INHOUD - ACTIVITEITEN - NIEUW - KINDEREN - BIJBEL - DIAPRESENTATIES - GEBEDSGROEP - PARAY L.M. - MARIA-KEFAS - PREKEN - REDEMPTORISTEN - THUISPAGINA - NADENKERTJES - NUMMERS - LITURGIE - ROEPING - GEZIN - JONGEREN - GETUIGENISSEN - ETHIEKHAHAHA - BOEKEN - MARIA - VORMING - ZENDING - KERK - CHRISTENUITZICHT - INFO - MEDIA - GEZONDHEID - SPIRITUALITEIT - PINKSTERSPIRITUALITEIT - VERHALEN - KUNST - BEZINNINGEN -   GRIEKSE KERK BAGDAD -  WETENSCHAP - JEZUS - GEBED - SOCIALE INZET -

GELOOF EN LEVEN JG. 2004 NR 3

Wat ‘Pinksteren’ betekent   Magda De Wilde, Gemeenschap Maria-Kefas

Een preconciliaire zegen   John Henry Newman     

De heilsverkondiging   paus Johannes Paulus II

De Franciscaan van Bourges (4)   André Gérardy Gemeenschap Maria-Kefas  

Hij zag en geloofde (2) Een seminarist.   bvv  
De eerste missievlucht naar Kongo (19)     Jozef Boon cssr                  

Het drama van Vlierbeek  (2)   Louis Vercammen cssr 

Vroegere Kongomissionarissen (5). p. Isidoor Goedleven  door Hugo Gotink cssr  

Mededelingen   Gemeenschap Maria-Kefas  

Lichaam en hart in onze relatie met God (2)   Ben Van Vossel cssr 

Katechismus van de Katholieke Kerk (29)   De Kerk is één.    Résumé 

De “Passie” en de “Gospa”      Zr. Emmanuela (Gem. vd. Zaligsprekingen)     

8 mei :  Samen voor Europa” (Stuttgart 2004)     naar notities      

Boekennieuws 
Japanse echo’s    Ludo Henderickx, broeder van Liefde 

Gerardus   Patroon van de kinderen en de moeders in verwachting

Kerk en Antisemitisme   Vaticaans Concilie II (Nostra Aetate) 

Bidden voor Darfour 

WAT PINKSTEREN BETEKENT

Magda De Wilde. Gemeenschap Maria-Kefas

“Weet u wat Pinksteren betekent”?
Dit was een vraag die tijdens de koffiepauze op het werk even aan bod kwam. Antwoorden: ‘Het heeft iets met God te maken, wat precies weet ik niet’ en ‘We krijgen er een vrije dag voor.’
Weinig mensen, ook christenen, weten nog wat Pinksteren eigenlijk betekent. Nochtans is het voor ons christenen een heel belangrijk feest.  Pinksteren: de Heilige Geest is over ons uitgestort!

De mensen in Jeruzalem vroegen de apostelen: ‘Wat moeten wij doen mannen, broeders?’
Petrus antwoordde hen: ‘Bekeert u en ieder van u late zich dopen in de Naam van Jezus Christus, tot vergeving van uw zonden dan zult gij als gave de Heilige Geest ontvangen.’ (Handelingen 2,38)

En in hfdst 4 vers 31 staat: “Zij werden allen vervuld met de H.Geest en spraken het woord Gods met vrijmoedigheid.”
Dit zou wel eens een belangrijk kenmerk van de werking van de H.Geest kunnen zijn, vooral ook in deze tijd: het woord Gods spreken met vrijmoedigheid.

Mannen , broeders, wat moeten wij  doen?
Een vraag die vandaag ook door velen zou kunnen gesteld worden en die, heel waarschijnlijk, dikwijls in stilte, in eenzaamheid, in nood, ook gesteld wordt: ‘Wat moet ik doen, wie kan mij helpen, waar vind ik een uitweg en hoger leven voor mijn geest?’ Mensen weten soms bijna niets meer af van wat het christelijk geloof in zijn essentie, in zijn grote waarde voor ons leven inhoudt.

De apostelen zeggen hen wat ze moeten doen, zij preken, zij verkondigen het christelijk geloof, tot welzijn van hun naasten. En zij bidden met ongelovigen, leggen hun de handen op, staan hen geestelijk bij en op hun beurt worden die mensen vervuld met de H.Geest.

Het woord Gods spreken met vrijmoedigheid.
Wij mogen God dankbaar zijn wanneer wij wellicht tot die minderheid behoren die wel weet wat Pinksteren betekent, christenen die de kracht van Gods Geest in hun leven mogen ervaren, christenen die vorming krijgen in en rond hun christelijk geloof, zoals de apostelen vorming ontvingen van Jezus en de H.Geest. De apostelen gaven dan op hun beurt anderen vorming vertelden van hun eigen ervaringen.

En dan bots ik op die vraag: durf ik ook het woord Gods spreken met vrijmoedigheid tot hen die niet weten wat ze moeten doen?

           

EEN PRECONCILIAIRE ZEGEN

John Henry Newman

Rijkdom van oude ceremoniëlen
Je hebt mensen die heimwee hebben naar hoe het er vroeger aan toe ging. Sommigen zweren nog bij Latijnse mis, en zelfs de mis met de rug naar het volk enz… Dat is hun goed recht, al is het best van je toch wat af te stellen op hetgeen de Kerk sedert het 2de Vaticaans concilie heeft geleerd. Hier geven we evenwel een preconciliair stukje van (de latere kardinaal) John Henry Newman, toen priester van het Oratorium, een bekeerling uit het Anglicanisme die het na zijn bekering opnam voor de katholieken, die door de officiële Anglicaanse kerk nogal belachelijk gemaakt werden op een vaak goedkope en lichtzinnige manier. Ik geef dit stukje om iets van de rijkdom van oude ceremonies te laten aanvoelen, maar dan eerder als uitnodiging om ook vandaag de diepte van kerkelijke symbolen en ceremonies en hun werkelijke inhoud binnen te treden. Het handelt over de zegen met het heilig Sacrament wat vaak gebeurde op het einde van het lof (een vrij korte ceremonie die lange tijd ook op gewone parochies in gebruik was en zoals wij het in de Voskenslaan (56) te Gent nog elke zaterdagavond doen (18.45 u.) op het einde van de Verrijzenisvespers).

De zegen met het 'Allerheiligste'
“Ik behoef u niet te zeggen, mijn vrienden, dat de zegen met het Allerheiligste een van de eenvoudigste plechtigheden der Kerk is; de priesters komen binnen en knielen neer. Een van hen ontsluit het tabernakel, neemt het Heilig Sacrament eruit, zet het rechtop in een monstrans van edel metaal, en plaatst deze dan hoog boven het altaar tussen brandende kaarsen, zodat allen het kunnen zien (nl. de geconsacreerde heilige hostie in de monstrans). Dan begint het volk te zingen. Intussen biedt de priester knielend de Koning des hemels tweemaal wierook aan. Daarna neemt hij de monstrans in de handen, richt zich naar het volk, zegent de mensen kruisgewijs met het Allerheiligste, terwijl een der aanwezigen een belletje laat rinkelen om de aandacht te richten op de plechtigheid. Het is de plechtige zegen van de Heer over zijn volk, zoals Hij persoonlijk eens zijn handen ophief over de kinderen, of zoals Hij zijn apostelen zegende toen Hij opsteeg van de Olijfberg. Evenals kinderen ’s avonds vóór het naar bed gaan voor hun ouders komen, zo komen de leden van het grote katholieke gezin eenmaal of tweemaal in de week na de drukte en het zwoegen van de dag vóór de eeuwige Vader; en dan lacht Hij hun toe en stort over hen het licht van zijn aanschijn uit. Het is de vervulling van wat de hogepriester afriep over de Israëlieten: “De Heer zegene u en behoede u; de Heer doe zijn aanschijn over u lichten en zij u genadig; de Heer wende tot u zijn gelaat en schenke u de vrede”. Zou er wel een ontroerender gebruik kunnen bestaan, zelfs naar het oordeel van degenen die er niet in geloven? Hoe vaak moet niet iemand die niet katholiek was, bij het zien daarvan hebben gedacht: “Och, kon ik het maar geloven!”, wanneer de priester de Bron van alle genade opheft, en het volk zich diep in aanbidding neerbuigt! Het is werkelijk een van de schoonste, natuurlijkste en meest kalmerende handelingen van de Kerk.”

 

DE VERKONDIGING VAN HET HEIL

paus Johannes Paulus II (22.11.2003)

“De verkondiging van het heil dat eens en voor altijd aan het kruishout bewerkt werd en dat God aan ieder mens aanbiedt in de verlossende liefde van Christus moeten wij klaar en duidelijk laten horen”

DE FRANCISCAAN VAN BOURGES (4)

André Gérardy, Gemeenschap Maria-Kefas

Deel 4: De uitstraling van Broeder Alfred

In de drie eerste delen vernamen we hoe Alfred Stanke, broeder Franciscaan en bewaker in de Bordiotgevangenis, in allerlei omstandigheden en op risico van zijn eigen leven, vele gevangenen weet bij te staan. Een druppel op een hete plaat, in het verschroeide Europa van 1943?  Of is er toch meer aan de hand ?

Tastbare veranderingen
(…) Al betekende voor een gevangene een persoonlijke ontmoeting met Alfred een ware verlichting, we mogen niet vergeten dat dit voor elk van hen vrij zeldzame en meestal korte momenten waren, omwille van het aantal gedetineerden en ook omwille van de aanwezigheid van andere bewakers of van medegevangenen die misschien niet te vertrouwen waren.

En toch zou er hier iets heel merkwaardigs gebeuren. De gevangenen waren meestal jonge mensen die gelovig opgevoed waren maar die tijdens de laatste jaren hun geloof op de achtergrond hadden laten glijden. De ontmoetingen met Alfred bewerkte bij een aantal onder hen een echte bekering, die zich na enige tijd ook manifesteerde naar andere gevangenen. Zo waren er gevangenen die men van ver hoorde zingen, of die een beeld van Christus op de wanden van hun cel begonnen te tekenen. Niet meteen wat men zou verwachten van iemand die als voedsel slechts om de drie dagen een klomp (beschimmeld) brood krijgt, en die wekenlang als enige gezelschap in zijn cel een aantal bijtende vlooien heeft. Deze authentieke uitingen van hoop maakten veel indruk op nieuwe gevangenen, versterkten het gemoed en de verbondenheid onder hen, en leidden soms zelfs tot de ontdekking van Christus bij mensen die helemaal buiten het christelijk geloof waren opgegroeid.  

Stilaan kwamen ook de Duitse bewakers meer en meer onder de indruk van hun collega Alfred, en van alles wat ze zagen, en begonnen van houding te veranderen. Ze brachten respect en begrip op voor de gevangenen, en lieten, al was het maar in de mate dat het onopgemerkt kon, de nazistische richtlijnen achterwege. Ze lieten bijvoorbeeld soms toe dat bezoeken van familieleden veel langer dan reglementair duurden, of trokken zich uit die ruimte terug. 

Maar niet enkel binnen de Bordiot gevangenis was er iets te merken, uiteraard ook vele familieleden en vrienden van de gevangen wisten van de “Franciscain de Bourges”, meestal via de gedetineerden zelf maar ook, in heel wat gevallen doordat het Broeder Alfred zelf was die hen in eerste instantie op de hoogte kwam brengen van de toestand van hun geliefde, van wie ze al zo lang zonder nieuws waren. Hierbij moest Broeder Alfred telkens eerst een muur van wantrouwen weten te doorbreken, wanneer hij als Duitse soldaat bij die mensen verscheen, en gehinderd dat hij was door zijn heel beperkte kennis van de Franse taal.

Op 4 april 1944 slaat het nieuws als een ramp in de Bordiot gevangenis: Alfred wordt gemuteerd naar Dijon! En wel als gevolg van een promotie! Toch blijkt dit achteraf geen catastrofale gevolgen te hebben op de toestand van de gevangenen, gezien de duurzame band die Alfred tussen de bewakers en de gedetineerden heeft weten te smeden, integendeel, Alfred begint nu in de gevangenis van Dijon hetzelfde werk op te zetten.

Gevangenbewaker wordt gevangene
Enkele maanden later vindt in de levensweg van Broeder Alfred een bijzonder merkwaardige wending plaats, die de diepte van zijn keuze voor de Heer op een treffende wijze zal aantonen.  Terwijl de geallieerden dit deel van Frankrijk bevrijdden, had hij zonder enige moeite zijn post van bewaker kunnen verlaten en onderdak kunnen vinden bij de mensen voor wie hij zoveel had gedaan.  Maar de werkelijkheid is helemaal anders, zijn Franse vrienden vonden hem nergens. Hij vergezelt als verpleger binnen het Duitse leger de troepen op de terugtocht, hij verzorgt in die nieuwe situatie - nieuw voor de wereld, maar blijkbaar niet voor hem -  de medesoldaten in nood, ondanks het gevaar dat hijzelf daarbij loopt.  Op 15 september 1944, met een konvooi gekwetsten, wordt hij gevangen genomen door Franse weerstandstrijders die niets over hem wisten. Ook nu doet hij niets om zich bij hen kenbaar te maken.  Hij wordt samen met de andere Duitse soldaten vastgehouden, kent kampen in Frankrijk, in Noord Afrika en tenslotte in de Verenigde Staten, in Arizona en Idaho.  Heel die tijd beleeft hij het regime van de krijgsgevangene, en blijft hij zich inzetten voor de mensen rondom hem, in dezelfde geest als toen hij bewaker in de Bordiot was. Twee zaken blijven hem daarbij nog pijnlijk bezighouden, namelijk het lot van gevangenen van Bourges en Dijon van wie hij geen nieuws had en voor wie hij het ergste vreesde, en de beelden van de ondertussen bevrijde concentratiekampen.  Tijdens heel die tijd bleven mensen uit Bourges naarstig naar hun “Franciscain” zoeken.  Nadat ze wisten dat hij gevangen zat, deden ze alles wat ze konden om hem te laten bevrijden, hetgeen uiteindelijk lukte op 18 juni 1946.       (Vervolg in volgend nummer) 

 

“HIJ ZAG … EN GELOOFDE” (2)

2. Een theologiestudent

bvv

Zoeken naar uitweg uit geloofscrisis
Het was een vrij normale opleiding tot het priesterschap binnen de Rooms-katholieke kerk die ik meemaakte. Na mijn noviciaat bij de Redemptoristen had ik twee jaar filosofie achter de rug. Na het eerste jaar Theologie (godgeleerdheid) zouden we dan een jaartje naar het leger moeten voor onze (uitgestelde) militaire dienstplicht; daarna zouden nog enkele jaren theologie volgen en, na de priesterwijding, een jaar pastorale voorbereiding op het eigenlijke apostolaat. Nu zat ik evenwel in het eerste jaar theologie. Een gelegenheid om wat dieper over het (en mijn) geloof na te denken. Dat moet ik dan nogal gedaan hebben, want almeteen, van de ene dag op de andere, vroeg ik me af of heel dat geloof en alles wat de Kerk ons leerde wel waar was. Het was bijna zoals bij een tiener die zich de (schijnbaar) logische vraag stelt: ‘ze’ hebben ons in Sinterklaas laten geloven, in kabouters en in de klokken van Rome (die, jawel, paaseieren aanvoerden), hebben ‘ze’ ons al de rest ook niet gewoon wijsgemaakt? Ernstiger gezegd: Welke zekerheden hebben we eigenlijk om het bestaan van God, de leer van en over Christus, heel het christelijke geloof voor waar en betrouwvol te aanvaarden?

Ik liep die dagen rond met een zwaar hart, er was een lamp uitgegaan, de lamp van een God en Vader die je vertrouwen kunt, van een Heiland die voor mij zijn leven had gegeven om mij naar het geluk te voeren, van een kerk die - bezield door de Geest, de Helper - een rijkdom in haar schoot draagt van sacramenten en van te vertrouwen uitleg omtrent openbaringsgegevens. Een ‘vriendelijk licht’ was gedoofd. De wereld zat voor mij in het duister. Alles leek zo onzeker en betwijfelbaar.

De vanzelfsprekendheid van het evangelisch getuigenis
Ik zocht naar een uitweg in de Schrift, waarin ik graag en vaak las. Zo was ik op een avond doorlopend aan het lezen in de Handelingen van de apostelen. Jezus’ afscheid, Pinksteren en de eerste christenen, het bedrog van Annanias en Saphira. Bij dat laatste vroeg ik me reeds af: vertellen ze dat nu om de rest van de groep schrik in te boezemen, best mogelijk, maar waarom zetten ze dat op schrift zodat ook nieuwe christenen (die je toch nog wat wil aantrekken met positieve zaken van je groep) en zelfs buitenstaanders dat onder ogen krijgen? Ik bedoel: die onvolmaaktheid, die zwakheid in eigen rangen, dat siert een groep toch niet. En dan dacht ik aan al dat soortgelijke dat de Evangeliën en de brieven verhalen: over Judas, de verrader, over Petrus (de latere aanvoerder) die zijn Meester verloochende, over de apostelen die keer op keer onder elkaar zitten te twisten over wie van hen wel de voornaamste is (in feite een troep kleine kinderen bij elkaar!), over hun onbegrip en al te aardse verwachtingen, over een Messias die verworpen wordt en compleet ten onder gaat …

En het werd volmaakt stil...
Je zal het wonder vinden, maar toen ik dat alles las en al die kleinheid en dat alles waarop je niet groot kunt gaan begon te overdenken werd mijn hart warm en blij in plaats van ontmoedigd. Immers, een groep die over zichzelf al die kleinheid zomaar zit te vertellen en over te leveren, die heeft geen bedrog op het oog, die is rechtzinnig en betrouwbaar! Daar kan je op voort! Dat was het paradoxale inzicht dat ik daar kreeg.  Laat ze dan nog een aantal zaken weergeven in de taal van hun tijd en in beelden van hun tijd en hun cultuur, maar de kern van wat ze vertellen is ontegensprekelijk waar! Het is wonder, het was eigenlijk maar een kleine kaarsje dat werd ontstoken, maar in mijn hart gingen alle lichten plots weer aan. Zoals in een groot stadium, waar een kleine vonk alle lichten en spots zou ontsteken. Dat kleine inzicht bewerkte een plotse zonsopgang: “Indien wat ze daar schrijven waar is, echt waar is, en dat geloof ik nu echt, dan is al de rest ook waar, alles wat ze in de loop van de kerkgeschiedenis hebben overgeleverd, alles wat die kerk, gebouwd op de apostelen en gewild door de Heer, heeft doorgegeven”. Die simpele ervaring, dat eenvoudige inzicht, deze genade vanuit het lezen van de Schrift, werd voor mij een zekere en onaantastbare basis waarop mijn geloof zich verder heeft kunnen ontwikkelen. Prijs de Heer!

 

HET DRAMA VAN VLIERBEEK (2)
een brokje kerkgeschiedenis...

door Louis Vercammen cssr

Wat voorafging
In 1713 veroordeelde Clemens XI met de constitutie Unigenitus 101 stellingen van de Franse oratoriaan Quesnel, een volgeling van de stellingen van Jansenius. Uit de verwerping van de Bul ontstond onder meer de afgescheurde oud-katholieke kerk van Utrecht. Pieter Paradaens, op 16 mei 1699 tot abt gewijd van de benedictijnenabdij van Vlierbeek bij Leuven, beloofde wel schriftelijk onderwerping, gehoorzaamheid en eerbied aan de aartsbisschop en diens opvolgers, maar  werd toch de spil van het verzet tegen de pauselijke beslissing. Hij sleurde niet alleen eigen onderdanen mee, maar ook veel geestelijken.  Benedictus XIII  drong er bij Karel VI in Wenen aan om in te stemmen met een apostolisch bezoek te Vlierbeek. De kapucijn Karel d’Espinosa, pas benoemde bisschop van Antwerpen en een gematigd man, moest dus op weg, op bevel van de landvoogdes Maria Elisabeth (3 juli 1728). Hij werd bijgestaan door twee theologen van Leuven (Dubois en Delvaux ; Wilmart trad op als secretaris-notaris).

proces

Kerkelijk bezoek
Op woensdag 7 juli 1728 om één uur ‘s nachts uit Brussel vertrokken en begeleid door soldaten, kwam de bisschop te Vlierbeek aan rond half zes ‘s morgens. Juist op tijd trouwens, want de abt stond op het punt de plaat te poetsen. Nog in reiskostuum gekleed dook hij gauw zijn bed in, zogezegd ziek zijnde. Sedert vier maanden was hij maagpatiënt. Na inzage van het bevelschrift van de aartshertogin noemde hij de visitatie een onwettelijke maatregel, die hij niet kon aanvaarden als strijdig met zijn ambt en privilegies. Eerst weigerde hij het kapittel bijeen te roepen, maar moest uiteindelijk zwichten. Daar deed de bisschop lezing geven van het decreet van Maria Elisabeth en vroeg aan de monniken of zij de visitatie wilden aanvaarden, eraan toevoegend dat zij het verplicht waren, zo niet werden ze beschouwd als ongehoorzaam aan Zijne Majesteit de keizer. De abt en Medard Stegemans weigerden kordaat; Karel Staes, Willem Liessens en Anselm de Moor aanvaardden onder voorwaarde. De elf anderen waren opgetogen. Toevallig afwezig waren Romein van der Doodt en Filip Cleymans.

Inspectie
De bisschop liet de sleutels van de buitenpoorten brengen en wachtposten opstellen. Het was de monniken verboden de abdij te verlaten, te spreken, te schrijven noch het minste te ondernemen wat de visitatie zou kunnen schaden. Dan ging hij alle kamers inspecteren, te beginnen met die van de abt. Die was zo kwaad dat hij assessor Dubois een vuistslag toediende. Alles was evenwel opgeruimd, behalve in een boek een bezwarend los blad, door de abt geschreven en vergeten weg te doen.

Ontsnappingspoging
Tijdens de rondgang in de bibliotheek trachtte Paradaens er zelfs vanonder te muizen. Hij had door zijn knecht de karos uit de remise laten halen en inspannen. De poorten naar Kessel en Linden waren al opengebroken. Maar een wachtpost had hem opgemerkt en de bisschop verwittigd. Samen met zijn helpers kon deze de vluchteling bijtijds tegenhouden en met geweld terugbrengen naar het abtskwartier. Terstond vorderde d’Espinosa vier sergeanten van de stad Leuven en zes apparitoren van de universiteit als bijkomende bewakers. Een bijgeroepen dokter stelde vast dat de ziekte van de abt niet erger was dan tevoren.

Geen onderwerping
‘s Anderendaags om half zes ‘s morgens liet men Paradaens ontbieden, maar hij weigerde onder het voorwendsel dat hij te ziek was. Daarop ging het gezelschap naar zijn kamer en vond hem in reisgewaad te bed. Alvorens te antwoorden op de vele vragen en beschuldigingen, protesteerde hij nogmaals met klem. De meeste klachten ontkende of minimaliseerde hij. Op 12 januari 1722 had hij een brief geschreven aan zijn neef Bruno Schenaerts, kartuizer te Roermond, waarin hij zich ‘op schandelijke wijze’ had laten gaan. Een afschrift was bij het dossier gevoegd. Ontkennen kon hij niet, wel gaf hij toe onvoorzichtig geweest te zijn, in de mening dat de brief niet bestemd was voor publicatie. Hij loochende evenwel onder ede formeel ooit iets gezegd of gepreekt te hebben tegen de bul Unigenitus. Maar toen hem gevraagd werd zich simpel en oprecht te onderwerpen aan de pauselijke documenten, antwoordde hij dat hij ze in geweten niet kon aanvaarden. Vermoedend dat de abt meineed had gepleegd door onjuiste antwoorden te geven, trachtte de commissie hem te overtuigen van zijn dwaling. “Ik beleefde weinig genoegen aan mijn voorstellen, schrijft d’Espinosa, hij volhardde in zijn weigering.”

De anderen
De afwezige Cleymans werd algemeen beschouwd als de meest verdorven en felste sectariër. Schriftelijke bevelen van de prior om terug te keren bleven zonder gevolg. Affiches werden aangeplakt te Vlierbeek, Leuven en Turnhout. Hij achtte het geraadzamer ‘zijn kat te sturen’.
Dagenlang werden de monniken een voor een verhoord en gevraagd het formulier te onderschrijven. Van de zestien aanwezigen weigerden er drie : Paradaens, Stegemans en De Moor. Vriend en vijand verklaarden echter eensgezind dat de prelaat stellig gepreekt had tegen de pauselijke constitutie en daarbij beledigingen aan de H. Stoel, de bisschoppen en de kerk niet had gespaard. Een van zijn gewraakte uitspraken luidde aldus : “Zij die vrijwillig de bul Unigenitus aanvaarden, zondigen zwaarder dan de joden die de Heer kruisigden.” Zelfs had hij verboden boeken aan de communiteit uitgereikt. Hij gaf onderdak en voerde briefwisseling met beruchte jansenisten, oud-katholieken van Utrecht en gevluchte afvalligen uit binnen- en buitenland. Hij spande samen met de abt van Park en de Leuvense kliek Van Espen (in februari van dat jaar afgezet en naar Maastricht gevlucht), Cinck, Verhulst, Poringo, Colette, Du Thoit, De Fraye, Schoeps, Vanhove. Ook de interne klachten en misbruiken waren niet langer te ontkennen.

Beslissende fase van het proces
Met de resultaten van het onderzoek, gegoten in een lange lijst vragen en grieven, trok de commissie weer naar de abt. Hij loochende alles met de grootste nadruk. Een week na aankomst, de 14de juli om half twaalf ‘s middags sprak Monseigneur de eerste vermaning uit. Een dag later om acht uur ‘s morgens nieuw gesprek en aansporing tot onderwerping. Hij week geen duimbreed, omdat hij de pauselijke leer niet kon overeenbrengen met de Schrift, de kerkvaders en de concilies. Daarop volgde een tweede vermaning. Vrijdag 16 juli om zes uur ‘s morgens laatste kans om in te binden. Vergeefse moeite. Nogmaals ontkende en verwierp hij alle beschuldigingen, nogmaals protesteerde hij met de grootste heftigheid, beriep zich op de hoogste instanties en eiste een algemeen Concilie bijeen te roepen. Derde en laatste vermaning. Hij kreeg nog twaalf uur de tijd om de afzettingsprocedure stop te zetten.

            (Vonnis en verdere afwikkeling in volgend nummer)

 

OVERLEDEN KONGOMISSIONARISSEN (5)

5. Pater Isidoor Goedleven (1865-1919)

door p. Hugo Gotink in Mémorial 22 mars

Pater Goedleven, Redemptorist, werd te Diest geboren op 13 augustus 1865 en overleed te Brussel op 22 maart 1919. Hij was de zoon van Livin Goedleven en Emilie Van Luyten.

Zijn Humaniora begon hij aan het Klein Seminarie van Hoogstraten, maar na zijn 4de Middelbaar trad hij in  bij de Redemptoristen (15 september 1884); hij deed zijn noviciaat te Sint-Truiden (Steenaert) waar hij op 8 december het kloosterkleed ontving. Op 2 februari 1886 legde hij de kloostergeloften af en werd in 1887 naar het studiehuis te Beauplateau (Tillet in de Ardennen) gezonden voor verdere vorming in het religieuze leven en de studie van filosofie en theologie. In Beauplateau ontving hij de priesterwijding op 4 oktober 1892. Na zijn studies werd hij benoemd aan het huis van Luik, daarna aan dat van Brussel waar hij met succes het “Werk der Militairen” bestuurde; nogal wat redemptoristen hebben zich trouwens bezig gehouden met apostolaat onder de militairen.

Toen de Redemptoristen, in maart 1899, de missieposten overnamen die in Kongo bediend werden door priesters van het bisdom Gent, was pater Goedleven de eerste die op weg trok naar Kongo (6 februari 1899, hij was toen 33 jaar), samen met pater Paquay en broeder Gabriël (Jan Hubert Menten uit Sint-Truiden). Zij kwamen te Matadi aan op 2 maart en belasten zich onmiddellijk met de pastoraal onder de bedienden en arbeiders van de Spoorwegmaatschappij (Compagnie du chemin de fer). Zij bedienden ook het hospitaal van Kinkanda.

Toch strekte zich hun invloed snel uit naar de inlanders, en vanaf 14 mei had pater Goedleven er enkelen voorbereid op het doopsel. In april 1900 deed hij, met twee catechisten, een vrij bewogen expeditie op de noordelijke oever van de Kongorivier (Zaïre), in de bergen die zich op ongeveer drie mijl van de stroom verheffen. Hij ontdekte er een prachtige hoogvlakte, waar zich meerdere dorpen bevonden die nogal bevolkt waren en oordeelde dat het de moeite loonde om daar een apostolaatspost te voorzien voor een nieuw evangelisatiecentrum. Hij had opmerkelijke ontmoetingen met de inlanders, die eerst wel wantrouwend waren maar vlug veroverd werden door de vriendelijkheid en de ruime geschenken van de missionaris. Een interessant verslag van deze tocht werd door pater Goedleven gepubliceerd in “Beweging tegen de Slavernij” (Mouvement antiesclavagiste) van 1900 tot 1902. De vermoeidheden van de reis waren zo groot dat onze ontdekkingsreiziger er bijna het leven bij inschoot. Een zonneslag velde hem in de brousse en hij ontsnapte er maar aan dankzij de toewijding en de bekwaamheid van zijn twee catechisten die hem met de hangmat lieten terugbrengen tot de stroom. Mooie resultaten bekroonden evenwel deze krachtinspanning: de oprichting van de missiepost te Kionzo. Op 26 oktober 1900, verzamelden zich de chefs van een tiental dorpen van de hoogvlakte op de plaats die gekozen werd voor een bijkapel en gaven plechtig, na lange palavers, hun toestemming; zij stonden ook 6 kinderen af aan de missie om daar opgeleid te worden. Vanaf 1902 kreeg Kionzo zijn residerende missionarissen en pater Goedleven werd er de eerste overste.

Hij had mooie verwezenlijkingen op zijn actief, met name de organisatie van de scholen en de bouw van een klooster, dat lange tijd het voornaamste van de streek zou zijn.

Uitgeput door een onafgebroken activiteit moest hij in september terugkeren naar Europa voor een paar maanden, die hij gebruikte om fondsen in te zamelen, maar ook materialen, machines en provisies en klederen voor zijn weeskinderen, zodanig dat hij, voor de terugreis, te Antwerpen inscheepte met 15 kisten met bestemming Kionzo. Die post werd een zeer belangrijk centrum van apostolaat; meer dan 20 bijkapellen hingen ervan af in 1905. Terwijl de nieuwe gebouwen werden opgericht en de invloedssfeer van de missionarissen zich zichtbaar verbreedde, verzekerde pater Goedleven zich van de genegenheid van de bevolking. Toen hij in september 1907 terugkeerde naar België, moest hij de voorzorg nemen de datum van zijn vertrek niet bekend te maken, om zo te verhinderen dat alle zwarten hem niet zouden escorteren tot de kade.

Zijn terugkeer op 23 mei 1908 viel samen met de begrafenis van een ‘gemedailleerde’ chef. Toen de daar aanwezige menigte vernam dat de pater teruggekeerd was, verliet ze onmiddellijk het kerkhof om hem tegemoet te lopen en hem triomfantelijk terug te begeleiden naar de missiepost.

Tijdens zijn verblijf te Kionzo zat pater Goedleven de vergaderingen van de chefs voor waar een verzameling werd gemaakt van de landswetten; het resultaat publiceerde hij in 1910 in de “Revue Congolaise”.

In maart 1907, ten gevolge van de nieuwe periodieke benoemingen in de Belgische Provincie van de redemptoristen, had pater Goedleven trouwens de taak gekregen om de Missie van Matadi (de Kongomissie) te leiden. Hij kon de missie welvarend houden. In 1911, waren er 1250 christenen en 382 doopleerlingen (catechumenen), 305 doopsels en 38 christelijke huwelijken.

Afgezien van de reeds bestaande werken, organiseerde pater Goedleven ook de Vereniging Concordia, die na de godsdienstige plechtigheden, de Senegalese en Gabonese christenen samenbracht in een soort club, die hun ‘deftige’ ontspanning bood. In de loop van die jaren vond hij bovendien de tijd om een interessante en grondige studie te publiceren over het huwelijk in Kongo.

In 1915 werd hij bij de zesjaarlijkse benoemingen aangeduid als overste van Thijsstad. Hij was evenwel niet meer in staat er de prachtige activiteit te ontplooien die men van hem gewoon was. Hij was zonder rustperiode 16 jaar werkzaam in Kongo. Zijn sterk gestel, bevorderd door zijn moedig en optimistisch temperament, had tot dan toe stand gehouden, maar nu werden de tekenen van de slaapziekte meer en meer zichtbaar. Na enkele maanden was het nodig naar Europa terug te keren, maar aangezien België, tijdens ‘de grote oorlog’ bezet door de Duitsers, niet toegankelijk was, begaf hij zich naar Bordeaux. Een vol jaar bleef hij in behandeling in de Pasteurinstituut te Parijs. In mei 1917 kon hij die instelling verlaten. Zijn terugkeer naar Kongo werd door de oversten evenwel afhankelijk gemaakt van een periode van 8 maand zonder terugval. Die tijd bracht hij door te Mirabel, in de Gard, waar hij tijdens die periode de taak op zich nam van aalmoezenier in een opvangsthuis voor epileptici; hij zette zich veel liefde voor hen in maar keek ondertussen uit naar de dag waarop hij weer zou kunnen vertrekken.

De kwaal kreeg hem echter opnieuw in haar greep en toen de wegen na de wapenstilstand (1918) vrij kwamen, was het naar de residentie van de Redemptoristen te Brussel dat hij zich moest begeven. En hij kon zich niet meer herpakken. Op 22 maart 1919 stierf hij, ver van de zwarten, waarvan de herinnering hem nooit meer verliet.

Deze werker van het eerste uur die al de ontzeggingen moest verduren en alle gevaren had gelopen van de heldhaftige begintijd van de Missie, durvend initiatiefnemer en handig organisator, soms impulsief en veeleisend voor zijn medewerkers, maar steeds geleid door een brandend verlangen om het goede te doen, zal een van de meest opmerkelijke figuren blijven de van Kongolese Missie van de Redemptoristen van de toenmalige Belgische provincie.

(Naar : Maurice de Meulemeester, “Les Rédemptoristes de la Mission Congolaise, décédés de 1902 à 1930”. Brussel, 1948, col. 9-12)

 

LICHAAM EN HART IN ONZE RELATIE MET GOD (2)

Ben Van Vossel cssr

 § 2.  het lichaam en de materie:
MOGELIJKE TOEGANGSPOORT TOT GOD

Het klinkt bijna onchristelijk om te zeggen dat het lichaam de mogelijkheid in zich heeft om een grote toegangspoort te zijn tot God. Is God  immers niet de totaal Andere?
Maar zoals het materiële, de natuur, mensen en menselijke woorden door God kunnen gebruikt worden om tot ons te komen, om met ons in contact te komen, zo kunnen wij ook ons lichaam en de materie gebruiken om tot God te komen, dat is de andere kant van het christelijke geloofsinzicht.

1. Het lichaam, materie, symbolen

1.1. Het lichaam een taak geven
Wij kunnen soms beter bidden als we ook ons lichaam een taak geven: bv buigen, knielen, zingen, handen opheffen, handen vouwen…  Het kan ons helpen om in contact te komen met God. Door ons lichaam drukken wij verwachting, openheid, concentratie uit. We kunnen biddend lezen in de H. Schrift, diep gebogen bidden, voorover liggend, of juist achterover als in een gebed van rust: in Gods nabijheid en liefdevolle zorg verwijlen  cfr o.m. Stinissen ‘Bidden met het lichaam’ (Uitg. Carmelitana).

1.2. De materiële omgeving afstemmen op God
Wij kunnen ook de materiële omgeving afstemmen op God: bv. in een kapel bidden, aangepaste muziek, of voor het uitgesteld sacrament, of in een zetel op een rustige plaats, in een geschikte gebedsruimte…

We plaatsen in ons gebedshoekje of vlakbij de deur van onze kamer een icoon, die we groeten bij het binnen- of buitengaan van onze kamer, als een groet van liefde en dank naar God toe.

Met deze voorzieningen dwingen wij God niet om met ons in contact te komen, maar wij stellen onze hele persoon af op de ontmoeting met God. Wij mogen dit zien als een werkzaam zijn, een ademen van Gods Geest in ons, een door God zelf aangetrokken worden zodat wij meer beschikbaar, meer toegankelijk worden voor zijn werking.

1.3. Bidden met symbolen
Verder bordurend op wat we zoëven zegden kunnen wij erop letten hoe wij met bepaalde symbolen kunnen bidden, ons gebed als het ware laten voortduren. In feite is het maar in verlangen, maar we voelen ook dit aan als iets zeer menselijks en tegelijk als een ingaan op het fluisteren, het stille werken van Gods Geest in ons.  De functie van de symbolen: een bloem, een kaars, wierook, zijn materiële zaken die iets uitdrukken van onze dank, onze eerbetuiging, onze lofprijzing, onze blijvende toewijding, ons verlangen om er te zijn voor God.

2. De leegte.

2.1. Tijd vrijmaken
De leegte, dat lijkt niets te zijn, afwezigheid, iets negatiefs, iets of iemand die er niet is. Maar het leegmaken van onszelf, leegte scheppen in onszelf kan juist betekenen dat we openheid scheppen voor iets, voor iemand, voor de ontmoeting met God bijvoorbeeld. Midden de drukte van de dag kunnen wij even stoppen met ons werk, even onze aandacht bewust afwenden van de stress, de hevige activiteit. Daar kunnen we dan bewust de aanwezigheid van God, de aandacht voor zijn glorie, de dankbaarheid ons hart laten binnenvloeien. Een korte blik op het kruisbeeld, de icoon op onze werktafel of aan de muur. Een clic-moment.

Zo kunnen we bijvoorbeeld een dag van bezinning vastleggen elke maand of elke zondag, of ons eens een  halve dag of een paar uur vrijmaken van alles en toewijden aan God.

2.2. Ruimte scheppen in ons streven
Ons leegmaken voor Wil van God door de uitschakeling van de eigen wil en nederigheid, lijkt wel wat te staan tegenover de ‘Spiritualiteit van beneden’ van o.m. Anselm Grün.  Het is een bewuste keuze omdat we ervan overtuigd zijn dat Gods wil aanbiddingswaard is, ver boven onze eigen wil staat als doelgerichtheid. Gods wil is immers gericht op zijn glorie, en Gods glorie is de opgerichte mens. Gods wil staat gericht op ons geluk, het geluk van onze hele persoon. Ruimte scheppen in ons leven voor de wil van God, staat dus ook gericht op het openbloeien van onszelf als persoon.

Maar die  gerichtheid op Gods wil kan ook betekenen dat we heel wat afgeven, onze planning, onze goesting… . Sterven aan onszelf. Jezus noemde dat: “jezelf verloochenen door je kruis op te nemen en Mij volgen”. De weg naar het heil loopt over het kruis, inspanning, onthechting, luisteren. Daar kunnen moderne theorieën en psychologische bedenksel niets aan veranderen. Natuurlijk, ga je vernedering en ingaan tegen je menselijke verlangens niet zomaar cultiveren, niet zomaar tot een doel op zichzelf maken: het hoort thuis in dat overwelvende doel: God dienen door je in te passen in zijn verlangen. Binnen dat verlangen verwezenlijk je je eigen geluk en maak je je leven vruchtbaar voor je medemensen, in verbondenheid met Jezus, boven wiens leven geschreven staat: “Ik ben gekomen om uw wil te doen, uw wil te doen, o God, dat is mijn vreugde” (Hebr.10,7). “Niet mijn wil, maar uw wil geschiede”(Mk 22,42). “Heer, wat wilt Gij dat ik doe?”

2.3. vasten, onthechting en versterving
Vasten, onthechting en versterving kunnen ook een functie hebben voor onze relatie met God en de beleving van ons christelijk leven.
Het zijn geen sympatieke begrippen. Wij steken ons vaak weg achter de dooddoener dat we hoogmoedig zouden worden als we gaan vasten en verstervingen doen.

2.3.1. Jezus en de eerste christenen
In het evangelie lezen we in ieder geval over het vasten van Jezus. Laat die 40 dagen nu symbolisch zijn, er zal in ieder geval een basis van realiteit achter steken.

Anderzijds is er toch het verwijt van Jezus naar de Farizeeën? Dit is echter een onjuiste conclusie. Het verwijt van Jezus was dat ze vastten en baden en aalmoezen gaven “om door de mensen gezien te worden”. Ze deden het met een slechte, een onzuivere bedoeling, dat betekent: het was niet gericht om plaats te maken voor God in hun leven, maar om zichzelf in de kijker te plaatsen.

Overigens zien we  in de Handelingen van de Apostelen en in het leven van Paulus hoe versterving en onthechting daar ook echt hun plaats hebben:

“In de gemeente van Antiochie waren er profeten en leraren: Barnabas, Simon die Niger genoemd werd, Lucius uit Cyrene, Manaen, jeugdvriend van viervorst Herodes, en Saulus. Terwijl ze eens voor de Heer de heilige dienst verrichtten en vastten, sprak de heilige Geest: ‘Zonder Mij Barnabas en Saulus af voor het werk, waartoe Ik hen heb geroepen.’  Na vasten en gebed legden ze hun toen de handen op en lieten hen vertrekken (Handelingen13,1 ).”

Jezus had trouwens zelf gezegd.

“Jezus sprak tot hen: ‘De vrienden van de bruidegom kunnen toch niet bedroefd zijn, zolang de bruidegom bij hen is? Er zullen dagen komen, dat de bruidegom van hen is weggenomen; dan zullen zij vasten (Mt.9,15 ).”

(Vervolg over het vasten: Maria in Medjugorje - Dorotheos van Gaza...)

 

KATECHISMUS VAN DE KATHOLIEKE KERK (28)

Samenvatting: Ben Van Vossel cssr

III De Kerk - tempel van de heilige Geest (797-810)

Zoals de ziel voor het lichaam (in een tweedelig zicht op de mens) zo is de heilige geest voor het Lichaam van Christus. Hij bewerkt die mysterievolle  eenheid met Christus en met elkaar. Hij bouwt de Kerk op en voorziet in alles wat ze nodig heeft. Wij mogen biddend uitzien naar het komen van de heilige Geest in de Kerk en in onszelf en Hem bewust een plaats geven in ons geestelijk leven.

De bijzondere gaven van de Geest, de charismata, zijn in ieder geval bedoeld om het hele lichaam, de Kerk, te helpen, en te voorzien in de noden van de wereld. Wie speciale charismata ontvangt mag er blij om zijn maar ook de hele kerk. Zij geven immers een bijzondere rijkdom, apostolische vitaliteit en heiligheid aan het hele Lichaam van Christus. Ze moeten wel in eenvoud aanvaard worden als ‘gaven’ en gebruikt volgens de liefde, de maatstaf van de charismata. Hieruit blijkt dat onderscheiding van geesten (of het van God is ofwel iets kwaads beoogt of voor eigen glorie wordt aangewend) steeds nodig zal blijken opdat de charismata het welzijn van allen zou bevorderen.

Ik geloof in de heilige Geest
Die Heer is en het leven geeft;
Die voortkomt uit de Vader en de Zoon;
Die met de Vader en de Zoon
tesamen wordt aanbeden en verheerlijkt;
Die gesproken heeft door de profeten.

 

8 MEI 2004 “SAMEN VOOR EUROPA”

Naar notities van deelnemers

SAMEN VOOR EUROPA” Zo luidde het thema van een samenkomst op 8 mei 2004 in Stuttgart van een groot aantal (127) christelijke bewegingen en kerken om de rol te onderlijnen die de christenen in het Europa van gisteren, vandaag en morgen te spelen hadden of hebben. Met 10.000 waren ze daar aanwezig, het aantal was beperkt gehouden. In 158 steden over heel Europa waren er echter samenkomsten waarop men op reuzenschermen per satelietverbinding de samenkomst ‘life’ kon meemaken. En het werd een deugddoende ervaring. Op het einde van de dag was je er dieper dan ooit van overtuigd dat Europa, zonder de christenen, een misbaksel wordt. Maar ik zou het positief willen stellen: wij christenen moeten onze schouders onder dit Europa van de 25 (in de toekomst nog meer) zetten, opdat het een creatie wordt die de moeite waard is. Wij mogen de uitdagingen niet ontlopen, wij mogen niet denken: het zal zonder ons ook wel gaan, wij vertegenwoordigen geen macht meer, wij hebben geen invloed, de kerk is op de terugweg… Alle aanwezigen hebben een slottekst aanvaard waarin ze beloven zich in te zetten voor de universele broederschap (zoals de stichteres van de Foccolarebeweging, Chiara Lubich het omschrijft) die we willen bezielen vanuit een evangelische ingesteldheid. Het is een boeiende uitdaging, een enthousiasmerend engagement. We geven hieronder enkele toespraken, telkens vanuit  persoonlijke notities.

1 Boodschap van paus Johannes Paualus II tot de christenen van Europa
2 Twee grote christenen aan het woord: (Ricardi en Prodi)
3 Noodzaak van geestelijke vernieuwing
4 Europa heeft Christus nodig.
5 Chirara Lubich: Deel 1: de universele broederschap
                                Deel 2: Een verenigd Europa voor een verenigde wereld.
6. Slotverbintenis van de deelnemers

1. BOODSCHAP VAN PAUS JOHANNES PAULUS II

Het is mij een grote vreugde dat de Christenen van Europa samenkomen rond de christelijke wortels van dit Europa. Het nieuwe Europa werd gesticht, verlicht door het evangelie. Veel volkeren vonden zo aansluiting in een gemeenschap van lotsverbondenheid: Europa!  Europa is niet enkel het verleden, ook het heden en de toekomst. Het ontstond uit een bittere menselijke nederlaag (W.O. II)  en de vaders van de Europese eenheid werden vooral gevormd door het christelijk geloof.  Zij hebben de basis gelegd van de eenheid tussen gewezen vijanden. Door de bezieling van hun geloof en hun eenheid van geest laten de christelijke gemeenschappen zien wat ze bedoelen met Europa. De ontelbare slachtoffers van de 20ste eeuw betekenen voor de christelijke leiders een inspiratie om solidair te zijn in liefde en ons hart te openen voor het evangelie. Ze laten zien aan hun medeburgers dat ze vanuit het evangelie het eng nationalisme laten vallen om zich ten dienste te stellen van de lotsverbondenheid. De Eukumenische dialoog van christenen van katholieke, evangelische en orthodoxe signatuur staat ook hier centraal. Een attente en open dialoog moet door het gebod van de liefde versterkt worden. Europa kan niet zonder de inzet van de christenen, vooral van de jongeren. Er is ook de plicht tot nieuwe inzet van de gelovigen om de uitdaging van de nieuwe evangelisatie te beantwoorden. De nieuwe evangelisatie geeft aan Europa een ziel, en helpt om niet alleen voor zichzelf te leven, maar verbonden in onderling respe. De nieuwe kerkelijke bewegingen moeten dat verwezenlijken : het leven  respecteren en een edelmoedige aanwezigheid op het wereldtoneel. Ik schenk mijn zegen aan de bisschop en de bisschoppen en priesters in Stuttgart en groet van harte de deelnemers, organisators en allen die daar verenigd zijn in steun en gebed. Vader, zegen allen die het Blijde Nieuws verspreiden.

2. TWEE GROTE CHRISTENEN AAN HET WOORD

(Verslag van “Samen voor Europa” door Magda De Wilde)

Prof. Andrea Ricardi (Stichter van de Sint Egidusgemeenschap) had het over twee engagementen, die uit de gave van het Evangelie voortvloeien.

* Europa kan niet leven voor zichzelf en het arme buurcontinent, Afrika, als de arme Lazarus, als een hond,  aan de rijke tafel van Europa laten bedelen.

* Het Europa van de Geest kent geen grenzen. Vrede voor de hele wereld . Een Europa van de Geest moet vruchten van de Geest opbrengen voor de nieuwe wereld.

Prof. Romano Prodi (uittredend voorzitter van de Europese commissie) had het over de inhoud voor de politieke actie voor dit verenigd Europa:

- Een maatschappij uitgaande van de zwaksten;
- Rechten van de anderen herkennen;
- De verzoening, in deze tijd waar de oorlog faalde.
-De angst doorbreken. Het antwoord op het terrorisme is de democratie en niet de oorlog.
Tegenwicht voor de angst is het geloof, leert het christendom. De christenen moeten hun intelligentie en creativiteit ter beschikking stellen  op alle vlakken van de samenleving.

3. NOODZAAK VAN GEESTELIJKE VERNIEUWING

8 mei betekende het einde van de 2de wereldoorlog (ontstaan in Europa!), het is ook de dag van de Bevrijding. Maar ondertussen leefde nog een groot deel Europeanen onder communistische dictatuur. Na de oorlog hebben mensen schuld bekend, zijn er ‘nieuwe bewegingen’ ontstaan. De heilige Geest heeft barrières neergehaald tussen christelijke kerken, tussen de Pinksterbeweging en de katholieke Charismatische vernieuwing, ook culturele barrières, de heilige Geest doet enorm veel overstijgen, en ook de barrière tussen clerus en leek. In 1998, op de vooravond van Pinksteren, drukte paus Johannes Paulus II zijn vreugde uit met de nieuwe bewegingen en hoopte dat ze hun gaven ten dienste van de Kerk zouden stellen. In 1999, bij de de ondertekening van de Verklaring over de rechtvaardigheidsleer, is er te Augsburg een netwerk van christelijke bewegingen ontstaan. Op 8 december 2002 kwamen christelijke bewegingen samen rond het thema: “Samen, hoe kàn het anders!” en ze sloten een pact van liefde en respect. Ze begrepen dat het atheïsme ook voor een deel het gevolg is van de scheiding tussen de verschillende kerken. Als we nieuwe liefde opbrengen voor elkaar zal er ook nieuwe kracht uitgaan van de christelijke groepen en kerken.

4. EUROPA HEEFT CHRISTUS NODIG!

Onder deze titel hield Dominee Ulrich Parzany een toespraak op het congres te Stuttgart “Samen voor Europa”.  Tegenover de manier van doen van vroegere nationale leiders die hun hele volk een bepaalde geloofsovertuiging oplegden (Cujus regio, illius et religio), en in tegenstelling tot de massale kerkverlating staan we nu voor de uitdaging te gaan naar de individuele mens. De deur staat open voor het evangelie, maar er zijn ook veel tegenstanders (1 Kor. 16,8-9  “Tot Pinksteren blijf ik nog in Efeze, want de deur staat hier wijd open voor mijn werk, en er zijn veel tegenstanders”). We gaan dus Christus’ naam bekend maken, maar er zijn o.m. 2 redenen waarom Europa Hem nodig heeft:

1° Jezus is de garantie voor de individuele waardigheid van de menselijke persoon!  Ieder mens komt uit Gods hand en heeft als Beeld van God een onaantastbare waardigheid (Dan is er geen ruimte voor een behandeling van krijgsgevangenen zoals in Breendonk of in de Aboe Ghraibgevangenis. nvdr). Wie van God weggaat en zichzelf tot laatste doel maakt, denkt te kunnen beschikken over het menselijk leven. Het kruis van Jezus toont hoe waardevol ieder mens is “Zozeer heeft God de wereld liefgehad…” (Joh. 3,16). God sluit geen pact met het kwade. (Wij kunnen hier wellicht denken aan de abortus- en euthanasiewetten in de meeste Europese landen. nvdr) Als we in Europa een toekomst willen hebben, mogen we er geen jungle van maken. Christus garandeert de waarde van de individuele mens.

2° Jezus schept eenheid en gemeenschap tegen overdreven individualisme. “Als ieder voor zichzelf zorgt, is iedereen verzorgd”, dit is een ketterij. Wij moeten in Europa de angst voor ‘de vreemdeling’ overwinnen. Het recht moet de zwakke beschermen. Democratie heeft voorwaarden: je kan de mensen niet tot het goede dwingen, men moet de harten overtuigen tot recht en gerechtigheid. Mensen moeten een nieuwe ervaring krijgen van liefde en gerechtigheid van God, van Christus. Ik betreur het dat God in de ontwerptekst van de Europese Grondwet geen plaats kreeg. We moeten dat aanklagen. Als men niet luistert naar God zal het de mens vernietigen door mateloze arrogantie. Wij, christenen, moeten vrijmoedig getuigen, in woord en daad. Europa is de grote kans voor het volk van God in alle kerken en christelijke gemeenschappen; zo moeten we het zuurdeeg zijn. Let eens op Pinksteren: de apostelen spraken over Gods grote daden, over Christus weldoend rondgaan, en de mensen hoorden hen in hun eigen taal, namelijk in de taal van hun hart. Dit wonder zal de heilige Geest op zijn manier steeds weer doen. Mensen zullen dit opnieuw  meemaken als wij, de getuigen van de gekruisigde en verrezen Heer dit doen in en buiten Europa.

5. TOESPRAAK VAN CHIARA LUBICH  (1)

Deel I  “De universele broederschap: noodzaak voor een verenigd Europa
1° Universeel! De Franse revolutie had prachtige doelstellingen in de drie woorden: vrijheid - broederschap - gelijkheid. De “broederschap” (fraternité) kwam echter weinig aan bod. Bij Christus wel. Hij haalde de muren neer van elke onrechtvaardige verhouding. De broederschap zien we wel beleefd door broeder Franciscus van Assisi en zijn ‘kleine broeders’. Wat Christus ons aanbood was: de liefde. Hij bracht die over van de hemel naar de aarde. Het gaat dan niet gewoon over enkele familieleden, over de eigen kerk, eigen godsdienst, maar ook voor centraal en Oost-Europa en verder. Veel Europeanen hebben van zulke liefde en broederschap het voorbeeld gegeven, nl. geen onderscheid maken tussen mensen, de mensen over wie we spreken of horen spreken liefhebben. Zo bemint God.

2° Als eerste beminnen! Jezus’ liefde is belangeloos, Hij hield van ons en gaf zijn leven voor ons ‘toen wij nog zondaars waren’, dus eigenlijk vijandig stonden tegenover God. (“God echter bewijst zijn liefde voor ons juist hierdoor, dat Christus voor ons is gestorven, toen wij nog zondaars waren” Rom. 5,8).

Op 9 mei 1950 stelt Frankrijk (Schuman, een overtuigd christen) de EGKS voor aan Duitsland om de wederzijdse tegenstellingen te overwinnen. Christus’ liefde is immers niet platonisch, maar daadwerkelijk. Voor ons betekent dat: bezorgd zijn met de bezorgden, arm met de armen, ingaan tegen de uitsluiting van ongehuwde moeders, de kinderhandel, ook de uitbuiting door egoïsme. “… al wat gij gedaan hebt voor een dezer geringsten van mijn broeders hebt gij voor Mij gedaan” (Mt.25,40). “Een nieuw gebod geef Ik u: gij moet elkaar liefhebben, zoals Ik u heb liefgehad, zo moet ook gij elkaar liefhebben. Hieruit zullen allen kunnen opmaken, dat gij mijn leerlingen zijt: als gij de liefde onder elkaar bewaart” (Joh.13,34-35).

Dit is niet enkel de roeping voor de afzonderlijke mens, maar ook een roeping voor de steden, staten, bewegingen. We moeten houden van de andere landen, steden, bewegingen… Dàt is nu de macht van het christendom! “Want waar er twee of drie verenigd zijn in mijn Naam, daar ben Ik in hun midden” (Mt.18,20).

De heilige geest werkt door de christelijke gemeenschappen die hoop geven, al zijn hun leden maar arme mensen, als tegenweer tegen de secularisatie. Zo worden mensen bevrijd uit hun isolatie en doet Hij steeds grotere stukken broederschap ontstaan.

Deel II Een verenigd Europa voor een verenigde wereld”
In de namiddag hield Chiara Lubich een tweede toespraak.

De stichters van Europa zagen een verenigd Europa niet als het uiteindelijk doel. De eenheid binnen die familie van volkeren moest er komen om zo bij te dragen aan de eenheid van heel de mensengemeenschap. Wat is de beste houding om gelijke tred te houden met God en de tijd?

- Universele broederschap door onze liefde van elke dag. Er moet echter ook aandacht zijn voor de politiek. Het doel van de politici is steeds op geestelijk vlak te leven. De inzet in de politiek moet komen vanuit de liefde. We moeten niet enkel zelf beminnen maar ook de tegenstanders daartoe brengen en het vaderland van de ander liefhebben!

Deze aspecten van de liefde vragen offerbereidheid. We moeten ons verenigen met het oog op een verenigde wereld. Het testament van Jezus (het gebod van de liefde) inspireert ons: de eenheid van de mensen is namelijk Gods verlangen en vloeit voort uit God. Daaruit volgt de afwijzing van het enge nationalisme en de discriminatie. Johannes Paulus II gaf in 1995 de opdracht om nieuwe wegen van broederschap te vormen. Daarom: bemin de andere volkeren als je eigen volk. Het vitale leven van de christelijke bewegingen moet als een magma door de aardkorst breken zodat de politieke wereld erdoor geschokt en gewijzigd wordt.

6. SLOTVERBINTENIS VAN DE DEELNEMERS AAN HET CONGRES

Verplichting van Stuttgart voor een Europa van menselijkheid:

“Wij willen werken aan
een Europa van liefde en broederschap
en bewust van de opdracht tot openheid voor de hele wereld”

* Is dit ook geen mooie opdracht voor jou?
* Wil jij je daar ook toe verbinden?

“Hieraan moeten de mensen kunnen zien dat jullie mijn leerlingen bent”

“Wat je aan de geringste voor mijn broeders hebt gedaan, dat heb je voor Mij gedaan!”

 

GOED ADRES

http://www.nieuwsbronnen.com/katholieke/index.html

DE KERK EN HET ANTISEMITISME
Nota bij artikel “De Passie en de Gospa”in verband met antisemitisme:

“Nostra Aetate”, § 4. (2de Vaticaans Concilie)

“… Hoewel de Joodse gezagsdragers, met hun handlangers, Christus naar de dood geleid hebben, kan hetgeen gedurende zijn passie gebeurd is niet worden toegerekend, noch aan alle Joden, die toen leefden, noch aan de Joden van onze tijd. Hoewel het waar is dat de Kerk het nieuwe volk van God is, mogen de Joden niet worden voorgesteld als door God verworpen, noch vervloekt, alsof dit uit de Schriften zou kunnen worden afgeleid. Mogen allen bijgevolg, zowel in de catechese als in het verkondigen van het Woord Gods, er zorg voor dragen niets te onderwijzen dat niet in overeenstemming is met de waarheid van het Evangelie en de geest van Christus.

Bovendien mag de Kerk, die alle vervolgingen van mensen afkeurt, wie ze ook mogen zijn, het patrimonium niet vergeten dat ze met de Joden gemeenschappelijk heeft. Ze betreurt dan ook, niet om politieke redenen maar omwille van de religieuze liefde van het Evangelie, de haat, de vervolgingen en alle vormen van antisemitisme, in om het even welke periode of vanwege gelijk welke dader, die tegen de Joden begaan zijn. Bovendien, zoals de Kerk steeds heeft gezegd en heeft volgehouden, heeft Christus zich, omwille van zijn immense liefde, vrijwillig onderworpen aan het lijden en aan de dood, omwille van de zonden van alle mensen en opdat alle mensen het heil zouden verwerven.”

BIDDEN VOOR...

- 350.000 zwarte Afrikanen, waarvan een groot deel christenen, worden bedreigd door hongersnood en ziekte (International Crisis Group) na de etnische zuiveringen in de Darfoer-regio (West-Soedan) door het Soedanese regeringsleger en Arabische Janjaweed-milities te paard. Er zijn 1 miljoen ontheemden (o.m. in buurland Tsjaad); 30 duizend mensen kwamen reeds om in de burgeroorlog.