|
GELOOF EN LEVEN
JAAR 2002 nr. 2
Jaargang 106 nr 2 (april - mei -
juni 2002)
Een
spirituele tocht (5de etappe) De
scherpte van de nevel door Lieven
Dewaer
De eerste missievlucht naar Kongo (11) door:
Jozef Boon CssR De Sirocco…
Als Maria u bij de hand neemt
door
Dominiek en Francine Lodewijckx, Maria-Kefasgemeenschap
Respect voor vreemde volkeren citaat
Katechismus vd Katholieke Kerk (20) resumé
: Ben Van Vossel cssr
Voor het Catecheseteam door Ingrid
Reclusen
Ben Van Vossel cssr
Het huis van Maria te Efese? (Vervolg en slot)
Decaloog (5) 1 Bovenal bemin één God (5)
Eén God door Ben Van Vossel cssr
De vliegende icoon Chris Dessin, lid van het leidersteam van de
Maria-Kefasgemeenschap
Allochtone moeders maken zich problemen
Qumran (4) Ben Van Vossel cssr
Roeping tot ongehuwde aan de Heer toegewijd Magda De Wilde,
Maria-Kefasgemeenschap
Boekennieuws CHOWNING, Daniel -,
Wie zal mij genezen? Jan van
het Kruis antwoord… Carmelitana
2001, DEMASEURE, - Karlijn & DEPOORTERE,
Kristiaan -, e.a. Meestappen. Pastoraal
begeleiden in moeilijke levenssituaties. Halewijn
2001. THEVELEIN, Ignace -, Officium. Gezongen
getijdengebed. Lannoo 2002
EEN
SPIRITUELE TOCHT (5de etappe)
door
Lieven Dewaer
5de etappe : DE SCHERPTE VAN DE NEVEL
Laten we een
van deze dagen eens de tuin ingaan. Je
hebt geen tuin? Een park in je
omgeving misschien, een laan met wat platanen of beuken?
Doe eens een wandelingetje… We
gaan even de natuur in. Desnoods
alleen met onze ogen. Okay?
1 Diepe aanwezigheid
’t Is wat
mistig vandaag. De zon heeft zich
niet laten zien, maar toch vermoed je ze, ergens daarbuiten.
Wat nevelachtig. Ik kwam ooit
eens terug uit Fayt-lez-Manage en we reden over de autostrade ergens tussen
Brussel en Gent. De pater Jezuïet
die naast me zat zei: “Als je deze mysterievolle natuur hier ziet, sta je er
niet verwonderd over dat Vlaanderen ooit zoveel mystieken heeft
voortgebracht”. Toen ik ook wat
opzij keek, kon ik begrijpen wat hij bedoelde.
Het was geen melancholie die uit het wat nevelachtige landschap sprak: de
kleurloze bomen - het werd stilaan avond -, de nevel over de velden, het nodigde
uit tot inkeer. Het nodigde uit tot
stilte, het had iets geheimnisvol. Zo’n
sfeer heeft me ook ooit naar God verwezen; een rozenstruik tegen een mistige
achtergrond, en één enkele nog bloeiende roze roos… op een weinig hoopvolle
zomermorgen.
“Die
triestige zomermorgen
met een drukkende taak
die vervuld moest worden...
Een blik naar buiten
waar de zon
nog maar zwak warmend
de dennen uit de nevel
naar voor duwde:
fris bedauwd stonden ze
afgetekend tegen
de grijsblauwe lucht...
Maar het mooist was die roos
die jouw hand
me zo verrassend toereikte
achter de muur vandaan
onverwacht sprekend
van jouw
immer aanwezige Liefde”.
(Mater Dei 20/06/1979)
Voor Guido
Gezelle had de hele natuur een taal die hem over God sprak.
Ook de mist? Ook de nevel?
Die zijn in ieder geval een uitnodiging om wat naar binnen te kijken.
De buitenwereld wat wazig laten worden om bewust te worden van een diepe
realiteit, die je niet ziet, maar aanvoelt.
Hij is er, Hij!
Oefening 1
Ga rustig zitten.
Misschien zijn er nog personen in de omgeving.
Maar jij kunt daar toch even bij jezelf thuiskomen.
Adem lichtjes in, en adem halfluid uit.
Heel rustig. Doe dat een paar
keer. Word je bewust van jezelf.
Jij bent. Jij bent jezelf.
En… Hij is ook bij jou. God.
Je Vader. Je Herder.
Je Gids. Je Oorsprong en je
Toekomst. Hij heeft jou gewenst.
Hij gaf jou de levensadem. Laat
je uitademing nog maar eens even horen. Overal
kan je God ontmoeten. Overal wil Hij
er zijn, met jou. Ook buiten deze
rustige plek. Midden in de open
natuur, ja. Maar ook in de metro,
ook op de bus, op de autoweg. Voel
je op dit ogenblik je hartslag? Luister
eens even. Voel je je hartslag, in
je hals?… Op elk moment geeft Hij
jou het leven. Op elk moment is Hij
er voor jou en mag jij leven voor Hem.
“God, ik dank je voor het leven. Ik
dank je voor je liefde voor mij”.
Blijf dat wat herhalen, heel rustig.
2 Rustig relativeren
Alles wat
wazig laten worden. Niet zo scherp
afgelijnd: die is sympathiek, die andere onsympathiek; die is mooi, die andere
is lelijk; die is de moeite waard, die andere interesseert me niet…
Die kwaliteiten, die gebreken… We
staan voor een beslissing: Wat gaan we wat wazig laten worden, wat laten we naar
voor komen, zoals die roos in dat gedicht? Waar
ga je op focussen en wat zet je eerder op de achtergrond?
Volgens welke maatstaf? ‘Relativeren’
is niet: alles is even goed, alles is evenveel waard, alles is mij om het even,
alles is god, enz… Dat is
natuurlijk niet waar. Maar wat
kunnen relativeren betekent sommige scherpe kanten wat afronden, een
meningsverschil niet noodzakelijk opkloppen tot een zwaar conflict, een
tegenslag niet zo koesteren tot het je voorkomt dat heel je leven definitief
‘om zeep’ is. Het is de wijsheid
van een nevelachtige dag.
Oefening 2
Zet je even
neer. Ontspan je.
Is er iets dat zich echt aan je opdringt als onrust, zorgen, iets dat je
onder stress brengt? Sluit je ogen,
maar niet helemaal, laat nog een glimp van licht doorkomen.
Of sluit je ogen toch… maar beeld je in dat God samen met jou naar die
onrustmakende zaken kijkt, die innerlijke onrust of datgene dat je echt zorgen
baart. Kijk er samen met God naar.
Rustig. Je mag er met Hem
over spreken. Neem de tijd die je
daarvoor nodig hebt. En laat het nu
even stil zijn. Hij kijkt met jou
mee, naar die onrustmaker of die onrustgevoelens…
Een warm, zacht licht komt over je leven.
God, die het ook allemaal weet, en die het zich ook aantrekt, maar die
graag wil dat je al dat onrustig makende wat wilt bergen binnen het geheel van
zijn liefdevolle aandacht. Samen met
jou wil Hij in jouw leven staan. Samen
met Hem mag jij naar oplossingen zoeken, vanuit zijn licht, met wijsheid sommige
mensen contacteren, om raad vragen of om hulp.
Maar vanuit de zekerheid dat je nooit aan je lot wordt overgelaten.
Dat de scherpte van de problemen nooit de sluier van zijn zorgende liefde
aan flarden scheuren.
Zeg: “Heer, Jij weet alles. Je
weet dat ik Je liefheb. Heer, Jij
bent liefde, Ik weet dat Jij mij liefhebt”.
Herhaal dit een hele tijd.
3 Een paradox
Scherp zien
is een gave. Scherp kunnen
onderscheiden. Maar soms is het goed
wat ‘door de vingers te zien’, wat te selecteren tussen het goede nieuws en
het slechte, je niet laten ‘verblinden’ door jaloersheid of droef nieuws.
Wat relativeren betekent: alles wat zijn plaats geven in het geheel,
binnen een achtergrond die heel wat ruimer is dan datgene waarop we ons
soms ‘blindstaren’. En de
breedste en beste achtergrond is de Liefde van God voor jou.
Laat dàt de wazige achtergrond zijn waartegen je leven zich afspeelt en
laat alles vanuit die liefdevolle achtergrond zijn optreden doen.
Wellicht is deze achtergrond dan tevens het juiste filter waardoor jouw
luisterend, naar binnen gekeerd hart de juiste appreciaties kan doen, de juiste
beoordeling over wat er gebeurt en wat zich
aanbiedt. Een nevel die - paradoxaal
- alles in volle scherpte toont en in zijn juiste proporties.
Oefening 3 : alles refereren naar God toe
Spreek uit
wat er op dit ogenblik op je ‘hart’ weegt.
En voeg er nu deze zin aan toe: “Maar ik weet, Heer, dat U me
liefheeft. En ik hou ook van U”.
Ligt er nóg
wat op je ‘maag’? Herhaal deze
oefening tot je hart (je maag, je lever) wat vrij is.
Oefening 4 :
Noem de naam
van iemand met wie je het moeilijk hebt… en voeg er aan toe: “Heer, ik heb
het moeilijk met x, maar ik weet, Heer, dat U me liefheeft.
En ik wil op U gelijken. Zegen
x. Leid me op de goede weg”.
Doe deze oefening enkele malen… En
misschien kent u nog wel zo’n naam…
Je Logboek
Noteer in je
tochtboekje hoe je je voelt na deze etappe of na deze of die oefening.
Voel je een warme aanwezigheid? Voel
je je beter of sterker, bemoedigd, hoopvoller?
Gaf de Heer je een of ander inzicht?
Schrijf het kort op. Misschien
ook een of ander voornemen. En
vergeet nooit dat nevel en mist je een klaarder zicht kunnen geven op God en de
realiteit.
NAAR TOP VAN DOCUMENT
uitzicht - overzicht
onderwerpen - thuispagina - activiteiten
ALS MARIA U BIJ DE HAND NEEMT (Getuigenis)
door:
Dominiek en Francine Lodewijckx, Maria-Kefasgemeenschap
Toen Dominiek
en ik op 31 mei, feest van het “Bezoek van Maria aan haar nicht Elisabeth”,
in het huwelijk traden, waren we ons van de betekenis van die datum eigenlijk
niet zo bewust. Nochtans had
O.L.Vrouw zich reeds over ons ontfermd in onze verlovingstijd, door middel van
de Wonderdadige Medaille.
We waren op
reis met mijn ouders, en na de gebruikelijke koffiestop, viel op zeker moment
mijn blik op de lege plaats waar mijn handtas zich moest bevinden.
Onmiddellijk viel het mij in dat ik ze had achtergelaten bij de toiletten
van die ochtendlijke stop, een à anderhalf uur geleden.
Onze beide portefeuilles en papieren, vreemd geld enz…
Groot alarm natuurlijk tot Dominiek me geruststelde : “Er steekt ’n
medailleke van O..Vrouw van de Wonderbare Medaille in mijn portefeuille”.
En wat bleek? Na ongeveer 300
km. terug vonden we aan de bewuste koffiestop de handtas intact weer met
portefeuilles, geld enz… U kan
zich onze dankbaarheid wel inbeelden.
Maar eigenlijk stonden we daar niet zo lang bij stil…
Toen we
enkele maanden getrouwd waren, kwamen we op een zaterdagnamiddag langs een
kerkje waar we even halt hielden voor een gebed.
We troffen daar een uitnodiging aan voor een bedevaartsreis naar de kapel
van de Wonderbare medaille te Parijs. “Daar
gaat mijn moeder soms heen”, vertrouwde Dominiek mij toe.
Resultaat: we schreven ons ook in, en zonder dat we het goed beseften
veranderde dat ons leven. De ervaring in de kapel van de “Wonderbare
Medaille” in de Rue du Bac werd een stukje van de hemel.
We stelden
van dan af het gebed meer en meer centraal in ons leven, we vertrouwden ons
huwelijk, onze kinderwens en mijn werksituatie echt toe aan wat de hemel
mogelijk achtte.
Na 4 jaar
huwelijk werd onze Bart geboren: onze kinderwens was eindelijk in vervulling
gegaan. We hadden een kind gevraagd
wanneer we er zelf konden voor zorgen, wat voor mij concreet betekende dat ik
een overplaatsing naar het bureau in Kortrijk moest krijgen.
Wat gebeurde er? Er kwam een
schrijven van ons Ministerie en de dag waarop ik het werk moest hervatten, 1
april (geen grap), werd ik overgeplaatst naar Kortrijk!
Dank U, O.L.Vrouw.
Toen onze
Bart echter 6 dagen oud was, bleek zijn spijsvertering niet in orde.
Na een week observatie in de kinderafdeling werd besloten hem over te
brengen naar het U.Z. Gasthuisberg te Leuven.
Als ouders voelden we ons machteloos, onzeker, maar we wilden opnieuw
alles aan Hierboven toevertrouwen en het onder de zorg van Maria plaatsen.
Ondertussen werden we in ijltempo en met loeiende sirenes met Bart naar Leuven
gebracht. Bij aankomst werd Bart,
intussen 2 weken oud, vanuit een reiscouveuse in een couveuse van het ziekenhuis
geplaatst. Op het moment dat dit
gebeurde viel de halsketting van de dienstdoende verpleegster - een halssnoer
waaraan een Wonderbare Medaille hing - op de couveuse.
Voor ons betekende dit een enorme opluchting, een teken dat de Hemel ons
niet in de steek liet. Bart werd
geopereerd en mocht al na 10 dagen het ziekenhuis verlaten, gezond en wel.
Dank U, Maria!
Als dank
proberen we voor heel veel mensen in deze tijd, een stukje van de hemel naderbij
te brengen. Het is nu het 18de jaar
dat we regelmatig bedevaarten organiseren naar die mooie kapel in de Rue du Bac
te Parijs.
Nog een kleine anekdote die ons wel plezier doet: onze huidige paus
Johannes-Paulus II bracht een bezoek aan die kapel op onze trouwdag, 31 mei
1980.
NAAR TOP VAN DOCUMENT
uitzicht - overzicht
onderwerpen - thuispagina - activiteiten
KATECHISMUS VAN DE KATHOLIEKE KERK (20)
resumé
: Ben Van Vossel cssr
HFDST. 2 Art.
4 “Jezus Christus heeft geleden, is gekruisigd, gestorven en begraven…
Het
Paasmysterie van het kruis en de verrijzenis van Christus staat centraal in de
Blijde Boodschap die de apostelen en de Kerk te verkondigen hebben.
Dat blijft ook vandaag zo. Hoe
is het met Jezus zover kunnen komen dat Hij verworpen werd?
§ 1 Jezus
en Israël (kkk nrs. 574-594)
In Jezus’
openbaar leven zien we dat hij vrij spoedig tegenstand ondervindt van een aantal
Farizeeën en partijgenoten van Herodes. Hij
wordt beschuldigd van kritiek op de leer van de Wet en de mondelinge tradities,
op de centrale plaats van de tempel van Jeruzalem en dat Hij bij het beklemtonen
van zijn eigen zending de grootheid van de Ene God aantast.
Toch zegt Hij dat Hij de wet niet komt opheffen maar ze tot vervulling
komt brengen; dat zal Hij doen in zijn eigen persoon door zich totaal te wijden
aan Gods verlangen. Wel gaat Hij
soms in tegen scheeftrekkingen door bepaalde te menselijke tradities.
En hoewel Jezus een grote liefde heeft voor de tempel, stelt Hij dat God
overal kan aanbeden worden in ‘geest en waarheid’ en Hij ziet zichzelf
bovendien als de definitieve woning van God onder de mensen.
De sfeer werd nog meer vergiftigd doordat Jezus Gods barmhartigheid naar
zondaars en tollenaars duidelijk concretiseerde.
Jezus vroeg ook om geloof in zijn persoon op grond van de werken die Hij
deed. Dat hebben de religieuze
leiders niet gekund omdat ze daarvoor moesten sterven aan hun eigen vastgeroeste
meningen; vandaar dat ze meenden dat Jezus als Godslasteraar (‘niemand kan
zonden vergeven dan God alleen’) de dood verdiende.
§ 2 Jezus is gekruisigd en gestorven (nr. 595-623)
Je kan niet
zeggen dat alle joodse verantwoordelijken Jezus wilden elimineren; nog minder
kunnen we zeggen dat het Joodse volk collectief verantwoordelijk is voor de dood
van Jezus. Er was heel wat
onwetendheid en het ‘Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen’ is geen
profetisch woord maar was gewoon een bekrachtigingsformule bij een proces.
Eerder kunnen we zeggen dat de zwaarte van Jezus’ lijden, de vracht die
het ‘Lam Gods’ te dragen had, veroorzaakt wordt door de zonde van ieder.
Mea culpa! Het is niet de
duivel die Christus kruisigde. Mea
culpa!
Doorheen de
menselijke verblinding en schuld heeft God zijn plan van heil toch uitgevoerd en
‘volgens de Schriften’ is Christus gestorven voor onze zonden.
Door in onze bestaanswijze in te treden heeft Hij door zijn totale
gegevenheid aan God het zondige van dat mensenbestaan omgekeerd tot hoogste
beleving van liefde tot God. Door
zijn gave tot in de dood zijn wij verlost (Rom. 5,10; 8,32).
Daarin openbaart zich Gods liefde, dat Hij zijn Zoon heeft gezonden ‘om
door het offer van zijn leven onze zonden uit te wissen’ (1 Joh. 4,10).
‘Want dit is mijn Bloed van het Verbond, dat voor velen (de velen =
voor allen) vergoten wordt tot vergeving van zonden.’ (Mt. 26,28).
Eigenlijk is
heel het leven van Jezus een offerande aan de Vader.
‘Ik ben gekomen om uw wil te doen’ (Hebr. 10,5-10).
Uit vrije wil (Joh. 10,18) heeft Hij zich gegeven uit liefde voor ons
(Joh. 13,1) en Zijn levensoffer heeft Hij op voorhand gevierd tijdens het
Laatste avondmaal (Luc. 22,19).
In de Hof van
Olijven (Getsemane) heeft zijn pijnlijke doodsangst Hem niet afgehouden van zijn
totale overgave aan de Vader en zijn heilig lijden op het kruishout heeft voor
ons de rechtvaardiging verdiend. Het
is het unieke en definitieve offer, het offer van het Nieuwe verbond (1 Kor.
11,25); Jezus’ gehoorzaamheid maakte onze ongehoorzaamheid weer goed (Rom.
5,19).
Jezus nodigt
zijn volgelingen uit om in zijn voetspoor te treden, ons kruis op te nemen en
Hem te volgen (1 Petr. 2,21; Mt 16,24). Maria
was heel nauw betrokken bij het mysterie van Jezus’ verlossend lijden.
NAAR TOP VAN DOCUMENT
uitzicht - overzicht
onderwerpen - thuispagina - activiteiten
VOOR HET CATECHESE-TEAM
Ingrid
We hebben veel respect voor de gehuwden, ongehuwden
en jongeren die zich inzetten voor de parochiale catechese en die vaak een hele
namiddag een catechesegroepje onthalen. Het
is een boeiend werk als men er zich met ijver op toelegt, maar het kan tegelijk
ook heel wat frustraties in zich dragen: weinig steun vanwege sommige ouders,
weinig motivatie aan de kant van de vormelingen en dan vooral het afhaken van
die tieners onmiddellijk na de vernieuwing van hun doopbeloften.
Frustrerend. Ontmoedigend.
Toch blijft het een boeiend en waardevol werk.
De voornaamste steun is jouw persoonlijke relatie tot de Heer Jezus en je
bewustzijn dat Hij het is die jou deze taak toevertrouwt.
Het getuigenis hieronder wil dan allerminst ontmoedigen, maar het was ook
voor ons een bezinning over onze diepste motivatie en de manier waarop wij
kinderen en tieners willen binnenleiden in het geloof en de geloofsbeleving
(nvdr).
Toen ik mijn
plechtige communie deed, wist ik hoe hoog de kerktoren was, had ik iets gehoord
over gastvrijheid, over open ramen en deuren en een lange tafel, waar plaats
moest zijn voor iedereen… en dat was goed.
Maar ze hadden me niet geleerd om met Jezus te spreken, de grote Gast en
Gastheer die ik ging ontmoeten en evenmin over de Heilige Geest die in Mij woont
en die mij wou leiden en bezielen en mij wou vormen naar Jezus’ beeld en mij
wou maken tot getuige van Jezus. Spijtig
dat ik dat toen niet mocht weten… Wisten
mijn catechisten het zelf? Beleefden
zij het? Waarom vertelden zij het
dan niet aan mij? Zij niet ... en de
parochiepriester niet?
NAAR TOP VAN DOCUMENT
uitzicht - overzicht
onderwerpen - thuispagina - activiteiten
RECLUSEN
door
Ben Van Vossel cssr
Anachoreten
Reclusen of
inclusen (= ingeslotenen, gekluisden, kluizenaars of kluizenaressen) waren
mannen of vrouwen die zich situeerden in het verlengde van de anachoreten.
Deze Anachoreten (anachorèsis betekent letterlijk ‘terugtrekking in de
woestijn’) waren heel vurige christenen die zich, voornamelijk in de eerste
eeuwen van het christendom, in de eenzaamheid terugtrokken, meestal in een
woestijn (woestijn betekent in het grieks: ‘eremos’, vandaar ook de benaming
‘(h)eremieten’). Daar leidden ze
in afzondering (dit in tegenstelling tot de Cenobieten die in gemeenschap
leefden) een leven van gebed, boete en handenarbeid.
Hun diepste betrachting was: zich enkel nog met God bezig te houden en te
bidden voor de mensen. In de 3de
eeuw bestond dit soort van leven reeds in het Oosten, in de Egyptische woestijn,
vooral als reactie op de afzwakking van het christelijk geloofsleven na de
vervolgingen, eens dat de kerk staatsgodsdienst was geworden. Het
kluizenaarsleven was dan later naar het Westen gekomen waar het voornamelijk in
de 12de en 13de eeuw zijn hoogtepunt kende.
In de 15de eeuw verloor het aan betekenis en het verdween in die vorm
(van reclusen) geleidelijk aan. Het
kluizenaarsleven bleef evenwel bestaan in de kerk, al of niet georganiseerd.
Georganiseerde kluizenaars
Een eerste
aanzet om het kluizenaarsleven in het Westen in te voeren werd ondernomen door
de H. Romuald die rond 1012 de ‘Orde van de Camaldulensen’ (ook wel ‘Witte
Benedictijnen’ genoemd) stichtte in Zuid-Italië, te Camaldoli in de
dichtbeboste bergen (Apenijnen) ten Noorden van Arezzo.
De meest bekende vorm van georganiseerd kluizenaarsleven vinden we echter
terug in de zogenaamd strengste vorm van kloosterleven in de katholieke kerk, de
‘Orde van de Kartuizers’ die door de H. Bruno van Keulen werd gesticht in
1084 in de Dauphiné; die eerste stichting noemde men later ‘La grande
Chartreuse’. De Franse revolutie
stelde een einde aan de Grande Chartreuse en pas in 1816 zijn de Kartuizers er
teruggekeerd; in 1903 werden ze opnieuw verdreven tot ze er in 1940 weer bezit
van konden nemen. Onze
pater-vliegenier Bradfer zou ooit zowel de Kartuizers als de Camaldulenzer
monniken leren kennen, zoals we later nog zullen verhalen.
De Kartuizers waren in heel het Westen verspreid met zo’n 197 kloosters
tot de 14de eeuw; ook in Gent (in ‘Joannes De Deo’ van de broeders Hiëronymieten
aan het Fratersplein bevindt zich nog de Kartuizerskerk, waar Lieven Bouwens
ooit nog zijn weefgetouw in onderbracht), Brugge, Antwerpen, Zeelem,
Geraardsbergen, Luik en Doornik waren er Kartuizers en in Brugge zelfs
Kartuizerinnen. De Reformatie, de
keizer-koster Jozef II en de Franse revolutie hebben aan de meeste van die
karthuizen een einde gesteld. Voor
wie het interesseert: In de Grande Chartreuse geraak je normaal niet binnen,
maar in de omtrek is er een permanente tentoonstelling over hun leven in een
gebouw dat aanvankelijk bestemd was voor de lekenbroeders maar later allerlei
functies heeft gekend (Correrie de la Grande Chartreuse, Saint-Pierre de
Chartreuse / Isère, 3,5 km. ten zuiden van de Grande Chartreuse); je vindt er
als parool: ‘De Kartuizer kiest de stilte en de eenzaamheid om zich enkel aan
God te wijden en om aan zijn gebed een universele draagwijdte te geven’.
Niet-georganiseerden
Niet
georganiseerde kluizenaars vind je zo links en rechts.
Soms zijn dat religieuzen die een strengere vorm van religieus leven
nastreven, meestal zijn het leken, sommigen die op volwassen leeftijd zich
volledig aan God willen toewijden in volkomen eenzaamheid, soms zijn het mensen
die een heel leven achter de rug hebben en inzien dat alleen God het mensenhart
kan vervullen; sommigen voelen zich geroepen tot een leven van boetvaardigheid
voor eigen zonden en voor de zonden van de wereld.
Ooit ontmoette ik zo’n kluizenaar, een gewezen matroos die zijn laatste
jaren sleet op het domein van een retraitehuis (in Schilde, meen ik),
afgezonderd in een hut in de tuin en zeer armoedig, maar toch werd hij
geraadpleegd door een aantal van de retraitanten voor onderscheiding of
intercessie. Hij had o.m. de
gewoonte om ’s nachts te bidden om heil en zegen voor de mensen uit de vier
windstreken. Zelfs voor een
kluizenaar is het aan te raden om een goede geestelijke leidsman hebben om zowel
psychisch als geestelijk evenwichtig te blijven en vruchtbaar voor de Kerk.
Ingemuurd
Reclusen of
inclusen waren mannen of vrouwen die zich voor een bepaalde tijd of voor de rest
van hun leven opsloten in een cel (kluis) of zich zelfs lieten inmetselen.
Terwijl de meeste kluizenaars of anachoreten aanvankelijk kluizen of
grotten bewoonden in verlaten streken, waren er later die zo’n soort
afgezonderd leven ook in de omgeving van een bevolkingscentrum gingen leiden.
Zowat de strengste vorm van zo’n kluizenaarsbestaan was in de
Middeleeuwen inderdaad de ‘inmuring’; vandaar ook het woord ‘inclusen’
of ‘reclusen’, gekluisden. Tijdens
een kerkelijke plechtigheid liet de kluizena(a)r(es) zich in een kluis
(gewoonlijk aan een klooster of kerk aangebouwd) insluiten.
De bisschop verzegelde de deur en bewaarde er de sleutel van; soms werd
de kluizenaar ook werkelijk ingemetseld. Een
kleine opening werd vrijgelaten voor het noodzakelijk verkeer met de
buitenwereld’. Zeer bekend is de
Engelse recluse (volgens de regel van Benedictus), Juliana van Norwich
(1342-na1413), wier cel aangebouwd was tegen de nu Anglicaanse Saint
Julian-kerk. Een ander bekend voorbeeld van deze zogenaamde inclusen of reclusen
is de Utrechtse vrome dichteres zuster Bertken
Jacobsdochter, die “57 jaren besloten heeft gheseten tot Utrecht in dye
buerkercke”. Op 30-jarige
leeftijd, in 1457 had ze zich laten inmuren in die kerk.
Zij schreef mooie liederen en bezinningen (die aan Hadewych doen denken)
vooral over het lijden van de Heer Jezus. In
sommige oude kerken - vooral in steden - bestaat nog zo’n ruimte die enerzijds
uitgaf op de straat (mensen konden vragen om het gebed van de recluse of soms
ook geestelijke raad ontvangen) en anderzijds zicht bood op het altaar (om de
H.Mis te kunnen volgen en de communie te kunnen ontvangen).
De In ‘The
Ancren Riwle’ - ‘de regel van de Anachoreten’ (kluizenaars, reclusen of
gekluisden) - richt een onbekende
schrijver zich tot 3 zusters ‘naar de geest en naar het vlees’, die in naast
elkaar gelegen kluizen woonden. Het
traktaat is in het engels geschreven, waarschijnlijk tussen 1190 en 1230.
Als ze jullie vragen tot welke orde je behoort, zo schrijft hij wat
spottend, zeg dan maar dat je van de orde van de apostel Jacobus bent, want die
heeft geschreven: “zuivere en smetteloze godsdienst (religie) is: weduwen en
wezen opzoeken en bijstaan, en zichzelf rein en vrij bewaren van de besmetting
der wereld”. Als uitleg bij dit
vers noteert hij: “Een ziel die haar Bruidegom, Jezus Christus, verloren heeft
door een doodzonde is zo’n weduwe. En
evenzo is een wees, al wie door zijn zonde zijn Vader in de hemel verloren
heeft. Zulke mensen gaan opzoeken,
ze sterken en te hulp komen met het voedsel van de gewijde leer, is volgens Sint
Jacobus ware religie. Het laatste
deel van zijn uitspraak heeft betrekking op kluizenaars, op uw Orde, op u die u
zelf meer dan andere religieuzen ‘rein en onbesmet van het aardse
bewaart’”.
Het klokje
rond met de Heer
“Als je je
aangekleed hebt, besprenkel je dan met wijwater dat je steeds in huis moet
hebben. Richt dan je gedachten op
het Lichaam en Bloed van de Heer boven het hoogaltaar,
keer je erheen en val op de knieën. Doe dat ook wanneer de priester Het opheft
en vóór de schuldbelijdenis (’Heer, ik ben niet waardig...’) wanneer je de
H. Hostie gaat ontvangen”.
Na de
aanbidding van het Allerheiligste volgden begroeting en geknield bidden voor het
kruisbeeld en het beeld van de Maagd Maria en andere heiligenbeelden die zich -
soms ook met relieken - op het huisaltaartje bevonden.
Op bepaalde momenten bad men dan de Getijden der H. Maagd (soort brevier
in de landstaal), de Litanie van Alle Heiligen, het Dodenofficie en andere
gebeden. Vooral echter was er de
aanbidding van het heilige Sacrament waarin ze de kracht en genade vond voor
haar leven van gebed en boete. “Geloof
maar vast dat alle macht van de duivel wegsmelt voor de genade van het
Allerheiligste Sacrament” dat ge boven alles verheven ziet zo vaak de priester
zijn Mis opdraagt en er het Kindeke der Maagd, Jezus de Zoon van God,
consacreert, die soms ook afstapt in het gasthuis van uw ziel, om nederig zijn
verblijf bij u te nemen. God weet
het: al te zwak en al te lafhartig is degene, die met de hulp van zulk een gast
niet dapper strijdt”.
Voor de rest
hadden ze de Biecht, wijwater, gebeden en heilige overwegingen, zegeningen,
kniebuigingen en alle goed woord en werk “om uw kleinere zonden weg te
wassen… Maar tegen de Biecht
leggen in elk geval al de andere middelen het af…
Biechten moet ge dus maar dikwijls.”
‘s Middags
overwogen ze de drie lange uren dat Jezus aan het kruis hing.
Zoals gezegd hadden ze enig contact langs het getraliede buitenvenster
waarlangs troost en bezieling trachten door te geven aan mensen die hen wilden
spreken of om hun gebed verzoeken. Ze
moesten zich wel hoeden voor nieuwsgierigheid en kletsen, ook mochten ze geen
(bij-)les geven aan kinderen.
Op het einde
van de dag knielde de recluse voor een gewetensonderzoek, of ze wel goed had
gehandeld en ze dankte Hem die alle genade geeft daartoe, ze vroeg dan ook
barmhartigheid en vergeving voor haar zonden en voelde ze zich echt schuldig,
dan geselde ze zich. Het avondgebed
eindigde met een kruisteken over de cel, over zichzelf en het bed.
’s Nachts
deed ze de Metten, het nachtofficie aan het kerkvenster, staand of gezeten, met
buigingen en kniebuigingen. De
flikkerende godslamp, de nabije intimiteit met de Eucharistische Christus
vooral, sloeg vaak de vonk in het naar God hunkerend hart van de kluizenares.
En die liefde wilde ze ook uitstorten in de harten van vele anderen:
“Joden, Saracenen, ketters, heidenen en zondaars kwamen haar voor de geest, en
ze werd Hart van de Kerk, Hart dat het levensbloed toevoerde aan het
wereldapostolaat”.
We geven hier
twee teksten uit ‘De regel van de Anachoreten’ (The Ancren Riwle):
Ankers voor de Kerk
“In psalm
102,7 lezen we ‘Ik lijk een vogel in de woestijn, een nachtvogel in een
bouwval’. Een nachtvogel onder het
dak is een beeld van de reclusen die wonen onder één dak met de kerk, opdat ze
zouden begrijpen dat ze zo’n heilig leven behoren te leiden, zodat de hele
heilige Kerk, d.i. heel het Christenvolk, op ze leunen en steunen kan, en
geschraagd worden door hun heilige levenswandel en vrome gebeden.
Daarom ook noemt men ze anachoreten en zijn ze onder de kerk
“geankerd” als ankers onder een schip, die het moeten vasthouden een
verhinderen dat golven en stormen het overmeesteren (…).
Opgesloten zoals Jezus
“Was de
Heer Jezus zelf niet, net als jullie opgesloten, namelijk in de schoot van de
Maagd? Beklemming en bitterheid
maken het kruis van een kluizenares uit. Welnu,
de moederschoot die Onze Heer omkluisterd hield, was een eng, beklemmend
verblijf. En de naam ‘Maria’ betekent bitterheid, zoals ik al meer zei.
Als ge dus bitter moet lijden in een enge ruimte, dan zijt ge net als
Jezus, toen Hij ‘omsloten’ was in Maria’s schoot.
Tussen uw vier dikke muren zijt ge ook nog als Jezus in zijn nauwe krib,
of zoals toen Hij vastgekluisterd was aan het Kruis, of gelijk Hij
dicht-omsloten lag in het stenen graf. Maria’s
schoot en het graf waren zijn kluis, en in geen van tweeën was Hij een man van
de wereld, doch als het ware buiten de wereld, om kluizenaressen te leren dat ze
met de wereld niets gemeen moeten hebben. “Jawel,”
hoor ik u antwoorden, “maar Onze Heer is uit allebei uitgebroken!”
Nou dan, komen jullie ook maar uit jullie twee kluizen!
Maar dan juist zoals Hij, zonder iets te breken, en erop lettend dat je
de gaafheid van geen van beide schendt! Dat
zal inderdaad eenmaal geschieden, wanneer de ziel ontsnapt uit haar dubbel
verlijf, zonder vlek of smet. Het
eerste verblijf is het lichaam. Het
tweede is het stoffelijke huis, dat is als de buitenwal om een kasteel”.
Kluizenaarsleven voor velen?
Naar
aanleiding van ‘The Ancren Riwle’ vraagt Benoit du Moustier zich af of dit
soort leven nog iets voor mensen van vandaag is.
Hij vindt van wel, maar heeft het dan over een “kluizenaarsgeest midden
in de wereld, in de maatschappelijke omstandigheden die de Voorzienigheid voor
de betrokkene beschikt heeft”. Zo
denkt hij aan bejaarden, veel zieken en gehandicapten, priesters op stille,
landelijke parochies, verlaten en vereenzaamde christenen, zij die veelal op hun
eentje arbeiden op kantoor of atelier, kortom allen die lange uren van de dag
alleen zijn en bij wie de materiële dagelijkse plichten hoofd en hart niet al
te zeer in beslag nemen. Zijn er
geen christenen meer die geroepen zijn om - midden deze wereld - Christus na te
volgen in zijn besloten zijn in de schoot van de Moedermaagd, in de begrensdheid
van het huisje van Nazaret en die tot het einde der tijden aanwezig wil blijven
in de omhullende ‘kluismysteries’ van Hostie en tabernakel?
Benoit du Moustier somt op wat zo’n leven ‘ondermeer’ zou kunnen
bevatten:
- zich
behoeden voor de smetten van de wereld
- zich in
overleg met zijn biechtvader een aantal uiterlijke verstervingen opleggen, die
rekening houden met ieders krachten en levensomstandigheden
- zijn dagen
heiligen door lezing en gebed, katholiek gebed voor allen die in nood zijn
- tong, ogen
en oren bewaken om zo weinig mogelijk de innerlijke ingetogenheid te onderbreken
- zich tot
eer en in navolging van Jezus’ eenzaamheid zoveel mogelijk afzonderen van de
wereld
- en zo de
Kerk te schragen door enigszins te delen in de geest en de praktijken van de
gekluisden van vroeger.
“Vermoedelijk
zijn ook vandaag velen geroepen tot Godverheerlijking, zelfheiliging en
verborgen apostolaat waartoe de afzondering uitnemende kansen biedt.
Lezing, gebed, Eucharistische aanbidding, ja, ook vooral aanbidding en
dankzegging, bewonderend en prijzend inwendig gebed.
Wat een verheven roeping voor wie daartoe genodigd worden door de
liefhebbende God!” (Benoît du Moustier)
NAAR TOP VAN DOCUMENT
uitzicht - overzicht
onderwerpen - thuispagina - activiteiten
HET HUIS VAN MARIA TE EFESE?
(Vervolg
en slot) door Ben Van Vossel cssr
Een zienster op één lijn met een vrome overlevering
Het moderne
verhaal rond dat ‘Huis van Maria onze Moeder’ (Meryem ana evi) begint
eigenlijk op het einde van de 18de, begin 19de eeuw met de visioenen van een
kloosterzuster uit het Duitse Dülmen.
Anna-Kaharina
Emmerich, een kloosterzuster Augustines (1774-1824) van de Agnetenberg te Dülmen,
heeft een aantal ‘openbaringen’ gehad o.m. omtrent het leven van Jezus en
van Maria (te vergelijken met de ‘openbaringen’ aan Maria Valtorta ).
Deze ‘beschouwingen’ werden opgetekend door Klemens Brentano, o.m. in
het boek “Het leven van de Maagd Maria”, dat spoedig ook in het Nederlands
werd uitgegeven. De
Nederlandse vertaling van deze ‘Beschouwingen kregen toentertijd het
imprimatur van het aartsbisdom Mechelen en het bisdom Gent.
Welnu, als
zij het heeft over het afsterven van Maria, geeft A.-K. Emmerich - volgens de
notities van Brentano - zeer concrete gegevens over het huis en de
toegangswegen:
“Na de
Hemelvaart van Onze Heer Jezus Christus, leefde Maria drie jaar te Sion
(Jeruzalem), drie jaar te Bethanië (waar Lazarus en zijn twee zussen gesitueerd
worden in het evangelie) en negen jaar te Efese, waar Johannes haar heen had
gebracht, nadat de Joden Lazarus met zijn zussen op de zee hadden uitgesteld”.
De zienster concretiseert: “Maria woonde niet te Efese zelf, maar in de
omtrek, waar zich reeds veel vrouwen, haar vriendinnen, gevestigd hadden.
Haar woning stond drieënhalf mijlen van Efese, op een berg, die men
rechts zag liggen als men van Jeruzalem komt en die stijl afdaalde naar Efese.
Vóór Efese bevinden zich grote bomenrijen, waaronder gele vruchten op
de grond liggen; een weinig naar het Zuiden leiden drie wegen naar een hoogte
overdekt met wilde planten; daarna ontmoet men een golvende vlakte, van ongeveer
een mijl omtrek, bedekt met mooie gewassen.
Dààr was het dat ze zich gevestigd hadden.
Het is een eenzame plaats, met veel schone en vruchtbare heuvels en enige
in de rots uitgeholde spelonken, en in het midden enige zanderige plekken.
Het land is wild, zonder nochtans onvruchtbaar te zijn: hier en daar
staan veel kegelvormige bomen waarvan de stammen effen zijn en waarvan de takken
een grote ruimte overschaduwen… Het
huis van Maria was in steen gebouwd. Op
enige afstand achter dat huis, klom de grond en liep dwars door rotsen op de top
van de berg; vandaar zag men tussen de heuvelen en de bomen de stad Efese en de
zee met haar talrijke eilanden. Die
plaats was dichter bij de zee dan Efese zelf, dat er nogal ver van verwijderd
was. De streek was eenzaam en weinig
bezocht. In de nabijheid stond een
kasteel… Tussen deze
verblijfplaats van Maria en de stad Efese liep een rivier die veel kronkelingen
maakte”. Verder geeft zuster
Emmerich dan nog een beschrijving van het huis van Maria
te Efese.
Bevestigd door geografie en stille overlevering
(traditie)
Zuster
Grancey, overste van de Zusters van Liefde van het Franse hospitaal in Izmir,
had van die tekst gehoord en vroeg aan twee paters Lazaristen, verbonden aan het
Heilig Hartcollege van de stad, om eens te gaan kijken naar de plaats in de
omgeving die door de lokale bevolking “Panaya Kapulu” (Poort van de
allerheiligste) genoemd werd, juist zoals zuster Emmerich had verhaald.
In het jaar 1891 (andere bronnen spreken van 1881) vonden deze priesters,
zich steunend op de geografische gegevens die Brentano genoteerd had, op de
Nachtegaalberg de ruïne van een woonhuis uit de vroeg-christelijke tijd (1ste
eeuw). Onder het eeuwen- oude puin
stootte men op een keuken en slaapkamer, helemaal beantwoordend aan de
beschrijving van de Duitse zuster. In
de omgeving werd ook een sterk stromende bron gevonden.
Echter niet het graf, waarover zij het eveneens vrij uitgebreid heeft.
Voor de gewone orthodoxen daar is dat juist een bewijs van Maria’s
tenhemelopneming. In 1892 sprak Mgr.
Timoni, aartsbisschop van Izmir, de mening uit dat het hier wel degelijk om het
huis van Maria handelde; van toen af werd het huis een druk bezocht
bedevaartsoord.
Het huis werd
in 1950 gerestaureerd tot een kerkje. Het
beeld van de Maagd Maria in de absis (vooraan) is uit het begin van de 20ste
eeuw. Eenmaal per jaar, op 15
augustus, feest van Maria Tenhemelopneming, krijgt de Grieks-orthodoxe kerk
toelating om - in deze moslimstreek! - een
publieke processie te houden, waarbij de metropoliet van Efese de orthodoxe
priesters voorgaat. Ook mag men in
het kerkje - te onderscheiden van de Maria-kerk in Efese - de goddelijke
liturgie te vieren. Het kerkje
krijgt dagelijks ook heel wat moslims op bezoek die hier komen bidden; voor hen
is Maria ‘Meryemana’, Moeder Maria.
In 1967 heeft
paus Paulus VI ook het kerkje bezocht. Sommigen
zagen dat als een bevestiging vanwege de Kerk, al is dat een wel vergaande
conclusie.
Epiphanus, een Kerkvader houdt zich op de vlakte…
In “De
Oudste Verhalen over de Moeder-Maagd” wordt, in verband met Maria’s
afsterven, naast Augustinus ook de kerkvader Epiphanus vermeld (315-403).
Deze spreekt er zich niet over uit of Maria al dan niet Johannes
vergezeld heeft naar Efese. “Nergens
(in de Schriften) wordt gezegd dat de H. Johannes, toen hij in Azië kwam, op
deze reis vergezeld werd door de heilige Maagd…
In feite weet niemand, welk haar einde is geweest”.
Met Epiphanus zijn we het einde van de 4de eeuw.
… en de Apocriefen volgen een andere traditie
Apocriefen
van de Bijbel zijn boeken of geschriften die soms wel heel oud zijn maar die
door het geheel van de kerk niet als door God geïnspireerd worden aanzien en
dus ook niet erkend als behorend tot de H. Schrift.
Sommige van die geschriften zijn vrome legenden of mooie bezinningen rond
de Schrift, sommige vallen op door hun wonderzucht, soms zijn ze ook vrij
ketters en brengen opvattingen die afwijken van de kerkelijke leer en de Schrift
en in sommige gevallen werden ze door vijanden van de Kerk geschreven om te
misleiden of om de Kerk belachelijk te maken.
Het woord ‘apocrief’ is afgeleid van het Griekse ‘apokruphos’,
geheim, verborgen. Apocriefen worden
voorgesteld als ‘tot hiertoe verborgen of geheime kennis’ maar die nu
openbaar gemaakt wordt. Natuurlijk
is het niet uitgesloten dat bepaalde apocriefen in sommige gevallen - omdat ze
vaak ook heel oud zijn - toch bepaalde informatie kunnen doorgeven die wel
betrouwbaar is.
Welnu,
betreffende het afsterven van Maria, de “Overgang van de heilige Maagd”,
bestaan enige apocriefe verhalen, waarin wordt verhaald hoe de apostelen vanuit
hun respectievelijke missiegebieden teruggeleid worden naar Jeruzalem om bij het
afsterven van Maria aanwezig te zijn. Zo
is er een apocriefe ‘Transitus Mariae’ toegeschreven aan Melito, bisschop
van Sardes in Lydie en een Araabse versie, eveneens over de “Transitus
Mariae”. Ook de “acten van
Johannes” (begin tot midden 2de eeuw), verhaalt hoe Johannes, die zelf te
Efese verblijft, voor het sterven van Maria door een wolk tot voor de deur van
het huis gebracht wordt
(in Jeruzalem!) waar Maria woonde.
In zijn boek
“Apocriefen van het Nieuw testament” haalt C. Ruts een korte tekst aan uit
de ‘Transitus Mariae’ van Melito (die volgens hem leefde rond 170 na C.):
“Toen de apostelen het lot hadden geworpen over de streken die zij moesten
gaan onderwijzen, bleef zij (= Maria) in haar ouderlijk huis nabij de
olijfberg”. Ruts merkt hierbij op
in een noot: “Volgens de apocriefen volgde Maria Sint Jan niet op zijn
apostelbaan en kwam zij ook niet bij hem wonen, toen hij bestendig te Efese was
gevestigd, maar zij bleef in het heilig Land”.
Wat dan?
Zoals u na
lezing van bovenstaande gegevens zult inzien, is het moeilijk om tot een
voldoende verantwoord besluit te komen. Daarvoor
hebben we te weinig objectieve gegevens in handen.
Ondanks de herontdekking van een zogenaamd ‘Huis van Moeder Maria’
aan de hand van de gegevens van de Duitse mystica, ondanks het feit van de grote
Mariakerk in Efes(e) zelf, ondanks bepaalde volkse overleveringen, blijft het -
bij de huidige stand van zaken althans - te weinig gefundeerd om in te gaan
tegen de eensgezinde overlevering, dat Maria in Jeruzalem gebleven is en daar is
overleden.
Naschrift
Omtrent de
visioenen van A.-.K. Emmerich en bv. ook van Maria Valtorta is het goed toch
even in herinnering te brengen wat pater Ch. Niederer s.j. schreef: “De taal
der mystiek heeft een eigen klank, zowel van Gods nabijheid als van persoonlijke
beleving. In het weergeven van de
persoonlijke beleving komt iets eigens, en daarmee ook de mogelijkheid van
onjuiste weergave. Daarom is de Kerk
voorzichtig en bijna terughoudend, voordat zij iets erkent “als echt”.
Intussen kunnen die geloofservaringen ons veel helpen, want wij kunnen
dat meevoelen en meebeleven op ons kleiner niveau, en ons verheffen tot een
dichter-zijn-bij-God (…) Een privé-openbaring is een persoonlijke beleving
van wat God ons heeft geopenbaard in de H.Schrift en door de Kerk aan ons
doorgeeft. Het is geen spreken van
God waarbij nieuw geloofsgoed wordt gegeven.
Maar de mystica zegt het met haar woorden en zoals zij het beleeft”.
NAAR TOP VAN DOCUMENT
uitzicht - overzicht
onderwerpen - thuispagina - activiteiten
DECALOOG (5)
1 Bovenal bemin één God
(5) Eén God
door:
Ben Van Vossel cssr
Als je God
aanvaardt - zo zegt het Geloofsboek - krijg je een antwoord op de drie grote
vragen van het mens-zijn. De vraag
naar de waarheid: wat betekent dit alles? De
vraag naar de normen: wat moet ik doen? En
de vraag naar de zin: wat mag ik hopen? Voor
iemand die in God geloof, verandert aldus alles.”
Dat hebben we hopelijk met onze vorige uiteenzettingen laten aanvoelen.
Nu hebben we het over het geloofspunt dat er maar één God is, het
eerste gebod of levenswoord: Bovenal bemin één God.
In hoeveel goden geloven de christenen?
“Ene God
alleen, éne Zaligmaker en anders geen”. Dit
was een kinderversje, een optelversje uit de oude tijd.
Het basiswoord van het Joodse geloof (Sj’ma Israël!) was: ‘Hoor,
Israël, de Heer is onze God, Hij alleen is God!’
Het is ook het basiswoord van de Islam.
En die twee twijfelen eraan of dit ook wel het basiswoord is van het
christelijk geloof. Het jodendom had
in het evangelie al gezegd dat Jezus verkeerd zat, daarvoor wilde men Hem zelfs
stenigen. De Islam is er vrijwel
zeker van dat christenen het over 3 goden hebben: God (de Vader), Jezus (Isa) en
Maria of de heilige Geest of iets dergelijks als derde.
Maar dat christenen niet helemaal zuiver zijn op de graat voor wat het
geloof in één God betreft, daar zijn ze vrijwel zeker van.
Nochtans is ook voor het christendom de grondwaarheid dat er slechts één
God is en dat er trouwens slechts één God kàn zijn.
Er zijn de natuurgodsdiensten geweest,
waar men geloofde in natuurkrachten die men goddelijke eigenschappen toekende en
aan wie men zich toewijdde, voor wie men offerde (soms mensen- en dan vaak ook
kinderoffers zoals o.m. bij de Baälgodsdienst in Carthago, 8ste-2de eeuw voor
Chr. (Er werden ook kinderlijkjes als bouwoffer aangetroffen in een aarden vat,
ingemetseld in een muur van Megiddo en ook bij de Inca’s nog in de 14-15de
eeuw in Ecuador, Peru, Chili, Argentinië en Bolivia); men bad tot die goden of
men trachtte ze te bezweren; met behulp van magische rituelen trachtte men ze in
zijn macht te krijgen.
Er zijn de
vele godsdiensten uit de klassieke Oudheid geweest, meestal veelgodendom,
waarbij men ook weer de goden trachtte goed te stemmen en ze wat in zijn dienst
trachtte te krijgen door offers. Vaak
was er een soort oppergod, naast veel andere goden die men overigens vaak heel
menselijke - en niet steeds de meest
verheven - emoties en handelingen toeschreef; naast die goden sprak men dan nog
van halfgoden. In sommige perioden
en culturen lieten de leiders (koningen, farao’s, keizers) zichzelf tot god
uitroepen en vereren.
Verder zijn er de esoterische godsdiensten,
waarbij nogal sprake is van occulte, verborgen kennis (gnosticisme) en waar vaak
naast de transcendente goede god er ook een scheppende en heersende god bestaat.
Dit laatste treffen we vooral aan bij het manicheïsme : we spreken dan
van dualistische wereldbeschouwing, met een principe van het goede en een
beginsel van het kwade.
Christenen zeggen : Er kan maar één God zijn,
als we aan God absolute macht en de oorsprong van alle zijn toekennen.
Twee goden zijn niet denkbaar of je zou weer in het buitenissige spoor
van de godsdiensten uit de Oudheid moeten treden met een soort van rangorde en
een oppergod.
Dus als
christenen zeggen dat God Vader Zoon en Geest is, dan blijven ze toch nog
geloven dat er maar één God bestaat. Dit
is geen waarheid waar we zelf zo eens eventjes opkomen, zoals men op het idee
van 2 goden komt door de vaststelling dat er naast het goede ook kwaad is in de
wereld. Nee, het geloof in de Drieëne
God is geen menselijk besluitje vanuit bepaalde overigens beperkte ervaringen of
vaststellingen, het is een waarheid die ons geschonken wordt vanuit de
Openbaring, i.c. de heilige Schrift.
Mysterie van Liefde
God openbaart
zichzelf niet als de grote eenzame, maar als Vader - Zoon - Heilige Geest.
Wij mogen dat mysterie - dat we niet kunnen ontrafelen - dankbaar
aanvaarden; blij omdat het ons werd geopenbaard.
De grote geleerde, Augustinus zag in dat hij enkel maar het hoofd kon
buigen voor iets wat niet te verstaan of te doorgronden is met het menselijk
verstand. We zijn blij dat we God
‘Vader’ mogen noemen, maar dat heeft op de eerste plaats te maken doordat
God Vader is voor Jezus Christus, zijn enige Zoon, vóór alle tijden geboren
uit de Vader. “Hij is het beeld
(de icoon) van de enige God”, van in alle eeuwigheid voorgekomen uit God,
‘wezensgelijk’ met de Vader zal men later zeggen.
En de liefde tussen Vader en Zoon is zo volmaakt dat het ook een Persoon
is. Maar, maar… dan hebben we toch
drie goden? Er is maar één God:
Vader, Zoon en heilige Geest. In
volmaakte eenheid, mysterie van Liefde.
Een probleem?
Ik ontmoet
christenen die vooral bidden tot de Vader. Andere
christenen hoor ik vooral bidden tot Jezus, Gods Zoon.
En we bidden ook mooie gebeden tot de heilige Geest: Kom, Schepper Geest,
daal tot ons neer… De heilige
Ignatius van Loyola maakte zich daar geen problemen rond.
Hij bad ook de ene keer tot de Vader, dan weer tot Jezus, dan tot de
heilige Geest. Telkens richten wij
ons tot het ene mysterie van Liefde (Lees bv. Lafrance, Volharden in gebed, p.
112).
Drieëne God ik bemin U
Een God dus,
die voor ons als een vader of moeder wil zijn, zorgend, dromend van ons heil,
maar die ons - opdat we tot het heil zouden komen - ook voor eisen stelt.
En die eerste eis hebben wij even willen benadrukken : Bovenal bemin één
God. Geloven wordt immers maar echt
wanneer het ook beminnen wordt. Laten
we zo op weg gaan en aan God zelf vragen: “God van Liefde, help mij U lief te
hebben; vervul mijn hart met liefde, die uw goddelijk geschenk is.”
NAAR TOP VAN DOCUMENT
uitzicht - overzicht
onderwerpen - thuispagina - activiteiten
DE VLIEGENDE ICOON
Chris
Dessin, lid van het leidersteam
van
de Maria-Kefasgemeenschap
Ingenieur Chris Dessin surfte op zijn huiscomputer
naar de website van het Internationaal RuimteStation (ISS) dat sedert enige tijd
rond onze planeet zweeft. Hij was
blij verrast toen hij in het russische compartiment van de derde bemanning op de
ereplaats een icoon van Onze-Lieve-Vrouw opmerkte (Info januari 2002).
Voor de
internetsurfers geef ik hier de coördinaten van 2 foto’s die genomen werden
in het russisch gedeelte (Zvezda Service Module) van het ISS ruimtestation
(eerste expeditie, derde bemanning). In
‘hoge resolutie’ (het duurt dan wel even om ze te downloaden) zijn de iconen
in het ruimtestation duidelijk te zien en te herkennen. 1ste
bemanning: (http://spaceflight.nasa.gov/gallery/images/station/crew-1/html/iss01e5141.html)
3de bemanning:
(http://spaceflight.nasa.gov/gallery/images/station/crew-3/html/iss003e5394.html)
De eerste
icoon werd door de eerste bemanning (crew) meegebracht en het lijkt een Christus
icoon, of een Russische heilige. De
tweede crew heeft de Maria-icoon aangebracht, en de derde bemanning heeft die
behouden. De icoon hangt op een voorname plaats, ze komt regelmatig in beeld bij
groepsfoto’s.
Het feit op
zich staat in schril contrast met het optreden van de eerste Russische
kosmonauten toen die in de jaren zestig de ruimte ingingen. Ze maakten er een
grapje over: “Het heelal is donker. Ik
zie geen God” (Yoeri Gagarin). Dat
ze God niet ontmoet hadden in de ‘hemel’, was voor hen meteen een bewijs dat
God niet bestond. Het was toen nog volop de tijd van het sovjet staatsatheïsme.
Dat Russische
kosmonauten in 2002 een icoon hangen op een mooie plaats in hun ruimtestation,
is toch een sterk getuigenis. Zij drukken daarmee uit dat ze hun ruimtevlucht,
hun werk en verblijf (drie maand) toevertrouwen aan de Heer Jezus en aan de
Moeder Gods, Maria. De vlucht met de Shuttle en de terugkeer als een gloeiende
vuurbal blijven immers steeds een risico. Maar
het feit dat deze iconen daar werden aangebracht getuigt ook dat het geloof niet
iets is voor ‘wereldvreemde’ mensen (al is deze woordkeuze hier misschien
wat raar). We moeten immers bedenken
dat deze kosmonauten allen ofwel ingenieurs zijn, ofwel gewezen gevechtspiloten,
ofwel wetenschappers van het hoogste niveau.
Laat ons maar zeggen dat het letterlijk een geloofsgetuigenis van de
bovenste plank is.
Een paar gegevens omtrent het ISS: ISS
is de afkorting van “International Space Station”.
Ook België levert een financiële, materiële en wetenschappelijke
bijdrage, en volgend jaar gaat er ook een Belg naartoe
(Frank De Winne). Het ISS
weegt op dit ogenblik 90 Ton en er wordt constant bijgeassembleerd (om plaats te
maken voor wie het hier zo niet meer ziet zitten?).
Het vliegt wel op een hoogte van 400 km., aan 27.600 km/h of 7,7 km/sec.
Dat betekent dat het in anderhalf uur een toertje maakt om de aarde. Het station
vliegt regelmatig boven ons hoofd hier in België.
Even uitkijken dus of je met je sterrenkijker ook de vliegende
Maria-icoon kunt ontwaren.
NAAR TOP VAN DOCUMENT
uitzicht - overzicht
onderwerpen - thuispagina - activiteiten
QUMRAN (4)
door
: Ben Van Vossel cssr
2 DE GESCHIEDENIS VAN DE QUMRANGEMEENSCHAP (vervolg)
(§ 1. De
Essenen gesitueerd binnen de Joodse geschiedenis)
(§ 2 De
fasen van de Essenengeschiedenis nog even in een notendop)
§ 3. De
getrouwen van het “Nieuwe Verbond”, de zonen van Sadok
De moord op
de priester Onias III in 171 tijdens de vervolging door Antiochus IV Epifanes
moet een schok betekend hebben voor een aantal gelovige Joden die weggevlucht
waren. Zij stelden spoedig vast dat
ze in de woestijn niet voor lange tijd konden overleven met een grote groep
vluchtelingen. Zo is wellicht een
aantal van hen naar het Noorden vertrokken, naar Syrië.
Onias, de ‘Meester der Gerechtigheid’, was trouwens ook een tijdlang
uitgeweken naar Antiochië. Mogelijks
zijn ze zich in de omgeving van Damascus gaan vestigen in afwachting van betere
tijden. In het eerste Boek van de
Makkabeeën, een van de Bijbelboeken lees je op bijna elke bladzijde over de
trouw aan het Verbond, over de verering van de Wet, het strikt onderhouden van
de Sabbat, het vermijden van wettelijke onreinheid.
Als men dan vaststelde hoe hogepriesters zonder enige titel en met een
twijfelachtig geloof elkaar opvolgden, en men tegelijkertijd met heimwee
terugdacht aan de heilige priester Sadok, dan werden die vluchtelingen -
waaronder heel wat priesters - stilaan tot vurige partizanen van een waarachtig
priesterschap. En zij maakten er
aanspraak op dat zij de echte zonen van Sadok (‘Beney Sadok’) waren, en zo
tot een van de oudste priesterfamilies behoorden, deze van Sadok, die priester
was ten tijde van de koningen David en Salomo (2 Sam. 8,17; 15).
Zij zagen zich als de behoeders van het “Verbond”.
In Ezekiël 44, 15-16 werden de ‘Beney Sadok’ speciaal uitverkoren
voor de dienst in de tempel: “15 Alleen de levitische priesters, de zonen van
Sadok, en die trouw de dienst in mijn heiligdom zijn blijven verrichten toen de
Israëlieten van Mij afdwaalden, mogen tot Mij naderen. Zij mogen Mij dienen en
Mij vet en bloed aanbieden, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.
Zij mogen mijn heiligdom binnengaan en aan mijn tafel dienst doen”.
§ 4 Het Damascusraadsel.
Twee opinies.
1- Het is
reeds naar voor gekomen in onze Qumranreeks dat, naast de teksten die in Qumran
en in de woestijn van Judea gevonden werden, er ook een ander verwant document
‘Het document van Damascus’ (CD) is gevonden in 2 exemplaren in de Geniza
van de synagoog van de Karaïeten in oud-Caïro, overigens samen met nog andere
teksten van de sekte. Volgens G.Vermès
zouden er beslissende toenaderingen bestaan tussen de leer en de praktijken van
de Karïeten en de trouw aan de voorschriften van het “Geschrift van
Damascus”. In zekere zin zouden
deze “Gelovigen van het Nieuw Verbond” nog overleven in de Karaïtische
gemeenschappen die vooral in Palestina, Arabië en Rusland verspreid leven (of
leefden) (zie noot 31).
Volgens
Albert Vincent zouden deze ‘Zonen van Sadok’ of “Gelovigen van Het Nieuw
Verbond” (zoals ze zich noemen), toen ze nog in Palestina geëngageerd waren
in de oorlog tegen de Seleuciden, aan de oorsprong liggen van: “De Strijd van
de kinderen van het Licht”, de “Dankhymnen, de “Commentaar van Habakuk”,
en vervolgens, na het vertrek naar het gebied rond Damascus, het “Geschrift
van Damascus”. Vanuit Judea
brachten ze al een bepaalde organisatievorm mee.
De betrekkingen met de vervolgde gelovige volksgenoten in Palestina en de
noodzaak om in een heidens milieu dichter aaneen te sluiten bracht de
oorspronkelijke ‘Beney Sadok’ er waarschijnlijk toe zich op te splitsen in
twee groepen van broeders, maar doordat ze van elkaar verwijderd waren werden ze
stilaan twee sekten: de ‘gelovigen van het Nieuw Verbond’ (de groep rond
Damascus) en de ‘Essenen’ (in Palestina).
Ze ontwikkelden zich niet totaal gelijklopend.
De “Regel van de Gemeenschap” behoort waarschijnlijk eerder aan de
Palestijnse groep van de Essenen; hij is vermoedelijk samengesteld nadat de
gelovigen van het “Nieuw Verbond” vertrokken waren (richting Damascus) en
kreeg pas stilaan zijn specifiek karakter.
Wanneer
kwamen de ballingen uit Damascus weer in Palestina?
Mogelijkerwijze in 37 vóór Christus, toen de regering van Herodes een
einde stelde aan de Dynastie van de Hasmoneeën en aan haar onrechtmatige
toe-eigening van het hogepriesterschap.
2- In
“Dodezeerollen en Bijbel” geeft Rudof Mayer een afwijkende mening.
Het Damascusgeschrift (CD), waarvan men o.m. in grot 4 en 6 fragmenten in
handschrift vond - maar dat men in de winter van 1896/97 als geheel gevonden had
in de hoger vernoemde geniza van de synagoge van de Karaïeten te Cairo -
behoort toch wel echt tot de geestelijke wereld van Qumran.
Het vertoont een grote verwantschap met uitspraken in de
Habakuk-commentaar en in de Regel. In
het Damascusgeschrift wordt bij het begin gezegd hoe de gemeenschap van het
‘Nieuwe Verbond’ te ‘Damascus’ is ontstaan.
Over de ouderdom van dit geschrift ten overstaan van de ‘Regel’ lopen
de meningen sterk uiteen: sommigen menen dat de regel ouder is, anderen (o.m.
Vermès) achten de Regel jonger dan het Damascusgeschrift en zien het als
getuige van de joodse reactie op pogingen van Antiochus IV om Palestina te
Helleniseren (i.c. het opdringen van de Griekse cultuur en zeden).
Aangezien, zoals gezegd, in enkele grotten afschriften van het
Damascusgeschrift werden gevonden meent Mayer evenwel dat men dit boek even
belangrijk vond voor het leven van de gemeenschap als de regel.
Toegegeven, volgens de gegevens van Flavius Josephus, de geromaniseerde
joodse geschiedschrijver, lijken er wel twee takken van de ‘orde’ der
Essenen bestaan te hebben, een van ongehuwde en een van de gehuwde leden (voor
wie, zoals gezegd, vermoedelijk het
tweekolommendocument was bestemd) terwijl er ook in de steden leden waren op wie
de bepalingen van het Damascusgeschrift van toepassing waren.
Toch zullen, naar alle waarschijnlijkheid, “alle Essenen Qumran
beschouwd hebben als hoofdkwartier, waar de uit ongehuwde leden bestaande
communiteit volgens de strenge regels der ‘orde’ leefde, terwijl de over
Palestina verspreide groepen in de gemeenschap van Qumran en het leven daar een
ideaal zagen dat men zo goed en zo kwaad als het ging trachtte na te streven.
Qumran moet ook de voorkeur gehad hebben als begraafplaats; hetgeen tot
gevolg had dat er ook vrouwen bijgezet werden”.
Sommige
geleerden hebben een nog meer uitgesproken mening.
Volgens hen is naam ‘Damascus’ bij de Essenen van Qumran geen echte
plaatsnaam maar heeft enkel een symbolische betekenis en duidt in werkelijkheid
Qumran zelf aan.
NAAR TOP VAN DOCUMENT
uitzicht - overzicht
onderwerpen - thuispagina - activiteiten
ROEPING TOT ONGEHUWDE AAN DE HEER TOEGEWIJD
door:
Magda De Wilde, Maria-Kefasgemeenschap
1 Het begin
Ik denk dat
het begin voor een roeping normaal het geloof is. Het is van belang ons
christelijk geloof te leren kennen en ermee op weg te gaan.
Geloven en weten dat er een God is die mij kent en draagt en Die met Zijn
Liefde mijn menselijke levensweg meegaat.
Ik weet dat
God ieder mens tot leven roept. Zo heeft Hij ook mij geroepen, mij gekend, mij
gewild, van in de moederschoot.
Voor mij was
het tot een bewust christelijk geloof komen van groot belang, ook om zo
geleidelijk aan een bewuste relatie met God, onze Vader, en Jezus, de Levende
Heer, op te bouwen. Ik heb mijn christelijk geloof leren kennen door mijn
ouders, opvoeders in de scholen...
En heel
belangrijk, God werkt ook zelf natuurlijk: de H.Geest is werkzaam in elk mens
met zijn genade. Zelfs een kind kan deze subtiele aantrekkingskracht van Gods
Geest onderscheiden. Als ik eraan terug denk, dan ervaarde ik reeds als kind God
soms heel spontaan in zijn schepping, in het buiten spelen met vriendinnetjes,
in de schoonheid van kerkelijke gezangen, de liturgie. En dit is diep leven
mogen en kunnen ervaren.
2 Het zoeken
Met het
opgroeien en volwassen worden, werd ook ik door vele polen aangetrokken.
Een mens moet keuzes maken en inderdaad volwassen worden. Ieder leven is
telkens weer uniek, de omstandigheden zijn uniek, de ervaringen, de ontmoetingen
zijn uniek. Wat misschien niet zo
uniek is zijn de zinvragen die naar boven komen, en de fundamentele eenzaamheid,
die ieder mens, juist doordat hij uniek is wel eens ervaart.
Mijn
menselijke levensweg is dus uniek. En
als ik Hem toelaat, die God van Jezus Christus - die we in Jezus menselijk mogen
ontmoeten - als ik Hem toelaat mij te vergezellen dan heb ik gevonden en zal ik
Hem steeds weer zoeken.
3 Het verlangen.
Als
jongvolwassene, kwam ik wel eens in
contact met de mooie liturgie en het leven in nieuwe, jonge
kloostergemeenschappen.
Ik heb ervan
gedroomd erbij te horen. Maar ik wist dat dit niet mijn roeping was.
Juist doordat de omstandigheden tegen zaten. En toch wist ik ook diep in
mijn hart dat God mij riep, om Hem van dichterbij te volgen.
4 De werkelijkheid.
Ik mocht
ervaren hoe God ook mij leidt juist doorheen de unieke omstandigheden van mijn
leven. Een bewijs eigenlijk dat Hij
heel persoonlijk met mij (zoals met ieder mens) op weg is. Wat ik wel deed was
Hem om hulp vragen, bij Hem gaan zitten, bidden dus, op een heel persoonlijke
manier; vanuit mijn leven sprak ik met Hem.
5 De toewijding.
Ik leerde dan
de katholieke ‘Maria-Kefas’-gemeenschap kennen. Deze nieuwe gemeenschap,
brengt zowel religieuzen, als gehuwde
en ongehuwde leken samen om op meer
radicale manier de Heer te volgen. Wij zijn geen residentiële
gemeenschap, maar komen regelmatig samen voor aanbidding, liturgische
vieringen, evangelisatieactiviteiten, en voor gezamenlijke vorming. (Er bestaat
een goede folder die alles zegt over onze gemeenschap)
Hier vond ik
een voor mij aangepaste weg om de Heer van dichterbij te volgen. Ik kon thuis
blijven en mee de zorg voor mijn bejaarde ouders verder op mij nemen. En
tegelijkertijd mocht ik binnen de gemeenschap ‘Maria-Kefas’ mijn toewijding,
als ongehuwde aan de Heer’ uitspreken.
Dat
uitspreken, voor het uitgestelde Heilig Sacrament, voor de priester van de
gemeenschap, en voor de medegelovigen, was wel een heel belangrijk, sterk en
plechtig moment voor mij. Het is de private gelofte van celibaat omwille van het
Rijk Gods. Het was de bevestiging
van mijn roeping. En alhoewel die er naar buiten toe niet zo radicaal uitziet
als van een kloosterzuster, toch wil ik mijn trouw aan God op eenzelfde radicale
wijze beleven, in de wereld dan. Natuurlijk, alles met zijn hulp en genade.
6 Ongehuwd, maar niet alleen of eenzaam.
Die hulp en
genade geeft Hij mij elke dag opnieuw. Soms
sta ik er ’s avonds over versteld
wat God mij allemaal weer gaf, of liet doen,
de kracht die Hij gaf in zwakheid. In de Eucharistieviering in de loop
van de week, ’s avonds wanneer we slechts
met een tiental mensen in de kerk zijn, kan ik Hem daar echt dankbaar
voor zijn.
Het is zeker
zo dat je als ongehuwde, niet die sterke band met één mens hebt. Het is van
groot belang die band met God te vinden. En als je daar weet van hebt, die
krachtbron hebt gevonden, zal je weten waar je telkens moet putten.
En waar ik
natuurlijk ook kracht mag uit putten is het contact met de zussen en
broers van de gemeenschap. Ik heb
niet die intieme band met één
mens. Eens hoorde ik iemand aan ongehuwden, alleengaanden, vrijgezellen, de
volgende benaming geven: ‘vrije gezellen’. Wij kunnen gezellen zijn,
vriend van vele mensen. Het
is nodig om goede, verrijkende, vriendschappelijke menselijke contacten te
hebben. Daarom is het voor mij ook
van heel groot belang om tot de ‘Maria-Kefas
‘ gemeenschap te behoren. Samen
met andere christenen, ook met andere ongehuwden, een stukje van mijn leven
delen. Ondertussen kunnen we veel leren van onze gehuwde zussen en broers, die
samen met hun gezin, zich ook
inzetten voor het Rijk Gods. De Maria-Kefasgemeenschap geeft eigenlijk een trouw
beeld weer van de samenleving waarvan we deel uitmaken. Op het werk zijn we
immers ook samen met mannen, vrouwen, gehuwden, ongehuwden. Zo staat de
gemeenschap’ Maria-Kefas’ niet ver van de wereld,
maar volop erin.
7 Als ongehuwde aan de Heer toegewijd in de wereld.
Vanuit de
gemeenschap voel ik mij ook gedragen en gezonden. De gezamenlijke
gebedsmomenten, liturgievieringen, samenkomsten, geven mij kracht om verder ook
persoonlijk de weg met God te gaan. Ook
om mijn werk bij de zieken in verbondenheid met God te doen.
En dan zijn
er nog de specifieke evangelisatieactiviteiten van de gemeenschap’
Maria-Kefas’. Zo organiseren we sedert een paar jaar Alpha-cursussen met als
bedoeling hedendaagse mensen weer de kernpunten van het christelijk geloof te
leren kennen. Het gaf mij telkens héél veel vreugde, en voldoening om daaraan
mee te werken.
8 Als besluit
Ik weet dat
mijn leven als ongehuwde, zonder God heel leeg zou zijn.
Met andere woorden, God heeft een voorname plaats in mijn leven. Dank zij
die verbondenheid met Hem, kan ik veel aan.
Psalm 18 zegt het zo en vertaalt goed wat ik wil zeggen:
‘Heer, U heb ik lief, mijn sterkte zijt Gij, mijn
toevlucht, mijn burcht, mijn bevrijder.
’Mijn God, de rots waar ik toevlucht vind, mijn
schild, mijn behoud en bescherming.’
In zijn
moderne vertaling is deze psalm een mooi gebed, ook voor alleenstaanden.
Natuurlijk moet iedereen de gebeden vinden, waar hij of zij zich het meest door
gedragen en aangesproken voelt.
Soms bid ik
voor die alleenstaande mensen, die heel eenzaam zijn, en hun heil soms zoeken in
gevaarlijke verslavingen (drank, drugs). Ik
bid dat ze ook God in hun leven een plaats zouden kunnen geven, Hem ontdekken.
En ook de verbondenheid mogen leren kennen, van tot een christelijke
gemeenschap te behoren.
In het eerste
nummer ’Geloof en Leven’ van 2002, trof mij het ‘Gebed van de
vrijwilliger’, geschreven door de Belgische bisschoppen.
Ik zou het ook het gebed van de ongehuwde - aan de Heer toegewijd én in
de wereld werkzaam - willen noemen. Misschien
zelfs het gebed voor elke alleenstaande.
Meer nog dan
mensen met een gezin, moeten wij misschien wel uit ons zelf kunnen treden en
naar anderen toegaan. Dienstbaar zijn en soms meer geven dan we terugkrijgen.
Maar hierbij mogen we altijd weten en nooit vergeten, dat we Godverbonden
kunnen leven. Hij is het die ons draagt en nooit loslaat, ons gratis en
onverdiend liefheeft, en onze unieke levensweg meegaat.
INHOUD
- ACTIVITEITEN - NIEUW -
KINDEREN -
BIJBEL - DIAPRESENTATIES - GEBEDSGROEP -
PARAY L.M. - MARIA-KEFAS -
PREKEN - REDEMPTORISTEN - THUISPAGINA
- NADENKERTJES -
NUMMERS - LITURGIE -
ROEPING -
GEZIN - JONGEREN - GETUIGENISSEN -
ETHIEK - HAHAHA
- BOEKEN
- MARIA - VORMING - ZENDING
- KERK - CHRISTEN
- UITZICHT - INFO
- MEDIA - GEZONDHEID
- SPIRITUALITEIT - PINKSTERSPIRITUALITEIT
- VERHALEN
- KUNST - BEZINNINGEN
-
|