GELOOF EN LEVEN 2005 nummer 1

INHOUD - ACTIVITEITEN - NIEUW - KINDEREN - BIJBEL - DIAPRESENTATIES - GEBEDSGROEP - PARAY L.M. - MARIA-KEFAS - PREKEN - REDEMPTORISTEN - THUISPAGINA - NADENKERTJES - NUMMERS - LITURGIE - ROEPING - GEZIN - JONGEREN - GETUIGENISSEN - ETHIEKHAHAHA - BOEKEN - MARIA - VORMING - ZENDING - KERK - CHRISTENUITZICHT - INFO - MEDIA - GEZONDHEID - SPIRITUALITEIT - PINKSTERSPIRITUALITEIT - VERHALEN - KUNST - BEZINNINGEN -   GRIEKSE KERK BAGDAD -  WETENSCHAP - JEZUS - GEBED -

- De kleine rest, een missieproject  Danny Van Vossel, gmk Beveren-Waas 
- Gods verlangen doen (De pastoor van Ars, psalm 119, Jezus en wij) B. V. Vossel cssr Gent
- Japanse perikelen - Brief van Broeder Ludo
- Lichaam en hart in onze relatie met God (4) Ben Van Vossel cssr  Gent
- Een klein getuigenis (een kruisje, een gebedsverhoring) Andrea Van Braeckel, gmk St.-Am.
-
De eerste missievlucht naar Kongo (21)  door: Jozef Boon cssr
- Een woord van Maria tot de gezinnen (boodschap van Medjugorje)
- Koud en warm of: Christenen in Egypte Terre Sainte
- De mestpoort in Jeruzalem
- Een nachtverpleegster vertelt  Trees  Teugels, gmk Lier
- Hogepriester van de Samaritanen overleden
- Christen in een niet-christelijk Europa (bij een artikel van Piet Raes)
- Dient met blijdschap de Heer in eenzamen  - Andrea Van Braeckel  gmk St.-Amandsb.
- Een bekeerlinge : ‘Ik verkoos opium’
- Mededeling (1) Van Provincie Vlaanderen naar Clemensprovincie
- H.Gerardus (28) ‘Ik wil een heilige worden’   Gabriël Dewilde cssr Gent
- Mededeling (2) Gezinsdag - Gezinsweekend
- Help je me even dragen?  Getuigenis uit de 4de wereld Johan Van Troos, gmk Zulte
- Geboorte
- Boekennieuws
- Overleden
- Palliatieve zorg  Micheline Lalloux-Lepère
- Geloofsproblemen - Levensproblemen: HET EMMAÜSVERHAAL een evangelische wegwijzer
- Steunfonds verwoeste kerk in Baghdad

DE KLEINE REST

een winkel voor tweedehandskledij van de vzw Missiezorg,
Danny Van Vossel, Gemeenschap Maria-Kefas

Hoe het begon

“De Kleine Rest” heeft een lange voorgeschiedenis. In de jaren 70, ontstond in de schoot van de parochieraad van Beveren St.-Martinus de werkgroep Missiezorg. Toenmalig onderpastoor Raf Buysse was de bezieler van deze missiewerkgroep, die zich tot doel stelde contact te houden met en steun te geven aan de Beverse missionarissen.

Daarnaast wou men vooral missie-animatie op gang brengen. Hiertoe werden diverse aktiviteiten ondernomen. Stilaan groeide de idee om een permanente missiewerking te realiseren door een winkel te openen met tweedehandskledij.

In september 1983 kreeg “De Kleine Rest” een plaats en een gezicht in de Beverse gemeenschap. Eerst in een klein, donker en koud huurhuisje, maar het lukte! We kregen kledij binnen, medewerkers werden aangesproken en… de klanten kwamen.

Eind 1984 werd het huurhuisje verkocht en moesten we een geschiktere ruimte vinden. Dank zij een aantal milde schenkers konden we het huis in de Kloosterstraat 24 van de familie van Pater de Meersman. Het gelijkvloers werd in ijltempo door een groep vrijwilligers ingericht tot een efficiënte en ruime winkelruimte, die in maart 1985 in gebruik werd genomen. Ondertussen is het huis al eigendom van de vzw  Missiezorg en zijn alle ruimten op de bovenverdieping ook in orde en worden ze gebruikt voor vergaderingen of andere activiteiten.

Onze naam

De uitdrukking ‘een kleine rest’ vinden we terug bij de profeten die, ontgoocheld over het vervallen Joodse rijk, mensen oproepen om te blijven geloven in Gods trouw en in goedheid en gerechtigheid onder de mensen; een ‘kleine rest’ gaat leven vanuit dat vertrouwen. In diezelfde geest willen wij, zonder te menen dat wij alleen de wereld kunnen veranderen, een klein teken stellen dat het anders kan en moet in deze wereld.

Onze doelstelling

* We dragen onze Beverse missionarissen en ontwikkelingshelpers een heel warm hart toe en willen  hen ondersteunen, niet alleen financieel, maar ook door contact met hen te houden en op geregelde tijdstippen nieuws en brieven van onze missionarissen te publiceren.

* We willen ook hier bij ons aan bewustmaking doen: solidariteit in soberheid. Op deze manier willen we bij onszelf en bij anderen een sobere levenswijze stimuleren.

* solidariteit met de derde wereld waar mensen met weinig middelen moeten leven en er toch in slagen gelukkig en optimistisch te zijn.

* Sober omgaan met de goederen van deze aarde, die door God aan alle mensen zijn toevertrouwd om ze te gebruiken tot welzijn van allen en niet om mateloos te consumeren en te verspillen.

* Solidair met arm en rijk in eigen midden, door het delen van kleding, tijd en belangstelling.

Onze werking

In onze winkel verkopen we tweedehandskledij. Gebruikte kleding van goede kwaliteit wordt in veel families doorgegeven. Niet iedereen kan dat. De “De Kleine Rest” is een schakel tussen mensen die nog bruikbare kledij niet zomaar afdanken en weggooien, maar die willen verder geven aan hen die minder geld kunnen of willen spenderen aan kleding.

In onze beginperiode was er wel wat “drempelvrees” en kregen we bijna uitsluitend migranten en sukkelaars over de vloer. Maar de laatste jaren komen mensen uit alle lagen van de bevolking bij ons hun kleding kopen. Sommige mensen zijn er zelfs fier op dat ze niet meelopen in de mallemolen van mode en consumptie en kiezen bewust voor onze winkel. Ook grote gezinnen zien we bij het begin van elk seizoen terug om hun kroost uit te dossen met onze artikelen.

Een twintigtal vrijwilligers staan in voor de verkoop en de goede gang van zaken in de winkel. Dank zij hun trouwe inzet kan onze winkel heel de week opengehouden worden, behalve op maandag.

Als mensen kledij binnenbrengen, wordt die heel zorgvuldig nagekeken, gesorteerd en geprijsd in overleg met mekaar, want we zijn altijd met twee, volgens een vaste beurtrol.

Kledij die niet geschikt is om te verkopen in de winkel, geven we door aan Spullenhulp; zo krijgt alles wat mensen bij ons binnenbrengen een bestemming.

Onze winkel is ook een plaats waar gelegenheid tot contact is met onze bezoekers; we helpen de mensen bij het aanpassen, geven wat advies en tussendoor zijn we vaak ook een luisterend oor voor mensen die ons hun zorgen en problemen toevertrouwen. Zo is er stilaan reeds een echte band gegroeid met sommige van onze klanten. Zelfs als ze niets nodig hebben, wippen ze zomaar eens binnen voor een babbel.

Evaluatie en adempauze

Regelmatig komen we met al onze vrijwilligers samen om onze werkwijze te evalueren en eventueel bij te sturen. We delen dan over wat er soms voorgevallen is en bepaalde problemen kunnen dan ook besproken worden. Maar, bij alles wat we zeggen en doen geldt het principe dat we nooit de privacy van mensen schenden. We hebben een open boekhouding: jaarlijks wordt er een uitgebreid verslag gegeven van de inkomsten en de uitgaven, zodat iedereen tot op de euro weet hoe we er financieel voor staan. We onderscheiden dan ook samen hoeveel we aan iedere missionaris die in verlof komt kunnen meegeven.
Eenmaal per jaar gaan we samen met alle vrijwilligers op reis en dan genieten we voluit!

Getuigenis wederzijds

Als de missionarissen in verlof komen, ontvangen we hen in ons vergaderlokaaltje voor een gezellig samenzijn en luisteren we naar hun boeiende, maar soms zeer harde verhalen. We geven hen dan ook met een warm en goed gevoel, hun deel van onze opbrengst. Uit hun dankbaarheid en waardering voor ons werk, halen we de energie om ons elke dag nog meer te engageren voor “onze winkel”. Tussendoor ontvangen we regelmatig nieuws van onze missionarissen over hun wel en wee.

“De Kleine Rest “ is in Beveren uitgegroeid tot een permanente zorg en aandacht voor de vierde wereld dichtbij en voor de derde wereld veraf, vol hoop op een toekomst waar iedereen het goed heeft, zoals Jezus het verlangt…

Altijd welkom!

 

DE PASTOOR VAN ARS, PSALM 119, JEZUS EN WIJ

Ben Van Vossel Redemptorist, Gent

Ik kreeg een boekje onder handen “Over God en over ons. Woorden van de Pastoor van Ars opgetekend door een toehoorder”, oorspronkelijk uitgegeven in Illinois (VS) in 1987 en later in Nederlandse vertaling door de Stichting R.K.Voorlichting (in samenwerking met de Stichting Sophia). Ik had wel eens gehoord dat er zoiets bestond, maar toen ik het onder ogen kreeg en gedeeltelijk gelezen had, begon ik me af te vragen of dit nu echt een oud boekje betrof ofwel of het door iemand was opgesteld die zich verdiept had in de geest en de spiritualiteit, zelfs in het karakter van de Pastoor van Ars. Zo echt, zo aansprekend, zo inspirerend komt dat boekje over. Ik heb maar aangenomen dat het authentiek is en echt de woorden van de heilige pastoor van Ars.

Geboren in 1786 te Ecully, een voorstadje van Dordilly in Frankrijk, wordt deze parochiepriester, Jean-Marie Vianney, toch altijd ‘Pastoor van Ars’ genoemd. Het was zijn speciale gave als geestelijk leidsman, vooral in de biechtstoel om het hart en geweten van mensen te peilen en hen voort te helpen. Een man van gebed, van doorgedreven versterving en boetedoening en dan ook van een ongeëvenaarde priesterlijke inzet, werkelijk onvermoeibaar. Van over heel Frankrijk kwamen mensen naar dat buitenpastoorke in dat stadje Ars, dat aanvankelijk niet zo ‘katholiek’ was als toen het eenmaal onder zijn invloed gekomen was. Minder bekend dan zijn praktijk als biechtvader zijn zijn preken. Men vertelt dat hij het op de preekstoel voortdurend had tegen de dansgelegenheden, men vertelt dat hij eigenlijk niet kon preken maar voortdurend hetzelfde zegde met krijsende stem… Bovenvermeld boekje geeft ons een ander beeld van deze pastoor als predikant. De inleiding geeft trouwens reeds een goede schets van wat de pastoor van Ars was en hoe zijn preken zich kenmerkten.

Natuurlijk, zoals je van een heilige kunt verwachten, van iemand die verliefd is op God, stelt hij zich niet vlug tevreden, ook niet in de begeleiding van zijn eenvoudige parochianen. Hij wil de mensen op weg zetten naar het echte geluk, hij wil dat ze zich totaal aan God toevertrouwen. Hij is ongeëvenaard in de eenvoud van zijn stelregel om een goed christen te zijn, namelijk : “niets te doen wat we niet kunnen aanbieden aan de goede God” (blz.34).

Hoe eenvoudig staat dat daar: “niets te doen wat we niet kunnen aanbieden aan de goede God”. Kijk, wij mogen ons hele leven naast die zin leggen; ons gedrag van elk moment, ons denken en onze woorden mogen wij met die korte zin confronteren. “Is het iets wat ik God kan aanbieden, of heeft het niets te betekenen, of is het iets dat mijzelf of anderen afbreekt of minder mooi maakt”? Zo’n zin, zo’n simpele zin met wat armzalige woorden kan ons leven herscheppen, het opnieuw op het juiste spoor zetten. Zo’n zin is het waard om er een week, een maand, een jaar mee op weg te gaan. “Niets doen wat we niet kunnen aanbieden aan de goede God”. Met deze woorden staan we in de lange traditie van gelovige mensen die hun leven hebben willen afstemmen op Gods verlangen.

Neem bijvoorbeeld de langste psalm van het Oude Testament, psalm 119; hij is 176 verzen lang en beslaat verscheidene bladzijden van de Bijbel. Waarover gaat die psalm? Over ‘uw woord’, ‘uw verbondseisen’, ‘uw wet’, ‘uw opdrachten’, ‘uw rechtsorde’, ‘uw uitspraken’, ‘uw rechtsbestel’, ‘uw belofte’… Daar komen dus wel wat ouderwetse en zelfs gewoonweg vreemde woorden in voor, maar we begrijpen dat het gaat over de mens die Gods verlangen wil doen, want hij heeft ingezien dat die ‘woorden van God’ het heil van de mens op het oog hebben. Al die woorden zoals “uw wet, uw woord, uw uitspraken” mag je vervangen door ‘uw verlangen’, of ‘uw heilige wil’. “Ik heb uw Wet zo lief, zij is geen ogenblik uit mijn gedachten (v.97)”. “Uw woord is een lamp voor mijn voeten, uw woord is een licht op mijn weg” (v105). “Heer, laat mij leven, dat wil immers uw gebod” (vv.149.156), “Uw voorschriften zijn mijn enige liefde, schenk mij leven , Heer, U die genade bent” (159), “Heer, ik verlang naar uw heil, uw wet is mijn enige vreugde”.

Jezus staat in de lijn van die vrome inzichten, die richting geven aan een heel leven. Luister maar: “Mijn voedsel is: de wil doen van Hem die Mij gezonden heeft en het werk volbrengen dat Hij Mij heeft opgedragen” (Joh. 4,34 Willibrord 1995). Hij heeft zijn leven willen bouwen op het verlangen van God. Leg dat woord van Jezus gerust naast die woorden van de pastoor van Ars en dan zie je hoe gelijklopend ze zijn: “niets te doen wat we niet kunnen aanbieden aan de goede God”. Beluister dan Jezus laatste woorden: “Het is volbracht” (Joh. 19,30). “Vader, in uw handen leg Ik mijn geest” (Luc. 23,46). En dan hebben wij Hem tevoren ook al horen bidden in de Hof van Olijven “Niet mijn wil maar Uw wil geschiede”. Dat is het geheim van Jezus’ leven, van zijn vruchtbaarheid en zijn Heer-zijn. En wanneer iemand Hem van het verlangen van God wil afleiden (het mag dan nog de toekomstige eerste paus zijn), krijgt deze de volle laag: “Maar Hij keerde zich om en zei tot Petrus: ‘Ga weg, satan, terug! Gij zijt Mij een aanstoot, want gij laat u leiden door menselijke overwegingen en niet door wat God wil.’” (Mt.16,23).

Om te besluiten kunnen we luisteren naar de uitnodiging of aanmaning van Paulus in zijn brief aan de christenen van Filippi. Hij haalt deze hymne wel aan om zijn christenen uit te nodigen om goed en verdraagzaam te zijn tegenover elkaar, maar er is ook sprake over Jezus gehoorzaamheid tot het uiterste, waardoor Hij Heer en redder wordt van allen:

“5 Die gezindheid moet onder u heersen welke ook Christus Jezus bezielde: 6 Hij die bestond in goddelijke majesteit heeft zich niet willen vastklampen aan de gelijkheid met God: 7 Hij heeft zich van zichzelf ontdaan en het bestaan van een slaaf aangenomen. Hij is aan de mensen gelijk geworden. En als mens verschenen 8 heeft Hij zich vernederd, Hij werd gehoorzaam tot de dood, tot de dood aan een kruis. 9 Daarom heeft God hem hoog verheven…” (Filipp. 2,5-9).

In de gezindheid van Jezus, in de gezindheid van Jean-Marie Vianney, laten we “niets doen wat we niet kunnen aanbieden aan de goede God”, maar “de wil van Hem die ons gezonden heeft” (Joh. 4,34) en die “in alles het heil bevordert van die Hem liefhebben” (Rom. 8,28).

Meer over de Pastoor van Ars op onze webpagina kerk(geschiedenis)

   

LICHAAM EN HART IN ONZE RELATIE MET GOD (4)

Ben Van Vossel cssr

§ 2. Lichaam en materie: mogelijke toegangspoorten tot God

De waarde van het vasten als het scheppen van een leegte waarin we God beter kunnen ontmoeten (vervolg 2 en slot)

3. Bidden en ademen… Het Jezusgebed

Ik heb ooit eens een paar conferenties bijgewoond van een medisch psychiatrische verpleegster, die een studie gemaakt had over het Jezusgebed en zijn positieve invloed op de psyche van de mens. Zij achtte het bewezen dat die deugddoende en genezende invloed er inderdaad was. Maar wat is dat ‘Jezusgebed’ eigenlijk?

Met het Jezusgebed - voor hen die het niet zouden kennen - bedoel ik gewoon dat korte gebedje dat zo dierbaar is aan veel Oosterse christenen: “Heer Jezus, Zoon van God, Redder, ontferm U over mij, zondaar” of kort : “Heer Jezus, Zoon van God, ontferm U over mij” of, zoals het in Vlaanderen wel eens gebeden werd als ‘schietgebed’: “Mijn Jezus, barmhartigheid”.

In de Oosterse spiritualiteit, vooral in Rusland, maar ook bij andere Oosterse monniken, was het ruim verspreid en was het een hulpmiddel om tot voortdurend gebed te komen. Men bad het op het ritme van de ademhaling, anderen op het ritme van de hartslag. Men bad het soms duizenden keren per dag, zodat het als het ware letterlijk het gebed van het hart werd. Het leefde voortdurend in de persoon, als onderstroom, als iets dat er voortdurend was en dat bijvoorbeeld als men ’s nachts ontwaakte er ook nog altijd was. “Heer Jezus, Zoon van God, wees mij genadig” of dus, zoals het in  onze Westerse kerk leefde, als het korte schietgebed: “Mijn Jezus, barmhartigheid!”

Het permanente gebed is een genade, maar hier staan we in feite voor een soort techniek, waardoor men inderdaad kan groeien tot een voortdurend gebed. Is daar iets mis mee? Ik meen van niet. Tenslotte is het een gebed dat, ongeveer in die woorden, terug te vinden is in het evangelie, het is geen mantra uit de boeddhistische traditie, het is geen verborgen goden- of geestennaam uit de transcendente meditatie, maar een evangeliewoord “Jezus, Zoon van David, ontferm U over mij”, het gebed van de blinde Bartimeüs. Jezus, Messias, of Redder, ontferm U over mij”.

“Er zaten twee blinden langs de weg, die, horend dat Jezus voorbijging, luidkeels begonnen te roepen: ‘Heer, Zoon van David, heb medelijden met ons!’ De mensen snauwden hun toe te zwijgen. Maar zij riepen nog harder: ‘Heer, Zoon van David, heb medelijden met ons!’ Jezus bleef staan, riep hen bij zich en vroeg: ‘Wat wilt ge dat Ik voor u doe?’ Zij zeiden: ‘Heer, open onze ogen!’ Jezus had medelijden met hen en raakte hun ogen aan. Terstond konden zij zien en sloten zich bij Hem aan. (Mt. 20,30-34, zie ook Mk 10,46-52; Lk 18,35-38)

4. Eerbied en zorg voor het lichaam en de gezondheid.

 

4.1. Zorg voor het lichaam

Normale zorg, aangepast aan deze tijd. Sint Paulus noemt het lichaam een tempel van de heilige Geest.

“Gij weet het, uw lichaam is een tempel van de heilige Geest, die in u woont, die gij van God hebt ontvangen. Gij zijt niet van uzelf.  Gij zijt gekocht en de prijs is betaald. Eert dan God met uw lichaam” (1 Kor. 6,19-20)

We hebben ons lichaam van God ontvangen, het is normaal dat we zorg dragen voor dat lichaam, dankbaar zijn voor het lichaam, voor alles wat ons lichaam betreft. Het is een deel van onszelf en moet ingeschakeld worden in het geheel van onze roeping als mens en als christen.

Aangepast aan deze tijd zullen we ons lichaam geven waar het recht op heeft.

4.2. Ingepast in het geheel van onze hele persoon en onze roeping

Maar inderdaad, lichaamscultuur, lichaamszorg moet zich inpassen in het geheel van onze roeping. Iemand die zijn lichaam verwaarloost, onvoldoende eet of ongezond, iemand die geen ontspanning neemt terwijl men zou kunnen voelen dat men dat toch nodig heeft… schaadt zichzelf, maar bezwaart wellicht ook de uitoefening van zijn opdracht, de beleving van zijn roeping en zending.

Maar nogmaals, het gaat over het geheel van onze roeping. Heeft een pater Damiaan zijn gezondheid niet geschaad door op Molokaï zo dicht bij die melaatsen te leven? Waarschijnlijk wel, maar dat paste zich in in het geheel van zijn roeping. Hier zie je duidelijk dat de belangen van het lichaam soms achteruit geschoven worden ten voordele van de roeping, de geestelijke belangen. Maar algemeen gesproken moet een goede zorg voor het lichaam nagestreefd worden, evenwel zonder het lichaam te verafgoden. Een gehuwde vrouw en om het even welke vrouw in onze samenleving zal voldoende zorg moeten besteden aan haar uiterlijk, als waardering voor zichzelf als mens en als vrouw, maar ook uit achting voor haar medemensen. Voor een man gaat dat evenzeer op, natuurlijk, alleen zal het misschien nog even duren vooraleer alle mannen dat begrepen hebben.

Overdrijven is dan weer niet gezond voor je ontwikkeling en je roeping als mens en als christen.

 

EEN KLEIN GETUIGENIS

Een klein kuisje en een gebedsverhoring
Andrea Van Braeckel, St.-Amandsberg, Gemeenschap Maria-Kefas

Uitstap met bejaarden

Het was regenachtig en veel wind. Toch ging ik die dag naar zee een paar bejaarden bezoeken die er een weekje op vakantie waren. In de voormiddag kon ik nog wat helpen bij het vervoer van de zieken en bejaarden. ‘s Middags was er een gezellige maaltijd.

Terwijl de bejaarden daarna wat aan het rusten waren ben ik gaan  wandelen op het strand. Een woeste, wilde zee, veel wind, het was machtig om te aanschouwen. En toch hebben de woelige zee en de wind me tot rust gebracht. Voor mij een stille wenk van de Heer, dat Hij me heel nabij is, ook als het wat onrustig is, als het wat stormt in mijn leven. Terwijl ik in dat ruwe weer liep, kon ik Hem alles afgeven wat me bezig hield. Het was zelfs niet moeilijk het los te laten, de Heer liet het als het ware wegwaaien met de wind … Het was zalig. Mijn hart was vol dankbaarheid.

In de namiddag zaten we gezellig een tas koffie te drinken. Er kwam een echtpaar langs die vroegen of ze erbij mochten komen zitten. Op een gegeven moment zei de man: “Ik zie dat je een kruisje draagt, mag ik je iets vertellen wat mij is overkomen? (Het dragen van een kruisje heeft wel eens heel positieve gevolgen). En toen vertelde die man - af en toe met tranen in de ogen -  het volgende:

Hij had al een paar keer zo’n drukkende pijn aan zijn borst gevoeld, pijn die telkens spontaan overging. Toen hij dat zei aan de dokter onderzocht deze hem, maar vond niets speciaals. Toch was de man was er niet zo gerust in…

Op een zekere dag zei hij, na weer een nacht met pijn en ongerustheid: “als er hierboven Iemand is en bestaat, laat er dan a.u.b. een oplossing komen”.   Hij zei me: “Ik weet niet of het bidden was … maar ik heb het toch maar gezegd”.  Sedert jaren ging hij namelijk niet meer naar de kerk, en bidden deed  hij al evenmin. 

Een paar dagen later, kwam een oude vriend dokter ‘toevallig’ aanbellen. Op dat moment had onze persoon terug die drukkende pijn… Deze arts aarzelde niet.  De dag nadien werd de zieke geopereerd; hij kreeg vier overbruggingen.

Hij is nu een gezonde, trouwe en blije kerkganger en bidden is niet echt meer vreemd voor hen, het is een dagelijkse plicht. De pijn waar hij nu mee zit is een soort droefheid dat hij nog niet meer kan getuigen van wat hem is overkomen en hoe hij terug tot geloof kwam.

Ik was de Heer dankbaar voor die mooie eenvoudige dag, vol van Zijn aanwezigheid, aanwezig in de wind en de regen, in het leven van die  man en in zoveel kleine dingen.

 

 

EEN WOORD VAN MARIA TOT DE GEZINNEN

Boodschap te Medjugorje op 25 oktober 2004

Lieve kinderen! Dit is een tijd van genade voor het gezin en daarom roep ik je op om je gebed te vernieuwen. Moge Jezus in het hart van je gezin zijn. Leer door het gebed alles lief te hebben wat heilig is. Volg de levens van de heiligen na zodat zij stimulans en leermeesters mogen zijn op de weg van heiligheid. Moge elk gezin een getuige van liefde worden in deze wereld die het gebed en de vrede niet kent. Dank dat je gehoor gaf aan mijn oproep.

 

DE MESTPOORT IN JERUZALEM

Mestoverschotten sorteren, ophalen, wegbrengen, vernietigen of stockeren is een ernstige opgave voor de geïndustrialiseerde landen en vooral voor grote agglomeraties, maar ook voor een wat grotere stad uit de oudheid moesten op dat vlak toch wel wat maatregelen genomen worden.  De poort in de Zuidwestkant van de stadsmuren van Jeruzalem draagt actueel nog de naam ‘Mestpoort’ (’Dung Gate’, ‘Porte du Fumier’ (mest) of’ Porte des immondices’ (straatvuil)).

In het bijbelboek Nehemia lezen wij, wanneer Jeruzalem wordt herbouwd, iets over die Mestpoort, die vermoedelijk een andere faam zal gehad hebben dan de ‘Welriekende Dreef’. Immers,  zoals we straks zullen zeggen, situeerde zich daar waarschijnlijk het stort, de Joodse ‘Hoge Maai’. Het boek Nehemia (2,13) verhaalt: “In de nacht verliet ik (Nehemia, na de terugkeer uit de ballingschap tot landvoogd benoemd) dus de stad door de Dalpoort en trok van de Drakenbron naar de ‘Mestpoort’ en inspecteerde de muur van Jeruzalem; die lag grotendeels in puin en de poorten waren verteerd door het vuur”. Verder, in Nehemia (3,13-1) lezen we: “Chanun en de bewoners van Zanoach herstelden de Dalpoort; zij bouwden haar weer op, hingen de deuren erin met de slagbomen en de grendels en herstelden de muur over een lengte van duizend el, tot aan de ‘Mestpoort’. Malkia, de zoon van Rekab, hoofd van het district Bet-Hakkerem, herstelde de ‘Mestpoort’. Hij bouwde haar weer op en hing de deuren erin met de slagbomen en de grendels.”

Nu heeft een archeoloog, Yigal Shilo een aanzienlijke vuilnisbelt ontdekt langsheen de ‘Stad van David’. Het betreft een hoop afval en vuilnis van wel 10 meter dikte met zowat 300.000 ton afval: grint, gebroken potten en kruiken, geldstukken, dierenbeenderen… Dit vuilnis dateert uit de tijd van Jezus. Ezels en muildieren werden toen gebruikt om de afval van Jeruzalem daarheen te vervoeren. Overigens hield het vergaren van de afval op in het jaar 66 na Chr. toen de opstand tegen de Romeinen uitbrak. (Bron: La Terre Sainte ; sept.-oct. ’04 p. 280)

 

NACHTVERPLEEGSTER

“JEZUS, LAAT HET RUSTIG ZIJN VANNACHT
EN MAAK DAT IK HET AANKAN”
Trees Teugels, Gemeenschap Maria-Kefas, Lier

Velen van ons zullen wel al eens als patiënt overnacht hebben in een ziekenhuis. Af en toe zie je dan een verpleegster verschijnen op je kamer. Als je belt, moet je soms wel wat wachten, soms wordt je zelfs ongerust maar ga je niet direct opnieuw te bellen. Die verpleegsters, meer in het bijzonder die nachtverpleegsters, hoe vullen die hun nachtelijke dienst in?  We horen het hier uit eerste hand van een ‘nachtverpleegster’.

Nachtdienst van 21.15 u. tot 7.15 uur.

De aanloop

Hebben mijn collega’s van de avonddienst reeds hun ‘toeren’ kunnen afronden, of moet daar nog bij geholpen worden om de laatste patiënten te verzorgen? Dat moet eerst afgewerkt zijn vooraleer ik aan mijn taak kan beginnen.

Samen wordt overlopen, patiënt per patiënt: hun ziektetoestand, hun emotionele zorgen of agressie, de voor hen te volgen behandeling en het doorgeven van opdrachten, daarna pas beëindigen de collega’s hun dagtaak, misschien met overuren.

Moet er speciaal toezicht zijn voor bepaalde patiënten zoals bv. pas overgekomen patiënten van ‘hartbewaking’, patiënten die aan de ‘telemetric’ moeten (opvolging van het hart via afstandssystemen), intoxicaties (vergiftiging door medicatie, alcohol, drugs,…)? Zijn er mensen die morgen naar Leuven moeten voor een ‘coronanografie’ (onderzoek van de hart- bloedvaten) en wanneer moeten zij gewekt worden? Zijn er mensen die een ‘pacemaker’ (hartstimulator) ingeplant kregen of waarbij de batterijen van de pacemaker werden vernieuwd? Kreeg een patiënt misschien een inplanting van een Peg-sonde (om rechtstreeks in de maag vloeibare voeding te kunnen geven)? Zijn er patiënten die een operatie of onderzoek ondergingen en waarbij de parameters (bloeddruk, pols, temperatuur…) moeten gecontroleerd worden? Zijn er stervenden, waar de familie al of niet blijft bij waken? Zijn er diabetici (suikerzieken) die ik ’s nachts moet controleren?

De eerste ronde

Dan begin ik aan mijn eerste ‘toer’ van de afdeling, kamer per kamer, patiënt per patiënt.  Zijn de perfusies (baxters) overgeschakeld, de antibiotica ingelopen? Zijn de bedsponden omhoog gezet bij de patiënten die woelig kunnen zijn of verward? Zijn de Tv-toestellen al afgezet en het bed lager of hoger gezet bij alle patiënten? Krijgen al de patiënten die zuurstof moeten krijgen deze ook echt, of hebben ze het neusbrilletje zelf afgedaan? Krijgen ze niet te weinig zuurstof maar ook niet teveel? Zijn er nog bedden vrij voor nieuwe opnames?

Al deze zaken dienen nagekeken te worden reeds bij de eerste toer, om zeker te zijn dat ik mijn afdeling met zijn 33 bedden in mijn geheugen heb.

Deze eerste ronde kan uitlopen, als er patiënten, door verward te zijn, hun baxter hebben uitgetrokken, met kans op een ‘bloedbad’: dus, bed verschonen, alles opkuisen, de ader opnieuw aanprikken en de baxter terug aanschakelen.

Ook als er patiënten zijn die nog even een babbeltje willen slaan, familie van een stervende die hun hart eens willen luchten, suikerzieken die te weinig suiker hebben en extra voeding moeten krijgen, patiënten die nog een slaappilletje willen hebben, patiënten die een hevige hoestbui hebben en een borreltje hoestsiroop vragen, … deze zaken zorgen ervoor dat ik pas om 23.00 uur of soms nog later, aan mijn vaste opdrachten van de nacht kan beginnen!

De nachtopdrachten en … wat er soms bijkomt

De medicatie van 24 u. en 02 uur al voorbereiden en op tijd toedienen. Er wordt verwacht dat de medicatie van alle patiënten klaargezet wordt voor 8 u. en 12 uur van de volgende dag. Dit kan uitlopen tot 2 of 3 uur vooraleer dit gedaan is.

Maar om 1 uur komt een collega helpen: de meest hulpbehoevende patiënten eens draaien, een wisselhouding geven, en eventueel verschonen. Soms zijn er dat 3, soms meer dan 7.

Tussendoor moeten dan nog alle oproepen van de patiënten beantwoord worden, dat kan gaan van ‘kalm’ tot om het kwartier of 10 minuten een ‘belletje’. Maar de mensen verwachten dat je komt en hen helpt; gelukkig hebben we een ‘step-je’ op dienst om de benen wat te sparen en om vlugger te plaatse te zijn.

Bij stervende patiënten waar familie bij blijft waken moet ik ook regelmatig gaan kijken, omdat het voor de familie meestal beangstigend is als een dierbare op sterven ligt. Soms raken ze in paniek of vragen: “Hoelang gaat het nog duren?” Deze mensen krijgen uiteraard drank voor tijdens de nacht. Eventueel wordt er een vouwstoeltje bijgezet zodat de familieleden kunnen blijven overnachten bij hun geliefden.

Het is soms zielig en ik voel me soms machteloos als ik een patiënt zie lijden omdat het hart het nog niet opgeeft, maar de ademhaling stokt. Dan bekijken de patiënt en de familieleden mij met angstige ogen. Ik kan dan niet anders dan bij hen te blijven, toch voor een tijdje, om, zoals Jezus vraagt, medelijdend bij hen te zijn.

Overlijdt de patiënt, dan laat ik de familie rustig de tijd om afscheid te nemen van hun geliefde.

Pas daarna wordt de overledene opgebaard en kunnen de mensen deze nog groeten, al of niet naar de kerkelijke traditie.

Om 5 uur wordt er nog eens een wisselhouding-toer gedaan. Tussenin moeten dan ook de verpleegfiches ingevuld worden met de gegevens van de nacht, de medicatiefiches verder aangevuld voor de volgende dagen, medicatie bestellen…

Nieuwe opnames kunnen er ook zijn, zolang er lege bedden zijn. En als dan nog al de verschillende parameters van de patiënten moeten gecontroleerd worden, zoals bloeddruk, pols, temperatuur, bewustzijn, zuustofsaturatie, glucose in het bloed, insuline bijgespoten, bloednames doen, … dan vliegt de nacht soms veel te vlug voorbij, zodat men soms geen tijd heeft om zelf te eten, wat toch wel nodig is als je 10 uur moet ‘travakken’.

En als het dan 7.15 uur is, ben ik blij dat ik naar huis kan gaan om te slapen.

Roeping

Altijd heb ik mijn beroep als verpleegster als een ROEPING beschouwd, het is ook door een inwendige gedrevenheid dat ik mij in ‘gegeven dienstbaarheid’ wil geven aan patiënten en collega’s, in goede en kwade dagen. Het is dank zij mijn geloof in Jezus en naar het voorbeeld van Maria, dat ik nog alle dagen mij wil inzetten met mijn handen en hart om het lijden van mijn patiënten te verlichten en een getuige te zijn van mijn geloof voor mijn collega’s.

 

SAMARITANEN

In februari 2004 overleed de hogepriester van de Samaritanen van Israël. Shalm Ben Amran was 82 jaar. Hij werd opgevolgd door Elazar Ben Zedaca. De oorsprong van deze godsdienstige gemeenschap, overigens de kleinste in Israël, gaat terug tot de tijd van de Joodse deportaties tijdens het 2de Assyrische rijk dat toen het Babylonische rijk werd (721 en 587 voor JC). Palestina was toen beet door Babylonische kolonisten die zich vermengden met de Joden. De eredienst van Jahwe werd toen eveneeens vermengd met deze van de heidense goden. Toen dan de Joden terugkeerden uit ballingschap (539 voor JC) weigerden zij van zich te verbinden met deze ‘vermengde’ Joden (Boek Esdras 4,2-4). Vanaf dat ogenblik was er altijd tweedracht tussen de Joden van Jeruzalem en deze van Samaria. De schrijver van het bijbelboek  Jezus Sirach, acht de Samaritanen zelfs geen eigenlijke aanbidders van Jahwe, geen echt volk, het zijn gewoon stompzinnige mensen die Sichem bewonen: “Twee volken verfoei ik en het derde is geen volk: de bewoners van Seir, de Filistijnen en het dwaze volk dat in Sichem woont” (Sir. 50,25-26).  In de tijd van Jezus was onder de Joden het woord Samaritaan blijkbaar nog erg beledigend, zoals ondermeer blijkt uit Joh. 8,48:  “Hierop antwoordden de Joden ‘Hebben wij niet gezegd dat U een Samaritaan bent en van de duivel bezeten’?” (naar Terre Sainte sept.-oct. ’04 p. 280).

 

EEN BEKEERLINGE OP WEG
(citaat)

“De godsdienst wordt pas een levende realiteit wanneer hij invloed begint te krijgen op onze dagelijkse gedragingen. Sinds de figuur van Christus een plaats in mijn leven heeft ingenomen, lijkt het me toe dat ik geestelijk een heel klein beetje vooruit ben gegaan” (uit: Umm-el-Banin in ‘Ik verkoos opium’. Desclée De Brouwer p. 79).

“De innerlijke strijd tussen de atheïst en de gelovige in Jacques Levy is geëindigd met de nederlaag van de atheïst. Levy verklaart nadrukkelijk, dat hij tenslotte met zijn verstand gelooft aan de dogma’s van de katholieke leer: aan de godheid van Christus, aan de Onbevlekte Ontvangenis, in één woord: aan alle dogma’s. Deze man, die eindeloos veel intelligenter is geweest dan ik ben…” (id. p. 102).

“Al mijn pogingen zijn er op gericht om mezelf te verliezen in die afgrond (‘van licht die Christus is’, zoals Kafka zegt) en ik heb er verdriet over dat ik het zo slecht doe. Hoe dikwijls heb ik al niet gezegd: “Christus, ik heb u lief!” En altijd voeg ik er weer aan toe: “Maar wat heb ik u slecht lief!” (ibid. p. 221).

 

HELP JE ME EVEN DRAGEN?

Getuigenis over de Sociale Dienst van de Brugse Poort te Gent

Johan Van Troos, Zulte, Gemeenschap Maria-Kefas

 "Help je me even dragen?”
- vroeg ik aan een voorbijganger -
“het leven is zo zwaar…”
Hij knikte,
liep een eindje mee.
Hij liet de storm bedaren
en ik wandelde over zee.

Dit tekstje hangt aan de muur van ons staflokaal. Het geeft een stukje weer wat wij als dienst ‘proberen’ te doen. Een dienst die ‘probeert’ te werken aan kansarmoede.

Eén verhaal tussen de zovele:

Een alleenstaande jongeman (35) heeft in zijn jeugd weinig moederliefde ervaren: ouders gescheiden, moeder uit de ouderlijke macht ontzet, geplaatst in verschillende pleeggezinnen en instellingen.  Het ging van kwaad tot erger… Heel wat relaties liepen stuk. Na een arbeidsongeval werd hij bovendien ook werkloos. Het huis dat hij gekocht had, kon hij niet meer afbetalen. En toen zijn vriendin wegliep met alle inboedel, stortte zijn wereld in elkaar. Uiteindelijk is hij bij ons terecht gekomen. Eerst als vrijwilliger, later als tewerkgestelde via het OCMW.

Heel wat mensen hebben te maken met eenzaamheid. Vaak hebben ze geen doel meer in hun leven. Dit kan allerlei oorzaken hebben. Een langdurige ziekte of een ongeval kan werkloosheid als gevolg hebben. Mensen tellen niet meer mee als ze te oud zijn voor de arbeidsmarkt of ongeletterd zijn. Vaak zorgt een te hoge werkdruk voor veel stress zodat mensen het arbeidsritme niet meer aankunnen.

We kunnen aan deze mensen een alternatief bieden. We kunnen hen, heel vrijblijvend, uitnodigen mee te werken aan het gebeuren van de kringloopwinkel, verbonden aan onze sociale dienst. Daar kunnen ze, door middel van het vele werk dat er verricht kan worden, een stukje zinvolle invulling geven aan hun leven. Zo kunnen ze ’s morgens opstaan met een doel, en ’s avonds huiswaarts keren met de bevestiging: Ik heb vandaag iets gepresteerd, ik voel mij goed, mijn leven heeft weer betekenis. Mensen leren ook medemensen kennen, die vaak in een gelijkaardig situatie verkeren. Ze luisteren naar elkaars verhaal en kunnen daar kracht uit putten.

Met deze mensen een eindje mogen meegaan, even helpen dragen... het is een voorrecht dit te mogen doen.

 

DE HEER VERTROOSTEN IN TERMINAAL ZIEKEN

Micheline Laloux-Lepère, Gent

Michèle Lepère helpt bij het liturgisch bloemschikken in de Redemptoristenkerk in de Voskenslaan te Gent. Zij brengt hier een getuigenis van haar werk als vrijwilliger in de palliatieve afdeling van A.Z-St.-Lucas te Gent.

De rol van het zorgteam van de Palliatieve Zorgen is: een verbinding te vormen tussen enerzijds de zieke die zich aan het einde van zijn levensweg bevindt en anderzijds de familie. De stervende heeft inderdaad nood aan zulk een aanwezigheid van ieder moment, waartoe de familie de mogelijkheden niet heeft om deze permanente dienst in te vullen. Anderzijds stellen we vast dat de zieken zich blijkbaar thuis voelen in deze palliatieve dienstverlening.

Het interieur van deze Palliatieve afdeling in St.-Lucas vertoont helemaal niet het uitzicht van een kliniek. Van zodra men er binnentreedt staat men verwonderd over de sfeer die er heerst: voor zijn laatste de levensetappe is alles erop gericht aan de patiënt een warme, rustgevende en aangename ambiance te bezorgen. Het is als het ware reeds een open deur naar het eeuwige koninkrijk.

Gedurende de twaalf jaar dat ik mij mee inzet om hun een beetje welzijn te bezorgen, heb ik een hele evolutie gezien en heel wat verbeteringen die gezocht en aangebracht werden om de patiënten in staat te stellen deze terminale fase te beleven in welzijn en omringd door veel zorg en liefde. Zeker, deze dienst is op het medische vlak gestructureerd door een Geneesheer-oncoloog, een hoofdverpleegster, omringd door andere verpleegsters en verzorgingshelpsters, die instaan voor de zorgen rond de zieken volgens een aanwezigheidsbeurtrol. Verder een voltijds psycholoog en secretaressen die het administratief beheer verzekeren. Daar bovenop zijn er dan de vrijwilligers (ongeveer zestig personen), die zich volgens een rolsysteem verdelen voor de maaltijden, het toezicht en andere taken zowel tijdens de dag als ‘s nachts. Ik ontmoet er veel edelmoedigheid, toewijding, liefde en zelfvergetelheid. Er worden regelmatig seminaries georganiseerd om al dit personeel te helpen in deze delicate taak.

Welke rol moet het verzorgingspersoneel nu vervullen ten overstaan van de problemen die de patiënten zowel als hun familie doormaken?

Door hun functie dragen de begeleiders hun morele en psychologische steun bij om de stervenden in staat te stellen beter de ogenblikken van droefheid te kunnen dragen, vooral wanneer ze een diepe pijn ervaren ten overstaan van de fatale afloop en de scheiding van hun dierbaren. De voorbereiding op de dood moet beletten dat ze in wanhoop terechtkomen. Zij zoeken naar een zin voor het leven en ... voor de dood want zij komt onvermijdelijk en hun persoonlijke overtuigingen laten hen in de steek. Maar zij worden 24 op 24 uur omringd in deze meer dan moeilijke ogenblikken. Door onze houding, onze woorden en onze glimlach ontvangen zij onze hulp, ons luisteren, onze aanmoedigingen om hen bijna onmerkbaar een levenshoop te doen ontdekken bij de overstap naar de overkant.

Welnu, om een nog aangenamer sfeer te scheppen is er het aspect versiering van deze afdeling. Vijf of zes dames hebben de taak te decoreren, op te smukken, te vernieuwen. Zelf draag ik ook bij tot dit werk. Dankzij de talenten van verscheidene fleuristen zijn wij in staat om meerdere keren per week al de bloemenruikers die deze afdeling opvrolijken (kamers, living en gangen) te vernieuwen. Daartoe hebben wij ook een beurtsysteem uitgewerkt.

Om heel deze sfeer nog huiselijker te maken hebben wij een sprekende papegaai die een exotische noot bijbrengt in de afdeling. Temidden van de grote planten fluiten kleine vogeltjes, tegen een muzikale achtergrond die voortdurend heerst tijdens de dienst. Wij hebben zelfs een Labrador-hond, Kiochi, die, heel goed de gedresseerd, kalm door de gangen wandelt en de grote vriend is geworden van de zieken.

Ik moet hier nog aan toevoegen dat de hoofdverpleegster door haar vriendelijkheid, haar bezorgdheid een zeer vriendschappelijke verhouding schept tussen de leden van het actieve personeel, zonder de zachte en discrete zending te vergeten van Zuster Lucienne.

Voor de palliatieve dienst, die uit acht kamers bestaat, met twaalf bedden in totaal, vormen wij één grote familie ten dienste van de patiënten en hun familie om hun leed in de soms moeilijk te dragen momenten te verzachten.

 

GELOOFSMOEILIJKHEDEN - LEVENSPROBLEMEN
DE OMMESLAG IN HET EMMAÜSVERHAAL

Ben Van Vossel cssr

Geschokt of verzwakt in ons geloof

Levend midden in deze wereld moet het je niet verwonderen als je geloof soms op de proef gesteld wordt. Je hoort zoveel, je ziet zoveel, je ontmoet zoveel mensen en levend in een wereld vol ongeloof, vol van allerlei ideologieën kan het gebeuren dat je je afvraagt: Is al wat mijn geloof me zegt wel waar? Is al wat de Kerk me zegt wel waar? Er is immers zoveel veranderd, ook in de Kerk! En als je op de teevee of op de radio al die zelfverzekerde mensen zo neerhalend hoort doen over godsdienst en geloof… dan ga je je toch wel wat vragen stellen.

Er zijn ook die eeuwenoude vragen: bestaat er wel een leven over de dood heen? Bestaat er wel een God? Gaat het geloof niet radicaal in tegen de wetenschap? Is Jezus wel echt verrezen?

Natuurlijk, geloof is nog iets anders dan ‘zien’ en ‘bewijzen hebben’. Geloof is tenslotte vanuit vertrouwen op weg gaan met God,  aanwezig in je leven, Die jou voldoende licht en tekenen geeft om voort te kunnen. Dat vertrouwen groeit naarmate je consequenter met Hem op weg gaat en deze persoonlijke relatie door jou ernstig wordt opgenomen. Soms echter laten we ons geloof wat afzwakken of is ons gedrag niet steeds in overeenstemming met dat geloof. En dan kunnen er twijfels opkomen. Dan ga je je zekerheden wel eens zoeken buiten je geloof.

Hij komt ons tegemoet, maar hoe zit het met onze ogen?

Zo waren er twee, Klopas en zijn vrouw (of zijn vriend want die tweede blijft onbenoemd in de perikoop van het Lucasevangelie 24, 13-35), op weg naar Emmaüs. In Jeruzalem hoefden ze niet meer te blijven. Daar was hun droom over geluk en heil voor hun volk aan diggelen geslagen. De profeet, Jezus van Nazaret, machtig in woord  en werk, was er door hun overheidspersonen overgeleverd aan de Romeinen, Hij was gedood en begraven. Punt. Uit. Tot in de wortel geschokt in hun geloof, zijn ze nu zowat op de dool...

Midden hun ongeloof evenwel komt Christus bij hen, als de geïnteresseerde toevallige voorbijganger, die toch graag bij mensen komt, die met hen meeloopt, belangstellend naar de oorzaak van hun zwaarmoedigheid vraagt en hen daarna uitnodigt om hun ogen open te trekken op de echte betekenis van de Schrift en van wat God hun reeds heeft doen kennen en ervaren. Nu moet jij ook niet gaan denken dat God je zomaar aan je lot overlaat midden je problemen en geloofstwijfels. In het verhaal van de Emmaüsgangers zien we immers dat er een ommezwaai komt.

Waarom blijft de ommezwaai uit?

Er is natuurlijk alles wat de Heer hen doet (in-)zien, de catechese die Hij hun geeft. Maar waar ligt de eigenlijke omslag, de ommekeer, de daadwerkelijke verandering in het gedrag en de houding van de Emmaüsgangers? De uitnodiging van de Heer is immers één zaak, de doorslaggevende, okay! Maar waar ligt de stap die zij zetten en die ze misschien ook konden nalaten zodat heel die ontmoeting toch zonder vrucht zou gebleven zijn?

Wat is er m.a.w. mis met ons als we toch ongelovige of twijfelaar blijven? De Heer doet immers zijn werk op zijn moment. Laat dat gezegd zijn. Hoeveel heeft Hij ons al niet doen proeven van zijn goedheid en zijn leiding, terwijl wij toch even ongelovig, even droevig, angstig, bezorgd en … ongeestelijk blijven.

Moeten er op dat moment misschien al andere vragen gesteld worden? Bijvoorbeeld: waar hebben wij stappen terug gezet op de weg van het heil? Waar hebben wij inderdaad onze kar gekeerd? Waar hebben we de genade voorbij laten gaan? Waar hebben wij hindernissen opgeworpen voor het werk van de genade? Waar hebben wij onze geestelijke ontwikkeling belemmerd (bv. Door gebrek aan naastenliefde, door stichten van onenigheid, door oppervlakkigheid, door wereldse gezindheid, werelds gedrag, cf. Filippenzenbrief 3,18-19: “18 Want velen leiden een leven... ik heb u vaak op hen gewezen, maar nu kan ik er niet dan met tranen over spreken; de vijanden van Christus’ kruis. 19 Zij zijn op weg naar de ondergang, hun buik is hun god, in hun schande stellen zij hun eer, zij hebben hun zinnen gezet op het aardse”)?

Dit alles vraagt toch om enige ernstige bezinning, want het zou spijtig zijn als we door een te wereldse ingesteldheid onze geestelijke ontwikkeling en de groei en stevigheid van ons geloof ernstig zouden schaden of hinderpalen zouden plaatsen.

Wat voorafgaat

Misschien toch even terugkeren naar Kleopas en zijn reisgeno(o)t(e). Welke stap hebben zij gezet opdat ze van ongeloof tot geloof kwamen? Laat ons even naar de tekst kijken in het evangelie van Lucas, hoofdstuk 24.

* 21 En wij leefden in de hoop, dat Hij degene zou zijn die Israël ging verlossen! (Dit is een te aardse verwachting natuurlijk, een te aardse verwachting met betrekking tot Jezus als zou hij gewoon een vrijheidsstrijder zijn tegen de Romeinen).

* Maar met dit al is het reeds de derde dag sinds die dingen gebeurd zijn. (Die ‘derde’ dag zou een belletje moeten doen rinkelen, want dat begrip komt in de Schrift wel eens meer voor als het moment waarop mensen niets meer kunnen uitrichten maar waarop God nog altijd kan ingrijpen)

* 22 Zelfs hebben een paar vrouwen uit ons midden ons in de war gebracht; ze waren in de vroegte naar het graf geweest, 23 maar hadden zijn lichaam niet gevonden. (Dat is toch een zeer ernstig feit, zoiets laat je niet zomaar voorbijgaan zonder een ernstig onderzoek te gaan instellen).

* en kwamen zeggen, dat zij ook nog een verschijning van engelen hadden gehad, die verklaarden dat Hij weer leefde. (Dit is geen klein nieuws meer, maar natuurlijk vraagt dit ook een verder onderzoek, onder meer naar de psychische toestand van die vrouwen)

* 24 Daarop zijn enkelen van de onzen naar het graf gegaan en bevonden het zoals de vrouwen gezegd hadden, (dat is al niet mis; je zou dan wellicht kunnen gaan veronderstellen dat de rest van de beweringen van de vrouwen ook wel waar is. Maar het is natuurlijk nog geen bewijs)

* maar Hem zagen ze niet. (Geen materieel bewijs dus, maar moet dat er wel zijn opdat iets ‘waar’ zou zijn?)

* Hierop volgt dan de catechese door Jezus. Vanuit een sterke vermaning nodigt Hij uit om de ogen te openen op wat God omtrent de Messias (omtrent de identiteit van Jezus dus) echt heeft doen kennen  langs de profeten.

* 28 Zo kwamen ze bij het dorp waar ze heen gingen, maar Hij deed alsof Hij verder moest gaan. Dit kon dan het voorlopige einde zijn.

Het scharniermoment, de beslissende houding

Op het moment dat Jezus zijn woord gezaaid heeft, komt evenwel het kritieke punt waarop de mens te reageren heeft, waarop alles in onze handen ligt. God immers nodigt uit, Hij dwingt niet, Hij verwacht van ons een beslissende stap, en de Emmaüsgangers zetten die:  “29 Zij drongen bij Hem aan: ‘Blijf bij ons, want het wordt al avond en de dag loopt ten einde’ .”

Hier ligt dan mijns inziens de pointe van het Emmaüsverhaal, althans voor zover het ons eigen verhaal is van de overgang van ongeloof naar geloof, van geloofstwijfel tot vernieuwd geloof. Nadat Gods woord heeft geklonken, moet de mens een antwoord geven. Nadat de mens betgrijp of vermoedt dat hijzelf ten einde raad is, dat het licht alleen van de Heer kan komen, op dat ogenblik moet de mens roepen op God, bidden om licht, smeken dat God nabij wil komen, nabij wil blijven.

* En de reactie van de Heer is in het Emmaüsverhaal onmiddellijk, direct, Hij laat hen de tijd niet meer om nog te gaan twijfelen of hun uitnodiging in te slikken: “Toen ging Hij binnen om bij hen te blijven”. Zo is God.

En dan volgt al de rest

* 30 Terwijl Hij met hen aanlag nam Hij het brood, sprak de zegen uit, brak het en reikte het hun toe.

Het is dus geen gewoon gezellig samenzijn van de Heer met zijn leerlingen die aan het gelovig worden zijn. Hij voert hen binnen in die mysterieuze aanwezigheid, in die blijvende aanwezigheid en gemeenzaamheid met Hem door het geloof, doorheen de tekenen van het geloof. 

* 31 Nu gingen hun ogen open en zij herkenden Hem.

Die mysterieuze aanwezigheid van de Heer, dit in tastend geloof rond Hem samenkomen, dit in tastend geloof naar Hem luisteren, dit in tastend geloof op Hem roepen (Heer, blijf bij ons) worden tenslotte oorzaak van groeiend geloof en inzicht in de ware identiteit van Jezus en inzicht in zijn Mysterie (De Gekruisigde is de Levende die door hen werd herkend aan het breken van het brood).

Wat betekent dit nu concreet?

Tot welke stappen nodigt dit woord concreet uit? Hoe situeert zich dit in ons concrete leven? Bijvoorbeeld met betrekking tot twijfels rond het voortbestaan doorheen de confrontatie met het overlijden van mensen, of midden beproevingen in ons persoonlijk of familiaal leven.

Het is een uitnodiging tot ieder van ons om in concrete omstandigheden deze beslissing te nemen: naar de Heer gaan en bidden … tot Hij licht, kracht, uitzicht, bemoediging schenkt. (Cf. o.m. het boek “Ik verkoos opium” van Umm-el-Banin.)

 

KERKFONDS Baghdad

Op 16 oktober 2004 werden 5 kerken in Bagdad ernstig beschadigd, evenwel zonder dat er slachtoffers te betreuren vielen. De ontploffingen vonden plaats in de tijdspanne van anderhalf uur. Dat ‘ernstig beschadigd’ geldt zeker St.-Georgiuskerk, een vrij mooi Griekse kerkje, waarvan 3 muren als het ware weggeblazen werden en het inwendige van de kerk door brand ernstig werd geteisterd. De Chaldeeuwse christenen (een christelijke groep die eeuwen vóór de Islam daar reeds aanwezig was en waarvan de mensen onderling een taal spreken die nauw verwant is aan het Aramees, de taal van Jezus, een kerk die trouwens verenigd is met de Kerk van Rome) zijn niet bij de pakken blijven zitten. Ze hebben hun kerk zoveel mogelijk bruikbaar gemaakt voor de liturgie en zijn de eerste stutwerken begonnen. Het herstel van de kerk zal echter zo’n 300.000 Euro belopen. Het is duidelijk dat die vrij arme bevolking daar op dit ogenblik niet voor kan instaan. Links en rechts zijn er reeds steunacties ondernomen. Wij willen ook onze lezers de kans geven deze kerk, waar de Redemptoristen Lucien Cop en Vincent Van Vossel de zorg voor hebben, te steunen door een financiële bijdrage. De bedoeling is niet om iets te ondernemen tegen een bepaalde godsdienst, maar gewoon deze christenbroeders te helpen in hun nood omwille van de gewelddadige situatie in hun land. Eventuele bijdragen kunnen gestort worden op Bankrekening: 892-5905324-50 van Geloof en Leven vzw, Voskenslaan 56, 9000  GENT met als vermelding: “Steunfonds Kerk”. Laat deze steun vergezeld gaan van uw voorbedegebed om moed, volharding en de vrede des harten voor onze missionarissen en hun christenen. Bij voorbaat dank.