de goddelozen uit te breiden” (nr. 59).

 

ENIGE OUD-TESTAMENTISCHE CHRISTOLOGISCHE TYPOLOGIEÊN (4)

Samenstelling: Ben Van Vossel

4 NOACH, DE RECHTSCHAPENE

 

In Genesis 6 lezen we dat God spijt kreeg “dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en Hij was er zeer verdrietig om. 7 En Jahwe zei: `Ik ga de mens, die Ik geschapen heb, van de aardbodem wegvagen, zowel de mens als het vee en de kruipende dieren en de vogels in de lucht, want het spijt Mij dat Ik ze gemaakt heb.’ 8 Alleen Noach vond genade in de ogen van Jahwe. 9 Dit is de geschiedenis van Noach. Noach was een rechtschapen man; hij bleef te midden van zijn tijdgenoten een onberispelijk leven leiden en hij richtte zijn schreden naar God” (Gen.6,6-9).

Dit artikel geeft maar weinig echte typologie maar eerder een bezinning rond de figuur van Noach (de Noë uit onze 'Gewijde Geschiedenis' van vroeger).

 

Bijbelverhaal?

Je zou kunnen zeggen dat het verhaal van Noach geen origineel Bijbels verhaal is. Verhalen over overstromingen, tsunami’s en zelfs over ‘zondvloeden’, die als straf voor menselijke tekortkomingen door God of door de goden over de mens losgelaten worden, tref je in verschillende versies aan bij de oude volkeren in het Tweestromengebied. Zo in het Gilgamesh-epos, dat tot ons gekomen is in verschillende versies, o.a. een versie uit de bibliotheek van Assjoerbanipal van Ninive (7de eeuw voor Christus). Op de 11de van de 12 schrijftafeltjes vertelt een van de voorvaderen van Gilgamesj, Oet-napisjtim (een soort Babylonische Noach), hem het verhaal van de zondvloed en geeft hem een legendarisch kruid dat onsterfelijkheid zou verlenen; een slang ontrooft hem echter dat kruid en hij ziet in dat de onsterfelijkheid niet voor de mens is weggelegd. Toch mag je zeggen dat het verhaal van Noach en de zondvloed een Bijbels verhaal is, omdat het zich zo echt in de Bijbel heeft ingepast. De thematiek van het verhaal van de zondvloed is overigens niet onder één noemer te brengen.

 

Een verhaal over zonde en haar kwalijke gevolgen

Op de voorgrond van het Noach-verhaal staat natuurlijk het zondige leven van een groot aantal mensen; de zondvloed wordt dan als straf voor hun zondig leven geduid. Dit was een diepe overtuiging bij de latere Joodse mensen: zonde brengt onheil, zonde voert naar de ondergang van de individuele mens en van de mensheid. Zonde gaat in tegen het goede plan dat God met zijn schepping en met de mens in het bijzonder heeft. Zonde brengt daar wanorde in en is een opstand tegen God.

We staan met dit verhaal duidelijk in een reeks verhalen over zonde en straf. Eerst de zondeval van Adam en Eva met de verdrijving uit het Paradijs, dan de broedermoord en het zwerversleven van Kaïn, en nu dit verhaal over de slechtheid van de mens met daarop volgend de zondvloed. Het was blijkbaar een vaststelling van de latere Joodse mensen dat de zonde bijna ingeboren lijkt in de mens. Nog later zal Paulus in zijn Romeinenbrief niet veel enthousiaster doen over de mensheid die zich van God afkeert. Niet te verwonderen dat we zijn gaan spreken over de erf-zonde. Maar is ónze ervaring zoveel anders dan die van de mensen uit die tijd? Uit die primitieve tijd? En wij werden nochtans eeuwenlang beïnvloed door de christelijke boodschap! Toch zijn er de eeuwen door spijtige dingen gebeurd, in het groot en in het klein… Spijtige dingen. Zonde! God wordt in het verhaal van de zondvloed ook heel menselijk voorgesteld; Hij speelt als het ware mee in dat schouwtoneel. Hij vindt het ook allemaal zo spijtig. Hij bedoelde het zo goed met zijn schepping, Hij had de mens zo groot gemaakt dat Hij Hem met een vrije wil geschapen had… Maar daar lag nu juist de oorsprong van het probleem. Doordat Hij de mens zo groot maakte, met een vrije wil, had Hij hem de mogelijkheid geschonken om ‘ja’ maar ook … om ‘nee’ te zeggen tegen God, om m.a.w. in te gaan tegen Gods bedoeling met zijn eigen leven en met zijn daden…

 

Een verhaal over hoop en vrede

- Maar zoals in die vorige zonde- en bestraffingsverhalen, is er ook in dit verhaal van de zondvloed een klein hoopvol lichtje. Niet heel de mensheid gaat ten onder. Een man en zijn gezin worden gered.

- Die man, Noach wordt ‘rechtvaardig’ genoemd, een mens die beantwoordt aan Gods droom over de mens. En door die man wordt ook de schepping gered. En uiteindelijk komt er licht. Zelfs een regenboog met de belofte dat God de mens nooit helemaal laat vallen.

- De duif met haar takje dat ze de tweede keer aanbrengt is ook symbool van vrede geworden, vrede in dit geval tussen God en de mens.

In deze enkele aandachtspunten uit het Noachverhaal kunnen we ook het gelaat van Jezus herkennen (zie verder).

 

Verwijzingen naar Jezus?

Waar liggen nu de typologische toepassingen naar Jezus toe? Er zijn weinig strikt Nieuwtestamentische verwijzingen, wel heel wat andere vergelijkingspunten, sommige vanuit de liturgie, of de kerkvaders of overwegingen vanuit de Bijbel.

Afstammeling

Als Lucas de stamboom van Jezus geeft, langsheen de stamboom van Jozef, stellen we vast dat daar wel allerlei zondige mensen in voorkomen, maar ook Noach wordt er vermeld, Noach, de rechtvaardige, in die lijn is het niet moeilijk om Jezus te situeren. “Deze Jezus nu was bij zij optreden ongeveer dertig jaar. Hij was, ‘in de opvatting der mensen’, de zoon van Jozef, de zoon van Eli, de zoon van Mattat, de zoon van Levi, de zoon van Melchi, de zoon van Jannai, de zoon van Jozef, Lk.3,25 de zoon van Mattatias (…) Sem, de zoon van Noach, de zoon van Lamech, 37 de zoon van Metuselach, de zoon van Henoch, de zoon van Jered, de zoon van Mahalalel, de zoon van Kenan, 38 de zoon van Enos, de zoon van Set, de zoon van Adam, de zoon van God” (Lk.3,23-25.37-38).

 

Heraut van gerechtigheid

In  2 Petrus 2,5 krijgen we dan een omschrijving van Noach: “Evenmin heeft Hij (God) de wereld van de voortijd gespaard; Hij heeft alleen Noach, de heraut der gerechtigheid, met zeven anderen behoed, toen Hij de zondvloed bracht over die wereld van goddelozen”.  Heraut of verkondiger van de gerechtigheid lijkt hier dan te betekenen dat hij, in zijn persoon en zijn manier van leven een levende uitbeelding was van hoe je eigenlijk zou moeten leven als je aan Gods droom wilt voldoen.  Dat wordt kort gezegd in deze andere tekst uit het boek Genesis: “Alleen Noach vond genade in de ogen van Jahwe. 9 Dit is de geschiedenis van Noach. Noach was een rechtschapen man; hij bleef te midden van zijn tijdgenoten een onberispelijk leven leiden en hij richtte zijn schreden naar God” (Genesis 6,8-9).

‘Heraut van de gerechtigheid’.  Hierbij sluit het thema aan van “leven volgens Gods verlangen”. Dan wordt duidelijk hoe Noach als een soort voorafbeelding van Jezus is op dat vlak.

“Noach was een rechtschapen man; hij bleef te midden van zijn tijdgenoten een onberispelijk leven leiden en hij richtte zijn schreden naar God” (Gen. 6 ,9).

Ten overstaan van de Joodse leiders die hij in tegenwoordigheid van de overspelige vrouw overtuigt van hun schuld (Joh. 8,7-9) durft Jezus zeggen: “Wie van u kan aantonen dat Ik zonde gedaan heb? Als Ik waarheid spreek, waarom gelooft gij Mij dan niet? ” (Joh. 8,46).  

De volgzaamheid

- Een opvallende gelijkenis (ik durf hier niet spreken van typologie) tussen Noach en Jezus is de “gehoorzaamheid”, de volgzaamheid, het ingaan op God verlangen wat ons ook doet denken aan het geloof van Abraham. Over de reactie van Noach op de wat absurd lijkende opdracht die hij te doen krijgt, lezen we

“Noach deed dit; alles wat God hem geboden had, voerde hij uit” (Gen. 6,22) en ook in een volgend vers uit Genesis: “En Noach deed alles wat Jahwe hem geboden had” (Gen. 7,5). Hoe sterk vinden we die volgzaamheid niet terug bij Jezus in zeer veel Bijbelteksten en hoe Hij die volgzaamheid ook aan zijn leerlingen leert (bv. in het Onze Vader: ‘Uw wil geschiede op aarde als in de Hemel’):

Over de bedoeling van al wat Hij doet zegt Hij: “Ik kan niets uit Mijzelf: Ik oordeel naar wat Ik hoor en mijn oordeel is rechtvaardig, omdat Ik niet mijn eigen wil zoek, maar de wil van Hem die Mij zond” (Joh. 5,30).

Wat was trouwens zijn eigenlijke levensdoel: “Ik ben immers uit de hemel neergedaald, niet om mijn eigen wil te doen, maar de wil van Hem die Mij gezonden heeft” (Joh. 6,38)

En dit allesomvattende woord: “Mijn spijs is, de wil te doen van Hem die Mij gezonden heeft en zijn werk te volbrengen” (Joh. 4,34).

 

Het noeste verlossingswerk

Ik las nog een mooie toepassing van de arbeid van Noach aan de ark en het verlossingswerk van Jezus. “Stuk na stuk, nagel na nagel, plank na plank kwam de ark stilaan tot stand. Op dezelfde manier wordt het verloste volk van God in Jezus samengebracht, man na man, vrouw na vrouw, gelovige na gelovige, berouwvolle zondaar na berouwvolle zondaar.  Zoals Noach Gods ark bouwde, zo bouwt Jezus een verlost huisgezin voor God. Deze vergelijking is niet zo ver gezocht omdat in de Hebreeënbrief hetzelfde gezegd wordt van Mozes: “Hij (Jezus) is groter eer waardig gekeurd dan Mozes, voor zover namelijk de bouwer meer waard is dan het huis dat hij bouwt. Ieder huis wordt door iemand gebouwd en de bouwheer van alles is God. Mozes was inderdaad getrouw in heel Gods huis, maar als dienaar, om te getuigen van de woorden die God zou spreken. Christus echter is getrouw als zoon, aangesteld over het huis van God. En dat huis zijn wijzelf, als wij tenminste ons vertrouwen en de hoop, die onze trots is, ongeschokt bewaren tot het einde” (Hebr.3,3-6).

In de patristiek (de studie van de oudere Kerkvaders) wordt de ark van Noach, waardoor mensen gered werden van de watervloed, soms vergeleken met het hout van het kruis, waardoor wij gered werden.

 

Bespotting

Wij weten niet hoe de menigte gereageerd heeft op het schijnbaar zinloos werken van Noach aan een grote ark hoog op droge grond. In het Oude testament wordt het niet met zoveel woorden gezegd. De Koran (Qur’an) heeft het verhaal kleurrijker uitgeschilderd met een zeer menselijk detail : “38 En hij was de ark aan het bouwen en steeds wanneer de leiders van zijn volk hem voorbijgingen, bespotten zij hem. Hij zeide: “Als gij ons bespot, zullen wij u (later) bespotten zoals gij (ons) nu doet, 39 Dan zult gij weten wie het is, over wie een vernederende straf komt en op wie een blijvende straf zal rusten” (Soera 11,38-38).

Was het inderdaad geen absurd iets, een grote boot bouwen op het droge, terwijl er helemaal geen dreiging van water was in de wijde omtrekt? Het is natuurlijk geen echt Bijbelse typologie maar een interessante toepassing van de bespotting die Jezus overkwam. Toen Hij aan het kruis hing en zwoegend zijn reddingswerk  (zoals Noach zwoegde aan de constructie van de ark), krijgt ook Hij met de spot van het volk te maken: “In dezelfde geest zeiden de hogepriesters met de schriftgeleerden en oudsten spottend: Anderen heeft Hij gered, maar zichzelf kan Hij niet redden. Hij is toch de koning van Israel. Laat Hem nu van het kruis afkomen, dan zullen we in Hem geloven. Hij stelt vertrouwen in God; laat Die Hem nu bevrijden, als Hij behagen in Hem heeft. Hij heeft immers gezegd: Ik ben de Zoon van God!’ Zelfs de rovers, die samen met Hem gekruisigd waren, voegden Hem soortgelijke beschimpingen toe” (MT.27,41-44).

 

Gelovig vertrouwen

In de Hebreeënbrief wordt als voorbeeld van gelovigen ook Noach vermeld: “Door het geloof heeft Noach, na door God te zijn gewaarschuwd voor wat nog niet te zien was, met grote zorg de ark gebouwd, om zijn huisgezin te redden. Door zijn geloof heeft hij de wereld veroordeeld en zelf de gerechtigheid van het geloof verworven” (Hebr.11,7).

Die grote zorg voor het huisgezin van God drukt Jezus sterk uit in de gelijkenis van de Goede Herder: “Ik ben gekomen, opdat zij leven zouden bezitten en wel in overvloed. Ik ben de goede herder. De goede herder geeft zijn leven voor zijn schapen.” (Joh. 10,10-11). In Jezus vinden we dat gelovig vertrouwen op de Vader het sterkst uitgedrukt in zijn lijden en sterven, vooral in dat laatste woord: “Toen riep Jezus met luider stem: ‘Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest’ ” (Lk. 23,46). ‘Ondanks alles, ondanks de vaststelling dat heel mijn levensproject op niets lijkt uit te lopen, ondanks de verwerping door mijn eigen volk … vertrouw Ik mij helemaal toe aan U’.

 

De ark als het graf – de nieuwe aarde als de opstanding

Een gelijkenis, zonder daarom thuis te horen de “typologie” is het lange tijd opgesloten zijn van Noach en zijn familie in de ark en hun wedergeboorte op een opgefriste, gezuiverde aarde en anderzijds Jezus opgesloten zijn in het graf en zijn opstanding ten leven waarin Hij allen betrekt die bij Hem aansluiten. Dit is geen typologie zoals de figuur van Jona die 3 dagen opgesloten zat in de buik van het zeemonster, waarop Jezus zelf zinspeelt in Mt. 12,39: “Zoals namelijk Jona drie dagen en drie nachten verbleef in de buik van het zeemonster, zo zal de Mensenzoon drie dagen en drie nachten verblijven in de schoot van de aarde”.

“Doelend op Hem toch zegt David: De Heer had ik voor ogen, altijd door, Hij is aan mijn rechterhand, opdat ik niet zou wankelen; daarom is er blijdschap in mijn hart en jubelt mijn mond van vreugde; ja, ook mijn lichaam zal rust vinden in hoop,  omdat Gij mijn ziel niet over zult laten aan het dodenrijk en uw heilige geen bederf zult laten zien. Wegen ten leven hebt Gij mij doen kennen, Gij zult mij met vreugde vervullen voor uw aanschijn” (Handelingen 2,25-28).

 

Opgeheven uit de vloed

Zoals de ark de vloed te boven kwam, zo wordt Jezus de redder die toekomst geeft aan het volk van God : “Veertig dagen lang hield de vloed over de aarde aan. Het water steeg en tilde de ark op, tot hoog boven de aarde. Het water nam toe en kwam hoog boven de aarde te staan, en de ark dreef op het water” (Genesis 7,17-18).  Wellicht zagen de eerste christenen hierin een parallel : “… eerst zullen de doden die in Christus zijn verrijzen; daarna zullen wij die nog in leven zijn tegelijk met hen in een oogwenk op de wolken in de lucht worden weggevoerd, de Heer tegemoet. En zo zullen wij voor altijd samen zijn met de Heer” (1Tess.4,16c-17 )

 

Met Hem gestorven en verrezen in het doopsel, geroepen tot een nieuw leven

In de christelijke traditie wordt het water van de zondvloed wel eens vergeleken met het water van de doop, waar het kwaad wordt vernietigd en we nieuw leven krijgen. De dubbele werkzaamheid van het water komt daarin naar voor: zijn vernielende (cfr. tsunami en vloedgolven, verdrinking, scheepsramp) én levenbrengende (dorstlessend, vruchtbaarheid van de regen en bevloeiing) kracht. Ook hier kunnen we dan een parallel zien met de ark van Noach en het kruis van Christus.

“In de doop zijt gij met Hem (Jezus) begraven, maar ook met Hem verrezen, door uw geloof in de kracht van God die Hem uit de dood deed opstaan. Ook u die dood waart ten gevolge van uw zonden en uw morele onbehouwenheid heeft God weer levend gemaakt met Hem. Hij heeft ons al onze zonden vergeven.  Hij heeft de oorkonde met haar bezwarende bepalingen, die tegen ons getuigde, verscheurd. Hij heeft haar vernietigd en aan het kruis genageld.  Hij heeft de heerschappijen en de machten ontwapend en publiek ten toon gesteld. Hij heeft over hen getriomfeerd door het kruis” (Kol.2,12-15).

In de Paasbrief van Petrus wordt alles wat samengebracht: Christus’ lijden en dood die de zonde doodde om ons tot God te brengen. Zijn opstanding… en de uitnodiging om als gedoopten nu ook een nieuw leven te leiden. “Ook Christus heeft eens voor al geleden voor de zonden, de rechtvaardige voor de onrechtvaardigen, om u tot God te brengen. Gedood naar het vlees, werd Hij ten leven gewekt naar de Geest. Zo ging Hij heen en predikte voor de geesten in de kerker, die eertijds, in de dagen dat Noach de ark bouwde, weerspannig waren geweest, terwijl God in zijn lankmoedigheid geduld oefende. In de ark bleven slechts enkelen, niet meer dan acht personen, behouden te midden van het water. Dit was een voorafbeelding van het doopwater, waardoor gij nu gered wordt. De doop beoogt niet de verwijdering van lichamelijke onreinheid, maar de verbintenis met God van een goed geweten, krachtens de opstanding van Jezus Christus, die ten hemel gevaren zetelt aan Gods rechterhand, nadat engelen en machten en krachten aan Hem onderworpen zijn” (1Petr.3,18-22).

 

Blijvend teken van Gods reddende genade

Toen het water was weggetrokken stond daar de regenboog als een teken van het verbond tussen God en de mens dat de mens niet zal weggeveegd worden van voor het aangezicht van God (Gen. 9,14-15). Het doet denken aan de verzen uit Jesaja: “Zal een vrouw haar zuigeling vergeten, een liefhebbende moeder het kind van haar schoot? En zelfs als die het zouden vergeten, Ik vergeet u nooit! Zie, in mijn handpalmen heb Ik u geschreven, en uw muren staan Mij voortdurend voor ogen” (Jes.49,15-16).

Zoals die regenboog garant is voor het behoud van de mensheid tot het uiteindelijk oordeel, zo heeft Jezus ook een teken gesteld van een nieuw en eeuwig verbond, in de nacht dat Hij werd overgeleverd, op het moment dat Hijzelf de duisternis van zijn lijden en dood zou ingaan, heeft Hij brood genomen, het dankgebed gezegd, het brood gebroken terwijl Hij zei: “Dit is mijn lichaam voor u. Doe dit tot mijn gedachtenis”. En evenzo heeft Hij de beker genomen na de maaltijd en gezegd: “Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed. Doet dit, elke keer dat gij hem drinkt, tot mijn gedachtenis” (1 Kor. 11,23).

 

Het behoud van de schepping

We staan waarschijnlijk al in de allegorie in plaats van in de typologie wanneer we een aantal punten van gelijkenis gaan maken (of vaststellen) tussen Jezus en de figuur van Noach, zoals:

Terwijl Jezus bezig is mannen en vrouwen tot Zich te trekken, blijft ondertussen het oordeel uit. Evenzo was er geen teken van de grote vloed die zou komen terwijl Noach de laatste hand aan het werk legde om zijn huisgezin te redden. Het Noachverhaal laat ook zien hoe zijn werk er niet enkel op gericht was om menselijk leven te redden maar ook een massa vogels, dieren, reptielen… Ook in het nieuwe testament is er sprake van dat de schepping zal delen in de redding en verheerlijking van de kinderen van God: “Ook de schepping verlangt vurig naar de openbaring van Gods kinderen. Want zij is onderworpen aan een zinloos bestaan, niet omdat zij het zelf wil, maar door de wil van Hem die haar daaraan onderworpen heeft. Maar zij is niet zonder hoop, want ook de schepping zal verlost worden uit de slavernij der vergankelijkheid en delen in de glorierijke vrijheid van de kinderen Gods” (Rom. 8,19-21). ”

 

Het oordeel van de zondvloed en Christus’ wederkomst

“Temidden van zijn tijdgenoten leidde Noach een onberispelijk leven”… Die paar woorden zeggen veel over die figuur van Noach, gesitueerd in een samenleving waar we men zich van God en zijn gebod weinig of niet aantrok. In de tweede Petrusbrief wordt die parallel duidelijk gelegd tussen die ongelovige tijdgenoten van Noach en de mensen die niet geloven in de terugkomst van Christus als teken van het definitief oordeel dat God over het mensenleven uitspreekt: “Gij moet vooral weten dat er in de laatste dagen spotters zullen komen, mensen die leven volgens hun eigen begeerten, en die honend vragen: `Waar blijft nu de wederkomst die Hij heeft toegezegd? Onze vaderen zijn al gestorven, maar alles blijft zoals het van het begin der schepping geweest is.’ Zij gaan met opzet voorbij aan het feit dat er lang geleden een hemel en een aarde bestonden, door Gods woord gevormd uit water en door middel van water,  en dat die toenmalige wereld vergaan is, verzwolgen door het water. Maar de hemel en de aarde van nu zijn door hetzelfde woord opgespaard voor het vuur en bewaard voor de dag van het oordeel en de ondergang der goddelozen” (2 Petr. 3,3-7).

 

Een verwittigd man…

Jezus was ook een profeet, iemand die vanwege God belangrijke zaken te vertellen kreeg. Hij deed dat ook wel eens in apocalyptische beelden, met de overtuigingskracht van een donderpredikant. Zo maakt Hij zelf die vergelijking met de tijd van Noach en Lot: “En zoals het was in de dagen van Noach, zo zal het ook zijn in de dagen van de Mensenzoon. Zij aten en dronken, huwden en werden ten huwelijk gegeven tot op de dag waarop Noach de ark binnenging en de zondvloed kwam, die allen verdelgde. (…) zo zal het ook zijn op de dag waarop de Mensenzoon zich openbaart” (Lk.17,26-27.30 vgl. Mt. 24,37-39). Een dringende oproep tot bekering om de barmhartigheid en het heil vanwege God niet te mislopen.

 

Vredevorst

Maar het Noachverhaal is inderdaad niet louter bedreigend. Een klein gelijkenispunt gaat dan over de ‘symbolen’ van de regenboog en de duif met de olijftak, symbolen van vrede en nieuw verbond tussen God en de mensen.

‘Vrede’ het is de hartenwens van de mensheid, van de gewone mensen die keer op keer door de heb- of heerszucht van sommigen dooreen worden geschud en bedreigd in hun leven, hun hebben en houden, hun gezinnen… Hoe blij waren de Joodse mensen wanneer ze een koning hadden die hen uiteindelijk vrede kon brengen. In de Kerstnachtmis wordt in de liturgie nog altijd het beeld opgeroepen van het kind dat een vredevorst zal zijn: “Want alle dreunend stampende laarzen en met bloed doordrenkte mantels worden verbrand en verteerd door het vuur. Want een kind wordt ons geboren, een zoon wordt ons gegeven. De heerschappij rust op zijn schouders; men noemt hem: Wonder van beleid, Sterke God, Vader voor eeuwig, Vredevorst” (Jesaja 9,4-5)

 

 

DE “BROERS” VAN JEZUS (2)

 

In vorig nummer zagen we reeds hoe pater Calme duidelijk bewijst dat de zogenaamde broers van Jezus geen kinderen waren van Maria, de moeder van Jezus. Nu gaan we nog even verder met zijn betoog waaruit blijkt dat ze helemaal geen broers waren van Hem.

 

Hun vader is niet de ‘vader’ van Jezus

In onze zoektocht zou het dus betekenen dat de vader van de 4 gebroers Klopas zou zijn. Op geen enkele plaats wordt Maria, Jezus’ moeder, de vrouw van Klopas (of van Alpheüs) genoemd, wel de vrouw van (sint) Jozef, de timmerman, de ‘vader’ van Jezus. Die ‘andere Maria’, een van Jezus’ tantes langs Jozefs kant, wordt wèl de vrouw van Klopas geheten; Klopas moet m.a.w. van de generatie van Sint Jozef geweest zijn. 

Maar wordt ergens duidelijk de link gelegd tussen Klopas zelf en de 4 broers? Daarvoor moeten we even onderduiken in het Aramese taalgebruik.

Jakobus de mindere (de jongere of de kleine), zoon van de ‘andere Maria’ en van Klopas, bevindt zich tussen de apostelen, maar wordt daar 4 keer vermeld als ‘zoon van Alpheüs’. Volgens pater Carle zijn Halphaios en Klopas Griekse omzettingen van een en dezelfde Hebreeuwse of Aramese voornaam met een dubbele geschreven vormvariante : Halphai en Kolphai. Sommigen menen daarom dat Alfeüs en Klopas twee vormen zijn van dezelfde voornaam (Kolphai). Doorgedreven recente studies van Semitische talen toonden trouwens aan dat de beginletter ‘h’ (‘hêt’) van Halphai en de beginletter ‘k’ (‘kap’) van Kolphai vaak hetzelfde worden uitgesproken zowel in het Aramees als in het Hebreeuws. Alfeüs en Klopas zijn dan in feite eenzelfde persoon. En dan kunnen we begrijpen hoe het komt dat Jakobus in de opsomming van de apostelen vermeld wordt als zoon van Alfeüs. Overigens was Alfeüs een vrij veel voorkomende naam want ook Levi (Mattheüs) is zoon van een Alfeüs.

Mt.10,2-3 Dit zijn de namen van de twaalf apostelen: als eerste, Simon die Petrus wordt genoemd, met zijn broer Andreas; Jakobus, de zoon van Zebedeus, met zijn broer Johannes;  Filippus en Bartolomeus, Tomas en Matteus de tollenaar, Jakobus, de zoon van Alfeus …

Mk.3,16-18 Hij wees dus deze twaalf aan; aan Simon gaf Hij de naam Petrus; 17 verder Jakobus de zoon van Zebedeus en Johannes de broer van Jakobus, aan wie Hij de naam Boanerges gaf, wat betekent: zonen van de donder; 18 vervolgens Andreas, Filippus, Bartolomeus, Matteus, Tomas, Jakobus de zoon van Alfeus … (vgl. Lucas 6,14-15 en Handelingen 1,13)

 

De houding van de ‘broers’ tegenover hun neef Jezus vóór Pinksteren

Als neven van Jezus hebben de gebroers het blijkbaar lastig gehad om zomaar direct te geloven dat Jezus (met wie ze daar in Nazaret geravot hadden, kattekwaad hadden uitgestoken en gevochten) zomaar plots de Messias zou zijn.

Als Jezus er dan ook op uittrekt, en de zorg voor zijn moeder mogelijk op hun rug terecht komt als neven, (Jozef, Jezus’ ‘vader’, was waarschijnlijk al overleden aangezien Jezus die aanvankelijk de ‘zoon van de timmerman’ wordt genoemd, in Markus 6,3 ‘de timmerman, de zoon van Maria’ wordt geheten), als Jezus bovendien de rabbi begint uit te hangen, volgelingen rond zich verzamelt, een overspannen kliek die het soms zo druk heeft dat men zelfs vergeet te eten, ja, dan is de maat vol natuurlijk en komen de neven opzetten omdat ze menen dat Hij niet goed meer bij zijn verstand is. De familie mag geen slechte naam krijgen en hij (Jezus) moet zelf maar voor zijn moeder zorgen… Enigszins te begrijpen.

Later evenwel, na Pasen draaien ze bij en treffen wij de meesten van hen aan bij de jonge kerkgemeenschap.

Bovendien moeten we hier onderscheid maken tussen 3 van de “broers” en Jakobus de Mindere, over wie wij het hier nu eerst gaan hebben.

 

Jakobus

We zagen reeds dat de vier broers (uit Mattheüs en Markus) echt samen horen. Zelfs de ‘zussen’ worden samen met de broers vermeld (telkens met het ‘en’ ‘en’ (kai … kai in het Grieks) gewoon op één lijn, bij elkaar horend).

Jakobus en Joses (Jozef) worden wel eens samen als kinderen van ‘de andere Maria’ vernoemd, de echtgenote van Klopas. Zoals gezegd, als eretitel bij de naam van hun moeder.

- Jakobus, de eerstgenoemde, is dus waarschijnlijk de oudste van de vier zonen van Klopas. Hij wordt ‘de kleine’ genoemd in het evangelie, ‘ho mikros', waarschijnlijk een bijnaam omdat hij wellicht vrij klein van gestalte was. Wij zeggen meestal ‘de mindere’ om hem te onderscheiden van Jakobus ‘de meerdere’, de zoon van Zebedeüs; deze laatste wordt de eerste martelaar van de apostelen, kort voor het Paasfeest van 44, onder Herodes Agrippa I.

Jakobus ‘de kleine’, de oudste van de 4 gebroers, wordt als eerste vermeld bij het derde groepje apostelen (die in drie groepen worden opgesomd) en  Carle besluit hieruit dat Jakobus dus niet zomaar een bijlopertje was. De verrezen Heer verschijnt later ook aan hem persoonlijk (1 Kor. 15,7). Hij wordt de eerste bisschop van Jeruzalem na het vertrek van Petrus (Hand. 12,17) en speelt een voorname rol bij het op één lijn krijgen van de Jood-christenen na de baanbrekende toespraak van Petrus en het getuigenis van Barnabas en Paulus rond de vraag of heiden-christenen heel de Joodse wet moeten onderhouden (Hand.15,13). Samen met Petrus en Johannes is hij volgens Paulus een van de kolommen van de kerk (Gal. 1,19). Later ontvangt hij van Paulus (die hem in Gal. 1,19 ook ‘broer van de Heer’ noemt) de bijdrage van de heiden-christenen voor hun Joodse medechristenen die in nood zijn; op dat ogenblik lijken echter de andere apostelen verdwenen te zijn uit Jeruzalem. Jakobus zal niet kunnen beletten dat Paulus gevangen genomen wordt. Vermoedelijk schrijft hij in de zomer van 56 de ‘Brief van Jakobus’, een heel Palestijns aandoend geschrift, nauw verwant met de ‘Bergrede’ en in de lijn van de sociaalvoelende profeet Amos en ook met parabelen in de trant van deze van zijn neef Jezus (bv. over de ‘spiegel’ in 1, 22-25). Hij zal wel gebruik gemaakt hebben van een goede Grieks-beheersende secretaris. In de aanhef van de brief zegt hij eenvoudig: Jakobus, dienaar van God en van de Heer Jezus, aan de 12 stammen van de ‘Diaspora’ (de Joodse christenen waren inderdaad ‘verspreid’ over het hele Romeinse rijk). Meer hoefde hij niet te zeggen, men wist dat hij de ‘broeder’, een verwant van Jezus was. Volgens Flavius Josephus werd hij door de mensen van Jeruzalem gestenigd tijdens een vacuüm tussen de plotse dood van de procurator Porcius Festus en voor het aantreden van zijn opvolger Albinus.  De christen, Hegesippos, verhaalt dat ook wel maar last ook heel wat legendarische details in over Jakobus.

Een vraag die nog voor de hand ligt: was onze neef-apostel ook zo kritisch tegenover Jezus als zijn 3 broers? Volgens pater M.-J. Lagrange waarschijnlijk wel vóór zijn aanstelling tot apostel. Maar de aanstelling van de apostelen zal waarschijnlijk vrij vlug na het begin van Jezus’ openbaar leven gebeurd zijn en dan kan je  moeilijk veronderstellen dat hij van dan af Jezus niet van harte zou volgen.

 

Pater Calme besluit zijn betoog door samenvattend te zeggen dat de zogenaamde broers van Jezus geen kinderen waren van Jozef noch van Maria, maar zonen van 'de andere Maria', de vrouw van Klopas. Op een of andere wijze waren ze wel verwant met Jezus als zijn neven, waarschijnlijk langs Jozef.

(Over de andere 'broers' berichten we nog even in volgend nummer)

 

CARDIJN GOES INTERNATIONAL

Een kleine terugblik en een droom

Ben Van Vossel

 

Kardinaal Jozef Cardijn stichter van de “Katholieke ArbeidersJeugd” (K.A.J.) was een man van grote ideeën, weidse gebaren, grote getallen (soms nogal overdreven in het vuur van het betoog) en van concrete situaties, die jonge arbeiders uitnodigde om vanuit een grote visie (jullie zijn kinderen van God, waardevol in zijn ogen) hun lot en de toekomst van hun lotgenoten in eigen hand te nemen. Vanuit een klare visie, een scherpe beoordeling van de situaties, werken aan concrete verwezenlijking: zien – oordelen – handelen.

 

Het was wel klein begonnen: zijn gerichtheid op en interesse voor de werkende volksklasse kon hij reeds volop uitleven als onderpastoor te Laken, een wel drukke, levendige parochie; met de neus gedrukt worden op een hoop wantoestanden waarvan de jonge arbeid(st)ers de dupe waren. Hij ging de arbeiders opzoeken, liep tegenstroom als ze naar hun werk trokken en had korte gesprekken. Klein begonnen, ja, maar het werd een wereldbeweging, jonge arbeiders die zelf thuis waren in de arbeidsplaatsen en daar iets van menselijkheid, menswaardigheid en christelijke geest konden brengen en beleven. Het wondere is dat die levendige onderpastoor en later stichter van die internationale beweging van jonge arbeiders ook in goede relatie stond met de verschillende pausen. Pius XII, Johannes XXIII en Paulus VI (kardinaal Montini, lang voordat hij paus werd). Cardijn was in de wolken bij het verschijnen van Populorum Progressio (26 maart 1967!). Het was dan ook een belangrijke encycliek die duidelijk liet uitschijnen dat de Kerk, tot in haar hoogste geledingen, echt geïnteresseerd was in het wel en wee van de wereld en van de arme volkeren op de weg van de (economische, kulturele en sociale) ontwikkeling. Zo belangrijk is deze encycliek dat de Nederlandse bisschoppen hem voor hun vastenbrief (van 2007) nadrukkelijk en uitgebreid ter sprake brachten.

 

Cardijn was in de wolken, ja, maar dat wil niet zeggen dat hij de trappers kwijtraakte. Zijn realistische blik deed hem reeds lezen over de tekst heen. En hij richt dan aan de paus ook een korte bedenking:

“Eens dat het onderricht van de encycliek gekend zal zijn, stelt zich een vraag – misschien de allerbelangrijkste – die me voortdurend voor de geest komt. Deze vraag heeft twee aspecten die nauw met elkaar verbonden zijn:

1 Hoe gaat men de arbeiders (in het bijzonder de jonge arbeiders) inlichten, vormen en geestdriftig maken met het oog op de zending tot ontwikkeling die hun eigen is: het probleem van de solidaire ontwikkeling van alle mensen, van alle volkeren en van de hele mensheid zoeken, ontdekken en oplossen?

2 Wie moet deze voorbereiding, deze vorming verdelen met het oog op een engagement in de integrale ontwikkeling, tenzij de geestelijkheid? En hoe moet die op haar beurt voorbereid worden, en wel zodanig dat zij de arbeiders, zoals de encycliek het zegt, daadwerkelijk kan helpen om zelf het voornaamste deel op zich te nemen van de verantwoordelijkheid van hun ontwikkeling?...”

De schrijvers van het boek ‘Cardijn’ wijzen in onderstaande notitie op de praktische zin van Cardijn en tevens op de waardering die Paulus VI voor hem en zijn inzichten had:

“De stichter van KAJ ontwikkelt eens te meer de vereisten van een in het concrete leven verankerd apostolaat en wenst dat in de Kerk een meer inductieve theologie zou worden ontwikkeld, gevoed door het contact met de waarden van het dagdagelijkse leven. Hij treedt in detail en gaat er zelfs toe over aan de paus zijn waardering te geven omtrent een tijdschriftartikel dat het onderwerp positief behandelt; en Paulus VI verzekert, met een vertrouwvolle eenvoud, dat hij er nog diezelfde avond kennis van zal nemen.

 

OEKRAÏNE, DANKBAAR JEGENS BELGISCHE REDEMPTORISTEN

 

Onlangs ontving ik 2 dvd’s over de beginnende Oekraïense provincie van de Redemptoristen. De provinciale overste van de toenmalige Belgische provincie der Redemptoristen gaf gehoor aan de vraag van een Canadees bisschop die niet in de mogelijkheid was om de pastorale zorg op te nemen voor de vele Oekraïense inwijkelingen die een andere taal spraken en gewoon waren aan een andere liturgie dan de Romeinse ritus; toch waren het christenen van de Grieks-Katholieke ritus die met Rome verbonden waren. Pater Delaere werd naar Canada gezonden en er werd contact gezocht met het Oekraïense thuisland en patriarch (graaf) Andrei Cheptitzky.

De dankbaarheid van de Oekraïners ten overstaan van die Belgische Redemptoristen die hen ter hulp zijn gekomen in Canada (waar ze uitgeweken waren omwille van de armoede) en daarna in Galicië (in het toenmalige Polen en het huidige West-Oekraïne) is werkelijk ontroerend. En ook hetgeen ze over die Redemptoristen vertellen: hun geloof, hun mariale godsvrucht, hun verbondenheid met het Oekraïense volk, hun toeleg op de Oekraïense taal, hun durf tegenover de Duitse (lees nazistische) en Russische (lees: communistische) bezetters, hun bekwaamheid in het onderwijs, hun gedrevenheid bij de volksmissies… Het heeft de Oekraïners diep geraakt en de getuigenissen zijn echt ontroerend.

Het werk dat ze tot stand gebracht hebben: het volledig doen herleven van het geloof in een volk, bij de kinderen en de volwassenen (zodat de oude mensen die deze paters als kind nog gekend hebben er nog niet kunnen over zwijgen) heeft volgens mijn inzicht te maken met de vreugde die deze paters hadden om die zending op zich te nemen, de bekwame inzet en trouwe toeleg op het werk dat zich aan hen presenteerde, het diepe geloof en de doorleefde godsvrucht die een onuitwisbare invloed uitoefende op die eenvoudige bevolking. De figuur van pater Schrijvers (een man om zalig te verklaren) had zowel de bekwaamheid van een bestuurder als van een geestelijke leidsman. Het is echt te betreuren dat dit diepe geloof dat op dit ogenblik nog steeds verder leeft in de Oekraïense kerk niet op zijn beurt naar hier kan georiënteerd worden om een tegengewicht te vormen tegen de kanker van het geseculariseerde geloof van het Westen.

 

40 JAAR  POPULORUM PROGRESSIO

naar een Pastorale brief van de Nederlandse Bisschoppen

 

Zijn we soms iets vergeten? Geraakt het ooit opgelost?

We mogen leven in een zich razendsnel ontwikkelende wereld. Althans wanneer je er vanuit het Westen naar kijkt. Op veel gebieden, ook en vooral op het vlak van het menselijk samenleven, de alledaagse samenleving gebeuren er week na week, maand na maand zaken die je niet meer alle kan bevatten, waar mensen ook niet zo heel lang bij stil blijven staan. Er is weer wat anders aan het gebeuren.  En nu is er weer dat…

Ik vernoem wat – alledaags geworden – zaken: echtscheiding, abortus als voorbehoedmiddel, pornografie langs de teeveezenders, leegloop van de kerken, de gsm, de gps, het internet, de problemen van het chatten van kinderen, de WTC-torens, het drama Irak (Afghanistan ligt iets verderaf), de multiculturele samenleving, het wereldwijde terrorisme, het drugprobleem bij de jongeren, het tekort aan plaats in gevangenissen… Veel van die zaken gaan met heel wat van onze tijd en onze aandacht lopen. In een en ander winden wij ons wel eens op.

En dan is er het gigantisch probleem van de armoede in de wereld. Bestaat dat nog? Is dat nu nog niet opgelost? Hoelang doen we al aan 11.11.11, hoelang reeds Broederlijk Delen… Hoelang zijn er reeds grootschalige geldinzamelingen en bewustmakingsprogramma’s…

 

En als we nu eens zouden delen en de ontwikkeling stimuleren?

40 jaar geleden (40 jaar!) publiceerde Paus Paulus VI zijn encycliek Populorum Progressio, ‘Over de ontwikkeling van de volkeren’ (26/03/67).

“In dit baanbrekende document over de ontwikkeling van de volken stelt hij het onrecht aan de kaak, dat voortkomt uit de tegenstellingen tussen arm en rijk. De paus roept de wereldburgers op tot een eerlijke verdeling van welvaart en noemt ontwikkeling het nieuwe woord voor vrede.

Ontwikkeling van de hele menselijke persoon begint bij praktische solidariteit. Dat is het elkaar kansen geven op een beter leven, door te zorgen voor voedsel, kleding, een dak boven je hoofd.

Als tweede stap is algemene ontwikkeling nodig omdat mensen daardoor in staat zijn zelf een beter leven op te bouwen. Volgens de paus zijn dit belangrijke voorwaarden om te komen tot een blijvende vrede tussen de volkeren.

De kernwoorden in de encycliek zijn Justitia et Pax – gerechtigheid en vrede. Dat is ook de naam van de Pauselijke en Bisschoppelijke Commissies die sindsdien actief zijn. Door aan ontwikkeling te werken maken we onze liefde tot God en tot de naasten concreet, naar het voorbeeld dat Jezus ons gegeven heeft.”

 

Solidariteit als navolging van God

“Uit de brief spreekt optimisme. De ontwikkeling van de afzonderlijke mens, van hele volken en van de mensheid ligt binnen de mogelijkheden van de menselijke inzet. Wij mensen zijn geroepen tot internationale solidariteit. Tegelijk zijn wij ons bewust van de dubbelzinnigheid van ons menselijk hart. Maar in de kracht van Gods Geest zijn wij tot veel in staat.

Met solidariteit bedoelt paus Paulus VI de hulpverlening van de rijkere landen aan de armere landen. Solidariteit is de strijd tegen de honger. Het opbouwen van een wereld waarin iedereen, zonder onderscheid van ras, godsdienst of nationaliteit, een menswaardig leven kan leiden. Solidariteit betekent een stijging van de productie en het delen van overschotten. Solidariteit verwijst naar de uitbouw van hulpprogramma’s en de oprichting van een wereldfonds tot hulpverlening aan misdeelde volkeren. De paus verwijst naar bilaterale en multilaterale overeenkomsten, en een dialoog die leidt tot oplossing van de schuldenlast (Populorum progressio, 45-55).”

 

In hun Pastorale brief wijzen de Nederlandese Bisschoppen er op hoe solidariteit en verbondenheid (‘Geen mens is een eiland’) hun basis vinden in de wijze waarop God zich geopenbaard heeft in Jezus Christus. Wie bij Jezus hoort moet zich betrokken voelen bij het lief en vooral ook bij het leed en het tekort van zijn medemens.

“Wij hebben lief, omdat Hij ons het eerst heeft liefgehad.  Maar als iemand zegt dat hij God liefheeft, terwijl hij zijn broeder haat (= over hoofd ziet), is hij een leugenaar. Want als hij zijn broeder die hij ziet niet liefheeft, kan hij God niet liefhebben die hij nooit heeft gezien.  Dit gebod hebben wij dan ook van Hem gekregen: wie God liefheeft moet ook zijn broeder liefhebben.” (1 Joh.4,19-21)

 

Barmhartigheid en ... gerechtigheid

“Paus Benedictus XVI werkt in zijn eerste Encycliek Deus caritas est – God is liefde – die band tussen barmhartigheid en gerechtigheid uit (nr. 25a en b). De liefde tot de naasten is verankerd in de liefde tot God. De diaconie is een wezenskenmerk van de Kerk, samen met de bediening van de sacramenten en de verkondiging van het woord. Die diaconie strekt zich over de grenzen van de Kerk heen uit tot allen die gebrek lijden. De politiek en de staat hebben de opdracht om de maatschappij rechtvaardig te structureren. De Kerk heeft de taak om zich in de strijd om de gerechtigheid te mengen langs de weg van de argumentatie. Gerechtigheid vraagt om offers en de Kerk bevordert het opwekken van de geestelijke en morele kracht die daarvoor nodig is. Daartoe inspireert de Kerk de gelovigen en roept ons op actief te zijn in het openbare leven. De Kerk stelt daartoe haar caritatieve organisaties ter beschikking (nr. 28a en b en 29).”

 

Zien we het nog zitten of geven wij het op?

Paulus VI was zeer optimistisch in zijn encycliek. Het was bemoedigend, hoopvol. Maar als wij even wegkijken van onze computer, onze gsm even uitzetten, het ontspanningsprogramma op de teevee uitschakelen, dan worden wij misschien opnieuw bewust van de enorme noden van mensen over de hele wereld (dicht bij ons niet uitgesloten).

Welnu, in 2000 hebben de regeringsleiders van 189 landen, waaronder Nederland en België, een aantal afspraken gemaakt: de ‘Millenniumdoelen’. Vóór 2015 worden de belangrijkste wereldproblemen van extreme armoede en uitsluiting, epidemieën, milieubederf, gebrek aan voedsel, water, onderwijs en huisvesting aangepakt. Elk land heeft zich ethisch verplicht om zich op zijn manier in te zetten om die doelen in 2015 te bereiken. (…)  “Internationale spiritualiteit en solidariteit vragen om internationale soberheid. We kunnen grenzen stellen aan de eigen groei, voorspoed en welvaart. We zullen sober moeten zijn en meer moeten delen met anderen.”

 

Ben IK bereid?

Wie van ons is daartoe bereid? Of gaan we zeggen: Is het nu nog niet genoeg? Betaal ik nu nog niet voldoende belasting? Mag ik me echt geen nieuwe PC, geen nieuwe TV, geen nieuwe frigo, geen nieuwe auto permitteren? Hier staan we met ons geweten. En als we nadenken weten we dat het zo niet verder kan. De bisschoppen spreken van een “economie van het genoeg”. Eens kunnen zeggen: Ik heb dat (op dit ogenblik) niet nodig. En dan aan solidariteit doen. Delen met die velen die samen met mij aan de lange tafel zitten die over de hele wereld staat opgesteld, en waar een hongerige wereld naar mijn overvol bord zit te staren…

De vasten is al lang voorbij. Populorum Progressio is 40 jaar oud. Is mijn geweten ook verschrompeld of nog steeds gevoelig en heb ik nog een warm hart?  Met wie ga ik rond deze problematiek eens spreken en wat ga ik hiermee aanvangen?

 

 

HEER MAAK MIJ TOT WERKTUIG VAN UW VREDE

Heilige Franciscus van Assisi

 

Heer, maak van mij een werktuig van uw vrede.

Laat me liefde brengen waar haat overwoekert.

Laat me vergeving brengen waar beledigd werd.

Laat me eendacht brengen waar tweedracht heerst.

 

 

Laat me waarheid brengen waar mensen dwalen.

Laat me geloof brengen waar getwijfeld wordt.

Laat me hoop brengen waar gewanhoopt wordt.

Laat me licht brengen waar duisternis heerst.

Laat me vreugde brengen waar droefheid is.

 

 

En moge ik bij dit alles zoeken,

niet zozeer om getroost te worden,

dan wel te troosten,

niet zozeer begrepen te worden,

dan wel te begrijpen,

niet zozeer bemind te worden,

dan wel te beminnen.

 

 

Want het is door te geven dat men krijgt,

door zichzelf te verliezen dat men vindt,

door te vergeven dat men vergeving bekomt

en door te sterven dat men verrijst tot eeuwig leven.

 

 

PAUS OVER SELECTIE VAN BABY’S

 

Paus veroordeelt selectie ‘designer’ baby’s

uit: Site van Katholiek Nederland  en Reuters/AFP 25/02/2007

Paus Benedictus XVI is op 24 februari fel van leer getrokken tegen kunstmatige inseminatie, prenataal onderzoek en eugenetica. Dat deed hij in zijn toespraak tot de Pauselijke Academie voor het Leven, een internationaal gezelschap van medici, biowetenschappers, filosofen en moraaltheologen.  

Zoeken naar perfecte kind

“In ontwikkelde landen groeit de belangstelling voor het meest geavanceerde biotechnologische onderzoek voor de introductie van verfijnde en extensieve eugenetische methoden geschikt voor de obsessieve zoektocht naar het ‘perfecte kind’”, aldus de paus.  

Prenataal onderzoek

Benedictus XVI veroordeelde de groeiende praktijk van zwangere vrouwen om hun vrucht te laten onderzoeken op mogelijke afwijkingen. Volgens de paus  genereert prenataal onderzoek een eugenetische mentaliteit waarbij enkel nog gezonde “designer baby’s” geboren mogen worden.  

Aanvallen op leefrecht

De paus riep de katholieken op zich te weren tegen alle praktijken die de “waarde van het menselijk leven” bedreigen. Volgens de Heilige Vader wordt het fundamentele recht op leven steeds vaker en heviger aangevallen. Die aanvallen “nemen steeds nieuwe vormen aan”.

 

ICONENCURSUS

Verslag van een cursist

 

Voor de 3e keer hebben we ons aangemeld om de iconencursus te volgen. Je kunt wel zeggen dat we in de ban van iconen zijn geraakt. Vroeg opstaan om vanuit Zeeuws-Vlaanderen op tijd in de Voskenslaan te arriveren waar we stipt om 8 uur verwacht worden voor de Lauden. Het is heerlijk samen al biddend de dag te beginnen. Vervolgens met z’n allen te ontbijten en ondertussen uitleg te krijgen over de icoon en hoever we moeten geraken die dag. De nieuwelingen krabben eens achter hun oor bij zoveel informatie en kunnen alles nog niet overzien. Iedereen wordt gerustgesteld dat het allemaal goed komt en daar vertrouwen we dan ook op. Al snel gaan we aan de slag, iedereen achter zijn eigen tafel met spullen, en worden de dragers (planken) die al voorbewerkt zijn geschuurd met verschillende soorten papier. Trots zijn we dat hij zo glad als een spiegeltje aanvoelt. De volgende stap is het overbrengen van het voorbeeld op de drager. Ook al hebben we dit eerder voorhanden gehad, het blijft toch een precisiewerkje. Hier en daar hoor je wat zuchten en steunen en dit is nog maar het begin!! Gelukkig kunnen we even om te ontspannen een kop koffie drinken en krijgen we daarna een onderricht van pater Ben waar we iedere keer veel van leren en ook met andere ogen de iconen bekijken. Zo leren we waarom een icoon er niet “werelds” uitziet en waarom de mantels en het kleed van een bepaalde kleur moeten zijn en waarom de ene keer het kindje Jezus naar zijn moeder kijkt en de andere keer niet. Zo wordt elk aspect behandeld en motiveert het ons opnieuw aan de slag te gaan. Soms kun je een speld horen vallen, er hangt een sfeer van concentratie en eerbied voor hetgeen waarvoor en waarmee we bezig zijn. Op de achtergrond klinkt religieuze muziek die mede de sfeer bepaalt.

De Eucharistie is het hoogtepunt van de dag om daarna van de heerlijke  zelfgemaakte soep van Linda te genieten. Helemaal hersteld van de inspanning van de ochtend gaan we stevig aan de slag want de leiding is strak en we moeten aan het eind van de dag klaar zijn met onze opdracht. Tussendoor nog een half uur aanbidding en natuurlijk maken we tijd om af en toe de spieren te strekken, wat te eten en te drinken en er wordt ook wel eens gelachen. De innerlijke mens moet toch ook in conditie blijven. Aan het einde van de inspannende dag slaat de vermoeidheid een beetje toe, zetten we alle iconen bij elkaar op een rij en bekijken we het resultaat. Na gebed en Zegen vertrekken we huiswaarts voldaan tevreden en dankbaar.

Naarmate de cursus vordert en we resultaat beginnen te zien van hoe het zal worden, ontspannen we wat meer en wordt de groep hechter. De 6e en laatste dag is heel speciaal. We mogen een uurtje langer slapen en worden pas om 10 uur verwacht. Na de Lauden, het onderricht en de H. Mis worden we verrast met een etentje en foto’s van de afgelopen cursusdagen. ’s Middags worden onze iconen elk afzonderlijk gewijd, wat voor ons allemaal een heel plechtig moment is.

Vol  vreugde, dankbaarheid en alle eer aan Hem maar ook een klein beetje trots op onszelf mogen we eindelijk onze icoon mee nemen en een mooie centrale plaats geven in ons huis. (Marleen)

 

SAMEN OP WEG IN HET GEZIN

Alain Raick

verantwoordelijke Gemeenschap Maria-Kefas

Meinummer 2007 'Samen op Weg'

 

“I had a dream!” Wie kent deze uitspraak niet van Martin Luther King? Een droom waarin mensen van alle rassen en kleuren in vrede kunnen leven. Wie heeft geen dromen? Ik hoop alleszins dat jullie nog dromen hebben. En omdat we geschapen zijn naar Gods beeld en gelijkenis, moet dus ook God dromen hebben!

Ik heb dit in vorig nummer (van 'Samen op Weg) al aangehaald en in Bonheiden hebben we het uitgediept: volgens Johannes-Paulus II had God inderdaad een droom voor het echtpaar. In Genesis 1, 27 staat er “En God schiep de mens als zijn beeld; als het beeld van God schiep Hij hem; mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen.”

Onze vorige paus was een zeer biddend mens, met een grote liefde voor het echtpaar en het gezin, en als jonge priester in Polen heeft hij honderden koppeltjes begeleid en daarbij veel nagedacht, gebeden en ervaring opgedaan.

Zijn pontificaat heeft hij geopend met de woorden: “Wees niet bang” en dat geldt ook als je kennis maakt met Gods droom voor man en vrouw. Gods droom is namelijk overweldigend, de lat lijkt zo hoog te liggen dat de wereld eerder geneigd is er onderdoor te wandelen. Maar… jullie zijn in de wereld, maar niet van de wereld!

Wat Gods droom is, haalt Karol Wojtyla (Jo.-Paulus II) uit Genesis 2, 18-26. Je moet het helemaal lezen, maar de sleutels zijn wel: “Toen zei de mens: Eindelijk, dit is been van mijn gebeente en vlees van mijn vlees!” en ook: “Daarom zal een mens zijn vader en zijn moeder verlaten en zich hechten aan zijn vrouw, en die twee zullen één zijn.”

Het eerste in het hebreeuws betekent de hele mens, lichaam en geest, en het tweede gaat over het één zijn van man en vrouw in het huwelijk, naar Gods droom en volledig in het verlangen van de mens, die eindelijk de andere gevonden heeft die bij hem past.

Anders dan de engelen hebben we een lichaam en zijn zo zichtbaar in de wereld. Gods droom voor het echtpaar is dat de twee-eenheid van man en vrouw een zichtbaar beeld is van de drie-eenheid van de Vader, de Zoon en de H. Geest.

Ik zei toch dat het overweldigend is, maar Adam en Eva hadden er in het begin blijkbaar geen moeite mee, want: “Ze waren beiden naakt, de mens en zijn vrouw, maar ze voelden geen schaamte voor elkaar.” Die naaktheid moet je begrijpen, zowel naar lichaam als naar het innerlijke, er was harmonie, geen dominantie van de een op de ander.

Het probleem is dat door de zondeval de mens niet alleen deze harmonie, maar ook het begrijpen van deze droom verloren is.

Lap, zie je wel, eerst het goede nieuws, en dan is alles kapot, wat hebben we daar nu aan?

Jezus was begaan met het huwelijk en kende Gods droom. Deze brief is te kort om hierop dieper in te gaan, maar het goede nieuws is dat Jezus alles heeft hersteld. Na zijn Verrijzenis en Hemelvaart zendt Hij de H. Geest, de Helper die ons alles zal doen herinneren wat Hij aan zijn apostelen geleerd heeft. Aan de Kerk heeft hij de sacramenten toevertrouwd als de nodige middelen op weg naar God.

Beste vrienden, God geeft ons de kracht om te streven naar zijn droom. Door het Doopsel zijn we zijn kinderen geworden, door het Vormsel ontvingen we nogmaals zijn Geest in ons hart, door het huwelijkssacrament geeft God ons zijn genade om die droom waar te maken. In elke eucharistieviering wordt hernieuwde kracht gegeven. Natuurlijk beantwoorden we hier niet altijd aan en ook maar in het klein, maar zoveel als we willen kunnen we Hem om vergiffenis en nieuwe kracht vragen. Naar Pinksteren toe kunnen we vragen om de H. Geest opnieuw in ons te laten doorbreken, want de H. Geest woont in ons hart en als we naar Hem luisteren en ons hart voor Hem open stellen, zullen we die zachte roepstem van God horen en weten wat Hij ons vraagt. Hij leert ons stilaan weer Gods droom kennen: hoe we door de liefdevolle eenheid van man en vrouw, weer God aan de wereld kunnen tonen.

Ik zie dat heel concreet: de tederheid tussen man en vrouw is beeld van God, de trouw doorheen goede en kwade dagen is beeld van God, de liefdevolle blik naar je echtgenoot is beeld van God, vergiffenis geven is beeld van God, een stralende vrouw die zich bemind weet is beeld van God, … je mag dit zelf aanvullen.

Omwille van dit alles, is het thema van de Gezinsdag (ingericht door de Gemeenschap Maria-Kefas en hoger reeds  aangekondigd in dit nummer van 'Geloof en Leven) op 16 september 2007: WaterWordtWijn.joh2. Een verwijzing naar Kana, waar Jezus het huwelijksfeest redde en al een voorsmaakje gaf van Gods vrijgevigheid. We willen de gehuwden nogmaals de vaardigheden en houdingen aanreiken die van het huwelijk een mooi avontuur kunnen maken en een weg om samen af te leggen, met anderen. Gastspreker is Hilde Kieboom, stichteres van de Sint-Egidiusgemeenschap van België en een begenadigd spreekster. U mag nu al inschrijven.

Met alle zussen en broers van de Gemeenschap Maria-Kefas, één in gebed.

 

BRUGSE MADONNA VAN MICHELANGELO GERED UIT ZOUTMIJN

 

Het is nu eens echt oud (goed) nieuws, maar vaak aan weinigen bekend. Een mooi beeldhouwwerk van Michelangelo, Madonna met Kind, bevindt zich op het altaar in de zuidelijke zijbeuk van de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Brugge (De Romaanse kerk werd in 1116 door brand verwoest; de huitdige Gotische kerk is een hoogtepunt van deze kunststijl).

Het beeld is 128 cm . hoog en uit marmer van Carrara gebeeldhouwd door de 26-jarige Michelangelo Boanorotti. Enige jaren later beeldhouwde hij de Piëta uit de St.-Pietersbasiliek te Rome. Wegens onenigheid met zijn opdrachtgever (Francesco Picollomini, de latere Paus Pius III) die 15 beelden bestelde voor de Dom van Siena (als aandenken aan paus Pius II) werd het in 1504 te Florence aangekocht door de koopman Giovanni di Moscerone (Jan van Moeskroen); diens graf ligt in de Onze-Lieve-Vrouwekerk aan de voet van het altaar vóór het beeld.  Twee jaar later kwam het beeld vanuit Lucca per karveel in Brugge aan en in 1516  schonk de familie Moeskroen het beeld aan Brugge.

Tijdens de Franse revolutie, die zich wel eens uitte in fanatieke vernielingszucht, werd de Brugse Madonna bedreigd, maar Brugse burgers hebben het beeld op vindingrijke wijze weten te verbergen voor de vernielers van kerkelijke kunst.

Tijdens W.O.II  konden ook de Duitsers hun handen niet afhouden van dit kunstwerk. Terwijl de geallieerden oprukten beslisten ze om o.a. deze Madonna van Michelangelo niet "in handen te laten vallen van Amerikaanse Joden" en ze over te brengen naar de zoutmijn in Alt-Ausse in Oostenrijk. Een 'Kriegsverwaltungsrath' Ludwig Seiterich, kunstminnaar, katholiek en anti-nazi, trachtte het bisdom nog op de hoogte te brengen van dit plan maar de povere maatregelen die men nam volstonden niet om het Duitse plan te beletten. In de nacht van 6 op 7 september 1944 werd het beeld 'geëvacueerd' door Duitse mariniers. In een vrachtwagen van het Rode Kruis ging het naar Antwerpen, dan  per boot over de Schelde langs Nederland en Duitsland naar de zoutmijn nabij Salzburg. Het Opperbevel van de Wehrmacht schreef in een brief aan Bisschop Lamiroy dat 'Duitsland Europa niet had kunnen redden maar wel zijn kunstschatten'. De mijntoegang werd wel gedynamiteerd. In 1945 ontdekten Amerikanen de bergplaats met o.m. de madonna (zie foto blz. 85).