|
|
|
"GELOOF EN LEVEN" 2006 nummer 4
INHOUD VAN DIT NUMMER (Het onderlijnde is hier opgenomen)
-
De Ramshoren. Voor jubilarissen! Pater Lucien Cop
redemptorist in Bagdad -
Pater Deboutte Alfred 10 jaar overleden -
Wat de Heer verfoeit. Spreuken 6,16-19 -
Doodstraf ethisch verantwoord? Naar Katholiek Nederland
en Zenith 22/06/2006. -
Iconen schilderen. Mariafraterniteit. Zie www.geloofenleven.be
onder “kunst” -
Het evangelie van Judas. Samenstelling : Ben Van Vossel -
3 bezinningen: “Kom ons bevrijden” -
Eensgezind bidden met vertrouwen. Maaike Dessin -
De eerste missievlucht naar Kongo (27) Jozef Boon CSsR -
Missionaris in Beiroet. Pater
Timon De Cock, 52 jaar missionaris in Libanon -
Oud-testamentsche christologische typologieën (2) Adam,
de Mens -
De tempel van de Heer
Ben Van V ossel -
Klooster – Kerk – loslaten Magda De Wilde -
Nieuwe staatssecretaris van het Vaticaan -
Amnesty international op de vingers getikt door de
Kerk -
Kerknieuws: Paus Benedictus XVI kampioen oekumene -
Katholiek standpunt Stamcellenonderzoek Kerknet
Vlaanderen 1/08/2006 -
“Geloof en Leven” op het wereldwijd web -
Wetenschapsmens en gelovige (Pascal) Malcolm Muggeridge -
Van babygelovige tot volwassen christen. Een
uitnodiging, een uitdaging. Ben V. Vossel -
Boekbespreking -
Tienerkamp te Essen - Lucas in Padua begraven? Samenstelling: Ben Van Vossel
INHOUD - ACTIVITEITEN - NIEUW - KINDEREN - BIJBEL - DIAPRESENTATIES - GEBEDSGROEP - PARAY L.M. - MARIA-KEFAS - PREKEN - THUISPAGINA - NADENKERTJES - NUMMERS - LITURGIE - ROEPING - GEZIN - JONGEREN - GETUIGENISSEN - MORAAL - HAHAHA - BOEKEN - MARIA - CHRISTELIJKE VORMING - ZENDING - KERK en GELOOF - CHRISTEN in de WERELD - Figuren uit de KERKGESCHIEDENIS - UITZICHT - INFO - MEDIA - GEZONDHEID - SPIRITUALITEIT - PINKSTERSPIRITUALITEIT - VERHALEN - KUNST - BEZINNINGEN - GRIEKSE KERK BAGDAD - WETENSCHAP - JEZUS (Isa al Masih) - GEBED - SOCIALE INZET - EVANGELIE-LEZING -
DE RAMSHOREN Voor jubilarissen! Pater
Lucien Cop katholiek missionaris in Bagdad “Jubileum
komt van het woord Yabèl of jobel en de ramshoren luidt het 50ste
jaar in. Hoor je hem? -(Pater Cop deed het ramshorengeluid na doorheen de
micro; zijn scoutsvrienden dachten aan het trompetten van een kudde olifanten in
de djungel). 50 jaar, dat is 7x7=49;
7x7 jaar-weken … en dan is er de
grote sabbat. De
ramshoren roept ons in feite op om ons werk eventjes te onderbreken. Sabbat
betekent: staken… ophouden met werken… verademen. We stoppen op de 7de
dag , zoals God, om te rusten en te zien dat het goed is, dat het zeer
goed is. We stoppen op de grote sabbat van het 50ste
jaar, om te verademen, om te zien hoe goed alles is. Op
de 7de dag, op het 7de
jaar, op het 7 maal 7de jaar,
willen we verpozen, en kijken naar de Bron van ons leven. Want, wij zijn niet zélf
de bron van ons leven, van onszelf, van onze wereld.
De 7de dag, het 50ste
jaar, is er om te erkennen, om te danken en om te hopen. -
Om te erkennen dat God, onze Schepper, het allemaal gedaan heeft, het
allemaal doet, zij het door onze handen. Om
te erkennen dat we niet zelf gekozen hebben om in de wereld te komen, of dit of
dat te worden: om Vlaming te zijn bijvoorbeeld, christen te zijn, kloosterling
te zijn, getrouwd te zijn of priester te zijn… Niet zelf gekozen, maar wel
geroepen, be-roepen... om ons
antwoord te geven. Tot die erkenning
en dat geloof roept de ramshoren van het 50ste
jaar ons op. -
De ramshoren van het 50ste jaar
roept ons ook op om te danken. Danken
voor deze schone roeping die we gekregen hebben in deze wereld, onder deze lieve
mensen. Danken voor onze ouders en familie, vrienden, de scouts, die ons geleerd
hebben en nog leren goed te antwoorden op onze roeping. Dank aan de mensen van
ons dorp; de mensen van ‘de polder’ en van ‘den hoge’; de mensen van
Vlaanderen; alle mensen die ons geholpen hebben mens te worden - beeld van God.
Dit jubileum is een feest van de liefde, onze liefde als het levende beeld van
Gods Liefde. -
Naast het feest van het geloof en de liefde, roept de Yabèl, de ramshoren, ons
ook op om te hopen. Want, we zijn maar simpele arme menskens, met onze
tekortkomingen en zonden. Het
50ste jaar in de bijbel is een jaar
van kwijtschelding van alle schulden. We vieren nu dat God ons aanneemt en
vergiffenis geeft. We mogen er zijn. Onze daden en pogingen en probeersels mogen
er zijn. Hij verwelkomt ze, vervolmaakt ze, zet er een kroon op. Geloof, liefde
en hoop. Deze 3 goddelijke deugden vieren we in menselijke gedaante in dit 50ste
jaar. En,
dierbare Vrienden, laat me toe u allemaal persoonlijk te betrekken bij deze
viering. Gij allen zijt geroepen tot dit leven. Elk van u is geroepen om zijn
mens-zijn waar te maken. Allemaal hebt ge een 7de dag, een 50ste jaar om uw
roeping te vieren, om te danken voor al het goede dat er in u is en in uw
mensen; om te hopen ook dat onze Heer uw werk en leven zal voltooien en uw
tekorten en fouten zal heel maken. Ik
wens mezelf en u allemaal hartelijk proficiat met dit jubileum. God heeft het
gedaan. God doet het nog. God zal het blijven doen, over de dood heen.
Geloof, liefde en hoop. Amen. PATER DEBOUTTE 10 JAAR OVERLEDEN Ben
Van Vossel De
glimlach en de ernst van pater Alfred Deboutte komen mij nog af en toe voor
ogen. Hij had iets van een kind: blij met het minste. ‘Een kinderhand is gauw
gevuld’, zei vader zaliger vaak. P. Alfred kon blij zijn met kleine dingen,
een bloem, een boom, de zang van vogels. Maar ook met de frisheid van kinderen
en jonge mensen. En met de droom en het idealisme van jongeren:
jarenlang begeleidde hij de geëngageerde vlaamsvoelende jongeren in de
Rodenbach- en de Lutgardkring. En op het einde van zijn leven was hij heel blij
met de grote tas melk die hem werd aangereikt door vrienden in zijn verblijf bij
de zusters Redemptoristinnen in Brugge; zijn maag verdroeg al de rest niet meer.
Maar
vreugde welde vooral op in zijn hart als hij goed nieuws hoorde op kerkelijk
vlak. Hij was verliefd op de Kerk, verknocht aan de Kerk, en dit was nog sterker
dan zijn verknochtheid aan Vlaanderen, dat hij ook hartstochtelijk liefhad; dit
laatste verhinderde hem niet om naar koningin Fabiola te schrijven en een
doodsprentje te vragen van de ‘katholieke’ koning Boudewijn. De
vreugde van Alfred was nauw verwant met zijn ernst, zijn diepe verknochtheid aan
het katholieke geloof. Want dat geloof gaf hem een groot respect voor de natuur,
voor het menselijk leven (hij was geëngageerd in actiegroepen tegen abortus) en
samenleven (de Vlaamse ontvoogding was voor hem vooral ook een sociaal
engagement). Je zou hem een traditionalist kunnen noemen. Maar zijn ernst was
een gegronde ernst. In zijn dogmalessen vonden wij hem wat oppervlakkig, hij kon
omzeggens een hele ‘summa’ samenvatten in een paar zinnen. De traktaten over
geloof, hoop en liefde waar hij normaal toch wel wat weken kon over spreken,
vatte hij voor ons, die deze dogmatische traktaten tijdens onze legerdienst niet
hadden gekregen, op een paar bladzijden samen. Maar eigenlijk was het zijn
scherp verstand dat hem deed zien waar het eigenlijk op aankwam. Zo
had hij een overtreffend woord boven zijn leven hangen dat hij ook in ieder
gelovige en priester trachtte te ontdekken: ‘le sens de l’Eglise’ (deze
flamingant dacht ook wel eens in het Frans; had trouwens in het Frans school
gelopen), de kerkzin, het meevoelen met de kerk, het aanvoelen waar het hart van
de Kerk naar uitgaat of waar de kerk echt waarde aan hecht. En uiteindelijk gaat
het dan over de gehechtheid aan Christus, de ware weg naar het leven. Zijn
sociale gerichtheid is een aspect dat we bij pater Deboutte wel eens over het
hoofd zien. Ik weet niet of hij die microbe had opgedaan van pater Jos
Schotsmans, maar hij was er echt door gebeten. Getuige daarvan de vele
documentatie (door Geloof en Leven v.z.w. doorgegeven aan het archief van de
Provincie Vlaanderen) die hij heeft nagelaten omtrent achtergestelde buurten.
Hij is actief geweest in de Missiestaties voor pastoraal buurtwerk in de
volksbuurt van de Burgemeesterstraat in Leuven en later in de
Zevenslapersstraat. Zijn liefde voor de (vervolgde) kerk én de Congregatie van
de Allerheiligste Verlosser brachten hem tot morele en materiële hulpverlening
voor de opleiding van jonge Redemptoristen in Oekraïne.
Dit was een van de bekommernissen op zijn oude dag. Voor velen is pater
Alfred een anker geweest in persoonlijke en kerkelijke onzekerheden. Daarom
gedenken wij hem dankbaar. Uiteraard
zijn wij als redactie van ‘Geloof en Leven’ p. Alfred Deboutte blijvend
dankbaar omdat hij ons tijdschrift heeft gered van opheffing. Uit compassie werd
hem door de toenmalige provinciaal toegestaan het tijdschrift in 1996 nog wat
verder uit te geven. Na het overlijden van p. Alfred (dec. 1996) werd het door
het kapittel van de Provincie Vlaanderen uit handen gegeven aan de Gemeenschap
Maria-Kefas. We citeren uit het eerste nummer dat na zijn dood
verscheen en waarmee de jubileumjaargang van 100 jaar “Geloof en
Leven” werd afgesloten: “Het
was het verlangen van P. Deboutte dat ‘GELOOF EN LEVEN’
zou blijven verschijnen maar zich resoluut zou inschakelen in “de
Nieuwe Evangelisatie”. Dit
thema, de Nieuwe Evangelisatie, maakte hem de laatste maanden zo enthousiast dat
hij - ondanks zijn ouderdom - met nieuwe ijver door wou gaan met “Geloof en
leven”, ook na de honderdste jaargang. Om
aan dit verlangen van P. Alfred Deboutte te kunnen beantwoorden, hebben we toen
beroep gedaan op de jonge, evangeliserende Gemeenschap Maria-Kefas. Deze
katholieke Lekengemeenschap, die actief betrokken was bij het apostolaat rond
het Redemptoristenklooster van Gent, heeft het op zich genomen om Geloof en
Leven verder te laten verschijnen als een Driemaandelijks Tijdschrift, dat zich
inpast in de oproep van Paus Johannes-Paulus II voor een Nieuwe Evangelisatie.
Enige
Redemptoristen, die reeds samenwerkten met deze Gemeenschap, hebben zich verder
mee ingezet opdat dit alles op een zo goed mogelijke manier zou verlopen…. “Dit
zijn zes dingen, die de HEER verfoeit, ja,
zeven, die Hem een gruwel zijn: hoogmoedige
ogen en een leugenachtige tong, handen
die onschuldig bloed vergieten, een
hart dat heilloze plannen smeedt, voeten
die zich haastig reppen naar het kwade, een
valse getuige die leugens uitslaat en
degene die ruzie teweegbrengt onder broeders.” (Spreuken
6,16-19) DOODSTRAF
ETHISCH VERANTWOORD ? Naar
gegevens van Katholiek Nederland en Zenith 22/06/2006. In
aug. 2006 zou Saddam Hoessein berecht worden. Aanklacht was een moordpartij in
een Sjiïetisch dorp waar een aanslag op de president was gepleegd. Een volgende
en zwaardere aanklacht was de ethnische zuivering op (tien-)duizenden Koerden;
chemische Ali had van dat laatste zijn actieterrein gemaakt.
Kardinaal
Poupard, de voorzitter van de pauselijke Raden voor Interreligieuze dialoog en
Cultuur heeft er enige tijd terug sterk op aangedrongen dat deze gewezen
president van Irak niet ter dood zou worden veroordeeld: “een mensenleven is
altijd onschendbaar”. Irakese
Sjiieten en Koerden zullen hier wel een andere opvatting over hebben, aangezien
speciaal tegenover hen Saddam Hoessein nogal wreedaardig is opgetreden met
massa-executies en gasaanvallen. En
om helemaal eerlijk te zijn: in haar eeuwenlange geschiedenis heeft de kerk ook
wel eens andere opvattingen verdedigd. Met name de moord op een tiran, of het
recht van een staat om zware criminelen ter dood te veroordelen, daarover
bestond nogal verschil van mening onder katholieke moralisten. De Kerk is wat
dat betreft ook kind van haar tijd. Maar
anderzijds gaat ze vaak wel voorop in de groei naar een fijner ethisch aanvoelen
en wat daartoe benadrukt zou moeten worden.
In dit concrete geval wil de kerk een sterk voorbeeld geven om haar
stelling te onderlijnen tot radicaal respect voor het menselijk leven. De
tegenwoordige argumentatie van de katholieke stelling dat de doodstraf niet mag
uitgesproken worden is eigenlijk de geloofsovertuiging dat ieder persoon een
schepsel van God is en dat dus niemand kan beschikken over leven en dood van een
ander. We behoren God toe. Maar
als gewone mensen vragen wij ons soms af of we toch geen uitzondering moeten
maken voor grote misdadigers, doders van onschuldigen, daders van
kindermisbruik, of in het geval van genocide en racistische moorden … ? “Het
leven is een geschenk en dat is een universeel principe waarop geen
uitzonderingen mogelijk zijn, aldus kardinaal Poupard. “Alle schepselen, de
meest onfortuinlijken inbegrepen, zijn geschapen naar beeld en gelijkenis van
God”. Hoe de natuur of de mens die gelijkenis ook verduisterd heeft, wij
kunnen niet in de plaats van God treden. Om
te besluiten geven we hier ook nog een vrij recente stellingsname van de Poolse
kerk met anderzijds het opmerkelijk resultaat van een petitie (Kerknet
Vlaanderen 25/08/2006). De
aartsbisschop van Lublin, Mgr . Josef Miroslaw Zycinski, heeft officieel afstand
genomen van de uitspraken van de populistische “Liga voor het Gezin”, een
van de partijen die in Polen mee aan de macht is. Deze had eerder gepleit voor
de herinvoering van de doodstraf voor moordenaars en pedofielen. Volgens de Liga
is dat ook in overeenstemming met de leer van de katholieke kerk. In
zijn reactie stelt Mgr. Zycinski echter dat de leiders van de partij hun visie
willen voorstellen alsof die op christelijke principes gebaseerd is. “In
werkelijkheid baseren ze zich op het brutale principe dat wie zich niet kan
aanpassen moet uitgesloten worden uit onze menselijke samenleving.” De
aartsbisschop herinnert er ook aan dat paus Joannes Paulus II meermaals opriep
tot respect voor het menselijke leve n, vanaf het begin tot het einde. Hij
verwerpt dan ook met klem de oproep voor de herinvoering van de doodstraf. Ondertussen
heeft de Liga voor het Gezin wel al een half miljoen handtekeningen
ingezameld, vereist voor een referendum over de doodstraf. HET EVANGELIE VAN JUDAS (vervolg en slot) Samenstelling
: Ben Van Vossel We
hebben in vorig nummer aangegeven hoe het zogenaamde “evangelie van Judas”
een zeer oude tekst is maar die niet als echt christelijk
werd beschouwd door de kerkvaders (zoals Ireneüs van Lyon) maar als een
afwijking van de leerstellingen van de Kerk en als afkomstig uit een door
heidense wijsbegeerte besmette gnostische christelijke stroming. Hierover hebben
we het nu verder. Gnosticisme
- dualisme De
schoot waaruit dit Evangelie van Judas ontstond is de sekte van de Kaïnieten
die op hun beurt geworteld was in het gnosticisme. Gnosticisme of gnostiek of
gnose is een verzamelnaam voor verschillende religies en sekten uit de eerste
eeuwen van onze jaartelling zowel in het christendom als daarbuiten. Leden van
een gnostische sekte streefden naar de overstijging van hun aardse bestaan om
tot hogere kennis te komen. Het is deze kennis, ook wel ‘gnosis’ genoemd,
die de gnostici trachten te bereiken. De gnosis kunnen we misschien het best
omschrijven als een soort mystieke of esoterische kennis omtrent het goddelijke. Een
gnostische sekte wordt vaak gekenmerkt door een sterk dualisme tussen licht en
duister, en tussen de materiële en de spirituele sfeer (het lichamelijke is
minderwaardig, waardevol is enkel het geestelijke). Dit dualisme zet zich verder
door in het godsbeeld van gnostici. Aan de oorsprong van alles staat dan de ene,
ware godheid. Deze godheid heeft andere goden geschapen die verantwoordelijk
zijn voor de schepping, bijvoorbeeld de god van het Oude Testament. Volgens hen
was de heerschappij over de wereld verdeeld tussen die hogere onkenbare godheid
en de scheppende god van de Bijbel. De god van de Bijbel vertegenwoordigt de
lagere kennis en hij tracht mensen af te houden van de hogere kennis zodat ze
geen kennis krijgen van de hoogste god. Wegens hun negatieve houding tegenover
de God van het jodendom en christendom was het dan ook te verwachten dat
de gnostici en hun geschriften verworpen werden door de kerkvaders. Concreet
vinden we in het ‘evangelie van Judas’ vooral dialogen tussen Jezus en zijn
‘favoriete’ discipel, onder meer over het wezen en de toekomst van mens en
wereld. De kruisiging en verrijzenis van Jezus komen er niet in voor. “In de
gnostiek is geen plaats voor plaatsvervangend lijden en de opstanding. Het gaat
erom dat Jezus jou leert je ware innerlijke zelf te ontdekken.’’ Gedroomd
voer dus voor personen die wel het relatieve zien van de aardse werkelijkheid,
maar niet de diepte van waaruit ze reeds mogen leven. Gnostieke
voedingsbodem Het
Judasevangelie blijkt inderdaad ook een gnostische tekst te zijn. De Gnostiek
(een gedroomde grabbelton voor new-age-kringen) als vroeg-christelijke stroming,
was sterk beïnvloed door niet-christelijke stromingen, maar moest het afleggen
tegen het rechtgelovige christendom. Gnosis (zoals gezegd, een grieks woord voor
‘kennis’) slaat op een soort intuïtieve kennis, waardoor gelovigen
bevrijdend inzicht krijgen. Een zogenaamd hogere kennis, waar je moet ingeleid
worden en waardoor je dingen gaat (be-)vatten waar een gewone (gelovige of
ongelovige) geen weet van heeft of niet bij kan. Als
het Judasevangelie inderdaad uit die gnostische kringen komt, kan het een
bijkomende inlichtingenbron betekenen omtrent de gnostische stromingen maar ook
over wat sommigen in het vroege christendom zoal dachten, zegt professor Van
Oort. De omschrijving van Judas als ster stamt uit de van Plato afkomstige
theorie dat ieder mens bij de geboorte wordt toegewezen aan een bepaalde ster.
Die van Judas is volgens de tekst “de overtreffende ster”. Onze
beoordeling -
Eén liefdevolle God voor alle mensen Het
volstaat niet dat we een wat ruimer zicht krijgen op zogenaamde nieuwe
‘evangelies’ die verschijnen of (her-)ontdekt worden. Voor ons, christenen,
is het belangrijk dat die ontdekkingen (ook bv. die zogenaamde geheime of
verborgen kennis waarover een roman zoals de Da Vinci Code het heeft) ons niet
ongerust maken of eventueel doen wankelen, maar integendeel ons helpen tot een
betere kennis en een dieper intreden in ons christelijk geloof. De
grondinspiratie van het christendom blijft nog altijd het geloof in de Ene God
(niet een god van het goede naast een god van het kwade en nog een resem andere
goden; dit alles komt voort uit heidense voedingsbodem). De ene God houdt van
ieder mens en verlangt dat die mens ook tot het geluk komt; de weg daartoe ligt
in de lijn van datgene waartoe de mens geschapen werd. Je zou kunnen zeggen dat
die weg samenvalt met wat God wil en wat ook in het mensenhart ligt als er echt
geluisterd wordt volgens de ontwikkeling van die mens of de mensheid. Een
schaapherder uit de oude tijd, een landbouwer die wroet in de aarde voor
zichzelf en zijn gezin, de stadsmens, de mens in de technische en postmoderne
samenleving, de geleerde en filosoof en mysticus, zij staan tegenover diezelfde
God en hebben allen te luisteren naar wat Hij tot hen zegt langs tal van wegen.
Die God heeft de mens gemaakt zoals Hij is, met lichaam en psyche en geest en
Hij roept hem tot een persoonlijke relatie met Hem en tot eeuwig leven. Geen
geheime kennis dus voor de hoogmoedige mens die zich wil beter wanen dan de
‘onwetende’ naast zich. Gewoon dankbaar zijn en zich toevertrouwen aan die
God, die liefde is en die Zich in Jezus helemaal heeft uitgesproken, Zich ten
volle heeft doen kennen. -
Geen dualistische kleinering van het lichamelijke Het
christendom aanvaard niet dat het lichaam en het materiële (neem bv. de materiële
tekenen van de sacramenten: water, brood, wijn, zalf) als negatief worden
bestempeld. Jezus heeft ons verlost toen Hij deelde in onze bestaanswijze:
“Maar toen de volheid van de tijd gekomen was, heeft God zijn Zoon gezonden,
geboren uit een vrouw, geboren onder de wet, opdat Hij hen die onder de wet
stonden zou bevrijden, opdat wij de rang van zonen zouden verkrijgen.”
(Gal.4,4-5). Jezus’ lichaam was geen ‘schijn’-lichaam. Ook op dit vlak
hebben reeds in de eerst eeuw christelijke schrijvers gereageerd tegen die
dualistische (gnostische) tendenzen. Zo lezen we in de tweede Johannesbrief:
“... veel verleiders zijn tot de wereld uitgegaan; zij loochenen de komst van
Jezus Christus in het vlees. Dat is het kenmerk van de verleider en de
antichrist. 8 Neemt u in acht, anders zult gij, in plaats van het volle loon te
ontvangen, de vruchten van onze arbeid verliezen. 9 Alwie te ver wil gaan en
niet blijft bij de leer van Christus, heeft God niet. Wie bij die leer blijft,
hij heeft zowel de Vader als de Zoon.” (2Joh.1,7-9).
In het ‘Evangelie van Judas’ heeft Judas vanuit zijn zogenaamde
hogere kennis ingezien dat Jezus ons maar kan verlossen wanneer Hijzelf verlost
wordt van zijn (minderwaardige) lichaam. In die tekst zegt Jezus over Judas:
“Jij zult alle anderen overtreffen. Jij zult de mens offeren die mij
bekleedt.’’ Door Jezus over te leveren, heeft Judas zogezegd bijgedragen aan
bevrijding van Jezus’ ware zelf uit Zijn sterfelijke lichaam. Deze gedachte
tekent dit evangelie als een tekst uit de gnostiek, de vroegchristelijke
stroming waarin de intuïtieve kennis centraal staat die het ware zelf van de
mens vrijmaakt. Daarom
zal Judas Hem dan ook overleveren. Dit heeft niets meer met het christendom te
maken; hier wordt het christendom en het werk van Christus helemaal verminkt
door het in te passen in niet-christelijke esoterische stromingen. In
die door het gnosticisme en dualisme beïnvloede leerstellingen (2 goden,
waardering van het geestelijke en verwerping van het materiële) worden ook het
menselijke lichaam, de seksualiteit, de sacramenten (zichtbare zaken) als
dragers van heil ondergewaardeerd of zelfs als slecht aanzien. Dit gaat in tegen
de grondinspiratie van de Joods-christelijke godsdienst. Prof. Van Oort beweert
met stelligheid: “Hoe je het ook wendt of keert, de Bijbelse evangeliën zijn
echt de oudste.’’ Reeds
in het Nieuwe Testament, o.m. in de eerste Timoteüsbrief, wordt een zogenaamde
geheime kennis veroordeeld als een afwijking van het echte geloof: “Timoteüs,
bewaar wat u is toevertrouwd, en keer u af van het profaan en leeg geredeneer en
de opwerpingen van de zogenaamde gnosis; sommigen die haar verkondingen, zijn
het spoor van het geloof reeds bijster geraakt”. (1Tim.6,20-21) Zo is het
inderdaad. Naschrift:
Judas herwaarderen? De slechte wordt de goede Professor
Van Oort schetst hoe Judas, de leerling die volgens het Nieuwe Testament Jezus
verraadde, in ‘het evangelie van Judas’ een man is die Jezus juist als geen
ander begreep. Judas overtreft de andere discipelen en is de ’ster’ van zijn
evangelie. De tekst toont dus een totaal ander Judasbeeld dan dat wat zich in de
loop van de eeuwen heeft gevormd’. Van Oort tekent daarbij aan dat Judas in de
oudste lagen van de Bijbelse evangeliën “nog lang niet die gemene en
geldzuchtige slechterik en uiteindelijk prototype van de Jood is die de latere
traditie van hem heeft gemaakt’’. Dat kan best zo zijn, maar hem nu gaan
verheffen tot de enige goede en wijze, is het evangelie achterste voor
schrijven, en dat is een kenmerk van de Kwade. Antisemitisme? Sommige
commentatoren hebben evenwel naar aanleiding van de (toen nog
‘aangekondigde’) publicatie van ‘het Evangelie van Judas’ opgemerkt dat
een eventuele rehabilitatie van Judas de dialoog met de joden ten goede zou
komen. Zij beweren dat het slechte daglicht waarin Judas werd geplaatst een
reden of minstens een symbool is geworden voor de demonisering van ‘de Jood’
in de loop van de eeuwen. Zij menen dat het een positief teken zou zijn voor de
toenadering tussen christenen en Joden wanneer Judas zou worden hersteld in zijn
waardigheid van apostel. Waarom
zou men echter in de Jood Judas het symbool gaan zien van alle Joden? Tenslotte
waren er op het laatste avondmaal bijvoorbeeld nog 12 andere Joden aanwezig,
waaronder Jezus zelf. Goede Joden dus. Mgr. Brandmüller gaf als commentaar:
“De dialoog tussen de Heilige Stoel en de joden wordt op constructieve wijze
voortgezet op andere gronden, zoals Benedictus XVI heeft aangegeven tijdens zijn
bezoek aan de synagoge in Keulen (…) en zoals hij enige tijd terug nog
benadrukte tijdens zijn ontmoeting met de belangrijkste rabbijn van Rome.” Documentatie -
Website Kerknet (o.m. met Dries Somers Bijbelwetenschapper Leuven) -
Website Katholiek Nederland (o.m. met professor Van Oort, hoogleraar vroege
christendom en gnostiek aan de Radboud Universiteit Nijmegen) -
nl.wikipedia.org/wiki/Nag_Hammadi#column-one#column-one Pater
Timon De Cock, 52 jaar missionaris in Libanon vertrok
op 26 augustus 2006 opnieuw naar Beiroet Gewoonlijk
als er over Libanon gesproken wordt, is het bijna altijd in negatieve zin:
oorlog, vernieling, dood… Goddank zijn er nog zeer veel positieve aspecten aan
het land. Onze
missiepost is nog altijd jeugdig, nogal bloeiend en toch zeer verscheiden in
activiteiten van alle soort. Onze kerk (een paterskerk) wordt bezocht door
mensen van alle ritussen, vooral dan Maronieten en Chaldeeërs, katholieken en
Orthodoxen. Deze kerk, toegewijd aan O.L.Vrouw van Altijddurende Bijstand, is
een echt licht in onze omgeving. Onze omgeving is christen, maar reeds komen de
moslims wonen tussen de christenen. We mogen zeggen ongeveer 50%. De
verhoudingen in de samenleving is niet altijd ideaal. Er zijn veel kleinere
onlusten, vooral tussen de Sjiieten en de Assyrisch Orthodoxen. Maar over het
algemeen is de samenleving vredig. Dan
hebben wij onze school en lokalen voor de jeugd. In onze school is iedereen
welkom. Zo is de kleine meerderheid christen en de rest moslim. Voor wat de
christenen aangaat zijn dat Katholieken en Orthodoxen. De moslims zijn verdeeld
in Soenieten (een kleine minderheid) en Sjiieten, waaronder zeker een aantal
aanhangers van de partij Hesjbollah. Er wordt echter niet aan politiek gedaan.
We werken voor de intellectuele, religieuze opvoeding. Er zijn 17 leerkrachten,
katholieken en orthodoxen. Er waren 320 kinderen tot het 6de studiejaar, met een
speciale klas voor de Irakese kinderen die gevlucht zijn uit Irak. Deze bereiden
zich voor om uit te wijken naar Australië, dit wil zeggen dat ze wachten op hun
visa (2 maand tot 3 jaar wachten). Onze wijk is een der meest verlatene van het
land. Er is weinig interesse voor de problemen van onze mensen. Op 20 minuten
gaans, dus even buiten onze wijk, weten zeer veel mensen niets over onze wijk.
Ze weten eenvoudigweg niet dat hij bestaat. De
grote problemen van de miserie zijn: werkeloosheid, levensduurte, lage lonen,
ziekten; als er iemand ernstig ziek is in een gezin, betekent dat een echte
ramp. De oorlog heeft die situatie veel, veel verslecht. We
vertrekken nu terug, langs Damascus, en leggen onze toekomst in Gods handen en
onder de bescherming van Onze Lieve Vrouw. De
school van pater Timon in de christelijke armenwijk van
Beiroet wordt niet erg gesteund van staatswege en dat zal er wegens de
voorbije gebeurtenissen vast niet op verbeteren. Wij nodigen onze lezers en hun
vrienden uit om dit jaar dit sociale, oecumenische, gemeenschapsopbouwende mooie
werk te steunen. Uiteraard door ons gebed maar ook door kleine of grote
geldelijke steun op ofwel
bankrekening 083-0462975-94 van DE COCK TIMON
BP 90713 JDEIDET EL METN RL-HAY
ESSYRIAN ofwel
bankrekening 892-5905324-50 van GELOOF EN LEVEN vzw VOSKENSLAAN 56 9000 GENT Met
vermelding: “voor pater Timon De Cock, Beiroet” Langs
deze laatste bankrekening steunen wij werken van evangelisatie. OUDTESTAMENTISCHE
CHRISTOLOGISCHE TYPOLOGIEËN (2) ADAM,
DE MENS We
hebben in ons vorig nummer Abel laten voorgaan op Adam, de ‘eerste mens’
omdat het in Abels geval een duidelijke typologie of voorafbeelding van Jezus
betrof. Adam wordt evenwel ook in verband gebracht met Christus, maar eerder als
de eerste natuurlijke mens, en ook wel als de zondige mens, die in feite niet
helemaal beantwoordde aan Gods droom over de mensheid. Hij staat dan in
tegenstelling tot Jezus die ‘de nieuwe mens’ genoemd wordt en die de oude
mensheid heeft opgetild opdat ze kan beantwoorden aan Gods verlangen, de weg
naar het geluk waartoe God de mens geroepen heeft. Eretitels Nochtans
zou Adam ook wel wat eretitels kunnen laten gelden. De ‘eerste mens’,
gemaakt naar Gods beeld en gelijkenis. Geen
kleinigheid, toch? Iemand die met God wandelt in de tuin van Eden. ‘Adam, waar
ben je?’ In die zin is er een sterke gelijkenis met Jezus. Overigens krijgt
Adam in de stamboom van Jezus de eerste plaats, door zijn directe relatie met
God; hij wordt daar zelfs ‘zoon van God’ genoemd, omdat Hij uit de hand van
God is voortgekomen: “Deze Jezus nu was bij zij optreden ongeveer dertig jaar.
Hij was, in de opvatting der mensen, de zoon van Jozef, de zoon van Eli,
de zoon van Mattat, de zoon van Levi … de zoon van Enos, de zoon van
Set, de zoon van Adam, de zoon van God.” (Lucas 3,23-24.38). Tegenstelling
Adam-Jezus Maar
de tegenstelling Adam-Jezus komt eerder en vaker aan bod dan de gelijkenis:
zondeval – redding, ongehoorzaamheid – gehoorzaamheid, aardse mens –
geestelijke of hemelse Mens, oorzaak van de zonde - bewerker van het heil. Vooral
Paulus heeft de tegenstelling Adam-Jezus vlijmscherp getekend in zijn
Romeinenbrief: “Toch
heeft de dood als koning geheerst in de tijd van Adam tot Mozes, dus ook over
hen die zich niet op de wijze van Adam schuldig hadden gemaakt aan de
overtreding van een gebod. Adam nu is het beeld van de Mens die komen moest.
Maar de genade van God laat zich niet afmeten naar de misstap van Adam. De fout
van een mens bracht allen de dood, maar allen schonk Gods genade rijke
vergoeding door de grote gave van zijn genade, de ene mens Jezus Christus. Zijn
gave is sterker dan die ene zonde. Het oordeel dat volgde op de ene misstap liep
uit op een veroordeling, maar de gratie die na zoveel overtredingen verleend
werd betekende volledige kwijtschelding. Door
toedoen van een mens begon de dood te heersen, als gevolg van de val van die
mens. Zoveel heerlijker zullen zij die de overvloed der genade en de gave der
gerechtigheid ontvangen, leven en heersen, dank zij de ene mens Jezus Christus
(Rom.5,14-17). Aards-hemels De
aardse mens met al zijn beperktheden en zondigheid heeft niet kunnen beletten
dat God in zijn genadige barmhartigheid zich toch het lot van de mensen is
blijven aantrekken. Door een mens… kwam het onheil, maar door een Mens (Jezus)
kwam er overvloed van genade en de gave van door God goed bevonden te worden
(gerechtigheid). In
een andere voorname brief heeft Paulus het over het Blijde Nieuws van de
Opstanding der doden. Een deugddoende tekst, waarin Adam opnieuw wordt
tegengesteld aan Christus. “Christus
is opgestaan uit de doden, als eersteling van hen die ontslapen zijn. 21 Want
omdat door een mens de dood is gekomen, komt door een mens ook de opstanding der
doden. 22 Zoals allen sterven in Adam, zo zullen ook allen in Christus herleven.
23 Maar ieder in zijn eigen rangorde: als eerste en voornaamste Christus,
vervolgens bij zijn komst, zij die Christus toebehoren; 24 daarna komt het
einde, wanneer Hij het koningschap aan God de Vader zal overdragen, na alle
heerschappijen en alle machten en krachten te hebben onttroond. 25 Want het is
vastgesteld dat Hij het koningschap zal uitoefenen, tot Hij al zijn vijanden
onder zijn voeten heeft gelegd. 26 En de laatste vijand die vernietigd wordt, is
de dood” (1 Kor. 15,20-26). In
diezelfde brief die Hij aan de christenen van Korinthe schreef (sommigen vroegen
zich af wat er met de overledenen gebeurde: gaan die wel echt verrijzen? En met
welk lichaam?) maakt Paulus de vergelijking met wat er in de natuur gebeurt en
besluit dan: “42 Zo is het ook met de opstanding van de doden; wat gezaaid
wordt in vergankelijkheid, verrijst in onvergankelijkheid; 43 wat gezaaid wordt
in geringheid en zwakte, verrijst in heerlijkheid en kracht. 44 Een natuurlijk
lichaam wordt gezaaid, een geestelijk lichaam verrijst. Zoals er een natuurlijk
lichaam bestaat, bestaat er ook een geestelijk lichaam. Gerechtvaardigd
door het geloof Of
we het vanuit onze antieke of moderne theorieën nu plezierig vinden of niet,
hier wordt gezegd dat er niet zomaar een onbeduidend overstapje is van het
aardse naar het hemelse. Die overstap houdt voor ieder mens ook de radicale
breuk in die wij de dood noemen. En de stap die een mens “uit het stof van de
aarde genomen” te zetten heeft om de “Heilige”, de “totaal Andere”
tegemoet te treden is niet te zetten op eigen kracht, maar enkel door het
genadevol ingrijpen van God. Die afgrond en de muur van de zonde heeft Jezus
overbrugd en doorbroken toen Hij in ons bestaan is getreden en de wereld van
binnenuit heeft opgetild zodat Hij werd gerechtvaardigd door God. In Jezus
kunnen wij nu naderen tot God. Adam,
geroepen tot “wandelen met God” heeft God niet vertrouwd maar wou zelf de
wet stellen. Jezus, de nieuwe mens heeft in alles Gods verlangen volbracht en
heeft ons opnieuw de mogelijkheid gegeven om in Gods verlangen en in Gods liefde
te staan. “Zijn wij één met Hem
geworden door het beeld van zijn dood, dan moeten wij Hem ook volgen in zijn
opstanding, Het
geloof en de werken De
weg daartoe vraagt van ons toch wel echt een beslissing om bij Jezus aan te
sluiten, op Hem ons leven te bouwen en ons dan ook door zijn Geest laten leiden
zoals Paulus in zijn vermanende briefgedeelten schrijft: “Weg met de toorn,
gramschap, kwaadaardigheid, laster en beschimping! 9 En beliegt elkaar niet
meer. Legt de oude mens met zijn gedragingen af, 10 bekleedt u met de nieuwe
mens, die op weg is naar het ware inzicht, zich vernieuwend naar het beeld van
zijn schepper. 11 Dan is er geen sprake meer van heiden of Jood, besnedene of
onbesnedene, barbaar en onbeschaafde, van slaaf of vrije mens. Daar is alleen
Christus, alles in allen.” (Kol. 3,8b-11) Ben
Van Vossel Mensen
bouwen tempels Dat
moet nogal iets geweest zijn die tempels in de Oudheid. Wellicht is het in de
heel verre oudheid iets eenvoudiger geweest: een rots, een boom, de zon. Daarna
wat opgestapelde stenen. Maar later verschijnen hier en daar van die bouwwerken;
ik ben het niet chronologisch nagegaan, maar India en andere landen van
het verre Oosten hebben zo hun reuzentempels gehad, bovendien zeer mooi versierd
met kunstig gehouwen stenen. Egypte, Babylon, en de Asteken- en Majatempels zijn
er ook nog als getuigen… En wat met de dolmen en de beelden op de
Paaseilanden? Bij de Israëlieten waren het aanvankelijk ook maar wat stenen die
aan een Godservaring deden denken (‘Hier heb ik God sterk ervaren’, Bethel
bv.), later een wat verzorgder altaar in openlucht. In de tijd van de Uittocht
hebben we dan de “tabernakel”, die omheining van grote afmetingen voor de
dierenoffers, de reiniging van de dieren en de mensen, en dan de tent: het
heilige en tenslotte het heilige der heiligen met de tafels van het verbond en
nog wat heilige zaken. In het Beloofde land bouwen ze een echte tempel. Maar het
is wachten op koning Salomo alvorens zij ook een tempel met allure bezitten
waarin ze kunnen samenkomen en waar men offers kan brengen aan God. Het
land geraakt echter verdeeld en in Silo blijft er een godsplaats, de Samaritanen
verwijzen naar de berg Gerizzim (Joh. 3.). Herodes de Grote zal opnieuw een
prachtige tempel laten bouwen in Jeruzalem. Door de Romeinen zal ook deze tempel
met de grond gelijk gemaakt worden na de Joodse oorlogen. De Joodse christenen
hadden stilaan begrepen dat God niet woont in wat door mensenhanden is
gemaakt… Ook Jezus had reeds het relatieve van de tempel aangeduid (zie
verder). Dat neemt niet weg dat het tempelplein ook vandaag voor gelovige Joden
nog steeds een plaats is van sterk gebed. Kerken
– basilieken – kathedralen Ook
de christenen kwamen samen om te bidden. Aanvankelijk “in een of ander
huis”. En stilaan werden die gebedsplaatsen wat groter, tot kerken en
basilieken. Maar toen was het reeds staatsgodsdienst geworden. Het waren
plaatsen van gelovig samenkomen en in het Westen ook de plaats waar in het
‘tabernakel’ het Eucharistisch brood werd bewaard, teken van de sterke
aanwezigheid van Christus in de Eucharistie. Vanuit nieuwtestamentische
geschriften beseffen ook wij evenwel het relatieve van stenen gebouwen. Het
belangrijkste zijn niet de materiële stenen, maar de geestelijke stenen: de
gelovigen zelf. En de tempel is het geheel van de gelovige gemeenschap
waarbinnen God geloofd en geprezen wordt en door wie Hem geestelijke offers
worden gebracht, het offer van een God toegewijd leven.
Petrus drukte het in zijn Paasbrief reeds als volgt uit: “4 Treedt toe
tot Hem (Christus), de levende steen, door de mensen verworpen maar uitverkoren
en kostbaar in het oog van God. 5 Laat ook uzelf als levende stenen voegen in de
bouw van de geestelijke tempel. Draagt als een heilige priesterschap geestelijke
offers op, die welgevallig zijn aan God door Jezus Christus.” ( Een
lied De
Heer leeft in ons, in zijn heilige tempel. Laat
ons zingen voor de Heer! De
Heer leeft in ons, en Hij heiligt zijn kinderen. Laat
ons houden van de Heer! Zing
voor Hem, zing voor Hem, Laat
ons zingen voor de Heer. Hou
van Hem, hou van Hem, Laat
ons houden van de Heer. En
toch En
toch is het van belang dat de Jezusgemeenschap ook kan samenkomen in een materiële
ruimte. Bij ons is er immers de regen, bij de Eskimo’s wellicht de kou, en in
de tropen de stekende zon of de regen in het regenseizoen… Anderzijds kunnen
sommige omstandigheden een uitnodiging zijn om Eucharistie te vieren onder de
wijdse hemelkoepel, in openlucht. Er
staan in het evangelie trouwens een paar treffende teksten omtrent de zinvolheid
van de tempel. Reeds in verband met de kinderjaren van Jezus komt de tempel ter
sprake. Zijn opdracht in de tempel, zijn achterblijven in de tempel. En zoals
het gezin waarin Hij was grootgebracht trekt Jezus als gelovige Jood ook vaak op
naar de tempel of naar het gebedshuis (de synagoge)
en in zijn parabel van de farizeeër en de tollenaar die beiden in de
tempel aan het bidden zijn, zien we toch twee personen die in een persoonlijke
relatie treden tot God. Zoals Jezus met zijn groep leerlingen treffen we later
ook de apostelen met hun eerste volgelingen aan in de tempel. Wij
moeten ook bedachtzaam zijn in het sluiten of afbreken van gebedsruimtes en
kerken. Er komen daar gelovige mensen afzonderlijk en gezamenlijk om in de
aanwezigheid te treden van God. Zij hebben daar met God gesproken, gebeden,
elkaar ontmoet als gelovige mensen en door die gezamenlijke aanwezigheid elkaar
ook opgebouwd en gesterkt in het geloof. In die kerk ben ik gedoopt. Daar hebben
mijn kinderen hun eerste communie gedaan. Daar is mijn zoon getrouwd… Daar heb
ik een sterke Godservaring gehad. Daar hebben we gezongen voor God… Anderzijds
Het
leven gaat evenwel verder, ook al is uw kerk gesloten. Je zoekt het dan wat
verder… als het even kan. Sommigen haken af wanneer hun locale kerk gesloten
wordt. Wanneer
vrienden van Jezus Hem met bewondering wijzen op de pracht van de tempel, zegt
Hij heel ontnuchterend – maar vast niet met jubel in zijn stem- : “Ziet ge
dit alles? Voorwaar, Ik zeg u: geen steen zal hier op de andere gelaten worden,
alles zal worden verwoest” (Mt.24,2). Jezus
staat hiermee gewoon in de lijn van de profeten. Lees eens wat de profeet
Jeremia aan het volk moet zeggen en luister vooral naar de redenen waarom dit
alles gebeurt: “1 Dit woord van Jahwe kwam tot Jeremia: 2 Ga naar het huis van
Jahwe en verkondig daar in de poort deze boodschap: Luister naar het woord van
Jahwe, mannen van Juda, die door deze poort gaat om u voor Hem neer te buigen. 3
Dit zegt Jahwe van de machten, Israels God: Beter uw leven, dan laat Ik u wonen
op deze plaats. 4 Vertrouw niet op de valse leus: `Dit is de tempel van Jahwe,
de tempel van Jahwe, de tempel van Jahwe!’ 5 Maar beter uw leven, behandel
elkaar rechtvaardig, 6 verdruk geen vreemdeling, weduwe of wees, vergiet geen
onschuldig bloed op deze plaats en loop niet achter andere goden aan, tot uw
eigen verderf. 7 Dan laat Ik u wonen op deze plaats, in het land dat Ik aan uw
voorvaderen gegeven heb voor altijd. 8 Maar gij vertrouwt op valse, waardeloze
leuzen. 9 Gij steelt, gij moordt, ge pleegt echtbreuk, ge zweert vals, ge offert
aan de baäls en loopt achter andere goden aan, die gij nooit hebt gekend. 10 En
dan durft ge in dit huis dat mijn naam draagt nog voor mij verschijnen en
zeggen: `We zijn veilig!’ Maar ondertussen blijft ge al die wandaden
bedrijven. 11 Is het huis dat mijn naam draagt, in uw ogen soms een rovershol?
In mijn ogen beslist niet - godsspraak van Jahwe -. 12 Ga eens naar de plaats in
Silo, waar Ik vroeger mijn naam heb gevestigd, en kijk wat Ik daarmee gedaan heb
om de wandaden van Israel, mijn volk. 13 Welnu, omdat gij dergelijke dingen doet
- godsspraak van Jahwe -, omdat ge niet luistert, ofschoon Ik voortdurend tot u
heb gesproken, niet antwoordt, ofschoon Ik heb geroepen, 14 daarom zal Ik met
dit huis dat mijn naam draagt en waar ge zo op vertrouwt en met de plaats die Ik
aan uw vaderen gegeven heb, hetzelfde doen als Ik met Silo gedaan heb” (Jer.
7,1,-14). En
als een Samaritaanse vrouw Jezus om uitleg vraagt waar je God nu eigenlijk moet
aanbidden “in Jeruzalem of op de berg Gerizzim”, krijgt ze deze woorden
voorgeschoteld: “Geloof Mij, vrouw, zei Jezus haar, er komt een uur dat gij
noch op die berg noch in Jeruzalem de Vader zult aanbidden. 22 Gij aanbidt wat
gij niet kent; wij aanbidden wat wij kennen, omdat het heil uit de Joden komt.
23 Maar er zal een uur komen, ja het is er al, dat de ware aanbidders de Vader
zullen aanbidden in geest en waarheid. De Vader toch zoekt mensen die Hem zo
aanbidden. 24 God is geest, en wie Hem aanbidden moeten Hem in geest en waarheid
aanbidden” (Joh. 4,21-24). In
feite is dit alles geen verwensing van gebouwen en het brengen van offers, het
is een oproep tot innerlijke toewijding aan God.
Daarom zijn deze woorden uit de Hebreeënbrief die in de mond van
Christus worden gelegd, ook een dringende uitnodiging tot iedere gelovige: “…
het is ook uitgesloten dat het bloed van stieren en bokken zonden zou wegnemen.
5 Daarom zegt Hij dan ook, als Hij in de wereld komt: Slachtoffers en gaven hebt
Gij niet gewild, maar Gij hebt voor Mij een lichaam bereid. 6 Brandoffers en
zoenoffers konden U niet behagen. 7 Toen zei Ik: Hier ben Ik. Zoals er in de
boekrol over Mij geschreven staat, Ik ben gekomen, o God om uw wil te doen”
(Hebr. 10,4-7). Oprechte
eredienst Bij
het betreden van een kerk mogen we echt het besef hebben dat God daar is. Hij is
daar op een heel sterke wijze als het heilig Sacrament daar aanwezig is. We
mogen echter beseffen dat God ook in ons woont, dat wijzelf een tempel zijn van
de Heer en dat wij – of we nu in een kerk zijn of om het even waar – Hem
altijd kunnen aanbidden. De tempel van de Heer is daar waar mensen Hem aanbidden
en dienen. Wij
brengen God onze lofprijzing in onze parochiekerk, maar wij eren Hem ook in ons
hart, door ons hele leven, ons werken, onze ontspanning, onze dienstbaarheid…
Gods wil vervullen is de geestelijke eredienst. En de offerande die we Hem
brengen zal ook vooral onze barmhartigheid zijn naar medemensen toe (Mt.9,13). Wat
een vreugde! Wat
een vreugde, Heer, in uw tempel te mogen verblijven, permanent, zowel tijdens
gebedsmomenten en vieringen als onderweg en heel de dag door; wat een vreugde U
nabij te weten, luisterend, met aandacht, met zorg, met goddelijke liefde! Een
lof- en danklied voor de Heer! Magda
De Wilde “Voor
de Paters van de Voskenslaan”- Zondag van de ‘Goede Herder’ 7 mei 2006 Loslaten, stenen,
muren, kloostergebouw,
kerk, huis
… en
thuis, omkadering
van wat God ons
in al die jaren gaf. Loslaten, oase
van groen in de stad, wandeling
in ochtendlicht, in
avondrust, een
groet aan ’t Beeld: Kruis,
Maria, Heilig Hart. Loslaten stap
voor stap, in
dankbaarheid aanvaarden vermindering
van kracht, de
ouderdom: het
‘aardse huis’ dat
afgebroken wordt. Loslaten, weten
in vertrouwen, verder
gaan in
volgzaamheid en trouw, de
Goede Herder na. Ontlediging,
vereniging, gebed: ‘De
vreugde in de Heer, is
mijn kracht.’ Amen AMNESTY
INTERNATIONAL OP VINGERS GETIKT Een
bericht van Katholiek Nederland en
Reuters 21/06/2006
Het
Vaticaan heeft door kardinaal Renato Martino Amnesty International laten
waarschuwen dat hun goede naam in het gedrang zal komen als ze als
mensenrechtenorganisatie abortus uit het strafrecht wil halen. Kardinaal Martino
is voorzitter van de Pauselijke Raad Justitio et Pax, een zeer sociaal
ingestelde pauselijke commissie. Amnesty zou immers een ledenraadpleging begonnen zijn om haar twee miljoen leden te vragen of de organisatie moet overgaan tot herziening van haar neutrale standpunt aangaande abortus en landen voortaan moet aansporen abortus uit het wetboek van strafrecht te halen. Gediskwalificeerd Als
Amnesty zich gaat inzetten voor de decriminalisering van abortus “zijn ze
gediskwalificeerd als verdedigers van mensenrechten”, aldus Martino. De
kardinaal die zijn waardering uitsprak voor de mensenrechtenorganisatie
waarschuwde dat Amnesty de steun van katholieke activisten verliest indien de
organisatie abortus als mensenrecht gaat beschouwen. “Als ze zeggen reproductieve rechten bedoelen ze immers het recht op abortus. Verdedigen ze dan de rechten van iedereen? Nee! Niet van de ongeborenen want de ongeboren zullen worden vermoord”, aldus Martino vandaag in Singapore in een interview met persbureau Reuters. Wie
sloot eigenlijk een pact met de duivel? De
verhoudingen tussen de Heilige Stoel en Amnesty op het gebied van abortus zijn
trouwens reeds gespannen sinds Amnesty in het jaar 2000 groepen ondersteunde bij
de Verenigde Naties lobbyden voor het opnemen van het recht op abortus in een
verklaring over vrouwenrechten. Amnesty
beschuldigde het Vaticaan er dat jaar van een ‘pact met de duivel’ te hebben
gesloten met een aantal moslim- en ontwikkelingslanden om te voorkomen dat het
recht op abortus in het internationale recht zou worden opgenomen. Amnesty heeft het bestaan van een algemeen geldend recht op abortus altijd ontkend. De Canadese, Nieuw-Zeelandse en Britse afdelingen van de mensenrechtenorganisatie hebben onlangs echter ingestemd met het opnemen van het recht op abortus in toekomstige campagnes. Nog
geen besluit “Er
is een discussie gaande onder onze leden, maar er ligt nog geen besluit op
tafel”, aldus een Amnesty-woordvoerder in Londen. Dat besluit kan volgens hem
trouwens nog wel enkele jaren op zich laten wachten. KERKNIEUWS:
PAUS
BENEDICTUS KAMPIOEN OEKUMENE Kerknet
Vlaanderen 2/08/2006 Volgens
‘The National Catholic Reporter’ wint paus Benedictus XVI steeds meer
erkenning als ‘kampioen van de christelijke eenheid’. De Catholic Reporter
verwijst in dat verband naar de toenadering met de Russisch-orthodoxe Kerk en de
lof en dankbaarheid van de patriarch van Moskou, Aleksej II, voor paus
Benedictus. Bisschop
Brian Farrell, de secretaris van de Pauselijke Raad voor de Christelijke
Eenheid, zei aan The National Catholic Reporter dat elke paus zijn eigen stijl
heeft. Paus Benedictus XVI ervaart volgens hem dat het christelijke getuigenis
in de wereld sterk verzwakt is, daardoor is een gemeenschappelijk christelijk
getuigenis in zijn ogen meer dan ooit noodzakelijk. Bisschop Farrell, een van de
belangrijkste oecumenespecialisten van het Vaticaan, herinnert er ook aan dat de
paus al vanaf het begin van zijn pontificaat het belang van het herstel van de
volledige en zichtbare eenheid van de christelijke kerken onderstreepte en
daarvan ook een van de hoofdbekommernissen van zijn pontificaat maakte. Drie
krachtlijnen In
zijn oecumenische visie laat de paus zich leiden door drie belangrijke
krachtlijnen. 1-
De eerste is zijn opvatting dat het christelijke engagement in de
bovennatuurlijke realiteit van de doop gevestigd is. De orthodoxe bisschop
Dimitrios van Xanthos waardeert in het bijzonder dat de paus bij de oecumenische
dialoog niet zomaar naar compromissen en de grootste gemene deler zoekt. Ook de
Amerikaanse baptistische professor Timothy George, tevens uitgever van
Christianity Today, prijst de benadering van de paus en het belang van het
‘controversiële’ Dominus Iesus. Toch meent hij dat de paus daarin de aanzet
geeft voor ‘het soort oecumene dat nodig is’. 2-
De tweede krachtlijn is de ‘spirituele oecumene’, waarin elk individu zich
engageert voor gebed, bezinning over het eigen leven, de uitzuivering van het
geweten en de openheid naar de naastenliefde. Volgens professor Timothy George
van Christianity Today kan er in dat verband heel wat samen gebeuren. Daarbij
denkt hij aan gemeenschappelijk gebed, de verspreiding en vertaling van de
Bijbel en gemeenschappelijke bijbelstudie. Hij verwijst tevens naar de
feitelijke oecumenische samenwerking rond de bescherming van het menselijke
leven en de bevordering van het gezin. 3-
De derde krachtlijn is de nadruk van paus Benedictus XVI op de rol van de
Heilige Geest. Tijdens zijn pausbezoek aan Polen, in mei, zei de paus dat hij
ervan overtuigd is dat we de christelijke eenheid niet op eigen kracht kunnen
bereiken en dat we daarvoor vooral gebed nodig hebben. “De paus bleef er maar
aan herinneren dat de eenheid een geschenk is van de Heilige Geest”, zegt
bisschop Farrell. Ook de orthodoxe bisschop Dimitrios is ervan overtuigd dat er
ooit een dag komt waarop de Heilige Geest ons naar die eenheid zal leiden. KATHOLIEK STANDPUNT STAMCELLENONDERZOEK Kerknet
Vlaanderen 1/08/2006 Pater
Tadeusz Pacholczyk, de directeur van het Amerikaanse ‘Nationale Katholiek
Centrum voor de Bio-ethiek’ en een van de bekendste katholieke bio-ethici,
verwerpt de mythe dat de katholieke Kerk gekant is tegen onderzoek op
stamcellen. “Integendeel, de katholieke Kerk is daarvan een fervent
voorstander”. Pacholczyk deed zijn uitspraken tijdens een voordracht in het
Joannes Paulus II Centrum voor de nieuwe evangelisatie in Denver. Van
de vier methoden om menselijke stamcellen te winnen (uit menselijke embryo’s,
van beenmerg, van weefsel of organen van volwassenen) is het winnen van
stamcellen van menselijke embryo’s altijd een moreel kwaad, omdat die methode
impliceert dat het leven van het embryo vernietigd wordt. Maar Pacholczyk
onderstreept dat de katholieke Kerk wel gewonnen is voor andere methoden, die
het menselijk leven niet aantasten. “Media
en politici blijven herhalen dat enkel stamcellen van vernietigde embryo’s de
ziekten van meer dan 100 miljoen patiënten kunnen genezen. Maar nog geen enkel
menselijk wezen of dier is door zo’n onderzoek genezen (…) In tegenstelling
tot embryonale stamcellen hebben stamcellen van weefsel van volwassenen of
zwangerschappen wel al indrukwekkende resultaten opgeleverd”. Die methoden
bieden bovendien het voordeel dat ze moreel minder omstreden zijn en er geen
menselijk leven moet bij gedood worden". Volgens
Pacholczyk zijn tientallen ziekten geneesbaar dankzij deze stamcellen, waaronder
leukemie, kwetsuren aan het beendermerg en hartziekten. Hij kant zich ook erg
fel tegen het therapeutisch klonen: “Het is een mythe dat het therapeutisch
klonen geen schending is van het menselijk leven”. Pacholczyk noemt deze
methode intrinsiek kwaad, “omdat hierbij enkel leven gecreëerd wordt, om het
voor onderzoeksdoeleinden te vernietigen”. WETENSCHAPSMENS
EN GELOVIGE Ondanks
zijn grote rationaliteit was Pascal geen rationalist, maar boog hij het hoofd
voor het christelijk mysterie. Malcolm Muggeridge vat dit samen
in zijn boek ‘Jezus, de levende mens’ blz. 20 (Uitg. Ambo 1976): “De
sleutel voor de(ze) schijnbare tegenstrijdigheid tussen Pascal, de man van de
wetenschap die scrupuleus de feiten observeert en hun belang afweegt, en Pascal,
de christen die zijn hoofd buigt, knielt, zijn trotse geest vernedert voor de
Moeder-Maagd van Jezus, ligt in het éne woord ‘geloof’; wat de schrijver
van de Brief aan de hebreeën noemt: Het geloof is een vaste grond van wat wij
hopen, het overtuigt ons van de werkelijkheid van onzichtbare dingen.” En
Muggeridge geeft in een paar korte
zinnen aan het einde van zijn boek zijn eigen geloofsvisie en -getuigenis: “Of
Jezus is er nooit geweest, óf Hij is er nog steeds. Als een typisch product van
onze verwarde tijd, met een sceptische geest en een sensuele aard, verzeker ik,
schroomvallig en onwaardig, maar met de grootste zekerheid, dat Hij er nog
steeds is.” (blz. 192) VAN
BABYGELOVIGE TOT VOLWASSEN CHRISTEN Ben
Van Vossel Denkend
geloven In
het verleden verkondigden allerlei predikanten hoe het belangrijk was voor de
christen dat hij zijn geloof leerde te verantwoorden.
Men vond dat je wat meer moest weten over je geloof, je moest een
‘mondige christen’ zijn, je simpele geloof wat optrekken tot een meer
verantwoord, rationeel doordacht geloof... Een lofwaardige onderneming.
Gelovig
leven Maar
er mag nog iets meer gebeuren. Iets dat oneindig belangrijker is om van een
babygeloof te komen tot een volwassen geloof. Ik bedoel dat we moeten kunnen
komen tot een persoonlijke relatie met Christus en niet mogen blijven staan bij
een ‘weten’, bij geloofskennis, of bij wat vrij egoïstische voordelen die
het geloof ons soms biedt. We moeten doorgroeien naar een persoonlijke kennis
van Jezus, naar een vriendschapsrelatie met Christus. Die persoonlijke kennis,
die relatie met Christus tilt ons op van het manna naar het levende Brood, dat
Christus is. In het evangelie lokt Jezus in feite zelf een confrontatie uit. Hij wil de mensen de overstap doen maken van het brood dat we voor ons lichaam nodig hebben, naar het geloof in Hem, het levende Brood, het groot geschenk van God dat ons van de aarde naar de hemel draagt. De uitnodiging staat er bij: we moeten Jezus ons leven binnenlaten, opdat ons leven helemaal zou openbloeien Doorgroeien
tot een persoonlijke relatie Ooit
zijn we tot geloof gekomen. En misschien zijn we als volwassene ooit tot een
volwassen geloof gekomen. Het blijft immers een uitdaging om op een persoonlijke
wijze ervoor te kiezen om met God op weg te gaan, om Jezus op een persoonlijke
wijze je leven binnen te laten. Het is een blijvende uitdaging om te komen tot
een persoonlijke relatie met Christus, om Hem tot koning van je leven te maken,
aan wie je al je grote en ook kleine beslissingen voorlegt. Jezus, het levende Brood, het Brood uit de hemel. Het gaat niet enkel over het Eucharistische Brood dat we mogen ontvangen in elke Eucharistieviering. Het gaat ook over de aanvaarding van Christus in ons leven en om de praktische toepassing bij elke keuze die we maken om Jezus het voornaamste woord te laten. Uitnodiging
tot volwassen geloof Eigenlijk
blijven wij als christenen vaak baby’s.
Zelfs als we veel over het geloof kennen, over de bijbel en over de christelijke
dogma’s. Een volwassen geloof
veronderstelt een persoonlijke relatie tot christus. Dan begint in feite ons
echte geloof, als bewust christen. Dan
pas gaan we ook de echte vreugde van het geloof kennen, de echte sterkte, de
echte kracht en bemoediging en zullen we met kracht kunnen getuigen. Als we met
Jezus door het leven gaan. Als we met Hem spreken, als we met Hem overleggen,
als we Hem er voorturend bij halen en hem laten beslissen… Maar
de meesten van ons komen niet tot dat geloof, omdat we alles zelf willen
beslissen, omdat we liever onze egoïstische verlangens involgen, omdat we
terugschrikken voor wat Christus ons wel zou kunnen vragen… Eigenlijk
zijn wij verwende kinderen: we zijn zo gewend aan snoepjes; het echte krachtige
voedsel staat ons niet aan… En we geraken misvormd, we groeien niet uit tot de
volwassen gestalte van wat een christen zou moeten zijn. Vrienden,
laten we dan vandaag toch nog maar eens de uitnodiging van Christus tot ons hart
klinken: “Ik ben het Brood van het leven: wie tot Mij komt zal geen honger
meer hebben, en wie in Mij gelooft zal nooit meer dorst krijgen.” Samenstelling:
Ben Van Vossel Waarschuwing Onze
lezers mogen het me niet al te kwalijk nemen dat dit stukje zowat een mengelmoes
is van gegevens uit het Nieuw Testament, wetenschappelijke bevindingen,
overlevering, vrome verhalen en … legende.
De laatste genoemden zijn wat verdacht, ik begrijp dat heel goed, maar
anderzijds kunnen zij puur wetenschappelijke gegevens wel eens een inkleding
geven die niet noodzakelijkerwijs mijlenver afwijkt van wat de realiteit
wellicht geweest is. Als ze niet in tegenspraak zijn met de bijbelse en
wetenschappelijke gegevens en deel uitmaken van soliede overlevering, kunnen zij
ons een zinvolle invulling geven van wat het louter wetenschappelijke ons niet
kan bieden. Overigens zijn onze mededelingen niet zo wereldschokkend en zijn ze
meestal reeds enige jaren gekend. Een
bisschop die klaarheid wou Volgens
een oude overlevering, op haar beurt bevestigd door historische documenten,
wordt het lichaam van de evangelist Lucas, tevens de kroniekschrijver van de
Handelingen van de Apostelen, bewaard in de Benedictijnerbasiliek van
Padua, Santa Giustina, de heilige Justinabasiliek. Reeds zo’n duizend
jaar worden zijn relieken (overblijfselen van zijn lichaam) bewaard in de
linkerbeuk van de basiliek in een marmeren sarcofaag, vervaardigd in 1313. Om
eerlijk te zijn: men was de aanwezigheid van het lichaam van Lucas vergeten in
de loop van de eeuwen. Maar bepaalde wetenschappelijke opzoekingen die gedaan
werken in aanloop naar het jaar 2000 lijken
die oude traditie nu opnieuw te bevestigen. Op 17 september 1998 werd de sarcofaag (het zware marmeren omhulsel waarin de oude loden kist geplaatst was) geopend om wetenschappelijke vaststellingen te doen of de overblijfselen inderdaad van de evangelist konden zijn. De bisschop van Padua, Antonio Mattiazzo had de beslissing genomen om een commissie van 14 experten aan te duiden, onder voorzitterschap van de befaamde anatomo-patholoog van Padua, Vito Terribile Wiel Marin, om zowel de relieken (de overblijfselen zelf) als de voorwerpen en documenten die ermee te maken hadden aan een volledig onderzoek te onderwerpen. De vraag waarop zij moesten antwoorden luidde: Zijn de stoffelijke resten in deze basiliek te Padua inderdaad deze van de evangelist Lucas of niet? Ondertussen werd op 18 october 1998, op die dag valt het feest van Sint Lucas, het geraamte onder een glazen sarcofaag tentoongesteld in de Sinte Justinabasiliek (zie foto). Lotgevallen
van een overleden evangelist De
stoffelijke overschotten in de antieke loden doodskist zijn mogelijk van Lucas
de Evangelist. Dit bleek na genetisch onderzoek, uitgevoerd door de Universiteit
van Ferrera. De botten werden in Padua steeds aan de heilige toegeschreven. Dr.
Guido Barbujani, een etnologisch geneticus, nam DNA-monsters van een tand die
men in de doodskist vond. Eerder al
pasten andere wetenschappers de koolstofmethode toe om de tand te dateren.
Resultaat: de tand behoort toe aan iemand die overleed tussen 72 en 416 na
Christus. Het onderzoeksrapport van Barbujani en zijn team verscheen in het blad
van de National Academy of Sciences in de Verenigde Staten. Dr. Barbujani gaf
als conclusie dat de tand dezelfde genetische kenmerken vertoont als het
genetisch materiaal van de bevolking in de regio van de oude stad Antiochië in
het huidige Syrië. Volgens de overlevering zou Lucas daar geboren zijn; dit
genetisch onderzoek zou dat dus bevestigen.
|