GELOOF EN LEVEN
JAAR 2002 nr. 1
Jaargang 106 nr 1 (januari -
februari - maart 2002)
INHOUD
(Onderlijnd = opgenomen op deze
pagina)
Waarom valt Kerstmis op 25 december? naar “Terre Sainte”
De Paus over de Islam als godsdienst
De eerste missievlucht naar Kongo (10) door: Jozef Boon CssR
Het huis van Maria te Efese (1)? (Ben Van Vossel cssr)
Een zekere weg naar het geluk (h. Alfonsus)
Katech. v.d. Kath. Kerk (19) De mysteries van het leven van Christus (resumé : Ben Van Vossel cssr)
Qumran (3) Geschiedenis van de Qumrangemeenschap (Ben Van Vossel cssr)
Paulus (17) Donkere wolken boven Jeruzalem ( Ben Van Vossel cssr)
De Decaloog 1 Bovenal bemin één God (4) Bestaat God? (Ben Van Vossel cssr)
Er achter staan (Björndal)
Spirituele tocht (4) (Ben Van Vossel)
Jaar van de vrijwilliger
Gebed van de vrijwilliger. Door: de bisschoppen van België
Geborgen
in Gods Liefde (Br. Ignatius
- André Bauwens)
Redemptoristen in het Midden-Oosten
Gerardus (17)
BOEKENNIEUWS (UNDERHILL, Evelyn -, Praktische mystiek voor nuchtere mensen / GRÜN, Anselm -, God ervaren. / DRIESSEN, Iny -, De wijn raakt op. Leven in en met de Kerk. / STAES, Karel -, Bidden ontvouwt zich in het leven. / FAGAN, Brian M.- , e.a., De zeventig beroemdste mysteries van de Oudheid. / GRÜN, Anselm -, Goed met jezelf omgaan. / BELDARRAIN, Eusebio e.a., Bidden op bijbelse bodem)INHOUD - ACTIVITEITEN - NIEUW - KINDEREN - BIJBEL - DIAPRESENTATIES - GEBEDSGROEP - PARAY L.M. - MARIA-KEFAS - PREKEN - REDEMPTORISTEN - THUISPAGINA - NADENKERTJES - NUMMERS - LITURGIE - ROEPING - GEZIN - JONGEREN - GETUIGENISSEN - ETHIEK - HAHAHA - BOEKEN - MARIA - VORMING - ZENDING - KERK - CHRISTEN - UITZICHT - INFO - MEDIA - GEZONDHEID - SPIRITUALITEIT - PINKSTERSPIRITUALITEIT - VERHALEN - KUNST - BEZINNINGEN -
naar een bericht in “Terre Sainte” 1999 nov./déc.
Ja, waarom vieren we Jezus geboorte nu precies op 25 december. Tot hiertoe meende men dat dit een manier was om de Romeinse Saturnaliën te verchristelijken. Deze feesten (Saturnus) vierden de hergeboorte van de “zon, altijd overwinnaar”. Dit kwam de christenen goed uit om Chritus te vieren als het “Licht van de wereld”. Een paar jaar geleden echter publiceerde Shermanyahu Talmon, een Israëlische geleerde, een studie over de kalender van de Joodse secte van Qumran. Tussen de geschriften van die secte trof hij ook de kalender aan van de diensten in de Tempel die de priesters volgens een beurtrol verzorgden. De familie van Abias, waartoe de priester Zacharias behoorde, de vader van Johannes de Doper (Lucas 1,5 en v.8), was twee keer per jaar van dienst: van de 8ste tot de 14de van de derde maand en van de 24ste tot de 30ste van de achtste (joodse) maand. Deze laatste datum viel op het einde van september. Vanuit dit gegeven willen we dan even verder redeneren. Om te beginnen stellen we vast dat het heel logisch overkomt wanneer de byzantijnse (christelijke) kalender het feest van de ontvangenis van Johannes de Doper vierde op 23 september. Dat is dan negen maand voor zijn geboorte op 24 juni. Als Elisabeth, zijn moeder, bij de aankondiging van Jezus geboorte (zie Lucas 1,26 met de Boodschap aan Maria), in haar zesde maand was, dan valt deze datum goed samen met het liturgisch feest van 25 maart (Maria Boodschap), 3 maand voor de geboorte van Johannes (24 juni) en negen maand voor... 25 december. Op deze manier gaf men aan de keuze van 25 december om Kerstmis te vieren een bepaalde histosche basis.
NAAR TOP VAN DOCUMENT
uitzicht - overzicht
onderwerpen - thuispagina - Verwante
links - activiteiten
DE PAUS OVER DE ISLAM ALS GODSDIENST
Ik weet niet of het boek “Entrez dans l’Espérance”, uitg. Plon/Mame, ook in het Nederlands werd uitgegeven. Het bevat uitspraken van paus Joannes-Paulus II die tot stand kwamen langsheen interviews met Vittorio Messori (‘Varcare la soglia della speranza’). Een zeer uiteenlopende reeks onderwerpen over gebed, het Godsbestaan, ‘waarom moest Jezus zich offeren?’, ‘waarom zoveel kwaad?’. Vervolgens komen enkele godsdiensten aan bod. Daarna gaat het over de jongeren, de kerk en de kerken, de morele achteruitgang, leven over de dood heen, de Mariadevotie…. Uit heel dit aanbod halen we even het stukje naar voor over de Islam. Het is een groot verlangen van deze paus dat de verschillende godsdiensten onderlinge contacten zouden hebben, vooral de monotheïstische godsdiensten; daarvan is de Islam niet uitgesloten. Dit komt naar voor in dit stukje, maar anderzijds wordt ook de waarheid niet te kort gedaan (blz. 149-154). Nar aanleiding van het gebeuren van 11 september in de V.S. Nodigde de paus trouwens opnieuw de leiders van de wereldgodsdiensten uit naar Assisi.
De paus begint met de conciliaire verklaring: “Met waardering beziet de Kerk de Moslims, die de ene God aanbidden, de levende en uit zichzelf bestaande, de barmhartige en almachtige, de schepper van hemel en aarde”. De paus vertelt een anekdote van een bezoek aan de mooie fresco’s van Fra Angelico in het St.-Marcusklooster te Florence waar een toevallige bezoeker op het einde aanmerkte: “Toch bereikt dit niet de schoonheid van ons moslim-monotheïsme”. Dit gaf aan de paus een voorsmaak van de problemen van een dialoog die men sedert het concilie systematisch tracht te ontwikkelen.
Wie zelf goed het Oud en Nieuw Testament kent, zal duidelijk het reducerend proces onderkennen waarvan de goddelijke openbaring in de Koran het voorwerp is. Men wordt er getroffen door het onbegrip dat zich daar manifesteert omtrent wat God over Zichzelf gezegd heeft, eerst in het Oud testament door de profeten, vervolgens op definitieve wijze in het Nieuw Testament door zijn Zoon. Heel deze rijkdom van de Zelfopenbaring van God, die het patrimonium uitmaakt van het Oud en Nieuw Testament, wordt inderdaad opzij gelaten in de Islam.
In de Islam wordt God met de allermooiste namen uit de menselijke taal genoemd, maar per slot van rekening is het een God die vreemd blijft aan de wereld. Een God die enkel ‘Majesteit’ is en nooit ‘Emmanuel’, “God-met-ons”. Het is geen verlossingsgodsdienst. Hij biedt geen ruimte aan het Kruis en de Verrijzenis. Jezus wordt er wel vermeld, maar enkel als profeet die de komst voorbereidt van de laatste der profeten, Mohammed. Ook Maria wordt er vernoemd. Maar het drama van de Verlossing is er volledig afwezig. Daarom zijn niet enkel de theologie (leer over God) maar ook de antropologie (leer over de mens) van de Islam ver verwijderd van deze van het christendom.
Vervolgens wijst de paus met bewondering naar de trouw van de moslims aan het gebed; zonder menselijk opzicht begeven ze zich in gebed. Ze zijn een voorbeeld voor veel christenen die hun mooie kathedralen opzij laten liggen en weinig of zelfs niet meer bidden.
Daarna citeert de paus opnieuw de uitnodiging van het concilie om zich samen, christenen en moslims, in te zetten voor wederzijds begrip en “voor de sociale rechtvaardigheid, de morele waarden, de vrede en de vrijheid voor alle mensen”.
De paus verwijs dat nog naar de gebedsontmoetingen in Assisi en vooral het gebed voor de vrede in Bosnië in 1993. Zelfs in landen met een moslimmeerderheid (o.m. in Casablanca / Marokko) ben ik steeds goed onthaald, zegt de paus.
Er
zijn echter concrete moeilijkheden. Waar
fundamentalistische stromingen de macht in handen krijgen, worden de
mensenrechten en het beginsel van de godsdienstvrijheid, helaas, op zeer
eenzijdige manier geïnterpreteerd: onder godsdienstvrijheid verstaat men dan de
vrijheid om de “ware godsdienst” op te leggen aan alle burgers.
In die landen zijn de levensomstandigheden van de christenen vaak echt
dramatisch. Soortgelijke
fundamentalistische houdingen maken
wederzijdse betrekkingen zeer moeilijk. Toch
blijft aan de kant van de Kerk de bereidheid tot dialoog en samenwerking
onveranderd.
NAAR TOP VAN DOCUMENT
uitzicht - overzicht
onderwerpen - thuispagina - Verwante
links - activiteiten
HET HUIS VAN MARIA TE EFESE? (1)
door Ben Van Vossel cssr
In de omgeving van het antieke Efese (tegenwoordig ook ‘Efes’), aan de Westkust van het huidige Turkije, ten Zuiden van Izmir (Smyrna), staat op de Nachtegaalberg (‘Bülbül-dag’ of Bülbülgagi of Berg Coressos) een klein kerkje dat door een bepaalde traditie en tot op de huidige dag het ‘huis van Maria’ wordt genoemd. Het kerkje staat afgebeeld op de icoon die we hiernaast afdrukken. De woorden ‘Meryem ana evi’ betekenen gewoon ‘het huis van Moeder Maria’. Dat huis zou de Maagd Maria bewoond hebben tijdens de laatste jaren van haar leven. Dit staat natuurlijk in volledige tegenspraak met een traditie te Jeruzalem waar men de kerk van het overlijden van Maria heeft staan, de ‘dormitio’, het ‘ontslapen’ van Maria, de Moeder Gods.
Vanwaar komt dan die andere traditie van Maria’s verblijf en overlijden te Efese? Een summier onderzoek brengt ons de elementen samen die tot die traditie aanleiding gegeven hebben. Tegelijk ontmoeten we enkele zaken die ons enige evangelische gebeurtenissen en teksten in herinnering brengen.
Enige Schriftteksten over Maria
In het Johannesevangelie bijvoorbeeld (geschreven op het einde van de eerste, begin van de 2de eeuw) verhaalt Johannes, blijkbaar “vanuit zijn persoonlijke herinnering … het hem dierbare moment waar de (aan het kruis) stervende Meester zijn moeder, die blijkbaar geen andere kinderen heeft en wier echtgenoot gestorven moet zijn, niet zonder opvang wil achterlaten en haar toevertrouwt aan de beminde leerling, die haar bij zich opnam”.
In het eerste hoofdstuk van de Handelingen van de apostelen wordt Maria “de moeder van Jezus” nog eens vermeld tussen de leerlingen die in de bovenzaal te Jeruzalem eensgezind volharden in het gebed, na de Hemelvaart van de Heer.
Daarna zien we Maria niet meer optreden in het Nieuw Testament, tenzij wellicht in de “Openbaring van Johannes”, als beeld van de Kerk, in volgende tekst:
“En er verscheen een groot teken aan de hemel: een vrouw, bekleed met de zon, de maan onder haar voeten en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren. Zij was zwanger en kreet in haar weeën en barensnood. Toen verscheen aan de hemel een ander teken: een grote, vuurrode draak. Hij had zeven koppen en tien horens, en op elke kop een diadeem. En zijn staart vaagde een derde deel van de sterren des hemels weg en wierp ze op de aarde. En de draak stond voor de vrouw die zou baren, om zodra, zij gebaard had, haar kind te verslinden. En zij baarde een kind, een zoon, die alle volken zal weiden met een ijzeren staf. En haar kind werd ijlings weggevoerd naar God en zijn troon. En de vrouw vluchtte naar de woestijn, waar zij een plaats heeft van Godswege bereid, om daar gespijzigd te worden twaalfhonderdenzestig dagen” (Openb. 12,1-6). Stond voor Johannes Maria hier model voor de Kerk?
Tussendoor wil ik toch nog verwijzen naar die diepe tekst uit de brief van Paulus aan de Galaten waarin Maria’s rol in het heilswerk zo eenvoudig en mooi beschreven wordt
“Maar toen de volheid van de tijd gekomen was, heeft God zijn Zoon gezonden, geboren uit een vrouw, geboren onder de wet, opdat Hij hen die onder de wet stonden zou bevrijden, opdat wij de rang van zonen zouden verkrijgen. En het bewijs dat ge zonen zijt: Hij heeft de Geest van zijn Zoon in ons hart gezonden, die roept: Abba, Vader!” (Gal. 4,4-6). Maria is de moeder van Hem die ons tot kinderen van God maakte. (Het is wellicht interessant even te bedenken dat Tarsus - waar Paulus geboren werd - ook in het huidige Turkije ligt, maar dan wel in het Zuid-Oosten.)
Efese en de eerste christenen
Efese, dat zich situeert aan de Westkust van het huidige Turkije, was een Ionische stad, daterend uit de voor-Griekse tijd. Een juweeltje voor archeologen. In 356 v.C. werd ze herbouwd en sedert 133 v.C. was ze de hoofdstad van de Romeinse provincie Asia (Azië). Het was een rijke stad, met de zetel van de proconsul, maar waar ook de toverpraktijken lustig tierden. Er verbleven nogal wat Joden, die het af en toe wel te verduren kregen door anti-joods sentiment. Paulus bezocht de stad zeker twee keer: tijdens zijn tweede missiereis was hij er korte tijd, maar tijdens zijn 3de reis (53-58) verbleef hij er 3 jaar (zie: Handelingen, hoofdstuk 19). Zo ontstond er een bloeiende en uitdeinende christengemeenschap met Timoteüs aan het hoofd. Of de brief aan de Efesiërs echt tot hen gericht is blijkt onzeker te zijn.
Maar wat is nu de (eventuele) relatie tussen Efese en Maria? Daarvoor moeten we opnieuw terugkeren naar de figuur van Johannes.
De apostel Johannes te Efese. En Maria?
Volgens een zekere overlevering uit de 2de eeuw (Ireneüs en Clemens van Alexandrië) verbleef de apostel Johannes in zijn laatste levensjaren te Efese en stierf er omstreeks 100 na C.. Tot het einde van de Middeleeuwen was zijn graf daar een druk bezocht pelgrimsoord
Nu zouden we een eenvoudige, volkse redenering kunnen volgen: als Johannes zich het lot van Maria heeft aangetrokken, ingaand op Jezus’ woorden van op het kruis, dan heeft hij haar wellicht ook in Efese een huis bezorgd, toen hijzelf daar in de omtrek verbleef. Na haar overlijden te Efese zal haar verblijfplaats en begraafplaats wellicht ook een christelijke bedevaartsplaats geworden zijn. Hier is de grote Mariakerk in de stad misschien nog getuige van.
Er is inderdaad een legende die verhaalt dat Maria in gezelschap van Johannes naar Efese is gekomen rond van 37 tot 45 na. C. (4 of 5jaar na de dood van Jezus). Sommige kerkhistorici in de Renaissance vermelden die reis.
Concilie te Efese: Maria, Moeder Gods
In 451 werd te Efese het derde algemeen concilie gehouden. Het concilie zocht de persoon van Christus duidelijker te bepalen. Apollinaris had teveel nadruk gelegd op de godheid van Christus zodat zijn mensheid werd ontkend; anderen leerden dan weer dat Jezus Christus niet enkel een goddelijke Persoon maar ook een menselijke persoon was, zodat er in Christus niet enkel twee naturen (de goddelijke en menselijke) maar ook twee personen zouden zijn, de persoon van de Zoon en dan de mens Jezus. Het was vooral Nestorius die dit laatste onderwees. In de openingsbijeenkomst in de grote Mariakerk kan de H. Cyrillus de geloofsbelijdenis van Nicea doen goedkeuren en een van zijn brieven met een duidelijke kerkelijke leer: In Jezus zijn er 2 naturen, maar slechts één persoon, de persoon van het Woord, Gods enige Zoon, die ontvangen is van de heilige Geest en geboren uit de Maagd Maria. Daarom wordt Maria ‘Moeder van God’ genoemd, omdat ze Gods Zoon heeft gebaard. In zowat het oudste Mariale gebed wordt Maria ook al de ‘Theotokos’ genoemd, zij die God heeft gebaard: “Onder uw bescherming nemen wij onze toevlucht, heilige Moeder Gods (Sancta Dei Genitrix)…”.
Het concilie had dus ook wel een Mariaal tintje en in een van onze bronnen, een bepaalde website, wijst men er op dat de aanwezigheid van de grote Maria-kerk te Efese er wellicht op duidt dat Maria daar ook gewoond heeft, want het was toen de gewoonte dat men een kerk slechts naar een heilige noemde wanneer die daar ook daadwerkelijk geleefd had.
Een volkse traditie
In de 14de eeuw werd de streek rond Efese ingenomen door de Turken; de christenen van Efese weken dan uit naar een dorp, zo’n 15 km. buiten de stad. Maar tot de 19de eeuw organiseerden ze elke 15de augustus, feest van Maria tenhemelopneming, een lange processie van 22 km. op blote voeten. Op het einde van die gebedstocht was er een eucharistieviering in de ruïnen van een huis dat ‘de poort van de allerheiligste’ genoemd werd (in een niet zo actueel Turks: ‘Pannaya Kapulu’). Voor hen was dàt het huis van de heilige Maagd.
(Vervolg
in volgend nummer)
NAAR TOP VAN DOCUMENT
uitzicht - overzicht
onderwerpen - thuispagina - Verwante
links - activiteiten
h. Alfonsus van Liguori
Stichter (1732) van de congregatie van de redemptoristen
“Één akte van volmaakte vereniging met de wil van God volstaat om een heilige te maken... Kijk naar Paulus: terwijl hij de Kerk gaat vervolgen verlicht Jezus Christus hem en brengt hem tot bekering. En wat doet Saulus? Wat zegt hij? Niets, tenzij zich aanbieden om de wil van God te doen: “Heer, wat wilt U dat ik doe?” (Hand. 9,6). En God verklaart hem dan tot uitgelezen instrument en apostel van de volkeren: “Deze man is het instrument dat ik Mij heb gekozen om mijn Naam kenbaar te maken bij de heidense naties” ( Hand. 9,15). Het is inderdaad zo dat wie aan God zijn wil geeft, in feite alles geeft. Wie aan God zijn goederen geeft door aalmoezen, zijn bloed door geselingen, zijn voedsel door vasten, geeft een deel van wat hij heeft. Maar wie Hem zijn wil geeft, geeft alles. Hij zou kunnen zeggen: “Heer, ik ben arm maar ik geef al wat ik kan. Door U mijn wil te geven heb ik niets anders meer te geven”. Maar dat is juist het alles dat onze God vraagt: “Mijn zoon, geef me je hart” (Spreuken 23,26). Mijn zoon, zegt de Heer tot ieder van ons, geef me je hart, dat wil zeggen: jouw wil. De heilige Augustinus zegt: “Wij kunnen God niets aangenamer aanbieden dan te zeggen: neem bezit van ons”. Ja, Heer, neem bezit van ons; wij geven U heel onze wil. Doe ons weten wat Gij van ons verlangt en wij zullen het vervullen. (…).
Door hun eenheid met de wil van God hebben de heiligen op onze aarde vooraf reeds een paradijs gesmaakt. Op die manier, zegt de heilige Dorothea, hebben de oude Vaders steeds een diepe vrede bewaard in hun hart: door alles uit de handen van God aan te nemen (…). Wie in voortdurende vereniging leeft met de goddelijke wil, bezit een volledige en aanhoudende vrede: een volledige vreugde, omdat hij alles heeft wat hij wil, zoals we hierboven hebben gezegd; een aanhoudende vreugde, omdat niemand ze kan ontnemen en niemand kan verhinderen dat zou geschieden wat God wil.”
Uit: Eenvormigheid van de wil met God
Vert. uit het Frans
NAAR TOP VAN DOCUMENT
uitzicht - overzicht
onderwerpen - thuispagina - Verwante
links - activiteiten
KATECHISMUS VAN DE KATHOLIEKE KERK (19)
resumé : Ben Van Vossel cssr
Hoofdstuk 2 Art. 3 “Jezus Christus”
§ 3 De mysteries van het leven van Christus (nrs. 512-570)
I Het hele leven van Christus is één mysterie
Eigenlijk worden er in het evangelie niet zoveel details gegeven over Jezus’ leven. Wat er toch werd doorgegeven en opgeschreven heeft als bedoeling “opdat gij moogt geloven dat Jezus de Christus is, de Zoon van God, en opdat gij door te geloven leven moogt bezitten in zijn naam” (Joh. 20,31). Dus geen echt opvallende verhalen zoals we die in de apocriefen aantreffen, zo van “’t at pap uit een panneke en ’t maakte Hem niet vuil”. Heel Jezus’ leven doet ons aan de Vader denken, het spreekt ook van genezing, vrij-making, verlossing en het is een mysterie dat toont hoe God de mens eigenlijk gedroomd had. Het is duidelijk dat Jezus gekomen is voor ons en dat Hij er ook nu nog helemaal is voor ons heil, ons geluk. Hij wil een voorbeeld zijn en ons meetrekken op zijn weg van heil.
II De kinderjaren en het verborgen leven van Jezus
De komst van de Zoon van God werd eeuwenlang voorbereid en door profeten aangekondigd, heel in het bijzonder door Johannes de Doper. In de Advent vieren we dat zelf ook en zien we uit naar zijn tweede komst. Met Kerstmis vieren we zijn geboorte uit de Maagd Maria en verder worden in het evangelie wordt aan de hand van enige gebeurtenissen Jezus getoond als gehoorzaam aan de voorschriften van de wet, als de redder voor joden en niet-joden (Feest van Driekoningen of Openbaring), als helemaal toegewijd aan God (Opdracht) en als Degene die vervolgd wordt door de duisternis maar toch de definitieve bevrijder zal zijn.
Het verborgen leven van Jezus toont ons verder de onderdanigheid aan zijn ouders, het respect voor het gewone menselijk leven (Nazareth) maar tevens het mysterie van “Gods verlangen het eerst” (Terugvinding in de tempel: ‘Wist ge niet dat ik in het huis van mijn Vader moest zijn?’).
III De mysteries van het openbare leven van Jezus
Jezus laat zich dopen en laat zich daarmee bij de zondaars rekenen: de geliefde Zoon wordt het Lam dat de zonde van de wereld wegdraagt. In het water van de doop willen wij ons klein maken, onze zonde begraven om, samen met Jezus, geliefde kinderen van God te worden.
In het verhaal van de bekoringen van Jezus zien wij dat Hij Gods verlangen boven alles stelt; hier blijkt al dat Hij uiteindelijk de duivel zal overwinnen. In de veertigdagentijd willen wij ons bij Jezus aansluiten in zijn weerstaan aan het kwaad en zijn op(en)komen voor Gods verlangen.
Door zijn prediking wil Jezus de familie van God bijeenroepen: ieder mens is daartoe uitgenodigd, rijk, arm, van welk ras of volk, sterk of zwak. Hij wil allen tot zich trekken en zo tot de Vader. Het koninkrijk van God is er voor alle mensen; ook de zondaars - zij zelfs speciaal - worden uitgenodigd om binnen Gods Rijk te gaan leven. Jezus gaf zijn leven om allen te heiligen. De parabels van Jezus maken ons dat duidelijk.
Dat Hij de Messias is die het Rijk van God tegenwoordig brengt toont Jezus door tekenen, genezingen en door de kwade uit te drijven.
Zijn apostelen laat Hij delen in zijn zending en Hij geeft aan zijn kerk zeggingsmacht op leerstellig en disciplinair gebied, via het dienstwerk van de apostelen en speciaal het Petrusambt (binden en ontbinden) met de opdracht de kerkgemeenschap te leiden (Joh. 10,11; 21,15-17).
De
gedaanteverandering verwijst zowel naar het lijden van de Heer als naar zijn
heerlijkheid. Maar ook Jezus’
lijdensvoorspellingen en zijn messiaanse intocht in Jeruzalem zijn tekenen die
zelfs voor de leerlingen van Jezus niet direct duidelijk waren.
Eenvoudigen hebben het wel begrepen: “Gezegend die komt in de Naam van
de Heer, hosanna in de hoge!”. Palmzondag
is het begin van de liturgie van de Goede Week waarin het koninkrijk van de
Koning-Messias verwezenlijkt wordt door zijn doortocht (= Pasen) van dood naar
verrijzenis.
NAAR TOP VAN DOCUMENT
uitzicht - overzicht
onderwerpen - thuispagina - Verwante
links - activiteiten
door: Ben Van Vossel cssr
2. DE GESCHIEDENIS VAN DE QUMRANGEMEENSCHAP
§ 1. De Essenen gesitueerd binnen de Joodse geschiedenis
Om de geschiedenis van de Essenengemeenschap (uit Qumran en - mogelijks - uit Damascus) goed te verstaan moeten we die situeren in de bredere geschiedenis van de Joodse Gemeenschap.
1- De Seleuciden willen alles helleniseren
Volgens Joodse legenden was de grote Macedonische veroveraar, Alexander de Grote, verdraagzaam ten overstaan van andere godsdiensten. Zijn opvolgers waren de Ptolemeeën (of Lagiden) in Egypte en de Seleuciden in Syrië en Babylon. De Egyptische Lagiden waren vrij onverschillig ten overstaan van de Joodse godsdienst. Maar in 200 of 198 komen Palestina en Syrië onder de heerschappij van Antiochus de Grote (233-187) en dus van de Seleuciden. Het Hellenisme (een afkooksel van de Griekse cultuur die hoog in aanzien stond) begint dan ook in Palestina zijn invloed uit te oefenen. De clan van de Tobiaden - hoewel Joden - werkten sterk mee om de Joodse godsdienst te doen verdwijnen. Onias III was van 185 tot 174 hogepriester (de laatste van een reeks) in de tijd van Antiochus IV Epifanes. Deze Antiochus regeerde van 175 tot 164 voor Christus. Hij probeerde de Joodse godsdienst te vernietigen en overal de cultus van de Griekse godheden op te dringen. Een broer van Onias, een zekere Jezus (die echter zijn naam laat veranderen in Jason) wil zelf hogepriester worden. Hij zegt aan Antiochus dat hij Palestina zal helleniseren onder voorwaarde dat hijzelf hogepriester wordt benoemd. Onias III wordt dus verjaagd en Jason wordt hogepriester; een zekere Menelaüs, iemand van de Tobiaden en sympathisant van de Seleuciden helpt hem bij verheidensen van Palestina (we lezen hierover in 2 Makk. 4,23 vv.). Onias trekt zich terug in Noord-Syrië, in Antiochië en later in Daphne; het is mogelijk dat hij enkelen van zijn aanhangers heeft ondergebracht in de streek van Damascus. Ondertussen wordt Jason vervangen door Menelaüs die grondig hellenisant was. In 171 wordt de oude Onias III vermoord.
In 167 plundert Antiochus IV Epifanes voor de tweede maal de tempel met de hulp van de hogepriester Menelaüs ( zie 2 Makk. 5,15), bouwt de Akraburcht, die het tempelplein kan overzien, en hij verbiedt de praktijk van de besnijdenis en de sabbat, de boeken van de Thora, het monotheïsme en de wetten omtrent wettelijke reinheid en onreinheid; in de zuilengangen van de tempel worden ook door de priesters heidense gebruiken ingevoerd. Op 15 december wordt het jodendom verboden en wordt in de tempel van Jeruzalem het beeld opgericht van Zeus Olympicus (‘de gruwel der verwoesting’). Er begint een bloedige vervolging van de Jahwe-getrouwen. In verband met deze zaken is het wellicht ook goed even in het boek Daniël te lezen (Dan. 9,25-27, zie noot).
2- Van Makkabeese nationalisten tot Hasmonese koningen-hogepriesters
Er zijn veel afvalligen, maar ook martelaars. Veel Israëlieten verlaten Jeruzalem, sommige stedelingen worden zo opnieuw nomaden. Het woestijnleven vernieuwt hun geloof en radicaliseert het. Zij zullen het hart worden van de reactie. Het zijn de vromen of Chasidim, Chasideeën of Assideeën. Maar het blijft een soort passieve weerstand totdat een zeer Joodsvoelende familie in Modeïn (een dorp op 30 km. van Jeruzalem) het voortouw neemt van het verzet. Mattatias was de clanoverste; hij was zoon van Johannes en kleinzoon van Simeon, een priester uit het geslacht van Jojarib uit Hasmonea. Mattatias vluchtte met zijn gezin de woestijn in, nadat hij een afvallige Jood en een regeringsbeambte gedood had. Toen op een sabbat zo’n duizend gevluchte vromen in de woestijn vermoord werden door de regeringstroepen besloot de groep rond Mattatias (de Makkabeeën) tot een regelrecht gewapend verzet tegen de Seleuciden. En spoedig sluiten ook de Chasideeën zich bij hem aan en worden een strijdlustige kern van zijn leger dat overal de afgodsbeelden vernietigt. Deze Chasideeën waren radicaal in hun trouw aan de wet van Mozes, maar ze vereenzelvigden zich niet zonder meer met de politiek van de Makkabeeën. Het begin van de makkabeese opstand situeert zich in 166/165 voor Christus.
Een van de rollen die in Qumran gevonden werd, de zogenaamde “Oorlogsrol”, beschrijft de “strijd van de zonen van het licht tegen de zonen van de duisternis” en is waarschijnlijk rond deze tijd geschreven. De “Kittim van Assoer” (hiermee zijn waarschijnlijk de opvolgers van Alexander bedoeld, dus zowel de Lagiden van Egypte als de Seleuciden uit Syrië) worden er ‘het leger van Belial’ genoemd dat de strijd aanbindt tegen de Joden van Judea, nl. de stammen Benjamin, Juda en Levi, de priesterlijke stam, met uitsluiting van de noordelijke stammen. Er wordt ook gesproken over de Kittim van Egypte, waarmee waarschijnlijk de Lagiden bedoeld worden. De ‘Oorlogsrol’ werd dus waarschijnlijk geschreven tussen het begin van de Makkabeese opstand (198-200 voor Chr.) en de Romeinse verovering (64-63 v. Chr.) met Pompeius.
Na de dood van Mattatias wordt zijn zoon Simeon de raadsman en Judas, de Makkabeeër, de legeraanvoerder. De Joden trekken zich goed uit de slag en het resultaat is - zelfs nadat Judas sneuvelt in een gevecht (april 160) - dat ze een soort onafhankelijkheid bereiken met eigen Hasmoneese koningen (dus uit het geslacht van de Makkabeeën), die zich echter op illegale manier ook het hogepriesterschap zullen toe-eigenen; ze hoopten zo op nog meer invloed en zeggingschap over het volk dat uitzag naar een uiteindelijke Messias die priester èn koning zou zijn.
3- Oppositiebewegingen: Farizeeën en Essenen
Nu ontstonden echter twee duidelijke oppositiebewegingen, zowel tegen de pogingen om het Joodse volk te helleniseren als tegen de priesters die de Hasmoneese hogepriesters steunden; deze priesterkaste wordt de latere partij van de Sadduceeën, waarmee Jezus ook vaak overhoop zal liggen.
- De eerste oppositiebeweging bestond uit leken en daar waren vooral de schriftgeleerden de dragende kracht. Deze groep zou later de partij van de Farizeeën worden; ze houden zich meer en meer afzijdig van politiek en tempel om zich vooral toe te leggen op de studie en het naleven van de wet (van Mozes).
- De tweede oppositiebeweging bestond vooral maar niet uitsluitend uit priesters die trouw wensten te blijven aan de traditionele belevingsvorm van het jodendom: zij wensten hogepriesters uit het geslacht van Aäron, het herinvoeren van de traditionele zonnekalender (die door de Seleuciden vervangen was door de maankalender met slechts 354 dagen in plaats van 364) , het onderhouden van de sabbat en de strikte naleving van de wet, vooral inzake de priesterlijke voorschriften. Op verschillende plaatsen in Judea ontstonden er gemeenschappen waar men, onder de leiding van een priester, op een zeer radicale manier trouw trachtte te blijven aan het oude erfgoed. Het zijn deze mensen die men ‘de vromen’ noemde, chasidim, chasideeën) en die aanvankelijk wel aan de kant stonden van de Makkabeeën. Volgens sommigen - aldus Van Segbroeck - is het woord Essenen (grieks: essaioi) een omvorming van het Hebreeuwse chasideeën. Uit deze beweging ontstond later de gemeenschap van Qumran: als een belangrijk centrum waar een groep radicalen het ideaal onverkort trachtte te beleven door zich terug te trekken in de woestenij. Qumran vervulde ook de taak van studie- en bezinningscentrum voor leden van de beweging die in de wereld leefden.
§ 2 De fasen van de Essenengeschiedenis nog even in een notendop
Na deze ruimere situering hernemen we even de eigenlijke geschiedenis van de Essenen die door J.T.Milik als volgt geschetst wordt (er zijn afwijkende meningen).
1- Eerste fase (152-104)
Vooral ‘Regel’ en de ‘Dankpsalmen’ lichten ons hierover in.
We zien een groep sadokidische priesters en vrome leken onder leiding van de zogenaamde ‘Leraar der Gerechtigheid’ oppositie vormen tegen de Hasmoneeën; het loopt erop uit dat ze zich volledig afscheiden van de Joodse volksgemeenschap. De voornaamste oorzaak was - zoals hoger reeds aangegeven - dat Jonathan (161-143 voor Chr.), een broer van Judas de Makkabeeër; in 153 v.Chr. als niet-sadokidische dorpspriester de hogepriesterlijke waardigheid op zich nam. Bovendien gaf het aanstoot dat hij tegelijk ook koning was. Hoogstwaarschijnlijk is hij het die in de Esseense geschriften de ‘goddeloze priester’ genoemd wordt en de grote tegenstander van de gemeenschap.
2- Tweede fase (104-40 voor Chr.).
De kleine gemeenschap krijgt in deze periode grote aanhang bij Farizeeën die door Johannes Hyrkanus en Alexander Janneüs vervolgd werden. Volgens Milik zou om deze tijd in het land Damascus (misschien in de Hauran) een filiaal gesticht zijn (we zagen evenwel dat daaraan sterk getwijfeld wordt door andere wetenschappers).
3- De derde fase (rond 40-4 voor Chr.)
Deze fase vertoont een goede verstandhouding tussen Essenen en Herodes de Grote (waarover ook Flavius Josephus spreekt). Mogelijks zijn zij (volgens Mgr. Quintens) de ‘Herodianen’ uit Marcus 8,15 (‘Neemt u in acht voor het zuurdeeg van de Farizeeën en het zuurdeeg van de Herodianen’), zodat de Essenen dan toch zouden voorkomen binnen het Nieuwe Testament. (Sommige bronnen vermoeden ook ‘Essenen’ bij de vermelding uit de ‘Handelingen van de apostelen’: “Het woord Gods breidde zich uit en het aantal leerlingen in Jeruzalem vermeerderde sterk; ook een groot aantal priesters gaf zich gewonnen aan het geloof” (Hand. 6,7). Men ziet daarin dan vooral de ‘sadokidische priesters van Qumran. Ook dit is natuurlijk slechts een veronderstelling.)
Qumran werd in deze fase enige keren verwoest. Mogelijks door de Parthen in 40 v.X zodat de bewoners wegvluchten en enige jaren later zeer ernstig bij de aardbeving van het jaar 31 v.X. Zoals we eerder reeds aangaven waren de bewoners toen misschien nog niet terug. Pas tegen 4 v.X. begonnen de Essenen hun nederzetting weer op te bouwen (waren ze ondertussen verspreid in de steden van Juda?).
4- De 4de fase (4 v.X. tot 68 na X.).
Qumran wordt in deze fase ook meegesleept in de moeilijke relatie tussen Joden en Romeinen. Volgens Milik is (in tegenstelling tot wat we hoger zegden) in deze tijd de ‘Oorlogsrol’ ontstaan en hoogstwaarschijnlijk maken in deze 4de fase ook gehuwde leden deel uit van de gemeenschap (hoewel niet residerend in het gemeenschapshuis). Bij de gevechten van 68 na X. werd ook vanuit de Qumrannederzetting weerstand geboden aan het 10de legioen, maar het is niet zeker of dat nog wel de leden van de Qumrangemeenschap waren. Ondertussen waren de handschriften in veiligheid gebracht, maar na de verwoesting van Qumran zijn de vroegere bewoners er nooit meer teruggekeerd en ze zijn evenmin hun verborgen bibliotheek weer komen ophalen. Tot op zekere dag, in maart 1947, een jonge bedoeïen een verloren berggeit zocht… (Volgend nummer : De Secte van het Nieuw Verbond te Damascus ?)
NAAR TOP VAN DOCUMENT
uitzicht - overzicht
onderwerpen - thuispagina - Verwante
links - activiteiten
DE DERDE MISSIETOCHT (5)
Donkere wolken boven Jeruzalem
door : Ben Van Vossel cssr
Tyrus
Op de terugreis naar Jeruzalem zoeken Paulus en zijn vrienden in Tyrus de christengemeente op die daar reeds bestond. Tyrus was een zeer bekende handelsstad, zowat de grootste van Fenicië, vol prachtige gebouwen. De stad had zelfs het recht een eigen munt te slaan, die bovendien overal aanvaard werd en voor respectabel werd aanzien. Tyrus had ook een aanzienlijke handelsvloot. Je zou gaan zeggen dat de huidige Libanezen het van geen vreemden hebben: het reizen en handel drijven. Volgens sommige bronnen zijn er aanwijzingen dat ze ook in Grenada en zelfs in Engeland en Zuid-Scandinavië aanwezig geweest zijn. Koning Salomo onderhield al handelsbetrekkingen met Tyrus aangezien hij aan de koning van Tyrus gevraagd had om ‘ceders van de Libanon’. Een niet te verwaarlozen verwezenlijking is dat de Feniciërs samen met hun handelswaren ook het Alfabet verspreidden dat zij aan de hand van het hebreeuws hadden overgenomen.
Gewaarschuwd
Terwijl Paulus bij de christenen daar op bezoek is, waren zijn tegenstanders uit Klein-Azië eveneens op weg naar Jeruzalem. En tijdens de week dat Paulus in Tyrus verbleef waarschuwen de leerlingen - ‘gedreven door de Geest’ - dat hij best niet naar Jeruzalem zou varen. Paulus echter laat zich niet weerhouden. “Toen onze dagen verstreken waren, reisden wij verder, terwijl allen met vrouwen en kinderen, ons wegbrachten tot buiten de stad. Op het strand knielden wij neer, baden en namen afscheid van elkaar. Toen wij aan boord gegaan waren, keerden zij naar huis terug. Na Tyrus legden wij het laatste stuk van onze zeereis af en liepen Ptolemais binnen, aan de noordkant van het Karmelgebergte.
‘De wil van de Heer geschiede’
Ptomemaïs, zo genoemd naar de Egyptische koning, heette tijdens de Fenicische heerschappij Akko en werd door de arabische veroveraars opnieuw Akka geheten; in de Middeleeuwen kreeg het van de kruisridders de naam Saint-Jean d’Acre, de stichter van de Johannieterorde; de kruisvaarders maakten in de 12de eeuw van die vissershaven een grote haven. Paulus en zijn reisgezellen gingen eerst de (christen-) broeders begroeten en ze bleven een dag bij hen” (Hand. 21,5-7). De volgende dag reizden ze verder naar de prachtige havenstad Cesarea. Herodes de Grote had aan deze stad - in het jaar 22 voor Christus gesticht - de naam Cesarea Augusta (‘de verheven keizerlijke’) gegeven, om zo zijn weldoener keizer Augustus te eren. In Cesarea was Paulus te gast bij een van de 7 diakens, de evangelist Filippus, een sterk verkondiger was van het Goede Nieuws. Zijn 4 ongehuwde dochters hadden de gave van profetie; de appel was blijkbaar niet ver van de boom gevallen. Tijdens hun verblijf dat toch wel enige dagen duurde, kwam een profeet uit Judea daar aan, een zekere Agabus. Hij nam de gordel van Paulus, bond zich daarmee de handen en voeten en zei: “Dit zegt de heilige Geest: Zo zullen de Joden in Jeruzalem de man aan wie dit toebehoort, binden en overleveren in de handen der heidenen”. Begrijpelijkerwijze trachtten toen de gelovigen daar en zijn eigen metgezellen hem vooralsnog over te halen niet naar Jeruzalem te gaan. Maar wat haalt dit uit bij iemand met martelaarsaanleg: “Waarom tracht ge met uw tranen mijn hart te vermurwen? Ik ben immers bereid mij te Jeruzalem niet allen te laten boeien, maar er zelfs te sterven voor de naam van de Heer Jezus” (Hand. 21,13). ‘Dat de wil van de Heer geschiede’, is de enig mogelijke reactie van zijn gezelschap. En zo maken ze zich dan op om naar Jeruzalem te vertrekken, de meesten met lood in de sandalen. Een paar leerlingen uit Cesarea trekken mee en brengen Paulus en zijn metgezellen bij Mnason uit Cyprus, een christen van het eerste uur die aan de rand van de stad woonde.
Jeruzalem
De ontvangst bij de christenen van Jeruzalem is zeker niet slecht. Het wordt niet verhaald in de Handelingen van de apostelen, maar vermoedelijk had Paulus een hele som geld mee voor de noodlijdende christenen van Jeruzalem. Het is dus begrijpelijk dat Lucas noteert: “De broeders ontvingen ons met vreugde”. ’s Anderendaags trekt Paulus met zijn metgezellen naar Jacobus bij wie ook alle oudsten (de verantwoordelijken van de christengemeente) samengekomen waren (Hand. 21, 18). Paulus spreekt hen met sympathie toe en verhaalt over wat God door zijn dienstwerk tot stand heeft gebracht onder de niet-gelovigen. Het leidersteam verheerlijkt God maar brengt Paulus toch onder ogen dat er gezegd wordt dat nogal veel Joodse mensen christen zijn geworden maar dat dezen toch zeer gehecht zijn aan de Joodse gebruiken en de Wet van Mozes. “Men is ons komen vertellen dat gij aan alle Joden die onder de heidenen leven afval van Mozes leert door te verklaren, dat ze hun kinderen niet moeten besnijden en niet moeten leven volgens de gebruiken” (21,21). En men stelt dan aan Paulus voor dat hij zich op rituele wijze zou laten reinigen samen met 4 mannen die onder gelofte stonden en dat hij de kosten zou betalen om die mensen hun hoofd te laten scheren. “Dan zullen allen inzien, dat er niets waar is van wat ze over u hebben horen vertellen, maar dat gij ook zelf trouw de Wet blijft onderhouden. Wat echter de gelovig geworden heidenen aangaat: hen hebben wij schriftelijk van onze beslissing op de hoogte gebracht, dat zij zich moeten onthouden van spijzen die aan afgoden geofferd zijn, van bloed, van wat verstikt is en van ontucht”. Paulus gaat akkoord, maar het mag niet baten.
‘Weg met hem’
Het is namelijk het grote Herfstfeest van het jaar 58. Dat was een van de drie grote feesten waarop nogal wat Joden uit de diaspora (verspreid over andere landen) naar Jeruzalem optrokken om zich ook wat te herbronnen door vernieuwing van hun trouw aan de wet en de Joodse eredienst. Deze mensen waren dus zeer gemotiveerd. Welnu, na de 7 voorgeschreven dagen (in verband met de naziraatsbelofte)merken enkele joden uit Asia Paulus op in de tempel, ze grijpen hem vast en beginnen luid te schreeuwen: “Israëlieten te hulp! Dit is die man, die overal en voor allen een leer verkondigt die gericht is tegen het volk, tegen de Wet en tegen deze plaats en die nu zelfs heidenen in de tempel heeft gebracht en daardoor deze heilige plaats heeft ontwijd”. Dat laatste was een vergissing, ze meenden dat Trofimus uit Efese (Turkije) bij die 4 mannen was en dat Paulus deze niet-jood ook in de tempel had gebracht. Te laat. Ondertussen was er weer een hele volksoploop ontstaan. Men sleurde Paulus de tempel uit en men wilde hem doden. De bevelhebber van het Romeinse cohort, die op de hoogte was gebracht, snelde met soldaten en officieren op de groep af en men hield dan op Paulus af te ranselen. De bevelvoerder trad naderbij, nam Paulus gevangen en met twee ketenen geboeid liet hij hem naar de kazerne brengen omdat hij toch niets aan de weet kwam met al dat geschreeuw. We kunnen ons deze situatie vrij goed indenken als terugdenken aan de betogingen vorig jaar in de Pakistaanse steden en elders. Paulus moest zelfs gedragen worden door de soldaten omdat het volk zo naderbij drumde al schreeuwend “Weg met hem!”.
Lees in volgend nummer: “Een preek die niet goed overkwam”
NAAR TOP VAN DOCUMENT
uitzicht - overzicht
onderwerpen - thuispagina - Verwante
links - activiteiten
door :Ben Van Vossel cssr
1 Bovenal bemin één God (4)
4. God
God? Niet meer nodig!
Bestaat God? Een vraag die met alsmaar groter letters geschreven werd naarmate de mensen ‘slimmer’ werden, ik bedoel naargelang de wetenschappen en de technische verwezenlijkingen vooruitgang maakten en naargelang de mens meer en meer de natuur ging beheersen en de indruk kreeg al-machtig te zijn. Als je zelf alles kan en in alles kan voorzien (nou, ja), dan hebt je geen ‘almachtige God’ en goddelijke Voorzienigheid meer nodig. Als aan het begin van alles (of toch van ons heelal) de ‘big bang’ staat, dan hoef je geen beroep meer te doen op een bovennatuurlijke oorzaak van de schepping (hoewel…). Als men je definitief overtuigd heeft van het eindige van je leven (is dat zo Elisabeth Kübler-Ross?), dan hoef je geen god uit te vinden die je toch nog in het bestaan zou houden… En als je alles hebt wat je hartje je ingeeft (ken je je hart wel goed genoeg), waarom zou je dan uitzien naar een God die je kan vervullen?
Objectieve Godsbewijzen?
Als bewijzen van Gods bestaan verwees men vroeger vooral naar tekenen die opvallen als je er tenminste je hart wat voor openstelt. Het zijn uitwendige, zichtbare of minstens mededeelbare tekenen. Zo verwees men naar morele tekenen, fysische wonderen, profetieën en profetische mensen en de zogenaamde grenssituaties.
Bij de “morele tekenen of wonderen” vernoemde men dan:
* het leven en de persoon van Jezus (zijn aandacht voor de kleine, gekwetste, zondige mensen, zijn enorm Godsvertrouwen, het feit dat hij zonden vergaf en er als teken zelfs een mirakel bij plaatste).
* De schoonheid van het christelijk geloof met vooral de naastenliefde en concreet de vergevingsgezindheid die vaak in andere godsdiensten ontbreekt, de optimistische visie omwille van het Godsvertrouwen en de actieve inzet voor een betere wereld.
* Het feit dat ondanks innerlijk verval en uiterlijke aanvallen de Kerk nog steeds bestaat en haar taak blijft vervullen.
* De goede vruchten de heilige Geest die te zien zijn in veel heiligen en vrome christenen (wat niet uitsluit dat Gods Geest ook buiten de Kerk actief is natuurlijk en dat binnen de Kerk ook heel wat zondaars en zwakke mensen zijn).
Bij de “fysische wonderen” verwees men naar de tekenen die Jezus deed en vooral ook naar zijn verrijzenis; daarbuiten zijn er ook - binnen een gelovige kontekst - fysische wonderen die door de wetenschap niet konden verklaard worden (bij zalig- en heiligverklaringen - uitgenomen voor martelaren - vraagt de kerk ook steeds minstens één mirakel als teken).
“Profetische tekenen” liggen wat moeilijker, omdat die vaak nogal onduidelijk zijn of op veel situaties kunnen toegepast worden. Voor wie reeds gelooft zullen wel heel wat gebeurtenissen en woorden uit het Oude Testament duidelijk verwijzen naar Jezus. Verder zijn er natuurlijk heel wat profetische figuren in de Kerk die ons duidelijk maken wat God speciaal verlangt of waartegen Hij ons wil waarschuwen of waar we speciaal op moeten letten : bv. Mother Teresa die respect voor elk leven propageerde, het arme, ongeboren, afgeschreven menselijk leven; ook figuren als Werenfried van Straeten (vergeving en hulp aan gewezen vijanden), kardinal Jozef Cardijn (waardigheid van de jonge arbeider), Dom Helder Camara (respect en gerechtigheid voor de arme) enz…
Vragen rond de grenzen van ons bestaan (“grenssituaties”)
Voor zover mensen vandaag nog tijd nemen om zich die vraag ‘Bestaat God?’ ernstig te stellen, zullen de antwoorden van vroeger hen toch niet meer zo aanspreken. Een antwoord dat ik eens kreeg van een eenvoudige soldaat in het militair hospitaal (tijdens zijn ziekte had hij wat liggen nadenken) :”Er moet toch ‘iets’ zijn, er moet toch Iemand aan de oorsprong van alles zijn; allee, iemand moet toch een gezorgd hebben voor een eerste ei of een eerste kip”. We hebben wel wat gelachen met dat voorbeeld. Hij wou zeggen dat Iemand, een Hogere macht toch aan de oorsprong van alles moest staan. Maar natuurlijk, sedert de evolutieleer zal dat argument al wat minder zwaar doorklinken, al blijft ook dan de vraag gesteld wat er vóór de Big Bang was, vóór het ontstaan van het heelal. Sommige hedendaagse wetenschappers beweren dat ze daar als het ware de oneindigheid raken of dat de orde in de schepping naar God verwijst…
Anderen zagen in het geluksverlangen van de mens een bewijs voor het bestaan van God: ons hart met zijn oneindige verlangens naar geluk is te groot om volledig en definitief met iets of iemand anders vervuld te worden buiten God, de oneindige. Of ook: Waar kom ik vandaan en wat is de toekomst van mijn leven? In mij is er het verlangen om eeuwig te leven. En het verlangen naar gerechtigheid, wordt dat vervuld of zal Hij er in voorzien? Verwijst ook ons geweten niet ergens naar God? Dit alles noemen we vragen rond de grenzen van ons bestaan; weigeren om het bestaan van God aan te nemen laat eigenlijk meer en grotere vraagtekens staan dan het vraagteken bij ‘Bestaat God’?
Misschien dat we bij dit alles niet zozeer moeten spreken over ‘godsbewijzen’ dan wel over ‘verwijzingen’ die aantonen dat het verantwoord is om in God te geloven, zelfs redelijker dan niet te geloven.
Redelijk verantwoord (en zelfs iets meer)
Als besluit van zijn degelijk en verantwoord boek “Bestaat God?” schrijft Hans Küng (ad majorem Dei gloriam!) het volgende: “Na de moeizame gang door de geschiedenis van de moderne tijd sinds Descartes en Pascal, Kant en Hegel, na uitvoerig de godsdienstkritische bezwaren van Feuerbach, Marx en Freud in overweging genomen te hebben, na een serieuze confrontatie met het nihilisme van Nietzsche, in het zoeken daarna naar het fundament van ons fundamentele vertrouwen en het antwoord in het vertrouwen op God, na een vergelijking tenslotte met de alternatieven van de oosterse religies, na in te zijn gegaan op de vraag “Wie is God?” en op de God van Israël en van Jezus Christus: na dit alles zal men begrijpen, waarom nu op de vraag “Bestaat God?” een voor het kritische verstand te verantwoorden, helder, overtuigd ‘ja’ als antwoord kan worden gegeven”.
Persoonlijke tekenen
Sterker dan allerlei ‘godsbewijzen’ of ‘verwijzingen’ worden we soms aangesproken door de gewone catechese en verkondiging en door het persoonlijk getuigenis van mensen die een sterke ervaring meemaken van het bestaan van God. Vooral als dat mensen overkomt die eigenlijk helemaal niet gelovig waren. Zo heb je o.a. het boek van Frossard, “God Bestaat, ik heb Hem ontmoet”. Van het ene moment op het andere gelooft hij, eigenlijk zonder enige aanleiding. Een linksgeoriënteerde, atheïstische intellectueel die plots gelovig wordt en zelfs kerkelijk. In dit geval merk je duidelijk hoe het geloof tenslotte een geschenk is, iets dat we onszelf niet kunnen geven maar waarvoor we ons wel kunnen openstellen.
Zonder God
In het geloofsboek wordt een korte tekst van Dostojewski geciteerd die laat aanvoelen hoe de mensheid zonder God tot een troep ontwortelde weeskinderen wordt die onrustig naar wat genegenheid zoeken: “Als God zal verdwenen zijn en de mensen wezen geworden… zal ook de grote idee van de onsterfelijkheid verdwijnen en moeten vervangen worden. Heel die grote liefdesdrift die zich op het Onsterfelijke had gericht, zal zich nu moeten verplaatsen: op de wereld, op de mensen, op de natuur, ja op elk grassprietje… De mensen zullen zich haasten om elkaar te omhelzen, rennen om iemand lief te kunnen hebben; want ze weten nu dat hun dagen voorbij schieten en dat dit alles is wat hun rest”.
Er is een heel eenvoudig antwoord: God bestaat! En een woord van Jezus uit Mattheüs 10, 29-30 : “Verkoopt men niet twee mussen voor een stuiver? En toch zal buiten de wil van uw Vader niet een mus op de grond vallen. Bij u echter is zelfs ieder haar van uw hoofd geteld. Weest dus niet bevreesd; gij zijt toch meer waard dan een zwerm mussen”.
(Lees in volgend nummer: Eén God)
NAAR TOP VAN DOCUMENT
uitzicht - overzicht
onderwerpen - thuispagina - Verwante
links - activiteiten
4de etappe: De dag begint
door: Ben Van Vossel
Ik heb een bejaarde pater gekend die ’s morgens vroeg in een van de kloostergangen een venster opentrok en dan stond hij daar aan het venster zijn armen uit te slaan als een spiegelbokser. Op zekere morgen vroeg ik hem wat hij daar stond te doen. “Ik probeer aan de weet te komen of ik al dood ben of nog leef”, antwoordde hij me. Wel, laat ons vandaag op onze spirituele tocht ook maar eens een paar voorzichtige stappen zetten die ons ervan bewust maken wat het is: echt te leven!
Wakker worden en opstaan.
Ik weet het, voor sommigen ligt er een hemelbreed verschil tussen het een en het ander. Voor sommigen is het een geweldig probleem om van ‘ontwaken’ over te gaan tot enigszins ‘wakker worden’ en tot daadwerkelijk‘opstaan’. Maar over dat specifieke probleem hebben we het vandaag niet.
Ontwaken kan plots of stilaan gebeuren en we willen het hier toch wel in combinatie zien tot het opstaan.
Want opstaan is een bewuste stap om weer te gaan leven. Ik verontschuldig me bij onze zieke abonnees die vandaag het bed moeten houden of al langer bedlegerig zijn of mensen die met een serieuze handicap zitten. Maar misschien kunnen zij - op aangepaste manier - toch wel een graantje meepikken van deze 4de etappe van onze tocht. Sommige zaken zullen ze meer in gedachte dan metterdaad moeten aanpakken.
Het gebeuren van het ontwaken en het opstaan mogen we symbolisch zien als het ontwaken uit het duister van de dood, een chaos, een onbewuste toestand naar een kosmos, een geordend samenstel toe. Wat lieflijker gezegd zou je het beeld kunnen nemen van het geboren worden vanuit het geborgen maar toch wel onbewuste verblijf in de moederschoot. Dit beeld sluit beter aan bij het beeld van het christelijk slapengaan, waarbij wij ons toevertrouwen aan de vaderlijke of moederlijke omhelzing van Gods liefde die ons omgeeft, die ons draagt en over ons waakt.
We verlaten het bed bewust. Sommigen van ons zitten dan met hun gedachten al op hun werk, of in de drukte van het verkeer, ze beelden zich al een hele reeks problemen in die zich vandaag zouden kunnen voordoen, ze zijn reeds moe en wat depressief omdat het leven niet veel fleuriger is dan de avond daarvoor. Toch staan we op. Bewust leven is ook bewust kunnen opstaan. Een zekere ascese om niet te blijven liggen tenzij ook dat gepland is op een vrije dag enzovoort. Bewust opstaan hoeft geen tijdverlies te betekenen. Laat het ons even proberen.
1 Ik leef! Dankzij God - God zij dank
Christelijke vaders die hun kinderen zomaar aan het eten zagen gaan zonder eerst te bidden, durfden vroeger wel eens zeggen: “Wat nu? Gaan we aan tafel gelijk een hond? Die weet ook niet wat bidden is”. We zullen dat nu wel wat grof vinden. Maar wij willen onze dag niet beginnen alsof we ons er niet van bewust zijn dat we uit Gods hand zijn gekomen en naar Hem toeleven. We willen onze dag niet beginnen alsof we zonder godsdienstige kennis zijn. En daarom willen we - al zijn we nog niet helemaal bij onze positieven - toch reeds buigen voor God. Heel zijn aandacht is bij ons geweest de hele nacht door, en nu is Hij er opnieuw helemaal voor ons. In grote dankbaarheid willen wij ons hart voor Hem openen en onze dag aan Hem toevertrouwen.
Oefening 1: “Ik leef! Dank zij God!”
Ieder heeft daarbij zijn eigen gewoonten en ‘ceremonies’. Zelfs als er een dringend toiletgebeuren aan vooraf gaat - we zijn mens - is het toch goed een kleine ‘ontwakingsceremonie’ te cultiveren. Steek de handen even omhoog, schud ze even. Sla je benen even uit; eens schudden met je rechtervoet even van de grond; even schudden met je linkervoet. Laat je armen hangen naast je lichaam, schud ze even.
Kijk naar het kruisbeeld. Beeld van Gods liefde voor jou. Liefde tot het uiterste. “Heer, voor jou wil ik leven vandaag. Aan U wijd ik mij toe”. Even inademen en je armen omhoog brengen, buigend naar het kruisbeeld even uitademen en de armen naar voor en omlaag brengen. Je hoeft je echt niet te forceren, de bedoeling is niet dat je de grond aanraakt met je vingertoppen, we gaan hier geen records breken. We trachten gewoon wakker te worden en buigen ons voor onze Levensbron, God. ‘Dank U, mijn God, voor het leven’. Leven! Doe dit drie keer: het mysterie van de Ene God in drie Personen, naar zijn beeld zijn wij geschapen. We ademen zijn levensadem in en buigen ons voor Hem, smekend dat we geborgen mogen zijn in zijn liefde. ‘Heer, laat je liefde in mij komen - laat mij in de liefde zijn deze dag’. ‘Heer, laat uw vreugde in mij zijn - en laat ze mij uitdragen naar anderen’. ‘Heer, laat uw heilige Geest in mij zijn, - laat mij leven als uw kind’. In- en uitademen.
Als je fysieke toestand het je niet meer toelaat diep te buigen, steek gewoon je handen tot boven je hoofd terwijl je in je hart een mooie Godsnaam zegt, bijvoorbeeld: “Liefde”. Laat je handen naar voor stilaan naast je lichaam zakken terwijl je in jezelf zegt “Openbaar je aan mij”. Doe het opnieuw: “Liefde” - “Raak mijn hart”. En een derde keer: “Liefde” - “Dank je”.
2 Geroepen om te zegenen
Ik weet me geborgen in de allesomvattende liefde van God. “Als een kind op moeders schoot”, zegt een van de psalmen. Maar ik ben niet enig kind, ik ben kind met nog enkele miljarden andere mensen. En zoals God wil ik me zegenend naar hen keren. Gods zegen over hen afsmeken. Wat een vreugde met zovelen te zijn! Wat een vreugde voor elkaar verantwoordelijk te zijn! Mijn zegening zal zich in mij inprenten en me op het geschikte moment tot concrete daden van inzet brengen om zo Gods zegen mee te voltrekken.
Oefening 2: zegenen!
Als je nog heel even tijd hebt, steek je armen dan vooruit met je handpalmen naar voor gekeerd in een zegenend gebaar (als in Jezus gedoopte ben je lid van het priesterlijk volk), keer je naar het Oosten, waar de zon opgaat en zeg: “Heer, zegen de landen, de volkeren, de mensen die in het Oosten wonen, schenk hen uw liefde”. Keer je wat naar rechts: “Heer zegen de landen, volkeren en mensen uit het Zuiden, breng licht in hun leven”. Weer een kwartdraai: “Vader, zegen de landen, de volkeren, de mensen uit het Westen, dat ze U kennen, de enig waarachtige God en Hem die Gij gezonden hebt: Jezus Christus”. En nog een kleine draai: “Heer, zegen allen die in het Noorden wonen, laat hen uw goedheid ondervinden zodat ze U vereren, U, die liefde bent”. Buig nog even langzaam voor het kruisbeeld, het teken van Gods onbegrijpelijke liefde (“Zozeer heeft Hij de wereld liefgehad dat Hij zijn Eniggeboren Zoon heeft gegeven, niet om de wereld te oordelen maar opdat de wereld zou worden gered”). Hij is de bron van alle zegen.
3 Je mooi maken voor God…
Ik wil vandaag in het verlangen zijn van God. Ik wil me mooi maken voor Hem. Uiterlijk en innerlijk. Ik wil me mooi maken voor zijn kinderen, uiterlijk, maar ook door mijn christelijke deugden, vooral door de liefde voor die medemensen die God vandaag op mijn weg brengt.
Oefening 3: me mooi maken...
Ga je nu wat verder tot mens maken. Laat het water je verfrissen en je verder helpen om je bewust te worden van het leven en de nieuwe dag die jou geschonken wordt. Dank voor het water dat je weer tot leven opwekt vanuit de duisternis van de nacht; dank voor de doop die je heeft opgericht uit de onwetendheid en de doodsslaap van God niet te kennen en niet van Hem te houden naar een leven toe als kind van God. Wat een vreugde aan God toe te behoren. Wat een vreugde je aan Hem toe te vertrouwen. Wat een vreugde door Hem gezonden te worden in deze nieuwe dag. Een fantastische dag wordt het! Leven voor Gods aangezicht! Heel deze dag.
Maak je mooi voor God. Wat make-up, niet overdreven, je haar (of wat er van rest), gepoetste tanden maken lachen gemakkelijker (trek gerust wat plezierige snoeten in de spiegel; God houdt van wat humor), verzorg je kleding. Mooi zijn voor God en voor je omgeving; je mag het kind van God dat jij bent niet verwaarlozen.
4 Vreugde cultiveren
Je voelt je goed? Je voelt je rot? Paulus heeft ergens zo’n uitspraak die soms wat ongepast lijkt: “Verheugt u in de Heer te allen tijde. Nog eens: verheugt u! Uw vriendelijkheid moet bij alle mensen bekend zijn. De Heer is nabij. Weest onbezorgd. Laat al uw wensen bij God bekend worden in gebed en smeking, en nooit zonder dankzegging. En de vrede van God, die alle begrip te boven gaat, zal uw harten en uw gedachten behoeden in Christus Jezus” (Filippenzen 4,4-7). De diepe bron en motivatie van de christelijke vreugde is de nabijheid van de Heer. We hadden het er over in onze vorige nummers: God is ons nabij, God verblijft in ons en wij mogen in Hem verblijven. Het komt er op aan dit deugddoende christelijk mysterie binnen te groeien door de praktijk van het dagelijks gebed. Je kan bidden terwijl je onderweg bent vandaag. Niemand ziet het, niemand hoort het, niemand merkt het. Maar jij leeft vanuit de diepste relatie die een mens kan hebben: de relatie met zijn Schepper en Heer, met de Vader, met Jezus, met de heilige Geest. Verheug je. Vreugde schept vreugde rondom. En waarschijnlijk heeft God ook liever dat zijn kinderen er blij uitzien. Meen je niet?
Oefening 4 : Vreugde uitstralen!
Ken je een vrolijk loflied? Wil het dan neuriën of zachtjes zingen als je daarmee je omgeving niet zenuwachtig maakt. “God, ik dank U dat ik mag leven. Dank U voor deze nieuwe dag. Help me wat aandacht te hebben voor mijn huisgenoten. Leg nieuwe vreugde in mijn hart. Laat de vrede me vandaag niet verlaten, ook niet als het wat tegengaat, als er een verkeerd woord valt. Gij houdt van mij, laat me niet bij het minste uit mijn evenwicht zijn. Gij zijt mijn Vader”.
Pater Marcel Weemaes zette ooit een mooie melodie bij de tekst van de ‘Primen’, het eerste van de ‘kleine uren’ van het vroegere Getijdengebed:
“Word wakker, mijn lofzang, harp en citer, ontwaak,
ik wil het morgenrood wekken. Alleluia.”
Dansen voor God: Als je wat eleganter bent aangelegd, kan je misschien ook een christelijke dansceremonie inlassen. Ik bedoel daarmee gewoon een paar danspassen maken om de vreugde en dankbaarheid van je hart uit te drukken: een kleine dans voor God, ook al zijn het nog erg houterige bewegingen, zo vlug na het opstaan.
Je logboek
In een korte zin kan je noteren of jouw vernieuwd opstaan enig verschil heeft betekend voor jouw op weg gaan in deze dag. Heb je enige positieve vrucht ervaren? Hoe lang heeft het geduurd? Geef het niet op als je echt niets mocht ervaren. Treed na elke nacht bewust in het leven. Begeef je op weg in de liefdevolle aandacht van de ‘God van Liefde’ die zijn beeld in jou heeft afgedrukt, naar wie jij geschapen bent en die in het diepste van jezelf aanwezig is.
Oefen je de volgende dagen nog wat in een bewuste manier van opstaan. Tracht je leven in de juiste verhoudingen te zetten: vreugde om het leven, dankbaarheid naar God toe, liefde voor je medemensen.
INHOUD - ACTIVITEITEN - NIEUW - KINDEREN - BIJBEL - DIAPRESENTATIES - GEBEDSGROEP - PARAY L.M. - MARIA-KEFAS - PREKEN - REDEMPTORISTEN - THUISPAGINA - NADENKERTJES - NUMMERS - LITURGIE - ROEPING - GEZIN - JONGEREN - GETUIGENISSEN - ETHIEK - HAHAHA - BOEKEN - MARIA - VORMING - ZENDING - KERK - CHRISTEN - UITZICHT - INFO - MEDIA - GEZONDHEID - SPIRITUALITEIT - PINKSTERSPIRITUALITEIT - VERHALEN - KUNST - BEZINNINGEN -