GELOOF EN LEVEN 
JAAR 2002 nr. 2

Jaargang 106 nr 2 (april - mei - juni  2002)

Een spirituele tocht  (5de etappe) De scherpte van de nevel door  Lieven Dewaer
De eerste missievlucht naar Kongo (11)  door: Jozef Boon CssR  De Sirocco…
Als Maria u bij de hand neemt  door Dominiek en Francine Lodewijckx, Maria-Kefasgemeenschap
Respect voor vreemde volkeren  citaat
Katechismus vd Katholieke Kerk (20) resumé  : Ben Van Vossel cssr
Voor het Catecheseteam door Ingrid
Reclusen  Ben Van Vossel cssr
Het huis van Maria te Efese? (Vervolg en slot)
Decaloog (5) 1 Bovenal bemin één God  (5) Eén God door Ben Van Vossel cssr
De vliegende icoon Chris Dessin, lid van het leidersteam van de Maria-Kefasgemeenschap
Allochtone moeders maken zich problemen
Qumran (4) Ben Van Vossel cssr
Roeping tot ongehuwde aan de Heer toegewijd Magda De Wilde, Maria-Kefasgemeenschap
Boekennieuws  CHOWNING, Daniel -,  Wie zal mij genezen?  Jan van het Kruis antwoord…  Carmelitana 2001, DEMASEURE, - Karlijn & DEPOORTERE,  Kristiaan -, e.a. Meestappen.  Pastoraal begeleiden in moeilijke levenssituaties.  Halewijn 2001. THEVELEIN, Ignace -, Officium.  Gezongen getijdengebed.  Lannoo 2002

 

  EEN SPIRITUELE TOCHT (5de etappe)

door Lieven Dewaer

5de etappe : DE SCHERPTE VAN DE NEVEL

Laten we een van deze dagen eens de tuin ingaan.  Je hebt geen tuin?  Een park in je omgeving misschien, een laan met wat platanen of beuken?  Doe eens een wandelingetje…  We gaan even de natuur in.  Desnoods alleen met onze ogen.  Okay?

1 Diepe aanwezigheid

’t Is wat mistig vandaag.  De zon heeft zich niet laten zien, maar toch vermoed je ze, ergens daarbuiten.  Wat nevelachtig.  Ik kwam ooit eens terug uit Fayt-lez-Manage en we reden over de autostrade ergens tussen Brussel en Gent.  De pater Jezuïet die naast me zat zei: “Als je deze mysterievolle natuur hier ziet, sta je er niet verwonderd over dat Vlaanderen ooit zoveel mystieken heeft voortgebracht”.  Toen ik ook wat opzij keek, kon ik begrijpen wat hij bedoelde.  Het was geen melancholie die uit het wat nevelachtige landschap sprak: de kleurloze bomen - het werd stilaan avond -, de nevel over de velden, het nodigde uit tot inkeer.  Het nodigde uit tot stilte, het had iets geheimnisvol.  Zo’n sfeer heeft me ook ooit naar God verwezen; een rozenstruik tegen een mistige achtergrond, en één enkele nog bloeiende roze roos… op een weinig hoopvolle zomermorgen.

“Die triestige zomermorgen
met een drukkende taak
die vervuld moest worden...
Een blik naar buiten
waar de zon
nog maar zwak warmend
de dennen uit de nevel
naar voor duwde:
fris bedauwd stonden ze
afgetekend tegen
de grijsblauwe lucht...
Maar het mooist was die roos
die jouw hand
me zo verrassend toereikte
achter de muur vandaan
onverwacht sprekend
van jouw
immer aanwezige Liefde”. 
            (Mater Dei 20/06/1979)

Voor Guido Gezelle had de hele natuur een taal die hem over God sprak.  Ook de mist?  Ook de nevel?  Die zijn in ieder geval een uitnodiging om wat naar binnen te kijken.  De buitenwereld wat wazig laten worden om bewust te worden van een diepe realiteit, die je niet ziet, maar aanvoelt.  Hij is er, Hij!

Oefening 1
Ga rustig zitten.  Misschien zijn er nog personen in de omgeving.  Maar jij kunt daar toch even bij jezelf thuiskomen.  Adem lichtjes in, en adem halfluid uit.  Heel rustig.  Doe dat een paar keer.  Word je bewust van jezelf.  Jij bent.  Jij bent jezelf.  En… Hij is ook bij jou.  God.  Je Vader.  Je Herder.  Je Gids.  Je Oorsprong en je Toekomst.  Hij heeft jou gewenst.  Hij gaf jou de levensadem.  Laat je uitademing nog maar eens even horen.  Overal kan je God ontmoeten.  Overal wil Hij er zijn, met jou.  Ook buiten deze rustige plek.  Midden in de open natuur, ja.  Maar ook in de metro, ook op de bus, op de autoweg.  Voel je op dit ogenblik je hartslag?  Luister eens even.  Voel je je hartslag, in je hals?…  Op elk moment geeft Hij jou het leven.  Op elk moment is Hij er voor jou en mag jij leven voor Hem.
“God, ik dank je voor het leven.  Ik dank je voor je liefde voor mij”.
Blijf dat wat herhalen, heel rustig.

2 Rustig relativeren

Alles wat wazig laten worden.  Niet zo scherp afgelijnd: die is sympathiek, die andere onsympathiek; die is mooi, die andere is lelijk; die is de moeite waard, die andere interesseert me niet…  Die kwaliteiten, die gebreken…  We staan voor een beslissing: Wat gaan we wat wazig laten worden, wat laten we naar voor komen, zoals die roos in dat gedicht?  Waar ga je op focussen en wat zet je eerder op de achtergrond?  Volgens welke maatstaf?  ‘Relativeren’ is niet: alles is even goed, alles is evenveel waard, alles is mij om het even, alles is god, enz…  Dat is natuurlijk niet waar.  Maar wat kunnen relativeren betekent sommige scherpe kanten wat afronden, een meningsverschil niet noodzakelijk opkloppen tot een zwaar conflict, een tegenslag niet zo koesteren tot het je voorkomt dat heel je leven definitief ‘om zeep’ is.  Het is de wijsheid van een nevelachtige dag.

Oefening 2  
Zet je even neer.  Ontspan je.  Is er iets dat zich echt aan je opdringt als onrust, zorgen, iets dat je onder stress brengt?  Sluit je ogen, maar niet helemaal, laat nog een glimp van licht doorkomen.  Of sluit je ogen toch… maar beeld je in dat God samen met jou naar die onrustmakende zaken kijkt, die innerlijke onrust of datgene dat je echt zorgen baart.  Kijk er samen met God naar.  Rustig.  Je mag er met Hem over spreken.  Neem de tijd die je daarvoor nodig hebt.  En laat het nu even stil zijn.  Hij kijkt met jou mee, naar die onrustmaker of die onrustgevoelens…  Een warm, zacht licht komt over je leven.  God, die het ook allemaal weet, en die het zich ook aantrekt, maar die graag wil dat je al dat onrustig makende wat wilt bergen binnen het geheel van zijn liefdevolle aandacht.  Samen met jou wil Hij in jouw leven staan.  Samen met Hem mag jij naar oplossingen zoeken, vanuit zijn licht, met wijsheid sommige mensen contacteren, om raad vragen of om hulp.  Maar vanuit de zekerheid dat je nooit aan je lot wordt overgelaten.  Dat de scherpte van de problemen nooit de sluier van zijn zorgende liefde aan flarden scheuren.
Zeg: “Heer, Jij weet alles.  Je weet dat ik Je liefheb.  Heer, Jij bent liefde, Ik weet dat Jij mij liefhebt”.
Herhaal dit een hele tijd.

3 Een paradox

Scherp zien is een gave.  Scherp kunnen onderscheiden.  Maar soms is het goed wat ‘door de vingers te zien’, wat te selecteren tussen het goede nieuws en het slechte, je niet laten ‘verblinden’ door jaloersheid of droef nieuws.  Wat relativeren betekent: alles wat zijn plaats geven in het geheel, binnen een achtergrond die heel wat ruimer is dan datgene waarop we ons  soms ‘blindstaren’.  En de breedste en beste achtergrond is de Liefde van God voor jou.  Laat dàt de wazige achtergrond zijn waartegen je leven zich afspeelt en laat alles vanuit die liefdevolle achtergrond zijn optreden doen.  Wellicht is deze achtergrond dan tevens het juiste filter waardoor jouw luisterend, naar binnen gekeerd hart de juiste appreciaties kan doen, de juiste beoordeling over wat er gebeurt en wat  zich aanbiedt.  Een nevel die - paradoxaal - alles in volle scherpte toont en in zijn juiste proporties.

Oefening 3 : alles refereren naar God toe  
Spreek uit wat er op dit ogenblik op je ‘hart’ weegt.  En voeg er nu deze zin aan toe: “Maar ik weet, Heer, dat U me liefheeft.  En ik hou ook van U”.
Ligt er nóg wat op je ‘maag’?  Herhaal deze oefening tot je hart (je maag, je lever) wat vrij is.

Oefening 4 :  
Noem de naam van iemand met wie je het moeilijk hebt… en voeg er aan toe: “Heer, ik heb het moeilijk met x, maar ik weet, Heer, dat U me liefheeft.  En ik wil op U gelijken.  Zegen x.  Leid me op de goede weg”. 
Doe deze oefening enkele malen…  En misschien kent u nog wel zo’n naam… 

Je Logboek

Noteer in je tochtboekje hoe je je voelt na deze etappe of na deze of die oefening.  Voel je een warme aanwezigheid?  Voel je je beter of sterker, bemoedigd, hoopvoller?  Gaf de Heer je een of ander inzicht?  Schrijf het kort op.  Misschien ook een of ander voornemen.  En vergeet nooit dat nevel en mist je een klaarder zicht kunnen geven op God en de realiteit.

NAAR TOP VAN DOCUMENT

uitzicht
- overzicht onderwerpen - thuispagina  activiteiten

 ALS MARIA U BIJ DE HAND NEEMT (Getuigenis)

door: Dominiek en Francine Lodewijckx, Maria-Kefasgemeenschap

Toen Dominiek en ik op 31 mei, feest van het “Bezoek van Maria aan haar nicht Elisabeth”, in het huwelijk traden, waren we ons van de betekenis van die datum eigenlijk niet zo bewust.  Nochtans had O.L.Vrouw zich reeds over ons ontfermd in onze verlovingstijd, door middel van de Wonderdadige Medaille.
We waren op reis met mijn ouders, en na de gebruikelijke koffiestop, viel op zeker moment mijn blik op de lege plaats waar mijn handtas zich moest bevinden.  Onmiddellijk viel het mij in dat ik ze had achtergelaten bij de toiletten van die ochtendlijke stop, een à anderhalf uur geleden.  Onze beide portefeuilles en papieren, vreemd geld enz…  Groot alarm natuurlijk tot Dominiek me geruststelde : “Er steekt ’n medailleke van O..Vrouw van de Wonderbare Medaille in mijn portefeuille”.  En wat bleek?  Na ongeveer 300 km. terug vonden we aan de bewuste koffiestop de handtas intact weer met portefeuilles, geld enz…  U kan zich onze dankbaarheid wel inbeelden.
Maar eigenlijk stonden we daar niet zo lang bij stil…

Toen we enkele maanden getrouwd waren, kwamen we op een zaterdagnamiddag langs een kerkje waar we even halt hielden voor een gebed.  We troffen daar een uitnodiging aan voor een bedevaartsreis naar de kapel van de Wonderbare medaille te Parijs.  “Daar gaat mijn moeder soms heen”, vertrouwde Dominiek mij toe.  Resultaat: we schreven ons ook in, en zonder dat we het goed beseften veranderde dat ons leven. De ervaring in de kapel van de “Wonderbare Medaille” in de Rue du Bac werd een stukje van de hemel.
We stelden van dan af het gebed meer en meer centraal in ons leven, we vertrouwden ons huwelijk, onze kinderwens en mijn werksituatie echt toe aan wat de hemel mogelijk achtte.

Na 4 jaar huwelijk werd onze Bart geboren: onze kinderwens was eindelijk in vervulling gegaan.  We hadden een kind gevraagd wanneer we er zelf konden voor zorgen, wat voor mij concreet betekende dat ik een overplaatsing naar het bureau in Kortrijk moest krijgen.  Wat gebeurde er?  Er kwam een schrijven van ons Ministerie en de dag waarop ik het werk moest hervatten, 1 april (geen grap), werd ik overgeplaatst naar Kortrijk!  Dank U, O.L.Vrouw.
Toen onze Bart echter 6 dagen oud was, bleek zijn spijsvertering niet in orde.  Na een week observatie in de kinderafdeling werd besloten hem over te brengen naar het U.Z. Gasthuisberg te Leuven.  Als ouders voelden we ons machteloos, onzeker, maar we wilden opnieuw alles aan Hierboven toevertrouwen en het onder de zorg van Maria plaatsen.
Ondertussen werden we in ijltempo en met loeiende sirenes met Bart naar Leuven gebracht.  Bij aankomst werd Bart, intussen 2 weken oud, vanuit een reiscouveuse in een couveuse van het ziekenhuis geplaatst.  Op het moment dat dit gebeurde viel de halsketting van de dienstdoende verpleegster - een halssnoer waaraan een Wonderbare Medaille hing - op de couveuse.  Voor ons betekende dit een enorme opluchting, een teken dat de Hemel ons niet in de steek liet.  Bart werd geopereerd en mocht al na 10 dagen het ziekenhuis verlaten, gezond en wel.  Dank U, Maria!
Als dank proberen we voor heel veel mensen in deze tijd, een stukje van de hemel naderbij te brengen.  Het is nu het 18de jaar dat we regelmatig bedevaarten organiseren naar die mooie kapel in de Rue du Bac te Parijs.
Nog een kleine anekdote die ons wel plezier doet: onze huidige paus Johannes-Paulus II bracht een bezoek aan die kapel op onze trouwdag, 31 mei 1980.

NAAR TOP VAN DOCUMENT

uitzicht
- overzicht onderwerpen - thuispagina  activiteiten

KATECHISMUS VAN DE KATHOLIEKE KERK (20)

resumé  : Ben Van Vossel cssr

HFDST. 2  Art. 4 “Jezus Christus heeft geleden, is gekruisigd, gestorven en begraven…

Het Paasmysterie van het kruis en de verrijzenis van Christus staat centraal in de Blijde Boodschap die de apostelen en de Kerk te verkondigen hebben.  Dat blijft ook vandaag zo.  Hoe is het met Jezus zover kunnen komen dat Hij verworpen werd?

§ 1  Jezus en Israël   (kkk nrs. 574-594)

In Jezus’ openbaar leven zien we dat hij vrij spoedig tegenstand ondervindt van een aantal Farizeeën en partijgenoten van Herodes.  Hij wordt beschuldigd van kritiek op de leer van de Wet en de mondelinge tradities, op de centrale plaats van de tempel van Jeruzalem en dat Hij bij het beklemtonen van zijn eigen zending de grootheid van de Ene God aantast.  Toch zegt Hij dat Hij de wet niet komt opheffen maar ze tot vervulling komt brengen; dat zal Hij doen in zijn eigen persoon door zich totaal te wijden aan Gods verlangen.  Wel gaat Hij soms in tegen scheeftrekkingen door bepaalde te menselijke tradities.  En hoewel Jezus een grote liefde heeft voor de tempel, stelt Hij dat God overal kan aanbeden worden in ‘geest en waarheid’ en Hij ziet zichzelf bovendien als de definitieve woning van God onder de mensen.  De sfeer werd nog meer vergiftigd doordat Jezus Gods barmhartigheid naar zondaars en tollenaars duidelijk concretiseerde.  Jezus vroeg ook om geloof in zijn persoon op grond van de werken die Hij deed.  Dat hebben de religieuze leiders niet gekund omdat ze daarvoor moesten sterven aan hun eigen vastgeroeste meningen; vandaar dat ze meenden dat Jezus als Godslasteraar (‘niemand kan zonden vergeven dan God alleen’) de dood verdiende.

§ 2 Jezus is gekruisigd en gestorven (nr. 595-623)

Je kan niet zeggen dat alle joodse verantwoordelijken Jezus wilden elimineren; nog minder kunnen we zeggen dat het Joodse volk collectief verantwoordelijk is voor de dood van Jezus.  Er was heel wat onwetendheid en het ‘Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen’ is geen profetisch woord maar was gewoon een bekrachtigingsformule bij een proces.  Eerder kunnen we zeggen dat de zwaarte van Jezus’ lijden, de vracht die het ‘Lam Gods’ te dragen had, veroorzaakt wordt door de zonde van ieder.  Mea culpa!  Het is niet de duivel die Christus kruisigde.  Mea culpa!

Doorheen de menselijke verblinding en schuld heeft God zijn plan van heil toch uitgevoerd en ‘volgens de Schriften’ is Christus gestorven voor onze zonden.  Door in onze bestaanswijze in te treden heeft Hij door zijn totale gegevenheid aan God het zondige van dat mensenbestaan omgekeerd tot hoogste beleving van liefde tot God.  Door zijn gave tot in de dood zijn wij verlost (Rom. 5,10; 8,32).  Daarin openbaart zich Gods liefde, dat Hij zijn Zoon heeft gezonden ‘om door het offer van zijn leven onze zonden uit te wissen’ (1 Joh. 4,10).  ‘Want dit is mijn Bloed van het Verbond, dat voor velen (de velen = voor allen) vergoten wordt tot vergeving van zonden.’ (Mt. 26,28).

Eigenlijk is heel het leven van Jezus een offerande aan de Vader.  ‘Ik ben gekomen om uw wil te doen’ (Hebr. 10,5-10).  Uit vrije wil (Joh. 10,18) heeft Hij zich gegeven uit liefde voor ons (Joh. 13,1) en Zijn levensoffer heeft Hij op voorhand gevierd tijdens het Laatste avondmaal (Luc. 22,19).
In de Hof van Olijven (Getsemane) heeft zijn pijnlijke doodsangst Hem niet afgehouden van zijn totale overgave aan de Vader en zijn heilig lijden op het kruishout heeft voor ons de rechtvaardiging verdiend.  Het is het unieke en definitieve offer, het offer van het Nieuwe verbond (1 Kor. 11,25); Jezus’ gehoorzaamheid maakte onze ongehoorzaamheid weer goed (Rom. 5,19).
Jezus nodigt zijn volgelingen uit om in zijn voetspoor te treden, ons kruis op te nemen en Hem te volgen (1 Petr. 2,21; Mt 16,24).  Maria was heel nauw betrokken bij het mysterie van Jezus’ verlossend lijden.

NAAR TOP VAN DOCUMENT

uitzicht
- overzicht onderwerpen - thuispagina  activiteiten

VOOR HET CATECHESE-TEAM 

Ingrid

We hebben veel respect voor de gehuwden, ongehuwden en jongeren die zich inzetten voor de parochiale catechese en die vaak een hele namiddag een catechesegroepje onthalen.  Het is een boeiend werk als men er zich met ijver op toelegt, maar het kan tegelijk ook heel wat frustraties in zich dragen: weinig steun vanwege sommige ouders, weinig motivatie aan de kant van de vormelingen en dan vooral het afhaken van die tieners onmiddellijk na de vernieuwing van hun doopbeloften.  Frustrerend.  Ontmoedigend.  Toch blijft het een boeiend en waardevol werk.  De voornaamste steun is jouw persoonlijke relatie tot de Heer Jezus en je bewustzijn dat Hij het is die jou deze taak toevertrouwt.  Het getuigenis hieronder wil dan allerminst ontmoedigen, maar het was ook voor ons een bezinning over onze diepste motivatie en de manier waarop wij kinderen en tieners willen binnenleiden in het geloof en de geloofsbeleving (nvdr).

Toen ik mijn plechtige communie deed, wist ik hoe hoog de kerktoren was, had ik iets gehoord over gastvrijheid, over open ramen en deuren en een lange tafel, waar plaats moest zijn voor iedereen… en dat was goed.  Maar ze hadden me niet geleerd om met Jezus te spreken, de grote Gast en Gastheer die ik ging ontmoeten en evenmin over de Heilige Geest die in Mij woont en die mij wou leiden en bezielen en mij wou vormen naar Jezus’ beeld en mij wou maken tot getuige van Jezus.  Spijtig dat ik dat toen niet mocht weten…  Wisten mijn catechisten het zelf?  Beleefden zij het?  Waarom vertelden zij het dan niet aan mij?  Zij niet ... en de parochiepriester niet?

 NAAR TOP VAN DOCUMENT

uitzicht
- overzicht onderwerpen - thuispagina  activiteiten

RECLUSEN 

door Ben Van Vossel cssr

Anachoreten  
Reclusen of inclusen (= ingeslotenen, gekluisden, kluizenaars of kluizenaressen) waren mannen of vrouwen die zich situeerden in het verlengde van de anachoreten.  Deze Anachoreten (anachorèsis betekent letterlijk ‘terugtrekking in de woestijn’) waren heel vurige christenen die zich, voornamelijk in de eerste eeuwen van het christendom, in de eenzaamheid terugtrokken, meestal in een woestijn (woestijn betekent in het grieks: ‘eremos’, vandaar ook de benaming ‘(h)eremieten’).  Daar leidden ze in afzondering (dit in tegenstelling tot de Cenobieten die in gemeenschap leefden) een leven van gebed, boete en handenarbeid.  Hun diepste betrachting was: zich enkel nog met God bezig te houden en te bidden voor de mensen.  In de 3de eeuw bestond dit soort van leven reeds in het Oosten, in de Egyptische woestijn, vooral als reactie op de afzwakking van het christelijk geloofsleven na de vervolgingen, eens dat de kerk staatsgodsdienst was geworden. Het kluizenaarsleven was dan later naar het Westen gekomen waar het voornamelijk in de 12de en 13de eeuw zijn hoogtepunt kende.  In de 15de eeuw verloor het aan betekenis en het verdween in die vorm (van reclusen) geleidelijk aan.  Het kluizenaarsleven bleef evenwel bestaan in de kerk, al of niet georganiseerd.

Georganiseerde kluizenaars  
Een eerste aanzet om het kluizenaarsleven in het Westen in te voeren werd ondernomen door de H. Romuald die rond 1012 de ‘Orde van de Camaldulensen’ (ook wel ‘Witte Benedictijnen’ genoemd) stichtte in Zuid-Italië, te Camaldoli in de dichtbeboste bergen (Apenijnen) ten Noorden van Arezzo.  De meest bekende vorm van georganiseerd kluizenaarsleven vinden we echter terug in de zogenaamd strengste vorm van kloosterleven in de katholieke kerk, de ‘Orde van de Kartuizers’ die door de H. Bruno van Keulen werd gesticht in 1084 in de Dauphiné; die eerste stichting noemde men later ‘La grande Chartreuse’.  De Franse revolutie stelde een einde aan de Grande Chartreuse en pas in 1816 zijn de Kartuizers er teruggekeerd; in 1903 werden ze opnieuw verdreven tot ze er in 1940 weer bezit van konden nemen.  Onze pater-vliegenier Bradfer zou ooit zowel de Kartuizers als de Camaldulenzer monniken leren kennen, zoals we later nog zullen verhalen.  De Kartuizers waren in heel het Westen verspreid met zo’n 197 kloosters tot de 14de eeuw; ook in Gent (in ‘Joannes De Deo’ van de broeders Hiëronymieten aan het Fratersplein bevindt zich nog de Kartuizerskerk, waar Lieven Bouwens ooit nog zijn weefgetouw in onderbracht), Brugge, Antwerpen, Zeelem, Geraardsbergen, Luik en Doornik waren er Kartuizers en in Brugge zelfs Kartuizerinnen.  De Reformatie, de keizer-koster Jozef II en de Franse revolutie hebben aan de meeste van die karthuizen een einde gesteld.  Voor wie het interesseert: In de Grande Chartreuse geraak je normaal niet binnen, maar in de omtrek is er een permanente tentoonstelling over hun leven in een gebouw dat aanvankelijk bestemd was voor de lekenbroeders maar later allerlei functies heeft gekend (Correrie de la Grande Chartreuse, Saint-Pierre de Chartreuse / Isère, 3,5 km. ten zuiden van de Grande Chartreuse); je vindt er als parool: ‘De Kartuizer kiest de stilte en de eenzaamheid om zich enkel aan God te wijden en om aan zijn gebed een universele draagwijdte te geven’. 

Niet-georganiseerden  
Niet georganiseerde kluizenaars vind je zo links en rechts.  Soms zijn dat religieuzen die een strengere vorm van religieus leven nastreven, meestal zijn het leken, sommigen die op volwassen leeftijd zich volledig aan God willen toewijden in volkomen eenzaamheid, soms zijn het mensen die een heel leven achter de rug hebben en inzien dat alleen God het mensenhart kan vervullen; sommigen voelen zich geroepen tot een leven van boetvaardigheid voor eigen zonden en voor de zonden van de wereld.  Ooit ontmoette ik zo’n kluizenaar, een gewezen matroos die zijn laatste jaren sleet op het domein van een retraitehuis (in Schilde, meen ik), afgezonderd in een hut in de tuin en zeer armoedig, maar toch werd hij geraadpleegd door een aantal van de retraitanten voor onderscheiding of intercessie.  Hij had o.m. de gewoonte om ’s nachts te bidden om heil en zegen voor de mensen uit de vier windstreken.  Zelfs voor een kluizenaar is het aan te raden om een goede geestelijke leidsman hebben om zowel psychisch als geestelijk evenwichtig te blijven en vruchtbaar voor de Kerk.

Ingemuurd

Reclusen of inclusen waren mannen of vrouwen die zich voor een bepaalde tijd of voor de rest van hun leven opsloten in een cel (kluis) of zich zelfs lieten inmetselen.  Terwijl de meeste kluizenaars of anachoreten aanvankelijk kluizen of grotten bewoonden in verlaten streken, waren er later die zo’n soort afgezonderd leven ook in de omgeving van een bevolkingscentrum gingen leiden.  Zowat de strengste vorm van zo’n kluizenaarsbestaan was in de Middeleeuwen inderdaad de ‘inmuring’; vandaar ook het woord ‘inclusen’ of ‘reclusen’, gekluisden.  Tijdens een kerkelijke plechtigheid liet de kluizena(a)r(es) zich in een kluis (gewoonlijk aan een klooster of kerk aangebouwd) insluiten.  De bisschop verzegelde de deur en bewaarde er de sleutel van; soms werd de kluizenaar ook werkelijk ingemetseld.  Een kleine opening werd vrijgelaten voor het noodzakelijk verkeer met de buitenwereld’.  Zeer bekend is de Engelse recluse (volgens de regel van Benedictus), Juliana van Norwich (1342-na1413), wier cel aangebouwd was tegen de nu Anglicaanse Saint Julian-kerk. Een ander bekend voorbeeld van deze zogenaamde inclusen of reclusen is de Utrechtse vrome dichteres zuster Bertken  Jacobsdochter, die “57 jaren besloten heeft gheseten tot Utrecht in dye buerkercke”.  Op 30-jarige leeftijd, in 1457 had ze zich laten inmuren in die kerk.  Zij schreef mooie liederen en bezinningen (die aan Hadewych doen denken) vooral over het lijden van de Heer Jezus.  In sommige oude kerken - vooral in steden - bestaat nog zo’n ruimte die enerzijds uitgaf op de straat (mensen konden vragen om het gebed van de recluse of soms ook geestelijke raad ontvangen) en anderzijds zicht bood op het altaar (om de H.Mis te kunnen volgen en de communie te kunnen ontvangen).

De In ‘The Ancren Riwle’ - ‘de regel van de Anachoreten’ (kluizenaars, reclusen of gekluisden) -  richt een onbekende schrijver zich tot 3 zusters ‘naar de geest en naar het vlees’, die in naast elkaar gelegen kluizen woonden.  Het traktaat is in het engels geschreven, waarschijnlijk tussen 1190 en 1230.  Als ze jullie vragen tot welke orde je behoort, zo schrijft hij wat spottend, zeg dan maar dat je van de orde van de apostel Jacobus bent, want die heeft geschreven: “zuivere en smetteloze godsdienst (religie) is: weduwen en wezen opzoeken en bijstaan, en zichzelf rein en vrij bewaren van de besmetting der wereld”.  Als uitleg bij dit vers noteert hij: “Een ziel die haar Bruidegom, Jezus Christus, verloren heeft door een doodzonde is zo’n weduwe.  En evenzo is een wees, al wie door zijn zonde zijn Vader in de hemel verloren heeft.  Zulke mensen gaan opzoeken, ze sterken en te hulp komen met het voedsel van de gewijde leer, is volgens Sint Jacobus ware religie.  Het laatste deel van zijn uitspraak heeft betrekking op kluizenaars, op uw Orde, op u die u zelf meer dan andere religieuzen ‘rein en onbesmet van het aardse bewaart’”.

Het klokje rond met de Heer
“Als je je aangekleed hebt, besprenkel je dan met wijwater dat je steeds in huis moet hebben.  Richt dan je gedachten op het Lichaam en Bloed van de Heer boven het  hoogaltaar, keer je erheen en val op de knieën. Doe dat ook wanneer de priester Het opheft en vóór de schuldbelijdenis (’Heer, ik ben niet waardig...’) wanneer je de H. Hostie gaat ontvangen”.
Na de aanbidding van het Allerheiligste volgden begroeting en geknield bidden voor het kruisbeeld en het beeld van de Maagd Maria en andere heiligenbeelden die zich - soms ook met relieken - op het huisaltaartje bevonden.  Op bepaalde momenten bad men dan de Getijden der H. Maagd (soort brevier in de landstaal), de Litanie van Alle Heiligen, het Dodenofficie en andere gebeden.  Vooral echter was er de aanbidding van het heilige Sacrament waarin ze de kracht en genade vond voor haar leven van gebed en boete.  “Geloof maar vast dat alle macht van de duivel wegsmelt voor de genade van het Allerheiligste Sacrament” dat ge boven alles verheven ziet zo vaak de priester zijn Mis opdraagt en er het Kindeke der Maagd, Jezus de Zoon van God, consacreert, die soms ook afstapt in het gasthuis van uw ziel, om nederig zijn verblijf bij u te nemen.  God weet het: al te zwak en al te lafhartig is degene, die met de hulp van zulk een gast niet dapper strijdt”.
Voor de rest hadden ze de Biecht, wijwater, gebeden en heilige overwegingen, zegeningen, kniebuigingen en alle goed woord en werk “om uw kleinere zonden weg te wassen…  Maar tegen de Biecht leggen in elk geval al de andere middelen het af…  Biechten moet ge dus maar dikwijls.”
‘s Middags overwogen ze de drie lange uren dat Jezus aan het kruis hing.  Zoals gezegd hadden ze enig contact langs het getraliede buitenvenster waarlangs troost en bezieling trachten door te geven aan mensen die hen wilden spreken of om hun gebed verzoeken.  Ze moesten zich wel hoeden voor nieuwsgierigheid en kletsen, ook mochten ze geen (bij-)les geven aan kinderen.
Op het einde van de dag knielde de recluse voor een gewetensonderzoek, of ze wel goed had gehandeld en ze dankte Hem die alle genade geeft daartoe, ze vroeg dan ook barmhartigheid en vergeving voor haar zonden en voelde ze zich echt schuldig, dan geselde ze zich.  Het avondgebed eindigde met een kruisteken over de cel, over zichzelf en het bed.
’s Nachts deed ze de Metten, het nachtofficie aan het kerkvenster, staand of gezeten, met buigingen en kniebuigingen.  De flikkerende godslamp, de nabije intimiteit met de Eucharistische Christus vooral, sloeg vaak de vonk in het naar God hunkerend hart van de kluizenares.  En die liefde wilde ze ook uitstorten in de harten van vele anderen: “Joden, Saracenen, ketters, heidenen en zondaars kwamen haar voor de geest, en ze werd Hart van de Kerk, Hart dat het levensbloed toevoerde aan het wereldapostolaat”.

We geven hier twee teksten uit ‘De regel van de Anachoreten’ (The Ancren Riwle):

Ankers voor de Kerk  
“In psalm 102,7 lezen we ‘Ik lijk een vogel in de woestijn, een nachtvogel in een bouwval’.  Een nachtvogel onder het dak is een beeld van de reclusen die wonen onder één dak met de kerk, opdat ze zouden begrijpen dat ze zo’n heilig leven behoren te leiden, zodat de hele heilige Kerk, d.i. heel het Christenvolk, op ze leunen en steunen kan, en geschraagd worden door hun heilige levenswandel en vrome gebeden.  Daarom ook noemt men ze anachoreten en zijn ze onder de kerk “geankerd” als ankers onder een schip, die het moeten vasthouden een verhinderen dat golven en stormen het overmeesteren (…). 

Opgesloten zoals Jezus  
“Was de Heer Jezus zelf niet, net als jullie opgesloten, namelijk in de schoot van de Maagd?  Beklemming en bitterheid maken het kruis van een kluizenares uit.  Welnu, de moederschoot die Onze Heer omkluisterd hield, was een eng, beklemmend verblijf. En de naam ‘Maria’ betekent bitterheid, zoals ik al meer zei.  Als ge dus bitter moet lijden in een enge ruimte, dan zijt ge net als Jezus, toen Hij ‘omsloten’ was in Maria’s schoot.  Tussen uw vier dikke muren zijt ge ook nog als Jezus in zijn nauwe krib, of zoals toen Hij vastgekluisterd was aan het Kruis, of gelijk Hij dicht-omsloten lag in het stenen graf.  Maria’s schoot en het graf waren zijn kluis, en in geen van tweeën was Hij een man van de wereld, doch als het ware buiten de wereld, om kluizenaressen te leren dat ze met de wereld niets gemeen moeten hebben.  “Jawel,” hoor ik u antwoorden, “maar Onze Heer is uit allebei uitgebroken!”  Nou dan, komen jullie ook maar uit jullie twee kluizen!  Maar dan juist zoals Hij, zonder iets te breken, en erop lettend dat je de gaafheid van geen van beide schendt!  Dat zal inderdaad eenmaal geschieden, wanneer de ziel ontsnapt uit haar dubbel verlijf, zonder vlek of smet.  Het eerste verblijf is het lichaam.  Het tweede is het stoffelijke huis, dat is als de buitenwal om een kasteel”.

Kluizenaarsleven voor velen?  
Naar aanleiding van ‘The Ancren Riwle’ vraagt Benoit du Moustier zich af of dit soort leven nog iets voor mensen van vandaag is.  Hij vindt van wel, maar heeft het dan over een “kluizenaarsgeest midden in de wereld, in de maatschappelijke omstandigheden die de Voorzienigheid voor de betrokkene beschikt heeft”.   Zo denkt hij aan bejaarden, veel zieken en gehandicapten, priesters op stille, landelijke parochies, verlaten en vereenzaamde christenen, zij die veelal op hun eentje arbeiden op kantoor of atelier, kortom allen die lange uren van de dag alleen zijn en bij wie de materiële dagelijkse plichten hoofd en hart niet al te zeer in beslag nemen.  Zijn er geen christenen meer die geroepen zijn om - midden deze wereld - Christus na te volgen in zijn besloten zijn in de schoot van de Moedermaagd, in de begrensdheid van het huisje van Nazaret en die tot het einde der tijden aanwezig wil blijven in de omhullende ‘kluismysteries’ van Hostie en tabernakel?  Benoit du Moustier somt op wat zo’n leven ‘ondermeer’ zou kunnen bevatten:

- zich behoeden voor de smetten van de wereld
- zich in overleg met zijn biechtvader een aantal uiterlijke verstervingen opleggen, die rekening houden met ieders krachten en levensomstandigheden
- zijn dagen heiligen door lezing en gebed, katholiek gebed voor allen die in nood zijn
- tong, ogen en oren bewaken om zo weinig mogelijk de innerlijke ingetogenheid te onderbreken
- zich tot eer en in navolging van Jezus’ eenzaamheid zoveel mogelijk afzonderen van de wereld
- en zo de Kerk te schragen door enigszins te delen in de geest en de praktijken van de gekluisden van vroeger.

“Vermoedelijk zijn ook vandaag velen geroepen tot Godverheerlijking, zelfheiliging en verborgen apostolaat waartoe de afzondering uitnemende kansen biedt.  Lezing, gebed, Eucharistische aanbidding, ja, ook vooral aanbidding en dankzegging, bewonderend en prijzend inwendig gebed.  Wat een verheven roeping voor wie daartoe genodigd worden door de liefhebbende God!” (Benoît du Moustier)

 NAAR TOP VAN DOCUMENT

uitzicht
- overzicht onderwerpen - thuispagina  activiteiten

HET HUIS VAN MARIA TE EFESE?

(Vervolg en slot) door Ben Van Vossel cssr

Een zienster op één lijn met een vrome overlevering  
Het moderne verhaal rond dat ‘Huis van Maria onze Moeder’ (Meryem ana evi) begint eigenlijk op het einde van de 18de, begin 19de eeuw met de visioenen van een kloosterzuster uit het Duitse Dülmen. 
Anna-Kaharina Emmerich, een kloosterzuster Augustines (1774-1824) van de Agnetenberg te Dülmen, heeft een aantal ‘openbaringen’ gehad o.m. omtrent het leven van Jezus en van Maria (te vergelijken met de ‘openbaringen’ aan Maria Valtorta ).  Deze ‘beschouwingen’ werden opgetekend door Klemens Brentano, o.m. in het boek “Het leven van de Maagd Maria”, dat spoedig ook in het Nederlands werd uitgegeven.   De Nederlandse vertaling van deze ‘Beschouwingen kregen toentertijd het imprimatur van het aartsbisdom Mechelen en het bisdom Gent. 
Welnu, als zij het heeft over het afsterven van Maria, geeft A.-K. Emmerich - volgens de notities van Brentano - zeer concrete gegevens over het huis en de toegangswegen:

“Na de Hemelvaart van Onze Heer Jezus Christus, leefde Maria drie jaar te Sion (Jeruzalem), drie jaar te Bethanië (waar Lazarus en zijn twee zussen gesitueerd worden in het evangelie) en negen jaar te Efese, waar Johannes haar heen had gebracht, nadat de Joden Lazarus met zijn zussen op de zee hadden uitgesteld”.  De zienster concretiseert: “Maria woonde niet te Efese zelf, maar in de omtrek, waar zich reeds veel vrouwen, haar vriendinnen, gevestigd hadden.  Haar woning stond drieënhalf mijlen van Efese, op een berg, die men rechts zag liggen als men van Jeruzalem komt en die stijl afdaalde naar Efese.  Vóór Efese bevinden zich grote bomenrijen, waaronder gele vruchten op de grond liggen; een weinig naar het Zuiden leiden drie wegen naar een hoogte overdekt met wilde planten; daarna ontmoet men een golvende vlakte, van ongeveer een mijl omtrek, bedekt met mooie gewassen.  Dààr was het dat ze zich gevestigd hadden.  Het is een eenzame plaats, met veel schone en vruchtbare heuvels en enige in de rots uitgeholde spelonken, en in het midden enige zanderige plekken.  Het land is wild, zonder nochtans onvruchtbaar te zijn: hier en daar staan veel kegelvormige bomen waarvan de stammen effen zijn en waarvan de takken een grote ruimte overschaduwen…  Het huis van Maria was in steen gebouwd.  Op enige afstand achter dat huis, klom de grond en liep dwars door rotsen op de top van de berg; vandaar zag men tussen de heuvelen en de bomen de stad Efese en de zee met haar talrijke eilanden.  Die plaats was dichter bij de zee dan Efese zelf, dat er nogal ver van verwijderd was.  De streek was eenzaam en weinig bezocht.  In de nabijheid stond een kasteel…  Tussen deze verblijfplaats van Maria en de stad Efese liep een rivier die veel kronkelingen maakte”.  Verder geeft zuster Emmerich dan nog een beschrijving van het huis van Maria te Efese.

Bevestigd door geografie en stille overlevering (traditie)  
Zuster Grancey, overste van de Zusters van Liefde van het Franse hospitaal in Izmir, had van die tekst gehoord en vroeg aan twee paters Lazaristen, verbonden aan het Heilig Hartcollege van de stad, om eens te gaan kijken naar de plaats in de omgeving die door de lokale bevolking “Panaya Kapulu” (Poort van de allerheiligste) genoemd werd, juist zoals zuster Emmerich had verhaald.  In het jaar 1891 (andere bronnen spreken van 1881) vonden deze priesters, zich steunend op de geografische gegevens die Brentano genoteerd had, op de Nachtegaalberg de ruïne van een woonhuis uit de vroeg-christelijke tijd (1ste eeuw).  Onder het eeuwen- oude puin stootte men op een keuken en slaapkamer, helemaal beantwoordend aan de beschrijving van de Duitse zuster.  In de omgeving werd ook een sterk stromende bron gevonden.  Echter niet het graf, waarover zij het eveneens vrij uitgebreid heeft.  Voor de gewone orthodoxen daar is dat juist een bewijs van Maria’s tenhemelopneming.  In 1892 sprak Mgr. Timoni, aartsbisschop van Izmir, de mening uit dat het hier wel degelijk om het huis van Maria handelde; van toen af werd het huis een druk bezocht bedevaartsoord.
Het huis werd in 1950 gerestaureerd tot een kerkje.  Het beeld van de Maagd Maria in de absis (vooraan) is uit het begin van de 20ste eeuw.  Eenmaal per jaar, op 15 augustus, feest van Maria Tenhemelopneming, krijgt de Grieks-orthodoxe kerk toelating om - in deze moslimstreek! -  een publieke processie te houden, waarbij de metropoliet van Efese de orthodoxe priesters voorgaat.  Ook mag men in het kerkje - te onderscheiden van de Maria-kerk in Efese - de goddelijke liturgie te vieren.  Het kerkje krijgt dagelijks ook heel wat moslims op bezoek die hier komen bidden; voor hen is Maria ‘Meryemana’, Moeder Maria.
In 1967 heeft paus Paulus VI ook het kerkje bezocht.  Sommigen zagen dat als een bevestiging vanwege de Kerk, al is dat een wel vergaande conclusie.

Epiphanus, een Kerkvader houdt zich op de vlakte…  
In “De Oudste Verhalen over de Moeder-Maagd” wordt, in verband met Maria’s afsterven, naast Augustinus ook de kerkvader Epiphanus vermeld (315-403).  Deze spreekt er zich niet over uit of Maria al dan niet Johannes vergezeld heeft naar Efese.   “Nergens (in de Schriften) wordt gezegd dat de H. Johannes, toen hij in Azië kwam, op deze reis vergezeld werd door de heilige Maagd…  In feite weet niemand, welk haar einde is geweest”.  Met Epiphanus zijn we het einde van de 4de eeuw.

… en de Apocriefen volgen een andere traditie  
Apocriefen van de Bijbel zijn boeken of geschriften die soms wel heel oud zijn maar die door het geheel van de kerk niet als door God geïnspireerd worden aanzien en dus ook niet erkend als behorend tot de H. Schrift.  Sommige van die geschriften zijn vrome legenden of mooie bezinningen rond de Schrift, sommige vallen op door hun wonderzucht, soms zijn ze ook vrij ketters en brengen opvattingen die afwijken van de kerkelijke leer en de Schrift en in sommige gevallen werden ze door vijanden van de Kerk geschreven om te misleiden of om de Kerk belachelijk te maken.  Het woord ‘apocrief’ is afgeleid van het Griekse ‘apokruphos’, geheim, verborgen.  Apocriefen worden voorgesteld als ‘tot hiertoe verborgen of geheime kennis’ maar die nu openbaar gemaakt wordt.  Natuurlijk is het niet uitgesloten dat bepaalde apocriefen in sommige gevallen - omdat ze vaak ook heel oud zijn - toch bepaalde informatie kunnen doorgeven die wel betrouwbaar is.
Welnu, betreffende het afsterven van Maria, de “Overgang van de heilige Maagd”, bestaan enige apocriefe verhalen, waarin wordt verhaald hoe de apostelen vanuit hun respectievelijke missiegebieden teruggeleid worden naar Jeruzalem om bij het afsterven van Maria aanwezig te zijn.  Zo is er een apocriefe ‘Transitus Mariae’ toegeschreven aan Melito, bisschop van Sardes in Lydie en een Araabse versie, eveneens over de “Transitus Mariae”.  Ook de “acten van Johannes” (begin tot midden 2de eeuw), verhaalt hoe Johannes, die zelf te Efese verblijft, voor het sterven van Maria door een wolk tot voor de deur van het huis gebracht  wordt  (in Jeruzalem!) waar Maria woonde.
In zijn boek “Apocriefen van het Nieuw testament” haalt C. Ruts een korte tekst aan uit de ‘Transitus Mariae’ van Melito (die volgens hem leefde rond 170 na C.): “Toen de apostelen het lot hadden geworpen over de streken die zij moesten gaan onderwijzen, bleef zij (= Maria) in haar ouderlijk huis nabij de olijfberg”.  Ruts merkt hierbij op in een noot: “Volgens de apocriefen volgde Maria Sint Jan niet op zijn apostelbaan en kwam zij ook niet bij hem wonen, toen hij bestendig te Efese was gevestigd, maar zij bleef in het heilig Land”.

Wat dan?  
Zoals u na lezing van bovenstaande gegevens zult inzien, is het moeilijk om tot een voldoende verantwoord besluit te komen.  Daarvoor hebben we te weinig objectieve gegevens in handen.  Ondanks de herontdekking van een zogenaamd ‘Huis van Moeder Maria’ aan de hand van de gegevens van de Duitse mystica, ondanks het feit van de grote Mariakerk in Efes(e) zelf, ondanks bepaalde volkse overleveringen, blijft het - bij de huidige stand van zaken althans - te weinig gefundeerd om in te gaan tegen de eensgezinde overlevering, dat Maria in Jeruzalem gebleven is en daar is overleden. 

Naschrift  
Omtrent de visioenen van A.-.K. Emmerich en bv. ook van Maria Valtorta is het goed toch even in herinnering te brengen wat pater Ch. Niederer s.j. schreef: “De taal der mystiek heeft een eigen klank, zowel van Gods nabijheid als van persoonlijke beleving.  In het weergeven van de persoonlijke beleving komt iets eigens, en daarmee ook de mogelijkheid van onjuiste weergave.  Daarom is de Kerk voorzichtig en bijna terughoudend, voordat zij iets erkent “als echt”.  Intussen kunnen die geloofservaringen ons veel helpen, want wij kunnen dat meevoelen en meebeleven op ons kleiner niveau, en ons verheffen tot een dichter-zijn-bij-God (…) Een privé-openbaring is een persoonlijke beleving van wat God ons heeft geopenbaard in de H.Schrift en door de Kerk aan ons doorgeeft.  Het is geen spreken van God waarbij nieuw geloofsgoed wordt gegeven.  Maar de mystica zegt het met haar woorden en zoals zij het beleeft”.

 NAAR TOP VAN DOCUMENT

uitzicht
- overzicht onderwerpen - thuispagina  activiteiten

DECALOOG (5)

1 Bovenal bemin één God  (5) Eén God 

door: Ben Van Vossel cssr

Als je God aanvaardt - zo zegt het Geloofsboek - krijg je een antwoord op de drie grote vragen van het mens-zijn.  De vraag naar de waarheid: wat betekent dit alles?  De vraag naar de normen: wat moet ik doen?  En de vraag naar de zin: wat mag ik hopen?  Voor iemand die in God geloof, verandert aldus alles.”  Dat hebben we hopelijk met onze vorige uiteenzettingen laten aanvoelen.  Nu hebben we het over het geloofspunt dat er maar één God is, het eerste gebod of levenswoord: Bovenal bemin één God.

In hoeveel goden geloven de christenen?  
“Ene God alleen, éne Zaligmaker en anders geen”.  Dit was een kinderversje, een optelversje uit de oude tijd.  Het basiswoord van het Joodse geloof (Sj’ma Israël!) was: ‘Hoor, Israël, de Heer is onze God, Hij alleen is God!’  Het is ook het basiswoord van de Islam.  En die twee twijfelen eraan of dit ook wel het basiswoord is van het christelijk geloof.  Het jodendom had in het evangelie al gezegd dat Jezus verkeerd zat, daarvoor wilde men Hem zelfs stenigen.  De Islam is er vrijwel zeker van dat christenen het over 3 goden hebben: God (de Vader), Jezus (Isa) en Maria of de heilige Geest of iets dergelijks als derde.  Maar dat christenen niet helemaal zuiver zijn op de graat voor wat het geloof in één God betreft, daar zijn ze vrijwel zeker van.  Nochtans is ook voor het christendom de grondwaarheid dat er slechts één God is en dat er trouwens slechts één God kàn zijn. 

Er zijn de natuurgodsdiensten geweest, waar men geloofde in natuurkrachten die men goddelijke eigenschappen toekende en aan wie men zich toewijdde, voor wie men offerde (soms mensen- en dan vaak ook kinderoffers zoals o.m. bij de Baälgodsdienst in Carthago, 8ste-2de eeuw voor Chr. (Er werden ook kinderlijkjes als bouwoffer aangetroffen in een aarden vat, ingemetseld in een muur van Megiddo en ook bij de Inca’s nog in de 14-15de eeuw in Ecuador, Peru, Chili, Argentinië en Bolivia); men bad tot die goden of men trachtte ze te bezweren; met behulp van magische rituelen trachtte men ze in zijn macht te krijgen.

Er zijn de vele godsdiensten uit de klassieke Oudheid geweest, meestal veelgodendom, waarbij men ook weer de goden trachtte goed te stemmen en ze wat in zijn dienst trachtte te krijgen door offers.  Vaak was er een soort oppergod, naast veel andere goden die men overigens vaak heel menselijke  - en niet steeds de meest verheven - emoties en handelingen toeschreef; naast die goden sprak men dan nog van halfgoden.  In sommige perioden en culturen lieten de leiders (koningen, farao’s, keizers) zichzelf tot god uitroepen en vereren.

Verder zijn er de esoterische godsdiensten, waarbij nogal sprake is van occulte, verborgen kennis (gnosticisme) en waar vaak naast de transcendente goede god er ook een scheppende en heersende god bestaat.  Dit laatste treffen we vooral aan bij het manicheïsme : we spreken dan van dualistische wereldbeschouwing, met een principe van het goede en een beginsel van het kwade.

Christenen zeggen : Er kan maar één God zijn, als we aan God absolute macht en de oorsprong van alle zijn toekennen.  Twee goden zijn niet denkbaar of je zou weer in het buitenissige spoor van de godsdiensten uit de Oudheid moeten treden met een soort van rangorde en een oppergod. 
Dus als christenen zeggen dat God Vader Zoon en Geest is, dan blijven ze toch nog geloven dat er maar één God bestaat.  Dit is geen waarheid waar we zelf zo eens eventjes opkomen, zoals men op het idee van 2 goden komt door de vaststelling dat er naast het goede ook kwaad is in de wereld.  Nee, het geloof in de Drieëne God is geen menselijk besluitje vanuit bepaalde overigens beperkte ervaringen of vaststellingen, het is een waarheid die ons geschonken wordt vanuit de Openbaring, i.c. de heilige Schrift.

Mysterie van Liefde  
God openbaart zichzelf niet als de grote eenzame, maar als Vader - Zoon - Heilige Geest.  Wij mogen dat mysterie - dat we niet kunnen ontrafelen - dankbaar aanvaarden; blij omdat het ons werd geopenbaard.  De grote geleerde, Augustinus zag in dat hij enkel maar het hoofd kon buigen voor iets wat niet te verstaan of te doorgronden is met het menselijk verstand.  We zijn blij dat we God ‘Vader’ mogen noemen, maar dat heeft op de eerste plaats te maken doordat God Vader is voor Jezus Christus, zijn enige Zoon, vóór alle tijden geboren uit de Vader.  “Hij is het beeld (de icoon) van de enige God”, van in alle eeuwigheid voorgekomen uit God, ‘wezensgelijk’ met de Vader zal men later zeggen.  En de liefde tussen Vader en Zoon is zo volmaakt dat het ook een Persoon is.  Maar, maar… dan hebben we toch drie goden?  Er is maar één God: Vader, Zoon en heilige Geest.  In volmaakte eenheid, mysterie van Liefde.

Een probleem?  
Ik ontmoet christenen die vooral bidden tot de Vader.  Andere christenen hoor ik vooral bidden tot Jezus, Gods Zoon.  En we bidden ook mooie gebeden tot de heilige Geest: Kom, Schepper Geest, daal tot ons neer…  De heilige Ignatius van Loyola maakte zich daar geen problemen rond.  Hij bad ook de ene keer tot de Vader, dan weer tot Jezus, dan tot de heilige Geest.  Telkens richten wij ons tot het ene mysterie van Liefde (Lees bv. Lafrance, Volharden in gebed, p. 112).

Drieëne God ik bemin U  
Een God dus, die voor ons als een vader of moeder wil zijn, zorgend, dromend van ons heil, maar die ons - opdat we tot het heil zouden komen - ook voor eisen stelt.  En die eerste eis hebben wij even willen benadrukken : Bovenal bemin één God.  Geloven wordt immers maar echt wanneer het ook beminnen wordt.  Laten we zo op weg gaan en aan God zelf vragen: “God van Liefde, help mij U lief te hebben; vervul mijn hart met liefde, die uw goddelijk geschenk is.”

 NAAR TOP VAN DOCUMENT

uitzicht
- overzicht onderwerpen - thuispagina  activiteiten

DE VLIEGENDE ICOON

Chris Dessin, lid van het leidersteam
van de Maria-Kefasgemeenschap

Ingenieur Chris Dessin surfte op zijn huiscomputer naar de website van het Internationaal RuimteStation (ISS) dat sedert enige tijd rond onze planeet zweeft.  Hij was blij verrast toen hij in het russische compartiment van de derde bemanning op de ereplaats een icoon van Onze-Lieve-Vrouw opmerkte (Info januari 2002). 

Voor de internetsurfers geef ik hier de coördinaten van 2 foto’s die genomen werden in het russisch gedeelte (Zvezda Service Module) van het ISS ruimtestation (eerste expeditie, derde bemanning).  In ‘hoge resolutie’ (het duurt dan wel even om ze te downloaden) zijn de iconen in het ruimtestation duidelijk te zien en te herkennen. 1ste bemanning: (http://spaceflight.nasa.gov/gallery/images/station/crew-1/html/iss01e5141.html) 3de bemanning: (http://spaceflight.nasa.gov/gallery/images/station/crew-3/html/iss003e5394.html)

De eerste icoon werd door de eerste bemanning (crew) meegebracht en het lijkt een Christus icoon, of een Russische heilige.  De tweede crew heeft de Maria-icoon aangebracht, en de derde bemanning heeft die behouden. De icoon hangt op een voorname plaats, ze komt regelmatig in beeld bij groepsfoto’s. 

Het feit op zich staat in schril contrast met het optreden van de eerste Russische kosmonauten toen die in de jaren zestig de ruimte ingingen. Ze maakten er een grapje over: “Het heelal is donker.  Ik zie geen God” (Yoeri Gagarin).   Dat ze God niet ontmoet hadden in de ‘hemel’, was voor hen meteen een bewijs dat God niet bestond. Het was toen nog volop de tijd van het sovjet staatsatheïsme.

Dat Russische kosmonauten in 2002 een icoon hangen op een mooie plaats in hun ruimtestation, is toch een sterk getuigenis. Zij drukken daarmee uit dat ze hun ruimtevlucht, hun werk en verblijf (drie maand) toevertrouwen aan de Heer Jezus en aan de Moeder Gods, Maria. De vlucht met de Shuttle en de terugkeer als een gloeiende vuurbal blijven immers steeds een risico.  Maar het feit dat deze iconen daar werden aangebracht getuigt ook dat het geloof niet iets is voor ‘wereldvreemde’ mensen (al is deze woordkeuze hier misschien wat raar).  We moeten immers bedenken dat deze kosmonauten allen ofwel ingenieurs zijn, ofwel gewezen gevechtspiloten, ofwel wetenschappers van het hoogste niveau.  Laat ons maar zeggen dat het letterlijk een geloofsgetuigenis van de bovenste plank is.

Een paar gegevens omtrent het ISS:  ISS is de afkorting van “International Space Station”.  Ook België levert een financiële, materiële en wetenschappelijke bijdrage, en volgend jaar gaat er ook een Belg naartoe  (Frank De Winne).  Het ISS weegt op dit ogenblik 90 Ton en er wordt constant bijgeassembleerd (om plaats te maken voor wie het hier zo niet meer ziet zitten?).  Het vliegt wel op een hoogte van 400 km., aan 27.600 km/h of 7,7 km/sec. Dat betekent dat het in anderhalf uur een toertje maakt om de aarde. Het station vliegt regelmatig boven ons hoofd hier in België.  Even uitkijken dus of je met je sterrenkijker ook de vliegende Maria-icoon kunt ontwaren.

 NAAR TOP VAN DOCUMENT

uitzicht
- overzicht onderwerpen - thuispagina  activiteiten

QUMRAN (4)

door : Ben Van Vossel cssr

2 DE GESCHIEDENIS VAN DE QUMRANGEMEENSCHAP (vervolg)

(§ 1. De Essenen gesitueerd binnen de Joodse geschiedenis)

(§ 2 De fasen van de Essenengeschiedenis nog even in een notendop)

§ 3.  De getrouwen van het “Nieuwe Verbond”, de zonen van Sadok  
De moord op de priester Onias III in 171 tijdens de vervolging door Antiochus IV Epifanes moet een schok betekend hebben voor een aantal gelovige Joden die weggevlucht waren.  Zij stelden spoedig vast dat ze in de woestijn niet voor lange tijd konden overleven met een grote groep vluchtelingen.  Zo is wellicht een aantal van hen naar het Noorden vertrokken, naar Syrië.  Onias, de ‘Meester der Gerechtigheid’, was trouwens ook een tijdlang uitgeweken naar Antiochië.  Mogelijks zijn ze zich in de omgeving van Damascus gaan vestigen in afwachting van betere tijden.  In het eerste Boek van de Makkabeeën, een van de Bijbelboeken lees je op bijna elke bladzijde over de trouw aan het Verbond, over de verering van de Wet, het strikt onderhouden van de Sabbat, het vermijden van wettelijke onreinheid.  Als men dan vaststelde hoe hogepriesters zonder enige titel en met een twijfelachtig geloof elkaar opvolgden, en men tegelijkertijd met heimwee terugdacht aan de heilige priester Sadok, dan werden die vluchtelingen - waaronder heel wat priesters - stilaan tot vurige partizanen van een waarachtig priesterschap.  En zij maakten er aanspraak op dat zij de echte zonen van Sadok (‘Beney Sadok’) waren, en zo tot een van de oudste priesterfamilies behoorden, deze van Sadok, die priester was ten tijde van de koningen David en Salomo (2 Sam. 8,17; 15).  Zij zagen zich als de behoeders van het “Verbond”.  In Ezekiël 44, 15-16 werden de ‘Beney Sadok’ speciaal uitverkoren voor de dienst in de tempel: “15 Alleen de levitische priesters, de zonen van Sadok, en die trouw de dienst in mijn heiligdom zijn blijven verrichten toen de Israëlieten van Mij afdwaalden, mogen tot Mij naderen. Zij mogen Mij dienen en Mij vet en bloed aanbieden, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.  Zij mogen mijn heiligdom binnengaan en aan mijn tafel dienst doen”.

§ 4 Het Damascusraadsel.  Twee opinies.  
1- Het is reeds naar voor gekomen in onze Qumranreeks dat, naast de teksten die in Qumran en in de woestijn van Judea gevonden werden, er ook een ander verwant document ‘Het document van Damascus’ (CD) is gevonden in 2 exemplaren in de Geniza van de synagoog van de Karaïeten in oud-Caïro, overigens samen met nog andere teksten van de sekte.  Volgens G.Vermès zouden er beslissende toenaderingen bestaan tussen de leer en de praktijken van de Karïeten en de trouw aan de voorschriften van het “Geschrift van Damascus”.  In zekere zin zouden deze “Gelovigen van het Nieuw Verbond” nog overleven in de Karaïtische gemeenschappen die vooral in Palestina, Arabië en Rusland verspreid leven (of leefden) (zie noot 31). 
Volgens Albert Vincent zouden deze ‘Zonen van Sadok’ of “Gelovigen van Het Nieuw Verbond” (zoals ze zich noemen), toen ze nog in Palestina geëngageerd waren in de oorlog tegen de Seleuciden, aan de oorsprong liggen van: “De Strijd van de kinderen van het Licht”, de “Dankhymnen, de “Commentaar van Habakuk”, en vervolgens, na het vertrek naar het gebied rond Damascus, het “Geschrift van Damascus”.  Vanuit Judea brachten ze al een bepaalde organisatievorm mee.  De betrekkingen met de vervolgde gelovige volksgenoten in Palestina en de noodzaak om in een heidens milieu dichter aaneen te sluiten bracht de oorspronkelijke ‘Beney Sadok’ er waarschijnlijk toe zich op te splitsen in twee groepen van broeders, maar doordat ze van elkaar verwijderd waren werden ze stilaan twee sekten: de ‘gelovigen van het Nieuw Verbond’ (de groep rond Damascus) en de ‘Essenen’ (in Palestina).  Ze ontwikkelden zich niet totaal gelijklopend.  De “Regel van de Gemeenschap” behoort waarschijnlijk eerder aan de Palestijnse groep van de Essenen; hij is vermoedelijk samengesteld nadat de gelovigen van het “Nieuw Verbond” vertrokken waren (richting Damascus) en kreeg pas stilaan zijn specifiek karakter. 
Wanneer kwamen de ballingen uit Damascus weer in Palestina?  Mogelijkerwijze in 37 vóór Christus, toen de regering van Herodes een einde stelde aan de Dynastie van de Hasmoneeën en aan haar onrechtmatige toe-eigening van het hogepriesterschap.

2- In “Dodezeerollen en Bijbel” geeft Rudof Mayer een afwijkende mening.  Het Damascusgeschrift (CD), waarvan men o.m. in grot 4 en 6 fragmenten in handschrift vond - maar dat men in de winter van 1896/97 als geheel gevonden had in de hoger vernoemde geniza van de synagoge van de Karaïeten te Cairo - behoort toch wel echt tot de geestelijke wereld van Qumran.  Het vertoont een grote verwantschap met uitspraken in de Habakuk-commentaar en in de Regel.  In het Damascusgeschrift wordt bij het begin gezegd hoe de gemeenschap van het ‘Nieuwe Verbond’ te ‘Damascus’ is ontstaan.  Over de ouderdom van dit geschrift ten overstaan van de ‘Regel’ lopen de meningen sterk uiteen: sommigen menen dat de regel ouder is, anderen (o.m. Vermès) achten de Regel jonger dan het Damascusgeschrift en zien het als getuige van de joodse reactie op pogingen van Antiochus IV om Palestina te Helleniseren (i.c. het opdringen van de Griekse cultuur en zeden).  Aangezien, zoals gezegd, in enkele grotten afschriften van het Damascusgeschrift werden gevonden meent Mayer evenwel dat men dit boek even belangrijk vond voor het leven van de gemeenschap als de regel.  Toegegeven, volgens de gegevens van Flavius Josephus, de geromaniseerde joodse geschiedschrijver, lijken er wel twee takken van de ‘orde’ der Essenen bestaan te hebben, een van ongehuwde en een van de gehuwde leden (voor wie, zoals gezegd,  vermoedelijk het tweekolommendocument was bestemd) terwijl er ook in de steden leden waren op wie de bepalingen van het Damascusgeschrift van toepassing waren.  Toch zullen, naar alle waarschijnlijkheid, “alle Essenen Qumran beschouwd hebben als hoofdkwartier, waar de uit ongehuwde leden bestaande communiteit volgens de strenge regels der ‘orde’ leefde, terwijl de over Palestina verspreide groepen in de gemeenschap van Qumran en het leven daar een ideaal zagen dat men zo goed en zo kwaad als het ging trachtte na te streven.  Qumran moet ook de voorkeur gehad hebben als begraafplaats; hetgeen tot gevolg had dat er ook vrouwen bijgezet werden”. 

Sommige geleerden hebben een nog meer uitgesproken mening.  Volgens hen is naam ‘Damascus’ bij de Essenen van Qumran geen echte plaatsnaam maar heeft enkel een symbolische betekenis en duidt in werkelijkheid Qumran zelf aan.

 NAAR TOP VAN DOCUMENT

uitzicht
- overzicht onderwerpen - thuispagina  activiteiten

ROEPING TOT ONGEHUWDE AAN DE HEER TOEGEWIJD

door: Magda De Wilde, Maria-Kefasgemeenschap

1 Het begin  
Ik denk dat het begin voor een roeping normaal het geloof is. Het is van belang ons christelijk geloof te leren kennen en ermee op weg te gaan.  Geloven en weten dat er een God is die mij kent en draagt en Die met Zijn Liefde mijn menselijke levensweg meegaat.
Ik weet dat God ieder mens tot leven roept. Zo heeft Hij ook mij geroepen, mij gekend, mij gewild, van in de moederschoot.
Voor mij was het tot een bewust christelijk geloof komen van groot belang, ook om zo geleidelijk aan een bewuste relatie met God, onze Vader, en Jezus, de Levende Heer, op te bouwen. Ik heb mijn christelijk geloof leren kennen door mijn ouders, opvoeders in de scholen...
En heel belangrijk, God werkt ook zelf natuurlijk: de H.Geest is werkzaam in elk mens met zijn genade. Zelfs een kind kan deze subtiele aantrekkingskracht van Gods Geest onderscheiden. Als ik eraan terug denk, dan ervaarde ik reeds als kind God soms heel spontaan in zijn schepping, in het buiten spelen met vriendinnetjes, in de schoonheid van kerkelijke gezangen, de liturgie. En dit is diep leven mogen en kunnen ervaren.

2 Het zoeken  
Met het opgroeien en volwassen worden, werd ook ik door vele polen aangetrokken.  Een mens moet keuzes maken en inderdaad volwassen worden. Ieder leven is telkens weer uniek, de omstandigheden zijn uniek, de ervaringen, de ontmoetingen zijn uniek.  Wat misschien niet zo uniek is zijn de zinvragen die naar boven komen, en de fundamentele eenzaamheid, die ieder mens, juist doordat hij uniek is wel eens ervaart.
Mijn menselijke levensweg is dus uniek.  En als ik Hem toelaat, die God van Jezus Christus - die we in Jezus menselijk mogen ontmoeten - als ik Hem toelaat mij te vergezellen dan heb ik gevonden en zal ik Hem steeds weer zoeken.

3 Het verlangen.  
Als jongvolwassene, kwam ik wel eens  in contact met de mooie liturgie en het leven in nieuwe, jonge kloostergemeenschappen.
Ik heb ervan gedroomd erbij te horen. Maar ik wist dat dit niet mijn roeping was.  Juist doordat de omstandigheden tegen zaten. En toch wist ik ook diep in mijn hart dat God mij riep, om Hem van dichterbij te volgen.

4 De werkelijkheid.  
Ik mocht ervaren hoe God ook mij leidt juist doorheen de unieke omstandigheden van mijn leven.  Een bewijs eigenlijk dat Hij heel persoonlijk met mij (zoals met ieder mens) op weg is. Wat ik wel deed was Hem om hulp vragen, bij Hem gaan zitten, bidden dus, op een heel persoonlijke manier; vanuit mijn leven sprak ik met Hem.

5 De toewijding.  
Ik leerde dan de katholieke ‘Maria-Kefas’-gemeenschap kennen. Deze nieuwe gemeenschap, brengt zowel religieuzen, als  gehuwde en  ongehuwde leken samen om op meer radicale manier de Heer te volgen. Wij zijn geen residentiële  gemeenschap, maar komen regelmatig samen voor aanbidding, liturgische vieringen, evangelisatieactiviteiten, en voor gezamenlijke vorming. (Er bestaat een goede folder die alles zegt over onze gemeenschap)
Hier vond ik een voor mij aangepaste weg om de Heer van dichterbij te volgen. Ik kon thuis blijven en mee de zorg voor mijn bejaarde ouders verder op mij nemen. En tegelijkertijd mocht ik binnen de gemeenschap ‘Maria-Kefas’ mijn toewijding, als ongehuwde aan de Heer’ uitspreken.
Dat uitspreken, voor het uitgestelde Heilig Sacrament, voor de priester van de gemeenschap, en voor de medegelovigen, was wel een heel belangrijk, sterk en plechtig moment voor mij. Het is de private gelofte van celibaat omwille van het Rijk Gods.  Het was de bevestiging van mijn roeping. En alhoewel die er naar buiten toe niet zo radicaal uitziet als van een kloosterzuster, toch wil ik mijn trouw aan God op eenzelfde radicale wijze beleven, in de wereld dan. Natuurlijk, alles met zijn hulp en genade.

6 Ongehuwd, maar niet alleen of eenzaam.  
Die hulp en genade geeft Hij mij elke dag opnieuw.  Soms sta ik er ’s avonds over  versteld wat God mij allemaal weer gaf, of liet doen,  de kracht die Hij gaf in zwakheid. In de Eucharistieviering in de loop van de week, ’s avonds wanneer we slechts  met een tiental mensen in de kerk zijn, kan ik Hem daar echt dankbaar voor zijn.
Het is zeker zo dat je als ongehuwde, niet die sterke band met één mens hebt. Het is van groot belang die band met God te vinden. En als je daar weet van hebt, die krachtbron hebt gevonden, zal je weten waar je telkens moet putten.
En waar ik  natuurlijk ook kracht mag uit putten is het contact met de zussen en broers van de gemeenschap.  Ik heb niet die intieme  band met één mens. Eens hoorde ik iemand aan ongehuwden, alleengaanden, vrijgezellen, de volgende benaming geven: ‘vrije gezellen’. Wij kunnen gezellen zijn,  vriend van vele mensen.  Het is nodig om goede, verrijkende, vriendschappelijke menselijke contacten te hebben.  Daarom is het voor mij ook van heel groot belang om tot de  ‘Maria-Kefas ‘ gemeenschap te behoren.  Samen met andere christenen, ook met andere ongehuwden, een stukje van mijn leven delen. Ondertussen kunnen we veel leren van onze gehuwde zussen en broers, die samen met hun gezin,  zich ook inzetten voor het Rijk Gods. De Maria-Kefasgemeenschap geeft eigenlijk een trouw beeld weer van de samenleving waarvan we deel uitmaken. Op het werk zijn we immers ook samen met mannen, vrouwen, gehuwden, ongehuwden. Zo staat de gemeenschap’ Maria-Kefas’ niet ver van de wereld,  maar volop erin.

7 Als ongehuwde aan de Heer toegewijd in de wereld.  
Vanuit de gemeenschap voel ik mij ook gedragen en gezonden. De gezamenlijke gebedsmomenten, liturgievieringen, samenkomsten, geven mij kracht om verder ook persoonlijk de weg met God te gaan.  Ook om mijn werk bij de zieken in verbondenheid met God te doen.
En dan zijn er nog de specifieke evangelisatieactiviteiten van de gemeenschap’ Maria-Kefas’. Zo organiseren we sedert een paar jaar Alpha-cursussen met als bedoeling hedendaagse mensen weer de kernpunten van het christelijk geloof te leren kennen. Het gaf mij telkens héél veel vreugde, en voldoening om daaraan mee te werken.

8 Als besluit  
Ik weet dat mijn leven als ongehuwde, zonder God heel leeg zou zijn.  Met andere woorden, God heeft een voorname plaats in mijn leven. Dank zij  die verbondenheid met Hem, kan ik veel aan.  Psalm 18 zegt het zo en vertaalt goed wat ik wil zeggen:
‘Heer, U heb ik lief, mijn sterkte zijt Gij, mijn toevlucht, mijn burcht, mijn bevrijder.  
’Mijn God, de rots waar ik toevlucht vind, mijn schild, mijn behoud en bescherming.’  
In zijn moderne vertaling is deze psalm een mooi gebed, ook voor alleenstaanden. Natuurlijk moet iedereen de gebeden vinden, waar hij of zij zich het meest door gedragen en aangesproken voelt.
Soms bid ik voor die alleenstaande mensen, die heel eenzaam zijn, en hun heil soms zoeken in gevaarlijke verslavingen (drank, drugs).  Ik bid dat ze ook God in hun leven een plaats zouden kunnen geven, Hem ontdekken.  En ook de verbondenheid mogen leren kennen, van tot een christelijke gemeenschap te behoren.

In het eerste nummer ’Geloof en Leven’ van 2002, trof mij het ‘Gebed van de  vrijwilliger’, geschreven door de Belgische bisschoppen.  Ik zou het ook het gebed van de ongehuwde - aan de Heer toegewijd én in de wereld werkzaam - willen noemen.  Misschien zelfs het gebed voor elke alleenstaande.
Meer nog dan mensen met een gezin, moeten wij misschien wel uit ons zelf kunnen treden en naar anderen toegaan. Dienstbaar zijn en soms meer geven dan we terugkrijgen.  Maar hierbij mogen we altijd weten en nooit vergeten, dat we Godverbonden kunnen leven. Hij is het die ons draagt en nooit loslaat, ons gratis en onverdiend liefheeft, en onze unieke levensweg meegaat.

INHOUD - ACTIVITEITEN - NIEUW - KINDEREN - BIJBEL - DIAPRESENTATIES - GEBEDSGROEP - PARAY L.M. - MARIA-KEFAS - PREKEN - REDEMPTORISTEN - THUISPAGINA - NADENKERTJES - NUMMERS - LITURGIE - ROEPING - GEZIN - JONGEREN - GETUIGENISSEN - ETHIEKHAHAHA - BOEKEN - MARIA - VORMING - ZENDING - KERK - CHRISTENUITZICHT - INFO - MEDIA - GEZONDHEID - SPIRITUALITEIT - PINKSTERSPIRITUALITEIT - VERHALEN - KUNST - BEZINNINGEN -