Jaargang 108 nr 2 (april - mei - juni  2004)

INHOUD  (Onderlijnd = opgenomen op deze pagina)  

- Maria wijst de weg    Ben Van Vossel cssr                                                        
- De Franciscaan van Bourges (3) André Gérardy  Maria-Kefasgemeenschap    
- Het christelijk Ethos: Naastenliefde en Ootmoed naar Gerd Theissen   
- “Hij zag… en geloofde”  1. Een jonge Jood. Vrij naar Daniël-Ange      bvv   
- Wakker liggen     Anon.     
- God draagt zorg voor u                                   Petrusbrief   
- De 1ste missievlucht naar Kongo (18)          Door: Jozef Boon CssR     
- Katech. vd Kath. Kerk (28)   § 2. Namen voor de Kerk Samenvatting: bvv cssr  
- Familiebriefje uit Bagdad                               p. Vincent Van Vossel cssr  
- Terug naar ‘Mijn eiland in de zon’                  P. Francis Boogaerts (79) naar de Antillen 
- Lichaam en hart in onze relatie met God  (1)  Ben Van Vossel
- Nota over het Hopland  (P. Jan Cuijle, P. Maurice Kennis) (Slot)    
- Vroegere Kongomissionarissen. 4.         Frans Van Aelst cssr 
door p. Hugo Gotink 
- Nieuwjaarsbericht uit Kongo (Dec. 2003)     Hugo Gotink cssr 
- Onze overledenen: Zuster Innocentia (Louise Maria Bracke) - Mw. Suzanne van den Abbeel - Zuster Christine de Caster - Mw. Helena De Vent  - P. Walter Corneillie cssr 
- Bij de allerarmsten (Br.
Marc-Maurice Beddeleem Missionaris v. Liefde) 
- Ingezonden boeken (VERLINDE, J-M, De verboden ervaring / KÖRNER, Reinhard -, Het Onze Vader. Spiritualiteit vanuit het gebed van Jezus / GRÜN, Anselm -, Vasten voor de Heer met een stil en ontvankelijk hart / VAN DER VLOET, Johan -, Zonder God moeten vele woorden sterven. Grondslagen van christelijke spiritualiteit)     
- Het drama van Vlierbeek (1) Een brokje Kerkgeschiedenis  L. Vercammen cssr
- Gerardus (26) Gekomen om te dienen.         p. Gabriël Dewilde cssr   

INHOUD - ACTIVITEITEN - NIEUW - KINDEREN - BIJBEL - DIAPRESENTATIES - GEBEDSGROEP - PARAY L.M. - MARIA-KEFAS - PREKENTHUISPAGINA - NADENKERTJES - NUMMERS - LITURGIE - ROEPING - GEZIN - JONGEREN - GETUIGENISSEN - MORAALHAHAHA - BOEKEN - MARIA - CHRISTELIJKE VORMING - ZENDING - KERK en GELOOF - CHRISTEN in de WERELD - Figuren uit de KERKGESCHIEDENISUITZICHT - INFO - MEDIA - GEZONDHEID - SPIRITUALITEIT - PINKSTERSPIRITUALITEIT - VERHALEN - KUNST - BEZINNINGEN -   GRIEKSE KERK BAGDAD -  WETENSCHAP - JEZUS (Isa al Masih) - GEBED - SOCIALE INZET - EVANGELIE-LEZING

 MARIA WIJST DE WEG

door: Ben Van Vossel cssr

Het trof me (zie verder in dit nummer) dat o.m. de moeder van onze Pater Cuijle - nochtans een protestantse - ooit zei: ‘Ik begrijp niet wat ze tegen Maria hebben’ (zie verder in ons slotartikel over het ‘Hopland’). Vermoedelijk hebben de protestanten ook wel niets tegen Maria, maar tegen de overdreven Mariaverering, die voor hen soms de indruk liet dat het hier ging om aanbidding, of een verering waardoor de begenadiging door God en de uniciteit van Jezus als Redder en Middelaar als het ware werden verkleind. Het is nochtans niet goed Maria weg te cijferen, ook niet vanuit een misplaatst respect voor overgevoelige tenen van sommigen. We moeten luisteren naar de Schrift en de christelijke Traditie en niet bang zijn voor wat de Geest binnen het gelovige volk gewekt heeft in de loop der eeuwen.

Verwijzend naar Jezus
De meest bekende iconen uit Oost-Europa en Griekenland tonen ons de Moeder Gods terwijl ze met haar hand wijst naar het Kind dat ze op de arm draagt. Het kind wordt aangeduid met de Griekse letters: ‘ho oon - Hij die is’. En daarom wordt de moeder genoemd: ‘Mijtijr Theoe - Moeder Gods’ (MR-ΘÝ). Maria wordt moeder van God genoemd omdat ze moeder werd van Gods mensgeworden Zoon. Daar ligt overigens de bron van alle verering die het gelovig volk aan Maria zal wijden. En ‘verering’ is nog altijd heel iets anders dan ‘aanbidding’. Terugkerend naar die Maria-iconen mogen we zeggen dat Maria door het christenvolk gezien wordt als ‘de verwijzende’,  de ‘Hodigidria’. Zij wijst de weg aan, in feite wijst zij ‘de enige Weg’ aan: Christus.

Jezus vormend
Als we Maria binnen een bepaalde spiritualiteit (Grignion de Montfort) toch de weg noemen, dan bedoelen we daarmee dat zij de kortste, zekerste en veiligste weg is om tot Christus te komen. In die spiritualiteit gelooft men dat Maria nog altijd de functie heeft om Jezus aan de mensheid te schenken, om Jezus in ons te vormen, zoals Hij gestalte aannam in haar schoot onder de werking van de heilige Geest Hierop gaf de engel haar ten antwoord: ‘De heilige Geest zal over u komen en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom ook zal wat ter wereld wordt gebracht heilig genoemd worden, Zoon van God’ (Lk.1,35.

Weggecijferd
Tijdens Jezus’ openbaar leven treedt Maria nauwelijks op. Bij de bruiloft te Kana, een keer als ze wat familieleden vergezelt die zich zorgen maken over Jezus’ mentale gezondheid. Onrechtstreeks komt ze nog ter sprake waar een vrouw haar prijst als moeder van Jezus. Tenslotte wordt ze vermeld onder het kruis van de stervende Jezus. Maria staat dus niet permanent in de belangstelling. En ik geloof dat dit ook niet de roeping is van de christen. Nochtans had ze in haar profetisch loflied haar uitverkiezing mogen bezingen: “Mijn hart prijst hoog de Heer, van vreugde juicht mijn geest om God mijn redder: daar Hij welwillend neerzag op de kleinheid zijner dienstmaagd. En zie, van heden af prijst elk geslacht mij zalig omdat aan mij zijn wonderwerken deed Die machtig is, en heilig is zijn Naam.” (Lk 1,48-49).

Als gelovige zouden wij ons ook kunnen beroepen op onze hoge staat, maar zoals Maria weten wij dat het Gods genade is die op onze kleinheid heeft neergezien. Wij blijven daarom geroepen om Jezus in ons hart te dragen en Hem door te geven aan anderen, en nooit is het onze roeping om onszelf in de aandacht te brengen en op applaus te rekenen. Verloren tussen de grote mensenmassa weten we ons echter geliefd door God en bezingen wij zijn onbegrensde liefde.

Een leerlinge
Vrij vroeg wordt Maria leerlinge van Jezus, ook al is ze zijn moeder. Op het moment dat de twaalfjarige Jezus ‘zoon van de wet’ wordt en in de tempel achterblijft, interpelleert Maria Hem daarover. “Maar Hij antwoordde: ‘Wat hebt ge toch naar Mij gezocht? Wist ge dan niet, dat Ik in het huis van mijn Vader moest zijn?’ Zij begrepen echter niet wat Hij daarmee bedoelde. Hij ging met hen mee naar Nazaret en was aan hen onderdanig. Zijn moeder bewaarde alles wat er gebeurd was in haar hart” (Lk.2,49-51). Maria is niet als een eendje die sterke gebeurtenissen en sterke woorden zomaar over zich heen laat gaan, zonder ze tot in haar hart te laten komen. Dat was reeds gebleken na het bezoek van de herders, waar Lucas noteert: “Maria bewaarde al deze woorden in haar hart en overwoog ze bij zichzelf”. Zelf mogen we ons de vraag stellen in hoever wij de woorden van de Heer in ons hart bewaren en ze bij onszelf overwegen? Nochtans is het de enige manier om Gods woord vrucht te laten dragen en ons te laten opbouwen tot een geestelijk mens.

Omwille van die woorden uit Lucas ben ik geneigd om zelfs het woord van Jezus tot een vrouw die Maria zalig prees eerder als een proficiat te beschouwen aan een goede leerlinge dan als een achteruitstelling. “Terwijl Hij zo aan het spreken was, verhief een vrouw uit de menigte haar stem en riep Hem toe: ‘Gelukkig de schoot die U gedragen heeft en de borsten die U hebben gevoed.’ Maar Hij sprak: ‘Veeleer gelukkig die naar het woord van God luisteren en het onderhouden’” (Lk.11,27-28). Toegegeven dat Jezus de fysische verwantschap hier achteruit stelt ten overstaan van het gelovig ingaan op het Woord van God, maar in het licht van wat Lucas eerder schrijft over Maria’s omgaan met Jezus woord, lijkt me dit niet zonder meer een persoonlijke afkeuring. Herinner tenslotte het mensenwoord waarmee het heil, dat van jou en dat van mij, voorgoed kon openbreken: “Nu zei Maria: ‘Zie de dienstmaagd des Heren; mij geschiede naar uw woord’” (Lk.1,38). Een schitterende leerlinge van Hem die zou bidden: “Vader, … niet mijn wil, maar uw wil geschiede” (Lk.22,42).

Trouw aan Jezus en zijn gemeenschap
Op het beslissende ogenblik staat Maria daar: onder het kruis. Stond ze er echt of plaatst Johannes haar daar als beeld van de Kerk? Hij gebruikt dan in ieder geval haar persoon. Zij staat bij Jezus, als de trouwe gelovige van alle tijden. Zoals de Kerk en de gelovige steeds zullen moeten staan bij hun Heer, in goede en kwade dagen, bij de stervende, de vervolgde, de zieke, de uitgebuite, de gefolterde. Maria staat daar en wordt aan de Kerk (Johannes) gegeven, of wordt zij zoals de Kerk aan de gelovige (Johannes) gegeven? Zij accepteert de Jezusgemeenschap als haar kind, de gelovigen als haar zonen en dochters in Jezus. En daarom treffen wij haar ook biddend aan bij die eerste kerkgemeenschap die uitziet naar de heilige Geest: “Zij allen bleven eensgezind volharden in gebed samen met de vrouwen, met Maria, de moeder van Jezus, en met zijn broeders” (Handelingen.1,14).

Wij mogen zonder complexen opkijken naar Maria en haar hand en hart volgen die wijzen naar Jezus, onze Liefde.

 NAAR TOP VAN DOCUMENT
UITZICHT - OVERZICHT - THUISPAGINA  VERDERE VORMING - NIEUW

DE FRANCISCAAN VAN BOURGES (3)

door: André Gérardy, Gemeenschap Maria-Kefas

Deel 3  Motivatie en actie van Broeder Alfred

In deel 1 en 2 hebben we kennis gemaakt met Alfred Stanke, broeder Franciscaan en als Duitse soldaat bewaker in de Bordiot-gevangenis, die tijdens de oorlog  zijn leven op het spel zette om gevangenen te helpen.  Wat had hem hiertoe gebracht en hoe ging hij te werk?

Getuigenis van broeder Alfred
(…) Alfred was ooit zelf een gevangene van de Gestapo: “Het was in 1936. Ik werd aangehouden en vastgehouden in Koblenz. Ik was niet de enige; op diezelfde dag van maart 1936 hebben de SS de huizen en de bezittingen van de religieuzen opgeëist, en de monniken van mijn klooster aangehouden. Ik heb tien dagen in de gevangenis gezeten, in gezelschap van een pooier en een moordenaar. Ikzelf werd niet gemolesteerd, of bijna niet, maar ik heb kunnen zien hoe de Gestapo met anderen omging, en welk geraffineerd sadisme en onvermoed geweld ze gebruikte. Van toen af ben ik het nazisme gaan haten: ik heb geleerd het te beoordelen en zijn methodes te kennen. Ik heb gezien dat, na de hamerslag, de eerste schok van de aanhouding, het ontzettend belangrijk is om de gevangene te ondersteunen, om te beletten dat hij zich laat gaan, dat hij in wanhoop wegzinkt….Daarom heb ik hier met mijn vriend Ruetsch, vertaler bij de Gestapo van Bourges, een geheim communicatiesysteem opgezet tussen de gedetineerden onderling en met hun families.  Wij geven hen ook raad, bezorgen hen alibi’s. Tot hier toe heb ik op die manier al verschillende mensen van de executie kunnen redden.”

Duitser èn christen
Voor Marc Tolédano valt het op dat Alfred erin slaagt om de liefde voor zijn vaderland met zijn geloof te verenigen, want Duits is hij en blijft hij, dat stelt hij in alle duidelijkheid.  Maar de Gestapo, de SS en de Nazi’s zijn volgens hem het ware gelaat van Duitsland niet.

Om zoveel mogelijk bewegingsvrijheid te krijgen zorgt Alfred ervoor dat hij dikwijls de nachtdienst heeft. Hiervoor wisselt hij vaak zijn dienst met de andere Duitse bewakers en, om argwaan te voorkomen, laat hij zich door hen betalen om hun nacht over te nemen. Met dat geld koopt hij dan eten voor de gevangenen.

Middenin het leven
Het boek van Marc Tolédano staat vol gebeurtenissen waarbij Alfred met een onvermoeibare inzet tientallen nieuwe gevangenen onthaalt, verzorgt, opbeurt, in contact brengt met hun familie en blijft ondersteunen zolang ze in de Bordiot gevangenis zitten. Er zijn tragische verhalen van ter dood veroordeelden, zoals bij voorbeeld de twee wezen, Serge en Jean-Pierre, 16 en 17 jaar oud, terechtgesteld nadat ze uit schrik allerlei bekentenissen hadden gefantaseerd.  Er zijn getuigenissen van gedetineerden zoals Marc en Yves die hun bevrijding aan de ongelooflijke vindingrijkheid en lef van Alfred te danken hebben. Er zijn soms ook grappige voorvallen, zoals de argwaan van een pastoor, Barut, gevangengenomen door de Gestapo, en aan wie Alfred zijn broeder-zijn moet bewijzen door het “confiteor” op te zeggen!  Of die keer toen Alfred diezelfde pastoor Barut, ondertussen vrijgelaten, weer in de gevangenis binnensmokkelt om hem te helpen een wanhopige gedetineerde op te beuren.

Vanuit een basis
Altijd zijn we getroffen door het medeleven van Broeder Alfred, hij lijdt letterlijk bij iedere executie, hij revolteert bij iedere nieuwe gefolterde die hij binnen krijgt.  Hijzelf  zegt: “wanneer ik mij weer wil onderdompelen in het gebed met mijn broers, de Franse Franciscanen, ga ik naar het klooster van de Rue Porte-Jaune, en met hen vraag ik de Heer mij te helpen in mijn werk.  Ik ga er meerdere keren per week naartoe, zelfs iedere dag als het mogelijk is.” (vervolgt)

NAAR TOP VAN DOCUMENT
UITZICHT - OVERZICHT - THUISPAGINA  VERDERE VORMING - NIEUW

 

 “HIJ ZAG … EN GELOOFDE” (1)

bvv

Het gaat in de titel niet over de (on-)gelovige Thomas die Jezus’ wonden mocht zien en aanraken na diens verrijzenis, het gaat eerder over Johannes die samen met Petrus naar het graf was gelopen. Petrus moet nadenken over het lege graf, en van Johannes zegt men daar: “Hij zag en geloofde”. Er was alleen een leeg graf ten zien, een lege lijkwade, een opgerold zweetdoek… Niet bijster veel dus en toch staat er: “Hij zag … en geloofde”. Ik ga hier ook niet in op de argumenten die verdedigers van de ‘Lijkwade van Turijn’ hieruit halen om de authenticiteit van die reliek mee te ondersteunen. Nee, onze bedoeling is gewoon even te blijven staan bij die ervaring van “plots tot geloof komen”. Je ziet iets, je maakt iets mee, je ervaart iets, je hoort iets… en PLOTS is de hele waas van ongeloof, twijfel, geloofscrisis voorbij, de nevel is opgetrokken, als weggesmolten door de zon, waar je misschien naar uitzag maar die je hier en nu niet verwacht had.  Er is een zachte maar sterke geloofszekerheid in je gekomen, waar je je nog lang, zelfs levenslang kan aan optrekken.

Het is het verhaal van een paar bekende bekeerlingen of van heel gewone mensen, die in twijfel of onzekerheid plots ‘licht’ mochten ervaren. We hebben in Geloof & Leven (jg. 103 (1999) nr 4 p. 152-156) iets verhaald over de bekering van Alphonse Ratisbonne, die om een vriend genoegen te doen de Wonderbare Medaille droeg en toevallig een kerk binnenstapt omdat een vriend niet direct terugkeert; in die kerk heeft hij een verschijning van Maria en van het een moment op het ander is hij van niet al te gelovige Jood plots een katholiek christen geworden.

Onder bovenstaande titel willen we dus een paar getuigenissen brengen van mensen die vanuit twijfel of ongeloof plots licht mochten ontvangen van de Heer, gevraagd of ongevraagd. Eenvoudige getuigenissen, maar zij helpen ons vast te stellen dat God een Levende God is die Zich ook vandaag aan mensen wil openbaren. Het is niet nodig dat we allen iets dergelijks meemaken, wij mogen steunen op het verhaal van betrouwbare getuigen die de apostelen waren en het kerkelijk leergezag, maar ook eenvoudige waarachtige getuigenissen van medegelovigen. “Wij mogen niet zwijgen over wat we zelf hebben meegemaakt”, zeiden de apostelen nadat ze gegeseld waren. En Paulus kreeg te horen: “Daartoe ben Ik u verschenen, om u aan te stellen tot dienaar en tot getuige van het feit, dat ge Mij gezien hebt en dat Ik u nog verschijnen zal. Ik heb u weggenomen uit uw volk en uit de heidenen en tot hen zend ik u om hun de ogen te openen, opdat zij zich van de duisternis keren tot het licht en van de macht van satan tot God en opdat zij door in Mij te geloven vergiffenis krijgen van hun zonden en een erfdeel met de geheiligden” (Handelingen 26,16-18).

1. Een jonge Jood verhaalt

Antwoorden zoeken aan verkeerd adres
Mijn ouders waren joden, maar ze gingen nooit naar de synagoge: niet-pratikerenden dus. Toen ik ongeveer drie jaar was vertrokken we uit Tunis naar Parijs. Als jonge tiener werd ik aangetrokken door al wat mysterieus was, zoals waarzeggerij. Ik leefde met allerlei vragen in mijn hart en was op zoek naar antwoorden. Stilaan geraakte ik geïnteresseerd in de occulte wetenschappen en ik besteedde veel geld aan boeken daarover. Sommige van die boeken en de mensen die daarmee bezig waren leken ernstig maar veel was louter bedrog. Nadat ik heel veel daaromtrent aan de weet gekomen was wilde ik dat ook in praktijk brengen, maar ik mag de Heer dankbaar zijn dat ik daartoe de gelegenheid niet kreeg. Omdat ik al die boeken verborg wisten mijn ouders niet waarmee ik bezig was.

God sprak en het was
Op een dag las ik een strooibriefje, een uitnodiging van Protestantse christenen voor een samenkomst waar iedereen een gratis Evangelie zou krijgen. Ik ging daarheen en ontving inderdaad een evangelieboek. Alleen op mijn kamer, opende ik dat kleine evangelie en mijn ogen vielen op de tekst: “Laat die kinderen tot Mij komen”. Het lijkt misschien belachelijk, maar op dat ogenblik werd ik vervuld van ongelooflijke vreugde, ik meende te zullen sterven en had het gevoel dat het volume van mijn borstkas verdrievoudigd was. Ik had de indruk dat ik straalde, het was alsof ik zweefde. En op datzelfde moment herkende ik mijn Herder, mijn Jezus. Doorheen die woorden, waarin ik mezelf herkende, zei Hij tot mij: “David, jij bent degene die ik wil”.

Een waar getuigenis
Sedert datzelfde moment weet ik dat Jezus Christus de Zoon van God is. Wat ik daar meemaakte was geen illusie. Het is nu negen jaar geleden en geen enkel moment heb ik getwijfeld aan mijn geloof. Ik ben zeker van Jezus, zeker van Maria, en het geloof dat ik toen gekregen heb is een onwankelbaar geloof. Immers, toen mijn ouders vernamen dat ik christen geworden was waren ze buiten zichzelf. Op een nacht schudde vader mij wakker en zei: “Je slaapt christen, maar als ik had geweten dat je ooit christen zou worden zou ik je gewurgd hebben in de wieg”. Jezus heeft mij de kracht gegeven om te volharden. Ook zijn woorden uit de Zaligsprekingen, die ik uit het hoofd geleerd had, waren mij een sterke steun. Ik voelde Jezus werkelijk nabij, vlakbij mij.

In volgend nummer 2. Een theologiestudent:  “… en het water werd volmaakt stil” (Mt 8,26)

 NAAR TOP VAN DOCUMENT
UITZICHT - OVERZICHT - THUISPAGINA  VERDERE VORMING - NIEUW


KATECHISMUS VAN DE KATHOLIEKE KERK (28)

Samenvatting: Ben Van Vossel cssr

§ 2. Namen voor de Kerk

I De Kerk - Volk van God (781-786)

God heeft het volk van Israël uitverkoren, er een verbond mee gesloten en het geleidelijk onderwezen. Dit alles is geschied als voorbereiding en voorafbeelding van het nieuwe en volmaakte Verbond dat in Christus zou worden afgesloten. Dat nieuwe verbond heeft Christus ingesteld in zijn bloed. Joden en heidenen mogen in de Geest tot één geestelijk volk uitgroeien.

1 Kenmerken van het volk van God

- God vormde zich een volk uit hen die vroeger geen volk waren: “een uitverkoren geslacht, een koninklijke priesterschap, een heilige natie” (1 Petrus 2,9).
- Men wordt lid van dat volk door: “wedergeboorte”, “uit water en geest” (Johannes 3, 3-5), namelijk door het geloof in Christus en het heilig doopsel.
- Het Hoofd is Jezus Christus (Gezalfde, Messias) en door de werking van de heilige Geest is het dus het “het Messiaans volk”.
- Het volk is geroepen tot de vrijheid van de kinderen van God; hun hart is tempel van de heilige Geest.
- De nieuwe wet van de heilige Geest is het gebod van de liefde
- Het is geroepen om licht en hoop en heil van de wereld te zijn
- Het doel is: het Koninkrijk van God, waar God bemind en gediend wordt.

2 Een volk van priesters, profeten en koningen

Jezus was door de vader gezalfd met de heilige Geest en gemaakt tot priester, profeet en koning. Heel het volk van God deelt in diezelfde functies.

1° Priester: met, in en door Christus wijden wij onszelf, de mensheid en de hele wereld toe aan God, de Vader en zoals Christus, de Middelaar bidden wij om zegen.
2° De profetische functie betreft de bovennatuurlijke geloofszin van heel het volk waarvan het dan ook de getuige is in de wereld.
3° De koninklijke functie betekent voor de christen dat we Christus dienen, vooral in de armen en noodlijdenden. Zoals Jezus willen wij leven in dienstbaarheid.

II De Kerk - Lichaam v Christus (787-796)

1 De Kerk = gemeenschap met Jezus

Jezus deelde zijn leerlingen alles mee wat Hijzelf voor belangrijk hield, Hij maakte hen ook deelgenoten van zijn zending, zijn vreugde en zijn lijden. Hij nodigt hen uit tot innige levensgemeenschap met Hem, zoals de rank met de wijnstok en die gemeenschap mogen we beleven in de Eucharistie: “Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem” (Joh. 6,56). De heilige Geest zou later zijn volgelingen vormen tot Jezus’ lichaam. Dit betekent: onderlinge eenheid, Christus als Hoofd, de Kerk als bruid van Christus. De eenheid betekent niet dat er geen verscheidenheid zou mogen zijn; de heilige Geest bewerkt de onderlinge liefde en de verscheidenheid van functies en diensten. Christus is het Hoofd van dit grote Lichaam: naar Hem willen wij onszelf laten vormen, ook in zijn mysterie van lijden en verrijzen. Hij voorziet in alles wat we nodig hebben om zijn volgelingen te kunnen zijn. “Wat Jezus en de Kerk betreft, ben ik van mening dat het één geheel is en dat men hierover geen moeilijkheden moet maken”, zei Jeanne d’ Arc tot haar rechters. De Kerk en ieder gelovige is nauw verbonden met Christus, in een persoonlijke relatie als bruid en bruidegom. Jezus heeft zich in zijn menswording en zijn levensoffer verbonden en blijft voor zijn Kerk zorgen als voor zijn eigen lichaam.

2 De Kerk = tempel van de heilige Geest

De heilige Geest verbindt ons met Christus en met elkaar. Hij maakt van de kerk “de tempel van de levende God” (2 kor. 6,16). De liefde, de werkzaamheid van de sacramenten, de deugden en allerlei bijzondere gaven (charismata) om allerlei taken en diensten op ons te kunnen nemen voor de vernieuwing en de verdere uitbouw van de Kerk... het gebeurt alles onder stuwing van de heilige Geest.

Zo  leeft het volk van God, verspreid over de hele wereld, vanuit de liefde van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.

 

 NAAR TOP VAN DOCUMENT
UITZICHT - OVERZICHT - THUISPAGINA  VERDERE VORMING - NIEUW

LICHAAM en HART IN ONZE RELATIE MET GOD (1)

Ben Van Vossel cssr

“En het Woord is vlees geworden…” In die paar woorden uit het evangelie volgens Johannes, steekt het geheim van het respect voor het lichaam en de materie zoals het in een welbegrepen en beleefd christendom wordt opgevat. En in die andere bijbeltekst: “God sprak... en God zag dat het (al wat Hij gemaakt had)  goed was”. Over de waarde en betekenis van het lichaam, de gevoelens, ja, de materie, hebben we in november van vorig jaar in ‘Oase in de Stad’ een vormingsessie gegeven waarvan we hier een paar gedachten  doorgeven.

§1. ENIGE ALGEMENE ORIENTATIES

1. Onze gelijkenis met God

Het lichaam maakt integraal deel uit van onze bestaanswijze als mens. Het lichaam is onze specifieke wijze om in contact te treden met de wereld buiten ons, om te ontvangen en te geven: receptief en actief, ontvangend en handelend. Enerzijds ontvangen we signalen door onze zintuigen, en door onze zintuigen en ledematen, die instrumenten zijn voor onze gevoelens, onze rede en onze wil, werken we in op de omgeving.

Uit de Bijbel spreekt een groot respect voor de lichamelijke dimensie van de mens. We moeten dat blijven onder ogen zien. Want naarmate we ouder worden en we onze lichamelijke zwakte en beperktheid gaan ervaren (het minder soepel, minder mooi en sterk zijn van ons lichaam, het lichaam dat een minder soepel instrument wordt voor wat we zouden willen doen…) kunnen we ook kleiner gaan denken over het lichaam. We mogen niet in de valkuil ploffen van een groot deel van onze samenleving, dat een mens minder waardevol wordt naarmate zijn lichaam zwakker wordt of ziek wordt, naarmate hij minder nuttig lijkt in de samenleving en zijn geest minder alert wordt door allerlei chemische reacties binnen zijn centraal zenuwstelsel.

Hoe de mens ook evolueert: van zwakheid naar sterkte en weer naar zwak en gebrekkig zijn, dement zijn zelfs, toch blijft het zo dat de mens gemaakt is naar het beeld van God, vooral onder het aspect van zijn bekwaamheid en roeping om te beminnen en bemind te worden. Wèl is het zo dat omwille van allerlei omstandigheden, ziekte, ongeval, ouderdom, die gelijkenis met God minder manifest (minder duidelijk) lijkt te worden. Maar als roeping en finaliteit (gerichtheid) blijft die gelijkenis aanwezig (kon men in de leeggebloede Jezus aan het kruis nog het beeld van Gods Zoon zien?)! En daarom moet elk mens met grote eerbied behandeld worden, ook wanneer hij nog ongeboren en onbewust is, wanneer hij nog jong en onervaren is, wanneer hij moreel verworden is zelfs, of wanneer hij ziek is - lichamelijk of mentaal - of zwak, lijdend of stervend. Dit is een diepchristelijke opvatting omtrent de mens en zijn lichaam. “Wonderbaar ben ik van maaksel”, zingt de psalmist in psalm 139.

2. Waardering en eerbied voor het lichaam van de mens

Nu is er een gezond onderscheid mogelijk in de mens tussen zijn lichaam, zijn psyche en zijn geest. Verschillende domeinen als het ware maar die op elkaar zijn aangewezen. Met Psyche bedoelen we dan het geheugen, maar ook het verstand of de rede, het reflexieve denken van de mens. Met ‘geest’ bedoelen we eerder het domein in de mens waar hij in contact staat met God. Lagere of hogere gevoelens zullen we naargelang onderbrengen bij de psyche of bij de lichamelijke dimensie.

2.1. Verkeerde opvattingen omtrent het lichaam

U weet dat in verscheidene denksystemen het lichaam wel eens al te zeer als minderwaardig werd bekeken en dat de geest (men sprak eerder van de ziel) als het ware opgesloten zat in het lichaam als in een kerker. Ook binnen het christendom heeft die tendens wel eens wat al te veel invloed gekend. Het lichaam was slecht, oorzaak van kwaad, een hinderpaal voor de ziel om tot God te komen…

Anderzijds, bijvoorbeeld in het atheïstisch marxisme-leninisme, is de mens gewoon lichaam, ook de psyche is een bepaalde vorm van materie, bepaalde processen in de hersenen en het centrale zenuwstelsel. Als men over geest spreekt, bedoelt men de rede, het reflexief bewustzijn. De geest immers, als kern waar we in contact zouden kunnen treden met God, bestaat niet, aangezien God ook niet bestaat. God is, volgens het dialectisch en atheïstisch materialisme, een uitvinding van de mens om zijn eigen kleine kanten wat te verdoezelen en om hem anderzijds te stimuleren tot zaken die - in feite - zinloos zijn. ‘Het geloof in God houdt de mens klein, omdat het hem afhoudt van zijn eigen verantwoordelijkheid. Godsdienst is opium voor het volk. In feite bestaat de mens enkel uit zijn lichaam’… Dat is de begrensde en begrenzende visie van het marxisme en andere materialistische filosofieën.

2.2. Het christendom en het lichaam

Wel vrienden, het christendom staat in sterke tegenstelling met dit atheïstisch materialisme, waar de mens gewoon een radertje is in de grote machine van de samenleving. Beperkt tot het lichaam en de chemische reacties in het zenuwstelsel, heeft de mens geen geestelijk beginsel.

Het christendom daarentegen denkt wel groot over het lichaam, maar gaat het niet verafgoden.

Het lichaam maakt integraal deel uit van onszelf als persoon en helpt ons in contact te treden met God, maar het is niet god, het is vergankelijk, sterfelijk. Toch is heel de mens geroepen om te blijven bestaan in Gods liefde.

3. De eerbied voor het lichaam en de incarnatie

3.1. God openbaart zich doorheen materiële dingen en mensen

De geest is wel de kern van ons wezen waar wij bewoond zijn door God. Maar als God met ons in contact treedt en zich aan ons wil openbaren gebeurt dat normaal op heel menselijke wijze, doorheen woorden, daden, gebeurtenissen die we met onze zintuigen kunnen vaststellen. Die woorden en daden worden vaak ook nog bemiddeld, hebben vaak als tussenpersonen bepaalde mensen. God heeft niet zelf de Bijbel geschreven bijvoorbeeld. En God treedt in contact met de mens doorheen materiële zaken die we zien, voelen, ervaren, zoals het Woord van de Schrift en de zichtbare tekenen die de sacramenten zijn, het water van de doop, brood en wijn van de Eucharistie…

3.2. In Jezus openbaart God zich helemaal (De incarnatie)

In onze inleiding verwezen we er reeds naar: in de volheid van de tijd is God zelf tussen ons verblijf komen nemen in een zichtbaar mens, in de persoon van zijn Zoon, mensgeworden in de kracht van de heilige Geest en geboren uit de maagd Maria. Een mens tussen de mensen: Jezus Christus.
God kwam in het lichaam om ons te ontmoeten op ons niveau.
In Christus werd het menselijk lichaam als het ware opgewaardeerd, door en door geheiligd. Vandaar de grote waarde van het doopsel, waar we op speciale wijze op Jezus geënt worden.   (Vervolgt)

   NAAR TOP VAN DOCUMENT
UITZICHT - OVERZICHT - THUISPAGINA  VERDERE VORMING - NIEUW

NOTA OVER HET HOPLAND (Slot)

Met het openstellen van de nieuwe kerk in 1973 was de geschiedenis van het Hopland natuurlijk niet ten einde. Nog gedurende dertig jaar zou vanuit dit Antwerpse klooster van de Redemptoristen zeer veel gebeuren op het vlak van catechese, predicatie, sociaal dienstbetoon, geestelijke begeleiding, dienstverlening in de kerk door de Eucharistievieringen, homilies en beschikbaarheid voor het sacrament van de Verzoening. Ook door de beschikbaarheid voor parochiedienst in andere parochies. Velen binnenshuis maakten dat alles mogelijk en de rol van de broeders is daarbij zeer belangrijk geweest…

Tot slot van deze nota over het Hopland, willen wij gewoon twee confraters even voorstellen, niet alsof zij nu precies de voornaamsten waren of de meest originelen, maar gewoon om te laten aanvoelen dat het Hopland niet gewoon een gebouw, een klooster, een begrip was maar concrete mensen die - vanuit hun roeping en spiritualiteit als Redemptorist - zich totaal gegeven hebben in dienst van God en de mensen.

* Pater Jan Cuijle
werd geboren in 1917 in Hulst (Zeeuws-Vlaanderen) in een gezin met een katholieke vader en een protestantse moeder. Deze laatste besliste evenwel dat Jan Rooms-Katholiek gedoopt werd omdat, zo zei ze “die dominee nog ongeloviger was dan pa en moe tesamen; het doopsel is te ernstig en daar mag niet mee gesold worden." Ook de verering van Maria zag zij best zitten: “Ik heb nooit begrepen waarom men in Onze-Lieve-Vrouw een struikelsteen vond.” In 1974 huwden de ouders van Jan zelfs voor de kerk. Ze verhuisden naar Antwerpen. Zijn eigen bekering situeerde Jan in zijn toetreding tot de Eucharistische Kruistocht.  Van de St.-Norbertusschool aan de Amerikalei gaat Jan zijn humaniora afwerken aan het College van het Eucharistische Hart te Essen (1931-1936). Hij richt er een missiewerkgroep op en in Kapellen een afdeling van de katholieke Studentenactie (K.S.A.).

Hij voelde zich geroepen tot het priesterschap. De haat en verbittering van een ongelovige tandarts waar hij vakantiewerk deed, waren voor Jan een teken dat een leven zonder God in feite niets was! Hij werd Redemptorist (eerste geloften op 15 september 1937) en wordt op 10 augustus 1942 priester gewijd te Leuven. Na een jaar als socius van de novicen te Sint-Truiden en een jaar te Leuven voor zijn tweede noviciaat, verblijft hij voor de rest van zijn leven in Antwerpen (Hopland). Vaak was zijn enthousiasme als gelovig mens, zijn originaliteit en onverschrokkenheid oorzaak van conflicten. Maar ook van zeer pastorale en sociale initiatieven. Het meest bekend is wel de oprichting (30 augustus 1945) van de jongensclub ‘VZW De Grijze Kat’, waar hij straatjeugd opving, hen wat gezonde ontspanning en opvoeding gaf en ook aangepaste godsdienstige vorming en bezieling (er hing altijd een kruisbeeld en in grote letter: “Christus Vincit”, Christus overwint), maar hen vooral liefdevol bejegende en hen een soort ‘veilige thuis’ bezorgde. P. Cuijle was ook een gedreven predikant, die gerust in de sloppenwijken van Antwerpen op een of ander primitief schavotje durfde gaan staan en daar een preek begon af te steken, als een echte volkstribuun, met zijn ‘hollandse’ tongval maar met een taal die bij de gewone mens aansloeg. Veel later boog hij zich over het lot van de Romanzigeuners (Keree Amende - thuis onder ons - gesticht in 1971); toen ging hij een snor dragen om zich beter aan hun cultuur aan te passen en de zigeuners gaven hem de naam ‘Rasjai Poelinkina’. Pater Phil Bosmans heeft zich met zijn Bond zonder Naam mee achter dat initiatief gezet. Naar het einde toe nam Jan nog, vanuit zijn non-conformistische maar wat conservatieve instelling, het initiatief van een eigen ‘Parochieblad’. Een aantal artikelen verschenen over hem en zijn werk in ‘Gerardusbode’ / Geloof en Leven’ en Theo Bosmans, een van zijn ‘grijze katten’ schreef een boek vol herinneringen over hem: “Christus Vincit. Pater Cuijle en de Goede Meester”. Pater Jan had ook een uitgeverij opgericht “Ecclesioloa” (kleine kerk) waarin vooral zijn eigen boeken werden uitgegeven: Janneman van ’t Eilandje, In de stroomrafeling, Meditaties in de havenbuurt, Zigeuners in Vlaanderen. Zijn laatste boek was: ‘De grootste is de liefde’. Pater Jan Cuijle overleed op 10 april 1981, hij was 64 jaar. Een gedreven en gegeven mens in dienst van de Heer en van de geringsten van Zijn broeders.

* Pater Maurits Kennis
was een heel ander type, maar even sociaal bewogen. Als je hem ontmoette kreeg je niet alleen een Antwerps spraakwater te horen, maar iemand die er echt helemaal voor jou wilde zijn, die met interesse vroeg hoe het met je ging en die natuurlijk ook niet zwijgen kon over al die heel gewone mensen met wie hij te maken kreeg. Hij was van Aartselaar (15 juli 1916), zijn eerste kloostergeloften legde hij af bij de Redemptoristen te Sint-Truiden (15 september 1938), priester gewijd te Leuven op 10 augustus 1943. Aanvankelijk liet men hem even socius zijn bij de novicen in Sint-Truiden. Daarna werd hij te Antwerpen benoemd als directeur van de Lekenwerking H. Familie, afdeling ‘Jongelingen’. Een enthousiast man als Maurice kwam natuurlijk goed over bij de jeugd. In 1955 werd hij dan benoemd voor de “Amicale”, aan de zijde van de wat oudere pater Nuyens. De “Amicale” was een kleine leefgemeenschap met hen beiden, later ook wel eens met een paar andere confraters. Zij baden samen, inspireerden en hielpen elkaar in hun strijd voor betere leefomstandigheden van de Afrikaanse matrozen en zeelui (vooral uit Kongo). Die zwarte zeelui waren werkelijk ontworteld en werden ook wat met de nek bekeken door de blanke zeelieden. De lange afwezigheid uit hun clan en hun gezin was voor hen, maar ook voor hun gezin, vaak een hele uitdaging.

In de “Amicale” werden ze dan opgevangen: in de kelder onder het zeemanshuis ‘Stella Maria’ wisten ze zich welkom, er werd vriendschap gesloten, ze konden er hun inheemse muziek spelen op tamtams en andere instrumenten, een reeks vrijwilligers maakten tijd voor hen, in een gezonde sfeer kregen ze ook wel de gelegenheid om wat te dansen, het was een manier om sommigen uit de louche kroegen te houden. Het was fantastisch hoe die zeelui ter plekke in het winkeltje wat konden kopen voor zichzelf en hun gezin, en dit aan weggeeefprijzen en niet enkel tijdens de koopjesperiode! Ook had men een dienst opgezet waardoor zij met hun gezin konden communiceren (aanvankelijk met opgenomen boodschappen die werden overgevlogen). Ook werd er een spaarkas opgericht, zodat ze het geld dat ze verdienden veilig konden wegzetten en het nog laten opbrengen. De Eucharistievieringen, aangepast aan de Kongolese zeelui waren hoogtepunten. Moeilijker werk was dat men telkens weer naar de aanmerende boten moest trekken om de Afrikaanse zeelui te gaan onthalen en hen de veilige weg naar de “amicale” te wijzen, zonder dat ze bleven plakken in de rosse buurt.

Een ander fragment uit de sociale inzet van p. Kennis is de oprichting van de “één frank club”. Daar kon de armste mens aan deelnemen en het was bedoeld voor de leniging van de allerarmsten. Als kleine “Oasemens” ging p. Maurice Kennis door het leven, velen heeft hij geholpen en getroost. Dit gebeurde zowel vanuit zijn aangeboren en steeds toenemende mensenliefde, maar evenzeer vanuit zijn diep geworteld zijn in het geloof, het bewustzijn van Gods immer aanwezige liefde en zorg.  In zijn ziekte werd hij zelf ook bijgestaan en gesterkt. Pater Phil Bosmans wenste hem toe: “Je hoeft geen schrik te hebben voor wat nog komen zal. Het enige wat je boven het hoofd hangt is de hemel”.

Wij wensen de confraters van het Hopland, die nu her en der verspreid leven, veel sterkte toe en een diep vertrouwen in de trouw van de Heer. Mogen zij daar waar ze nu leven, bewust blijven van hun roeping om op die kleine plaats toch “overvloedige verlossing” te brengen of aan te zeggen.

Bovenal brengen wij dank aan de Heer voor alle heil dat Hij heeft doen groeien op en vanuit die gezegende plaats van het Hopland gedurende de bijna 150 jaar dat broeders en paters Redemptoristen daar woonden en werkten.

 

 NAAR TOP VAN DOCUMENT
UITZICHT - OVERZICHT - THUISPAGINA  VERDERE VORMING - NIEUW

OVERLEDEN KONGOMISSIONARISSEN

4. Pater Frans Van Aelst (1917-1981)

door p. Hugo Gotink cssr  
Mémorial 23 septembre

Jeugd en studies
Frans Van Aelst, zoon van Alois en Amalia Huys, weder geboren te Machelen (Dendermonde) op 5 februari 1917. Na zijn Latijns-Griekse humaniorastudies te Essen, begon hij het noviciaat bij de Redemptoristen te St.-Truiden op 14 september 1934. Op het einde van zijn theologische studies, ontving hij de priesterwijding te Leuven op 10 augustus 1972 uit handen van Mgr. Jan Cuvelier cssr. De oversten vroegen hem om zijn theologische studies verder te zetten aan de Universiteit van Leuven, waar hij een doctoraat in de theologie verwierf in 1948. Terwijl hij zich voorbereidde op een missionarisleven in Kongo, volgde pater Frans in 1949 aan dezelfde universiteit een graduaat in de koloniale wetenschappen.

Kongo
Op 10 mei 1949 scheepte pater Frans te Antwerpen in om te Matadi aan te komen op 25 mei 1949. Hij werd naar Nkolo gezonden voor het tweede noviciaat. In december 1979, verhuisde hij naar Kimpangu waar hij op de school hielp voor de cursus van pedagogische opleiding, die diende om de onderwijzers voor de eerste graad te vormen. Op 1 september 1950, werd de pater naar Mangembo geroepen om professor te worden aan de nieuwe normaalschool, die Mgr. Van de Bosch opgericht had. In september 1952 keerde hij terug naar België voor zijn vakantie en hij profiteerde van deze tijd om een regentaatsdiploma te behalen voor het lager onderwijs.

In 1953 teruggekeerd in Kongo, vroeg men aan pater Frans om cursussen te geven aan het kleinseminarie van Kibula. Hij zette zich aan die taak met een grotere beschikbaarheid;  in juli 1987, werd hij er benoemd tot directeur. Op het moment van de Onafhankelijkheid stond hij het directoraat af aan een Kongolese priester terwijl hij er leraar bleef gedurende het schooljaar 1960-1961.

Libanon
Tijdens zijn verlof van 1961, deed de missie van de Redemptoristen in Libanon beroep op zijn ondervinding om een college te leiden te Jeidet-el-Metn. Gedurende vijftien jaar zal pater Frans in Libanon werken door de les te geven aan dit instituut en het zelfs te leiden. De Libanese burgeroorlog verhinderde hem in mei 1976 dit werk voort te zetten.

Gent - Haïti - Roeselare
Voorgoed teruggekeerd in België, werd pater Frans aan het klooster van Gent gehecht voor de apostolische activiteiten. Van september tot december 1977, werd hij bereid gevonden om in Haïti pater Jef Claessens te vervangen gedurende diens verlof, om er een geestelijke vorming te geven aan de religieuzen van diens zustercongregatie. In 1978, werd hij rector in het klooster van Roeselare. Vol toewijding gaf hij zich in alle eenvoud aan de taken van het huis en van de kerk; de minste vrije tijd die hij had, gebruikte hij voor zijn studies door enorm veel notities te nemen.

Zeer vermoeid op Palmzondag 1981, moest de pater een dringende hartoperatie ondergaan tengevolge van een vergevorderde pericarditis. In het begin voelde hij zich geholpen en verlicht, maar in september 1981 kende hij een terugval die hem naar de dood leidde op 23 september 1981.

Op 28 september 1981, werd in het klooster van Roeselare de uitvaartdienst gehouden. In de homilie, getuigde de celebrant dat het leven van pater Frans Van Aelst, een leven voor God en de mensen, gekenmerkt werd door zijn beschikbaarheid, zijn dienstbaarheid en zijn eenvoud. Zoals de onnutte knecht (Lucas 17,10), stond hij door zijn onderricht gedurende tien jaar in Kongo en vijftien jaar in Libanon ten dienste van de jongeren.

 

 NAAR TOP VAN DOCUMENT
UITZICHT - OVERZICHT - THUISPAGINA  VERDERE VORMING - NIEUW

Bij de allerarmsten. Een brief van Broeder Marc-Maurice

Broeder Marc Beddeleem van de Missionaries of Charity schreef een Nieuwjaarsbriefje vanuit Bukarest. Marc nam vroeger deel aan de Jongerenaktiviteiten van de Maria-Kefasgemeenschap.

“Een pak oude kleren, achtergelaten bij een dakloze, zo dacht ik. Toen we echter dichterbij kwamen zagen we een voet en begrepen dat het een kind was. Catalin ziet er negen jaar uit maar is twaalf jaar oud. Zijn ogen waren gezwollen en hij rilde van de kou. Een veel te grote T-shirt en een vuile oude vest over zijn naakte lichaam, een vuile trainingsbroek en een paar gebroken schoenen; naast hem lag een aansteker. Catalin vindt hier wat warmte op een metalen deksel van de stadsverwarming vlakbij het Noordstation. Toen we een warme thee en broodje gaven lichten zijn ogen op en kwam een zeer mooie brede glimlach op dit leidend gezicht. Hij keek ieder van ons voeren ons hele ambachten gaan. Catalin is een van de velen verloren kinderen in Boekarest. De meeste kinderen verblijven in de groep, Catalin is alleen. Middernacht brengt hij door onder de grond en voelt zich blijkbaar veilig in de aanwezigheid van een groep van alcoholverslaafden mannen. In zijn best mal bezat zijn lijm, zijn verslaving, zijn enige vlucht van de harde werkelijkheid van zijn leven... Ik voelde zoveel pijn. De volgende dag brachten door hem een deken, bevonden hem terug op dezelfde plaats, slapend ineengekrompen als een foetus, zijn geleden dat van de vochtige warmte. Is dit de enige plaats voor hem? Is dit de enige warmte die dit kind ervaart? Enkele meters verder lachend straathond op een zelfde deksel te slapen, de vergelijking is pijnlijk maar het is de harde werkelijkheid van Boekarest. Toen ik het deken over zijn schouder gooide en hem toedekte keek hij mij met tederheid terecht in de ogen. Hij glimlacht de punt.., zijn ogen de winkel zijn als kleine sterren..., er was leven en er was hoop. De pijn op zijn gezicht verdween en voor enkele seconden vergat ik dat deze jongens zoveel te lijden heeft hij zei “Thank you” het enige Engelsen dat hij sprak. Zijn “Thank you” blijft zeker als een echo herhalen in mei en het is pijnlijk. We hebben zo weinig voor hem gedaan en toch. Punt. Het betekende allemaal zoveel voor deze jongen. Die avond, toen we thuiskwamen werkte onze verwarming niet en het was er koud, niemand zei iets, we begrepen alle drie dat het veel beter hebben dan onze vrienden op straat.

(...)

Dit jaar is een jaar van afscheid nemen en opnieuw beginnen, een jaar van ontworteling en planten. Eind januari verliet ik Manchester voor Kolkata (Calcutta), dit ja 3,5 jaar. Sinds 3 weken ben ik in Bucharest (Roemenië), we plannen om hier een tabernakel (huis) te openen. A.u.b., bid voor deze intentie. Met Kerstmis ben ik thuis bij mijn familie. Op 20 januari vertrek ik terug naar Manchester en op 19 maart 2004, feestdag van St. Jozef zal ik mijn eeuwige geloften doen. Er is een blijvend en diep verlangen in mij om in vrijheid mijn gehele leven aan God en zijn armsten toe te wijden. Deze roep van de Heer volgen was niet gemakkelijk … en is nog altijd niet gemakkelijk. Er zijn moeilijkheden, verleidingen, pijnlijke ervaringen, maar diep in mij is er diepe vrede, een blijvende overtuiging, een stille roep om trouw te blijven. Het is bij Gods genade dat ik deze roep beantwoordde en het is bij dezelfde genade dat ik het elke dag opnieuw beantwoord.

Doe maar wat Hij je zeggen zal (Bruiloft te Kana Joh. 2,4)

Achttien jaar geleden werd ik uitnodigend getroffen door deze woorden en ze bleven zich herhalen in de leegheid van mijn zoeken. Tot op vandaag herhalen deze woorden zich in mij. Ze zijn een voortdurende aanwezigheid van Maria, mijn moeder en de moeder van de armen. Deze woorden zijn een zachte uitnodiging om nar Jezus te luisteren en Zijn roep te blijven beantwoorden, elk moment opnieuw. De knechten op het bruiloftsfeest waren nederig genoeg om naar Maria te luisteren…, en wat water zou gebleven zijn, werd wijn. Ik besef dat mijn leven en geloof dat waterig was, wijn is geworden. Diep in mij ben ik vervuld van vreugde, liefde, vrede. Ik ben dankbaar en gelukkig (...)

 NAAR TOP VAN DOCUMENT
UITZICHT - OVERZICHT - THUISPAGINA  VERDERE VORMING - NIEUW

HET DRAMA VAN VLIERBEEK (1)

Uit: ‘een brokje kerkgeschiedenis’

door Louis Vercammen cssr

In de zeventiende en achttiende eeuw werd de katholieke Kerk verscheurd door het jansenisme, een ketterij die haar naam te danken heeft aan de Leuvense hoogleraar en bisschop van Ieper Cornelis Jansen. Hem mag men geen ketter noemen, hij wilde immers zijn Augustinus eerst voorleggen aan het oordeel van de Kerk. Twee jaar na zijn dood gaven zijn vrienden het manuscript uit (Leuven 1640). Nadruk viel op de erfzonde, de grondige bedorvenheid en onmacht van de mens, het gering aantal uitverkorenen, met als gevolg een buitensporig strakke moraal. De twisten onder de theologen laaiden hoog op. Het werk kwam op de Index, nog vele andere dergelijke druksels zouden volgen. Vooral in Frankrijk telde het jansenisme talrijke verstokte aanhangers. Ook de Leuvense universiteit was een broeihaard. In 1713 veroordeelde Clemens XI met de constitutie Unigenitus 101 stellingen van de Franse oratoriaan Quesnel. De al dan niet onderwerping aan de bul gaf aanleiding tot scherpe conflicten en leidde zelfs tot een regelrecht schisma : de oud-katholieke kerk van Utrecht. Een afscheuring die duurt tot op de dag van vandaag.

Pieter Paradaens
Geboren Turnhout 23 november 1655, professie in de benedictijnenabdij van Vlierbeek bij Leuven 6 januari 1680, priesterwijding Mechelen 19 september 1682, tot abt gewijd 16 mei 1699. Bij die gelegenheid beloofde hij schriftelijk onderwerping, gehoorzaamheid en eerbied aan de aartsbisschop en diens opvolgers. De man was ongetwijfeld zeer bekwaam: schitterende studies, geleerd, vroom, onthecht, strikt vegetariër, strenge levenswijze en regeltucht, helaas ook een Kempense keikop.

in het verzet
In Leuven was Paradaens de spil van het verzet. Hij sleurde niet alleen eigen onderdanen mee, maar ook veel geestelijken. De voorman van het jansenisme in Holland, Hugo van Heussen droeg zijn Batavia Sacra (Brussel 1714) aan hem op. Binnenshuis benoemde de abt tot lector in de theologie Jan van der Heyden, die later naar Utrecht vluchtte bij de schismatieke priesters. Als vooraanstaand lid van de Staten van Brabant en de Benedictijnencongregatie van Bursfeld, meende de prelaat dat hij onaantastbaar was voor vervolgingen vanwege de regering en de kerk. Hij vergiste zich.

moeilijkheden gepareerd
De moeilijkheden begonnen in juni 1721. Eeuwenlang genoten de Brabantse abdijen het privilegie hun onderdanen te laten wijden in het bisdom dat hun beliefde. In Mechelen moesten de wijdelingen toen eerst de bul onderschrijven. Om die ‘plagerijen’ te vermijden, zond de abt twee onderdanen naar Antwerpen om er het subdiaconaat te ontvangen. De bisschop aldaar liet ze het gewone examen afleggen en sprak niet over de bul. Dan kreeg hij van De Visscher, officiaal van het aartsbisdom, verbod hun de wijding toe te dienen, omdat het zogezegde privilegie vals en ingebeeld was en sedert het concilie van Trente afgeschaft. Onmiddellijk schakelde Paradaens de Raad van Brabant in. Er volgde een lang proces, dat eindigde met de veroordeling van De Visscher tot de kosten (26 febr. 1722). De Raad erkende dat de bisschop het recht had de kandidaten voor het priesterschap te ondervragen, maar het stond de abt evengoed vrij een bisdom te kiezen naar believen.

Een tweede botsing volgde vlak na het eerste incident. Van oudsher pontificeerden de abten in de Sint-Goedele te Brussel tijdens het octaaf van het Sacrament van Mirakel. Een schilderstuk aldaar door Jacob van Helmont was een gift van Paradaens. De 9de juli 1721 gaven de vicarissen van Mechelen, Baert en Hoynck van Papenbrouck, de gebruikelijke toelating, behalve... aan Park en Vlierbeek! De reden was: hun twijfelachtige rechtgelovigheid; het voorwendsel: dat zij zelf de toestemming niet hadden gevraagd. Dat hadden zij trouwens nooit gedaan, omdat het plaatselijk kapittel ervoor zorgde. Beide abten waren vanzelfsprekend in hun kuif gepikt en brachten prins Eugeen van Savoye in Wenen, een bekend tegenstander van de bul, op de hoogte. Met diens steun in de rug wikkelde de Raad in Brussel de zaak vlug af. De toestemming om te celebreren in het bisdom zonder tussenkomst van de bisschop werd verleend op 15 september 1721. Voorgelezen door deurwaarder De Potter, kregen de vicarissen de 30ste september het vonnis te horen in het portaal van de Sinte-Goedele.

tegenwind
Naar buiten toe dus twee overwinningen op rij, maar in de abdij zelf brak onenigheid los, de reeks klachten zwol aan: de abt regeerde als een despoot, gaf niemand rekenschap, hitste iedereen op tegen de constitutie en strafte alwie het het niet met hem eens was. En die vormden de meerderheid. De een werd opgesloten, de ander van zijn functie beroofd, nog anderen afgehouden van de wijding. Daarentegen kregen de volgelingen mooie postjes. Zijn neef Filip Cleymans, eveneens uit Turnhout, door het kapittel niet aanvaard, nam hij toch aan. Voortvluchtige medestanders uit Frankrijk en Holland vonden er een gul onthaal. Omwille van zijn verderfelijke doctrine uit Frankrijk verbannen, verbleef de Franse benedictijn dom Thierry de Viaixnes een half jaar in Vlierbeek, tot hij op 12 maart 1722 op bevel van markies de Prié over de grens werd gezet. Een zwerver kwam aanbellen, uit Frankrijk verjaagd omwille van de bul. Hij verkoos liever zijn leven dan zijn leer prijs te geven, zegde hij. Tweemaal celebreerde hij, achteraf bleek het om een hugenoot te gaan! Meteen een treffende illustratie van de spotdefinitie : ‘Een jansenist is een calvinist die de mis leest.’ De 8ste januari 1728 was er een groot feestmaal in de abdij. Genodigd waren alle bekende Leuvense geestesgenoten : de abt van Park, plebaan Schoeps, de professoren Van Espen, Cinck, Verhulst, Poringo. De tafeldienaars probeerden hen af te luisteren, maar onder mekaar spraken de gasten Latijn. Wel viel herhaaldelijk de naam Brigode, de trouwe medewerker van Quesnel.

 

aangeklaagd
Nuntius Giuseppe Spinelli te Brussel klaagde Paradaens aan te Rome. Benedictus XIII  drong dadelijk bij Karel VI in Wenen aan om in te stemmen met een apostolisch bezoek te Vlierbeek. De keizer gaf zijn toestemming op 29 mei 1728. Normaal had kardinaal en aartsbisschop van Mechelen, Thomas Philippe d’Alsace, de buitengewone visitatie moeten doen. Maar omdat hij als gezworen vijand van het jansenisme bovendien in proces lag met de abdij over de exemptie, was hij zeker niet onpartijdig te noemen. Daarom koos de nuntius op 26 juni de kapucijn Karel d’Espinosa, hulpbisschop van Mechelen, drie dagen tevoren door de paus benoemd tot bisschop van Antwerpen. Hij stond bekend als een gematigd man. De opgelegde taak lachte hem allesbehalve toe, maar omdat hij nog het placet van de regering nodig had om in functie te treden, had hij geen keus. De landvoogdes Maria Elisabeth gaf hem het bevel op 3 juli. Dezelfde dag bracht zij de Raad van Brabant op de hoogte. Er moet van hogerhand een lek geweest zijn, want daags voor de visitatie hadden Cinck en Verhulst in twee reizen per voertuig alle ketterse boeken, pamfletten en geschriften komen weghalen. Ook het meeste geld en heel wat kostbaarheden waren verdwenen.

Daar de brave kapucijn in onderlegdheid niet was opgewassen tegen de beklaagde, werden hem twee theologieprofessoren van Leuven als assistenten toegewezen : Noël Dubois en Guillaume Delvaux (later bisschop van Ieper). Als secretaris-notaris fungeerde François Wilmart, licenciaat in de rechten en kanunnik van Namen.

(Lees in volgend nummer: Het proces)

   NAAR TOP VAN DOCUMENT

INHOUD - ACTIVITEITEN - NIEUW - KINDEREN - BIJBEL - DIAPRESENTATIES - GEBEDSGROEP - PARAY L.M. - MARIA-KEFAS - PREKEN - REDEMPTORISTEN - THUISPAGINA - NADENKERTJES - NUMMERS - LITURGIE - ROEPING - GEZIN - JONGEREN - GETUIGENISSEN - ETHIEKHAHAHA - BOEKEN - MARIA - VORMING - ZENDING - KERK - CHRISTENUITZICHT - INFO - MEDIA - GEZONDHEID - SPIRITUALITEIT - PINKSTERSPIRITUALITEIT - VERHALEN - KUNST - BEZINNINGEN -