|
|
- De
kleine rest, een missieproject Danny
Van Vossel, gmk Beveren-Waas een
winkel voor tweedehandskledij van de vzw Missiezorg, Hoe
het begon “De
Kleine Rest” heeft een lange voorgeschiedenis. In de jaren 70, ontstond in de
schoot van de parochieraad van Beveren St.-Martinus de werkgroep Missiezorg.
Toenmalig onderpastoor Raf Buysse was de bezieler van deze missiewerkgroep, die
zich tot doel stelde contact te houden met en steun te geven aan de Beverse
missionarissen. Daarnaast
wou men vooral missie-animatie op gang brengen. Hiertoe werden diverse
aktiviteiten ondernomen. Stilaan groeide de idee om een permanente missiewerking
te realiseren door een winkel te openen met tweedehandskledij. In
september 1983 kreeg “De Kleine Rest” een plaats en een gezicht in de
Beverse gemeenschap. Eerst in een klein, donker en koud huurhuisje, maar het
lukte! We kregen kledij binnen, medewerkers werden aangesproken en… de klanten
kwamen. Eind
1984 werd het huurhuisje verkocht en moesten we een geschiktere ruimte vinden.
Dank zij een aantal milde schenkers konden we het huis in de Kloosterstraat 24
van de familie van Pater de Meersman. Het gelijkvloers werd in ijltempo door een
groep vrijwilligers ingericht tot een efficiënte en ruime winkelruimte, die in
maart Onze
naam De
uitdrukking ‘een kleine rest’ vinden we terug bij de profeten die,
ontgoocheld over het vervallen Joodse rijk, mensen oproepen om te blijven
geloven in Gods trouw en in goedheid en gerechtigheid onder de mensen; een
‘kleine rest’ gaat leven vanuit dat vertrouwen. In diezelfde geest willen
wij, zonder te menen dat wij alleen de wereld kunnen veranderen, een klein teken
stellen dat het anders kan en moet in deze wereld. Onze
doelstelling *
We dragen onze Beverse missionarissen en ontwikkelingshelpers een heel warm hart
toe en willen hen ondersteunen, niet
alleen financieel, maar ook door contact met hen te houden en op geregelde
tijdstippen nieuws en brieven van onze missionarissen te publiceren. *
We willen ook hier bij ons aan bewustmaking doen: solidariteit in soberheid. Op
deze manier willen we bij onszelf en bij anderen een sobere levenswijze
stimuleren. *
solidariteit met de derde wereld waar mensen met weinig middelen moeten leven en
er toch in slagen gelukkig en optimistisch te zijn. *
Sober omgaan met de goederen van deze aarde, die door God aan alle mensen zijn
toevertrouwd om ze te gebruiken tot welzijn van allen en niet om mateloos te
consumeren en te verspillen. *
Solidair met arm en rijk in eigen midden, door het delen van kleding, tijd en
belangstelling. Onze
werking In
onze winkel verkopen we tweedehandskledij. Gebruikte kleding van goede kwaliteit
wordt in veel families doorgegeven. Niet iedereen kan dat. De “De Kleine
Rest” is een schakel tussen mensen die nog bruikbare kledij niet zomaar
afdanken en weggooien, maar die willen verder geven aan hen die minder geld
kunnen of willen spenderen aan kleding. In
onze beginperiode was er wel wat “drempelvrees” en kregen we bijna
uitsluitend migranten en sukkelaars over de vloer. Maar de laatste jaren komen
mensen uit alle lagen van de bevolking bij ons hun kleding kopen. Sommige mensen
zijn er zelfs fier op dat ze niet meelopen in de mallemolen van mode en
consumptie en kiezen bewust voor onze winkel. Ook grote gezinnen zien we bij het
begin van elk seizoen terug om hun kroost uit te dossen met onze artikelen. Een
twintigtal vrijwilligers staan in voor de verkoop en de goede gang van zaken in
de winkel. Dank zij hun trouwe inzet kan onze winkel heel de week opengehouden
worden, behalve op maandag. Als
mensen kledij binnenbrengen, wordt die heel zorgvuldig nagekeken, gesorteerd en
geprijsd in overleg met mekaar, want we zijn altijd met twee, volgens een vaste
beurtrol. Kledij
die niet geschikt is om te verkopen in de winkel, geven we door aan Spullenhulp;
zo krijgt alles wat mensen bij ons binnenbrengen een bestemming. Onze
winkel is ook een plaats waar gelegenheid tot contact is met onze bezoekers; we
helpen de mensen bij het aanpassen, geven wat advies en tussendoor zijn we vaak
ook een luisterend oor voor mensen die ons hun zorgen en problemen
toevertrouwen. Zo is er stilaan reeds een echte band gegroeid met sommige van
onze klanten. Zelfs als ze niets nodig hebben, wippen ze zomaar eens binnen voor
een babbel. Evaluatie
en adempauze Regelmatig
komen we met al onze vrijwilligers samen om onze werkwijze te evalueren en
eventueel bij te sturen. We delen dan over wat er soms voorgevallen is en
bepaalde problemen kunnen dan ook besproken worden. Maar, bij alles wat we
zeggen en doen geldt het principe dat we nooit de privacy van mensen schenden.
We hebben een open boekhouding: jaarlijks wordt er een uitgebreid verslag
gegeven van de inkomsten en de uitgaven, zodat iedereen tot op de euro weet hoe
we er financieel voor staan. We onderscheiden dan ook samen hoeveel we aan
iedere missionaris die in verlof komt kunnen meegeven. Getuigenis
wederzijds Als
de missionarissen in verlof komen, ontvangen we hen in ons vergaderlokaaltje
voor een gezellig samenzijn en luisteren we naar hun boeiende, maar soms zeer
harde verhalen. We geven hen dan ook met een warm en goed gevoel, hun deel van
onze opbrengst. Uit hun dankbaarheid en waardering voor ons werk, halen we de
energie om ons elke dag nog meer te engageren voor “onze winkel”. Tussendoor
ontvangen we regelmatig nieuws van onze missionarissen over hun wel en wee. “De
Kleine Rest “ is in Beveren uitgegroeid tot een permanente zorg en aandacht
voor de vierde wereld dichtbij en voor de derde wereld veraf, vol hoop op een
toekomst waar iedereen het goed heeft, zoals Jezus het verlangt… Altijd
welkom! DE
PASTOOR VAN ARS, PSALM 119, JEZUS EN WIJ Ben
Van Vossel Redemptorist, Gent Ik
kreeg een boekje onder handen “Over God en over ons. Woorden van de Pastoor
van Ars opgetekend door een toehoorder”, oorspronkelijk uitgegeven in Illinois
(VS) in 1987 en later in Nederlandse vertaling door de Stichting
R.K.Voorlichting (in samenwerking met de Stichting Sophia). Ik had wel eens
gehoord dat er zoiets bestond, maar toen ik het onder ogen kreeg en gedeeltelijk
gelezen had, begon ik me af te vragen of dit nu echt een oud boekje betrof ofwel
of het door iemand was opgesteld die zich verdiept had in de geest en de
spiritualiteit, zelfs in het karakter van de Pastoor van Ars. Zo echt, zo
aansprekend, zo inspirerend komt dat boekje over. Ik heb maar aangenomen dat het
authentiek is en echt de woorden van de heilige pastoor van Ars. Geboren
in 1786 te Ecully, een voorstadje van Dordilly in Frankrijk, wordt deze
parochiepriester, Jean-Marie Vianney, toch altijd ‘Pastoor van Ars’ genoemd.
Het was zijn speciale gave als geestelijk leidsman, vooral in de biechtstoel om
het hart en geweten van mensen te peilen en hen voort te helpen. Een man van
gebed, van doorgedreven versterving en boetedoening en dan ook van een ongeëvenaarde
priesterlijke inzet, werkelijk onvermoeibaar. Van over heel Frankrijk kwamen
mensen naar dat buitenpastoorke in dat stadje Ars, dat aanvankelijk niet zo
‘katholiek’ was als toen het eenmaal onder zijn invloed gekomen was. Minder
bekend dan zijn praktijk als biechtvader zijn zijn preken. Men vertelt dat hij
het op de preekstoel voortdurend had tegen de dansgelegenheden, men vertelt dat
hij eigenlijk niet kon preken maar voortdurend hetzelfde zegde met krijsende
stem… Bovenvermeld boekje geeft ons een ander beeld van deze pastoor als
predikant. De inleiding geeft trouwens reeds een goede schets van wat de pastoor
van Ars was en hoe zijn preken zich kenmerkten. Natuurlijk,
zoals je van een heilige kunt verwachten, van iemand die verliefd is op God,
stelt hij zich niet vlug tevreden, ook niet in de begeleiding van zijn
eenvoudige parochianen. Hij wil de mensen op weg zetten naar het echte geluk,
hij wil dat ze zich totaal aan God toevertrouwen. Hij is ongeëvenaard in de
eenvoud van zijn stelregel om een goed christen te zijn, namelijk : “niets te
doen wat we niet kunnen aanbieden aan de goede God” (blz.34). Hoe
eenvoudig staat dat daar: “niets te doen wat we niet kunnen aanbieden aan de
goede God”. Kijk, wij mogen ons hele leven naast die zin leggen; ons gedrag
van elk moment, ons denken en onze woorden mogen wij met die korte zin
confronteren. “Is het iets wat ik God kan aanbieden, of heeft het niets te
betekenen, of is het iets dat mijzelf of anderen afbreekt of minder mooi
maakt”? Zo’n zin, zo’n simpele zin met wat armzalige woorden kan ons leven
herscheppen, het opnieuw op het juiste spoor zetten. Zo’n zin is het waard om
er een week, een maand, een jaar mee op weg te gaan. “Niets doen wat we niet
kunnen aanbieden aan de goede God”. Met deze woorden staan we in de lange
traditie van gelovige mensen die hun leven hebben willen afstemmen op Gods
verlangen. Neem
bijvoorbeeld de langste psalm van het Oude Testament, psalm 119; hij is 176
verzen lang en beslaat verscheidene bladzijden van de Bijbel. Waarover gaat die
psalm? Over ‘uw woord’, ‘uw verbondseisen’, ‘uw wet’, ‘uw
opdrachten’, ‘uw rechtsorde’, ‘uw uitspraken’, ‘uw rechtsbestel’,
‘uw belofte’… Daar komen dus wel wat ouderwetse en zelfs gewoonweg vreemde
woorden in voor, maar we begrijpen dat het gaat over de mens die Gods verlangen
wil doen, want hij heeft ingezien dat die ‘woorden van God’ het heil van de
mens op het oog hebben. Al die woorden zoals “uw wet, uw woord, uw
uitspraken” mag je vervangen door ‘uw verlangen’, of ‘uw heilige wil’.
“Ik heb uw Wet zo lief, zij is geen ogenblik uit mijn gedachten (v.97)”.
“Uw woord is een lamp voor mijn voeten, uw woord is een licht op mijn weg”
(v105). “Heer, laat mij leven, dat wil immers uw gebod” (vv.149.156), “Uw
voorschriften zijn mijn enige liefde, schenk mij leven , Heer, U die genade
bent” (159), “Heer, ik verlang naar uw heil, uw wet is mijn enige
vreugde”. Jezus
staat in de lijn van die vrome inzichten, die richting geven aan een heel leven.
Luister maar: “Mijn voedsel is: de wil doen van Hem die Mij gezonden heeft en
het werk volbrengen dat Hij Mij heeft opgedragen” (Joh. 4,34 Willibrord 1995).
Hij heeft zijn leven willen bouwen op het verlangen van God. Leg dat woord van
Jezus gerust naast die woorden van de pastoor van Ars en dan zie je hoe
gelijklopend ze zijn: “niets te doen wat we niet kunnen aanbieden aan de goede
God”. Beluister dan Jezus laatste woorden: “Het is volbracht” (Joh.
19,30). “Vader, in uw handen leg Ik mijn geest” (Luc. 23,46). En dan hebben
wij Hem tevoren ook al horen bidden in de Hof van Olijven “Niet mijn wil maar
Uw wil geschiede”. Dat is het geheim van Jezus’ leven, van zijn
vruchtbaarheid en zijn Heer-zijn. En wanneer iemand Hem van het verlangen van
God wil afleiden (het mag dan nog de toekomstige eerste paus zijn), krijgt deze
de volle laag: “Maar Hij keerde zich om en zei tot Petrus: ‘Ga weg, satan,
terug! Gij zijt Mij een aanstoot, want gij laat u leiden door menselijke
overwegingen en niet door wat God wil.’” (Mt.16,23). Om
te besluiten kunnen we luisteren naar de uitnodiging of aanmaning van Paulus in
zijn brief aan de christenen van Filippi. Hij haalt deze hymne wel aan om zijn
christenen uit te nodigen om goed en verdraagzaam te zijn tegenover elkaar, maar
er is ook sprake over Jezus gehoorzaamheid tot het uiterste, waardoor Hij Heer
en redder wordt van allen: “5
Die gezindheid moet onder u heersen welke ook Christus Jezus bezielde: 6 Hij die
bestond in goddelijke majesteit heeft zich niet willen vastklampen aan de
gelijkheid met God: 7 Hij heeft zich van zichzelf ontdaan en het bestaan van een
slaaf aangenomen. Hij is aan de mensen gelijk geworden. En als mens verschenen 8
heeft Hij zich vernederd, Hij werd gehoorzaam tot de dood, tot de dood aan een
kruis. 9 Daarom heeft God hem hoog verheven…” (Filipp. 2,5-9). In
de gezindheid van Jezus, in de gezindheid van Jean-Marie Vianney, laten we
“niets doen wat we niet kunnen aanbieden aan de goede God”, maar “de wil
van Hem die ons gezonden heeft” (Joh. 4,34) en die “in alles het heil
bevordert van die Hem liefhebben” (Rom. 8,28). Meer
over de Pastoor van Ars op onze webpagina kerk(geschiedenis) LICHAAM
EN HART IN ONZE RELATIE MET GOD (4) Ben
Van Vossel cssr §
2. Lichaam en materie: mogelijke toegangspoorten tot God De
waarde van het vasten als het scheppen van een leegte waarin we God beter kunnen
ontmoeten (vervolg 2 en slot) 3.
Bidden en ademen… Het Jezusgebed Ik
heb ooit eens een paar conferenties bijgewoond van een medisch psychiatrische
verpleegster, die een studie gemaakt had over het Jezusgebed en zijn positieve
invloed op de psyche van de mens. Zij achtte het bewezen dat die deugddoende en
genezende invloed er inderdaad was. Maar wat is dat ‘Jezusgebed’ eigenlijk? Met
het Jezusgebed - voor hen die het niet zouden kennen - bedoel ik gewoon dat
korte gebedje dat zo dierbaar is aan veel Oosterse christenen: “Heer Jezus,
Zoon van God, Redder, ontferm U over mij, zondaar” of kort : “Heer Jezus,
Zoon van God, ontferm U over mij” of, zoals het in Vlaanderen wel eens gebeden
werd als ‘schietgebed’: “Mijn Jezus, barmhartigheid”. In
de Oosterse spiritualiteit, vooral in Rusland, maar ook bij andere Oosterse
monniken, was het ruim verspreid en was het een hulpmiddel om tot voortdurend
gebed te komen. Men bad het op het ritme van de ademhaling, anderen op het ritme
van de hartslag. Men bad het soms duizenden keren per dag, zodat het als het
ware letterlijk het gebed van het hart werd. Het leefde voortdurend in de
persoon, als onderstroom, als iets dat er voortdurend was en dat bijvoorbeeld
als men ’s nachts ontwaakte er ook nog altijd was. “Heer Jezus, Zoon van
God, wees mij genadig” of dus, zoals het in
onze Westerse kerk leefde, als het korte schietgebed: “Mijn Jezus,
barmhartigheid!” Het
permanente gebed is een genade, maar hier staan we in feite voor een soort
techniek, waardoor men inderdaad kan groeien tot een voortdurend gebed. Is daar
iets mis mee? Ik meen van niet. Tenslotte is het een gebed dat, ongeveer in die
woorden, terug te vinden is in het evangelie, het is geen mantra uit de
boeddhistische traditie, het is geen verborgen goden- of geestennaam uit de
transcendente meditatie, maar een evangeliewoord “Jezus, Zoon van David,
ontferm U over mij”, het gebed van de blinde Bartimeüs. Jezus, Messias, of
Redder, ontferm U over mij”. “Er
zaten twee blinden langs de weg, die, horend dat Jezus voorbijging, luidkeels
begonnen te roepen: ‘Heer, Zoon van David, heb medelijden met ons!’ De
mensen snauwden hun toe te zwijgen. Maar zij riepen nog harder: ‘Heer, Zoon
van David, heb medelijden met ons!’ Jezus bleef staan, riep hen bij zich en
vroeg: ‘Wat wilt ge dat Ik voor u doe?’ Zij zeiden: ‘Heer, open onze
ogen!’ Jezus had medelijden met hen en raakte hun ogen aan. Terstond konden
zij zien en sloten zich bij Hem aan. (Mt. 20,30-34, zie ook Mk 10,46-52; Lk
18,35-38) 4.
Eerbied en zorg voor het lichaam en de gezondheid. 4.1.
Zorg voor het lichaam Normale
zorg, aangepast aan deze tijd. Sint Paulus noemt het lichaam een tempel van de
heilige Geest. “Gij
weet het, uw lichaam is een tempel van de heilige Geest, die in u woont, die gij
van God hebt ontvangen. Gij zijt niet van uzelf.
Gij zijt gekocht en de prijs is betaald. Eert dan God met uw lichaam”
(1 Kor. 6,19-20) We
hebben ons lichaam van God ontvangen, het is normaal dat we zorg dragen voor dat
lichaam, dankbaar zijn voor het lichaam, voor alles wat ons lichaam betreft. Het
is een deel van onszelf en moet ingeschakeld worden in het geheel van onze
roeping als mens en als christen. Aangepast
aan deze tijd zullen we ons lichaam geven waar het recht op heeft. 4.2.
Ingepast in het geheel van onze hele persoon en onze roeping Maar
inderdaad, lichaamscultuur, lichaamszorg moet zich inpassen in het geheel van
onze roeping. Iemand die zijn lichaam verwaarloost, onvoldoende eet of ongezond,
iemand die geen ontspanning neemt terwijl men zou kunnen voelen dat men dat toch
nodig heeft… schaadt zichzelf, maar bezwaart wellicht ook de uitoefening van
zijn opdracht, de beleving van zijn roeping en zending. Maar
nogmaals, het gaat over het geheel van onze roeping. Heeft een pater Damiaan
zijn gezondheid niet geschaad door op Molokaï zo dicht bij die melaatsen te
leven? Waarschijnlijk wel, maar dat paste zich in in het geheel van zijn
roeping. Hier zie je duidelijk dat de belangen van het lichaam soms achteruit
geschoven worden ten voordele van de roeping, de geestelijke belangen. Maar
algemeen gesproken moet een goede zorg voor het lichaam nagestreefd worden,
evenwel zonder het lichaam te verafgoden. Een gehuwde vrouw en om het even welke
vrouw in onze samenleving zal voldoende zorg moeten besteden aan haar uiterlijk,
als waardering voor zichzelf als mens en als vrouw, maar ook uit achting voor
haar medemensen. Voor een man gaat dat evenzeer op, natuurlijk, alleen zal het
misschien nog even duren vooraleer alle mannen dat begrepen hebben. Overdrijven
is dan weer niet gezond voor je ontwikkeling en je roeping als mens en als
christen. Een
klein kuisje en een gebedsverhoring Uitstap
met bejaarden Het
was regenachtig en veel wind. Toch ging ik die dag naar zee een paar bejaarden
bezoeken die er een weekje op vakantie waren. In de voormiddag kon ik nog wat
helpen bij het vervoer van de zieken en bejaarden. ‘s Middags was er een
gezellige maaltijd. Terwijl
de bejaarden daarna wat aan het rusten waren ben ik gaan
wandelen op het strand. Een woeste, wilde zee, veel wind, het was machtig
om te aanschouwen. En toch hebben de woelige zee en de wind me tot rust
gebracht. Voor mij een stille wenk van de Heer, dat Hij me heel nabij is, ook
als het wat onrustig is, als het wat stormt in mijn leven. Terwijl ik in dat
ruwe weer liep, kon ik Hem alles afgeven wat me bezig hield. Het was zelfs niet
moeilijk het los te laten, de Heer liet het als het ware wegwaaien met de wind
… Het was zalig. Mijn hart was vol dankbaarheid. In
de namiddag zaten we gezellig een tas koffie te drinken. Er kwam een echtpaar
langs die vroegen of ze erbij mochten komen zitten. Op een gegeven moment zei de
man: “Ik zie dat je een kruisje draagt, mag ik je iets vertellen wat mij is
overkomen? (Het dragen van een kruisje heeft wel eens heel positieve gevolgen).
En toen vertelde die man - af en toe met tranen in de ogen -
het volgende: Hij
had al een paar keer zo’n drukkende pijn aan zijn borst gevoeld, pijn die
telkens spontaan overging. Toen hij dat zei aan de dokter onderzocht deze hem,
maar vond niets speciaals. Toch was de man was er niet zo gerust in… Op
een zekere dag zei hij, na weer een nacht met pijn en ongerustheid: “als er
hierboven Iemand is en bestaat, laat er dan a.u.b. een oplossing komen”.
Hij zei me: “Ik weet niet of het bidden was … maar ik heb het toch
maar gezegd”. Sedert jaren ging
hij namelijk niet meer naar de kerk, en bidden deed
hij al evenmin. Een
paar dagen later, kwam een oude vriend dokter ‘toevallig’ aanbellen. Op dat
moment had onze persoon terug die drukkende pijn… Deze arts aarzelde niet.
De dag nadien werd de zieke geopereerd; hij kreeg vier overbruggingen. Hij
is nu een gezonde, trouwe en blije kerkganger en bidden is niet echt meer vreemd
voor hen, het is een dagelijkse plicht. De pijn waar hij nu mee zit is een soort
droefheid dat hij nog niet meer kan getuigen van wat hem is overkomen en hoe hij
terug tot geloof kwam. Ik
was de Heer dankbaar voor die mooie eenvoudige dag, vol van Zijn aanwezigheid,
aanwezig in de wind en de regen, in het leven van die
man en in zoveel kleine dingen. EEN
WOORD VAN MARIA TOT DE GEZINNEN Boodschap
te Medjugorje op 25 oktober 2004 Lieve
kinderen! Dit is een tijd van genade voor het gezin en daarom roep ik je op om
je gebed te vernieuwen. Moge Jezus in het hart van je gezin zijn. Leer door het
gebed alles lief te hebben wat heilig is. Volg de levens van de heiligen na
zodat zij stimulans en leermeesters mogen zijn op de weg van heiligheid. Moge
elk gezin een getuige van liefde worden in deze wereld die het gebed en de vrede
niet kent. Dank dat je gehoor gaf aan mijn oproep. Mestoverschotten
sorteren, ophalen, wegbrengen, vernietigen of stockeren is een ernstige opgave
voor de geïndustrialiseerde landen en vooral voor grote agglomeraties, maar ook
voor een wat grotere stad uit de oudheid moesten op dat vlak toch wel wat
maatregelen genomen worden. De poort
in de Zuidwestkant van de stadsmuren van Jeruzalem draagt actueel nog de naam
‘Mestpoort’ (’Dung Gate’, ‘Porte du Fumier’ (mest) of’ Porte des
immondices’ (straatvuil)). In
het bijbelboek Nehemia lezen wij, wanneer Jeruzalem wordt herbouwd, iets over
die Mestpoort, die vermoedelijk een andere faam zal gehad hebben dan de
‘Welriekende Dreef’. Immers, zoals
we straks zullen zeggen, situeerde zich daar waarschijnlijk het stort, de Joodse
‘Hoge Maai’. Het boek Nehemia (2,13) verhaalt: “In de nacht verliet ik
(Nehemia, na de terugkeer uit de ballingschap tot landvoogd benoemd) dus de stad
door de Dalpoort en trok van de Drakenbron naar de ‘Mestpoort’ en
inspecteerde de muur van Jeruzalem; die lag grotendeels in puin en de poorten
waren verteerd door het vuur”. Verder, in Nehemia (3,13-1) lezen we: “Chanun
en de bewoners van Zanoach herstelden de Dalpoort; zij bouwden haar weer op,
hingen de deuren erin met de slagbomen en de grendels en herstelden de muur over
een lengte van duizend el, tot aan de ‘Mestpoort’. Malkia, de zoon van
Rekab, hoofd van het district Bet-Hakkerem, herstelde de ‘Mestpoort’. Hij
bouwde haar weer op en hing de deuren erin met de slagbomen en de grendels.” Nu
heeft een archeoloog, Yigal Shilo een aanzienlijke vuilnisbelt ontdekt langsheen
de ‘Stad van David’. Het betreft een hoop afval en vuilnis van wel “JEZUS,
LAAT HET RUSTIG ZIJN VANNACHT Velen
van ons zullen wel al eens als patiënt overnacht hebben in een ziekenhuis. Af
en toe zie je dan een verpleegster verschijnen op je kamer. Als je belt, moet je
soms wel wat wachten, soms wordt je zelfs ongerust maar ga je niet direct
opnieuw te bellen. Die verpleegsters, meer in het bijzonder die
nachtverpleegsters, hoe vullen die hun nachtelijke dienst in?
We horen het hier uit eerste hand van een ‘nachtverpleegster’. Nachtdienst
van 21.15 u. tot 7.15 uur. De
aanloop Hebben
mijn collega’s van de avonddienst reeds hun ‘toeren’ kunnen afronden, of
moet daar nog bij geholpen worden om de laatste patiënten te verzorgen? Dat
moet eerst afgewerkt zijn vooraleer ik aan mijn taak kan beginnen. Samen
wordt overlopen, patiënt per patiënt: hun ziektetoestand, hun emotionele
zorgen of agressie, de voor hen te volgen behandeling en het doorgeven van
opdrachten, daarna pas beëindigen de collega’s hun dagtaak, misschien met
overuren. Moet
er speciaal toezicht zijn voor bepaalde patiënten zoals bv. pas overgekomen
patiënten van ‘hartbewaking’, patiënten die aan de ‘telemetric’ moeten
(opvolging van het hart via afstandssystemen), intoxicaties (vergiftiging door
medicatie, alcohol, drugs,…)? Zijn er mensen die morgen naar Leuven moeten
voor een ‘coronanografie’ (onderzoek van de hart- bloedvaten) en wanneer
moeten zij gewekt worden? Zijn er mensen die een ‘pacemaker’
(hartstimulator) ingeplant kregen of waarbij de batterijen van de pacemaker
werden vernieuwd? Kreeg een patiënt misschien een inplanting van een Peg-sonde
(om rechtstreeks in de maag vloeibare voeding te kunnen geven)? Zijn er patiënten
die een operatie of onderzoek ondergingen en waarbij de parameters (bloeddruk,
pols, temperatuur…) moeten gecontroleerd worden? Zijn er stervenden, waar de
familie al of niet blijft bij waken? Zijn er diabetici (suikerzieken) die ik
’s nachts moet controleren? De
eerste ronde Dan
begin ik aan mijn eerste ‘toer’ van de afdeling, kamer per kamer, patiënt
per patiënt. Zijn de perfusies
(baxters) overgeschakeld, de antibiotica ingelopen? Zijn de bedsponden omhoog
gezet bij de patiënten die woelig kunnen zijn of verward? Zijn de Tv-toestellen
al afgezet en het bed lager of hoger gezet bij alle patiënten? Krijgen al de
patiënten die zuurstof moeten krijgen deze ook echt, of hebben ze het
neusbrilletje zelf afgedaan? Krijgen ze niet te weinig zuurstof maar ook niet
teveel? Zijn er nog bedden vrij voor nieuwe opnames? Al
deze zaken dienen nagekeken te worden reeds bij de eerste toer, om zeker te zijn
dat ik mijn afdeling met zijn 33 bedden in mijn geheugen heb. Deze
eerste ronde kan uitlopen, als er patiënten, door verward te zijn, hun baxter
hebben uitgetrokken, met kans op een ‘bloedbad’: dus, bed verschonen, alles
opkuisen, de ader opnieuw aanprikken en de baxter terug aanschakelen. Ook
als er patiënten zijn die nog even een babbeltje willen slaan, familie van een
stervende die hun hart eens willen luchten, suikerzieken die te weinig suiker
hebben en extra voeding moeten krijgen, patiënten die nog een slaappilletje
willen hebben, patiënten die een hevige hoestbui hebben en een borreltje
hoestsiroop vragen, … deze zaken zorgen ervoor dat ik pas om 23.00 uur of soms
nog later, aan mijn vaste opdrachten van de nacht kan beginnen! De
nachtopdrachten en … wat er soms bijkomt De
medicatie van 24 u. en 02 uur al voorbereiden en op tijd toedienen. Er wordt
verwacht dat de medicatie van alle patiënten klaargezet wordt voor 8 u. en 12
uur van de volgende dag. Dit kan uitlopen tot 2 of 3 uur vooraleer dit gedaan
is. Maar
om 1 uur komt een collega helpen: de meest hulpbehoevende patiënten eens
draaien, een wisselhouding geven, en eventueel verschonen. Soms zijn er dat 3,
soms meer dan 7. Tussendoor
moeten dan nog alle oproepen van de patiënten beantwoord worden, dat kan gaan
van ‘kalm’ tot om het kwartier of 10 minuten een ‘belletje’. Maar de
mensen verwachten dat je komt en hen helpt; gelukkig hebben we een ‘step-je’
op dienst om de benen wat te sparen en om vlugger te plaatse te zijn. Bij
stervende patiënten waar familie bij blijft waken moet ik ook regelmatig gaan
kijken, omdat het voor de familie meestal beangstigend is als een dierbare op
sterven ligt. Soms raken ze in paniek of vragen: “Hoelang gaat het nog
duren?” Deze mensen krijgen uiteraard drank voor tijdens de nacht. Eventueel
wordt er een vouwstoeltje bijgezet zodat de familieleden kunnen blijven
overnachten bij hun geliefden. Het
is soms zielig en ik voel me soms machteloos als ik een patiënt zie lijden
omdat het hart het nog niet opgeeft, maar de ademhaling stokt. Dan bekijken de
patiënt en de familieleden mij met angstige ogen. Ik kan dan niet anders dan
bij hen te blijven, toch voor een tijdje, om, zoals Jezus vraagt, medelijdend
bij hen te zijn. Overlijdt
de patiënt, dan laat ik de familie rustig de tijd om afscheid te nemen van hun
geliefde. Pas
daarna wordt de overledene opgebaard en kunnen de mensen deze nog groeten, al of
niet naar de kerkelijke traditie. Om
5 uur wordt er nog eens een wisselhouding-toer gedaan. Tussenin moeten dan ook
de verpleegfiches ingevuld worden met de gegevens van de nacht, de
medicatiefiches verder aangevuld voor de volgende dagen, medicatie bestellen… Nieuwe
opnames kunnen er ook zijn, zolang er lege bedden zijn. En als dan nog al de
verschillende parameters van de patiënten moeten gecontroleerd worden, zoals
bloeddruk, pols, temperatuur, bewustzijn, zuustofsaturatie, glucose in het
bloed, insuline bijgespoten, bloednames doen, … dan vliegt de nacht soms veel
te vlug voorbij, zodat men soms geen tijd heeft om zelf te eten, wat toch wel
nodig is als je 10 uur moet ‘travakken’. En
als het dan 7.15 uur is, ben ik blij dat ik naar huis kan gaan om te slapen. Roeping Altijd
heb ik mijn beroep als verpleegster als een ROEPING beschouwd, het is ook door
een inwendige gedrevenheid dat ik mij in ‘gegeven dienstbaarheid’ wil geven
aan patiënten en collega’s, in goede en kwade dagen. Het is dank zij mijn
geloof in Jezus en naar het voorbeeld van Maria, dat ik nog alle dagen mij wil
inzetten met mijn handen en hart om het lijden van mijn patiënten te verlichten
en een getuige te zijn van mijn geloof voor mijn collega’s. In
februari 2004 overleed de hogepriester van de Samaritanen van Israël. Shalm Ben
Amran was 82 jaar. Hij werd opgevolgd door Elazar Ben Zedaca. De oorsprong van
deze godsdienstige gemeenschap, overigens de kleinste in Israël, gaat terug tot
de tijd van de Joodse deportaties tijdens het 2de Assyrische rijk dat toen het
Babylonische rijk werd (721 en 587 voor JC). Palestina was toen beet door
Babylonische kolonisten die zich vermengden met de Joden. De eredienst van Jahwe
werd toen eveneeens vermengd met deze van de heidense goden. Toen dan de Joden
terugkeerden uit ballingschap (539 voor JC) weigerden zij van zich te verbinden
met deze ‘vermengde’ Joden (Boek Esdras 4,2-4). Vanaf dat ogenblik was er
altijd tweedracht tussen de Joden van Jeruzalem en deze van Samaria. De
schrijver van het bijbelboek Jezus
Sirach, acht de Samaritanen zelfs geen eigenlijke aanbidders van Jahwe, geen
echt volk, het zijn gewoon stompzinnige mensen die Sichem bewonen: “Twee
volken verfoei ik en het derde is geen volk: de bewoners van Seir, de
Filistijnen en het dwaze volk dat in Sichem woont” (Sir. 50,25-26).
In de tijd van Jezus was onder de Joden het woord Samaritaan blijkbaar
nog erg beledigend, zoals ondermeer blijkt uit Joh. 8,48:
“Hierop antwoordden de Joden ‘Hebben wij niet gezegd dat U een
Samaritaan bent en van de duivel bezeten’?” (naar Terre Sainte sept.-oct.
’04 p. 280). EEN
BEKEERLINGE OP WEG “De
godsdienst wordt pas een levende realiteit wanneer hij invloed begint te krijgen
op onze dagelijkse gedragingen. Sinds de figuur van Christus een plaats in mijn
leven heeft ingenomen, lijkt het me toe dat ik geestelijk een heel klein beetje
vooruit ben gegaan” (uit: Umm-el-Banin in ‘Ik verkoos opium’. Desclée De
Brouwer p. 79). “De
innerlijke strijd tussen de atheïst en de gelovige in Jacques Levy is geëindigd
met de nederlaag van de atheïst. Levy verklaart nadrukkelijk, dat hij tenslotte
met zijn verstand gelooft aan de dogma’s van de katholieke leer: aan de
godheid van Christus, aan de Onbevlekte Ontvangenis, in één woord: aan alle
dogma’s. Deze man, die eindeloos veel intelligenter is geweest dan ik
ben…” (id. p. 102). “Al
mijn pogingen zijn er op gericht om mezelf te verliezen in die afgrond (‘van
licht die Christus is’, zoals Kafka zegt) en ik heb er verdriet over dat ik
het zo slecht doe. Hoe dikwijls heb ik al niet gezegd: “Christus, ik heb u
lief!” En altijd voeg ik er weer aan toe: “Maar wat heb ik u slecht lief!”
(ibid. p. 221). Getuigenis
over de Sociale Dienst van de Brugse Poort te Gent Johan
Van Troos, Zulte, Gemeenschap Maria-Kefas
Dit
tekstje hangt aan de muur van ons staflokaal. Het geeft een stukje weer wat wij
als dienst ‘proberen’ te doen. Een dienst die ‘probeert’ te werken aan
kansarmoede. Eén
verhaal tussen de zovele: Een
alleenstaande jongeman (35) heeft in zijn jeugd weinig moederliefde ervaren:
ouders gescheiden, moeder uit de ouderlijke macht ontzet, geplaatst in
verschillende pleeggezinnen en instellingen.
Het ging van kwaad tot erger… Heel wat relaties liepen stuk. Na een
arbeidsongeval werd hij bovendien ook werkloos. Het huis dat hij gekocht had,
kon hij niet meer afbetalen. En toen zijn vriendin wegliep met alle inboedel,
stortte zijn wereld in elkaar. Uiteindelijk is hij bij ons terecht gekomen.
Eerst als vrijwilliger, later als tewerkgestelde via het OCMW. Heel
wat mensen hebben te maken met eenzaamheid. Vaak hebben ze geen doel meer in hun
leven. Dit kan allerlei oorzaken hebben. Een langdurige ziekte of een ongeval
kan werkloosheid als gevolg hebben. Mensen tellen niet meer mee als ze te oud
zijn voor de arbeidsmarkt of ongeletterd zijn. Vaak zorgt een te hoge werkdruk
voor veel stress zodat mensen het arbeidsritme niet meer aankunnen. We
kunnen aan deze mensen een alternatief bieden. We kunnen hen, heel vrijblijvend,
uitnodigen mee te werken aan het gebeuren van de kringloopwinkel, verbonden aan
onze sociale dienst. Daar kunnen ze, door middel van het vele werk dat er
verricht kan worden, een stukje zinvolle invulling geven aan hun leven. Zo
kunnen ze ’s morgens opstaan met een doel, en ’s avonds huiswaarts keren met
de bevestiging: Ik heb vandaag iets gepresteerd, ik voel mij goed, mijn leven
heeft weer betekenis. Mensen leren ook medemensen kennen, die vaak in een
gelijkaardig situatie verkeren. Ze luisteren naar elkaars verhaal en kunnen daar
kracht uit putten. Met
deze mensen een eindje mogen meegaan, even helpen dragen... het is een voorrecht
dit te mogen doen. DE
HEER VERTROOSTEN IN TERMINAAL ZIEKEN Micheline
Laloux-Lepère, Gent Michèle
Lepère helpt bij het liturgisch bloemschikken in de Redemptoristenkerk in de
Voskenslaan te Gent. Zij brengt hier een getuigenis van haar werk als
vrijwilliger in de palliatieve afdeling van A.Z-St.-Lucas te Gent. De
rol van het zorgteam van de Palliatieve Zorgen is: een verbinding te vormen
tussen enerzijds de zieke die zich aan het einde van zijn levensweg bevindt en
anderzijds de familie. De stervende heeft inderdaad nood aan zulk een
aanwezigheid van ieder moment, waartoe de familie de mogelijkheden niet heeft om
deze permanente dienst in te vullen. Anderzijds stellen we vast dat de zieken
zich blijkbaar thuis voelen in deze palliatieve dienstverlening. Het
interieur van deze Palliatieve afdeling in St.-Lucas vertoont helemaal niet het
uitzicht van een kliniek. Van zodra men er binnentreedt staat men verwonderd
over de sfeer die er heerst: voor zijn laatste de levensetappe is alles erop
gericht aan de patiënt een warme, rustgevende en aangename ambiance te
bezorgen. Het is als het ware reeds een open deur naar het eeuwige koninkrijk. Gedurende
de twaalf jaar dat ik mij mee inzet om hun een beetje welzijn te bezorgen, heb
ik een hele evolutie gezien en heel wat verbeteringen die gezocht en aangebracht
werden om de patiënten in staat te stellen deze terminale fase te beleven in
welzijn en omringd door veel zorg en liefde. Zeker, deze dienst is op het
medische vlak gestructureerd door een Geneesheer-oncoloog, een
hoofdverpleegster, omringd door andere verpleegsters en verzorgingshelpsters,
die instaan voor de zorgen rond de zieken volgens een aanwezigheidsbeurtrol.
Verder een voltijds psycholoog en secretaressen die het administratief beheer
verzekeren. Daar bovenop zijn er dan de vrijwilligers (ongeveer zestig
personen), die zich volgens een rolsysteem verdelen voor de maaltijden, het
toezicht en andere taken zowel tijdens de dag als ‘s nachts. Ik ontmoet er
veel edelmoedigheid, toewijding, liefde en zelfvergetelheid. Er worden
regelmatig seminaries georganiseerd om al dit personeel te helpen in deze
delicate taak. Welke
rol moet het verzorgingspersoneel nu vervullen ten overstaan van de problemen
die de patiënten zowel als hun familie doormaken? Door
hun functie dragen de begeleiders hun morele en psychologische steun bij om de
stervenden in staat te stellen beter de ogenblikken van droefheid te kunnen
dragen, vooral wanneer ze een diepe pijn ervaren ten overstaan van de fatale
afloop en de scheiding van hun dierbaren. De voorbereiding op de dood moet
beletten dat ze in wanhoop terechtkomen. Zij zoeken naar een zin voor het leven
en ... voor de dood want zij komt onvermijdelijk en hun persoonlijke
overtuigingen laten hen in de steek. Maar zij worden 24 op 24 uur omringd in
deze meer dan moeilijke ogenblikken. Door onze houding, onze woorden en onze
glimlach ontvangen zij onze hulp, ons luisteren, onze aanmoedigingen om hen
bijna onmerkbaar een levenshoop te doen ontdekken bij de overstap naar de
overkant. Welnu,
om een nog aangenamer sfeer te scheppen is er het aspect versiering van deze
afdeling. Vijf of zes dames hebben de taak te decoreren, op te smukken, te
vernieuwen. Zelf draag ik ook bij tot dit werk. Dankzij de talenten van
verscheidene fleuristen zijn wij in staat om meerdere keren per week al de
bloemenruikers die deze afdeling opvrolijken (kamers, living en gangen) te
vernieuwen. Daartoe hebben wij ook een beurtsysteem uitgewerkt. Om
heel deze sfeer nog huiselijker te maken hebben wij een sprekende papegaai die
een exotische noot bijbrengt in de afdeling. Temidden van de grote planten
fluiten kleine vogeltjes, tegen een muzikale achtergrond die voortdurend heerst
tijdens de dienst. Wij hebben zelfs een Labrador-hond, Kiochi, die, heel goed de
gedresseerd, kalm door de gangen wandelt en de grote vriend is geworden van de
zieken. Ik
moet hier nog aan toevoegen dat de hoofdverpleegster door haar vriendelijkheid,
haar bezorgdheid een zeer vriendschappelijke verhouding schept tussen de leden
van het actieve personeel, zonder de zachte en discrete zending te vergeten van
Zuster Lucienne. Voor
de palliatieve dienst, die uit acht kamers bestaat, met twaalf bedden in totaal,
vormen wij één grote familie ten dienste van de patiënten en hun familie om
hun leed in de soms moeilijk te dragen momenten te verzachten. GELOOFSMOEILIJKHEDEN
- LEVENSPROBLEMEN Ben
Van Vossel cssr Geschokt
of verzwakt in ons geloof Levend
midden in deze wereld moet het je niet verwonderen als je geloof soms op de
proef gesteld wordt. Je hoort zoveel, je ziet zoveel, je ontmoet zoveel mensen
en levend in een wereld vol ongeloof, vol van allerlei ideologieën kan het
gebeuren dat je je afvraagt: Is al wat mijn geloof me zegt wel waar? Is al wat
de Kerk me zegt wel waar? Er is immers zoveel veranderd, ook in de Kerk! En als
je op de teevee of op de radio al die zelfverzekerde mensen zo neerhalend hoort
doen over godsdienst en geloof… dan ga je je toch wel wat vragen stellen. Er
zijn ook die eeuwenoude vragen: bestaat er wel een leven over de dood heen?
Bestaat er wel een God? Gaat het geloof niet radicaal in tegen de wetenschap? Is
Jezus wel echt verrezen? Natuurlijk,
geloof is nog iets anders dan ‘zien’ en ‘bewijzen hebben’. Geloof is
tenslotte vanuit vertrouwen op weg gaan met God,
aanwezig in je leven, Die jou voldoende licht en tekenen geeft om voort
te kunnen. Dat vertrouwen groeit naarmate je consequenter met Hem op weg gaat en
deze persoonlijke relatie door jou ernstig wordt opgenomen. Soms echter laten we
ons geloof wat afzwakken of is ons gedrag niet steeds in overeenstemming met dat
geloof. En dan kunnen er twijfels opkomen. Dan ga je je zekerheden wel eens
zoeken buiten je geloof. Hij
komt ons tegemoet, maar hoe zit het met onze ogen? Zo
waren er twee, Klopas en zijn vrouw (of zijn vriend want die tweede blijft
onbenoemd in de perikoop van het Lucasevangelie 24, 13-35), op weg naar Emmaüs.
In Jeruzalem hoefden ze niet meer te blijven. Daar was hun droom over geluk en
heil voor hun volk aan diggelen geslagen. De profeet, Jezus van Nazaret, machtig
in woord en werk, was er door hun
overheidspersonen overgeleverd aan de Romeinen, Hij was gedood en begraven.
Punt. Uit. Tot in de wortel geschokt in hun geloof, zijn ze nu zowat op de
dool... Midden
hun ongeloof evenwel komt Christus bij hen, als de geïnteresseerde toevallige
voorbijganger, die toch graag bij mensen komt, die met hen meeloopt,
belangstellend naar de oorzaak van hun zwaarmoedigheid vraagt en hen daarna
uitnodigt om hun ogen open te trekken op de echte betekenis van de Schrift en
van wat God hun reeds heeft doen kennen en ervaren. Nu moet jij ook niet gaan
denken dat God je zomaar aan je lot overlaat midden je problemen en
geloofstwijfels. In het verhaal van de Emmaüsgangers zien we immers dat er een
ommezwaai komt. Waarom
blijft de ommezwaai uit? Er
is natuurlijk alles wat de Heer hen doet (in-)zien, de catechese die Hij hun
geeft. Maar waar ligt de eigenlijke omslag, de ommekeer, de daadwerkelijke
verandering in het gedrag en de houding van de Emmaüsgangers? De uitnodiging
van de Heer is immers één zaak, de doorslaggevende, okay! Maar waar ligt de
stap die zij zetten en die ze misschien ook konden nalaten zodat heel die
ontmoeting toch zonder vrucht zou gebleven zijn? Wat
is er m.a.w. mis met ons als we toch ongelovige of twijfelaar blijven? De Heer
doet immers zijn werk op zijn moment. Laat dat gezegd zijn. Hoeveel heeft Hij
ons al niet doen proeven van zijn goedheid en zijn leiding, terwijl wij toch
even ongelovig, even droevig, angstig, bezorgd en … ongeestelijk blijven. Moeten
er op dat moment misschien al andere vragen gesteld worden? Bijvoorbeeld: waar
hebben wij stappen terug gezet op de weg van het heil? Waar hebben wij inderdaad
onze kar gekeerd? Waar hebben we de genade voorbij laten gaan? Waar hebben wij
hindernissen opgeworpen voor het werk van de genade? Waar hebben wij onze
geestelijke ontwikkeling belemmerd (bv. Door gebrek aan naastenliefde, door
stichten van onenigheid, door oppervlakkigheid, door wereldse gezindheid,
werelds gedrag, cf. Filippenzenbrief 3,18-19: “18 Want velen leiden een
leven... ik heb u vaak op hen gewezen, maar nu kan ik er niet dan met tranen
over spreken; de vijanden van Christus’ kruis. 19 Zij zijn op weg naar de
ondergang, hun buik is hun god, in hun schande stellen zij hun eer, zij hebben
hun zinnen gezet op het aardse”)? Dit
alles vraagt toch om enige ernstige bezinning, want het zou spijtig zijn als we
door een te wereldse ingesteldheid onze geestelijke ontwikkeling en de groei en
stevigheid van ons geloof ernstig zouden schaden of hinderpalen zouden plaatsen.
Wat
voorafgaat Misschien
toch even terugkeren naar Kleopas en zijn reisgeno(o)t(e). Welke stap hebben zij
gezet opdat ze van ongeloof tot geloof kwamen? Laat ons even naar de tekst
kijken in het evangelie van Lucas, hoofdstuk 24. *
21 En wij leefden in de hoop, dat Hij degene zou zijn die Israël ging
verlossen! (Dit is een te aardse verwachting natuurlijk, een te aardse
verwachting met betrekking tot Jezus als zou hij gewoon een vrijheidsstrijder
zijn tegen de Romeinen). *
Maar met dit al is het reeds de derde dag sinds die dingen gebeurd zijn. (Die
‘derde’ dag zou een belletje moeten doen rinkelen, want dat begrip komt in
de Schrift wel eens meer voor als het moment waarop mensen niets meer kunnen
uitrichten maar waarop God nog altijd kan ingrijpen) *
22 Zelfs hebben een paar vrouwen uit ons midden ons in de war gebracht; ze waren
in de vroegte naar het graf geweest, 23 maar hadden zijn lichaam niet gevonden.
(Dat is toch een zeer ernstig feit, zoiets laat je niet zomaar voorbijgaan
zonder een ernstig onderzoek te gaan instellen). *
en kwamen zeggen, dat zij ook nog een verschijning van engelen hadden gehad, die
verklaarden dat Hij weer leefde. (Dit is geen klein nieuws meer, maar natuurlijk
vraagt dit ook een verder onderzoek, onder meer naar de psychische toestand van
die vrouwen) *
24 Daarop zijn enkelen van de onzen naar het graf gegaan en bevonden het zoals
de vrouwen gezegd hadden, (dat is al niet mis; je zou dan wellicht kunnen gaan
veronderstellen dat de rest van de beweringen van de vrouwen ook wel waar is.
Maar het is natuurlijk nog geen bewijs) *
maar Hem zagen ze niet. (Geen materieel bewijs dus, maar moet dat er wel zijn
opdat iets ‘waar’ zou zijn?) *
Hierop volgt dan de catechese door Jezus. Vanuit een sterke vermaning nodigt Hij
uit om de ogen te openen op wat God omtrent de Messias (omtrent de identiteit
van Jezus dus) echt heeft doen kennen langs
de profeten. *
28 Zo kwamen ze bij het dorp waar ze heen gingen, maar Hij deed alsof Hij verder
moest gaan. Dit kon dan het voorlopige einde zijn. Het
scharniermoment, de beslissende houding Op
het moment dat Jezus zijn woord gezaaid heeft, komt evenwel het kritieke punt
waarop de mens te reageren heeft, waarop alles in onze handen ligt. God immers
nodigt uit, Hij dwingt niet, Hij verwacht van ons een beslissende stap, en de
Emmaüsgangers zetten die: “29 Zij
drongen bij Hem aan: ‘Blijf bij ons, want het wordt al avond en de dag loopt
ten einde’ .” Hier
ligt dan mijns inziens de pointe van het Emmaüsverhaal, althans voor zover het
ons eigen verhaal is van de overgang van ongeloof naar geloof, van
geloofstwijfel tot vernieuwd geloof. Nadat Gods woord heeft geklonken, moet de
mens een antwoord geven. Nadat de mens betgrijp of vermoedt dat hijzelf ten
einde raad is, dat het licht alleen van de Heer kan komen, op dat ogenblik moet
de mens roepen op God, bidden om licht, smeken dat God nabij wil komen, nabij
wil blijven. *
En de reactie van de Heer is in het Emmaüsverhaal onmiddellijk, direct, Hij
laat hen de tijd niet meer om nog te gaan twijfelen of hun uitnodiging in te
slikken: “Toen ging Hij binnen om bij hen te blijven”. Zo is God. En
dan volgt al de rest *
30 Terwijl Hij met hen aanlag nam Hij het brood, sprak de zegen uit, brak het en
reikte het hun toe. Het
is dus geen gewoon gezellig samenzijn van de Heer met zijn leerlingen die aan
het gelovig worden zijn. Hij voert hen binnen in die mysterieuze aanwezigheid,
in die blijvende aanwezigheid en gemeenzaamheid met Hem door het geloof,
doorheen de tekenen van het geloof. *
31 Nu gingen hun ogen open en zij herkenden Hem. Die
mysterieuze aanwezigheid van de Heer, dit in tastend geloof rond Hem samenkomen,
dit in tastend geloof naar Hem luisteren, dit in tastend geloof op Hem roepen
(Heer, blijf bij ons) worden tenslotte oorzaak van groeiend geloof en inzicht in
de ware identiteit van Jezus en inzicht in zijn Mysterie (De Gekruisigde is de
Levende die door hen werd herkend aan het breken van het brood). Wat
betekent dit nu concreet? Tot
welke stappen nodigt dit woord concreet uit? Hoe situeert zich dit in ons
concrete leven? Bijvoorbeeld met betrekking tot twijfels rond het voortbestaan
doorheen de confrontatie met het overlijden van mensen, of midden beproevingen
in ons persoonlijk of familiaal leven. Het
is een uitnodiging tot ieder van ons om in concrete omstandigheden deze
beslissing te nemen: naar de Heer gaan en bidden … tot Hij licht, kracht,
uitzicht, bemoediging schenkt. (Cf. o.m. het boek “Ik verkoos opium” van
Umm-el-Banin.) Op
16 oktober 2004 werden 5 kerken in Bagdad ernstig beschadigd, evenwel zonder dat
er slachtoffers te betreuren vielen. De ontploffingen vonden plaats in de
tijdspanne van anderhalf uur. Dat ‘ernstig beschadigd’ geldt zeker
St.-Georgiuskerk, een vrij mooi Griekse kerkje, waarvan 3 muren als het ware
weggeblazen werden en het inwendige van de kerk door brand ernstig werd
geteisterd. De Chaldeeuwse christenen (een christelijke groep die eeuwen vóór
de Islam daar reeds aanwezig was en waarvan de mensen onderling een taal spreken
die nauw verwant is aan het Aramees, de taal van Jezus, een kerk die trouwens
verenigd is met de Kerk van Rome) zijn niet bij de pakken blijven zitten. Ze
hebben hun kerk zoveel mogelijk bruikbaar gemaakt voor de liturgie en zijn de
eerste stutwerken begonnen. Het herstel van de kerk zal echter zo’n 300.000
Euro belopen. Het is duidelijk dat die vrij arme bevolking daar op dit ogenblik
niet voor kan instaan. Links en rechts zijn er reeds steunacties ondernomen. Wij
willen ook onze lezers de kans geven deze kerk, waar de Redemptoristen Lucien
Cop en Vincent Van Vossel de zorg voor hebben, te steunen door een financiële
bijdrage. De bedoeling is niet om iets te ondernemen tegen een bepaalde
godsdienst, maar gewoon deze christenbroeders te helpen in hun nood omwille van
de gewelddadige situatie in hun land. Eventuele bijdragen kunnen gestort worden
op Bankrekening: 892-5905324-50 van Geloof en Leven vzw, Voskenslaan 56, 9000
GENT met als vermelding: “Steunfonds Kerk”. Laat deze steun vergezeld
gaan van uw voorbedegebed om moed, volharding en de vrede des harten voor onze
missionarissen en hun christenen. Bij voorbaat dank. |