JAAR 2003 nr. 4

Jaargang 107 nr 4 (okt. - nov. - dec.  2003)

INHOUD  (Onderlijnd = opgenomen op deze pagina)

INHOUD - ACTIVITEITEN - NIEUW - KINDEREN - BIJBEL - DIAPRESENTATIES - GEBEDSGROEP - PARAY L.M. - MARIA-KEFAS - PREKEN - REDEMPTORISTEN - THUISPAGINA - NADENKERTJES - NUMMERS - LITURGIE - ROEPING - GEZIN - JONGEREN - GETUIGENISSEN - ETHIEKHAHAHA - BOEKEN - MARIA - VORMING - ZENDING - KERK - CHRISTENUITZICHT - INFO - MEDIA - GEZONDHEID - SPIRITUALITEIT - PINKSTERSPIRITUALITEIT - VERHALEN - KUNST - BEZINNINGEN -

Naar U dorst mijn ziel                                  Redactie         

De Vierde Wereld (2)                                     André Duprez 

De eerste missievlucht naar Kongo (15)        Jozef Boon CssR           

Nota over het Hopland (2)                            naar A.Maris e.a. cssr

Paulus (23) Aankomst in Rome                    B. Van Vossel cssr

De Franciscaan van Bourges (1)                 André Gérardy gmk nr. Tolédano

Vernieuw nu je abonnement                             Redactie

Kongomissionarissen (2) Br. Emile Bultinck    Hugo Gotink cssr         

Gebedsgroep op Internet         www.geloofenleven.be/gebedsavond.html       

Decaloog (10) 4 Eert uw vader en moeder   B. Van Vossel cssr     

Winterkamp voor tieners         

Katechismus v.d. Kath.Kerk (24) De heilige katholieke Kerk. Résum. bvv

Kindje Jezus van Praag verhuist

Het heilig huis van Loreto      (3)                  Steven De Wachter

Gerardus (25) Jubilaris (2004/2005)                Gabriël Dewilde cssr

Een boeiend project in Bagdad                     Vincent Van Vossel cssr

Henri Nouwen Manuscript-prijs                     van Uitg. Lannoo

Onze dierbare overledenen (dhr Paul Van Troos, zr. Martha Allegaert, dhr Fernand De Mey, p. Jan Carbon cssr)

Ingezonden boeken (Vanderbrugghen L., Op verkenning in een tijd van Ballingschap /            C. Noyen, Bij de bron van Elia / S. Weil,  Door God gezocht / R. Faesen, Lichaam in lichaam, ziel in ziel / Kard; Danneels, Vertrouwen / J.R. Porter, De bronnen van het geloof / A. Grün, Spiritualiteit van het gezonde leven / L. Carbon, Mediteren met iconen)

Uitnodiging tot Vormingsreeksen 2003/2004 in ‘Oase in de Stad’

NAAR TOP VAN DOCUMENT

UITZICHT - OVERZICHT - THUISPAGINA  VERDERE VORMING - NIEUW

NAAR U DORST MIJN ZIEL EN HUNKERT MIJN HART

Het is warm geweest in juli en augustus. Heel warm. En er leek maar geen eind aan te komen. We vergeten het misschien vlug als het weer wat frisser en natter geworden is. Maar warm was het. En dorstig. Sommigen voelden dat minder aan maar kregen van hun geneesheer te horen dat hun hoofdpijn en misselijkheid eigenlijk uitdrogingsverschijnselen waren. Veel mensen op het Europese vasteland zijn overleden wegens de grote warmte. Er zijn al politieke gevolgen in sommige landen omdat de verantwoordelijke ministers onvoldoende maatregelen genomen hebben.

Mensen uit warme streken kennen dat verschijnsel beter. Zeer vaak is in de Bijbel spraak over ‘dor land’, ‘mijn tong verdroogt in mijn keel’, ‘zoals een hinde smacht naar stromend water’, ‘een regen die het land verblijdt’… De psalmen staan vol van dat soort zinspelingen op warmte, droogte, dorst… Zo ook in de mooie psalm waarmee het morgengebed van het Getijdenboek begint op de eerste zondag: “Naar U dorst mijn ziel en hunkert mijn hart, als dorre akkers naar regen”. Wij kunnen ons inleven in de gemoedsgesteltenis van die Oosterse dichter, zelfs als het bij ons ondertussen aan het regenen is gegaan.

Maar kunnen wij ons ook inleven in het gemoed van die gelovige mens, die aan God zegt: “Naar U dorst mijn ziel en hunkert mijn hart”? Als ik mijn leven zo vul met activiteit, mij enkel richt op geldgewin, op uitpersen van alles wat er maar te genieten valt? Maar zelfs dan, als je maar even stilvalt, kan je een soort leegte ervaren, een diepe geestelijke honger of dorst, een vraag naar de uiteindelijke zin van ons drukke bestaan, van ons altijd maar achter iets aanlopen, de uiteindelijke betekenis van een leven... wanneer we tenslotte stilvallen door ziekte, een failliet, of gewoon maar wanneer we ons eens even durven bezinnen over de zin van ons leven.

En dan diep ervaren dat niets op aarde de plaats kan innemen van Hem uit wiens hand wij gekomen zijn en naar wie ons bestaan met heel zijn ingehouden drift gespannen staat. God. Onze oorsprong en ons uiteindelijke bestemming. “Naar U dorst heel mijn wezen, naar U hunkert mijn hart, want niets anders kan mijn mensenhart vervullen, volledig en definitief. Kom dan mijn leven binnen, ik wil plaats maken voor U. Kom met uw vrede. Bevrijd mij van mijn zinloos hollen en tollen. Breng eenheid en richting. Leid mij naar wat echt waarde heeft in uw ogen, blijvende waarde. Gij die gekomen zijt in Jezus, kom ook vandaag. Neem uw plaats in in mijn bestaan.”

NAAR TOP VAN DOCUMENT

UITZICHT - OVERZICHT - THUISPAGINA  VERDERE VORMING - NIEUW

 

 

DE VIERDE WERELD (2)

Interview met André Duprez

Concreet engagement voor kansarmoede

G&L: De mensen waarmee je daar in contact kwam zaten in de kansarmoede in het algemeen. Dat waren geen mensen met een crimineel verleden, maar mensen die generatielang in kansarmoede leefden?

André: Het was kansarmoede. Een aantal mensen kwamen uit de psychiatrie, ook wel iemand met een gerechtelijk verleden, mensen uit generatiekansarmoede en nieuwe kansarmen door bvb. een drankprobleem.

G&L: Dit gaat over vrijwilligerswerk. Heb je de indruk vanuit uw ervaring of de overheidsinstanties ook met dat probleem begaan zijn en wat zij daar reeds voor doen?

André: Vanuit de vereniging waar ik bij was ging men naar het Vlaams Forum, die al die “inloophuizen” coördineert. Maar dat is een V.Z.W., een bundeling van al die verenigingen waar kansarmen samenkomen. Daar werd gesproken rond problemen als huisvesting, school, relaties, cultuur… Verschillende domeinen die aan bod komen. Zo wordt dan die V.Z.W. en spreekbuis naar de overheid. De overheid pikt daar wel wat van op, maar of ze het in zijn totaliteit au sérieux nemen, dat weet ik niet, ik ben daar niet voldoende van op de hoogte. Er wordt wel wat geluisterd naar die verenigingen voor kansarmen maar natuurlijk is het steeds verleidelijk om te verwezenlijken wat men op politiek vlak kan gebruiken en wat minder aanlokkelijk is dat men dat op de lange baan schuift.

Misschien mag ik nog deze bemerking meegeven,ik doe dat dan wel vanuit christelijk standpunt: als je iemand helpt, hetzij binnen de 4de wereld, hetzij daarbuiten, doe je het best niet om je daar zelf goed bij te voelen; je moet hem helpen omdat die persoon op dat moment hulp nodig heeft.

G&L: Het zou natuurlijk kunnen dat je vanuit een eigen nood of om een zinvolle levensvulling te hebben iets in die richting wil doen.

André: Ja, natuurlijk, maar het mag niet zo zijn dat je het doet om te zeggen: Kijk eens wat ik hier aan het doen ben. Als je het vanuit een christelijke visie doet moet je het doen omdat die persoon die hulp nodig heeft;  vanaf het ogenblik dat je aanvoelt dat dat niet meer nodig is, dat die persoon uit zijn problemen is, dan moet je kunnen loslaten, een stap achteruit gaan. Anders creëer je problemen en conflicten. Die persoon heeft zijn problemen gehad, maar nu is hij  er door (ik heb dit wel niet zo vaak zien gebeuren binnen dat kader van de 4de wereld), dan mag je die persoon niet vastpinnen, hem niet afhankelijk houden en je moet zelfs niet verwachten dat hij heel dankbaar gaat blijven om wat je gedaan hebt. Je hebt het gedaan omdat het toen nodig was, maar je mag niet iemand verplichten dankbaar te zijn omdat je hem geholpen hebt. Je mag in je hart wel blij zijn omdat je die persoon hebt kunnen helpen en dat het nu goed gaat met hem, maar je moet dat niet gaan etaleren.

G&L: Ik kreeg tussendoor zo de indruk dat je vrij pessimistisch bent betreffende de resultaten van het vrijwiligerswerk,  dat veel van die personen niet echt uit die 4de wereld uit geraken?

André: Er is een minderheid die er uit geraakt, velen echter niet. Velen hebben geen zelfregelerend vermogen en ook geen al te hoog bewustzijnsniveau. Als ze problemen hebben, en die problemen worden opgelost, dan stel je na enige tijd vast, als ze weer problemen hebben, dat het juist dezelfde zijn en dat je weer van voor af aan moet beginnen. Vaak leren ze niet uit wat ze hebben meegemaakt.

G&L: Zou het niet kunnen als oorzaak hebben dat men vanuit de samenleving geen verbanden in het leven heeft geroepen die een soort van bijna permanente supervisie betekenen om die mensen wat te volgen, een soort van gezinshulp…

André: Dat krijgen ze wel, maar sommige mensen hebben zodanig veel meegemaakt dat ze gewoon de veerkracht niet meer hebben om er nog iets aan te veranderen. Ze hebben bvb. in de psychiatrie gezeten maar zijn nu gestabiliseerd, ze kunnen verder leven en zo goed en kwaad als het gaat functioneren in de maatschappij maar hogerop geraken of zich er uit tillen – en zeker op eigen kracht – dat is voor de meeste van die mensen niet mogelijk. In groep kun je dat lot iets verbeteren maar er blijft een permanente ondersteuning nodig. Neem je die weg, dan vallen ze terug nar het niveau waarvan ze komen.

G&L: Het is misschien een wat pessimistische vaststelling, anderzijds is het een permanente opdracht voor de samenleving en we mogen blij zijn dat er toch heel wat vrijwilligersorganisaties bestaan die zich voor die wat marginale wereld bezighouden.

André: Het is misschien erg om het te zeggen maar naar de 4de wereld toe heb je meer een houding nodig zoals naar palliatieve zorgen toe dan persé als vrijwilliger of als organisatie die mensen uit hun situatie te gaan lichten. Ik bedoel hiermee dat je er gewoon moet bij staan. Het is de moeite om dan gewoon passief te zijn. Luisteren is daarbij belangrijk en soms kan je iets aan de situatie doen als zij dat willen. Iemand die bvb. drankverslaafd is ga  jij als vrijwilliger niet kunnen overtuigen dat hij daar iets moet aan doen als het niet van hemzelf uitgaat.

NAAR TOP VAN DOCUMENT

UITZICHT - OVERZICHT - THUISPAGINA  VERDERE VORMING - NIEUW

 

NOTA OVER HET HOPLAND (2)

naar nota’s van p. Alouis Maris cssr e.a.

De bouw van (de tweede) kerk en klooster

Het begin

150 jaar later (de oude karmel was als zwart goed gekocht en uiteindelijk tot een maalderij geworden) verliep de aankoop door de Redemptoristen zonder grote problemen.  Begin 1857 kon men met de oprichting van het klooster beginnen. Even hield men zich nog wat gedeisd omdat antiklerikale liberalen het land in rep en roer zetten ter gelegenheid van de bespreking rond de “loi de la charité”.  Maar op 16 juni 1857 namen pater Looyaard en pater Juten met nog twee lekenbroeders hun intrek in een eenvoudig burgerhuis dat tot voorlopig klooster zou dienen. ’s Anderendaags reeds begon men met de bouw van de kerk, die op 1 december voor het publiek geopend werd. Het was een voorlopige kerk (met houten pilaren, maar dat was er niet aan te zien). Pater Dechamps, de latere kardinaal-Aartsbisschop van Mechelen was in deze tweede kerk de eerste predikant. Pater Juten zal vanuit deze nieuwe communiteit twee volksdevoties met succes bevorderen: Onze-Lieve-Vrouw van Goede raad en de heilige Anna, de moeder van Maria. Twee devoties waar ook Sint Alfonsus veel van hield.

De kerk kende een ongehoorde toeloop van gelovigen. Bekend waren de wekelijkse vergaderingen van de H. Familie (duizend mannen – tweeduizend vrouwen). De deken van Antwerpen getuigde in aanwezigheid van kardinaal Mercier (1907): “… eerst op het Laatste Oordeel zullen we weten hoeveel goed de H. Familie van Hopland heeft bewerkt.”

Het huidige kloostergebouw dateert van 1884. Het oude Theresianenklooster werd in 1970 gesloopt. Daar staat nu een garage.

Actief over het hele land

Acht weken nadat de kerk was opengesteld begonnen de paters aan hun toendertijd eigen specifiek apostolaat: de volksmissies. De eerste missie die vanuit Antwerpen werd gepreekt vond plaats in Maria-ter-Heide. Na 35 jaar hadden ze er al 1026 gepreekt en 2513 retraites en andere oefeningen, zoals oktaven, aanbiddingen, triduums enz.  Meer dan 110 jaar lang preekten ze in alle hoeken van het Vlaamse land. De laatste missie preekten ze te Bazel-Waas in 1969. Nieuwe apostolaatsvormen hadden de oude verdrongen. Vermelden we de missie die de paters in 1861 preekten in eigen kerk: bij die gelegenheid werd het mooie kruisbeeld ingezegend, dat later nog in het koor van de nieuwe kerk zou hangen, tot aan de sluiting van kerk en klooster in 2003.

Ongelooflijk op hoeveel verschillende domeinen de confraters actief waren, steeds op heel eenvoudige wijze en met aandacht voor de kleinen en ‘onbelangrijken’.

Tijdens de wereldoorlogen waren verscheidene confraters legeraalmoezenier; sommigen bleven dat ook daarna. P. Maur. De Meulemeester getuigt hoe tijdens de eerste wereldoorlog (1914/18) door preken en allerlei godsdienstige activiteiten de Redemptoristen van het Hopland de mensen bemoedigden en troostten. De feestzaal van de Genootschappen werd ingericht als verpleegkundige opvangstgelegenheid voor gekwetste soldaten. Ook een spijtige gebeurtenis vermeldt hij: pater rector Urbaan Van Eygen werd door de Duitsers aangehouden en tot 5 jaar dwangarbeid veroordeeld omdat hij zogezegd jongens zou hebben aangezet om naar het front te vertrekken. In 1918 kwam hij vrij maar zijn gezondheid was definitief geknakt; hij overleed te Heist op 7 November 1921. Zijn relaas van 75 jaar Hopland besluit p. De Meulemeester met volgende cijfers: in 1931 werden 159 missies en andere oefeningen gepreekt door de Antwerpse Paters; in de kerk van het Hopland werden 42000 communies uitgereikt en 1825 leden maakten deel uit van de verscheidene Genootschappen.

Actief ter plaatse

Uiteraard verzorgden de paters en broeders alle goddelijke diensten. Er was elke dag biechtgelegenheid de hele dag door. Er stonden 8 biechtstoelen die op de vooravond van de grote feestdagen alle acht bezet waren.

In de kerk werden niet minder dan 5 genootschappen opgericht die we hier even ter sprake brengen.

1. In mei 1858 stichtte men een afdeling van de Aartsbroederschap van de reeds vermelde “Heilige Familie voor mannen”. Ze begonnen met 160 leden; in latere jaren waren ze soms met 800 en meer. Ze kwamen uit heel Groot-Antwerpen en behoorden tot alle maatschappelijke standen. Ze vergaderden elke maandag van 20.00 tot 21.00 uur, baden het rozenhoedje, kregen een conferentie en de zegen met het Allerheiligste Sacrament.

2. In 1859 werd het “Genootschap van de Christelijke moeders” gesticht voor Franssprekenden. De Antwerpse burgerij was in die tijd nog fel verfranst. De leden vergaderden ééns per maand.

3. Eveneens in 1859 werd een afdeling van de “Heilige Familie voor vrouwen en meisjes” gesticht. Ze vergaderden elke maandag van 17.00 tot 18.00 uur. De vergadering verliep zoals deze voor de mannen. Ooit waren ze duizend in getal.

4. In 1871 werd nog een afdeling van de “Heilige Familie voor jongelingen” gesticht. Dezen vergaderden elke zondagnamiddag en kregen, na sermoen en lof, gelegenheid tot ontspanning ens pel. Een groep organiseerde jaarlijks toneel- en muziekavonden.

Het impact van de H.Familiebeweging kunnen we echt niet overschatten. Een paar uiterlijke aanwijzingen willen we hier inlassen: in 1909 zong kardinaal Mercier, omringd door mgr. Schelfaut, bisschop van Roseau en mgr. Meeuwissen, apostolisch-vicaris van Suriname, het plechtige ‘Te Deum’ op het jubileum van de vrouwensectie van de H.Familie. In 1912 presideerde kardinaal-aartsbisschop Mgr. Van Roey een H.-Familiecongres in het Hopland waaraan veel geestelijken en leiders van de verscheidene afdelingen uit het aartsbisdom deelnamen. In zijn toespraak maakte de kardinaal alusie op het feit dat het genootschap bijna zeventig jaar bestond en hoopte hij dat het steeds jong en sterk zou voortbestaan ‘tot redding van ons volk’.

5. In 1895 werd het “Werk van de soldatenmis” opgericht. Alle soldaten van het Antwerpse garnizoen werden uitgenodigd om toe te treden. En ze kwamen! De eerste soldatenmis werd bijgewoond door 100 soldaten. Twee jaar later kwamen er al meer dan duizend! Met Pasen communiceerden er 2000! Na twee jaar waren 5500 jonge rekruten ingeschreven. P. Maurice De Meulemeester noteert: “Hoe indrukwekkend die mis door soldaten gezongen, door soldaten gediend, met het aangrijpend klaroengeschal dat Christus Koning begroet onder de consecratie! Bij het naamfeest van de koning waren 1500 soldaten toegestroomd; als één man vielen ze op de knieën toen de kardinaal voor hen verscheen, en deze was zo ontroerd dat hij verklaarde: ‘Deze dag is de schoonste van mijn bisschoppelijke loopbaan’.”

De kerk van het Hopland bleef echter een devotiekerk, zoals ze dat ook van bij de aanvang was. In het begin van haar bestaan kwamen er al twee volksdevoties tot bloei: Onze-Lieve-Vrouw van goede Raad en Sint-Anna. Deze devoties werden later verdrongen door de devotie tot Onze-Lieve-Vrouw van Altijddurende Bijstand. Deze devotie zou tot in de latere jaren nog dagelijks personen tot zich trekken.

We mogen zeker niet de eredienst van Sint-Gerardus Majella vergeten, die in april 1893 werd ingesteld naar aanleiding van zijn Zaligverklaring. Jarenlang kwam rijk en arm elke maandagmorgen te 6.30 u. en 8.00 uur naar de mis - telkens een volle kerk - om de voorspraak van de geliefde volksheilige in te roepen voor alle noden. De armen vaarden er goed bij: er waren jaren dat er meer dan 8000 broden voor hen werden geofferd.

Wat bleef van dit alles over?

De soldatenmis hield op te bestaan kort na de eerste wereldoorlog (1914-1918), toen de soldaten wekelijks verlof kregen. De andere genootschappen verdwenen stilaan tijdens de jaren 1960/70. Alleen de “Mères Chrétiennes” (Christelijke Moeders) bleven verder bestaan en ook natuurlijk de devoties tot Onze-Lieve-Vrouw van Altijddurende Bijstand en de H.Gerardus.

Daar het traditionele apostolaat (Volksmissies) door de tijdsomstandigheden grotendeels wegviel, hebben sommige paters zich op een ander apostolaatdomein begeven. Pater Cuyle stichtte voor de Antwerpse straatjeugd de “Jongensclub De Grijze Kat”, anderen leidden voor de Kongolese zeelui die aanmeerden de “Vriendenkring van Zaïrezen” in de Rodestraat; een paar anderen werden pastoor, een in de Jacobskerk en een in de kerk van Sint-Willibrordus te Berchem, anderen bewezen diensten op parochies tijdens het weekend, nog anderen zetten zich in voor schoolcatechese; tussendoor waren sommigen ook aalmoezenier van de zeescouts, turnvereniging, Amerikaanse parochie…

 

NAAR TOP VAN DOCUMENT

UITZICHT - OVERZICHT - THUISPAGINA  VERDERE VORMING - NIEUW

 

PAULUS

23. Aankomst in Rome (Hand. 28)

door : Ben Van Vossel cssr

Gestrand op Melite

Na hun schipbreuk vernemen Paulus, zijn bewakers en medereizigers, dat ze op Melite zijn aangeland. Een vriendelijke bevolking, schrijft Lucas, tot het moment dat Paulus, die wat hout bijeen raapt om het op het vuur te gooien - het was koud en regende - door een adder gebeten werd. “Die man is vast een moordenaar, zeggen ze tot elkaar, dat de Gerechtigheid hem dit laat overkomen, zelfs na zijn redding”. Paulus laat ze zeggen en schud de adder gewoon in het vuur.  De inwoners van Melite zitten te wachten tot Paulus doodvalt... maar er gebeurt niets. Dan slaat hun mening om in de andere richting en ze houden hem voor een god. Paulus is niet te zeer onder de indruk. Wel profiteren ze van een positieve houding van de voornaamste van dat eiland, Publius, die hen uitnodigt en logement aanbiedt op zijn uitgebreid landgoed. Als Paulus dan ook nog diens vader geneest van dysenterie door voor hem te bidden onder handoplegging, kwamen ook de andere zieken naar Paulus en hij genas hen. Paulus en zijn vrienden ondervinden dan ook veel achting en bij hun vertrek worden ze van al het nodige voorzien.

Laatste etappes naar Rome

Drie maanden zitten ze zo vast op Melite, tot er een schip uit Alexandrië aanmeert met de godentweeling, Castor en Pollux, kinderen van Zeus en Leda, als schegbeeld. Onderweg blijven ze drie dagen in Syracuse. Daar bewijzen talrijke catacomben en oude kerken dat er reeds vroeg christelijke entiteiten bestonden. Volgens Wolfgang E. Pax is de huidige kathedraal, vroeger een tempel toegewijd aan Pallas Athena, nog de enige in functie zijnde Dorische tempel. Vandaar gaat het langs de kust naar Regium, in de punt van de Italiaanse ‘laars’.’s Anderendaags, dankzij een stevige zuidenwind, zeilden ze naar het Noorden, langs de mooie Italiaanse kusten, tot in de Golf van Napels, langsheen het Paleis van Tiberius op Capri, ook langsheen de steden Pompeï en Herculaneum, die er toen (in het jaar 60 na Chr.) nog ongeschonden bijlagen. Zo’n 19 jaar later zou een uitbarsting van de Vesuvius er anders over beschikken. Ze belandden in Puteoli, eigenlijk de haven van Rome, ten Noorden van het huidige Napels. Daar in Puteoli had je de hete bronnen van een half gedoofde vulkaan en ook de tempel van Serapis. Een drukke havenstad, maar waar het zedelijk leven op laag peil stond, zoals ook de fresco’s van Pompeï nog getuigen. Aardbevingen zorgden er later voor dat de havenstad grotendeels onder water staat. Ondanks alles ontmoetten Paulus en zijn vrienden ook hier medechristenen die hen onmiddellijk uitnodigden en bij wie ze 7 dagen verbleven.

Aan land!

Maar dan gaat het over land richting Rome, langs de Via Appia, de “koningin van de Romeinse wegen”, die opzij als het ware bezaaid was met rijke villa’s en grafmonumenten. Zowel aan het Forum Appii als verder aan de Tres Tabernae (de drie herbergen) kwamen afvaardigingen van de Romeinse christenen Paulus begroeten. Paulus was onder de indruk: hij dankt God en schept nieuwe moed. Als ze dan in Rome aankomen werd Paulus door de Centurio aan de prefect van de keizerlijke pretoriaanse wacht overgedragen. Er stelde zich natuurlijk het probleem dat de bijhorige documenten verloren gegaan waren in de schipbreuk. Paulus werd dus niet in hechtenis genomen, maar kreeg toelating, op eigen kosten een private woning te betrekken. Toch was er een Romeinse wacht die met zijn bewaking belast werd. Waarschijnlijk moest hij zich geregeld ook melden bij het keizerlijke tribunaal op de Palatijnse heuvel.

Wat kwam Paulus eigenlijk doen in Rome?

Hij had zich beroepen op de keizer, dus moest hij naar Rome, dat is zeker. Maar eigenlijk was het reeds lang Paulus’ verlangen om naar Rome te gaan. Wanneer hij in Efese was droeg hij dat verlangen al in zijn hart: “Na al deze gebeurtenissen vatte Paulus het plan op om over Macedonië en Achaia naar Jeruzalem te reizen.’ Wanneer ik daar geweest ben ‘ zei hij, ‘ moet ik ook Rome bezoeken.’” Van Rome droomt hij, hij kan dat niet links laten liggen. Rome, de stad der heidenen, ook daar wil hij het licht van het Evangelie brengen, om dan daarna terug te keren naar Jeruzalem. En kijk, nu was hij in Rome, zij het in relatieve vrijheid en met toch altijd de dreiging van een veroordeling door het keizerlijk tribunaal. Wat gaat hij nu in Rome uitrichten, nu hij er was?

Hij kwam zeker niet om de tempels te bewonderen, toegewijd aan Kastor en Pollux, op het Forum Romanum, noch het Forum van Augustus en de Jupitertempel op de Capitolinus; het mausoleum van Augustus en diens beroemde Vredesaltaar (Ara Pacis), de schitterende marktplaatsen op de 7 heuvels en verder de villa’s van de Patriciërs. Evenmin kwam hij enkel voor de vele armoedige straten vol woonbarakken als het ware waarin de armen huisden (werklozen ontvingen enige ondersteuning en de ‘spelen’ hielden hen wat kalm). Paulus wist ook voldoende dat in aanvulling van de staatsgodsdienst, er allerlei Oosterse godsdiensten naar Rome waren meegekomen met de terugkerende legioenen en de handelaars.

En nu staat Paulus daar. Hij komt Jezus verkondigen: de gekruisigde! Overdonderend succes zou je hem vast niet voorspellen in die drukke, verwende en losbandige stad, centrum van een rijk dat de schatten van de hele wereld naar zich toe sleepte, en wat evenwichtige wetten en een uitgekiende organisatiestructuur als inbreng had voor de veroverde gebieden.. Paulus gaat de uitdaging aan met alleen maar zijn liefde voor Christus en de kerk en met het zwaard van het Woord Gods, dat hij aanwendt in de kracht van de Geest.

 

NAAR TOP VAN DOCUMENT

UITZICHT - OVERZICHT - THUISPAGINA  VERDERE VORMING - NIEUW

 

DE FRANCISCAAN VAN BOURGES

door André Gérardy, Maria-Kefasgemeenschap

Deel 1.  Een uitzonderlijke figuur

Soms sta je alleen met je overtuiging

Onlangs sprak iemand uit de verzorgingssector me over totaal nieuwe situaties waarmee ze geconfronteerd werd nu de legalisering van euthanasie een feit is geworden: hoe reageer je wanneer uw patiënt, uw directie, uw collega’s plots iets van u verwachten dat fundamenteel tegen uw diepste overtuiging ingaat ?  Hoe reageer je wanneer de hele omgeving, de media, ja zelfs de wetgeving je lijkt te dwingen een weg op te gaan die de jouwe niet is?  Is er dan nog plaats voor jou in die instelling, of zelfs in dat beroep? Is de tijd niet gekomen om andere oorden op te zoeken waar die gewetensvragen niet kunnen opkomen?  

Spontaan dacht ik toen aan de Franciscaan van Bourges, een zeer sterke figuur uit onze recente Europese geschiedenis, maar die blijkbaar nog weinig gekend is buiten de Franstalige contreien, en dit ondanks zijn universele boodschap.

De ‘Franciscaan van Bourges’ bleef christen temidden van de hel

Al is Bourges een stad in het midden van Frankrijk, de “Franciscaan van Bourges” is geen Fransman maar een Duitser, die daar een paar jaar verbleef tijdens de tweede wereldoorlog.  Hij heeft er een bijzonder sterk getuigenis van de verrezen Christus uitgestraald hoewel hij daar….. als soldaat van het bezettingsleger was!  Hoe zo een vruchtbare evangelisatie is kunnen gebeuren, in de slechtst denkbare omstandigheden en totaal zonder de intentie veel mensen te bereiken, werd in een boek beschreven door Marc Tolédano, die toen als jonge man de feiten letterlijk aan den lijve heeft ondervonden.  Van dat boek werd later ook een film gemaakt, die op de Franse televisie werd uitgezonden, gevolgd door een panelbespreking.  Maar nog lang vóór die uitzending, was het waar gebeurd verhaal van de Franciscaan van Bourges al door velen doorverteld, en was het als het ware deel gaan uitmaken van de volkscultuur.

Het zou dit getuigenis onrecht aandoen, wanneer men het zou gaan reduceren tot een samenvatting van enkele lijnen.  Daarom heb ik er voor gekozen om het weer te geven zoals verwoord door Tolédano zelf, wiens leven door de ontmoeting met de Franciscaan zodanig getekend werd dat hij er een boek over wou of “moest” schrijven.  Daarom begin ik met een korte inleiding over deze kroongetuige.

Afkomst en ervaringen van de kroongetuige

In 1943, toen de ontmoeting plaatsvond, was Marc Tolédano 24 jaar. Hij was afkomstig uit een zeer gecultiveerde en maatschappelijk geëngageerde protestantse familie: zijn overgrootvader had zelfs de Nobelprijs voor de vrede ontvangen, en zijn vader heeft als diplomaat voor betere internationale samenwerking geijverd. Het gezin telde drie zonen en is altijd een warm nestje geweest met veel aandacht voor onderwijs en cultuur.  Hijzelf had op dat ogenblik studies achter de rug van rechten en van politieke wetenschappen, maar de oorlog greep hem onmiddellijk na het einde van zijn studies vast.  Gemobiliseerd, werd hij heel vlug gevangengenomen en keerde pas terug in Frankrijk in juni 1943.

Begin september wordt zijn broer Yves door het Duitse leger opgepakt terwijl hij een spionageopdracht vervult voor de weerstand.  Hevig gefolterd door de Gestapo van Bourges vertelt Yves allerlei “bekentenissen”, waarmee ook Marc in een lastig parket wordt gebracht, hoewel hijzelf geen deel heeft aan weerstandsactiviteiten.  Marc wordt dan op zijn beurt op 11 september door de Gestapo zeer gruwelijk gefolterd.  In zijn boek zal hij later de ondervraging en de verschillende pijnigingen nauwkeurig beschrijven, evenals de portretten van zijn belagers. Hierbij wordt de lezer tegelijkertijd geconfronteerd met onvermoede dieptepunten in het (on-)menselijk gedrag maar tegelijkertijd met een heel mechanisme van druk vanuit de hiërarchie, streven naar bevordering, te vervullen formaliteiten, uitgekiende wetten en reglementen.  Na uren van folteringen, is Marc Tolédano compleet uitgeput, bedekt met diepe  wonden, in de onmogelijkheid om recht te staan noch te zitten,  amper nog in staat om bewust te blijven en bovendien vervuld van haat voor zijn vijanden.  In deze toestand die aan de coma grensde wordt hij in een cel van de gevangenis “le Bordiot” gegooid, in het midden van de nacht.

Ontmoeting tussen Marc Tolédano en ‘Broeder Alfred’

Een tijd nadat de Gestapo de cel verlaten heeft, krijgt Marc er het bezoek van een Duitse soldaat.  Eerst denkt hij dat de folteringen gaan herbeginnen.  De soldaat zegt hem (citaat) : “beweeg niet, zeg niets, ik ben een Duitse verpleger, broeder Alfred, van de orde van Sint-Franciscus, ik ben hier om u te verzorgen , u te sterken, u het leven minder zwaar te maken.” Marc denkt eerst dat dit een list is om alsnog “bekentenissen” van hem te verkrijgen; hij weigert het aanbod.  De soldaat toont hem dan zijn kruis, zijn missaal en zijn papieren. Maar het zijn de onzegbare zachtheid van zijn blik en de vrede die uit zich gelaat straalt die de twijfels bij Marc wegnemen.   

Marc vraagt zich dan af (citaat): “Is het mogelijk dat God mijn gebeden verhoord heeft tijdens deze nacht, toen alles verloren leek en de uitkomst onafwendbaar?  Is het mogelijk dat God mij niet verlaten heeft op de drempel van de wanhoop, in de voorkamer van de dood?… Is het mogelijk dat deze boodschapper van Christus daar staat, voor mij, in mijn cel?”

Maar Alfred zegt verder: “Wacht, het is beter dat men ons niet ziet.”  Inderdaad, als Alfred zou worden ontmaskerd, wat zou er dan geworden van zijn vrienden, de gevangenen?”  (Vervolgt)

 

NAAR TOP VAN DOCUMENT

UITZICHT - OVERZICHT - THUISPAGINA  VERDERE VORMING - NIEUW

 

ENIGE VROEGERE KONGOMISSIONARISSEN

door p.Hugo Gotink cssr in ‘Mémorial’ (15 septembre)

2. Broeder Emile BULTINCK 1865-1947

 

Religieuze opleiding

Emiel Bultinck, zoon van Karel Bultinck (1826-1867) en van Seraphine Balleghem (1830-1901), werd te Beernem (bisdom Brugge) geboren op 14 maart 1865 . Op 4 januari 1887 trad hij binnen in de Congregatie van de redemptoristen te Sint-Truiden, waar hij zijn eerste noviciaat deed van 15 oktober 1888 tot 15 april 1889. Hij werd dan benoemd in het klooster van Luik. In april 1893 begon hij zijn tweede noviciaat te Beauplateau en legde er zijn eeuwige geloften af op 1 november 1893; Hij werd dan  achtereenvolgens benoemd in september 1894 te Sint-Truiden, in juni 1895 te Doornik, in november 1895 te Sint-Truiden als broeder van het noviciaat, in juli 1898 te Beauplateau en in oktober 1899 opnieuw te Sint-Truiden. Tegen die tijd wist men blijkbaar dat men in hem een betrouwbare religieus had, iemand die de Franse taal goed beheerste en zich goed kon aanpassen in verschillende omstandigheden en omgevingen.

Kongomissionaris

Op 16 december 1899 ontscheept broeder Emiel te Antwerpen met de Tweede karavaan Redemptoristische Kongomissionarissen. Ook hier was pater Achiel Simpelaere bij, pater Louis Veys en broeder Honoré (Honoré Cornelis). Deze drie medebroeders zullen evenwel weinige jaren later overlijden in Kongo: broeder Gustaaf op 26 april 1902, pater Veys op 30 oktober 1903 en pater Simpelaere op 25 juli 1904. Daarvan vermoedden ze echter niets toen ze op 11 januari 1900 met goede moed en bezield met evangelisatie-ijver voet aan wal zetten in Matadi.

Talenten in dienst van de missies…

Na een paar maand wat acclimateren en wat wegwijs geraken in de Kongolese taal (kikongo in die streken), kwam broeder Emiel aan in Tumba (28 mei 1900). In deze splinternieuwe missie (begonnen op 25 maart 1900, feest van de ‘Aankondiging van de Heer’, toen beter bekend als ‘Maria Boodschap’) begon de broeder, die een goed schrijnwerker was met de houtconstructies. Op Kerstmis 1900 werd de Kerk ingewijd en van maart tot september 1901 bouwde hij een groot, ruim gebouw met drie daken. Broeder Emiel was ook als onderwijze werkzaam in de catechistenschool en richtte als musicus een fanfare op. In augustus 1903 ging hij voor het eerst met vakantie naar België.

Een kostbare agenda

Gedurende dit verlof begon broeder Emiel een kleine agenda waarin hij zijn missieactiviteiten noteerde en de data van vertrek en aankomst van de missionarissen in Kongo en zelfs de uitzonderlijke temperaturen, de data van de eerste regen en andere wetenswaardigheden. Dit dagboek werd een bron van kostbare inlichtingen. Hij heeft het bijgehouden tot een paar maand voor zijn dood en heeft dit werk bekroond door een lijst op te zetten van de reizen van iedere missionaris.

Weer volop in actie

Terug te Tumba op 6 juni 1904 herneemt hij zijn werkzaamheden: in oktober 1904 beëindigt hij een gecementeerde waterreservoir, verhuist een geprefabriceerd houten huis van Kuya naar Thijsstad (pas in 1970 wordt dit huis vernield). In 1905 bouwt hij zijn schrijnwerkerij in baksteen en begint een schoolgebouw. In juli 1906 vangt hij een nieuwe bakstenen constructie aan voor het logement van de paters; hiermee komt hij klaar in september. Ondertussen wordt de broeder soms naar andere missies of missieposten geroepen om een handje toe te steken. Het daaropvolgend jaar onderneemt hij de constructie van een slaapzaal in baksteen, overdekt met eterniet voor de kinderen die leerling zijn op de missie. In januari 1909 verlengt hij de houten kerk en voegt er een oksaal en klokkentoren aan toe. Het jaar te beëindigt hij met de constructie van een gebouw van 15 op 7 meter om de vrouwelijke catechumenen onder te brengen.

Tropische geneeskunde, architectuur, bouwtechniek...

Na 6 jaar intense activiteiten neemt hij in februari 1910 zijn tweede vakantie. Tijdens deze vakantie gaat hij een cursus van tropische geneeskunde volgen. Ook begint de broeder een tweede schrift met tekeningen van de constructies en het timmerwerk, met de modelplannen voor de meubels, met de schetsen van het functioneren voor acetyleenlampen en hydraulische wielen… Opnieuw in het klooster van Essen kopieert hij er al de bezienswaardige details van  de bouw. Daarna trok hij naar de andere kloosters en later vervolledigde hij dit notitieboek met tekeningen van meubelen die hij aantrof in de verschillende missies. Dit notitieboek blijft een getuigenis van zijn ondernemende en geniale geest.

Omgezet in de praktijk

Drie weken na zijn derde afvaart (14 januari 1911) komt de broeder op 7 februari 1911 te Tumba aan. En dadelijk maar weer aan het werk. In Essen heeft hij gezien wat een ingenieuze kooi van Faraday daar het hele klooster beschermt tegen blikseminslagen en zo plaatst hij nu bliksemafleiders op de kerk en de huizen van de Tumbamissie; hij begint met een groep leerjongens in juni 1911 de opbouw van de prefectuur: een gebouw met verdieping dat onder dak was half oktober.

Om broeder Achiel te vervangen die schielijk overleden wat op 12 juli 1912 werd broeder Emiel op 26 augustus 1912 te Kimpese benoemd om een beroepsschool te leiden en nieuwe mechanische schrijnwerkerij tot broeder Chrysostomus hem in oktober 1917 kwam vervangen. Met zijn medische kennis hielp de broeder ook meerdere zieke confraters te Kimpese en soms stond hij een medebroeder bij in een andere missie. Op 2 december 1918 werd hij opnieuw benoemd te Tumba waar hij bleef tot zijn verlof in januari 1920. Hij bracht zijn vakantie door te Essen en Luik en hielp er als koster.

Oogkwaal zet punt achter buitenlandse zending

Terug te Tumba in maart 1921 zette de broeder zijn huiselijke en medische activiteiten voort. Toen broeder Chrysostomus in juli 1922 in verlof ging, werd broeder Emiel geroepen om de schrijnwerkerij te Kimpese weer op te nemen tot Chrysostomus terugkeerde in mei 1923. Br. Emiel bleef te Kimpese, verleende er duizend-en-een diensten: in 1924 hielp hij nog bij de opbouw van het klooster van de zusters te Nkolo en in 1925 te Kimpese. Op 60-jarige leeftijd begon hij echter te sukkelen met zijn ogen wegens een cataract. Dat werd tenslotte de reden van zijn definitieve terugkeer naar België in oktober 1927.

Trouw aan zijn zending

Eerst werd hij benoemd aan het klooster van Jette, daarna, in september 1929,  kwam hij te Antwerpen, waar hij zou verblijven tot zijn dood in 1947. Gedurende deze periode van 20 jaar bleef de Kongomissie hem ter harte gaan: hij hielp pater Van Cleemput voor het werk van de missies en voor de missietentoonstellingen. Hij stak een handje toe in de procuur (toen Antwerpen) voor het inpakken, en trouw bleef hij zijn dagboek van vertrek en aankomst van de missionarissen in de haven van Antwerpen bijhouden. Broeder Emiel stierf op 15 september (Feest van O.L.Vrouw van Smarten) 1947; hij was 82 jaar waarvan hij 28 jaar in Kongo doorbracht.

Op zijn overlijdensprentje lezen we: “Met de dood van broeder Emiel verdwijnt de laatste missionaris van de tweede karavaan naar Kongo. Achtentwintig jaar heeft hij gewerkt en ontelbare diensten bewezen. Als schrijnwerker, mekanieker, musicus en onderwijzer was hij bekwaam op ieder domein en werd hij geacht door ieder om reden van zijn bekwaamheid en zijn precisie, zijn eenvoud en zijn zachtheid. Ondanks zijn gebrekkig zicht, bewees hij nog veel dienst aan het huis van Antwerpen door allerlei herstellingen; hij verzamelde als wat hij nog nuttig vond: nagels, moeren… En hij bewaarde ze goed in geëtiketteeerde dozen.”

 

NAAR TOP VAN DOCUMENT

UITZICHT - OVERZICHT - THUISPAGINA  VERDERE VORMING - NIEUW

 

DECALOOG 10

4. Eert uw vader en moeder

Ben Van Vossel cssr

Geen gesel in eigen hand!

Het is heel aanlokkelijk om zo’n levensregel ‘eert je vader en moeder’ aan te wenden om al je frustraties van volwassene of wat oudere persoon eens uit te spuwen naar jongeren, naar jongere generaties. “In mijn tijd hadden kinderen nog respect voor hun ouders”, “in onze tijd luisterden kinderen nog naar hun ouders”, “in onze tijd leefden de mensen nog deftig, hielden ze rekening met God en zijn gebod, nu leven ze gelijk heidenen”, “in onze tijd… stelden ouders nog eisen aan hun kinderen en aan jongeren, nu krijgen de kinderen geen opvoeding meer… noch thuis, noch op school…”

Okay, er zal wel iets aan te merken zijn op jongere generaties, er zal wel iets te zeggen zijn over de “jeugd van tegenwoordig” en de opvoedingsmethodes, maar we gaan toch niet deze toer op van gewoon maar wat te schelden op de huidige generatie en bluffen hoe goed het ‘in onze tijd’ wel was.

Laat ons gewoon die levensregel “eert uw vader en moeder” wat van naderbij bekijken, wat hij aan inhoud heeft en hoe hij voor ons en de mensen van nu (jong of oud) kan functioneren als richtingaanwijzer naar een voller leven en een betere samenleving.

In de opvatting van de Bijbel - en je treft dat nog wel aan in een aantal samenlevingen - hadden de ouders grote invloed op hun kinderen; naar hun woord moest geluisterd worden. Toch treffen we bij woord van God tot de kinderen om hun ouders te eren, ook de vraag aan tot de vaders om hun kinderen niet te tergen en hen het leven niet nodeloos zwaar te maken, gewoon maar om je eigen gezag uit te benadrukken.

Een woord voor volwassenen

Toen dit woord aan de Israëlieten gegeven werd was dit woord overigens duidelijk een woord voor volwassenen. Het was dus gericht op het respect en de zorg voor de bejaarde ouders. Breder gezien gaat het dan over de zorg voor bejaarden, los van wat zij tot stand brachten of van de positie die ze bekleedden. Respect en zorg voor bejaarden, respect en zorg voor de bejaarde ouders in het bijzonder. Het is een ernstig woord voor ieder van ons.

Kijk. Voor hoeveel bejaarden, ook bejaarde ouders wordt het leven niet nodeloos zwaar, doordat niemand nog om hen geeft? Doordat het bezoek van hun kinderen en kleinkinderen achterwege blijft of tot het uiterste herleid? Ik weet wel, er kunnen speciale situaties zijn, maar wij mogen dit woord van de God niet zomaar van tafel vegen. Als christenen hebben we de opdracht tegen een bepaalde mentaliteit van onze samenleving in te gaan. Het is misschien een goed idee geweest om bejaarden gratis tram en bus te laten gebruiken op vastgestelde tijden, maar de vele bejaarden die niet meer buiten kunnen, die te ziek en te oud zijn, die eenzaam in bejaardenhuizen of ziekenhuizen of verzorgingstehuizen verblijven en daarom electoraal niet zo interessant… krijgen die evenveel aandacht?  “Eert uw vader en moeder”, ook als ze oud zijn.

Een woord voor jonge mensen

Ouders kunnen misschien minder vlug overweg met computer en computerspelletjes… maar dat maakt hen niet onnuttig of uit de tijd, afgeschreven.  De wijsheid, de levens-wijsheid, die mensen hun leven door hebben vergaard en die tot tweede natuur is geworden, is belangrijk, ook voor jongeren. Je hoeft niet alles helemaal opnieuw uit te vinden. In de kerk hebben sommigen ook wel eens gemeend dat alles moest worden doorgehaald en men iets heel nieuws moest scheppen. Niet zo’n schitterend idee. De Geest trekt geen streep doorheen alles wat Hij aan het doen was.

Is al het vroegere juist en beter?

Maar anderzijds is het ook niet zo dat al het oude en het vroegere sowieso het juiste, het meest ideale was en is. Ook het gezag van het verleden moet zich laten gezeggen door wat God in deze tijd duidelijk maakt. Oud zowel als jong moeten blijven luisteren naar “wat de Geest nu zegt tot de kerken”. Het is niet omdat iets “oud” is dat het de waarheid is voor vandaag. Jezus haalde wel eens uit naar de traditie die het levende woord van God soms verdraaide of die niet openstond voor de interpretatie door Jezus zelf.

Gezag en dienen

Een christen aanvaardt gezag. Het gezag van God. En het gezag dat als het ware van God komt: gezag van de ouders over hun kinderen, gezag van de wettelijke en rechtvaardige overheid, het gezag van de traditie. Maar bij dat gezag moeten we wel wat bemerkingen maken:

* Het gezag van God moet goed geïnterpreteerd worden. Men mag het niet zo voorstellen dat God allerlei zaken van de mens vraagt en aan de mens oplegt waardoor de mens wordt kleingemaakt en als het ware onder een schrikbewind leeft. In feite kan het gaan om een verkeerd begrepen gezag van God, waarbij Hij eerder als een strenge meester dan als een liefhebbende vader wordt gezien. Jezus heeft ons God anders leren kennen.

* Met het gedelegeerde gezag is het nog gecompliceerder. Ook dat gezag mag de mens niet kleinhouden, niet tot slaaf maken of de mens gaan gebruiken voor eigen voordeel. Je treft dat wel eens aan in sekten of organisaties met sektarische trekjes. In zulke gevallen is het immers geen gezag op maat van God. Laat ons luisteren naar wat Jezus zegt over zichzelf. “Ik ben gekomen om te dienen en mijn leven te geven als losprijs voor velen”. In feite moet ieder gezag een dienend gezag zijn. Het woord ‘minister’ komt daar nog van. Het betekent: ‘dienaar’. Zoals Jezus zegt na de voetwassing. Ieder ‘minister’ of verantwoordelijke mag zich daar aan spiegelen.

“Gij spreekt Mij aan als Leraar en Heer, en dat doet gij terecht, want dat ben Ik. Maar als Ik, de Heer en Leraar, uw voeten heb gewassen, dan behoort ook gij elkaar de voeten te wassen.”(Joh. 13,14)

Of zoals Hij elders zei:

“Wie onder u groot wil worden, moet dienaar van u zijn, en wie onder u de eerste wil zijn, moet slaaf van u wezen, zoals ook de Mensenzoon niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen.” (Mt.20,27-28)

Gezag, in christelijke betekenis, is een dienend gezag dat het echte goed van de ander op het oog heeft, geen gezag dat anderen opnieuw tot slaven maakt.

Zussen en broers

In feite gaat het bij het gezag om het “samen luisteren naar Gods verlangen en elkaar wederzijds beluisteren”. Dat betekent dus dat men samen verantwoordelijk is voor elkaar en dat men samen gaat luisteren naar het verlangen van God. En zo komt het dat Paulus in de Efesiërsbrief nadat hij gezegd heeft “Kinderen, gehoorzaamt uw ouders”, er onmiddellijk aan toevoegt: “Vaders, verbittert uw kinderen niet”.

Goed begrepen relaties in een christelijk gezin gaan hierover dat men elkaar ziet als zussen en broers; de kinderen zijn wat jonger, de ouders iets ouder, maar allen zijn kinderen van dezelfde Vader en werden aan elkaar toevertrouwd om zorg te dragen voor elkaar, herder te zijn voor elkaar.

Ouders zullen vanuit hun ouder zijn een grotere en specifieke verantwoordelijkheid hebben, om die unieke jongere mens te helpen opgroeien in vrijheid en in een klimaat van liefde. Zij krijgen als christelijke ouders ook de verantwoordelijkheid (eigenlijk een echt priesterlijke zending) om God te leren kennen aan hun kind. Vooral door hun levensgetuigenis als christenen, door goedheid, wijsheid, consequent christelijk leven, vergevingsgezindheid en trouw… Ook door hun vreugde en innerlijke vrede, voortkomend uit het gebed. Maar kinderen zijn ook verantwoordelijk voor het geluk van hun ouders en mogen als priesters voor hun ouders bidden en hen een kruisje geven, de zegen vanwege God.

Als God spreekt moeten mensen luisteren

Er staat een raar verhaal in het evangelie volgens Lucas, waar Jezus achterblijft in de tempel. Als Maria Hem daarover interpelleert antwoordt Hij: “Wist je dan niet dat Ik in het huis van mijn Vader moest zijn”.  Het is alsof Hij wil zeggen: “Dat je me daar niet bent gaan zoeken!” Jezus laat hier duidelijk uitschijnen dat er een diepere stem is om naar te luisteren en waardoor allen zich zouden moeten laten leiden. Met zo’n diepere Stem hebben atheïstische regeringen het natuurlijk moeilijk, zij menen dat enkel de ‘Wetenschap’, de ‘Democratie’, de ‘Publieke opinie’ of wat voor dat alles moet doorgaan het ‘Opperste gezag’ uitmaken; daarom voelen zij en hun media zich vaak uitgenodigd om kerkelijke standpunten aan te vallen of belachelijk te maken. Een christen luistert naar een nog dieper Woord, een groter gezag, maar dat maakt hem niet tot inciviek, integendeel, een christen moet een beter staatsburger zijn dan de anderen en zal zich zoveel mogelijk door het gezond menselijk verstand laten leiden.

Onmiddellijk na dat woord over zijn achterblijven in de tempel noteert Lucas dat Jezus zijn ouders onderdanig was en toenam in wijsheid en welgevalligheid bij God en de mensen. Ouders moeten samen met hun kind luisteren naar Gods stem, Gods verlangen, ook als het al eens hun (menselijke) plannen doorkruist (denk maar aan de mogelijkheid dat God een van hun kinderen tot het priesterschap roept of tot het religieuze leven…).

God zet er een (dubbele) belofte bij

“Eert uw vader en moeder, dan zult gij (als volk) lang leven en gelukkig zijn”. Op die belofte uit het Oud Testament maakt ook Paulus ons attent:

“Kinderen, gehoorzaamt uw ouders; zo hoort het. Eer uw vader en uw moeder, zo luidt het eerste gebod waaraan een belofte is verbonden,  opdat het u welga en gij lang moogt leven op aarde. En gij, vaders, verbittert uw kinderen niet, maar voedt ze op met christelijke tucht en vermaning.” (Ef. 6,1-4)

De Bijbel kleeft een dubbele belofte aan dit levenswoord. Het voortbestaan van elke gemeenschap, ook van de Kerk, hangt af “van de levenskrachtige verhoudingen binnen de kleinste cel, het gezin. Wie zich aan die belofte van God waagt, zal het ondervinden: het wordt in zijn gezin al een beetje ‘eeuwigheid’: de hemel op aarde”.

De dienst aan het gezin

Een gezin kan weliswaar ook beproefd worden door allerlei tegenslagen. Ziekte kan een serieuze spelbreker worden bijvoorbeeld, ook werkloosheid kan een gezin serieus op de proef stellen en in een uiterste geval een overlijden.. Maar ook ernstige opvoedingsproblemen, een drugprobleem van een kind... Men moet er echt zijn voor elkaar en samen steun zoeken bij God, in een sterke - maar evenwichtige - relatie tot God. Christelijke gezinnen zoeken best wat steun bij elkaar. De Maria-Kefasgemeenschap heeft zich reeds ongeveer 25 jaar ingezet voor het christelijk gezin. Die zending neemt geen einde door de anti-gezinsmentaliteit van een toevallige regering of van een gemediatiseerde samenleving. Een gezonde gemeenschap - kerk zowel als maatschappij - moet volop investeren in haar gezinnen. Aan die investering kan je meteen de ‘gezondheid’ van een gemeenschap aflezen.

 

NAAR TOP VAN DOCUMENT

UITZICHT - OVERZICHT - THUISPAGINA  VERDERE VORMING - NIEUW

 

KATECHISMUS VAN DE KATHOLIEKE KERK (26)

“IK GELOOF IN DE HEILIGE, KATHOLIEKE KERK (748g.)

 

Het 2de Vaticaans Concilie zag het als zijn plicht om het licht van Christus over alle mensen te laten stralen, door aan ieder mens het evangelie te verkondigen. Het licht van Christus weerspiegelt zich op het gelaat van de Kerk, door de invloed van de heilige Geest. Het geloof dat de Kerk ‘heilig’ en ‘katholiek’ is, ‘een’ en ‘apostolisch’ hangt samen met het geloof in God de Vader, de Zoon en de heilige Geest. Eigenlijk staat in de Latijnse tekst van de geloofsbelijdenis niet dat we “in” de kerk geloven, maar dat het geloof dat de kerk heilig, katholiek, één en apostolisch is deel uitmaakt van ons geloof in God, die alle goede gaven geeft. Vandaar: Credo … ecclesiam.

§ 1. De Kerk volgens Gods heilsplan

I. Namen en beelden van de Kerk

Ecclesia (Eglise), zoals het in het Nieuwe Testament gebruikt wordt, betekent ‘bijeenroeping’ en verwijst naar de bijeenkomsten van het Uitverkoren Volk op weg in de woestijn, bijeenkomst vooral bij de Sinaï, waar het Gods Woord ontving en tot een heilig volk werd gevormd. Ons woord ‘kerk’ (church, Kirche) komt eerder van het Griekse kyriakè: ‘zij die de Heer toebehoort’.

Kerk betekent zeker niet enkel de liturgische bijeenkomst (meestal in een gebouw dat we ook ‘kerk’ zijn gaan noemen) maar ook de plaatselijke gemeenschap of zelfs de universele gemeenschap van gelovigen.

Beelden die gebruikt worden voor de kerk (753-757)

Volk van God, Lichaam van Christus (waarvan Hij het hoofd is en wij de ledematen zijn). Maar ook veel andere beelden worden gebruikt voor de kerk: de schaapstal waar God zijn mensen samenbrengt, de kudde die door Jezus, de goede Herder wordt geleid en voor wie Hij zijn leven gaf, Gods akker, de ranken die verbonden zijn met Jezus, de wijnstok. Gods bouwwerk waarin zijn gezin woont of waarvan wij de levende stenen zijn. De Bruid voor wie Jezus zich heeft overgeleverd opdat ze onberispelijk zou zijn. Ieder van deze beelden vraagt om bezinning daarrond, en er zijn nog veel soortgelijke symbolen gebruikt voor de Kerk.

 

II. Oorsprong, stichting en zending van de kerk (758-769)

Het is de Vader die mensen wilde verheffen tot deelname aan zijn goddelijk leven. Een liefdeplan waarvoor we telkens weer perplex staan! In Jezus wilde Hij zo zijn gezin vormen. De heilige Geest zal dat werk voltooien. Je zou met de eerste christenen kunnen zeggen dat de wereld en de mensheid is geschapen met het oog op de kerk, op de vorming van het gezin van God.

Het Oude Godsvolk was reeds een voorbereiding tot de vorming van mensen die God zouden toegewijd zijn. Jezus heeft de Kerk gesticht, door zijn verkondiging en doordat mensen in Hem geloofden. Hij heeft er zelfs een bepaalde structuur aan gegeven door de keuze van de Twaalf met Petrus aan het hoofd. Maar eigenlijk is de Kerk geboren uit Jezus’ totale gave op het kruis (terwijl die gave reeds vooraf werd uitgebeeld in de viering van het heilig avondmaal: ‘Dit is mijn Lichaam, dit is mijn Bloed’). Naar het mooie beeld van Eva die uit de rib van de ingeslapen Adam werd gevormd, zo is de kerk geboren uit het doorboorde hart van de op het kruis gestorven Christus.

De heilige Geest maakt de kerk op Pinksteren tot een groep die - zonder Jezus zichtbaar in hun midden - als zichtbare groep naar buiten treedt en het Blijde Nieuws begint te verkondigen in de kracht van de Geest. Door de invloed van de heilige Geest is zij op aarde reeds de kiem en de aanvang van Gods koninkrijk.

Nu is de kerk nog onderweg en ziet uit naar de dag waarop ze met haar Heer zal verenigd zijn. Maar de voltooiing van de kerk en door haar van de wereld gaat doorheen zware beproevingen, tot alle rechtvaardigen in de universele kerk bij de Vader zullen verzameld zijn. Christenen weten dat zij hier geen blijvende woonplaats hebben, maar dat hun vaderland in de hemel is, het rijk van God.  (vervolgt)

 

NAAR TOP VAN DOCUMENT

UITZICHT - OVERZICHT - THUISPAGINA  VERDERE VORMING - NIEUW

 

HET HEILIG HUIS VAN LORETO (3)

door: Steven De wachter

II Een wetenschappelijke uitleg?

 

Het is niet onze bedoeling om bovennatuurlijke verschijnselen te ontmaskeren als heel natuurlijk. Wel is het voor gelovigen belangrijk dat ze, hetgeen in de loop der eeuwen door legende en goedgelovigheid een al te bovennatuurlijk aureool gekregen had, terug te brengen tot zijn ware dimensies. Dat helpt ons om dan opnieuw door te dringen tot de eigen genade van datgene dat zich aan ons presenteert.

Pausen

Waar we eerder in ons artikel gezegd hebben dat nogal wat pausen een bezoek brachten aan het heilige huis van Loreto, daar moeten we toch ook een wat ander of toch een meer kritisch geluid laten horen. Bij  verscheidene pausen is er tegenover de Loretolegende een zekere terughouding te bespeuren. Paus Paulus II bijvoorbeeld zei in een aflatenoorkonde van 1470 dat de Casa Santa wel op wonderbare wijze opgericht werd, maar hij vermeldt dan niet de overbrenging van het heilig Huis, maar de overbrenging van het ‘Mariabeeld’ door engelen; Julius XI noemt dan in een bulle van het jaar 1507 de overbrengingslegende niet bijzonder geloofwaardig, een ‘fama’ (‘het heeft de naam’), maar die wel vroom geloofd wordt.

Afbeeldingen

Tot de 16de eeuw ontmoeten we gemengde tradities volgens welke het h. Huis op simultaanafbeeldingen zowel ‘door engelen door de lucht’ gedragen wordt als ‘op een schip getransporteerd’ wordt. Op twee houtsneden uit de 15de en 16de eeuw, uit Castello Sforzesco (Mailand), zie je boven de steden Recanati en Ancona in hoofdzaak het door twee engelen door de lucht gedragen heilig huis, maar op een kleine neventafereel vaart een schip dat door twee mannen bestuurd wordt naar een toren toe. Op de afbeelding uit de 15de eeuw is het duidelijk met stenen geladen, op de afbeelding uit de 16de eeuw staat er zelfs een huis op.  Op beide afbeeldingen zweeft Maria met het Kind op een wolk (zonder engelen). Op de afbeelding uit de 16de eeuw (met de overbrenging van het h. huis van Nazareth naar Dalmatië en Loreto) lijkt het er op dat de engelen het gebouw meer over zee voeren dan door de lucht dragen. Zo zijn er ook tal van andere afbeeldingen uit de15de en 16de eeuw waarop engelen het heilig huis over het water overbrengen of waar het heilig huis staat afgebeeld dat op de golven drijft (meester s.Michele a Murano) terwijl een engel erboven zweeft. Op een fresco van na 1525 treffen we dan weer het heilig huis aan dat op zee drijft, de madonna staat erbij afgebeeld, maar er zijn geen engelen te bespeuren. In de kathedraal  van Ozieri (Sassari) zijn het geen engelen maar vier mannen die de kerk van Loreto transporteren. Een zegelschrift in de St.-Pieterskerk van Tontola (provincie Forbia) heeft het over engelen die de overvaart van het huis als een schip op de golven begeleiden.  De enkele afbeeldingen zonder engelen komen overeen met de vaststelling van de humanist Giovanni Battista Petrucci die in 1485 (in zijn levensbeschrijving van de h. Jacobus della Marca) beschrijft dat het heilig Huis van Nazareth met geweld verwijderd is geworden en de zee heeft overgestoken, eerst in het bezit van de Illyriërs is geweest en dan van de bewoners van de Marken. Petrucci weet blijkbaar niets af van engelen en laat verstaan dat de overbrenging door mensenhand is gebeurd. Pas in de volgende eeuwen is er meer en meer over die overbrenging door engelen geschreven of werd het afgebeeld hoe engelen het heilig huis hoog door de lucht overbrengen. Op sommige afbeeldingen wordt ook het beeld van Maria door engelen gedragen. Deze informatie komt uit het boek van Walter Pötzl.

Het gebouw

Bevindingen vanuit archeologische opgravingen (in de jaren 1962-1965) in Nazaret en de grond onder het heilig Huis daar, en anderzijds bevindingen vanuit de literatuur en iconografische studies, lijken erop te wijzen dat de stenen van het Heilig Huis van Nazaret naar Loreto werden overgebracht per schip en hoogstwaarschijnlijk door de tussenkomst van de adellijke familie Angeli (Engelen) die de plak zwaaide in Epirus. Vijf kruisen uit rode materie, aangebracht op de stenen van het heilig huis, verwijzen naar de kruisvaarders, of waarschijnlijker naar ridders van een ridderorde die de heilige plaatsen en relieken van het christendom verdedigde tijdens de Middeleeuwen.

Een christelijke reliek

En wat biedt zich in Loreto aan ons aan? Zeer waarschijnlijk het met de oorspronkelijke stenen heropgebouwde huis van Maria, zoals het althans in Nazareth vereerd werd en beschermd door de ridderorden. Het is het huis dat aan de grot was aangebouwd waar volgens een aloude traditie Maria zou gewoond hebben, waar ze van Godswege de Boodschap ontving dat zij de moeder van de Verlosser zou worden, het huis waarin Jezus gedurende zijn verborgen leven gewoond zou hebben.

De betekenis van Loreto

Deze reliek in Loreto is voor de reiziger en de pelgrim dan ook een uitgelezen plaats om het mysterie van de aankondiging, het Ja-woord van Maria, het mysterie van Jezus kinderjaren, het mysterie van de heilige familie, het verborgen leven van Jezus te overwegen en God er om te loven en te danken. Dat is de grote betekenis van Loreto! Pelgrims die in Nazareth zelf, in de prachtige basiliek in aanbidding voor de grot neerknielden, hebben zich daar gebogen voor het onvoorstelbaar mysterie van Gods heilsplan en de realisatie ervan in de Menswording. God die ons nabij is gekomen in het kind van de Maagd om ons tot Zich toe te halen.  Dichter bij ons is er dat heilig huis van Loreto, weliswaar omgeven met legenden, maar dat toch een sterke uitnodiging mag zijn tot dezelfde beschouwing van de mysteries rond de Menswording van Gods Zoon. “Et incarnatus est”, staat in gouden letter boven de grot in Nazareth. Vroeger bogen de celebranten het hoofd wanneer die woorden werden uitgesproken in het Credo “En Hij is mens geworden”, een mysterie dat verder zal openbloeien in Jezus’ geboorte: “Heden is u een Redder geboren, Jezus, de Heer”.

Dit heiligdom van Maria’s heilig huis helpt de pelgrim om de verheven godsdienstige inhoud te overwegen die verbonden is met het mysterie van de Menswording en de Aankondiging van de Verlossing.

Volgend nummer: een tekst van priester Herman Boon over Loreto.

 

NAAR TOP VAN DOCUMENT

UITZICHT - OVERZICHT - THUISPAGINA  VERDERE VORMING - NIEUW

 

EEN BOEIEND PROJECT IN BAGDAD

p. Vincent Van Vossel cssr

Irak heeft maandenlang in het nieuws gestaan. Er is veel verwoest en het leven ligt er nog in aanzienlijke mate overhoop; de toekomst is hoegenaamd nog niet zeker. Met hart en ziel werken de paters redemptoristen, p. Lucien Cop (novicemeester) en p.Vincent Van Vossel, voor hun Irakese volk, waar ze als missionarissen naar toe gezonden zijn. Zij werken vandaag voor hun christenen, maar denken ook aan de toekomst.

Ondanks de grote emigratie van Chaldeeuwse en andere christenen tijdens de voorbije jaren, zou p. Vincent  (Aboena Mansoer) in Bagdad een cultureel christelijk instituut willen oprichten om de oude christelijke culturen en tradities te bestuderen, te bewaren en te activeren. Hij ziet dit nodig op het vlak van liturgie, jeugdzorg, catechese, en een aantal andere gebieden. Wat hem gemotiveerd heeft is zijn jarenlange vaststelling dat de huidige christenen in Irak hun eigen rijke tradities, hun eigen spreektaal en liturgische taal, nog nauwelijks kennen. Daartoe voorziet hij dan 3 programma’s:

1. Onderricht van de Oosterse (plaatselijke) Vaders, kerkgeschiedenis, spiritualiteit, liturgie. Met workshops over volkstradities.

2.  Oosterse en actuele theologie (God, Christus, Kerk), toegepast op de liturgie en catechese. Met workshops over actuele Arabische literatuur.

3. Moraal, sociologie en ‘pastoral counseling’ met betrekking tot actuele problemen en situaties (met workshops).

Er is ook nog een 4de tak voorzien (voorlopig echter ingeweven in de 3 bovengenoemde programma’s), met name: oude en moderne plaatselijke christelijke kunst, vooral de Syrische en Armeense kunst (workshops: iconografie).

Voor dit project zullen een aantal docenten aangeworven moeten worden en het nodige didactisch materiaal aangeschaft. De kosten hiervoor betreffen dan ook 1° een budget om de docenten gedeeltelijk te vergoeden: 5 tot 10 US $ per docent per lesuur, 2° een budget voor het drukken van de cursussen: er worden 10 boeken voorzien en elk boek kost minstens 1500 US $.

De Vlaamse en Nederlandse Redemptoristen gaan zich voor dat project inzetten maar ook onze lezers worden uitgenodigd om hun steentje bij te dragen. Het gaat hier immers niet enkel om een steun aan Redemptoristen, maar om het bewaren van een authentieke christelijke cultuur, die in de loop der eeuwen geweldig veel heeft moeten doorstaan in Irak, zoals trouwens in het grootste deel van het Midden-Oosten.

Bijdragen, klein of groot, kunnen gestort worden op  bankrekening 892-5905324-50 (of Postrekening 000-1717715-39) van Geloof en Leven V.Z.W. , Voskenslaan 56, 9000 Gent - telkens met vermelding “voor kerkproject Irak”. In naam van onze Irak-missionarissen, hun Irakese confraters en de Irakese christenen:van harte dank.

 

 

Henri Nouwen Manuscriptprijs: iets voor jou?

De overleden priester-schrijver Henri Nouwen maakte in herkenbare bewoordingen duidelijk dat Gods liefde ervaren kan worden doorheen angst, twijfel en gebrokenheid heen. De Henri Nouwenstichting wil auteurs aanmoedigen om een spiritueel, religieus en inspirerend manuscript te presenteren dat toegankelijk is voor een breed hedendaags publiek. De keuze van het thema is vrij maar er wordt verwacht dat het manuscript bijdraagt tot het herkennen van God in deze tijd. De Prijs, ten bedrage van 2500 €., wordt om de twee jaar ter beschikking gesteld. Het manuscript moet vóór 31 augustus 2004 ingeleverd zijn bij het secretariaat (Henri Nouwenstichting, Secretariaat, Avenue Concordia 117  NL-3062 LG Rotterdam. Tel.31-010 4128 596 - fax 31-010 4128 833. E-mail:   Webpagina:  ). De uitgave in boekvorm gebeurt door Uitgeverij Lannoo. Het reglement voor de Prijs vind u op de website of neem contact op met bovenstaande adressen.

 

NAAR TOP VAN DOCUMENT

INHOUD - ACTIVITEITEN - NIEUW - KINDEREN - BIJBEL - DIAPRESENTATIES - GEBEDSGROEP - PARAY L.M. - MARIA-KEFAS - PREKEN - REDEMPTORISTEN - THUISPAGINA - NADENKERTJES - NUMMERS - LITURGIE - ROEPING - GEZIN - JONGEREN - GETUIGENISSEN - ETHIEKHAHAHA - BOEKEN - MARIA - VORMING - ZENDING - KERK - CHRISTENUITZICHT - INFO - MEDIA - GEZONDHEID - SPIRITUALITEIT - PINKSTERSPIRITUALITEIT - VERHALEN - KUNST - BEZINNINGEN -