GELOOF EN LEVEN
JAAR 2001 nr. 3
Jaargang 105 nr 3 (juli -
augustus - september 2001)
INHOUD
(Onderlijnd = opgenomen op deze
pagina)
Drievuldigheidsicoon
/ Roeblev
red.
Een
spirituele tocht (2)
B.Van Vossel cssr
Een
notitie omtrent Simon van Cyrene / naar Messori
Gerardus
(17) Blijf altijd bij ons
G. Dewilde cssr
Paulus
(15) 3de missietocht (3)
Ben Van Vossel cssr
5
Redemptoristen zalig verklaard
red.
2
Redemptoristen kardinaal
red.
De
Decaloog (2) God beminnen (2) B.Van Vossel cssr
Marcel
Van, jonge Viëtnamees
naar Feu et Lumière
De
eerste missievlucht naar Kongo (8) Joz.
Boon cssr
Katech.Kath. Kerk (17) Jezus B.Van
Vossel
Qumrân
(1)
B.Van Vossel cssr
Getuigenis
(Gastvrijheid)
Andrea VanBraeckel (mkg)
Getuigenis
(Psalmgebed)
Magda De Wilde (mkg)
Christelijke
kunst in Irak
Vincent Van Vossel cssr
Klemens
Hofbauer (3) Dromen en nachtmerries
Ives De Mey cssr
Boekbespreking (Iny Driessen, Wat ben je mooi mijn lief; Mark Eyskens, Leven in tijden van Godsverduistering; Jean Lafrance, Volharden in gebed) (zie onze pagina met boekbesprekingen)
INHOUD - ACTIVITEITEN - NIEUW - KINDEREN - BIJBEL - DIAPRESENTATIES - GEBEDSGROEP - PARAY L.M. - MARIA-KEFAS - PREKEN - REDEMPTORISTEN - THUISPAGINA - NADENKERTJES - NUMMERS - LITURGIE - ROEPING - GEZIN - JONGEREN - GETUIGENISSEN - ETHIEK - HAHAHA - BOEKEN - MARIA - VORMING - ZENDING - KERK - CHRISTEN - UITZICHT - INFO - MEDIA - GEZONDHEID - SPIRITUALITEIT - PINKSTERSPIRITUALITEIT - VERHALEN - KUNST - BEZINNINGEN -
DE DRIEVULDIGHEIDSICOON VAN ROEBLEV
|
Dri
Drievuldigheidsicoon van de russische monnik Roeblov |
God wordt gastheer
Over deze icoon wordt op verschillende manieren gesproken, worden ook
elkaar tegensprekende verklaringen gegeven.
Dat is niet erg. Ik wil je
gewoon meedelen wat ikzelf ooit hoorde in Paray-le-Monial van iemand van de
Emmanuelgemeenschap en wat me toen zeer heeft aangesproken.
De Drievuldigheidsikoon uit de Oosterse Kerk is geïnspireerd op het
Bijbelse verhaal van Abraham die drie mannen op bezoek krijgt, Jahwe,vergezeld
van nog twee engelen. Hij zet hen
een smakelijke maaltijd voor en blijft rechtstaand met vreugde kijken hoe ze
zich te goed doen aan het maal. Abraham krijgt dan de belofte dat zijn bejaarde en
onvruchtbare vrouw, Sara, een jaar later een zoon zal hebben. Dit verhaal, dat ook in de Romeinse literatuur is terecht
gekomen (cfr. het verhaal van Filemon en Bauchis bij de dichter Ovidius) werd
voor de Oosterse tak van de christenen een beeld van de Drieëne God.
Zo werd het hier afgebeeld door de monnik Roeblev.
Abraham en Sara komen er niet meer aan te pas.
Maar vooraan is er plaats gelaten voor jou, voor ons.
God richt een gastmaal aan. Hij
nodigt ons uit aan zijn tafel.
Eén God
Het is opvallend dat de 3 figuren in feite zeer op elkaar lijken,
hetzelfde kapsel, alledrie hebben ze vleugels als teken van hun geestelijk
bestaan en hun verlangen om tot de mens te komen, ze hebben ongeveer dezelfde
houding en alle drie dragen ze een scepter in de rechterhand als teken van hun
Heer-zijn. Boven ieder van de
figuren staat een symbool, dat ons wat kan inspireren.
Vader
Links staat de Vader afgebeeld met achter zich het huis (‘in het huis
van mijn Vader zijn veel woningen’), het huis van de barmhartige Vader waar we
steeds welkom zijn. God heet ons
welkom in zijn huis, het eeuwig vaderhuis.
Zoon
In het midden bevindt zich Jezus Christus, de mensgeworden Zoon van God.
Wie Mij ziet, ziet de Vader. En
zo is het ook: als je Jezus in de ogen ziet, zie je hoe zijn blik gericht is op
de Vader, en dit is ook wederzijds. Achter
de figuur van de Zoon bevindt zich een boom;
een overblijfsel van de eik van Mamre waaronder Abraham de 3 mannen
ontving. Voor ons kan die boom doorgaan voor de levensboom uit het
aards paradijs die voor ons de kruisboom is waaraan Jezus stierf en voor ons
inderdaad tot levensboom werd. De hand van Jezus, die het duidelijkst een
(priester-)stola draagt, rust op de tafel, een zegeninggebaar van de
hogepriester over de gaven op de tafel; die tafel is in feite een altaar
geworden (vooraan bevindt zich een inlegstukje voor de relieken van de
martelaars), de tafel van het laatste Avondmaal.
... en Geest
Rechts zit dan de heilige Geest. Boven
deze figuur staat een soort van windvlaag afgebeeld: Hij is de onzichtbaar
werkzame, vuur, wind. Je ziet Hem
niet, maar je merkt het als Hij aan het werk is geweest.
Het blauw van de mantel van de Jezusfiguur (in het midden) loopt verder
in overvloed naar de heilige Geest (rechts) en zo naar ons toe.
“Op de laatste en grootste dag van het (loofhutten-)feest stond Jezus
daar (terwijl de hogepriester een grote kruik water uit de Siloambron uitgoot
rechts in de tempel om terug te denken aan de tempelbron, die vruchtbaarheid zou
geven aan het land, zo lezen we in Ezekiël 47)
en riep met luider stem: ‘Als iemand dorst heeft, hij kome tot Mij; wie
in Mij gelooft, hij drinke! Zoals de Schrift zegt: ‘Stromen van levend water
zullen uit zijn binnenste vloeien. ‘’ Hiermee doelde Hij op de Geest, die
zij, die in Hem geloofden, zouden ontvangen” (Johannes 7,37-39).
Het gastmaal
Op de tafel staat de kelk, de beker van het nieuwe Verbond.
De binnenlijn van de figuren van Vader en heilige Geest vormen ook een
grote kelk en in die kelk bevindt zich Jezus, de Zoon van God;
Hij is het grote geschenk van God aan ons.
De eenheid tussen de drie figuren is zo groot dat de zending van de Zoon
een gezamenlijke beslissing is. De
figuur van de heilige Geest laat de vinger rusten op de tafel.
Hij is de kracht van God, maar Jezus noemt Hem ook ‘de vinger Gods’
(Exodus 31,18; Lucas 11,20). Door
Hem wordt alles geheiligd, ook de gaven in de Eucharistieviering.
Daarom wordt - althans in goede teksten van de liturgie - de heilige
Geest aanroepen, we noemen dat ‘de epiclese’.
“Zend over dit brood en deze wijn de kracht van de heilige Geest, opdat
ze voor ons geheiligd worden tot Lichaam en Bloed van uw veelgeliefde Zoon,
Jezus Christus”. Kom dan tot het
heilig Gastmaal waartoe de Drieëne God je uitnodigt, het eeuwig gastmaal van
zijn Liefde en vriendschap waarin je geborgen mag zijn, en het gastmaal van het
Lichaam en Bloed van de mensgeworden Zoon van God.
NAAR TOP VAN DOCUMENT
uitzicht - overzicht
onderwerpen - thuispagina - Verwante
links - activiteiten
Door: Ben Van Vossel cssr
2de etappe: “Bewoond door God”
Vooraf: ‘Geschapen naar het beeld van God’ houdt je levensroeping in
dat je groeit naar een levenseenheid met God.
Jouw leven heeft als innerlijke streving een ‘gewijde’ geschiedenis
te worden. Eigenlijk ga je als
‘gelovig’ mens beseffen dat je mag leven om de droom die God over jou had te
realiseren. Dat is geen
determinisme, dat is gaan leven volgens de innerlijke richting van jouw bestaan.
Het begint allemaal met die heilswil van God uit Genesis 1,26: “Nu gaan
we de mens maken, als beeld van Ons, op Ons gelijkend”.
Er zijn tegenwoordig wel christenen die zich hebben begeven op een weg
van het zenboeddhisme en die uit het ‘zazen’ of Zenmeditatie (het
geconcentreerd trachten leeg te komen van alles wat ook maar enigszins kan
afleiden terwijl men hierbij een woord of zin (mantra) herhaalt op het ritme van
de ademhaling) veel rust en verdieping putten. In nogal wat abdijen is men die vorm ook gaan toepassen en
propageren en ik vermoed dat men daar een bepaalde weg van innerlijke verrijking
en verdieping bewandelt. Een
bepaalde vorm van meditatie is men ‘christelijke meditatie’ gaan noemen, om
het onderscheid te maken met Zenmeditatie, maar waarbij men wel heel wat
elementen van de Zenmeditatie aanwendt. Men
had een andere benaming moeten nemen, vind ik,
omdat er heel wat andere vormen van christelijke meditatie en
contemplatie bestaan. Als christen
komen we bij de praktijk van het ‘zazen’
immers niet in een leegte terecht, nooit. Diep in onszelf, dieper dan een gecontroleerde ademhaling,
een mantra en wierookstokjes ons kunnen brengen,
dieper dan onze genen of het sterrenstof van de Big Bang, komen we
terecht bij de aanwezigheid van de Drieëne God, ‘die zich laat vinden als wij
Hem zoeken, als wij Hem zoeken met heel ons hart’. In de kern van ons wezen heeft Hij zich uitgedrukt.
Inderdaad, jij bent beeld van God. In
het diepste van jouw wezen wordt er Liefde uitgeademd door de heilige Geest,
klinkt de stem van de Vader ‘Gij zijt mijn Zoon, mijn veelgeliefde’ en bidt
Jezus ‘Abba, Vader’. Mensen
zijn bewoonde wezens. Tot het
bestaan gekomen volgens Gods verlangen en geschapen naar zijn Beeld en
gelijkenis lopen zij niet met een onbestemde leegte in hun hart, in hun diepste
wezen, maar met de aanwezigheid van Vader, Zoon en Geest.
De bestemming van jouw diepste diepte is woning te zijn van God en die
plaats is reeds door Hem ingenomen van bij je ontvangenis, van voor je geboorte.
Bij je doop is die inbeslagname expliciet geworden, als een soort van
intronisatie...
2de Pleisterplaats (of 2de oefening) : De Drieëne God
Bewust heb je je begeven naar deze pleisterplaats waar je je op dit
ogenblik bevindt. Wat dacht je hier
te vinden? Wat rust?
Wat vrede? Je zal die hier
inderdaad vinden. Niet omdat deze
plaats je zo aanstaat, niet omdat je je zo goed voelt als je hier in de rust
komt. De echte vrede vind je omdat
je hier de Heer mag ontmoeten, de Bron van jouw bestaan, jouw toekomst, jouw
heil. Jouw heil ligt in Hem.
En Hij, Hij woont in jou.
Zet je gemakkelijk. Adem
rustig. Indien je de afbeelding
hebt van de icoon van de heilige Drievuldigheid, geschilderd door de Russische
monnik Roeblev, zet ze dan voor jou (je vindt die afbeelding op de voorpagina
van dit nummer van ‘Geloof en Leven’).
Buig voor de icoon, dat wil zeggen voor wat daar door menselijke kunst na
lange meditatie afgebeeld staat : Vader, Zoon en heilige Geest in wederzijdse
liefdesrelatie, wederzijds toegewend naar elkaar binnen het mysterie van de Ene
God in Wie wij geloven. Hij staat
ook helemaal toegewend naar ons, naar jou, zoals je je nu voor deze icoon
bevindt. Nadat je de icoon begroet
hebt, een heilige afbeelding van de liefdevolle God, sluit je ogen en richt je
aandacht op dat diepe mysterie in jouw hart, in jouw diepste wezen: Vader - Zoon
- heilige Geest. Concentreer je op
je ademhaling, vooral je uitademing; adem wat dieper uit dan naar gewoonte (als
je harttoestand dat toelaat).
Als je het lied kent van Elly en Rikkert kan je dat even zingen; anders
bidt je langzaam de woorden:
1 Ik aanbid U, Here, mijn God. Ik
aanbid U, Here, mijn God.
U bent een machtig Koning, een
machtig Koning:
woon in mijn hart (woon in mijn hart).
2 Ik aanbid U, Jezus, mijn Heer. Ik
aanbid U, Jezus, mijn Heer,
uw Naam is zoet als honing, zo zoet als honing:
woon in mijn hart (woon in mijn hart).
3 Ik aanbid U, Heilige Geest. Ik
aanbid U, Heilige Geest,
O maak in mij, uw woning, in mij uw woning:
woon in mijn hart (woon in mijn hart). (T+M: Elly en Rikkert)
1.1 Nogmaals ‘Abba’
Zeg opnieuw met je innerlijk: “Abba, Vader”. Laat Jezus het
in jou bidden. Vraag de heilige
Geest dat Hij het in jou bidt: “Abba, Vader”.
Je bent kind van God. Blijf
tijdens de volgende beschouwingen in- en uitademen “Abba - Vader.
Hij is vlakbij jou, Hij is in jou. Je
bent in Hem geborgen als in de moederschoot.
Veilig zoals een kind in de armen van een liefdevolle vader.
“Al zou een moeder haar kind vergeten, Ik vergeet jou nooit”.
“Ik heb jou gemaakt, omdat ik van je hield, van alle eeuwigheid”.
Jouw identiteit, jouw diepste identiteit is dat je kind van God bent,
zoon of dochter van de Allerhoogste. “Vader,
ik bemin U, ‘k leg mijn leven voor U, ik bemin U”.
Neem rustig je tijd om opnieuw bij de Vader te zijn.
Dank Hem voor zijn liefde voor jou.
Hier is je echte thuis. Zoek
geen omwegen langs allerlei mantra’s. Kom
gewoon bij Hem thuis. “Abba-Vader”.
“Jij bent mijn God, ik ben jouw kind”.
2.2 ‘Jesjoea’
We zitten hier op dezelfde pleisterplaats (maar misschien ’s
anderendaags of een van de volgende dagen).
Deze pleisterplaats mag ook een ontmoeting zijn met de Zoon, het Woord
van God, mensgeworden in Jezus Christus, de Redder van de wereld.
Je hoeft je niet op te zadelen met geleerde theologische vraagstukken,
treedt gewoon in in dat diep-christelijke mysterie: dat Jezus ook in jou
aanwezig is.
“Ik sta aan de deur en klop. Als iemand mijn stem hoort en de deur
opent, zal Ik bij Hem binnenkomen en maaltijd met Hem houden en hij met Mij”
(Apocalyps 3,20). En in Joh. 14,23
lezen we:
“Als iemand Mij liefheeft, zal hij mijn woord onderhouden, mijn Vader
zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en verblijf bij hem nemen”
“Daarom buig ik mijn knieën voor de Vader, naar wie alle vaderschap.
in de hemel en op aarde genoemd wordt: moge Hij u in zijn onmetelijke
heerlijkheid geven dat uw diepste wezen machtig door zijn Geest wordt gesterkt,
dat Christus door het geloof woont in uw hart en dat gij in de liefde geworteld
en gegrondvest blijft” (Efesiërs 3, 14-17).
Laat nu je uitademing innig en met groot vertrouwen Jezus’ naam
uitzeggen : “Jezus”. Jesjoea
betekent: ‘De Heer is redder’. Of
bij je inademing bid je “Heer Jezus, Zoon van God”, en bij je uitademing:
“Ontferm U over mij”. Bid met
je ademhaling, bid vooral met je hart.
2.3 ‘Heilige Geest’: Vertrooster, Helper, Adem Gods
Diezelfde pleisterplaats “De Drieëne God” nodigt ook uit tot een
ontmoeting met de Heilige Geest. Je
kan aan deze oefening je gebedstijd besteden gedurende enige dagen.
Het legt ook een gezonde basis voor onze verdere spirituele tocht.
Als je de Drievuldigheidsicoon van Roeblev nog voor je hebt staan, zie
je rechts die figuur waar het blauw als het ware afdruipt, het levende water, de
vinger Gods, de stille kracht. In
de diepste kern van je wezen als mens, ben je bewoond door de heilige Geest.
“Gij weet het, uw lichaam is een tempel van de heilige Geest, die in u
woont, die gij van God hebt ontvangen” (1 Kor. 6,19).
In onze doop, toen we aan Jezus werden toevertrouwd en zo aan de Vader,
is Gods Geest over ons gekomen op een vernieuwde wijze.
Jezus heeft beloofd dat de Geest over ons zou komen.
Het zijn zulke mooie woorden die over de heilige Geest gezegd worden in
de Bijbel, het woord van God.
“… de Helper, de heilige Geest, die de Vader in mijn Naam zal
zenden, Hij zal u alles leren en u alles in herinnering brengen wat Ik u gezegd
heb” (Joh. 14,26). Heilige Geest,
breng me Jezus’ woorden in herinnering; leg in mijn hart wat Hij me zou willen
zeggen op elk moment.
“Evenzo komt de Geest onze zwakheid te hulp. Want wij weten niet eens
hoe wij behoren te bidden, maar de Geest zelf pleit voor ons met
onuitsprekelijke verzuchtingen. En Hij die de harten doorgrondt, weet waar de
Geest op zint, want Hij pleit voor de heiligen naar Gods bedoeling” (Rom.
8,26-27). Heilige Geest, bid Gij in
mij. Help mij luisteren, help mij
spreken in de relatie tot God, mijn Vader, in de relatie tot Jezus, mijn Heer.
“De Geest zelf bevestigt het getuigenis van onze geest, dat wij
kinderen zijn van God” (Rom. 8,16).
In het mysterie van de Drieëne God is de Geest ook een persoon.
We mogen ons tot Hem wenden. Doe
het opnieuw met diepe aandacht. Adem
uit en zeg innerlijk: “Heilige Geest, Helper”.
Heilige Geest, Vertrooster”. Heilige
Geest, bid in mij. Heilige Geest,
voer me tot de Vader. Heilige
Geest, leg Jezus’ naam in mijn hart. En
vele andere aanroepingen. Zoek die
er een uit die jou het meeste aanspreekt. En
blijf die herhalen. Een hele tijd. Laat het uit je hart komen. Laat het tot in je hart komen, tot in je diepste wezen.
“Geest van de Vader, Geest van Jezus, leef in mij, bid in mij”.
“Heilige Geest, ik aanbid U, ‘k leg mijn leven voor U.
Ik bemin U”. “Heilige Geest, maak in mij uw woning. Woon in mijn hart”. “Heilige
Geest, leid mij”. “Heilige
Geest, maak mij attent voor uw wenken”.“Heilige Geest,
ik wil U gehoorzamen”. Surf
niet van de ene aanroeping naar de andere. Blijf bij één aanroeping gedurende
uw gebedstijd. De volgende dag kan
je dan eens een andere nemen.
Je logboek.
Vul opnieuw je logboek in. Hoe
was ik voordat ik op deze pleisterplaats kwam?
Hoe voel ik me nu (innerlijk)? Wat
heb ik ervaren? Wat neem ik mee vanuit deze pleisterplaats voor het vervolg van
mijn levenstocht morgen en de volgende dagen?
Laat je niet ontmoedigen als alles nog wat moeilijk gaat.
Verstrooidheden? Leg die gewoon neer en ga verder met ademhalen en het woord
te zeggen, de korte zin waarmee deze pleisterplaats tot een gezegende plaats
wordt voor jou.
Besluit bij onze twee eerste etappes:
Wat je gedurende deze etappes aan inzicht kreeg, moet door lang
verwijlen op de pleisterplaats tot een habitude worden, iets dat je eigen wordt.
In dit geval: het op weg gaan vanuit het diepe besef (dat voortdurend mag
doorbreken) dat je gedragen wordt door een liefdevolle God, wiens kind je bent.
Nooit is zijn aandacht weg van jou.
Hij betrekt jou zelfs in zijn eigen leven, in die liefdevolle relatie
tussen Vader, Zoon en Geest. Zo is
Hij in jou aanwezig. Met elk van
die goddelijke Personen mag je in relatie komen.
Het wordt de diepste kracht en energiebron van jouw leven.
Nergens anders ben je zo thuis. Laat
het jouw bewustzijn doordringen, jouw rusten en op weg zijn, jouw relaties en
jouw werk. Spreek met God over wat je meemaakt, over wat je dwarszit,
over wat je blij maakt. Word niet
hoogmoedig door het nieuwe dat je wellicht zo blij maakt.
Luister naar Jezus’ woord: “Ik prijs U, Vader, Heer van hemel en
aarde, omdat Gij deze dingen verborgen gehouden hebt voor wijzen en
verstandigen, maar ze heb geopenbaard aan kleinen.
Ja, Vader, zo heeft het U behaagd” (Mt.25-26).
NAAR TOP VAN DOCUMENT
uitzicht - overzicht
onderwerpen - thuispagina - Verwante
links - activiteiten
EEN
NOTITIE OMTRENT SIMON VAN CYRENE
naar een notitie uit het boek van Vittorio Messori,
Hypothèses sur Jésus.
Et vous, qui dites-vous que je suis? p.192. Zie onze boekbespreking
In de drie eerste evangelies (Mattheüs, Marcus en Lucas, de zogenaamde
Synoptische evangelies) is er tijdens de passie van Jezus sprake van een zekere
Simon van Cyrene die door de soldaten gedwongen wordt om het kruis van Jezus te
dragen.
“Toen ze de stad uitgingen ontmoetten ze een Cyreneeër, Simon genaamd
en vorderden hem tot het dragen van Jezus’ kruis” (Matt.27,32).
Bij Lucas klinkt het zo: “Toen zij Hem wegvoerden, hielden zij een
zekere Simon aan, een man uit Cyrene, die van het veld kwam: hem belaadden ze
met het kruis om achter Jezus aan te dragen” (Lucas 23,26).
De naam van deze toevallige voorbijganger, een man die achteloos van
zijn veld komt, is op die manier in de Bijbel beland. Een kleine anekdote om het lijdensverhaal wat op te smukken
en wat concreet te maken? Een mooie
legende zoals die rond Veronica, die het aangezicht van Jezus afdroogt, zodat
men kan aantonen dat zowel een man als een vrouw vol mededogen waren met de
lijdende Jezus? Marcus echter voegt
er een opvallend detail aan toe: “Zij vorderden een voorbijganger die van het
veld kwam, Simon van Cyrene, de vader van Alexander en Rufus, tot het dragen van
het kruis” (Marcus 15,21). Blijkbaar
zijn Alexander en Rufus voor Marcus (of voor de eerste christelijke predikanten
die dit detail hebben doorgegeven) geen onbekenden; je zou zelfs veronderstellen
dat ze zelf later deel zijn gaan uitmaken van de eerste christengemeenschap.
In dit verband is het wellicht goed om met open geest even stil te staan
bij de bevindingen van een archeologische opgraving in 1962 in de Kedronvallei,
vlakbij Jeruzalem. Op een
begraafplaats van notabelen legde professor Jukenik daar een familiegraf bloot
uit de tijd van Jezus. De
opschriften vermelden - naast de namen van andere verwanten - een
‘Alexandrina, dochter van Simon’ en van een ‘Alexander van Cyrene’.
Volgens Dan Barag is het natuurlijk altijd mogelijk dat het hier gaat om
een toevallige coïncidentie, maar een eenvoudiger besluit is dat heel de
omgeving van deze opschriften bijzonder verwijzen naar deze Simon van Cyrene, de
vader van Alexander en Rufus waarover Marcus spreekt.
NAAR TOP VAN DOCUMENT
uitzicht - overzicht
onderwerpen - thuispagina - Verwante
links - activiteiten
PAULUS (15)
DE DERDE MISSIETOCHT (3)
In de clinch met zilveren Artemis
door : Ben Van Vossel cssr
Demetrius en zijn Artemiszaak
Paulus wou dus richting Jeruzalem en had Timoteüs en Erastus al voorop
gestuurd naar Macedonië. Zelf
bleef hij nog wat in Efese. Maar nu
ontstaat er grote opschudding rond “de Weg”, de christelijke leer die Paulus
verkondigde. Een zilversmid,
Demetrius neemt daarbij het voortouw. Je
kan je natuurlijk wel inbeelden dat, als Paulus in zijn toespraken voortdurend
ten strijde trekt tegen tovenarij en afgoderij, dat dit niet in de smaak viel
van iemand als Demetrius die van de verkoop van zilveren Artemistempeltjes moest
leven. Hij riep de vaklui bijeen
die in soortgelijke bedrijven werkten en deed hun inzien dat Paulus hun welvaart
in gevaar bracht, bovendien, zo zei hij, heeft die Paulus in heel Asia (=
klein-Azië) veel mensen weten om te praten door te zeggen “Goden die door
mensenhanden gemaakt worden zijn geen goden”.
Naast ons persoonlijk probleem wordt zo de “grote godin Artemis van
haar grootheid beroofd”. Er komt
een volksopstootje waarvan de strijdkreet in heel de stad weerklinkt:
‘Groot is de Artemis van de Efesiërs! ‘
Een paar van Paulus’ reisgezellen, Gaius en Aristarchus wordt naar het
theater gesleurd. (Het is opvallend
hoeveel medewerkers Paulus rond zich wist te verzamelen tijdens zijn reizen).
Een Oosterse volksvergadering
Paulus wil absoluut ook naar die volksvergadering.
De leerlingen die hij onderrichtte laten hem echter niet gaan en een paar
vrienden van ter plaatse sturen hem een waarschuwing.
Ondertussen is het daar in het theater een verwarring van jewelste.
Tot een paar Joden de stadsschrijver, Alexander, kort op de hoogte
brengen en hem naar voor duwen om de zaak wat in handen te nemen.
Alexander wil dat wel doen, maar zo gauw hij het woord wil nemen en de
menigte bemerkt dat hij een Jood is beginnen ze ze te schreeuwen: “Groot is de
Artemis van de Efesiërs”. Twee uur lang staan ze dat te scanderen.
Als ze wat schor beginnen worden krijgt de stadsschrijver ze toch wat tot
bedaren. “Efesiërs, de hele
wereld weet natuurlijk dat de stad Efese de behoedster is van de tempel van de
grote Artemis en van haar uit de hemel gevallen beeld? Omdat dit niet te
bestrijden valt, moet ge u rustig houden en niets voorbarigs ondernemen. Ge hebt
deze mannen hier gebracht, ofschoon ze geen tempelschenners zijn en evenmin onze
godin gelasterd hebben. Als Demetrius en zijn vakgenoten dus een aanklacht tegen
iemand hebben, okay: er worden rechtzittingen gehouden en er zijn proconsuls;
laten beide partijen daar hun aanklacht indienen. Gaat uw eis nog verder, dan
zal daarover in de wettige volksvergadering worden beslist. Wij lopen toch al
gevaar van oproer beschuldigd te worden wegens die oploop van vandaag, waarvoor
geen enkele reden bestond en die wij niet kunnen verantwoorden”. Blijkbaar
bekoelde die ingehouden dreiging de gemoederen zodanig dat Alexander na deze
woorden de volksvergadering gewoon kon ontbinden (Handelingen 19,35-40).
En daarmee was deze zaak dan weer beklonken.
Afscheid van Efese
Paulus roept zijn leerlingen nog eens bijeen en houdt nog een vurige
toespraak. Hij neemt dan afscheid
van de christenen van Efese en gaat op reis naar Macedonië.
Daar bemoedigt hij de verspreide christenen en komt dan aan in
Griekenland waar hij drie maanden verblijft om dan daarna per boot naar Syrië
te vertrekken. Men verneemt echter
dat een paar Joden een aanslag beramen op hem en daarom reist hij terug over
Macedonië.
De vrienden
Opnieuw valt het op dat Paulus een heleboel vrienden heeft die hem
vergezellen naar Asia: Erastus en natuurlijk Timoteüs, Sopater uit Berea, zoon
van Pyrrus, twee mannen uit Tessalonica, Aristarchus en Secundus, Gajus uit
Derbek en ook Tychicus (die nogal eens als brievenbesteller optrad;
waarschijnlijk een jongeman die graag reisde) en Trofimus, beiden uit Asia.
Die vrienden reizen vooruit. Paulus
en Lucas zullen eerst nog Pasen (de dagen van de ongedesemde broden) nvieren in
Filippi; met een zeilschip komen ze 5 dagen later bij de rest van hun gezelschap
in Troas aan. Daar blijven ze een
week.
Een Eucharistieviering om niet te vergeten
Daar doet zich nog een eigenaardig iets voor tijdens een avondlijke
Eucharistieviering. We laten Lucas
aan het woord: “Toen we op de eerste dag der week (= zondag, de dag van de
verrijzenis van de Heer Jezus) bijeengekomen waren voor het breken van het
brood, voerde Paulus, die van plan was de volgende dag te vertrekken, tot diep
in de nacht tot hen het woord. Er brandden talrijke lampen in de bovenzaal waar
wij vergaderd waren. Een jonge man, Eutychus, zat in het venster en werd tijdens
Paulus ‘ langdurige toespraak door een onweerstaanbare slaap bevangen.
Overmand door de slaap stortte hij van de derde verdieping naar beneden en werd
dood opgenomen. Maar Paulus kwam naar beneden, strekte zich over hem uit, sloeg
zijn armen om hem heen en zei: ‘Weest niet ongerust, want er is leven in
hem.’ Hij ging weer naar boven,
brak het brood, at ervan en na nog geruime tijd het woord gevoerd te hebben ging
hij heen. De jongen bracht men levend binnen, waardoor ze niet weinig getroost
werden” (Handelingen 20,7-12).
In dit stukje valt het op dat de christenen dus reeds samen kwamen op
zondag, de eerste dag van de week, de dag van de verrijzenis van de Heer.
Bij het breken van het brood komt ook een - in dit geval vrij lange -
woorddienst; het is een feestelijk samenkomen, met talrijke brandende lampen.
En dan zien we Paulus ook optreden als genezer en met het charisme van
het geloof dat bergen verzet. Dit
gebeuren zal wel een sterke bemoediging geweest zijn voor die
christengemeenschap van Troas. Ondertussen
zijn de gezellen van Paulus weeral scheep gegaan;
veel rust wordt die jonge missionarissen echt niet gegund.
NAAR TOP VAN DOCUMENT
uitzicht - overzicht
onderwerpen - thuispagina - Verwante
links - activiteiten
5
REDEMPTORISTEN ZALIG VERKLAARD
1. Pater Metodyj Dominik Trcka werd geboren op 6 juli 1886 te Frydlant
nabij Ostrovoce (in de tegenwoordige Tsjechische Republiek) uit een Tsjechische
familie. Hij trad in bij de
Redemptoristen en werd in 1910 priester gewijd. Aanvankelijk was hij volksmissionaris maar in 1919 werd hij
naar Galicië gezonden en later naar Slowakije om te gaan weken onder de
Grieks-Katholieken (Melkieten). In 1935 werd hij door de Congregatie voor de
Oosterse Kerken tot apostolisch visitator benoemd van de Wasylianer monialen van
Presov en Uzhorod. In 1946 werd hij
de eerste vice-provinciaal van de Grieks-katholieke Redemptoristen.
Tijdens de “Barbaarse nacht” van
13/14 april 1950 maakte de communistische Tsjechoslovaakse regering een
einde aan de kloostergemeenschappen. Na
een hele dag en een nacht verhoor, onder fysische en psychologische druk, werd
Pater Trcka tot 12 jaar gevangenschap veroordeeld.
Omdat hij op een bepaald ogenblik betrapt werd op het zingen een
kerstlied werd hij in de strafcel opgesloten.
Daar deed hij een longontsteking op en stierf aan de gevolgen ervan op 23
maart 1959. Na het herstel van de
Grieks-Katholieke kerk werden zijn stoffelijke resten overgebracht naar de
begraafplaats van de Redemptoristen te Michalovce.
2. Pater Zenon Kowalyk werd geboren in het dorp Ivakhiv bij Ternopol op
18 augustus 1903. Hij trad in bij
de redemptoristen (1926) en deed zijn priesterstudies in ons land.
Bij zijn terugkeer in Oekraïne werd hij priester gewijd (1937).
Hij deed apostolaat in Volynië en werd op 20 december 1940 op het
Oosterse feest van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria gearresteerd toen hij
preekte in een parochie. In 1941
werd hij door de communisten zwaar gemarteld.
Bij de inval van de Duitsers werd hij door de vluchtende communistische
gevangenisbewakers aan de muur van de gevangenis te Bryhidky gekruisigd (aan de
Zamarstynivskastraat te Lviv).
3. Pater Iwan Ziatyk werd geboren op 26 december 1899 te Odrekhiv nabij
Syanok in het huidige Polen. Na
zijn graduaat in de theologie behaald te hebben werd hij priester gewijd in
1923. Hij trad in bij de
redemptoristen en werd overste benoemd van het klooster van Ternopil.
Op 5 januari 1950 werd hij door de communisten gearresteerd.
Hij verbleef eerst in de gevangenis van Zolochiv maar werd nadien
overgebracht naar Ozerlah in Irkhutsk (Rusland).
Op Goede Vrijdag van 1952 werd hij zwaar gemarteld en overleed op 17 mei
van dat jaar.
4. Bisschop Mykola Tsjarnetskyi werd geboren op 14 september in de
streek van Horodensk (Oekraïne). Priester
gewijd in 1909 behaalde hij te Rome het doctoraat in de dogmatiek en werd dan
geestelijk directeur en professor op het seminarie van Stanislaviv.
In 1919 trad hij in bij de redemptoristen te Zboiska bij Lviv.
Op een suggestie van Metropoliet Andrej Sjeptytsky werd hij door paus
Pius XI in 1926 tot apostolisch visitator benoemd van de Oekraïense katholieken
in Volynië en Polissya. Hij werd
bisschop gewijd te Rome in 1931. Tijdens
de eerste bolsjewistische bezetting benoemde metropoliet Sjeptytsky hem tot
apostolisch exarch van Volynië en Pidlyashia.
Gearresteerd in 1945 door de KGB (NKVD) werd hij tot 6 jaar dwangarbeid
veroordeeld in Siberië. Hij stierf
te Lviv op 2 april 1959.
5. Bisschop Wasyl Welitsjkowskyi werd geboren in Stanislaviv op 1 juni
1903. Hij trad in het seminarie van
Lviv in 1920 en legde zijn kloostergeloften af bij de redemptoristen in Holosko
(nabij Lviv). Pater Wasyl werd
leraar en missionaris in Volynië en in 1942 overste van ons huis van Ternopil.
Aangehouden door de communisten en weggevoerd naar Kiev in 1945 werd daar
zijn doodsstraf omgezet in tien jaar dwangarbeid.
In 1955 mocht hij dan terugkeren naar Lviv.
In 1963 werd hij priester gewijd en meteen aartsbisschop.
In 1969 begon echter zijn tweede gevangenschap met drie jaar hechtenis.
De dood nabij werd hij vrij gelaten om naar Rome te reizen en dan naar
Winnipeg (Canada) waar hij nog binnen het jaar overleed op 30 juni 1973.
TWEE
REDEMPTORISTEN KARDINAAL BENOEMD
De niet zo piepjonge pater Varkey Vithayathil (73 jaar), die de
hoofdverantwoordelijkheid droeg voor de Syro-Malabaarse christenen werd door
paus Johannes-Paulus II tot kardinaal benoemd.
Mgr. Vithayathil werd in 1996 apostolische administrator voor de Indiase
deelstaat Kerala en in 1999 Aartsbisschop van het Indiase Ernakulam-Angamalye
Deze nieuwe kardinaal lijkt over nogal wat kwaliteiten te beschikken om
te bemiddelen tussen de verschillende richtingen binnen de Syro-Malabaarse Kerk.
Er bestaan nogal was discussies rond veranderingen in die ritus en enige
bekwaamheid tot bemiddeling zal zeer nodig blijken. In ieder geval richt de benoeming van pater Vithayathil onze
blik op de verscheidenheid van ritussen binnen de katholieke kerk. (naar
‘Kontakte, Missionsbund der redemptoristen, april 2001/2).
Ook Pater Julio Terrazas Sandoval (64 jaar) werd tot kardinaal benoemd.
Hij was sinds 1982 bisschop van Oruro (Bolivia), tot hij in 1991 door de
huidige paus aartsbisschop van Santa Cruz benoemd werd.
Deze dynamische metropool in het subtropische Oosten van Bolivia
overtreft qua nationale betekenis sedert enige jaren zelfs de administratieve
hoofdstad La Paz. Vanaf 1997 was
aartsbisschop Terrazas voorzitter van de Boliviaanse bisschoppenconferentie; hij
staat bekend als een sociaal geëngageerd kerkverantwoordelijke.
Door deze kardinaalsbenoeming wordt de betekenis van de kleinere landen
in Latijns-Amerika wat in het licht gesteld. (naar ‘Kontakte, Missionsbund der
redemptoristen, april 2001/2).
NAAR TOP VAN DOCUMENT
uitzicht - overzicht
onderwerpen - thuispagina - Verwante
links - activiteiten
Ben Van Vossel cssr
1 Bovenal bemin één God (2)
Onze houding tegenover Gods liefde
Erkentelijkheid
Het zal wel moeten dat we op een of ander moment van de dag opstaan, ons
wat opkalefateren tot we een wat menselijk uitzicht krijgen, wat eten en
desnoods ons ook nog begeven aan onze dag-(of nacht-)taak (onze dagelijkse
arbeid of zinvolle dagvulling), wat trachten overeen te komen met andere
menselijke wezens enz… Eten,
werken, wat verpozen, de krant, de teevee, wat dicht bij elkaar zijn, slapen,
opstaan…
In ons vorig nummer van ‘Geloof en Leven’ heb ik eigenlijk enkel nog
maar gezegd dat God van ons houdt. Ik
vond dat ik daarna wel even moest ingaan op de vaak gehoorde opmerking dat die
liefde toch moeilijk kan samengaan met het vele onschuldig lijden in de wereld.
Met wat ik hierboven zegde wil ik nu onszelf situeren in onze relatie tot
God. Speelt die relatie ergens?
Heeft die relatie invloed op onze manier van leven?
Zijn er geen andere en belangrijker zaken te doen dan te bidden en in de
kerk te zitten?
We gaan op die vragen niet antwoorden, de antwoorden worden zo wel
duidelijk. Laten we gewoon eens
zien wat het kan betekenen “God bovenal liefhebben”. Het is het eerste van de 10 levenswoorden, die het menselijk
leven en het menselijk samenleven in zijn voegen moeten houden.
Wat kan dat voor ons leven betekenen?
We gaan het antwoord niet vragen aan onze regering, waarin een goed
aantal vrijmetselaars zitten en agnostici, mensen die het niet kan schelen of er
een God bestaat of niet. We komen er voor uit dat we gelovigen zijn en we willen
consequent zijn. Iemand zei eens al
grappend: ‘Katholiek, maar niet fanatiek’.
Nee, niet fanatiek, maar wel consequent. Dat wil zeggen: we willen leven volgens ons geloof.
Als we nu geloven dat God bestaat, dat Hij liefde is, dat Hij ons gewild
heeft en -hoe dan ook- aan de oorsprong staat van ons bestaan, dat Hij ons leven
draagt en in stand houdt, dat Hij om ons begaan is, ja, ook om jou en om mij…
DAN moet er in ons een lichtje gaan branden dat ons zegt: wees minstens
wat erkentelijk, wees minstens bewust van de heerlijkheid van zo’n Iemand die
aan de oorsprong staat van alles en zonder wie ikzelf er niet zou zijn, Iemand
die toekomst geeft aan mijn leven en me op elk ogenblik helpend nabij is.
Een nabije God
Ik schrijf dit voor ‘gelovige mensen’.
Als je ’s morgens opstaat zou er dan bij jou ook een gedachte aan God
mogen opkomen. Maar misschien denk
je direct aan de drukte van de dag die gaat komen, aan de zorgen die er opnieuw
zullen zijn, de problemen die zich gaan stellen, de zaken waar je nu
onmiddellijk voor moet gaan zorgen… en DUS begin je de dag maar als
ongelovige, als iemand die er helemaal alleen voor staat, die de zorgen allen
moet dragen, die zelf alle problemen zal moeten oplossen...
God wordt dus buiten jouw leven gehouden. Dat betekent met andere woorden, dat Hij voor jou een verre
God is, die zich met jouw concrete leven niet bezighoudt en er zich ook niet aan
interesseert. Maar zo heeft God
zich niet doen kennen, noch in het Oude noch in het Nieuwe Testament:
“Gij kent mij, Heer, en Gij doorschouwt mij, Gij ziet waar ik ga of
sta.
Van verre kent Gij mijn gedachten,
Gij weet waarom ik bezig ben of rust, Gij let op al mijn wegen.
Heer, voor het woord nog op mijn tong is, weet Gij reeds wat ik zeggen
ga. -
Waar ik mij wend, Gij staat op wacht, uw hand rust altijd op mijn
schouder.
Uw kennis is voor mij te wonderbaar, zo hemelhoog, dat ik ze niet kan
vatten. -
Waar zou ik ooit ontkomen aan uw geest, waar zou ik mij voor uw gelaat
verbergen?” (Uit het Oude Testament: Psalm 139)
“Verkoopt men niet twee mussen voor een stuiver? En toch zal buiten de
wil van uw Vader niet een mus op de grond vallen. Bij u echter is zelfs ieder haar van uw hoofd geteld. Weest
dus niet bevreesd; gij zijt toch meer waard dan een zwerm mussen”. (Jezus in :
Mattheüs 10,29-31)
God laten binnenkomen
Als God zich zo werkelijk bij ons betrokken voelt en ons draagt, moeten
wij ons openstellen voor die relatie en nagaan hoe we daar - van onze kant -
gestalte kunnen aan geven. In de
eerste helft van vorige eeuw leerde men op de christelijke scholen aan de
kinderen een ‘morgengebed’. Dat
was een groet aan God en men legde dan ook de komende dag in zijn hand en beloofde om volgens Gods verlangen te leven.
Het kerkelijk ‘Getijdengebed’, dat door priesters en religieuzen
maar ook door veel leken (minstens gedeeltelijk) gebeden wordt, begint na de
daglezing ook met de ‘lauden’, de lofprijzing.
Men wil God prijzen voor zijn schepping, voor zijn liefde voor de mens,
voor heel het verlossingwerk om de mens terug te voeren naar het geluk.
Ook als we het Getijdengebed niet verrichten, kunnen we toch wel even God
proficiat wensen om het grote werk van de schepping waar Hij de oorsprong van
is.
Sommige christenen nemen een klein stukje evangelie, bijvoorbeeld het
evangelie van de dag om daar wat aan te denken gedurende de dag en er hun leven
wat door te laten vormen. Zo geeft
men God eer want men wil rekening houden met de weg naar het geluk die Hij toont
in zijn Woord.
Sommige christenen trachten ook in de week al eens tijd te maken voor
een Eucharistieviering (sommigen zelfs dagelijks). Het betekent een sterke ontmoeting met God, wij zijn er in
direct contact met Jezus’ levensoffer en verheerlijking. Als we dit in waarheid beleven wordt het een bron van
heiliging, heling en sterkte.
Tegenwoordig zijn er meer en meer christenen die ook tijdens de dag nog
wat tijd zoeken voor uitdrukkelijk gebed. Zij
maken daar een dagelijkse afspraak met God van.
Sommigen bidden dan een rozenhoedje of bidden wat noveengebeden.
Men kan ook een evangelietekst nemen en daar wat rond bidden. Men kan ook gewoon wat bij God trachten te zijn en Hem te
danken, te prijzen, om vergeving te bidden en te bidden voor je eigen noden en
die van anderen, voor een betere wereld, voor de zieken enz…
Bovenal bemin één God!
De wil van God
Bidden volstaat niet. Het
is in ons hele leven dat het verlangen van God moet geleefd (gedaan) worden.
Leven in het verlangen van God. In
die zin zijn in het eerste gebod ‘Bovenal bemin één God’ de andere geboden
reeds ingesloten, ook het gebod van de naastenliefde.
Maar het verlangen van God is zeer concreet.
Het betekent dat ik nù doe wat God nù graag zou willen.
Ik ga dus bidden om licht, om onderscheiding om te weten wat ik op elk
moment te doen heb. Overigens hoef
ik niet om licht te bidden wanneer het reeds heel duidelijk is wat God wil.
Dan moet ik gewoon in actie komen.
‘Heer, ik wil U dienen vandaag. Alles
wat ik doe, wil ik doen volgens uw verlangen’.
‘Vader, toon mij waar uw verlangen ligt. Heer Jezus, leer mij zoals U in alles het verlangen te doen
van de Vader’. Voor Sint Alfonsus
was de wil van God de enige richting van zijn leven.
En de heilige Gerardus schreef op zijn kamerdeur: “Hier geschiedt
alleen de wil van God”. O.K., dat
zijn heiligen, en dan nog van een tijd geleden.
Maar dat is nu juist de kwestie, dat dit niets uitmaakt.
Een heilige is in feite een gewone christen.
Heilig zijn (of worden) is de normale roeping van ieder normaal christen.
En heilig zijn is: leven volgens Gods verlangen.
Zijn verlangen boven alles stellen!
Hier hoeven we verder geen woorden aan te verspillen.
Okay, maar als het concreet wordt
Problemen stellen zich wel als in concrete situaties komt.
Wat is Gods wil? Wat wil God van mij op dit moment? Wat wil God in die situatie?
Valt Gods wil samen met mijn wil of moet mijn wil samenvallen met Gods
wil? En hoe pak ik dat aan in het
gewone leven van elke dag? We
kunnen daar volgende keer wat verder over bomen.
Hoe kan ik Gods wil kennen en als ik die ken: hoe kom ik er dan toe om
dat verlangen van God ook te doen?
NAAR TOP VAN DOCUMENT
uitzicht - overzicht
onderwerpen - thuispagina - Verwante
links - activiteiten
MARCEL VAN: EEN BEGENADIGDE JONGE VIETNAMEES
naar Feu et Lumière
15 maart 1928 werd in een dorp tussen Hanoi en Haiphong een jongen
geboren in een christelijke familie. Franse
priesters van de “Missions Etrangères” van Parijs namen in die streek de
zorg voor de christelijke gemeenschap op en om voor toekomstige landseigen
priesters te zorgen richtten ze de “huizen van God” op.
Dat waren pastorijen waar men jongens uit christelijke gezinnen van op
vroege leeftijd wilde opvangen; ze hielpen dan de pastoor wat en konden
ondertussen hun studies verder zetten. De
bekwaamsten werden dan later naar het seminarie georiënteerd, de anderen naar
de school voor catechisten. Op 7
jaar komt Van op de parochie van Huu Bang waar hij 5 jaar lang zal verblijven.
Hij voelt zich geroepen om priester te worden maar krijgt het zwaar te
verduren van een catechist die hem als het ware vervolgt; zijn troost is de
paternoster maar die wordt hem op de koop toe afgenomen.
Van knechtje wordt hij, tijdens een hongersnood stilaan slaaf.
Op 12 jaar vlucht hij het woud in, zich toevertrouwend aan Maria en zijn
engelbewaarder. Weken zwerft hij
uitgehongerd rond. Hij wil nog
altijd priester worden maar voelt de nood aan een geestelijke leidsman om hem te
begeleiden. Ondertussen komt hij
terecht bij een tante op het platteland; hij moet er werken maar ondervindt toch
een goede opvang. In het dorp zelf
komt hij voor het eerst in contact met het heidendom. Tijdens de tweede wereldoorlog keert hij terug naar zijn
ouders. Terwijl hij in de
Kerstnacht de eucharistie bijwoont voelt hij in zijn hart een grote genade: hij
heeft geen angst meer om te lijden en voelt als zijn zending daar waar hij komt
het lijden in geluk te veranderen. Hij
denkt dan terug aan zijn jonge vrienden die nog in Huu Bang zijn en hij keert er
terug. De catechisten geven er zich
af met de dorpsmeisjes, onder de ogen van de kinderen. Van besluit om te bidden en zich te offeren om de sfeer van
onkuisheid te doorbreken. Geknield
voor het beeld van Onze Lieve Vrouw van Altijddurende Bijstand legt hij de
gelofte van zuiverheid af. Hij
richt onder de kinderen een beschermende groep op: ‘het leger van de
strijdende engelen’. Zelf
vertrouwt hij zich toe aan zijn engelbewaarder en hij begint te vasten.
Hij stelt vast dat de kinderen echt ten goede veranderen..
Maar als het de oude catechist ter ore komt, regent het slagen op de
kinderen en speciaal op Van. Even
later verblijft hij gedurende 6 maanden op het kleinseminarie dat dan gesloten
wordt en hij komt dan terecht op de parochie van de heilige Teresia van het Kind
Jezus. Hij wil een heilige worden
maar meent dat je daarvoor ik weet niet hoeveel verstervingen moet doen.
Er is niemand om hem te begeleiden.
Hij vraagt dan aan Maria om hem een teken te geven.
Hij gaat naar de bibliotheek en hij neemt het eerste het beste boek:
“De geschiedenis van een ziel” van de kleine heilige Teresia van Lisieux.
Hij leert eruit dat God Liefde is. En
dat liefde erin bestaat zich zo klein mogelijk te maken. Van heeft zijn weg gevonden!
Hij weet geen blijf met zijn vreugde.
Diezelfde nacht hoort hij de stem van Theresia van Lisieux: “Vanaf deze
dag zullen onze twee zielen slechts één ziel zijn in de ene liefde van God.
God zelf heeft deze ontmoeting uitgedacht; hij heeft jou gekozen als
secretaris om zijn werk te realiseren”. Gedurende
15 jaar zal Van zo in contact zijn met Theresia, die hem onder meer zegt:
“Vertel God alles wat je wil: over je knikkerspel, je beklimming van
een heuvel, het geplaag van je kameraden, je tranen, je woede of je blijdschap
van het moment. God heeft dorst naar onze arme kleine harten die uit zijn
scheppende handen voortkomen. In
vreugde of moeite, biedt Hem alles aan.”
Van Theresia verneemt hij ook dat hij geen priester zal worden maar wel
religieus.
Op 15 juli 1944 biedt hij zich aan bij het redemptoristenklooster.
De overste stuurt hem weg en zegt dat hij nog drie jaar moet wachten.
Van keert terug naar huis maar mag na 3 maand als knecht in het klooster
komen werken. In oktober mag hij
zijn postulaat beginnen en op 8 september 1945 legt hij zijn geloften af van
armoede, zuiverheid en gehoorzaamheid en de eed van volharding.
Tijdens een meditatie hoort Hij Jezus vragen: “Marcel, bemin je
Mij?” Hij zag Jezus naderbij
komen in het heilig Sacrament: “Mijn kind, bid veel en breng veel offers. Lijd en offer.” Even
later verneemt hij de bekering van zijn vader.
In februari 1950 verblijft Marcel Van in Saigon.
In juli 1954 komt er echter een scheiding tussen Noord- en Zuid-Vietnam.
Van trekt naar het communistische Noorden en op 7 mei zet hij zijn dienst
voort in de parochie van Onze Lieve Vrouw van Altijddurende Bijstand.
De christenen verwachten zich aan vervolging.
Van smeekt zijn geestelijke zus, Theresia van Lisieux: “Kleine zus, bid
veel om mij de moed te verkrijgen alles te verdragen tot het einde”.
Hij wordt door de communisten gearresteerd, onder zware druk gezet en
tenslotte gedurende 5 maand in een donker hok opgesloten.
Daarna wordt hij tot 15 jaar hechtenis veroordeeld.
Hij wordt naar een kamp gebracht op 50 km. van Hanoi (kamp nr. 1 van
Mo-Chen) waar nog zo’n 2000 mensen in ellende samen zitten, waaronder een
honderdtal katholieken die wel sterk staan in hun geloof.
Van luistert en troost; veel mensen komen naar hem toe en hij voelt dat
hij die zending moet vervullen al zou hij liever als martelaar sterven in dat
kamp. In augustus 1957 brengt men hem naar kamp nr. 2 op 150 km. van Hanoi. Hij wordt er geslagen en opgesloten in een ongezonde kerker
gedurende twee jaar, waarvan 3 maand met ijzeren boeien om: geen bezoek meer en
geen post. Hoewel hij hier totaal
verlaten is, is er toch licht in zijn hart.
Maar tuberculose en beriberi knagen aan hem; hij is nog slechts vel over
’t been. Op vrijdag 10 juli 1959
is hij in doodsstrijd; een priester vergezelt hem met zijn gebed en geeft hem de
absolutie. Van wou martelaar zijn,
God heeft hem verhoord. Hij werd 31
jaar. Ook Theresia van Lisieux
wenste als martelares te sterven in Hanoi.
Recent verschenen: Pater
Antonio Boucher cssr “Petite Histoire de Van” (met voorwoord van Mgr. François-Xavier
Nguyèn Van Thuàn, voorzitter van de Pauselijke Raad Justitia et Pax). Ed.
Saint-Paul/Les Amis de Van, BP 652 - 78006 Versailles, 2001 // Bij dezelfde
uitgever : ‘Quel est ton secret, petit Van?’ Degelijk werk door theologen
betreffende de geschriften van Van, ‘kleine broer’ van Theresia v. Lisieux
en geestelijke zoon van de h. Alfonsus van Liguori. Onder leiding van A. De
Blay, 2000, 338 pp..// Oeuvres
Complètes de Marcel Van: Autobiographie,
tome 1, oct. 2000, 456 pp. Ook bij Editions Saint-Paul.
Uit de notities van Van
Jezus: “Mijn kind, mijn liefde geeft u de naam van tweede kleine
Teresia. In de hemel zal ik je als
zending geven je grote zus Theresia te helpen de mensen verder te inspireren tot
vertrouwen in mijn liefde”.
“O Jezus, ik ben zo ellendig… En
toch, door een eenvoudige blik op uw liefde, kan ik U fascineren en U
verblinden… O Jezus, ik zie op
naar uw liefde, ik vertrouw me toe aan uw liefde; ik heb de zekerheid dat uw
liefde me nooit aan mijn lot zal overlaten, dat ze zich ook nooit zal laten
bedroeven door mijn zwakheden. De
Liefde kent me…”
“O Maria, er gaat niets door uw handen zonder dat het er een nieuwe
schoonheid door verwerft”.
“Met mijn handen die de potten wassen, heb ik de macht om de hele
wereld te heiligen. Wie ben ik ?
Een kind dat leeft in het geloof”.
“Zelfs als het leven hard is, antwoord op het leven door je
glimlach!”.
NAAR TOP VAN DOCUMENT
uitzicht - overzicht
onderwerpen - thuispagina - Verwante
links - activiteiten
KATECHISMUS VAN DE KATHOLIEKE KERK (17)
resumé : Ben Van Vossel
cssr
HFDST. 2 Art. 3 “Jezus
Christus is ontvangen van de heilige Geest, geboren uit de maagd Maria
§ 1 Gods Zoon is mens
geworden (nrs. 456-483)
I Waarom?
In de geloofsbelijdenis bidden we: ‘Hij is voor ons, mensen, en
omwille van ons heil uit de hemel neergedaald; Hij heeft het vlees aangenomen
door de heilige Geest uit de maagd Maria en is mens geworden’.
Hij heeft ons gered door ons weer ontvankelijk te maken voor Gods liefde.
Hij openbaarde ons Gods liefde en werd voor ons een voorbeeld van
heiligheid (= toegewend zijn naar God). Door
Hem krijgen we deel aan Gods eigen wezen (2 Petrus 1,4).
II De menswording
Hiermee bedoelt de Kerk dat de Zoon van God een menselijke natuur heeft
aangenomen om daarin ons heil te bewerken. ‘ Iedere geest die belijdt dat
Jezus Christus echt mens is geworden, is van God’.
Hij is geopenbaard in het vlees, zingt een apostolische hymne (1 Tim.
3,16).
III Hij is waarlijk God en waarlijk mens (464)
Jezus is niet half God en half mens; Hij is waarlijk mens geworden
terwijl Hij waarlijk God bleef. Tegen
allerlei ketterijen is de Kerk deze geloofswaarheid blijven verdedigen.
Echt mensgeworden en toch wezensgelijk met de Vader.
Daarom heeft de Kerk in 431 afgekondigd dat Maria werkelijk Moeder van
God is geworden door de menselijke ontvangenis van de Zoon van God in haar
schoot. Je kan in Jezus God en mens niet scheiden.
“Hij is werkelijk de Zoon van God die mens geworden is, onze broeder,
en dat zonder op te houden God te zijn, onze Heer” (nr. 469).
IV Hoe is de Zoon van God mens?
Jezus heeft een menselijke ziel (met haar activiteiten van verstand en
wil) en een menselijk lichaam, maar die menselijke natuur behoort werkelijk tot
de goddelijke persoon van de Zoon; in zijn lichaam en ziel brengt Hij op
menselijke wijze het goddelijke leven van de Drie-eenheid tot uitdrukking.
De menselijke ziel van Jezus was begiftigd met
een werkelijk menselijke kennis, zo ‘nam hij met de jaren toe in
wijsheid en welgevalligheid’ (Lc.2,52). Maar
door de eenwording met het Woord kende en toonde de menselijke natuur van de
Zoon van God in zich alles wat op God van toepassing is (diepgaande en directe
kennis van de Vader). In zijn
menselijke kennis toonde de Zoon ook het goddelijk vermogen door te dringen in
de geheime gedachten van het menselijk hart (bv. Mc 2,8; Joh. 22,5).
Zijn menselijke kennis bezat ook de wetenschap van de eeuwige
heilsbeschikkingen die Hij was komen openbaren. Wat Hij erkent niet te weten op dit gebied (vb Mc 13,32)
daarover verklaart Hij elders dat Hij niet de zending heeft het te openbaren
(vgl. Hand. 1,7).
De menselijke wil van Jezus volgt zijn goddelijke wil zonder weerstand
te bieden of zich ertegen te verzetten. Zijn
menselijk verstand en zijn menselijke wil stemmen dus volmaakt overeen met en
zijn onderworpen aan zijn goddelijk verstand en zijn goddelijke wil, die Hij
gemeenschappelijk heeft met de Vader en de heilige Geest (482).
In het lichaam van Jezus is Hij, die als God onzichtbaar is, zichtbaar onder ons verschenen (Prefatie van
Kerstmis). Jezus’ lichaam mag dan
ook afgebeeld worden omdat men in die afbeeldingen de persoon vereert die
afgebeeld wordt (o.m. 2de concilie van Nicea in 787).
Het hart van het mensgeworden Woord waarmee Hij ons heeft liefgehad en
dat voor onze zonden werd doorboord, is het teken en symbool bij uitstek van de
liefde waarmee de goddelijke Verlosser de Vader en alle mensen zonder
uitzondering onophoudelijk bemint (Pius XII in ‘Haurietis aquas’ Gij zult
water putten uit de bronnen van heil).
NAAR TOP VAN DOCUMENT
uitzicht - overzicht
onderwerpen - thuispagina - Verwante
links - activiteiten
DE ESSENEN en DE SEKTE VAN HET NIEUW VERBOND
door: Ben Van Vossel cssr
1 DE FEITEN
A. Oude manuscripten
gevonden in de woestijn van Judea!
Tijdens onze pelgrimstocht naar het heilig land, met een aantal mensen
van de Maria-Kefasgemeenschap, namen we op 24 juli 1990 een duik in de woestijn
van Judea. Dat was letterlijk te
nemen, want van 800 m. hoogte ging het naar het laagste punt van het
aardoppervlak, nou, natuurlijk net niet helemaal want we doken niet tot de bodem
van de dode zee (- 400 m.); we hebben ons wel even laten drijven op het zoute
water. Voorbij de zogenaamde
‘herberg van de barmhartige Samaritaan’, trokken we daarna de woestijn in om
zo eens een indruk op te doen van wat een woestijn wel is.
Naar het schijnt staat deze woestijn in de lente vol kleine veelkleurige
bloemen. We brachten in de Wadi
Kelt een bezoek aan de abdij van St.-Joris met orthodoxe monniken.
Verderop ging het dan naar Jericho, een oase in de woestijn, met naast
veel andere soorten vegetatie, één grote wilde vijgenboom (van Zacheüs?).
Een eindje verder kwamen we dan aan in Khirbet Qumrân.
Daarover gaat het in dit artikel.
Bestsellers? Kom nou…
Vooraf dit: ik hoef je niet veel commentaar te geven bij een groot deel
van de bestsellers. Je kan een
winstgevende zaak doen wanneer je de actualiteit wat opvolgt, doorziet waar een
aanzienlijk deel van de mensen heel emotioneel op reageren of wanneer je een
nieuwtje in de gaten krijgt waar wel een spannend verhaal rond gesponnen kan
worden dat de verbeelding van mensen op hol brengt… Als je dan ook nog een goede pen hebt, de zaak wat opklopt…
Zo is het gebeurd rond de vondsten en opgravingen in de woestijn van
Judea en ook later, telkens een of andere vondst ontcijferd was en gepubliceerd
werd. Verscheidene van die would-be
bestsellers speelden daarop in en stelden scherpe vragen of nu de grondslagen
van het christendom moesten herbekeken worden, of Jezus in feite niet zo
origineel was als de evangelieverslagen ons getuigen, of Johannes de Doper of
misschien Jezus zelf of een deel van zijn volgelingen in feite niet tot een
andere groep behoorden, enzovoort… Met
deze laatste zin staan we echt op het niveau van dat soort boeken en artikelen.
Voor wie het allemaal wat vreemd in de oren klinkt, geven we in dit
artikel een aanzet om wat beter op de hoogte te geraken.
Een verzwegen vondst!
Met Khirbet Qumrân bedoelen Palestijnse aardrijkskundigen een kleine
onbelangrijke ruïne, zo’n 12 km. ten Zuiden van het Bijbelse Jericho, 7 km.
ten Zuid-Westen van Kallias, op 4 km. ten noorden van de bron van Ain Feshkha,
op 2 km. ongeveer van de oever van de Dode Zee.
Het is dus de streek juist ten Noorden van de Dode Zee.
In het Westen is daar een steile, rotsachtige kust van zo’n 600 meter
hoog zodat er maar een smalle doorgang is naar Jeruzalem en Bethlehem.
Over deze plek zou waarschijnlijk nooit veel geschreven zijn, ware het
niet dat in maart 1947 - zo’n 54 jaar geleden! - een Bedoeïen van de
Ta’amiree-stam op een kilometer ten noorden van de ruïne een verdwaalde geit
zocht; in de rots bemerkt hij een gedeeltelijk afgesloten kloof en nieuwsgierig gaat hij daar - overigens met veel moeite - een
kijkje nemen. Het blijkt een grot
te zijn, 8 meter lang, op zijn breedst 2 meter en 2.50 tot 3 meter hoog.
De grond lag vol scherven (in feite een dikke archeologische laag die
varieerde van 25 tot 50 cm.). Verder
trof de bedoeïen er ook nog enkele kruiken aan, sommige half verbrijzeld,
waarin alles samen - zo vertelde hij later - zo’n 11 lederen rollen staken
gewikkeld in stoffen die doordrongen waren van was en pek.
Een manier van bewaren die misschien niet ideaal was maar toch
gefunctioneerd heeft. Die rollen
waren in feite oude hebreeuwse handschriften (manuscripten), waar, kolom na
kolom, eertijds heilige boeken op werden overgeschreven.
Hoewel een bedoeïen nogal zelfstandig is, trok de man toch naar de
stamoudsten die hem aanraadden die zaken te gaan verkopen in Bethlehem. Dat deed hij dan ook. Over
deze zaak werd verder in alle talen gezwegen.
De Syrisch Orthodoxe metropoliet van het Sint-Markusklooster te
Jeruzalem, Mgr. Athannasius Yeshue Samuel kan in juli 1947 vier rollen
clandestien laten aankopen.
Het geheim raakt bekend
Pas twee jaar na de eerste vondst komt een Belgisch
reserve-luchtmachtofficier, Philippe Lippens de vindplaats op het spoor en hij
brengt de directeur van het Departement van de Oudheden te Amman, dhr. Gérard
Harding, op de hoogte. Deze zal,
samen met pater de Vaux, directeur van de Bijbelschool en het Franse
Archeologisch instituut van Jeruzalem de grot van Ain Feskha systematisch
onderzoeken. Voor de grote vondsten
vissen ze natuurlijk achter het net. Er
is immers ondertussen een tweede toegang gemaakt door andere plunderaars
(november 1947); langs allerlei omwegen legt het Palestijns Museum van Jeruzalem
de hand op een klein deel documenten. In
de achtergebleven archeologisch grondlaag echter vindt pater de Vaux nog stukjes
linnen, scherven, zeer kleine fragmenten van de rollen, al of niet beschreven…
Ook enkele lederen fragmenten met zeer oude hebreeuwse lettertekens in
Fenicisch schrift. Tussen de
potscherven ook een aantal Romeinse van het einde van de 2de of begin 3de eeuw,
wat pater de Vaux en dhr. Harding
tot de hypothese bracht dat er reeds geroofd was in de Romeinse tijd,
waarschijnlijk rond 217 na Christus, onder Caracalla.
Verdere aanvulling
Op 29 november 1947, bij de uitroeping van de Staat Israël, legde een
Joods geleerde de hand op 6 rollen, nadat hij
door een antiquair op de hoogte was gebracht dat in Bethlehem lederen rollen met
hebreeuws schrift waren verkocht. Deze professor, Sukenik, wilde ook de rollen van de
metropoliet aanschaffen, maar die onderhandelingen liepen op niets uit.
De Amerikaanse School voor Oosterse Studies was hem voor geweest en reeds
in 1948 verschenen gedeeltelijke vertalingen van de rollen.
Volgens een andere informatiebron (J. Debrabandere) waren er niet 11 maar
7 rollen gevonden in de eerste grot (wellicht telt hij het Wetboek en de
Psalmenrollen telkens maar voor 1). Op
13 februari ’48 kondigde de President van de Nationale Raad van Israël aan
dat alle zeven (11) rollen van die eerste grot in het bezit zijn van de Staat
Israël “een nationale rijkdom van onschatbare waarde, die in Israël de
grootste archeologische ontdekking van de eeuw betekent”.
Wat vond men nu eigenlijk? (gegevens van Alb.Vincent uit 1955)
I Wat aanvankelijk behoorde tot het Syrisch Orthodoxe klooster
1. 1 rol, een copy van het boek Jesaja (duizend jaar ouder dan de oudste
copy die we bezaten)
2. 1 rol met een commentaar (midrasj of pesjer) van het boek Habakuk.
3. 2 rollen met het Wetboek van de gemeenschap.
4. 1 rol met de Apocalyps van Lamech
5 Fragmenten van het Boek Daniël enz.
II Wat in het bezit was van de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem
1. 1 rol: De strijd van de zonen van het Licht en de zonen van de
Duisternis
2. 4 rollen: Verzameling Hymnen en Dankpsalmen
3. 1 minder volledige en meer recente rol (dan deze van de syrisch
orthodoxe monniken) van het Boek Jesaja.
III Rockefellermuseum te Jerusalem
600 fragmenten (vanuit de opgravingen door Harding en p. De Vaux) o.m.
canonieke teksten (uit Genesis, Leviticus, Deuteronomium) en ook apocriefe
teksten (Boek van de Jubilea in het hebreeuws). Sommige stukken uit Leviticus zijn in heel oude
fenicische lettertekens geschreven (verwant met de ostraka van Lakish) en
dateren waarschijnlijk van 450 tot 400 vóór Chr.). Een manuscriptfragment
lijkt het begin te zijn van het Wetboek. Er
was ook een vermelding van het “Boek van de Hegou” waarover sprake is in het
Sadokitische Document van Damascus; dit zou dan een link leggen tussen de
‘Gemeenschap van Qumrân’ en de ‘Sekte van het Nieuwe Verbond’ (hierover
later). Verder waren er nog enige
fragmenten uit de Apocalyps van Lamech en van de Jesaja-rol van de Hebreeuwse
Universiteit.
IV De rest?
Nog enkele manuscripten waren in 1955 in Jeruzalem verborgen.
Maar de 50 kruiken die in de grot aanwezig waren moeten zo’n 200
handschriften bevat hebben. Van slechts 35 heeft men de volledige tekst of fragmenten.
Is de rest vernietigd, hebben de bedoeïenen er hun boterhammen mee
omwikkeld of gaat er af en toe nog iets boven water komen?
Mysterie.
Verdere vondsten
Na de ontdekking van manuscripten in de grot van Aïn Feshkha kregen de
Ta’amiree bedoeienen grote ijver om nog meer van dat soort geldopbrengende
oude geschriften te vinden. Het
succes bleef niet uit.
- Wadi Murabba’at: In de tweede helft van 1951 worden weer fragmenten
van manuscripten in Jeruzalem
aangeboden. Pater De Vaux verneemt
van de bedoeïenen dat ze uit een lastig toegankelijke Wadi Murabba’at komen,
18 km. ten Zuiden van Qumrân, 25 km. ten Zuid-Westen van Jeruzalem, zo’n 3
uur gaans van de Dode Zee. Deze
vallei wordt ook Wadi Daradge geheten en is de uiterste uitloper aan de Dode zee
van de Wadi Ta’amire die ten Zuiden van Bethlehem begint (Wadi betekent rivier
of dal, vallei).
Een archeologische expeditie vist weer wat achter het net, maar toch: de
4 grotten moeten al bewoond geweest zijn in het 4de millennium vóór Chr.;
enige objecten stammen uit de Midden-Bronstijd (18de en 17de eeuw, de
tijd van de Hyksos). De grotten 1-3
bevatten Joods aardewerk uit de 8ste en 5de eeuw vóór Chr..
Daarna zijn er vooral keramiek, wapens en messen uit de Romeinse tijd
(vanaf de regering van Nero in 58/59 tot de Tweede Opstand onder keizer
Hadrianus (130-135). Er zijn enige
Bijbelteksten (die overeenstemmen met de Massoretische tekst); een paar
papyrussen zijn gedateerd “van de bevrijding van Israël door het dienstwerk
van Shime’on Bar Kokheba (Bar Kochba), de Prins (nadi) van Israël”. Het gaat over de leider van de Tweede Joodse Opstand (132-135
na Chr.). Ook twee brieven van Bar
Kochba behoren tot deze vondst waarvan een nogal dreigend klinkt aan iemand van
deze vooruitgeschoven post:
“Van Shime’on ben Koseba aan Yeshoea ben Gilgola en aan de mannen
van de afdeling, gegroet! Ik neem
de hemelen tot getuige tegen mij dat, als je (je relaties) niet stopt met de
Galileeërs die je allen uit de verlegenheid gered hebt, ik de ijzers aan uw
voeten ga leggen zoals ik het gedaan heb met Ben ‘Aphhul.
Shime’on be[n Koseba. Prins
van Israë]l” (Albert Vincent stipt hierbij aan dat deze brief van Bar
Kochba de inlichtingen bevestigen van Justinus de Martelaar en Eusebius omtrent
de vervolging van de Galileeërs of Nazareners, namelijk de Christenen, door Bar
Kochba. Blijkbaar waren die niet strijdlustig of betrouwbaar genoeg).
- Wadi-en-Nâr?: Tijdens de Zomer van 1952 komen de Bedoeïenen,
zwervende Palestijnen weer met een aantal fragmenten van documenten (maar het is
niet steeds zeker waar ze deze juist ontdekten). Dat het hier alleen maar fragmenten zijn, kwam wellicht door
de haast waarmee ze in veiligheid werden gebracht, terwijl die eerste documenten
goed ingepakt waren en in zekere zin als waardevolle archiefstukken werden
weggeborgen.
Zogenaamd uit een grot van de Wadi-en-Nâr (de kedronvallei) komen een
deel arabische papyrussen, vooral van privé-aard. Diezelfde grot bracht ook
Griekse fragmenten aan het licht (uit de 5de tot 8ste eeuw na Chr.) : het Boek
der Wijsheid, de Evangeliën volgens Markus en Johannes, de Handelingen van de
Apostelen. Ook nog niet-canonieke
werken. Verder nog wat documenten
in de oude taal van het christelijk-palestijnse syriac (passages uit het Boek
Josua, de evangeliën van Lucas en Johannes, uit de Handelingen van de Apostelen
en uit de brief aan de Kolossenzen). Andere
grotten leverden materiaal op dat gelijkt op dat van de Wadi Murabba’at.
- Khirbet Mird!: In februari-april 1953 kwam een Belgisch archeologisch
onderzoeksteam (prof. R. de Langhe) tot de bevinding dat deze teksten uit
Wadi-en-Nâr eigenlijk voortkwamen van de Khirbet Mird, de oude site van het
Hyrcaniavesting (gebouwd onder Johannes Hyrcanus (135-104 vóór Chr.) die in 31
vóór Chr. ingenomen werd door Herodes; later
was het een klooster van de heilige Sabas (in 492) dat bestond tot in de 9de
eeuw. In een vergeten ruimte hadden
de Ta’amiresbedoeïenen (altijd zij) nogal wat christen-palestijnse teksten in
christelijk Aramees ontdekt. Blijkbaar
spraken die woestijnmonniken nog het aramees, de taal van Jezus.
- In 1956 werden opnieuw fragmenten van oude teksten gevonden door
zwervende Bedoeïenen; deze fragmenten waren heel wat beter bewaard dan deze uit
1952 (Debrabandere).
Lees in volgend nummer:
B. Qumrân:een Joods klooster komt aan de oppervlakte.
NAAR TOP VAN DOCUMENT
uitzicht - overzicht
onderwerpen - thuispagina - Verwante
links - activiteiten
GASTVRIJHEID - een getuigenis -
Andrea Van Braeckel, Maria-Kefasgemeenschap
Onlangs kwam de vraag of er eventueel twee mannen van een nieuwe
Katholieke Gemeenschap, bij mij mochten logeren voor een paar dagen.
Het waren Fransen die hier in Gent een congres over homeopathie kwamen
volgen. Ik heb onmiddellijk ja
gezegd, daar ik plaats heb in mijn huis. Ik
maakte me wel zorgen omdat ik zeer weinig Frans ken.
Ik vertrouwde op de Heer en vroeg Hem om alles in goede banen te leiden.
Eventueel met wat Engels zou het maar moeten gaan.
Toen ik van de Alphacursus thuis kwam, had iemand van de Gemeenschap
Maria-Kefas de twee al opgevangen in mijn huis. De een bleek een priester te zijn en de ander was een dokter.
De priester wou onmiddellijk Eucharistie vieren in mijn ‘stille
ruimte’. Ik werd er zelf ook stil
van. Wàt een uitnodiging!
De Heer zelf in mijn huisje. Ongelooflijk!
De Koning zelf op bezoek!… En
zo zou het drie dagen zijn. Wat een
geschenk! Had ik dat vooraf geweten, ik zou mijn huis grondig gepoetst
hebben, alles doen blinken als een spiegel.
Hoe zou je zelf gehandeld hebben? De
Koning die op bezoek komt!
Wat de taal betreft was ik zeer rustig; ik voelde me op m’n gemak, de
conversatie verliep goed, wat Engels, wat Frans, wat gebarentaal, we verstonden
elkaar.
Een paar dagen later, tijdens mijn gebedstijd, dacht ik eraan terug.
En toen kwam het inzicht: Jezus
komt zo dikwijls IN mij, in elke Eucharistieviering.
En hoe zit het met mijn hart? Onthaal
ik Hem als Koning? Hoe zit het met
de voorbereiding? Is alle rommel
uit mijn hart, is het er netjes? Wat
kan ik Hem aanbieden?…
Het heeft me echt doen nadenken en ik heb er enkele besluiten uit
getrokken: ik tracht me beter voor te bereiden op elke Eucharistieviering, op
elke ontmoeting met de Heer: Hem onthalen als Koning! Aan Maria vraag ik me daarin te helpen, zij weet wat Hij
graag heeft. Er is door dat
onverwacht Koninklijk bezoek iets veranderd in mijn leven: de Eucharistieviering
werd een bewuster gebeuren, een echte en dankbare ontmoeting met de levende
Heer. Het kleine gebaar van
gastvrijheid helpt me nu Hem als Koning te ontvangen in mijn hart.
Wat een gebeuren, wat een genade! Hij
komt naar ons toe. Dank U Heer, om
de gave van Uzelf!
NAAR TOP VAN DOCUMENT
uitzicht - overzicht
onderwerpen - thuispagina - Verwante
links - activiteiten
PSALMGEBED VOOR MENSEN VAN NU -
een getuigenis -
Magda De Wilde, Maria-Kefasgemeenschap
Het is zomer, het is vakantie. Het doet goed om meer buiten te komen en
te genieten van de natuur. En soms, heel spontaan, gaat ons hart uit naar de
Gever van die mooie schepping rondom ons: GOD.
Vroeger, eeuwen terug, drukten mensen ook reeds hun verwondering om de
schoonheid en de grootsheid van Gods schepping uit. Ze deden dat met psalmen.
Deze kunnen ons ook nu nog inspireren tot gebed.
Even proeven:
Psalm 100
Juicht voor de Heer, alle landen,
Dient met blijdschap de Heer.
Treedt onbezorgd voor zijn Aanschijn;
Waarlijk, de Heer is God.
Hij is de Schepper en Meester,
Wij, zijn kudde, zijn volk.
Trekt met een lied door zijn poorten,
Komt in zijn voorhof met zang.
Zegent zijn Naam en eert Hem,
Hij is ons goed gezind.
Eindeloos is zijn erbarmen,
Trouw van geslacht op geslacht.
Psalm 103
Verheerlijk mijn ziel de Heer,
Zijn heilige Naam uit het diepst van uw wezen!
Verheerlijk, mijn ziel, de Heer.
Vergeet zijn weldaden niet!
Hij is het die u uw schulden vergeeft,
Die u geneest van uw kwalen.
Hij is het die u van de ondergang redt,
Die u omringt met zijn gunst en erbarmen.
Met een zestal personen van de Maria-Kefasgemeenschap komen we tweemaal
per maand samen in de huiskring of ‘leefgroep’. Niet om zomaar wat koffieklets te houden, maar om samen te
bidden en met elkaar te spreken over ons geloof, ons gebedsleven, over wat ons
bezighoudt; ook onze zorgen en vreugden uit het dagelijkse leven mogen wij met
elkaar delen, in de zekerheid dat de anderen ze meedragen in hun gebed.
Onlangs begonnen we de avond met deze twee mooie psalmen: eeuwenoude
gebeden, die ook ónze ziel tot God verheffen.
Het was treffend te vernemen hoe iemand die aan de daken werkt en vanuit
deze ‘hoge positie’, de omliggende wereld een beetje kan overzien, God looft
en dankt met zo’n psalmgebed.
Een ander gaat de nacht in, nog even stil vertoevend bij de icoon van de
H. Drie-eenheid.
Een derde zegt ‘God is nooit ver, ook al ben ik druk bezig doorheen de
dag’.
Ja , het bouwt op en het sterkt de geest, zo samen op weg met andere
christenen. En je weet: Het is onze
God die alles in allen tot stand brengt! Reden
te meer om Hem altijd te loven... ook met een psalmgebed.
NAAR TOP VAN DOCUMENT
uitzicht - overzicht
onderwerpen - thuispagina - Verwante
links - activiteiten
CHRISTELIJKE KUNST EN CULTURELE EXPRESSIES IN IRAK GEDURENDE 2000 JAAR
Vincent Van Vossel , Redemptorist te bagdad
Pater Vincent hield deze toespraak tijdens de feestzitting (waarbij de
Minister van Religie van Irak, de patriarchen en bisschoppen aanwezig waren) van
de “Vijfde Christelijke Conferentie voor de Vrede” (Bagdad 15-20 mei 2001).
(De foto’s zijn genomen op een tentoonstelling van ‘Christelijke
Kunst in Irak’ die voor die
gelegenheid ingericht was door p. Bashar (Irakees Redemptorist) en p. Vincent.
De tentoonstelling behandelde 1 De beginperiode : de eerste verschijning
en de verspreiding van het Christendom (I-IVde eeuw); 2 De pre-Islamitische
periode (V-VIIde eeuw); 3 Onder het Arabische bewind van de Abassieden
(VIII-IXde eeuw); 4 Onder de Mongolen en Ottomanen (X-XIVde eeuw); 5 Het verval
(XV-XIXde eeuw); 6 Heropleving (XX-XXIste eeuw); er was een stand voor Syrische,
Chaldeeuwse, Assyrische, Armeense, Griekse... Christelijke kunst.)
“De christenheid bestaat nu 2000 jaar in Irak en het spreekt voor zich
dat tijdens die lange periode er talrijke werken van christelijke kunst werden
voortgebracht en dat de christelijke gemeenschap op aangepaste wijzen haar
geloof heeft uitgedrukt in verschillende culturele ontwikkelingen,
overeenkomstig de verschillende perioden en volkeren uit haar omgeving gedurende
de geschiedenis van Irak. Ik geef
hier gewoon een ruwe schets.
Sedert zijn begin heeft het christendom verschillende uitdrukkingsvormen
gekend van etnische, culturele en godsdienstige aard.
Naast de oorspronkelijke Syriac sprekende groep bestond er een vreemde
Griekssprekende groep en stilaan ontstonden er ook Arabisch en Perzisch
sprekende christelijke groepen. Sedert de Vde eeuw geraakten de Syriac sprekende Christenen
verdeeld in een Oosterse en Westerse vleugel om theologische en etnische
redenen. Mettertijd vestigden ook
Armeense en Byzantijnse Melkieten zich op het Irakese grondgebied.
Al deze groepen kenden een eigen historiek van de kunst en culturele
ontwikkeling waarover we hier onmogelijk in detail kunnen treden onder meer
omdat het zelfs voor de kunsthistorici een onbekende is.
Toch willen we enkele hoofdlijnen even aanwijzen.
Er zijn sommige grote namen die goed gekend zijn door de studenten omdat
ze zo’n aanzienlijk literair werk hebben nagelaten, zowel in het Syriac als in
het Arabisch, en omdat ze een wereldwijde invloed hebben gehad.
Zo bv. Aphradat de Perzische Wijze, Efrem van Nisibis, Narsai en Jakob
van Sarug, Babai de Grote en Jakob van Edessa, Ishodnah en Thomas van Marga,
Moses bar Kepha en Dionysios bar Salibi, Hunayn bin Isaac en Abdulfaraj Adallah
Subawi en Gregorios ibn el Ibri. Beroemd
over de hele wereld zijn de unieke Syriac-manuscripten die gerealiseerd werden
door Irakese kopiisten. Sommige
ervan werden verlucht met kostbare miniaturen van zeldzame artistieke en
religieuze densiteit. Maar ook op
het vlak van muziek, plastische kunsten en architectuur hebben deze Christenen
hun geloof uitgedrukt in originele mooie vormgeving.
Ongelukkigerwijze zijn slechts weinig fragmenten van deze schatten gered
uit de verwoestende golven van de geschiedenis. Resten van oude kerken (IVde tot VIde eeuw) werden ontdekt in
Kokhe en Hira, en woestijnkerken nabij de el-Okheydir-burcht.
Op deze plaatsen werden beelden, kruisen, opschriften en decoratieve
werken ontdekt. Maar het is
speciaal in Mossoel dat tot op vandaag oude kerken met hun originele werken
overeind zijn gebleven. Drie van de
oudste en mooiste zijn nochtans in recente jaren ingestort.
Het is een schande dat ze niet konden worden gered van definitieve
verdwijning. Verder naar het Noorden zijn restanten van oude kloosters en
kerken, en voortdurend worden nieuwe ruïnen en stukken van Christelijke kunst
ontdekt en overgebracht naar het Irakese museum-departement.
Het mooiste voorbeeld van Christelijk bouwwerk met sculptuur en iconen is
het Mar Behnamklooster, waar de Arabische stijl van die dagen (Jalili XIIIde
eeuw) werd aangewend in al zijn schoonheid om het oude klooster te restaureren.
De architecturale contouren van deze kerken is uniek, omdat, meer dan in
welk ander land, de Irakese Christelijke architecten sommige elementen hebben
genomen uit de locale tempelgebouwen, en deze vermengd hebben met bepaalde
Joodse en (Byzantijnse) Christelijke elementen om hun eigen architecturaal model
tot stand te brengen, volgens de eisen van hun eigen liturgie.
Deze liturgie op zich is een meesterstuk van kunst, en een expressie van
originele Semitische Christenheid, ongekend in de rest van de wereld.
Beschrijvingen zijn overgebleven over de Middeleeuwse versierde kerken
van Bagdad, speciaal van de Griekse. Sommige
illustraties in manuscripten van die tijd tonen ons een mengeling van
Byzantijnse modellen, herwerkt met Syriac-emotie en ook sommige Arabische
elementen in secundaire thema’s.
Sedert de XIVde eeuw zijn er sporen van Armeense kunstwerken, speciaal
stenen kruisen. Maar zelfs
gedurende de latere periode van verval werkten hier en daar enkele kunstenaars,
meestal onder inspiratie van de Armeniërs.
Enige zeldzame specimen van hun schilderijen bleven bewaard, maar dan wel
in acute nood aan wetenschappelijke restauratie, en alle zijn ze bedreigd door
verwoesting en verdwijning, wegens een gebrek aan respect en gepast begrip. Laat
ons hopen dat eerdaags de Christelijke Kunst en Cultuur nieuwe inspiratie zal
vinden en bescherming eens dat het embargo zal opgeheven zijn.”
NAAR TOP VAN DOCUMENT
uitzicht - overzicht
onderwerpen - thuispagina - Verwante
links - activiteiten
bvv
Heer, ik dank U,
om de vreugde van onze liefde, de vreugde van het innig samenzijn.
Om de tederheid tijdens onze prille liefde en de onhandige maar gemeende
stappen naar verzoening en elkaar - stilaan -
leren verstaan.
Om de verwondering toen de regels wegbleven, om het voorzichtige
vermoeden van een mysterie dat zich aankondigde, een mysterie van nieuw leven
waarbij ik zo nauw betrokken zou zijn. Om
de tranen van vreugde toen ik terugkwam van de gynaecoloog met de zekerheid dat
ik in verwachting was. Om de
vreugdetranen van mijn man toen ik het hem meedeelde.
Om de tijd die we toen samen stil bij elkaar hebben doorgebracht,
aangegrepen door het grote dat zich aan ons openbaarde, onze deelname - ónze
deelname! - aan jouw scheppingswerk. Dat
we moeder en vader zouden worden.
Ik dank U om het mysterie van het leven dat zich dan ontwikkelde in mijn
lichaam, om het groeiende bewustzijn dat het zich inderdaad aan mij voltrok,
zonder dat ik er echt greep op had: betrokken mogen zijn bij Jouw machtig en
teder werk. Om de aandacht en het
medeleven van mijn echtgenoot, om onze groeiende liefde, om ons groeiend op weg
gaan met U en met elkaar. Om mijn
kinderlijke dromen over moeder-zijn, mijn meisjesachtig bezigzijn rond kleedjes
en wiegje en pampers en welke papjes ik zou maken en hoe ik zou vertellen en hoe
het opvoeden… Om de lessen over -
nou ja- ‘pijnloze’ bevalling, om mijn zwellende schoot en mijn wat trager
voortbewegen. Om de geruststellende
woorden van de gynaecoloog bij enige ongemakken…
Ik dank U, Heer, om de onrust en de haast toen het zover was, om het
positieve onthaal in de kraamafdeling; omdat mijn man bij mij kon zijn, om de
tijd van de geboorte… de moeite, het medeleven, de verlossing… Dank om mijn
kindje, ons kindje, Jouw kleine mens die ik met grote en betraande ogen mocht
zien, dank om de vreugde van mijn man en ook zijn betraande ogen en het zweet op
zijn voorhoofd. Ik moet lachen: het
was net alsof hij een lastige bevalling had gehad!
Ik dank U om mijn vermoeidheid, mijn vreugde, mijn onhandigheid bij het
verzorgen van de kleine, mijn kleine successen, mijn fierheid erover, de
vriendelijke bezoeken en kleine attenties, de vreugde van moeder en schoonmoeder
en de grootvaders natuurlijk en de broers en zussen…
Dank U voor de vreugde zelf mijn kind te mogen voeden, dank U voor haar
hulpeloos snoetje en het leven dat ze binnenzoog uit mijn borst.
Kind van mij, ik voelde me zo met jou verbonden.
Dank U, Heer, dat ik iets van uw verantwoordelijkheid over mij voelde
komen, ze aan mij toevertrouwd voelde: de verantwoordelijkheid voor dit
kwetsbaar wezentje. Ik doe mijn
best, doet U de rest. Zegen het en
moge het altijd kunnen rekenen op ons en op U.
... Ik dank U voor heel het vervolg thuis en voor de kleine en grote
zorgen. Dank U voor de andere
kinderen die we mochten onthalen en voor alles wat het meebracht en meebrengt
aan zorgen op alle gebied. Ik dank
U dat we altijd op U mochten vertrouwen. Liefdevolle
God, ik dank U uit heel mijn hart.
NAAR TOP VAN DOCUMENT
uitzicht - overzicht
onderwerpen - thuispagina - Verwante
links - activiteiten
KLEMENS HOFBAUER (3)
DROMEN EN NACHTMERRIES
Ives De Mey cssr
Wat eraan voorafging
Op zijn 34ste is Klemens Hofbauer uitgezonden om de congregatie ten
noorden van de Alpen te verspreiden. Gedurende 20 jaar vinden hij en een 40tal
toegetreden redemptoristen een onderkomen in Warschau waar ze in moeilijke
omstandigheden Gods liefde verkondigen in woord en daad. Maar voortdurend voelen
ze de adem van anti-klerikale krachten die Klemens en de zijnen liever weg
willen. In deze derde aflevering beschrijven we de veelvuldige pogingen van
Klemens om elders in Noord-Europa een heimat te vinden voor de congregatie. We
starten in 1795, Klemens is 44 jaar.
Klemens heeft een droom
Klemens ziet dat de oogst groot is, maar de arbeiders weinig in getal.
Hij droomt van een internationaal opleidingshuis voor missionarissen. Er is
echter één probleem: Warschau is sinds 1795 in handen van de Pruisen. Die
noemen de redemptoristen nutteloze dromers. Voortaan beslist de overheid over de
toelating en het apostolaat van elke broeder of pater. Een heimelijk plan om het
religieuze leven stilletjes te laten doodbloeden. Als Klemens zijn droom wil
verwezenlijken, moet hij buiten de Pruisische grenzen een klooster stichten.
Mislukking-oorlog-depressie-gevangenis-mislukking.
Een eerste zending naar Letland loopt op niets uit. Op uitnodiging van
de pauselijke nuntius vertrekt Klemens naar Zwitserland om er een klooster te
stichten, maar wegens de oorlog in Zuid-Duitsland moet hij terug naar Warschau.
Op de terugweg passeert hij langs zijn geboortedorp in het huidige Tsjechië.
Enkele ouders sturen hun kinderen met Klemens mee naar zijn school in Warschau.
Wat Klemens niet weet is dat hij sindsdien gerechtelijk opgespoord wordt voor
ontvoering van kinderen!
Twee jaar later wordt Klemens weer gevraagd een school en weeshuis te
stichten in Wollerau, Zwitserland. Het lukt er niet echt goed, ze leiden er
armoede en Klemens wordt er ziek. Ook voor een heilige kan het soms te veel
worden: hij gaat door een diepe depressie. Een aanmoedigend briefje uit Warschau
schiet in het verkeerde keelgat: “We hopen dat je een blijvend klooster kan
starten in Zwitserland”. Klemens denkt dat zijn confraters in Warschau hopen
van hem verlost te zijn. Na een half jaar keren ze terug naar Warschau, maar
onderweg loopt het mis voor Klemens. Aan de grens in Krakow wordt Klemens, de
‘internationaal geseinde kidnapper’, opgepakt. Hij blijft opgesloten tot de
vier kinderen weer bij hun ouders zijn. Als dat gebeurd is, wil de politie hem
vasthouden tot ook twee andere Oostenrijkers Warschau verlaten. Na 106 dagen is
zijn geduld op en hij ontsnapt uit zijn huisarrest. Na een jaar afwezigheid is
hij weer in Warschau: totaal uitgeput. Een jaar later (1799) mislukt er nog een
poging om in het noord-oosten van het huidige Polen een klooster te stichten.
Taborberg en Wessenberg
We besparen u een tiental andere mislukte onderhandelingen. Tenslotte
krijgt hij in 1802 toestemming om in Jestetten (Zwarte Woud) een klooster te
starten. Eind 1802 komt Klemens met drie medebroeders aan in Jestetten: op de
‘Taborberg’ staat een vervallen kasteel. De twee kloosterzusters die er nog
leven, moeten hoge schulden aflossen. Klemens had zich wel iets anders
voorgesteld. Vanaf de tweede dag preekt hij op de ‘Taborberg’ en na enkele
weken bieden zich al tien kandidaten aan om redemptorist te worden. De franse
pater Passerat komt uit Warschau om overste te worden in Jestetten. Na twee jaar
leven een dertigtal redemptoristen in een vervallen torengebouw met drie kamers
die dienst doen als slaapkamer, kapel en leefruimte. Ze werken op de velden om
de kost te verdienen en een deel van de schulden van de zusters af te lossen.
Maar de parochiepastoor, de gouverneur en Wessenberg, de afgevaardigde
van de bisschop, waren ‘aangetast’ door het ‘verlichtingsdenken’.
Allerlei verdachtmakingen en het verbod van de pastoor aan zijn parochianen om
nog naar Klemens’ preken te gaan, doen Klemens besluiten naar iets anders uit
te kijken.
Triberg en Wessenberg
In 1803 was hem al gevraagd het naburige bedevaartsoord Triberg over te
nemen. Maar die Wessenberg was een vurig tegenstander van bedevaarten en stak
voortdurend stokken in de wielen. Tussendoor wandelde Klemens even met Passerat
op en af naar diens moeder in het Franse Joinville (tussen Nancy en Troyes) en
ook nog naar een audiëntie bij Paus Pius 7 in Rome. Tegen 1805 mochten de
redemptoristen onder zeer strikte voorwaarden Triberg overnemen: er mochten
hooguit drie priesters verblijven. Wanneer Wessenberg enkele maanden later
verneemt dat er nog vier studenten gewijd zijn in Triberg, barst hij uit tegen
die ‘idioten en dromers’. Hoewel de redemptoristen door de bevolking op
handen gedragen worden omwille van hun heiligheid, moeten ze Triberg verlaten in
1807.
Babenhausen
In de november 1805 was Klemens al met een dertigtal redemptoristen
vertrokken naar Babenhausen in Zuid-Duitsland, weg uit het bisdom van die
Wessenberg. Ze verblijven in een vochtig gebouw: ‘s nachts strooien ze stro
uit in de eet- en studieruimte om er op de grond te slapen. Klemens wandelt
iedere avond met enkele medebroeders naar de pastorij in een naburig dorp. De
paters werken in de omgeving als parochiepastoor of in ziekenhuizen en scholen.
Maar de overheid in de buurstaat Beieren is anti-klerikaal en in 1806
ziet het ernaar uit dat Beieren Babenhausen wil annexeren. Klemens kan de
spanningen niet meer aan en wordt ziek. Wanneer Beieren Babenhausen inderdaad
binnenvalt, vindt Klemens nieuwe moed in God: ‘God is de Heer, Hij leidt
alles, ik geef me in deze hopeloze situatie volledig over aan Gods wil.’ De
ene dag nog neemt Klemens zich voor naar Canada te vertrekken en de andere dag
beslist hij naar Wenen te gaan, waar hij Hübl wil ontmoeten. Hübl is zijn
jeugdvriend en rechterhand die de leiding draagt in Warschau.
Jobstijdingen
Klemens verlaat zijn medebroeders in Zuid-Duitsland en Zwitserland en
zal ze nooit meer terugzien. Passerat heeft nu de leiding over dit deel van de
congregatie. Want wegens de bloedige veldslagen besluit Klemens om niet meer
terug te keren uit Wenen naar Zuid-Duitsland. Klemens en Hübl gaan terug naar
Warschau. Maar het is winter en Klemens was onderweg beroofd van zijn winterjas.
Hij wordt ziek en bovendien is de grens gesloten in Krakow. Vier maanden blijft
hij bij een bevriende gravin tot hij hersteld is. Ondertussen ontvangt hij het
bericht dat de troepen van Napoleon Warschau hebben ingenomen en hij hoort over
het geldgebrek in Warschau. En hij hoort dat Passerat met zijn mannen gevlucht
is uit Babenhausen naar Chur in Zwitserland. Alle plannen van Klemens vallen in
het water, maar zijn geloof bezwijkt niet. Na twee en een half jaar afwezigheid
komt Klemens weer aan in Warschau. De zon schijnt weer: ‘home sweet home’ en
bovendien geven de Franse heersers wat meer speelruimte aan de paters.
Maar in 1807-1808 krijgt Klemens de zwaarste slagen te verduren.
De anti-kerkelijken hebben het gemunt op de ‘Liguorianen’
Zijn beste vriend Hübl wordt op een dag ontvoerd en zwaar mishandeld
door kerk-haters. Wanneer hij eindelijk hersteld is, gaat Hübl tyfus-lijders
bezoeken en wordt zelf besmet. Hübls dood slaat een diepe wonde bij Klemens,
die maar langzaam heelt. Ook vele andere jonge medebroeders sterven aan tyfus.
In Chur voelt Passerat de haat tegen de redemptoristen groeien: de
Beierse regering oefende druk uit op de overheid in Chur om ‘de wijde omgeving
rondom Beieren te zuiveren van de Liguorianen die een onzin zijn en een misbruik
van religiositeit. Het is in het algemeen belang die gevaarlijke monniken te
verwijderen.’ In vier groepen verspreid verlaten Passerat en de zijnen
heimelijk Chur en trekken te voet in de harde winter langs verschillende routes
door de Alpen naar Visp in Wallis. Ook hier zullen ze maar kunnen blijven tot
1812 omdat Napoleon ook Wallis zal veroveren.
De nachtmerrie
En in Warschau is het al niet veel beter. Kranten brengen het bericht
dat de leider van de uitgedreven Beierse monniken in Warschau verblijft. De
franse bevelhebber in Warschau laat zich informeren bij de Beierse overheid over
die subversieve monniken die de staat bedreigen door hun fanatiek opruiende
preken. Er volgen huiszoekingen in St Benno (het klooster van de redemptoristen
in Warschau) en er worden brieven gevonden: ‘doorslaggevend
bewijsmateriaal’. Napoleon krijgt wel 150 brieven over die staatsgevaarlijke
monniken die zouden beweren dat ‘Napoleon de paus dwingt protestant te
worden!’. Napoleon beveelt de uitdrijving van de redemptoristen! Het leger
sluit de buurt hermetisch af en valt het klooster binnen. Alle paters en
broeders worden gedurende anderhalve dag onder druk gezet de congregatie te
verlaten en worden in de vroege morgen twee aan twee opgeladen en naar een fort
buiten de stad gebracht. De bevolking is furieus! Enkele weken later worden alle
redemptoristen onder bewaking teruggebracht naar hun dorp van afkomst. Hofbauer
wordt samen met de jonge pater Martin Stark op transport gezet naar Wenen. Daar
wordt hij gearresteerd omdat men kerkgerief uit het klooster van St-Benno
terugvindt in zijn bagage: ‘gestolen kerkschatten’ die prompt in beslag
worden genomen.
Zoals Job op zijn mesthoop
1808. Klemens is 57. Hij kan terugblikken op 13 mislukte jaren! 23 jaar
na de opdracht om de congregatie te vestigen in Noord-Europa, zit hij in Wenen
in de cel met welgeteld één confrater die overschiet. Maar Klemens geeft niet
op!
Deze levensbeschrijving is gebaseerd op het werk van P. Josef Heinzmann:
“Das Evangelium neu verkünden: Klemens Maria Hofbauer” uit 1987.
INHOUD - ACTIVITEITEN - NIEUW - KINDEREN - BIJBEL - DIAPRESENTATIES - GEBEDSGROEP - PARAY L.M. - MARIA-KEFAS - PREKEN - REDEMPTORISTEN - THUISPAGINA - NADENKERTJES - NUMMERS - LITURGIE - ROEPING - GEZIN - JONGEREN - GETUIGENISSEN - ETHIEK - HAHAHA - BOEKEN - MARIA - VORMING - ZENDING - KERK - CHRISTEN - UITZICHT - INFO - MEDIA - GEZONDHEID - SPIRITUALITEIT - PINKSTERSPIRITUALITEIT - VERHALEN - KUNST - BEZINNINGEN -