|
|
|
Jaargang 108 nr 1 (jan. - febr. - maart 2004) INHOUD
(Onderlijnd = opgenomen op deze pagina) INHOUD - ACTIVITEITEN - NIEUW - KINDEREN - BIJBEL - DIAPRESENTATIES - GEBEDSGROEP - PARAY L.M. - MARIA-KEFAS - PREKEN - REDEMPTORISTEN - THUISPAGINA - NADENKERTJES - NUMMERS - LITURGIE - ROEPING - GEZIN - JONGEREN - GETUIGENISSEN - ETHIEK - HAHAHA - BOEKEN - MARIA - VORMING - ZENDING - KERK - CHRISTEN - UITZICHT - INFO - MEDIA - GEZONDHEID - SPIRITUALITEIT - PINKSTERSPIRITUALITEIT - VERHALEN - KUNST - BEZINNINGEN - Geheimenisvol (Driekoningen)
red. UITZICHT - OVERZICHT - THUISPAGINA - VERDERE VORMING - NIEUW - ‘Geheimenisvol’, het klinkt mooier dan ‘mysterievol’, maar het zal wel geen echt Nederlands zijn. De voorpagina toont ons kleine koningen, rondtrekkend in het begijnhof, zingend en met de ster, en hopend op een kleine gave. Het nodigt uit tot wat gedachten. Die mistige, mysterieuze achtergrond, die kouwelijke kleine koningen, de zoom van hun mantel sleept over hobbelige kasseien… Tenslotte draait het gebeuren van de drie koningen rond een groot geheimenis, een diep mysterie: God die zich wil openbaren aan de hele mensheid, en de mensheid die dit keer wel ontvankelijk is, meer nog, die zelfs op zoek is gegaan naar God en aanbiddend neerknielt voor het Kind in de kribbe en het koninklijke geschenken aanbiedt. Overigens, we mogen dat hier wel even zeggen: God is even ontroerd door het eenvoudige bezoek van de herders als door dat van de wijzen. Jezus zal later de aandacht trekken op de arme weduwe met haar twee penningen, twee centjes ocharme, en Hij prijst haar als iemand die meer gegeven heeft dan de rijken, want “zij gaf van haar armoede alles waar ze van leven moest”. “Wie zijn leven vindt, zal het verliezen, en wie zijn leven verliest om Mijnentwil zal het vinden” (Mt.10,39). Eigenlijk is in het eeuwenoud gebruik van de zingende wijzen iets omgekeerd geworden. Wel beschouwd zijn het ‘bedelende’ koningen, die hopen iets te krijgen in plaats van hun geschenken aan te bieden. Maar zij geven wel hun lied in de plaats, en ze zijn tevreden met wat ze krijgen. Eigenlijk zijn het arme koningen, zoals die arme kleine Koning in zijn kribbe. Hij had ook enkel maar zijn lied van liefde: eer aan God in de hoge en vrede aan de mensen, want God houdt van hen. Ja, doorheen alles is Hij van hen blijven houden. En dankbaar is Hij wanneer hier en daar een mensenhart dankbaar naar zijn lied luistert en iets schenkt, waarin ze ook hun hart leggen, wat dankbaarheid, wat wederliefde. Kleine zingende koning. Kwetsbaar mensenkind. Gods Zoon. Nog zeer veel arme koningen lopen de wereld rond. Soms klinkt hun lied opgewekt, vaak weemoedig en soms is het niet meer dan een angstschrei van eenzaamheid en miserie, van gebrek aan liefde of misbruik door meedogenloze uitbuiters, drugleveranciers, gewiekste zakenlui, egoïstische opvoeders… Je kan er rond blijven fantaseren. Maar word er niet gewoon wat droevig door, laat je eenvoudig wat in beweging brengen naar de kleine Koning toe en naar al zijn kleine koninkjes... En geef dan ook maar van je armoe wat Hij in je hart heeft gelegd. naar: Katholiek Nieuwsblad De paus is een paar keer op bezoek geweest in ons land, als paus dan. Zo om pater Damiaan zalig te verklaren maar ook als pastoraal bezoek, o.m. op de Expo te Gent (zie foto verderop). Het bezoek was toen al gecontesteerd door vooruitstrevende katholieken, maar door de massa der gelovigen echt naar waarde geschat. Het heeft overigens ook werkelijk iets losgeslagen van vernieuwde inzet van velen en van vernieuwde evangelisatie, zoals kard. Danneels trouwens ook onlangs aangaf bij het bezoek van de belgische bisschoppen aan de paus. Na de analyse van de kardinaal gaf de paus ook een antwoord, waar we ons werkelijk moeten over bezinnen. We geven het hier weer aan de hand van een relaas uit het Katholiek Nieuwsblad. Paus is verontrust De paus speelde in op de schets van de kardinaal die zowel de lichtpunten als de schaduwzijden had vermeld. Bij de schaduwzijden merkte hij op diep bekommerd te zijn over de inlichtingen die hij over de Kerk in ons land gekregen had. “Men kan moeilijk voorbijgaan aan de werkelijke en ernstige bekommernis voor het aanhoudende terugvallen van de religieuze praktijk in uw land … Ook het gevoelige teruglopen van het aantal priesters en de aanhoudende crisis van de roepingen zijn voor u (bisschoppen) voorwerp van een bijzondere bekommernis". Langs de lichtzijde stelde de Paus “de kwaliteit van de pastorale samenwerking die met de priesters wordt beleefd in de priesterraden en de samenwerking met de vertegenwoordigers van het Godsvolk in de diocesane pastorale raden. De leken die steeds actiever deelnemen aan de zending van kerk, heel in het bijzonder in de parochies is evenzeer een motief voor grote tevredenheid…” De Paus wees er hier wel op dat de samenwerking van priesters en leken maakt dat ze elkaar aanvullen maar toch onderscheiden zijn. De priesters zijn onvervangbaar voor het leven van de Kerk. Als de jongeren dat niet kunnen zien, hoe zouden sommigen onder hen dan nog kunnen antwoorden op de roep van Christus om priester te worden. Christelijke wortels niet vergeten Nadien handelde de Paus over enkele evoluties in de Belgische samenleving. Die is sterk getekend door een grote secularisatie en dat kan er toe leiden dat ze dreigt haar christelijke wortels te vergeten. (Onze regeringsleiders wensen die wortels zelfs niet meer vermeld te zien in het Europese handvest. nvdr) “Zo is er in uw land recent een nieuwe wetgeving tot stand gekomen, die te maken heeft met de fundamentele dimensies van het menselijke en sociale leven, zoals de geboorte, huwelijk en gezin, ziekte en dood. Een wetgeving die ons verontrust”. De Paus bevestigde dat de bisschoppen daarover meermaals hun afkeuring hebben geuit. Hij nodigt hen uit hun zending te vervullen “op een nieuw werkveld dat in beweging is en dus moeilijk”. Hoe dat aan te pakken? ‘Ik nodig u uit, zegt de Paus, “om uw dialoog met de burgerlijke samenleving en met het Belgische volk voort te zetten, met de zorg om hen uitdrukkelijk de waarden van het christelijke geloof te leren kennen evenals zijn rijke ervaring met de mens doorheen de geschiedenis en de culturen.” Onbekend is inderdaad onbemind. vanuit welke gezindheid moet de kerk dat doen? “Niet om haar eigen model op te leggen, maar uit respect voor de dialoog zelf die noodzaakt dat de eigen en legitieme identiteit van iedereen in acht genomen wordt. Het op die voorwaarde dat de Kerk haar rechtmatige plaats zal vinden in de Belgische samenleving: door helder het Evangelie te verkondigen en door te werken aan haar stelselmatige inculturatie in de cultuur van vandaag’” Goede vorming De Paus moedigde de bisschoppen ook aan om “de theologische, spirituele en morele vorming van zoveel mogelijk mensen voort te zetten”. Dat begint reeds bij de parochiale catechese, gaat verder via permanente vorming over en verspreiding van de Bijbel in de gezinnen, om te eindigen bij de theologische vorming in de universiteiten en de gespecialiseerde instituten. De Paus benadrukte ook de nood aan een goede menselijke, theologische en spirituele vorming van de toekomstige priesters. En over de universiteiten herhaalde hij zijn stellingname: “De katholieke universiteit moet haar opdracht vervullen met de zorg voor het behoud van de katholieke identiteit. Alhoewel die universiteit haar wetenschappelijke autonomie heeft, heeft ze ook op de opdracht om de leer van kerkelijk leergezag in de verschillende onderzoeksdomeinen waarop ze werkzaam is in praktijk te brengen’. De Paus nodigt de katholieke scholen uit “om de rijkdom van het katholieke identiteit uit te diepen om zo de komende generaties jongeren het beste van de katholieke opvoedingstraditie te kunnen aanbieden: de zin voor God en de zin voor de mens, evenals de noodzakelijke morele principes, zodat ze op een serene en verantwoordelijke wijze kunnen groeien op hun levenswandel’. Dat alles zal, aldus de paus, vele jongeren kunnen helpen om hun christelijke roeping te vinden in het huwelijk, het religieuze leven of in het priesterschap. Tekenen van vernieuwing De paus besloot zijn toespraak door, zoals de bisschoppen, te wijzen op de tekenen van vernieuwing in het christelijke leven in België. Hij verwees o.a. naar de “nieuwe belangstelling voor de bedevaarten, de aantrekkingskracht van de stilte van kloosters en abdijen, het gevoelig toenemen van volwassenen die op weg zijn naar het doopsel, de actieve deelname van leken aan het parochieleven en de hernieuwde zin bij vele leken om een authentiek spiritueel leven te vinden”. Als de Kerk in België moeilijke en in zekere zin ook “arme tijden” beleeft, mag dit er haar toch niet van weerhouden om in alle omstandigheden het woord van Christus te doen horen en zo de toekomst voor te bereiden. Bemoediging De Paus moedigt heel bijzonder de priesters, de permanente diakens en de andere pastorale medewerkers aan “die soms misschien bekoord worden door vermoeidheid en door ontmoediging vanwege de moeilijkheden die ze ondervinden. Dat zij beseffen hoe nabij de Paus hen is, die de Heer dankt voor de vaak verborgen vruchtbaarheid van hun ministerie en die bidt dat ze zouden mogen oprecht gehecht blijven aan Christus”. En hij besloot “Aan u allen verleen ik mijn liefdevolle Apostolische zegen, die ik graag verruim tot de priesters, de diakens, de religieuzen en alle gelovigen van uw bisdommen”. (tb) An. Toegeleverd door Marleen Ik weet niet
of het u bekend is dat er een telefoon bestaat, DE
FRANCISCAAN VAN BOURGES (2) André Gérardy Deel 2. De
bezieling van Broeder Alfred In het eerste deel van dit relaas hebben we kennis gemaakt met een jonge Fransman, Marc Tolédano, gevangen en gefolterd door de Gestapo. Wanneer hij half dood en wanhopig in een cel achtergelaten wordt, krijgt hij bezoek van een bewaker, een zekere broeder Alfred. Waarom zet deze Duitse soldaat zijn leven op het spel om mishandelde gevangenen te verzorgen en te troosten? Alfred brengt Marc naar de verpleegkamer van de gevangenis. Marc is echter zo verzwakt dat Alfred hem bijna de hele afstand moet dragen, strompelend in de duisternis en daarbij nog er op lettend dat ze niet gezien worden. Marc voelt heel diep dat Alfred echt met hem mee lijdt. Maar onderweg verliest Marc het bewustzijn, en het is pas in de verpleegkamer dat hij weer bij komt. Met veel moeite maakt Alfred daar het slot van de boeien los met een geïmproviseerde sleutel. Daarna verzorgt hij de wonden, evenwel zonder zichtbare tekens van verzorging na te laten. Ondertussen brengen zijn verplegershanden en de zalf die hij zelf meegebracht heeft uit Keulen een begin van soelaas. Tijdens de verzorging vertelt Alfred Marc geruststellend nieuws over zijn broer Yves, die hij ook bezocht heeft tijdens dezelfde nacht. Alfred geeft dan Marc zijn missaal en vraagt hem het adres van zijn ouders erin te noteren, zodat hij hen zou kunnen verwittigen. De handen van Marc zijn echter zodanig gekwetst dat hij niet kan schrijven. Marc dicteert het adres aan Alfred, maar dit gebeurt moeizaam omdat Alfred bijna geen Frans kent, en daarenboven enkel een Duits dialect spreekt. Toch kunnen de twee mannen elkaar verstaan. Terwijl hij Marc verzorgt, vertelt Alfred over zijn eigen leven: hij is als Aloïs Stanke geboren in Dantzig (het huidige Gdansk), negenendertig jaar geleden. Zijn roeping kreeg hij toen hij dertien was en hij heeft er nooit aan getwijfeld. Toen hij twintig was, was hij kok bij Paus Pius XI in Rome. Marc kan Alfred nu ook beter zien: hij is eerder mollig, met een rond gezicht. Met zijn warme stem spreekt hij een sappige taal, met veel beelden, met gezond boerenverstand ook, zonder omwegen. Alfred vertelt over talrijke mensen die hij in die Bordiotgevangenis verzorgd en getroost heeft : weerstanders, maar ook volksvertegenwoordigers, hoge officieren, bescheiden werklieden, Joden, priesters….. Op de vraag of hij niet vreest dat de Gestapo hem vroeg of laat ontdekt, zegt hij te vertrouwen op Gods voorzienigheid, “maar als het de wil van de Vader is, zal ik trachten met dezelfde sterkte voor de dood te staan als al die Fransen die ik heb zien vertrekken bij het krieken van de dag…” Op de vraag van Marc “Wie ben jij, Broeder Franciscaan, en waarom zet je zo jouw leven op het spel voor onbekenden, ja zelfs voor vijanden van jouw land?”, antwoordt Alfred: “Ieder mens die lijdt is mijn vriend, wie hij ook is, welke zijn huidskleur ook is, zijn godsdienst, zijn afkomst, zijn nationaliteit, wat hij ook gedaan heeft om in de gevangenis te belanden. Hoe meer redenen er zijn dat iemand hier terechtkomt, hoe groter de kans dat hij door mij begrepen en geliefd wordt. Dezen die in de ellende zijn, zoals jij, Marc, zijn mijn vreugde, ja, ze zijn mijn vreugde. Ik ben het niet alleen die hen troost brengt, zij helpen mij om mijn plicht te doen. Want het is hard, weet je, om in de eenzaamheid te werken, meestal dan nog in de verborgenheid. Hetgeen ik hen geef, geven zij mij terug met hun genegenheid. Voor mij ligt de weg vast, ik doe niets anders dan te gehoorzamen aan de regels van onze heilige uit Assisi.” Terwijl hij naar Alfred luistert voelt Marc een diepe vrede over zich neerdalen, hij voelt zich bevrijd van het lijden en van de angst, hij komt weer tot leven. Bovendien staat hij vol verwondering voor de tussenkomst van God: “Voor mij is er geen twijfel. Alfred werd door God uitgekozen en van binnenuit herschapen, zoals ooit Saul van Tarsis die de Heilige Paulus werd. Want niets in Alfred leek hem voor te bestemmen voor grote daden, noch zijn geaardheid, noch zijn opvoeding, noch zijn omgeving. Maar God verrast ons dikwijls met de mensen die Hij uitkiest om hen een zending toe te vertrouwen.” Ons naschrift mag bijna identiek zijn aan ons voorwoord in vorig nummer… Wij voelen ons soms voor moeilijke situaties geplaatst waarbij we ons afvragen: Hoe kan ik hier als christen getuigen? Moet ik hier wel voor mijn overtuiging uitkomen? De eenvoudige Franciscanenbroeder, Alfred, wist zijn christenzijn op radicale wijze te beleven binnen de extreem onmenselijke situatie van een Gestapogevangenis in bezet gebied. Wil in uw
huis aan Christus’ kruis “Pas als ik
gegrepen ben door Jezus (p. Nottebaert tot het leidersteam van de Maria-Kefasgemeenschap over de theologiestudie van een jongere). KATECHISMUS
VAN DE KATHOLIEKE KERK (27) III. HET MYSTERIE VAN DE KERK (kkk 770-780) Enkel met ‘de ogen van het geloof’ kan men de geestelijke werkelijkheid zien van de Kerk en hoe ze draagster is van goddelijk leven. 1 Zichtbaar en onzichtbaar
(771) Je hebt geen juist zicht op de kerk als je niet ziet - hoe ze een hiërarchische structuur heeft en tegelijk het mystiek lichaam van Christus is - hoe ze een zichtbare vereniging en tegelijk een geestelijke gemeenschap is - hoe ze een aardse kerk en tegelijk een met hemelse gaven bedeelde kerk is. Dit alles maakt dat ze soms heel menselijk, soms zelfs zondig en bevuild verschijnt en dan weer heilig en lichtend. “Zwart van het stof maar toch mooi, bleek door de vermoeidheid en smart van de lange ballingschap, maar toch gesierd door een hemelse schoonheid”, schrijft de h. Bernardus van Clairvaux. 2 Mysterie van de gemeenschap van de mensen met God (772-773) Omdat de Kerk verbonden is met Christus als met haar Bruidegom wordt de Kerk zelf ook een mysterie. Haar doel is de gemeenschap van de mensen met God. Alles wat in haar sacramenteel of menselijk aanwezig is, is daarop gericht: de heiligheid van de ledematen van Christus. Maria gaat ons voor in die heiligheid. 3 Universeel sacrament van het heil (774-776) Christus is het heilsmysterie zelf.In Christus is de kerk als het ware het teken en het instrument van de innige vereniging met God en ook van de eenheid van de mensheid (in de kerk moet plaats zijn voor alle mensen van overal). De kerk wordt door Christus gebruikt voor de verlossing van allen. GENERAAL
KAPITTEL TE CASTEL GANDOLFO Van 15 september tot 15 oktober 2003 ging te Castel Gandolfo in een gebouw van de paters Salesianen het generaal kapittel door van de paters en broeder (en leken) redemptoristen. Voor de leden van het Provinciaal kapittel en de geïnteresseerde confraters gaf p.provinciaal Walter Corneillie (Schielijk overleden te Frankfurt op terugweg van een dienstreis in Libanon op 23 december 2004) een boeiend relaas in ons huis van Essen (nabij de Nederlandse grens). We pikten er deze punten uit. De eerste week werden uiteraard veel contacten gelegd, vooral in de ‘wandelgangen’ en later ook in de regionale deelgroepen. Er bleek dat er 97 stemgerechtigden waren (er zou immers een nieuw generaal bestuur moeten gekozen worden) en er werd al afgetast wie er desgevallend best zou gekozen worden. Er werd ook een moderamen samengesteld om de vergaderingen in goede banen te leiden en nogal wat praktische inlichtingen gegeven (zoals hoe je electronisch moest stemmen. Hier ten lande herinneren wij ons van de nieuwe stemsisteem in de kamer van volksvertegenwoordigers hoe kamervoorzitter Decroo vroeg ‘Gelieve nu allemaal te stemmen’ en dat er in feite niets gebeurde. Dat lag toen aan het sisteem zelf, maar dat was op het generaal kapittel perfect in orde. nvdr). Algemeen bleek ook dat men verder wilde werken vanuit het vorige generaal kapittel, namelijk over Spiritualiteit, maar dan verankerd in ons concrete leven. Een volgend punt bestond dan in het beluisteren van de regio’s (een regio omvat een aantal provincies die enigszins dezelfde problematieken hebben of die om een of andere reden gemakkelijker met elkaar kunnen overleggen en desgevallend samenwerken. De Provincie Vlaanderen behoort zo tot de Noord-Europese regio). In deze verslagen ging het dus voornamelijk over de stand van de Redemptoristengemeenschap en haar werking in die regio. Vooral N-Europa en Zuid-Amerika kwamen met een degelijk relaas. 1) Latijns-Amerika en de Caraïben (nog onderverdeeld in 3 subregio’s). Daar zijn wel een aantal jongeren in vorming en ook een aantal novicen, vooral dan in het noordelijk deel; daar is nogal veel aangroei en heeft men de zorg over een aantal bedevaartsplaatsen. In de missiepredikatie moet men vooral afrekenen met de werking van sekten. Er is de vraag welke kerk men daar zal worden. Na de hoogconjunctuur van de bevrijdingstheologie is er nu een verrechtsing te zien in de kerk. Dit roept vragen op. 2) Noord-Amerika. Vooral de provincie Denver getuigde dat men nog de laatste resten van de missiepredicatie meemaakt op parochies. Men heeft er veel aandacht voor de imigratie (dat was zo van bij het begin), vooral in Spaanssprekende parochies. Er stelt zich in deze provincies ook het probleem van de geloofwaardigheid van de Kerk en het religieuze leven, wegens de grote ruchtbaarheid rond seksueel misbruik door geestelijken en priesters. De mensen zijn geschokt in hun vertrouwen. Verder stelde men zich in deze regio ook de vraag of men bij de nieuwe armen ook niet de velen moet rekenen die - misschien niet arm op sociaal-ekonomisch vlak - arm zijn in het antwoord dat ze op de levensvragen te geven hebben, kortom de grote groep ‘zinzoekers’ die we ook in onze streken aantreffen. 3) Noord-Europa. Pater Michael Kratz maakte een sterk onderscheid tussen West-Europa en het Oosten. In West-Europe maakten we de secularisatie mee en het postmodernisme en de vraag die een deel mensen zich stellen: Heeft men de Kerk en het evangelie nog wel nodig? Hoe kunnen we het Blijde Nieuws brengen aan zulke mensen? Oost-Europa kenmerkt zich door de geringe aandacht (er zijn natuurlijk uitzonderingen) die men heeft voor de sociale problemen; de uitdaging is om daden van gerechtigheid te stellen. De toenadering tot West-Europa is in deze regio wel stilaan verbeterd; Er stelt zich ook het probleem van de geünieerde (met Rome verbonden) christenen en de orthodoxen. 4) Zuid-Europa (o.m. Italië, Frankrijk, Wallonië…) Deze provincies vertonen zeer verschillende gezichten volgens de leeftijd. De vraag die men zich stelt is: waar liggen de speerpunten waar we mee bezig moeten zijn? De ouderen vinden nog veel bezieling vanuit de ‘herinnering’. Enkel in Spanje en Italië preekt men nog missies. Men deelt ook in de kerk-problematiek. 5) Het verre Oosten (India, Vietnam, Filippijnen…) Vanuit een vorm van verdrukking of kleine minderheid leven ze in de context van interreligieuze ontmoeting en dialoog. Wel hebben ze een boodschap te brengen over de uniciteit van Christus. Voor de rest is het een moeizaam maar met veel openheid luisteren naar de andere godsdiensten. In deze regio ligt volgens p. provinciaal een hele toekomst. 6) Regio Afrika. Daar hebben we veel jonge mensen en nieuwe apostolaatvormen, maar er stelt zich als probleem dat toetreden tot de kerk en het religieuze leven een soort van sociale promotie is, vanuit de armoede naar de welvaart. De kerkmensen zijn een soort middenstand en lijken weinig contact te hebben met de sociale onderlaag van hun landgenoten. Enige algemene gegevens. De Congregatie van de Allerheiligste Verlosser (Redemptoristen) is aanwezig in 77 landen en heeft 5500 leden. Er zijn veel vormen van apostolaat, maar de missiepredikatie die de congregatie vroeger zo kenmerkte is bijna onbestaand. Er is ook geen echte aangroei. Een grote problematiek is om de provinciale structuren in leven te houden. Vandaar het belang van de regio’s en de interprovinciale samenwerking, fusie of nieuwe provincievorming. Verkiezingen. De uittredende pater generaal (Joseph Tobin uit Texas) werd in de eerste stemronde reeds herkozen met 2/3 van de stemmen. De raadsleden werden daarna gekozen, sommigen met iets meer moeite. Een Poolse filosoof Jacek Dembek (42 j.), uit Zuid-Europa: Seraphino Fiore (53 j., die ook vicaris werd). Uit India (Bangalore): Juventus Andrade (45 j.). Uit Zuid-Amerika: Enrico Lopez (53 j.), een zeer joviaal confrater. Uit N.Amerika Raymond Douziech (60 j., privé-secretaris van p. Generaal). Uit Afrika: p. Athanase Nsiamina (45 j., Kongolese vice-provincie). Hoe de thematiek aanpakken voor het volgende triënnaat? 1) Missionaris zijn binnen de concrete context - Lekenmedewerkers: zij doen nu al mee missionair werk, het moet nog groeien tot echt partnerschap (niet gewoon hulpjes). Er is ook het probleem van de samenwerking die in oudere provincies vaak de vorm zal aannemen van ‘opvolging’. - Oude en jongere medebroeders: vanuit de missiepredikatie zijn we nu missionaris in de concrete context waarin ieder leeft. We moeten duidelijke criteria stellen: Waar maken we ons illusies en waar zijn we integendeel wel echt missionair bezig? Het gaat daarbij niet enkel over binnenkerkelijke problematieken, maar aandacht voor de zinzoekers die vanuit de secularisatie en het postmodernisme komen. 2) De gemeenschap: Dit is de eerste plaats van de missionaire zending. We stellen veel eenzaamheid en tegenstellingen vast, maar vaak ook een positieve geest. Er zijn confraters die op afstand blijven en nogal wat alleenwonenden. Het gemeenschapsleven gaat bij ons niet over abdijleven of een soort van nestwarmte in de rug, maar echte betrokkenheid. 3) Zowat overal is er ook de vraag naar herstructurering als noodzaak voor de stappen naar de toekomst. - Voor de Provincie Vlaanderen (89 leden), Nederland (100) en Keulen (200) denkt men aan een nieuwe Klemensprovincie maar 1° met openheid naar nog andere provincies en 2° gezamenlijke vorming en opleiding en een duidelijke keuze voor prioritaire zendingen waarvoor men de jongeren en nog aktieven zou bijeenbrengen. Pater Generaal wil dit proces op gang brengen en p. Stanislas Wröbel zou optreden als ‘procesbegeleider’. - Parijs en Lyon zouden samen op weg gaan (wat reeds enigszins zo is). Wallonië zou willen ophouden als zelfstandige provincie en de huizen (kloosters) toevertrouwen aan Rome. P.S. Op 3 oktober 2003 werden de kapitularissen door de paus ontvangen in de Clementina-zaal. P. Joseph Tobin las een hartelijke groet van het kapittel voor en de paus beantwoordde de begroeting met een boodschap, die aansloot bij het Werkinstrument van het kapittel. Met moeite konden we de enkele zinnen verstaan die hij zei: “dat de Geest U de wijsheid mag geven en de profetische kracht om aan uw religieuze gemeenschap een nog groter missionair elan te geven”. naar nota’s van p. Alouis Maris cssr e.a. De derde kerk Toen het klooster en vooral de kerk aan grote en noodzakelijke herstellingen toe waren, besloot men een nieuwe kerk te bouwen en het klooster te renoveren. Dit laatste lag niet direct voor de hand. In 1972 zou ons “Hopland” immers ‘totaal’ verkocht worden aan de Firma Peeters. Vraag was dan waar de paters en broeders intussen heen zouden trekken. Eerst werd gedacht aan Ekeren, ook aan Merksem werd gedacht. Uiteindelijk kwam men tot het besluit dat men best een bestaand stuk van onze eigendom kon behouden. Het klooster werd grondig vernieuwd en een kleinere, moderne kerk werd op de vroegere binnenplaats gebouwd. De firma Peeters bouwde ondertussen de Parking Inno maar bood aan het klooster een doorgang aan vanuit de Otto Veniusstraat naar zijn Parking (600 auto’s) die onder het koor van de kerk doorliep, en een ruimte voor de redemptoristen voor 4 à 5 auto’s die ons verbond met de gang in de kelder. Daarvoor schonk hij ons een stuk tuin terug, met brandladder als reddings-tram voor de Inno. Gelukkig maar, want anders hadden we tegen een hoge muur zitten aankijken vanuit onze refter. Deze refter was trouwens nieuw en luchtig. Ook de keuken was nieuw en bereikbaar vanuit de tweede poort (rechts), door wat vroeger onze enige garage was èn opslagplaats voor o.m. de vuilnisbakken, de bromfiets van p. Debeir en een paar fietsen. Daarlangs zou na de dood van ‘Lowie’ ook het middagmaal van Inno worden aangebracht. Tijdens de verbouwingen logeerden de paters Baetslé en Frans Vos en broeder-koster Theophilus (van de Nederlandse Provincie) in een leegstaand magazijn recht tegenover ons; daar gingen ook de zondagsdiensten door in een benedenzaal die 250 personen kan bevatten. Het was er een stemmige sfeer. Er was ook een kleine sacristie vlak naast die kapel, waar op een klein verhoog het altaar werd geplaatst. Op 3 februari 1973 echter werd de nieuwe kerk ingewijd door Mgr. Daem, bisschop van Antwerpen (na lange tijd had Antwerpen inderdaad weer een eigen bisschop). Hij werd daarbij geassisteerd door de paters Albert van den Broeck (provinciaal), Paul De Meyer (rector) en de confraters van het Hopland. In de kranten (DS, NB, HB Antw.Stad van Maandag 5 februari 1973) verscheen volgend verslag: “De plechtige wijding van de nieuwe kerk der paters Redemptoristen (Hopland 47) vond plaats onder een overrompelende belangstelling. Naar schatting waren twee of driemaal zoveel personen aanwezig, als het aantal beschikbare stoelen (250). Onder de aanwezigen bevonden zich de schepenen Mej. Mia Van Cauwelaert en Jos Posson, senator A.Sledsens, architekt Stijnen en tal van prominenten die in hun jeugdjaren lid zijn geweest van de toen zeer bloeiende Congregatie der H.Familie, die bij de Paters Redemptoristen was gevestigd. Slechts met moeite kon de stoet der geestelijken zich een weg banen door de opeengepakte menigte, om het altaar te bereiken waar - na het zingen van het intredelied - de wijding werd verricht door de bisschop van Antwerpen Mgr. Daem. Daarop volgde de eucharistieviering. Pater Provinciaal Van Den Broeck, rector De Meyer, pastoor-deken Lambrechts en pastoor Mertens van de parochiale St.-Jacobskerk maakten deel uit van de 9 concelebranten. De plechtigheid werd opgeluisterd door een sterk bezet koor van het O.-L.-Vrouwkollege, dat onmiddellijk na de wijding grote indruk maakte, met het prachtig, Gregoriaans gezongen, “Salve Regina”, ter ere van O.-L.-Vrouw van Altijddurende Bijstand, die sedert meer dan een eeuw in deze kerk wordt vereerd. De nieuwe icoon is zeer mooi. Ze werd uitgevoerd door een van de paters (Carremans), naar het origineel dat zich in Duitsland bevindt. In zijn homilie legde Mgr. Daem de nadruk op de sfeer die in het nieuwe kerkgebouw wordt opgeroepen en die er een echte gebedskerk van maakt, een oase van stilte midden het rumoer en de jacht van het leven. Na de kerkelijke plechtigheid werd tijdens een receptie in het klooster gelegenheid geboden aan vele jeugdvrienden om er elkaar opnieuw te ontmoeten. Alhoewel de paslijn van de kerk hoger ligt dan het straatpeil, is het gebouw ook zeer gemakkelijk toegankelijk voor gehandicapten in rolstoelen. Van buitenaf gezien is de nieuwe kerk weinig te bemerken. De oude kloostergevel in baksteen staat er nog zoals een eeuw geleden; eerlang wordt die opgefrist. De ingang van de kerk bevindt zich nu dichter naar de Otto Veniusstraat toe, ongeveer tegenover de Lange Gang” (jdt). REDEMPTORISTEN-KONGOMISSIONARISSEN door p. Hugo Gotink 3. Pater
René Van de Steen (1889-1953) Voorbereiding René Van de Steen, zoon van Karel Van de Steen en Camilla Geerts werd geboren in het Waasland, te Haasdonk, op 4 juni 1889. Hij volgde het voorbeeld van zijn twee jaar oudere broer, Jozef, en trad binnen bij de Redemptoristen in het noviciaat te Sint-Truiden op 29 september 1906; daar deed hij zijn eerste religieuze professie op 29 september 1907. Zijn priesteropleiding volgde hij aan het studiehuis van Beauplateau (vlakbij Tillet in de Ardennen); daar werd hij tot priester gewijd door Mgr. Thomas Heylen op 29 september 1912. Na zijn studies volgde hij nog gedurende enige maanden een cursus tropische geneeskunde om zich op die manier beter voor te bereiden op het missiewerk in Kongo. Eerste stappen als Kongomissionaris Direct daarna scheepte pater René in te Antwerpen (6 sept. 1913) en landde te Matadi op 26 november 1913. Op 2 oktober werd hij voor het tweede noviciaat naar Nsona Bata gestuurd. In november volgt hij dan nog een medische stage te Leopoldstad; in maart 1914 werd hij tot broessepater benoemd in vervanging van pater Joseph Delwart die naar Matadi vertrokken was. Vol jeugdig enthousiasme bezocht hij de dorpen voor apostolische rondreizen. Hij had het genoegen van op het feest van de Tenhemelopneming 1914 te Sanda de twee gemedailleerde chefs te mogen dopen: Mfumu Maurice Ntete en Mfumu Philippe Sakala Matanga. Maar in september al werd hij naar Thijsstad geroepen (Mbanza Gnungu) om rond te trekken met de grote broussard, pater Georges Dufonteny. Ze ondernamen missietochten van een tot twee maanden in de dorpen (chefferies) van Mbanza Gnungu, Mbanza Mbata en Gombe, waar ze veel nieuwe dorpen bijwonnen voor het katholieke geloof. In februari 1916 werd pater René Van de Steen aan de missie van Tumba verbonden terwijl hij ondertussen verder apostolische reizen ondernam in het Zuiden, speciaal in de horigheden van Mbanza Makuta, Tungwa, Luvaka en Bangu, waar hij veel catechisten plaatste. Met zijn kruisvaarderstemperament trad hij vaak in concurrentie met protestanse missionarissen. Meermalen beschuldigden ze elkaar wederzijds bij de gezagsdragers van Boma of Thijsstad wegens bedreigingen, geweld of smaad die ze zouden ondergaan hebben. In augustus 1919 nam hij zijn eerste vakantie in België en keerde terug in de Meimaand van 1920. Voldragen broussard met schrijverstalent Terug in Tumba wist pater René echter dat hij zou aangeduid worden om de nieuwe missie bij de Manianga te beginnen. In afwachting dat het gebied van Manianga bij de prefectuur van Matadi zou aangehecht worden, vertrok hij naar de nieuwe missie van Kasi op 17 mei 1921, om inlichtingen te bekomen over de andere rivieroever in het vooruitzicht van zijn toekomstig apostolaat. Op 28 juli kwam de benoeming aan samen met deze van pater Paul Vuylsteke voor de stichting van een nieuwe missie op de Noordelijke oever van de stroom: een nieuw evangelisatiegebied. Pater Vuylsteke stak de stroom over op 19 augustus 1921 en installeerde zich te Nkondi. Op 28 september vervoegde pater René hem daar om de nieuwe stichting te beginnen. Hier zal de pater de grote broussard worden en de apostel van het Noorden. In november ondernam hij zijn eerste missietocht in de Balari om de gunst van de gemedailleerde chefs te winnen en de kerk in te planten in de dorpen door er een catechist achter te laten. Na Pinksteren 1922 werd de missie van Nkondi verplaatst naar Kinkenda. In november 1922 trok hij naar de dorpen van Noord Yanga met Kimpungu (waar men te Mangembo de missie definitief zou stichten in 1926). In februari 1923, pater René was toen 33 jaar, breidde hij zijn apostolaat uit naar het Noord-Westen: de Mongo Lwala. Alle avonturen die hij tijdens deze reizen beleefde heeft hij beschreven in een tiental artikels in het tijdschrift ‘Gerardusbode’ (het tegenwoordige ‘Geloof en Leven’) waarvan zijn broer Jozef hoofdredacteur was; het doel was financiële ondersteuning te verwerven voor zijn talrijke catechisten en verscheidene honderden doopleerlingen (catechumenen). Het duurde niet lang of hij kwam weer in een conflict met de protestantse missionarissen, die reeds lang in deze streek werkten. Met ijver en moed predikte René het geloof op de missie van Mangembo, waarhij hij tussentijdse overste werd in december 1926 tot oktober 1931. Elk jaar waren er meer dan duizend doopsels, 2200 in 1930 en 3044 in 1931. Bedelaar voor Mangembo in dienst van de Heer In 1926 was Mangembo een missiepost van gestampte aarde (gebouwd op het aktuele plateau van het college), maar hij werd gedurende de jaren 1929-31, dankzij de stoutmoedigheid van pater René, een missie in rode baksteen, gelegen in de vallei van de Lusida. Om deze omvorming te verwezenlijken, zouden uit de pen van pater René opnieuw een tiental artikels vloeien om financiële hulp te vragen; het artikel “Ons Heer zit in de regen” bezorgde hem een echte geldregen. Toen hij het plan van een kerk had (van 45 m. lang en 19 m. breed) van de hand van architect Van Dael en met de financiële belofte van zijn grote weldoener pater Paul Verriest, startte pater René in het droge seizoen van 1929 samen met de catechumenen de fabricatie van duizenden bakstenen. In februari 1930 kwam broeder Gabriël aan met twee leken metsers. Ook nog met de medewerking van de broeders Bruno en Alouis en een twintigtal Kongolese metsers begon men de bouwplaats van deze kerk in maart 1930. Verscheidene keren werden de werken onderbroken en tegengewerkt; gebrek aan geld, vrachtwagen in panne, schaarste van materialen, de brug over de Sobi weggespoeld, de muur van het schip van de kerk met de bogen ingestort door een geweldige storm, discussies over een of andere wijziging van het plan… Tenslotte werd de kerk ingewijd door Mgr. Jan Cuvelier op 17 januari 1932. Pater René was er niet bij aanwezig, want in augustus 1931 had hij Mangembo verlaten voor zijn tweede vakantie in het thuisland. Daar zocht hij nog geld en stuurde golfplaten om de kerk te voltooien. Op een zijspoor gezet In Kongo teruggekeerd in oktober 1932 wenste pater Provinciaal dat pater René niet meer naar Mangembo zou terugkeren wegens zijn talrijke conflicten met de staat en de protestanten en hij werd benoemd als rondtrekkend missionaris op de missie van Kionzo, voor de streek van Vanga. Het was voor pater René een zware beproeving zoals we kunnen bemerken aan zijn letterkundige rust. Na twee jaar verliet hij Kongo in september 1934 om een tijd van bezinning te nemen in België. Gestuwd door zijn apostolische ijver keerde pater René echter terug naar Kongo in januari 1936 en werd benoemd voor de missie van Nsona Mbata, waar hij overste werd in september 1937. In maart werd hij overgeplaatst naar Kasi, maar in zijn hart bewaarde hij het verlangen om naar Mangembo terug te keren. In de jaren 1944-45, onthaalde hij te Kasi de broeders en paters die zich bezig hielden met de opbouw van het nieuwe seminarie te Kibula tot aan de opening ervan op 10 oktober 1945. Troostvol bezoek aan Mangembo In september 1948 werd pater René aangeduid voor Kingoma. Daar hij in Luozi moest wachten op dragers, omwille van zijn verhuis naar Kingoma, nam hij de gelegenheid te baat om met een vrachtwagen mee te rijden, om te Miyamba zijn grote vriend pater Joseph Dossogne te bezoeken en een dag door te brengen te Mangembo. Hoewel van korte duur, maakte deze reis hem zo gelukkig dat de inkt opnieuw vloeide voor artikels die weer spraken van de missionaire avonturen van zijn eerste jaren. Hij vergeleek deze herinneringen met een bezoek aan een wijkelder om de beste fles te drinken. Maar pater René bleef slechts een jaar te Kingoma, want in mei 1949 begon zijn vierde vakantie na een term van 13 jaar (1936-1949). De laatste jaren Terug in 1950 werd hij benoemd te Tumba als aalmoezenier bij de broeders. Hij werd nog naar Thijsstad H.Teresia geroepen om een interim te doen als overste. Maar wegens zijn ouderdom (63 jaar!) keerde hij in december 1952 naar Tumba terug. En toen de Broeders van de Christelijke scholen te Konzo hun normaalschool openden ging de pater daar in januari 1953 ook heen. Maar na twee maanden werd hij ernstig ziek en moest in maart van dat jaar terugkeren naar België voor de nodige zorgen. Hij onderging nog enige chirurgische ingrepen in de tropische kliniek te Antwerpen waar hij vroom ontsliep op 6 oktober 1953. Pater René Van de Steen was toen 64 jaar waarvan 40 jaar in dienst van de evangelisatie van Kongo. INHOUD - ACTIVITEITEN - NIEUW - KINDEREN - BIJBEL - DIAPRESENTATIES - GEBEDSGROEP - PARAY L.M. - MARIA-KEFAS - PREKEN - REDEMPTORISTEN - THUISPAGINA - NADENKERTJES - NUMMERS - LITURGIE - ROEPING - GEZIN - JONGEREN - GETUIGENISSEN - ETHIEK - HAHAHA - BOEKEN - MARIA - VORMING - ZENDING - KERK - CHRISTEN - UITZICHT - INFO - MEDIA - GEZONDHEID - SPIRITUALITEIT - PINKSTERSPIRITUALITEIT - VERHALEN - KUNST - BEZINNINGEN - |